Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer)
14 december 1993
In zaak T-29/93,
A. C. Alonso-Cortés, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door G. Vandersanden en L. Levi, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
betreffende een beroep strekkende tot nietigverklaring van het door de Commissie stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van verzoekers verzoek van 8 mei 1992 om overschrijving van de door hem in Spanje verworven pensioenrechten, en, voor zover nodig, tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht van 9 september 1992, alsmede tot erkenning van zijn recht op toekenning van 6,56 of 5,77 bijkomende pensioenjaren bij het pensioenfonds van de Europese Gemeenschappen,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. Kalogeropoulos, kamerpresident, R. Schintgen en D. Barrington, rechters,
griffier: H.Jung
de navolgende
Beschikking
De feiten en het procesverloop
Verzoeker, A. C. Alonso-Cortés, oefende van 16 januari 1973 tot en met 31 augustus 1986 het beroep van zelfstandig architect uit in Madrid en op de Canarische Eilanden (Spanje) en was tijdens die periode aangesloten bij het pensioenfonds van zelfstandige architecten in Spanje, de „Hermandad Nacional de Prevision Social de Arquitectos Superiores” (hierna: „Hermandad”).
Na een stage van negen maanden bij de Commissie werd verzoeker op 1 juni 1987 aangesteld als ambtenaar in de rang A 6 en tewerkgesteld bij het directoraat-generaal Personeel en algemeen beheer (DG IX).
Na het arrest van 14 juni 1990 (zaak C-37/89, Weiser, Jurispr. 1990, blz. I-2395), waarin het Hof oordeelde, dat de toepassing van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut (hierna: „Statuut”) uitsluitend ten gunste van ambtenaren die hun pensioenrechten in een nationaal stelsel in loondienst hebben verworven, in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling, heeft de Raad op 2 maart 1992 verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 571/92 vastgesteld, houdende wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (PB 1992, L 62, blz. 1; hierna: „verordening nr. 571/92”).
Artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut werd vervangen door de volgende tekst:
„De ambtenaar die de dienst beëindigt om:
—in dienst te treden van een overheidsorgaan of een nationale of internationale organisatie die met de Gemeenschappen een overeenkomst ter zake heeft gesloten,
—in loondienst of als zelfstandige te gaan werken op grond waarvan hij pensioenrechten verwerft volgens een stelsel waarvan de beheersorganen met de Gemeenschappen een overeenkomst ter zake hebben gesloten,
heeft het recht de actuariële tegenwaarde van zijn rechten op ouderdomspensioen bij de Gemeenschappen te doen overschrijven naar het pensioenfonds van dat overheidsorgaan of die organisatie of naar het fonds waarbij de ambtenaar uit hoofde van zijn werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige rechten op ouderdomspensioen verwerft.”
De eerste alinea van lid 2 werd vervangen door de volgende tekst:
„De ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na:
—de dienst bij een overheidsorgaan, of bij een nationale of internationale organisatie te hebben beëindigd, of,
—in loondienst of als zelfstandige te hebben gewerkt,
kan bij zijn aanstelling in vaste dienst hetzij de actuariële tegenwaarde van, hetzij de afkoopsom voor de rechten op ouderdomspensioen die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, aan de Gemeenschappen doen betalen.”
Artikel 2 van verordening nr. 571/92 luidt:
„Ambtenaren die vóór de inwerkingtreding van deze verordening in vaste dienst zijn aangesteld kunnen bij de Instelling waartoe zij behoren, een verzoek om overschrijving krachtens artikel 1, lid 2, voor als zelfstandige verrichte beroepsactiviteiten indienen.
Het verzoek moet binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van deze verordening worden ingediend.”
Op 8 mei 1992 heeft verzoeker overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 571/92 en op basis van artikel 90 van het Statuut de directeur-generaal Personeel en algemeen beheer verzocht, de nodige maatregelen te nemen om het hoogste bedrag — de actuariële tegenwaarde dan wel de afkoopsom — van de pensioenrechten die hij bij de Hermandad had verworven, te doen betalen aan het pensioenfonds van de Gemeenschappen.
Op 9 september 1992 heeft verzoeker een klacht ingediend tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek om overschrijving van zijn pensioenrechten, waarin hij concludeert als volgt:
„Ik kom met deze klacht op tegen de stilzwijgende afwijzing van mijn verzoek om overschrijving van de pensioenrechten die ik bij mijn aanstelling als ambtenaar van de Commissie had verworven bij de Hermandad Nacional de Prevision Social de Arquitectos Superiores in Spanje.
Daartoe verzoek ik om erkenning van tien bijkomende pensioenjaren bij het pensioenfonds van de Gemeenschappen, waardoor mijn virtuele datum van indiensttreding voor wat mijn pensioenrechten betreft, opklimt tot 1 september 1976.
Ik blijf uiteraard ter beschikking van de Commissie en in het bijzonder van de eenheid ‚pensioenen en relaties met voormalige ambtenaren’ om de wiskundige gegevens van de in aanmerking te nemen berekening te bespreken.
Ik hoop ten zeerste, dat een gunstig besluit zal kunnen worden genomen binnen de voorgeschreven statutaire termijn van vier maanden.”
Op 24 september 1992 vergaderde de groep „interservices” om verzoekers klacht te onderzoeken. De groep stelde vast, dat verzoekers verzoek de bevoegde dienst nooit had bereikt. Tijdens die vergadering besloot de groep „interservices”, dat de nodige contacten zouden worden gelegd met het Spaanse pensioenfonds om verzoekers pensioenrechten te doen overschrijven.
Bij brief van 29 september 1992 deed het hoofd van de sector „overschrijvingen” van de eenheid „pensioenen en relaties met voormalige ambtenaren” (hierna: „sector pensioenoverschrijvingen”) de Hermandad het verzoek toekomen, over te gaan tot overschrijving van verzoekers pensioenrechten overeenkomstig artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut. Bij nota van dezelfde dag werd verzoeker daarvan in kennis gesteld.
Bij nota van 30 september 1992 deelde het hoofd van de sector pensioenoverschrijvingen aan verzoeker mee, dat zijn dossier bij zijn dienst in behandeling was en dat hij op de hoogte zou worden gehouden van de verdere ontwikkelingen.
Op 26 februari 1993 antwoordde de Hermandad, dat haar statuten en reglementen haar niet toelieten de gevraagde overschrijving te verrichten.
Bij nota van 16 maart 1993 stelde het hoofd van de sector pensioenoverschrijvingen verzoeker ervan in kennis, dat de Hermandad voor het moment de overschrijving van de pensioenrechten weigerde, en hij wees hem erop, dat het dossier zou blijven rusten in afwachting van het tijdstip waarop de krachtens de Spaanse aanvullende pensioenregelingen verworven rechten konden worden overgeschreven.
Onder die omstandigheden heeft verzoeker bij op 7 april 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift dit beroep ingesteld.
Bij memorie ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 16 juni 1993, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
In zijn opmerkingen, die op 19 augustus 1993 ter griffie van het Gerecht zijn ingeschreven, concludeert verzoeker tot afwijzing van die exceptie.
Conclusies van partijen
In zijn verzoekschrift concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
1)nietig te verklaren het stilzwijgend genomen besluit van de Commissie tot afwijzing van verzoekers verzoek van 8 mei 1992 om overschrijving van zijn in Spanje verworven pensioenrechten, alsmede, voor zover nodig, het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de door verzoeker op 9 september 1992 ingediende klacht;
2)te verstaan dat verzoeker recht heeft op 6,56 of 5,77 bijkomende pensioenjaren bij het pensioenfonds van de Gemeenschappen;
3)verweerster in elk geval in alle kosten te verwijzen.
Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
1)de exceptie van niet-ontvankelijkheid te aanvaarden, zonder op de grond van de zaak in te gaan;
2)het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
3)verzoeker overeenkomstig de artikelen 87, lid 2, en 88, van het Reglement voor de procesvoering in zijn eigen kosten te verwijzen.
In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoeker, dat het het Gerecht behage:
1)het onderzoek van de niet-ontvankelijkheid te voegen met het onderzoek ten gronde;
2)in elk geval de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid af te wijzen en verzoeker toe te staan het debat ten gronde te openen;
3)verweerster hoe dan ook in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
Middelen en argumenten van partijen
In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid betoogt de Commissie, dat verzoekers beroep, dat strekt tot nietigverklaring van het door de Commissie stilzwijgend genomen besluit om niet over te gaan tot overschrijving van de door hem in Spanje verworven pensioenrechten, alsmede tot erkenning van zijn recht op 6,56 of 5,77 bijkomende pensioenjaren bij het pensioenfonds van de Europese Gemeenschappen, niet-ontvankelijk is, omdat er een doel mee wordt nagestreefd voor het bereiken waarvan de Commissie niet bevoegd is (arrest Hof van 13 mei 1970, zaak 18/69, Fournier, Jurispr. 1970, blz. 249).
Dienaangaande betoogt de Commissie, dat enkel de Lid-Staat en het bevoegde pensioenfonds van die staat de overschrijving van de pensioenrechten kunnen verrichten en dat zijzelf op dat punt geen enkele bevoegdheid heeft.
Volgens de Commissie verwart verzoeker de verplichtingen van de instelling volledig met de verplichtingen van de Spaanse autoriteiten en de pensioenkas. Immers, hij meent ten onrechte, dat de Commissie zijn pensioenrechten dient over te schrijven. Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut is volstrekt duidelijk in die zin, waar het erin voorziet, dat het nationale pensioenfonds moet overgaan tot overschrijving van de pensioenrechten; in die bepaling wordt immers gesproken van de mogelijkheid om de actuariële tegenwaarde dan wel de afkoopsom van de pensioenrechten „aan de Gemeenschappen [te] doen betalen”.
Volgens de Commissie is zij ingevolge artikel 2 van verordening nr. 571/92 enkel verplicht, de overschrijving van de pensioenrechten bij het bevoegde nationale pensioenfonds aan te vragen. In casu heeft zij dat gedaan, zodat haar niet kan worden verweten de bepalingen van de verordening niet te hebben nageleefd.
Wanneer de pensioenrechten niet konden worden overgeschreven, dan is dat enkel omdat de Spaanse Staat tot dusver geen concrete maatregelen heeft genomen om die overschrijving mogelijk te maken. De Commissie wijst er nog op, dat zij het Koninkrijk Spanje een aanmaningsbrief heeft gezonden in verband met het feit dat deze Lid-Staat nog geen maatregelen heeft vastgesteld ter uitvoering van artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut op nationaal vlak. Volgens vaste rechtspraak is immers artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut verbindend en rechtstreeks toepasselijk, zodat de Lid-Staten „gehouden zijn alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen opdat de ambtenaren gebruik kunnen maken van de hen bij die bepaling verleende mogelijkheid” (arresten Hof van 5 oktober 1988, zaak 129/87, Fingruth, Jurispr. 1988, blz. 6121, en 18 april 1989, zaak 130/87, Retter, Jurispr. 1989, blz. 865).
Al evenmin, aldus de Commissie, kan haar worden verweten, dat zij geen nietnakomingsprocedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag tegen het Koninkrijk Spanje heeft ingeleid wegens het feit dat dit geen maatregelen ter uitvoering van artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut heeft vastgesteld; beroepen die ertoe strekken, de Commissie te dwingen een procedure krachtens artikel 169 in te leiden, zijn immers niet-ontvankelijk, daar de Commissie op dit punt over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Bovendien vraagt verzoeker met zijn beroep eigenlijk om de vaststelling van handelingen die hem niet rechtstreeks en individueel raken in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, en waartegen hij in geen geval beroep tot nietigverklaring zou kunnen instellen (arresten Hof van 14 februari 1989, zaak 247/87, Star Fruit Company, Jurispr. 1989, blz. 291, en 1 maart 1966, zaak 48/65, Lütticke e. a., Jurispr. 1966, blz. 27).
In zijn schriftelijke opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkhcid betwist verzoeker de bewering van de Commissie, dat hij de verplichtingen die ingevolge artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut enerzijds op de instelling, in casu de Commissie, en anderzijds op de nationale autoriteiten rusten, verwart.
Verzoeker erkent, dat enkel de betrokken Lid-Staat bevoegd is ten aanzien van de daadwerkelijke overschrijving naar een gemeenschapsinstelling van de door een nieuwe ambtenaar van deze instelling bij een pensioenfonds van die Lid-Staat verworven pensioenrechten, doch betoogt, dat de betrokken instelling ingevolge artikel 2 van verordening nr. 571/92 verplicht is, het verzoek van haar ambtenaar om overschrijving te registreren, het recht van deze ambtenaar op overschrijving van zijn pensioenrechten te erkennen en, voor zover dit recht gegrond is, erop toe te zien, dat de overschrijving van de pensioenrechten daadwerkelijk plaatsvindt.
Verzoeker voegt daaraan toe, dat het tot aanstelling bevoegd gezag vervolgens de door het beheersorgaan van de nationale pensioenregeling berekende actuariële tegenwaarde moet omzetten in pensioenjaren krachtens zijn eigen regeling.
Verzoeker, die van mening is dat de instelling met voortvarendheid alles moet doen wat nodig is om te bewerken dat de overschrijving van de pensioenrechten plaatsvindt, wijst erop, dat de krachtens artikel 2 van verordening nr. 571/92 op de instelling rustende verplichting past in het algemene kader van de bijstand die de instellingen ingevolge artikel 24 van het Statuut aan hun ambtenaren moeten verlenen.
In casu echter zou de Commissie de krachtens artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut en artikel 2 van verordening nr. 571/92 op haar rustende verplichtingen niet zijn nagekomen.
In dit opzicht verwijt verzoeker de Commissie in de eerste plaats, dat zij niet op zijn verzoek van 8 mei 1992 heeft geantwoord, waardoor hij gedwongen was een klacht in te dienen.
In de tweede plaats is verzoeker van mening, dat toen de groep „interservices” had vastgesteld, dat zijn verzoek niet bij de bevoegde dienst was aangekomen, de sector pensioenoverschrijvingen van de Commissie bij zijn nationaal pensioenfonds had moeten aandringen op een antwoord van dat fonds.
In de derde plaats verwijt verzoeker de Commissie hem te laat op de hoogte te hebben gesteld van de weigering van zijn nationaal pensioenfonds, en dit laatste er niet aan te hebben herinnerd, dat het wegens het bindende en rechtstreeks toepasselijke karakter van de betrokken statutaire bepalingen verplicht was de overschrijving te verrichten.
In de vierde plaats verwijt verzoeker de Commissie, geen nieuwe vergadering van de groep „interservices” te hebben belegd, hoewel zij dat voor het geval van een negatief antwoord van de Hermandad had toegezegd.
Volgens verzoeker blijkt uit al deze grieven een schending van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, doordat zij het verzuim van de Commissie om concrete en effectieve maatregelen te nemen teneinde de overschrijving van de pensioenrechten mogelijk te maken, welke maatregelen de Commissie krachtens voormelde bepaling had moeten nemen, duidelijk in het licht te stellen.
Ofschoon verzoeker erkent dat de Commissie niet bevoegd is ter zake van de feitelijke overschrijving van zijn pensioenrechten, concludeert hij, dat zijn beroep ontvankelijk is omdat het gericht is tegen de weigering van de Commissie alle nodige maatregelen te nemen om van zijn nationaal pensioenfonds, de Hermandad, de overschrijving van de aldaar verworven pensioenrechten te verkrijgen.
Dienaangaande betoogt verzoeker nog, dat de bewoordingen van zijn verzoek, zijn klacht en zijn verzoekschrift duidelijk zijn: hij heeft de Commissie nooit verzocht zelf zijn pensioenrechten over te schrijven. Door in zijn verzoek de Commissie te vragen „passende maatregelen te nemen om het hoogste bedrag — de actuariële tegenwaarde dan wel de afkoopsom — van zijn pensioenrechten aan het pensioenfonds van de Gemeenschappen te doen betalen”, door haar in zijn klacht te vragen „tien bijkomende pensioenjaren bij het pensioenfonds van de Gemeenschappen te erkennen”, en door in zijn verzoekschrift te betogen, dat de Commissie „het recht dient te erkennen van de ambtenaar die zijn pensioenrechten naar het pensioenfonds van de Gemeenschappen wenst over te schrijven, en alle nodige stappen te ondernemen — ook bij het nationale orgaan van sociale zekerheid — met het oog op de uitvoering van dit recht en dus op de effectieve overschrijving”, heeft hij enkel gevraagd om naleving van het bepaalde in artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/92.
Verzoeker wijst er ook op, dat hij op 30 maart 1993 hij het Spaanse Ministerie van Financiën een klacht heeft ingediend strekkende tot veroordeling van de Hermandad, en dat hij op 30 juni 1993 in het kader van dit beroep de Commissie om technische en procedurele bijstand in de zin van artikel 24 van het Statuut heeft verzocht.
In de laatste plaats verwijt verzoeker de Commissie, de vraag van de ontvankelijkheid van zijn verzoek en zijn klacht in de loop van de precontentieuze procedure nooit te hebben opgeworpen. Verzoeker geeft weliswaar toe, dat de Commissie door dat verzuim het recht om een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, niet heeft verwerkt, doch is verwonderd dat de Commissie, hoewel van mening dat zijn verzoek een doel had ten aanzien waarvan zij niet bevoegd is, een begin van uitvoering aan zijn klacht heeft gegeven.
Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht merkt op, dat het krachtens artikel 113 van zijn Reglement voor de procesvoering middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, steeds ambtshalve kan onderzoeken. Het bestaan van een handeling waartegen beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 173 EG-Verdrag of artikel 91 van het Statuut openstaat, is een wezenlijke ontvankelijkheidsvoorwaarde en het ontbreken ervan is herhaaldelijk ambtshalve opgeworpen, zowel door het Hof (beschikkingen van 7 oktober 1987, zaak 248/86, Brüggemann, Jurispr. 1987, blz. 3963, en 4 juni 1986, zaak 78/85, Groupe des droites européennes, Jurispr. 1986, blz. 1753) als door het Gerecht (arresten van 10 juli 1990, zaak T-64/89, Automec, Jurispr. 1990, blz. II-367, en 18 november 1992, zaak T-16/91, Rendo e. a., Jurispr. 1992, blz. II-2417).
In casu vordert verzoeker „nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit van de Commissie tot afwijzing van zijn verzoek van 8 mei 1992 om overschrijving van zijn in Spanje verworven pensioenrechten, alsmede, voor zover nodig, nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht van 9 september 1992”.
Er moet dus worden onderzocht, of het bestreden besluit een voor beroep tot nietigverklaring vatbare handeling is, voor zover Let bestaat in de door de Commissie op 16 maart 1993 aan verzoeker gegeven inlichting, dat diens nationaal pensioenfonds had laten weten, niet tot de gevraagde overschrijving van pensioenrechten te kunnen overgaan, en dat verweerster voornemens was het dossier voorlopig te laten rusten.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht moet daartoe worden nagegaan, of het voornemen van de Commissie om verzoekers dossier voorlopig te laten rusten, een stilzwijgende afwijzing van verzoekers verzoek is en dus een voor beroep vatbaar besluit, voor zover het bindende gevolgen sorteert die verzoekers belangen kunnen aantasten door op een gekarakteriseerde wijze zijn rechtspositie te wijzigen en het standpunt van de instelling definitief vast te leggen (zie, laatstelijk, arresten Gerecht van 8 juni 1993, zaak T-50/92, Fiorani, Jurispr. 1993, blz. II-555; 24 juni 1993, zaak T-69/92, Seghers, Jurispr. 1993, blz. II-651; 13 juli 1993, zaak T-20/92, Moat, Jurispr. 1993, blz. II-799, en 28 september 1993, gevoegde zaken T-57/92 en T-75/92, Yorck von Wartenburg, Jurispr. 1993, blz. II-925).
Om de betekenis en de strekking van het antwoord van de Commissie op verzoekers klacht te bepalen, moet rekening worden gehouden met de feitelijke en juridische context waarin dit antwoord is gegeven.
Daartoe zij eraan herinnerd, dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut bepaalt, dat de ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na de dienst bij een overheidsorgaan of bij een nationale of internationale organisatie of een onderneming te hebben beëindigd of in loondienst of als zelfstandige te hebben gewerkt, bij zijn aanstelling in vaste dienst hetzij de actuariële tegenwaarde van de rechten op ouderdomspensioen die hij heeft verworven, hetzij de afkoopsom die hem deswege verschuldigd is, aan de Gemeenschappen kan doen betalen. In dat geval bepaalt de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van de rang waarin deze in vaste dienst is aangesteld, het aantal pensioenjaren dat zij volgens haar eigen regeling aanrekent uit hoofde van de vroegere diensttijd, op basis van het bedrag van de actuariële tegenwaarde of van de afkoopsom.
Uit deze bepalingen volgt, dat de instelling niet zelf kan overgaan tot overschrijving van de pensioenrechten die de ambtenaar in zijn land heeft verworven, en dat zij het aantal van de volgens haar eigen regeling uit hoofde van eerdere dienstperiodes in acht te nemen dienstjaren slechts kan bepalen nadat de betrokken Lid-Staat de overschrijvingsmodaliteiten heeft vastgesteld.
Wanneer de Lid-Staten die modaliteiten niet hebben vastgesteld, kan de overschrijving van de pensioenrechten dus niet plaatsvinden en kan er dus geen gevolg worden gegeven aan desbetreffende verzoeken van gemeenschapsambtenaren die in die staten pensioenrechten hebben verworven. De omstandigheid dat de Lid-Staten geen maatregelen hadden vastgesteld voor de daadwerkelijke toepassing van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, heeft de Commissie overigens meermaals aanleiding gegeven tegen die staten een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 169 van het Verdrag in te stellen, en in het kader van die beroepen is uitgemaakt, dat genoemde statutaire bepalingen bindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat (zie arresten Hof van 20 oktober 1981, zaak 137/80, Commissie/België, Jurispr. 1981, blz. 2393; 3 oktober 1989, zaak 383/85, Commissie/België, Jurispr. 1989, blz. 3069; 20 maart 1986, zaak 72/85, Commissie/Nederland, Jurispr. 1986, blz. 1219, en 17 december 1987, zaak 315/85, Commissie/Luxemburg, Jurispr. 1987, blz. 5391).
In casu stelt het Gerecht vast, dat de Commissie op 27 oktober 1992 een aanmaningsbrief aan het Koninkrijk Spanje heeft gezonden in verband met het feit dat die Lid-Staat niet de nodige maatregelen had getroffen om de overschrijving mogelijk te maken van in Spanje verworven pensioenrechten, waarop ambtenaren die bij de Gemeenschappen in dienst treden, ingevolge artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut recht hebben.
Onder deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat het antwoord van de Commissie van 16 maart 1993 moet worden uitgelegd als een impliciete verwijzing naar de procedure die krachtens artikel 169 van het Verdrag kan worden ingeleid, teneinde de gewenste overschrijving mogelijk te maken.
De Commissie heeft dus blijk gegeven van haar voornemen de behandeling van verzoekers verzoek op te schorten en uit te stellen tot een latere datum, waarbij zij zich voorbehield eventueel een procedure krachtens artikel 169 van het Verdrag tegen het Koninkrijk Spanje in te leiden, waarvan de uitkomst zou bepalen welk gevolg aan verzoekers verzoek moet worden gegeven.
Dat uitstel komt niet neer op een definitief besluit tot afwijzing van verzoekers verzoek, daar de Commissie de mogelijkheid open heeft gelaten om de procedure van artikelll, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut voort te zetten nadat het Koninkrijk Spanje de modaliteiten voor de overschrijving van de pensioenrechten zal hebben vastgesteld.
Het Gerecht stelt bijgevolg vast, dat de bestreden handeling geen definitief standpunt bevat met betrekking tot de gewenste overschrijving van de pensioenrechten. Het heeft dus in dat opzicht geen rechtsgevolgen kunnen hebben en in zoverre is het geen voor verzoeker bezwarend besluit. De vordering tot nietigverklaring van die handeling is bijgevolg niet-ontvankelijk.
In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft verzoeker zijn vorderingen aldus uitgelegd, dat zij geen betrekking hebben op de stilzwijgende weigering van de Commissie de overschrijving van zijn pensioenrechten daadwerkelijk te verrichten, maar tegen haar weigering om onverwijld alle nodige maatregelen te nemen om de gewenste overschrijving mogelijk te maken.
In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat de bevoegdheid van het Gerecht om kennis te nemen van geschillen tussen de Gemeenschappen en haar in artikel 179 van het Verdrag bedoelde personeelsleden, enkel wordt uitgeoefend binnen de bij het Statuut bepaalde grenzen en voorwaarden of die welke voortvloeien uit de op de andere personeelsleden toepasselijke regelingen, en in de tweede plaats, dat het Gerecht volgens artikel 91, lid 1, van het Statuut bevoegd is uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschappen en een van de in het Statuut bedoelde personen, dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut (arrest Gerecht van 17 oktober 1990, zaak T-134/89, Hettrich, Jurispr. 1990, blz. II-565).
Er moet evenwel op worden gewezen, dat verzoekers vordering, in de uitlegging die hij er ter terechtzitting aan heeft willen geven, er niet toe strekt de wettigheid te betwisten van een besluit dat hem bezwaart in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut, doch te verkrijgen, dat de Commissie wordt gelast gebruik te maken van de bevoegdheden waarover zij als instelling krachtens artikel 169 van het Verdrag beschikt. Volgens de rechtspraak van het Hof evenwel (zie arresten Lütticke en Star Fruit Company, reeds aangehaald, en arrest van 17 mei 1990, zaak C-87/89, Sonito e. a., Jurispr. 1990, blz. I-1981; beschikkingen van 23 mei 1990, zaak C-72/90, Asia Motor France, Jurispr. 1990, blz. I-2181, en 12 juni 1992, zaak C-29/92, Asia Motor France e. a., Jurispr. 1992, blz. I-3935) kunnen particulieren in geen geval opkomen tegen een weigering van de Commissie om tegen een Lid-Staat een procedure wegens niet-nakoming in te leiden.
Wat ten slotte verzoekers vordering betreft tot erkenning van zijn recht op toekenning van 6,56 of 5,77 bijkomende pensioenjaren bij het pensioenfonds van de Gemeenschappen, kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat de pensioenrechten onder de gemeenschapsregeling pas definitief kunnen worden bepaald, nadat het orgaan waarbij de betrokkene voorheen was aangesloten, de Commissie het bedrag heeft meegedeeld van de actuariële tegenwaarde of van de afkoopsom van de daar verworven rechten (arrest Hof van 9 november 1989, gevoegde zaken 75/88, 146/88 en 147/88, Bonazzi-Bertottilli e. a., Jurispr. 1989, blz. 3599). Zonder dat behoeft te worden onderzocht of een dergelijke vordering tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, moet worden vastgesteld dat zij prematuur en bijgevolg niet-ontvankelijk is.
Uit het voorgaande volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Kosten
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Volgens artikel 88 van het Reglement evenwel blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 14 december 1993.
De griffier
H. Jung
De president van de Vijfde kamer
A. Kalogeropoulos
Voetnoten
- *1Procestaal: Frans.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
8Rechtspraak
2Europese Unie
2GerechtBeschikkingT-13/9404.07.1994
EG-Verdrag art. 169, EEG-Verdrag art. 175
GerechtBeschikkingT-5/9427.05.1994