Aansprakelijkheid en verplichtingen openbare ambtenaren, gemene bepaling, strafbepaling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 4 maart 2010

Zoeken

Aansprakelijkheid en verplichtingen openbare ambtenaren, gemene bepaling, strafbepalingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/aansprakelijkheid-verplichtingen-openbare-ambtenaren-gemene-rechtbank-gent-2010-03-04-3db8

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
4 maart 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

69 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 04.03.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 04 MAART 2010

Rolnummer AR 05/628/A

In de zaak van :

De NV DE L'A., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het BTW-register onder nr. BE … en met ondernemingsnummer ….

eiseres,

hebbende als raadsman mter L. G., met kantoor te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem, G. Schockaertstraat 4, 9620 Zottegem;

verweerder,

hebbende als raadsman mter E. V. A., met kantoor te …, …;

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 4 februari 2010 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift d.d. 16 februari 2005 en de conclusies van de partijen.

2. DE VORDERING

De eiseres formuleert haar vordering als volgt :

"In hoofdorde

De zaak terug te verwijzen naar de algemene rol omdat de zaak hic et nunc niet in staat is om gepleit te worden en om gevonnist te worden, gelet op het hangende geding voor het Hof van Beroep te Gent, 3de kamer, herroeping van gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 26.9.2002 waaraan de BTW haar vordering hangt.

Subsidiair

a) verbalisant E. M. op te roepen teneinde hem de eed te laten afleggen omtrent zijn gratis affirmatie als dat hij geen inzage heeft genomen van het gerechtelijk dossier : - zoals beweerd wordt op pag. 3 van de laatste besluiten voor verweerder.

b) aan verweerder te bevelen dat hij de stukken voorlegt mbt de zogenaamde eerste betekening op 3.4.2001 nl. aangetekende brief - bewijs aangetekende zending - bewijs dat de aangetekende brief is ontvangen door de NV De l'A..

c) te acteren dat eiseres zich het recht voorbehoudt om nadien verder te besluiten zoals het hoort."

In haar conclusies, neergelegd ter griffie d.d. 17 maart 2006 vorderde de eiseres ten gronde de nietigverklaring van het dwangbevel, het proces-verbaal en de betekening ervan en te zeggen voor recht dat de vermelde sommen in het dwangbevel aan BTW, boeten, intresten en vervolgingskosten in het dwangbevel niet verschuldigd zijn.

3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Bij brief van 22 maart 2001 van notaris E. D'H., werd de BTW-administratie, op grond van artikel 93ter van het BTW-wetboek, in kennis gesteld van een ontwerp van akte houdende verkoop door de eiseres van een onroerend goed gelegen te … (…).

De ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem was op de hoogte van een hangend dossier betreffende accijnsfraude lastens de eiseres en van het gegeven dat een groot deel van de boekhouding in beslag werd genomen door de administratie der douane en accijnzen. De administratie stelt dat ingevolge de inbeslagneming van de boekhouding, een normale controle bij de eiseres ter plaatse niet doorgaan.

Gezien de hoogdringendheid, teneinde de rechten van de Schatkist te vrijwaren, werd op 30 maart 2001 een proces-verbaal opgemaakt inzake een bijkomende BTW-vordering, die gesteund was op het proces-verbaal opgemaakt door de administratie der douane en accijnzen. Het eerste punt van het proces-verbaal inzake BTW omvat de onttrekking aan de schorsingsregeling inzake accijnzen met valse uitvoerdocumenten waar zowel de waarde van de goederen, als de accijns en de bijzondere accijns behoren tot de maatstaf van heffing inzake BTW. Het tweede punt van het proces-verbaal betreft de afboeking van hogere alcoholgehaltes bij vermeende uitvoer, zodat op deze wijze tevens accijnsrechten en bijzondere accijnsrechten werden ontdoken.

De administratie stelt dat rekening houdende met artikel 26 W.BTW, waarin wordt omschreven dat ook belastingen, rechten en heffingen tot de maatstaf van heffing inzake BTW behoren, de bijkomende BTW van de eiseres werd gevorderd. De invordering gebeurde in opschorting gezien een rechtsdossier hangend was tussen de eiseres en de administratie der douane en accijnzen.

Op 26 september 2002 werd uitspraak gedaan over deze zaak door het Hof van Beroep te Gent, 3° kamer. Het cassatieberoep werd verworpen op 24 juni 2003.

Bij schrijven van 2 maart 2005 van de administratie der douane en accijnzen werd aan eiseres BTW-administratie meegedeeld dat het verzoek van de eiseres tot kwijtschelding van accijnsrechten overeenkomstig op 26 januari 2005 door de centrale administratie werd afgewezen.

De administratie is van oordeel dat op basis van deze gegevens en feiten de vordering inzake BTW als definitief te worden beschouwd.

4. BEOORDELING

4.1. Met betrekking tot de grief tot schorsing van de procedure

De strafzaak tussen de eiseres en de administratie der douane en accijnzen omtrent de accijnsfraude is definitief beslecht middels het arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 26 september 2006. De voorziening in cassatie van de eiseres werd verworpen bij arrest van het Hof van Cassatie van 24 juni 2003.

De vordering inzake BTW werd berekend op basis van de uitspraak van het Hof van Cassatie d.d. 24 juni 2003. Hieruit blijkt dat het arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 26 september 2002 wordt bekrachtigd. Uit dit arrest blijkt dat de eiseres veroordeeld wordt voor feit A. Door deze uitspraak vervalt het punt 2 van de berekeningsbasis van de verschuldigde BTW opgenomen in het proces-verbaal d.d. 30 maart 2001. De vordering van de BTW-administrátie blijft rechtsgeldig voor het volgende bedrag :

- factuurwaarde fictieve uitvoeren : … BEF (… EUR);

- accijns : … BEF (… EUR);

- bijzondere accijns : … BEF (… EUR)

- Totaal : … BEF of … EUR

- verschuldigde BTW 21 % of … Euro

De administratie past in die zin het invorderingsorder aan rekening houdende met de wettelijke boete van twee maal de verschuldigde belasting, op basis van art. 70, § 1, W.BTW of … Euro; te vermeerderen met de wettelijke en moratoire intresten, alsook de gerechtskosten.

Uit stuk 7 van de administratie blijkt dat het verzoek tot herroeping van het gewijsde niet toelaatbaar werd verklaard door het arrest van het Hof van Beroep te Gent, derde kamer, d.d. 14 februari 2008. Er is geen reden om de behandeling van deze zaak uit te stellen.

4.2. Met betrekking tot de verjaring van de BTW-vordering

De Belgische Staat toont aan dat het dwangbevel twee maal aan de eiseres werd betekend. De eerste maal via aangetekend schrijven van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem op 3 april 2001, zoals blijkt uit de vordering daartoe van de administratie en die afgestempeld is door De Post op 3 april 2001. Deze kennisgeving van het dwangbevel heeft overeenkomstig artikel 85, § 2 W.BTW de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW gestuit. Het dwangbevel werd eveneens aan de eiseres op 2 februari 2005 betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder B. V.. De dwangbevelen werden tijdig en op rechtmatige wijze betekend aan de eiseres.

De door de eiseres opgeworpen vraag zij de aangetekende zending al dan niet heeft ontvangen of afgehaald is van geen belang. De betekening van het dwangbevel bij deurwaardersexploot is niet noodzakelijk.

4.3. Met betrekking tot de gegevens waarop de vordering van de BTW gesteund is.

Overeenkomstig art. 93quaterdecies, § 2, eerste lid W.BTW kan de Staat alle inlichtingen, stukken, processen-verbaal of akten die een ambtenaar van een fiscaal rijksbestuur hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van bepaalde openbare diensten heeft ontdekt of bekomen in het uitoefenen van zijn functie, inroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som. Deze paragraaf laat het gebruik toe van alle rechtmatig verkregen inlichtingen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som. De ambtenaren van de belastingadministraties hebben niet alleen het recht om - met het oog op de juiste heffing van de belastingen - bij de bestuursdiensten van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, inlichtingen in te winnen. Doch, die administraties worden gemachtigd - voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som - alle inlichtingen, stukken, processen-verbaal of akten aan te wenden die door een ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur in de uitoefening van zijn functie werden ontdekt of bekomen en dit hetzij rechtstreeks, hetzij door toedoen zowel van de bestuursdiensten van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten als van openbare instellingen, inrichtingen of instellingen en inrichtingen van publiek recht. De fiscale staatsbesturen mogen dus beschikken over alle inlichtingen van algemene of individuele aard die nuttig zijn voor het vestigen van de belastingen in het algemeen. Ze mogen daartoe onderling alle inlichtingen uitwisselen.

De BTW-administratie kan op grond van artikel 93quaterdecies, § 1 W.BTW op rechtmatige wijze gebruik gemaakt van gegevens van de administratie der douane en accijnzen om de vordering inzake BTW in te stellen.

Er is geen reden om verbalisant E. M. te laten bevestigen dat geen inzage genomen werd van het gerechtelijk dossier. De administratie heeft aangetoond op welke wijze ze de processen-verbaal vanwege de administratie der douane en accijnzen heeft verkregen. De aanvraag en de toezending van deze gegevens zijn gevoegd bij de stukken van de administratie onder stuk 2 en 6.

4.4. Met betrekking tot de motivering van het dwangbevel

De administratie merkt terecht op dat de geldboete vermeld in het proces-verbaal d.d. 30 maart 2001 de wettelijke geldboete is. voorzien in artikel 70, § 1 van het W.BTW, meer bepaald het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. De vermelding van dit artikel en de mededing dat de boete werd opgelegd wegens het inzicht van de belastingplichtige om de belasting te ontduiken, zijn opgenomen in het dwangbevel d.d. 2 april 2001 (RCIV-nr. …). In de berekening van dwangbevel met bevel tot betaling d.d. 2 februari 2005 - exploot Gerechtsdeurwaarder B. V. - is vermeld op pagina 2 dat het bedrag van … euro zowel het bedrag van de boete als de reeds vervallen intresten omvat. De geldboete is in feite en in rechte gemotiveerd.

De vordering van de eiseres dient als ongegrond te worden afgewezen.

4.5.

De eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek). De vordering is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van het bestreden dwangbevel, in de schijf boven 1.000.000,01 EUR.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van de verweerder: de rechtsplegingsvergoeding : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op vier maart tweeduizend en tien, waar aanwezig waren :

de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. S. R.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 93ter1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

3