---
title: "Administratieve geldboete, werkingssfeer · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 12 februari 2007"
description: "Administratieve geldboete, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, strafbepaling. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 12 februari 2007."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-geldboete-werkingssfeer-dienst-belastbare-rechtbank-brugge-2007-02-12-9665"
lang: "nl"
---

# Administratieve geldboete, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, strafbepaling, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

12 februari 2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

57 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 12.02.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **04/677/A** Rep. nr. 2007/2209

**de heer E. D.**, bloedtransport-, ceremonie- en taxibedrijf, (Ondernemingsnr. …), wonende te …, …,

**eiser,**

voor wie is opgetreden Meester **T. V.** (balie Brugge) loco Meester **G. B.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomenfiscaliteit, in de persoon van :

\- **de gewestelijk directeur van het Controlecentrum van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit te BRUGGE**, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

\- **de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE**, G. Vincke Dujardinstraat 41.

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **J. V. d. P.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift houdende verzet de dato 1 maart 2004.

Gelet op het tussenvonnis van deze rechtbank en kamer de dato 10 april 2006.

De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging.

Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 15 januari 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

De rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in haar tussenvonnis de dato 10 april 2006.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

**3.1.1.** Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat er op het ogenblik van de rechtsingang nog geen dwangbevel was betekend.

De verplichting van het (oude) artikel 89, 2° lid W.BTW om te dagvaarden kan niet worden uitgebreid tot vorderingen die op grond van de algemene regel van artikel 569, 32° Ger. W. worden ingesteld.

Eiser kon dan ook bij tegensprekelijk verzoekschrift de vordering inleiden.

**3.1.2.** Verweerder voert verder geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.

Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

#### *3.2.1. het tarief*

In casu verricht eiser bloedtransport in opdracht van het Rode Kruis. Vervoerprestaties zijn op grond van artikel 18, § 1, tweede lid, 1° W.BTW te beschouwen als diensten.

[Artikel 1, eerste lid, 3° KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) van 20 juli 1970 schrijft voor dat voor alle andere goederen en diensten bedoeld in het wetboek (die niet in 1° en 2° opgesomd zijn, zijnde de goederen en diensten aangewezen in tabel A en B van de bijlage van dit besluit), de belasting over de toegevoegde waarde berekend wordt tegen het tarief van 21 %.

Het vervoer van bloed is niet opgenomen onder de desbetreffende rubrieken XXIV tot XXXV van tabel A van de bijlage van voormeld KB, zijnde de diensten onderworpen aan het tarief van 6 %, noch onder tabel B van de bijlage van voormeld KB, zijnde de handelingen onderworpen aan het tarief van 12 %. Bijgevolg is deze dienst onderworpen aan het normaal tarief.

#### *3.2.2. het vertrouwensbeginsel*

Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel van toepassing zijn in fiscale zaken. Het vertrouwensbeginsel kan gedefinieerd worden als een beginsel van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk elke burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Dit impliceert dat gerechtvaardigde verwachtingen welke door de overheid bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt moeten worden gehonoreerd, op gevaar af het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden. Het rechtszekerheidsbeginsel is evenwel geen onbeperkt recht. In functie van de concrete omstandigheden dient een afweging plaats te vinden tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. De overheid kan derhalve niet gebonden zijn door een eventuele nalatigheid of onoplettendheid van een controlerende ambtenaar die, zonder een standpunt in te nemen of een interpretatie te geven, bepaalde overtredingen van de wetgeving over het hoofd zou hebben gezien of niet zou hebben gesanctioneerd. De vroegere houding van bepaalde geledingen van het Ministerie van Financiën kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast.

Bovendien is het duidelijk, op grond van de voorliggende stukken, dat de BTW­administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eiser het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat er een akkoord was tussen partijen nopens het toe te passen BTW-tarief van 6 % inzake bloedtransport.

Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van het opgewekt vertrouwen niet geschonden.

#### *3.2.3. de boete*

Een boete van 10 % op het verschuldigd BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (*Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99*).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is. Uit de voorliggende stukken blijkt immers dat door het toepassen van het verkeerde tarief eiser zich een onrechtmatig voordeel heeft toegekend hetgeen concurrentieverstorend werkt ten aanzien van andere belastingplichtigen die wel het correcte tarief toepassen.

Verder dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat de niet tijdige betaling van de verschuldigde BTW een hele reeks administratieve formaliteiten en dito kosten met zich meebrengt. Tenslotte moet een boete ook een ontradend effect hebben.

Rekening houdend met deze elementen en met de relatieve zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank de boete van 10 % in gepaste verhouding tot de vastgestelde feiten.

### 3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 364,40 EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **maandag twaalf februari tweeduizend en zeven**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **N. H.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 1 voorkomen
