---
title: "Niet aangegeven omzet, aangifte · Hof van beroep te Gent, 12 september 2023"
description: "Niet aangegeven omzet, aangifte. Hof van beroep te Gent (België), 12 september 2023."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-aangifte-hof-van-beroep-gent-2023-09-12-b491"
lang: "nl"
---

# Niet aangegeven omzet, aangifte

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

12 september 2023

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

138 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 12.09.2023

## Titel van het document

Arrest van het hof van beroep te Gent dd. 12.09.2023 - 22/AR/754

Gunstig arrest

## Trefwoorden geschillen

*Belasting over de toegevoegde waarde – Niet aangegeven omzet*

*Wettelijke bepalingen*

*Art. 53, § 1 en* [*art. 53 octies §1 WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53octies)*;*

[*Artikel 18, § 1 van het Koninklijk besluit nr. 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) *van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;*

## Samenvatting van het vonnis/het arrest

1\. Feiten, voorafgaande en vonnis in eerste aanleg

De belastingplichtige is voor btw-doeleinden geregistreerd met als activiteit de uitbating van drankgelegenheden en dancings. Deze betwisting heeft betrekking op de omzet die werd gerealiseerd naar aanleiding van de uitbating van een zomerbar in de maanden juli, augustus en september 2016.

De FOD Financiën ontving van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg een kennisgeving afkomstig van de Federale Gerechtelijke Politie met inlichtingen over mogelijke fraude via een dubbele boekhouding en kassatickets met betrekking tot de inkomsten van belastingplichtige. De aangetroffen kassatickets werden hierbij ook bijgevoegd.

Vervolgens werd overgegaan tot een fiscale controle waarbij werd vastgesteld dat de boekhouding niet bewijskrachtig was. De kassatickets die werden opgenomen in de boekhouding waren niet de tickets die werden aangetroffen bij de inval van de Federale Gerechtelijke Politie.

Deze inbreuken op de aangegeven omzet werden opgenomen in een proces-verbaal. Tegen dit proces-verbaal werd een administratief bezwaar ingediend dat werd afgewezen.

Bij verzoekschrift stelde de belastingplichtige haar vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, ter betwisting van de voornoemde belastingschuld. Bij vonnis op tegenspraak van 10 januari 2022 heeft de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent de vordering afgewezen als zijnde ongegrond. Vervolgens legde appellante een verzoekschrift tot hoger beroep tegen dit vonnis neer.

2\. Het arrest van het hof van beroep

Het hof oordeelde dat de argumenten van appellante om de betrouwbaarheid van de kassatickets die bij de inval door de FGP werden aangetroffen onderuit te halen, niet behoorlijk worden gestaafd. De door appellante aangebrachte gegevens zijn dan ook niet van aard het bewijs ( door vermoedens) van de belastingadministratie te ontkrachten. De belastingadministratie heeft terecht de belastingschuld opgenomen in het innings-en invorderingsregister. De vordering van appellante is ongegrond.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

In de zaak van:

**B.B.,** ON 04…40,

met zetel te …,

*appellante,*

*hebbende ais raadsman mr. J.P., advocaat te 2000 ANTWERPEN, …*

tegen

**BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIÉN,** ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal-Directeur KM0 Centrum Aalst, met burelen te 9100 SINT-NIKLAAS, Driekoningenstraat 4,

*geïntimeerde,*

*hebbende als raadsman mr. T.B., advocaat te 9041 OOSTAKKER, …* ***en*** *mr. C.D., advocaat te:9041 OOSTAKKER, …*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 28 april 2022 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg 0ost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 10 januari 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/2…/A en dat op 11 april 2022 werd betekend zoals blijkt uit stuk 21 van de geïntimeerde.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 13 juni 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

2.1. Op 18 juni 2018 ontving de belastingadministratie een kennisgeving vanwege de federale gerechtelijke politie (FGP O-VL, 291/18), waarin melding gemaakt werd van mogelijke fraude via dubbele boekhouding in de horecazaak *'L.'* van de appellante. Er zou tussen begin juli 2016 en eind augustus 2016 ongeveer 253.000,00 EUR ontvangen zijn in deze horecazaak, waarvan maar een miniem gedeelte officieel zou zijn aangegeven. In bijlage bij de kennisgeving ging, onder de vorm van kopijen van kassatickets (de zogenaamde *'tickets FGP'),* een overzicht van wat de effectieve omzet geweest zou zijn voor de genoemde periode.

Daarop volgde een controle van de boekhouding bij de appellante, zowel op het gebied van de vennootschapsbelasting als op het gebied van de btw.

Wat betreft de btw richtte de belastingadministratie op 10 april 2019 een correctieopgave aan de appellante met betrekking tot de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 (zoals naderhand gecorrigeerd in het proces-verbaal van 14 oktober 2019). Deze correctieopgave Ieidde tot een gedeeltelijk akkoord vanwege de appellante op 29 april 2019. De inbreuken waarvoor niet tot een akkoord werd gekomen, werden opgenomen in een proces-verbaal dat op 14 oktober 2019 ter kennis werd gebracht aan de appellante.

In het voornoemde proces-verbaal kwam de belastingadministratie tot de vaststelling dat de appellante voor de periode van 1 juli 2016 tot 30 september 2016 een deel van haar omzet en verschuldigde btw niet had vermeld in haar periodieke btw-aangiftes en de verschuldigde btw niet had voldaan, waarbij onder meer voortgegaan werd op volgende elementen en vaststellingen:

-Met verwijzing naar de kennisgeving vanwege de federale gerechtelijke politie werd

gesteld dat de appellante met ingang van 15 juli 2016 en tot de sluiting op 18 september 2016 de zomerbar *‘L.B.’* had uitgebaat.

\- Bij nazicht van de boekhouding werd vastgesteld dat de appellante in die periode

verschillende (eerst vier en na 15 augustus drie) kassa's huurde bij de firma H.K. bv (hierna kortweg 'HKC'). In een factuur van HKC, uitgereikt aan de appellante in oktober 2016 en teruggevonden in haar boekhouding, stond het volgende vermeld: *"Copy van data op back-up stick geplaatst. Alle rapporten afgeprint met licentiekey van HKC wegens huurkey reeds afgelopen op 27/9/2016".* In de bijgaande bestelbon stond een vergelijkbare tekst: *"Copy van data afgegeven op USB stick met cijfers van 15/7/16 tot 18/9/16). \[...\]".* De betrokken factuur werd door de appellante geboekt en betaald.

J.B., zaakvoerder van HKC, had in antwoord op een vraag om inlichtingen, in detail de werkwijze zoals uiteengezet in deze bestelbon en factuur bevestigd.

Op 19 oktober 2018 had de btw-administratie tevergeefs verzocht om de USB-stick waarvan melding werd gemaakt in de facturen van HKC te ontvangen.

In antwoord op die vraag om inlichtingen had de appellante wel omzetrapporten aan de belastingadministratie overgemaakt voor de periode van 15 juli 2016 tot 15 september 2016 (de zogenaamde *'tickets B.).* Deze tickets vermeldden de hoofding *B.,* datum en uur, en de globale omzet (eten & drinken) per kelner; zij bevatten geen volgnummer of details van de achterliggende omzetgegevens en zouden ook verkeerde vermeldingen inzake btw-bedragen en maatstaf van heffing bevatten. Volgens de belastingadministratie lieten deze rapporten geen controle toe op wat er effectief verkocht geweest was en maakten ze het onmogelijk om een grondige fiscale controle uit te voeren.

De kennisgeving van de federale gerechtelijke politie zou kastickets (met Z-totalen) van de bij HKC gehuurde kassa's bevatten. De belastingadministratie meende uit de *tickets FGP* de totale omzet voor de periode van 1 juli 2016 tot 30 september 2016 te kunnen putten, alsook de totale omzet per kelner voor dezelfde periode, de Z-totalen met tellers per kassa (perfect doorlopende teller in de kassa's) en de Z-totalen met verkoop dranken/voeding + omzet per kelner voor de periode 15 juli 2016 tot 12 augustus 2018.

Uit analyse van de verkregen data zou onder meer gebleken zijn dat het daadwerkelijke gebruik van de kassaterminals in overeenstemming was met de facturatie van HKC (vb. PC 12 gebruikt tot 30 juli 2016 en nadien niet meer; er was nadien een correctie gebeurd in de facturatie wegens 1 kassa minder gehuurd).

Ook waren in de boekhouding van de appellante uitgaande facturen aangetroffen waaraan tickets waren gehecht die volgens de administratie afkomstig waren uit de kassa's gehuurd bij HKC. Deze tickets droegen de benaming *L.B.V.* en vermeldden een volgnummer dat datumgewijs in overeenstemming bleek met de *tickets FGP,* alsook details van de verkochte voeding en dranken.

Tot slot werden cijfermatige verbanden gelegd tussen de omzet zoals die bleek uit de *tickets FGP,* uit de *tickets B.* en uit het dagontvangstenboek particulieren van de appellante. Zo zou voor de maand juli 2016 exact 50% van de omzet zoals deze werd vermeld op de Z-totalen van de *tickets FGP,* aangegeven zijn, terwijl sommige *tickets B.* van deze verdeling afweken.

De belastingadministratie besloot dat de gehuurde kassa's wel degelijk gebruikt werden door de appellante en dat de eruit getrokken gegevens deel uitmaakten van een bewijskrachtige boekhouding, zodat de verkregen gegevens gebruikt konden worden om de omzet te bepalen. Zij verwees ook naar de correctieopgave van 10 april 2019 waarmee de appellante zich op 29 april 2019 akkoord had verklaard in de mate dat deze betrekking had op 'telfouten' gemaakt bij de opmaak van de totalen in het dagontvangstenboek, ten gevolge waarvan verkeerde bedragen waren overgenomen in de btw-aangiftes. Het vastgestelde verschil bedroeg 29.170,75 EUR (als maatstaf van heffing) en 5.854,25 EUR (als btw).

In het licht van de gedane vaststellingen gaf de belastingadministratie aan dat de appellante, na aftrek van 5.854,25 EUR ingevolge het voornoemde akkoord, nog 12.168,02 EUR aan btw voor juli/augustus/september 2016 verschuldigd was, voortvloeiend uit het verschil tussen omzet vermeld in de *tickets FGP* en deze vermeld in het dagontvangstenboek particulieren van die periode. Er werd tevens een geldboete van 20% opgelegd die na afronding werd bepaald op 2.430,00 EUR.

2.2. Op 29 november 2019 werd de betwiste btw-schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 50…23 dat nog diezelfde dag uitvoerbaar werd verklaard. Op 14 januari 2020 diende de appellante een gemotiveerd administratief bezwaar in met betrekking tot deze schuld. Bij beslissing van 10 juli 2020 werd dit bezwaar op gemotiveerde wijze afgewezen.

Met een verzoekschrift van 22 september 2020 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. In het vonnis van 10 januari 2022 besliste de zesde kamer van deze rechtbank om:

\- *de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;*

\- *eiseres te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten hare laste te leggen en te zeggen voor recht dat tot dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1 De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Dit hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;*

*Dienvolgens het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling*

*Gent, dd. 10 januari 2022 waar tegen beroep wordt aangetekend teniet te doen/te*

*hervormen in de mate dat de oorspronkelijke vorderingen van concluante werd*

*afgewezen ais ongegrond;*

*Opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht:*

*De oorspronkelijke vordering van concluante toelaatbaar en gegrond te verklaren;*

*Bijgevolg de correctieopgave van 10 april 2019 en navolgend proces-verbaal van 14 oktober 2019 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn;*

*De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van aile bedragen ten titel van BTW, geldboeten en intresten die door de BV BEVERLY'S werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schuld, te verhogen met de intresten;*

*De kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat, longs zijde van concluante begroot op:*

| - RPV eerste aanleg: | 1.680,00 € |
| --- | --- |
| - RPV hoger beroep: | 1.680,00 € |
| - Wettelijke bijdrage 1e aanleg: | 20,00 € |
| - Wettelijke bijdrage beroep: | 22,00 € |

### 3.2 De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Net hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.*

*Dienvolgens het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen te bevestigen.*

*De gedingkosten in beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep begroot op 1.650,00 euro, ten laste te leggen van appellante. Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.*

## 4. De betwisting en de beoordeling ervan

### 4.1 Over de omzet behaald in de periode van 15 juli 2016 tot en met 18 september 2016

4.1.1. In haar enige middel betwist de appellante het bestaan van een niet-aangegeven omzet, behoudens wat betreft het voornoemde bedrag van 29.170,75 EUR dat zij aan materiële vergissingen wijt. Voor het meerdere heeft de geïntimeerde volgens haar verkeerde besluiten getrokken uit de beperkte informatie verkregen vanwege de gerechtelijke politie en foutieve vaststellingen gedaan tijdens haar eigen fiscale controle. Zij betwist met name dat zij in de periode van 15 juli 2016 tot en met 18 september 2016 bij de uitbating van de zomerbar *L.B.* de omzet heeft behaald die de belastingadministratie in aanmerking heeft genomen op grond van inlichtingen verkregen van de federale gerechtelijke politie. De bijzondere omstandigheden van de zaak zouden aantonen dat er geen geloofwaardigheid gehecht kan worden aan de berekeningsbasis van de administratie en dat de onderliggende cijfers onvoldoende zeker zijn.

4.1.2. Krachtens de artikelen [53, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) en [*53octies, §1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53octies) WBTW is de belastingplichtige gehouden tot het indienen van een periodieke aangifte waarin hij het bedrag van de gedurende de vorige periode door hem verrichte of aan hem verstrekte handelingen in het kader van zijn economische activiteit en het bedrag van de opeisbare belasting vermeldt, alsook tot het voldoen, binnen de wettelijke termijn, van de verschuldigd geworden belasting.

Om het bestaan van de niet aangegeven verrichte handelingen (ter zake de meeromzet gerealiseerd bij de uitbating van de zomerbar *L.B.)* te bewijzen, voert de geïntimeerde een bewijsvoering op grond van vermoedens. [Artikel 59, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) laat de belastingadministratie toe de feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen (of ertoe bijdragen die aan te tonen), te bewijzen door alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed. Overeenkomstig artikel 8.1, 9° NBW is een feitelijk vermoeden een bewijsmiddel waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten.

De rechter stelt op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt. De feiten die hij ais uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, wat wil zeggen dat ze bewezen moeten zijn. Geen enkele wetsbepaling belet evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (zie ook Cass. 20 januari 2017, F.15.0129.N, consulteerbaar via https://juportal.be). Het is niet noodzakelijk dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid hieruit noodzakelijkerwijze volgen. Het volstaat dat ze hieruit met zekerheid kunnen volgen. Gevolgtrekkingen die geen enkel verband houden met de vastgestelde feiten of die op de grondslag daarvan niet kunnen worden verantwoord, zijn niet toegestaan (zie ook Cass. 20 juni 2014, F.12.0196.F, consulteerbaar via https://juportal.be).

4.1.3. De belastingadministratie werpt terecht op dat de boekhouding van de appellante niet bewijskrachtig is voor wat betreft de omzet voor de periode van juli tot en met september 2016.

Een boekhouding is bewijskrachtig wanneer zij regelmatig is en voldoende waarborgen van volledigheid en oprechtheid biedt, wat impliceert dat de erin opgenomen vermeldingen controleerbaar, nauwkeurig en overeenstemmend zijn. Om controleerbaar te zijn, moet een boekhouding een samenhangend, nauwkeurig geheel vormen en toelaten om na te gaan of de geboekte gegevens met de werkelijkheid overeenstemmen. Er kan dus slechts sprake zijn van een bewijskrachtige boekhouding wanneer een objectieve controle van de voorgelegde stukken mogelijk is. Het komt in dat verband aan de belastingplichtige toe om ervoor te zorgen dat hij (binnen de perken van het mogelijke en het redelijke) voldoende elementen inbouwt, waarmee hij een kritische buitenstaander (de controleur) ervan kan overtuigen dat zijn boekhouding waarheidsgetrouw is, zonder dat die buitenstaander verplicht moet worden de belastingplichtige op zijn woord te geloven. Het feit dat de boekhouding desgevallend niet beantwoordt aan de boekhoudwetgeving, is van ondergeschikt belang. Een inbreuk op de toepasselijke wetgeving heeft niet automatisch tot gevolg dat de boekhouding als dusdanig ongeloofwaardig zou zijn. Er moet nagegaan worden of de eventuele tekortkomingen van aard zijn om, alle proporties in acht genomen, tot verwerping van de volledige boekhouding te besluiten.

De bewijskracht van de boekhouding is aangetast indien niet kan worden vastgesteld dat de geschriften gestaafd zijn door bewijsstukken, of indien aan de hand van de voorgelegde bewijsstukken niet kan worden nagegaan in hoeverre de geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen en of er sprake is van een samenhangend geheel op grond waarvan de handelingen gesteld in het kader van de economische activiteit nauwkeurig kunnen worden bepaald.

De vraag of een boekhouding aan de vereiste van controleerbaarheid voldoet, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden beoordeeld.

Ter zake werden de inkomsten voor de periode van juli tot en met september 2016 opgenomen in een dagontvangstenboek in Excelvorm, waarin voor elke maand afzonderlijk, dag per dag, de globale omzet werd geboekt, met een opsplitsing tussen eten en drinken (waarvoor immers een verschillend btw-tarief geldt) maar zonder verdere detaillering inzake de verkochte goederen of hoeveelheden. Deze dagtotalen worden enkel verantwoord door de zogenaamde *tickets B.* die (meestal) dezelfde (tussen eten en drinken opgesplitste) bedragen als deze in het dagontvangstenboek vermelden. Het bewijs van de juistheid van het dagontvangstenboek van de appellante staat en valt bijgevolg met de betrouwbaarheid van de *tickets Beverly's.*

De *tickets B.* zijn echter niet controleerbaar. Terecht hekelt de belastingadministratie dat op de *tickets B.* geen verdere details (met betrekking tot de verkochte goederen) of (opeenvolgende) ticketnummers vermeld worden en dat deze tickets foutieve vermeldingen inzake de maatstaf van heffing en het toepasselijke btw-tarief bevatten. Enige stavingsstukken die de inhoud van de *tickets B.* kunnen verantwoorden, zijn afwezig. Hoewel deze volgens de appellante beschikbaar zouden zijn, liggen er ook geen betaalbewijzen voor. Die oncontroleerbaarheid vormt een wezenlijk probleem waaraan niet kan worden geremedieerd door te verwijzen naar de regel vervat in artikel III.86, tweede lid WER volgens deweike de inschrijving voor verkopen in het klein waarvoor geen factuur vereist is, kan gebeuren via een gezamenlijke dagelijkse inschrijving. Deze regel belet immers niet dat de onderneming die opteert voor deze boekingswijze, precies met het oog op de controleerbaarheid ervan, een systeem ter verantwoording van deze inschrijvingen moet voorzien dat een duidelijk, samenhangend en bewijskrachtig geheel vormt (zie ook advies 174/1 van de CBN inzake de beginselen van een regelmatige boekhouding, via www.cbn-cnc.be). Artikel 15, §4 van koninkiijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde voorziet in dat verband uitdrukkelijk dat de verantwoordingsstukken, naast de ontvangst ook de aard van

de verkochte goederen, nauwkeurig moeten vermeiden. Dergelijk controlesysteem was bij de appellante volkomen onbestaande, minstens werd het niet voorgelegd aan de administratie dan wel in deze procedure.

Naast het feit dat de inhoud van de *tickets B.* oncontroleerbaar is, stelt het hof bovendien vast (1) dat er in de schoot van de appellante wel degelijk tickets verschillend van de *tickets B.* bestaan (hebben), met een andere *lay-out* en waarop een ticketnummer en gedetailleerde gegevens inzake consumpties vermeld werden (zoals blijkt uit de facturen met aangehechte tickets in stuk 15 van de geïntimeerde), (2) dat alle data met de cijfers van 15 juli 2016 tot en met 18 september 2016 op een USB-stick aan de appellante bezorgd werden (zoals blijkt uit de door de appellante geboekte en betaalde facturen van HKC waarbij Walter Vermeulen aangeduid staat ais contactpersoon, evenals uit de bevestigende verklaring van J.B.) en (3) dat de appellante deze kassagegevens klaarblijkelijk niet wenst of kan voorleggen ondanks de vraag daartoe vanwege de belastingadministratie. Voor zover dit *überhaupt* van tel zou zijn, toont de appellante ook niet aan dat haar werkwijze vroeger steeds dezelfde geweest zou zijn en aanvaard zou zijn door de belastingadministratie.

In de gegeven omstandigheden biedt de boekhouding van de appellante met betrekking tot de omzetcijfers voor de periode van juli tot en met september 2016 geen afdoende garanties inzake de volledigheid en oprechtheid ervan en is zij niet bewijskrachtig te noemen.

Het bestaan en het bedrag van de door de belastingadministratie in aanmerking genomen omzet vinden voorts steun in onderstaande vaststaande feitelijke elementen zoals die blijken uit het dossier waarover de belastingadministratie ten tijde van de taxatie beschikte:

\- de zekerheid dat er andere, meer gedetailleerde kassatickets bestaan (hebben) dan

de *tickets B.*die de appellante bijbrengt, zoals blijkt uit de eigen facturatie van

de appellante (aangetoond in stuk 15 van de geïntimeerde);

\- de zekerheid dat de appellante kassa's huurde bij HKC, zoals blijkt uit de facturatie van HKC, de eigen boekhouding van de appellante en de verklaringen van J.B., waarbij de zaakvoerder van de appellante optrad ais contactpersoon;

\- de inhoud van de *tickets FGP* die haar ter kennis gebracht werden door de federale gerechtelijke politie, waarin onder meer de totale omzet van *'L.'* (met uitsplitsing tussen dranken en eten en per kelner) voor de periode van 1 juli 2016 tot 30 september 2016 vermeld wordt, naast een globaal overzicht van het kassagebruik met foutloos doorlopende tellers per kassa (met een referentie naar de Z-totalen) en de dagelijkse omzet (met uitsplitsing tussen dranken en eten en per kelner) voor de periode van 15 juli 2016 tot 18 augustus 2016;

\- de verklaring van J.B. dat de tellers verbonden zijn aan de toegekende licentie/gecreëerde database en niet aan de terminals ten gevolge waarvan het unieke karakter ervan vaststaat;

\- de vaststelling dat de term *'L.'* zowel op de *tickets FGP* als in het dagontvangstenboek van de appellante vermeld wordt;

\- de vaststelling dat het gebruik van de kassa's zoals dat blijkt uit de *tickets FGP* wordt bevestigd door de facturen van HKC; uit beide documenten blijkt immers dat voor de periode van 15 augustus 2016 tot en met 18 september 2016 niet 4 maar 3 kassa's gebruikt werden;

\- de vaststelling dat de tellernummers op de tickets bij de facturen van de appellante (stuk 15 van de geïntimeerde) wat de data ervan betreft, verenigbaar zijn met de inhoud van de *tickets FGP* (bvb. voor de nacht van zaterdag 6 op zondag 7 augustus 2016 werden facturen opgemaakt met betrekking tot de tickets met nummers 7097 en 7098, terwijl die nacht blijkens de *tickets FGP* op PC14 de kastickets 6930 tot 7123 afgedrukt werden; voor de nacht van vrijdag 15 op zaterdag 16 juli 2016 werd een factuur opgemaakt met betrekking tot het ticket met nummer 2788, terwijl die nacht blijkens de *tickets FGP* op PC14 de kastickets 2580 tot 28x0 afgeprint werden (waarbij de x staat voor een onleesbaar cijfer));

\- de vergelijking van de *tickets FGP* met het dagontvangstenboek van de appellante die uitwees dat voor de maand juli 2016 exact en systematisch 50% van de omzet vermeld op de *tickets FGP,* aangegeven werd en de vaststelling dat de *tickets B.* tot tweemaal toe afwijkende bedragen vermelden en datzelfde verband met het dagontvangstenboek dus niet (even) systematisch vertonen;

\- de vaststelling dat de btw-aangiftes van de appellante in ieder geval niet correct waren, nu zij erkent een meeromzet ten bedrage van 29.170,75 EUR niet in haar btw-aangiftes vermeld te hebben.

Het geheel van deze vaststaande feitelijke elementen samen liet de belastingadministratie toe te vermoeden dat de omzetcijfers vermeld in de *tickets FGP* de werkelijke omzetcijfers van de appellante betroffen, behaald bij de uitbating van de bar *L.B.* in de maanden juli tot en met september 2016. Gelet op de vastgestelde onbetrouwbaarheid en oncontroleerbaarheid van de *tickets B.* en de eigen boekhouding van de appellante mocht de belastingadministratie die op grond van deze vermoedens terzijde schuiven. Er is geen sprake van enige opeenstapeling van vermoedens of onverantwoorde gevolgtrekkingen uit de voorliggende vaststaande feitelijke gegevens. Zoals hogerop reeds aangegeven werd, is het niet noodzakelijk dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid hieruit noodzakelijkerwijze volgen. Het volstaat dat ze hieruit met zekerheid kunnen volgen. Dat laatste is ter zake zonder twijfel het geval.

4.1.4. De appellante wijst erop dat de uitbating van de zomerbar tijdens de maanden juli, augustus en september 2016 gedurende een zestal weken werd uitbesteed aan de genoemde V.V. die met eigen personeel en een eigen kassasysteem gewerkt zou hebben en die naderhand een malafide persoon gebleken zou zijn. Volgens de appellante is niet geweten waar de *tickets FGP* werden teruggevonden en valt niet uit te sluiten dat V.V. de omzetcijfers kunstmatig opsmukte om zelf een hogere commissie te kunnen innen, of dat de tickets werden gemanipuleerd onder uitbating van N.V., dochter van zaakvoerder W.V.. De appellante citeert in dat verband een schriftelijke verklaring van 3 september 2021 van de genoemde N.V., die de kassatickets gemanipuleerd noemt en een en ander kadert binnen een mogelijke afrekening vanuit het drugsmilieu, ten gevolge waarvan de waarachtigheid van de *tickets FGP* in twijfel getrokken zou kunnen worden. De appellante benadrukt ook dat de in aanmerking genomen omzet van meer dan 250.000,00 EUR voor een exploitatie van minder dan drie maanden weinig realistisch is.

Geen van de door de appellanten vernoemde elementen die ertoe strekken de betrouwbaarheid van de gegevens op de *tickets FGP* onderuit te halen, wordt behoorlijk gestaafd, ten gevolge waarvan deze elementen geen vermoedens uitmaken (die immers voortbouwen op vaststaande feitelijke gegevens), maar te verifiëren beweringen blijven. Terecht merkt de belastingadministratie ook op dat de kassa's langer gebruikt werden dan de periode van zes weken die V.V. werkzaam zou geweest zijn voor de appellante. Ook de stelling dat een omzet van meer dan 250.000,00 EUR voor de betrokken periode weinig realistisch is, wordt niet concreet gemaakt. Uit de enkele bijgebrachte facturen (stuk 15 van de geïntimeerde) blijkt in ieder geval dat luxedranken geserveerd werden, wat een hoge omzet kan verklaren. De door de appellante aangebrachte gegevens zijn dan ook niet van aard het bewijs (door vermoedens) van de belastingadministratie te ontkrachten.

De belastingadministratie heeft terecht de belastinschuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 50…23 nagevorderd. De vordering van de appellante is ongegrond.

### 4.2 Over de opgelegde belastingverhoging

Het hof stelt vast dat, anders dan de belastingadministratie in besluiten voorhoudt, in het proces-verbaal van 14 oktober 2019 een geldboete van 20%, ten bedrage van 2.430,00 EUR (na afronding), aan de appellante werd opgelegd en dat deze geldboete ook werd opgenomen in het op 29 november 2019 uitvoerbaar verklaarde innings- en invorderingsregister.

Het hof ziet geen enkele reden om deze geldboete, die wettig werd opgelegd, kwijt te schelden of te verminderen. De geldboete is in feite en in rechte aangekondigd, verantwoord en bevindt zich in een evenredige verhouding ten aanzien van de inbreuk, met name een overtreding van de reglementering inzake de btw zonder het opzet om de belasting te ontduiken.

## 5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 EUR.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.650,00 EUR. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag. De appellante is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 1.650,00 EUR.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist ais volgt:

 het hoger beroep is ontvankelijk, maar ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt bevestigd.

Het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger

beroep, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellante (maar te haren laste biijvend):

bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 22,00 EUR

-aan de kant van de geïntimeerde:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.650,00 EUR

Aldus gewezen door de **VIJFDE KAMER** van het hof van beroep te Gent, recht doende in

fiscale zaken, samengesteld uit:

D.V., kamervoorzitter,

F.C., raadsheer

S.V., raadsheer

en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van **12 september 2023,** bijgestaan door J.D., griffier.

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 53octies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53octies) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) 2 voorkomens

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 1 voorkomen

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Niet aangegeven omzet, Wettelijk vermoeden, Wettelijke boete, omzetcoëfficiënt, zwartverkoop](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-wettelijk-vermoeden-wettelijke-hof-van-beroep-gent-2024-06-11-d90a) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-toepassing-werken-in-onroerende-rechtbank-2022-07-01-5ebe) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijskrachtige boekhouding, Betaling in contanten, Kasboek, Geregistreerd kassasysteem, Omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskrachtige-boekhouding-betaling-in-contanten-rechtbank-brussel-2020-09-10-a51d) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Niet-opeisbare belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-jacht-bewijslast-opeisbare-rechtbank-hasselt-2023-04-20-b8af) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Niet-opeisbare belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-jacht-bewijslast-opeisbare-hof-van-beroep-antwerpen-2026-03-17-4b56) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet aangegeven omzet, inzage gerechtsdossier, una via overleg](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-inzage-gerechtsdossier-una-rechtbank-gent-2024-03-13-576c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 3 gemeenschappelijke bepalingen
