---
title: "Niet aangegeven omzet, aangifte · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 20 juni 2022"
description: "Niet aangegeven omzet, aangifte. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 20 juni 2022."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-aangifte-rechtbank-brugge-2022-06-20-d567"
lang: "nl"
---

# Niet aangegeven omzet, aangifte

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

20 juni 2022

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

69 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 20.06.2022 (rolnr. 21/749/A)

*Belasting over de toegevoegde waarde – Niet aangegeven omzet*

\[ Gunstig \]

## Wettelijke bepalingen

Art. 53, §1 en [art. 53 octies §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53octies) en [70, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) WBTW;

[Artikel 18, § 1 van het Koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;

## Samenvatting van het vonnis / het arrest

De belastingplichtige is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de economische activiteit van eetgelegenheden met volledige bediening.

Bij een controle werd vastgesteld dat de boekhouding niet bewijskrachtig was. Bankuittreksels en de geregistreerde kassatickets ontbraken en de facturen waren niet chronologisch en doorlopend genummerd. De administratie ging overeenkomstig artikel 62bis, 2de, 3de en 4de lid van het Btw-Wetboek over tot een raadpleging van het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank. De omzet van belastingplichtige werd weder samengesteld op basis van de financiële inlichtingen die werden verkregen uit het bankonderzoek. De inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal dat werd betekend en de belastingschuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister. Bij verzoekschrift 2020 stelde de belastingplichtige zijn vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg tegen de voornoemde belastingschuld. De rechtbank oordeelde dat de vordering van de belastingplichtige ontvankelijk maar ongegrond was.

Tegen dit vonnis heeft de belastingplichtige hoger beroep ingesteld.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 21/749/A

D.D. (RRN: 73…36 en gekend onder KBO-nr. 08…11), wonende te …

eisende partij,

voor wie optreedt meester M.M., advocaat te …

tegen

de BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verwerende partij,

voor wie optreedt mevrouw K.V., adviseur

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 25 maart 2021.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden in hun middelen gehoord op de zitting van 23 mei 2022.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1.Eiser is ingeschreven ais BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE08…, voor de activiteit van eetgelegenheden met volledige bediening. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Eiser baatte in de gecontroleerde periode 2 restaurants uit:

G. te Brugge, …;

M.B te Brugge, … (deze activiteit is stopgezet op 31 januari 2021).

Na een controle worden de overtredingen en vaststellingen voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017 in hoofde van eiser opgenomen in een proces-verbaal inzake BTW d.d. 26 september 2019. Volgens de administratie zijn op bankrekeningen van eiser bedragen gestort (308.518,98 EUR), heeft hij beroepskosten cash betaald (165.020,55 EUR) en zijn al deze bedragen afkomstig van niet aangegeven belastbare handelingen. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiser verschuldigd is als BTW 36.002,07 EUR, als geldboete 72.000,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2018. Op 4 november 2019 wordt de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister, dat uitvoerbaar wordt verklaard op 7 november 2019. Op 23 december 2019 heeft eiser bezwaar aangetekend. Dit bezwaar wordt afgewezen op 22 december 2020.

Door eiser wordt fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift d.d. 25 maart 2021.

2.Eiser vraagt dat:

de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

\- het dwangbevel d.d. 26 september 2019 wordt ontheven ten bedrage van de BTW op het bedrag van 23.353,20 EUR;

\- de belastingverhoging van 200% nietig wordt verklaard of wordt ontheven of minstens wordt herleid tot 10%;

\- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.900,00 EUR.

3.Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

## III. BEOORDELING

### A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

### B. Betreffende de grond

1.betaling beroepskosten

Bij de berekening van de verschuldigde BTW heeft verweerder rekening gehouden met cash betaalde beroepskosten t.b.v. 165.020,55 EUR (waarvan 25.353,20 cash betaalde lonen). Eiser betwist de opname van de cash betaalde lonen gezien op deze nettolonen geen BTW verschuldigd is.

Het is correct dat op lonen geen BTW verschuldigd is, maar de beroepskosten (wat de cash betaalde nettolonen zijn) worden betaald met cash ontvangen beroepsinkomsten en deze beroepsinkomsten zijn aan BTW onderworpen (namelijk inkomsten van belastbare handelingen). Deze cash ontvangen inkomsten van belastbare handelingen werden door eiser niet aangegeven, zodat verweerder ze terecht toegevoegd heeft.

2.geldboete

Een administratieve boete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met voile rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met voile rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Volgens het Hof van Cassatie (Cass. 17 januari 2019, F.J.F. 2019, afl. 4, 151) zijn de hoven en rechtbanken onbevoegd om BTW-boeten te herleiden tot onder de bedragen die zijn voorgeschreven door het KB nr. 41 indien niet eerst kwijtschelding of vermindering is gevraagd aan de Minister van Financiën op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

Eiser heeft kwijtschelding of vermindering van de geldboete gevraagd op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831. Een beslissing hieromtrent werd niet genomen.

Uit het proces-verbaal d.d. 26 september 2019 blijkt dat eiser op één jaar voor in totaal 473.539,53 EUR inkomsten van belastbare handelingen heeft ontvangen die niet werden aangegeven. Verder blijkt dat eiser tijdens de controle een onvolledige boekhouding heeft meegedeeld en niet heeft meegewerkt aan het onderzoek (niet antwoorden op vragen en niet meedelen van gevraagde stukken). Reeds lang voor de brand van 9 maart 2019 in restaurant G. werd door eiser niet meegewerkt aan het onderzoek. Uit de omstandigheden en uit de omvang van de vastgestelde overtredingen, blijkt dat eiser gehandeld heeft met het oogmerk de BTW te ontduiken.

De door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 200 % is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de zware inbreuk.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

Eiser vraagt een geldboete met uitstel of opschorting. Zelfs indien de rechtbank in de mogelijkheid zou zijn om uitstel of opschorting te verlenen, is de rechtbank van oordeel dat er geen enkele reden is om een uitstel of opschorting te verlenen. Eiser heeft herhaaldelijk en voor een aanzienlijk bedrag belastbare handelingen niet aangegeven en heeft niet meegewerkt tijdens de controle. Eiser bewijst geen financiële moeilijkheden.

De geldboete werd opgelegd bij toepassing van de artikelen [70 §1 en 84, derde lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) WBTW, zijnde grondwetsconforme bepalingen die door de Belgische Staat overeenkomstig zijn soevereine belastingbevoegdheid werd uitgevaardigd. De bepalingen zijn onontbeerlijk voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, berusten op uitzonderlijke omstandigheden en beantwoorden aan dwingende motieven van algemeen belang. De rechtbank is van oordeel dat er dan ook geen sprake is van een onevenredige geldboete. Er is dan ook geen sprake van een schending van artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol van het E.V.R.M..

### C. Betreffende de kosten

Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017,1° lid GerW de gerechtskosten dragen.

Aangezien verweerder niet bijgestaan wordt door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

---

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-

Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op **MAANDAG TWINTIG JUNI**

**TWEEDUIZEND TWEEËNTWINTIG** waar zitting hadden:

L.D., rechter;

N.L., griffier.

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) 2 voorkomens

[WBTW art. 53octies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53octies) 2 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Bewijslast, Niet-opeisbare belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-jacht-bewijslast-opeisbare-rechtbank-hasselt-2023-04-20-b8af) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bergruimte](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-bergruimte-cassatie-brussel-2025-04-25-2252) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Niet-opeisbare belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-jacht-bewijslast-opeisbare-hof-van-beroep-antwerpen-2026-03-17-4b56) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet aangegeven omzet, inzage gerechtsdossier, una via overleg](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-inzage-gerechtsdossier-una-rechtbank-gent-2024-03-13-576c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet aangegeven omzet, aangifte](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-aangifte-hof-van-beroep-gent-2024-02-13-95d7) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet aangegeven omzet, Wettelijk vermoeden, Wettelijke boete, omzetcoëfficiënt, zwartverkoop](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-wettelijk-vermoeden-wettelijke-hof-van-beroep-gent-2024-06-11-d90a) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Ontbreken van een GKS](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-ontbreken-gks-rechtbank-2023-05-30-187c) 2 gemeenschappelijke bepalingen
