---
title: "Gerecht EU, T-184/25, arrest van 17 juni 2026 · Vrijstellingen"
description: "Arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 17 juni 2026, T-184/25: vrijstellingen, beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/t-184-25-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/t-184-25-arret"
---

# Arrest van het Gerecht van 17 juni 2026, T-184/25 · Vrijstellingen, beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend, aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen, overdracht van kredieten, beheerdiensten die door de overdrager aan de verkrijger in rekening worden gebracht

**Rechtscollege**

Gerecht van de Europese Unie

**Samenstelling**

Tweede kamer (uitgebreid)

**Zaak**

T-184/25

**ECLI**

ECLI:EU:T:2026:399

**Datum**

17 juni 2026

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Hoogste bestuursrechter (Finland) 386/2025

**Advocaat-generaal**

Brkan

**Opmerkingen**

Finse regering Commissie

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Fins

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Steinfatt

## Tekst

87 paragrafen

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

17 juni 2026 ( \*1 )

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Vrijstellingen – [Artikel 135, lid 1, onder b) tot en met d), van richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) – Beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend – Aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen – Handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen – Overdracht van kredieten – Beheerdiensten die door de overdrager aan de verkrijger in rekening worden gebracht”

In zaak T‑184/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland) bij beslissing van 28 februari 2025, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure ingesteld door

Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö

tegen

A Oy,

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

samengesteld als volgt: N. Półtorak, president, G. Hesse, G. Steinfatt (rapporteur), D. Petrlík en I. Dimitrakopoulos, rechters,

advocaat-generaal: M. Brkan,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 18 maart 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– A, vertegenwoordigd door L. Ahopelto, handelend namens A,

– de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Laine als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin en I. Söderlund als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 februari 2026,

het navolgende

### Arrest

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van [artikel 135, lid 1, onder b) tot en met d), van richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (dienst ter bescherming van de rechten van de ontvangers van belastinginkomsten, Finland) en de vennootschap A Oy over een verzoek om een ruling over de btw-behandeling van aan een derde onderneming verkochte kredieten alsmede van diensten voor het beheer van kredieten en zekerheden in verband met de verkochte kredieten.

### Toepasselijke bepalingen

#### Unierecht

3.

[Artikel 2 van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-2) bepaalt:

> „1. De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
>
> \[…\]
>
> c) de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;
>
> \[…\]”

4.

[Artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) luidt:

> „Als ‚belastingplichtige’ wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.
>
> Als ‚economische activiteit’ worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”

5.

[Artikel 24, lid 1, van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-24) bepaalt:

> „Als, dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.”

6.

In [artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) staat te lezen:

> „1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:
>
> \[…\]
>
> b) de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend;
>
> c) de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend;
>
> d) handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen;
>
> \[…\]”

#### Fins recht

7. In Finland wordt de btw geregeld door de op 1 juni 1994 in werking getreden arvonlisäverolaki (1501/1993) \[wet op de belasting over de toegevoegde waarde (1501/1993)\] van 30 december 1993, zoals gewijzigd (hierna: „btw-wet”).

8. Overeenkomstig § 1, eerste alinea, punt 1, van de btw-wet wordt btw ten gunste van de staat geheven over alle goederenleveringen en diensten die in Finland in het kader van een bedrijfsactiviteit worden verricht.

9. Volgens § 18, tweede alinea, van de btw-wet wordt onder „verkoop van een dienst” verstaan het onder bezwarende titel verrichten van een dienst of elke andere overdracht van een dienst onder bezwarende titel.

10. Uit § 41 van de btw-wet volgt dat geen btw verschuldigd is over de verkoop van een financiële dienst.

11. In § 42, eerste alinea, punten 2 en 3, van de btw-wet wordt bepaald dat de verlening van kredieten en andere vormen van financiering alsmede kredietbeheer door de kredietverstrekker als financiële diensten worden beschouwd.

### Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12. A is de hoofdvestiging van bank X en vertegenwoordiger van de btw-groep van groep Y in Finland. Groep Y verkoopt hoofdzakelijk van btw vrijgestelde financiële en verzekeringsdiensten.

13. B is een dochteronderneming die volledig in handen is van A, maar zij maken geen deel uit van dezelfde btw-groep.

14. Een groot deel van de door A verstrekte woningkredieten wordt tegen de marktprijs aan B verkocht nadat de klant het krediet heeft opgenomen. De vergoeding bestaat uit het uitstaande bedrag van het krediet dat de kredietnemer heeft opgenomen en de niet-betaalde rente die op de datum van overdracht van het krediet op grond van de overeenkomst is opgebouwd. De kredieten worden meestal meteen aan B verkocht, op de dag waarop zij worden verstrekt en er nog geen rente is opgebouwd. In dat geval is de prijs de nominale waarde van het krediet. Indien het krediet in termijnen wordt opgenomen, kan het worden verkocht nadat de eerste termijn is opgenomen. B verstrekt de woningkredieten niet zelf maar koopt deze van A.

15. Alle rechten en verplichtingen met betrekking tot de betrokken kredieten worden samen met de kredieten overgedragen aan B op de datum van de overdracht, die overigens geen enkele tussenkomst van de kredietnemer vereist.

16. B is zelf niet betrokken bij het werven van klanten, de klantenservice of het beheer van verworven kredieten. Hoewel de kredieten aan B worden overgedragen, blijft A verantwoordelijk voor het beheer ervan. A handelt gedurende de gehele looptijd van het krediet alle kwesties af die zich afspelen tussen de kredietnemers en B.

17. Het beheer van de door A aan B verkochte kredieten en de daaraan verbonden zekerheden bestaat uit het beheer van diensten ten behoeve van de klanten die deze kredieten hebben afgesloten alsmede de monitoring en de storting van de overgedragen kredieten, zoals de facturering van de aflossingen, rente en commissies, de verschillende wijzigingen van de kredieten en eventuele incassodiensten. A neemt beslissingen zoals over de herfinanciering van een krediet of de verlenging van de looptijd van een krediet. De door A aan B verkochte diensten voor kredietbeheer zijn dezelfde als die A aanbiedt in het geval dat deze kredieten bij A zouden blijven.

18. B is grotendeels gefinancierd met gedekte obligaties en kredieten en zekerheden die haar door A zijn verstrekt. A verricht daarnaast alle taken in verband met de uitgifte van obligaties en verkoopt deze diensten aan B. Het grootste deel van de aan B verkochte kredieten dient in elk geval op een bepaald moment tijdens de looptijd ervan als zekerheid voor obligaties.

19. De prijs van de diensten voor het beheer van de door A aan B verkochte kredieten en zekerheden wordt op basis van de werkelijke maandelijkse kosten ervan berekend. De vergoeding bestaat uit de werkelijke kosten en de overeengekomen winstopslag. A brengt B haar diensten in rekening op basis van de werkelijk gemaakte kosten vermeerderd met een winstopslag.

20. A heeft de Keskusverolautakunta (centrale belastingcommissie, Finland) verzocht om een ruling over de btw-behandeling van de door haar aan B verkochte kredieten alsmede van de diensten voor het beheer van kredieten en zekerheden in verband met de verkochte kredieten.

21. Volgens de door de centrale belastingcommissie aan A afgegeven ruling is de verkoop van kredieten door A aan B een van btw vrijgestelde financiële dienst in de zin van § 42, eerste alinea, punt 2, van de btw-wet. De door A aan B verkochte incassodiensten zijn aan btw onderworpen diensten in de zin van § 1, eerste alinea, punt 1, van de btw-wet. De diensten voor het beheer van kredieten en zekerheden in verband met de aan B verkochte kredieten worden verricht door de kredietverstrekker, zodat deze van btw vrijgestelde financiële diensten vormen in de zin van § 41 en § 42, eerste alinea, punt 3, van de btw-wet.

22. De dienst ter bescherming van de rechten van de ontvangers van belastinginkomsten heeft bij de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tot nietigverklaring van deze ruling voor zover daarbij wordt gesteld dat de door A aan B verkochte beheerdiensten niet aan btw zijn onderworpen.

23. De verwijzende rechter betwijfelt of de door A verrichte diensten voor het beheer van kredieten en zekerheden in verband met de door haar verstrekte en daarna aan een andere onderneming verkochte kredieten kunnen worden aangemerkt als het uit hoofde van [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) vrijgestelde beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend. Indien dit niet het geval is, vraagt de verwijzende rechter zich af of de door A verrichte diensten als het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen in de zin van [artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) van btw zijn vrijgesteld, indien de door deze onderneming verleende beheerdiensten betrekking hebben op kredieten die dienen als zekerheid voor door een andere financiële instelling uitgegeven obligaties. Indien dit evenmin het geval is, vraagt hij zich af of de door A verrichte diensten als financiële diensten in de zin van [artikel 135, lid 1, onder d)](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135), van deze richtlijn moeten worden vrijgesteld.

24.

Tegen deze achtergrond heeft de Korkein hallinto-oikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

> „1) Moet, indien een financiële onderneming de door haar aan een klant verstrekte kredieten aan een andere financiële instelling verkoopt en deze kredieten zelf tegen vergoeding blijft beheren nadat deze zijn verkocht, [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135), dat voorziet in de vrijstelling van het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming de door haarzelf verstrekte kredieten die zij aan die andere financiële instelling heeft verkocht, blijft beheren?
>
> 2) Moet, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en het beheer van kredieten door de eerste onderneming betrekking heeft op kredieten die als zekerheden voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie dienen, [artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135), dat voorziet in de vrijstelling van het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming kredieten beheert die dienen als zekerheid voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie?
>
> 3) Moet, indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, [artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135), dat voorziet in de vrijstelling van handelingen betreffende schuldvorderingen, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming schuldvorderingen beheert die aan een andere financiële instelling zijn overgedragen?”

### Beantwoording van de prejudiciële vragen

#### Eerste vraag

25. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen vrijstelling voor kredietbeheer van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, vervolgens heeft overgedragen en onder bezwarende titel blijft beheren voor de verkrijger.

26. Krachtens [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) verlenen de lidstaten vrijstelling voor handelingen betreffende „de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend”.

27. Volgens vaste rechtspraak moeten de bepalingen van het recht van de Europese Unie uniform worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen zijn tussen de verschillende taalversies van een tekst van het Unierecht moet er bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt \[zie arresten van 26 september 2013, Commissie/Frankrijk, C‑296/11, niet gepubliceerd, EU:C:2013:612, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 oktober 2020, United Biscuits (Pensions Trustees) en United Biscuits Pension Investments, [C‑235/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-235-19-arrest), EU:C:2020:801, punt [46](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-235-19-arrest#point-46) en aldaar aangehaalde rechtspraak\].

28. De bewoordingen van de voorwaarde „door degene die deze heeft verleend” in [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) geven geen eenduidig antwoord op de vraag welke personen in aanmerking komen voor de vrijstelling voor kredietbeheer.

29. Zoals de advocaat-generaal in punt 18 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, wordt in bepaalde taalversies van [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135), zoals de Griekse („pou tis chorígise”), de Franse („qui les a octroyés”) en de Nederlandse taalversie („die deze heeft verleend”), een werkwoord in de verleden tijd gebruikt om de verlening van kredieten te beschrijven. Deze versies kunnen er dus op wijzen dat de persoon die de vrijstelling van deze bepaling geniet, degene is die het krediet in het verleden en aan het begin van de contractuele relatie aan de kredietnemer heeft uitgekeerd. Sommige andere taalversies van deze bepaling, zoals de Engelse („the person granting it”), de Kroatische („koja ga odobrava”), de Roemeense („care le acordă”) en de Sloveense („ki kredit odobri”) taalversie, gebruiken daarentegen het equivalent van het werkwoord „verlenen” als onvoltooid deelwoord of in de tegenwoordige tijd. Zij kunnen dus worden opgevat als een verwijzing naar de hoedanigheid van de persoon als kredietverstrekker, namelijk degene aan wie de kredieten door een andere persoon zijn overgedragen. Bovendien kunnen de in de Duitse („Kreditgeber”) en de Finse („luotonantaja”) versie gebruikte termen in die respectieve talen beide bovengenoemde betekenissen hebben.

30. Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arrest van 10 september 2014, Ben Alaya, [C‑491/13](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-491-13-arrest), EU:C:2014:2187, punt [22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-491-13-arrest#point-22) en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31. Wat betreft de context van de voorwaarde „door degene die deze heeft verleend” en de doelstellingen van de regeling waarvan deze voorwaarde deel uitmaakt, zij opgemerkt dat de bewoordingen van de vrijstellingen van [artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) strikt moeten worden uitgelegd – aangezien deze vrijstellingen afwijken van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht – voor zover deze uitlegging er niet toe leidt dat deze vrijstellingen geen effect meer sorteren, in overeenstemming is met de door die vrijstellingen nagestreefde doeleinden en strookt met de vereisten van het beginsel van fiscale neutraliteit (zie arrest van 17 december 2020, Franck, [C‑801/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-801-19-arrest), EU:C:2020:1049, punten [31](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-801-19-arrest#point-31) en [32](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-801-19-arrest#point-32) en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32. Bovendien moet worden opgemerkt dat in een en dezelfde bepaling van [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) vrijstelling wordt verleend voor „de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten” en „het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend”. Uit deze formulering blijkt dat de vrijstelling van deze bepaling geldt voor het beheer van kredieten in verband met de verlening ervan. Zoals de advocaat-generaal in punt 35 van haar conclusie heeft opgemerkt, beoogt deze vrijstelling te waarborgen dat alle prestaties die in het kader van een kredietrelatie worden verricht, van btw worden vrijgesteld. Die context en de beperking van de werkingssfeer van deze vrijstelling tot diensten die worden verricht „door degene die deze heeft verleend”, wijzen erop dat het gaat om de relatie tussen de kredietverstrekker en de kredietnemer en dat deze relatie geen betrekking heeft op diensten die daarbuiten worden verricht. De strikte uitlegging van de uitzondering van [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) verzet zich er dus tegen dat deze vrijstelling wordt toegepast op elke situatie waarin dit verband is verdwenen.

33. Aangezien de oorspronkelijke kredietverstrekker zijn vorderingen heeft overgedragen aan een derde verkrijger, maakt het beheer van deze kredieten in casu geen deel meer uit van de oorspronkelijke rechtsbetrekking die recht gaf op de vrijstelling, ook al wordt dit beheer materieel uitgevoerd door de oorspronkelijke kredietverstrekker zelf. Een dergelijke activiteit vormt bijgevolg een dienst die onder bezwarende titel en rechtstreeks ten behoeve van de derde verkrijger wordt verricht.

34. Zoals de advocaat-generaal in de punten 34 en 35 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, moet ook rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de Uniewetgever door de subjectieve werkingssfeer van de vrijstelling voor kredietbeheer te beperken, de uitbesteding van dit beheer aan een derde niet fiscaal wilde bevorderen. Hieruit volgt dat deze vrijstelling moet worden opgevat als een vrijstelling die betrekking heeft op kredietbeheer dat plaatsvindt in het kader van de kredietrelatie tussen de oorspronkelijke kredietverstrekker en de kredietnemer.

35. Deze uitlegging wordt bevestigd door de doelstellingen van [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135). Deze doelstellingen vereisen niet dat de vrijstelling van deze bepaling van toepassing is op kredietbeheer wanneer dit wordt verricht door de persoon die kredieten heeft verleend, maar deze vervolgens aan een andere persoon heeft overgedragen.

36. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt namelijk dat de vrijstelling voor financiële handelingen van [artikel 13, B, onder d), van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1) en van [artikel 135, lid 1, onder b) tot en met g), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) beoogt de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw te verhelpen en een verhoging van de kostprijs van het consumentenkrediet te voorkomen (arresten van 19 april 2007, Velvet & Steel Immobilien, [C‑455/05](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-455-05-arrest), EU:C:2007:232, punt [24](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-455-05-arrest#point-24), en 10 maart 2011, Skandinaviska Enskilda Banken, [C‑540/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-540-09-arrest), EU:C:2011:137, punt [21](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-540-09-arrest#point-21); zie in die zin ook arrest van 25 juli 2018, DPAS, [C‑5/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-5-17-arrest), EU:C:2018:592, punt [46](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-5-17-arrest#point-46)).

37. Aangezien de vrijstellingen van [artikel 135, lid 1, onder b) tot en met g), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) de voorheen in [artikel 13, B, onder d), punten 1 tot en met 6, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) opgenomen vrijstellingen overnemen zonder de inhoud ervan te wijzigen, blijft de rechtspraak over laatstgenoemde bepalingen relevant voor de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van de btw-richtlijn (arrest van 26 mei 2016, Bookit, [C‑607/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-607-14-arrest), EU:C:2016:355, punt [32](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-607-14-arrest#point-32)).

38. Wat de eerste doelstelling betreft, namelijk het verhelpen van de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw, stelt de Europese Commissie terecht dat deze doelstelling niet aan de orde is in een situatie als in het hoofdgeding waarin het kredietbeheer wordt uitgevoerd door de persoon die deze kredieten heeft verleend, maar deze vervolgens aan een andere persoon heeft overgedragen.

39. De moeilijkheden in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw doen zich namelijk doorgaans voor in de relatie tussen de oorspronkelijke kredietverstrekker en de kredietnemer, waarin het moeilijk kan zijn om de vrijgestelde tegenprestatie voor de kredietverstrekking te onderscheiden van de tegenprestatie voor het daarmee samenhangende beheer. In een situatie als in het hoofdgeding, waarin het kredietbeheer door A aan B afzonderlijk in rekening wordt gebracht op basis van de werkelijke kosten en een overeengekomen winstopslag, doen dergelijke moeilijkheden zich niet voor. Deze omstandigheid ondersteunt de uitlegging dat de vrijstelling van [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) zich niet uitstrekt tot de aldus uitbestede beheerdiensten.

40. Deze overwegingen worden bevestigd door de uitlegging van [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) in het licht van de tweede doelstelling, namelijk het voorkomen van een verhoging van de kostprijs van consumentenkrediet.

41. Ten eerste worden deze diensten niet rechtstreeks aan de kredietnemers in rekening gebracht in een situatie als in het hoofdgeding, waarin de onderneming die de kredieten heeft overgedragen beheerdiensten verricht voor de onderneming die de kredieten heeft verkregen, en niet voor de kredietnemers. De kredietnemers, die deze diensten niet afnemen, kunnen de btw over deze diensten dus niet rechtstreeks betalen.

42. Ten tweede kan weliswaar niet worden uitgesloten dat de btw over de diensten voor kredietbeheer die de overdrager voor de verkrijger verricht, een indirecte invloed heeft op de financieringskosten voor de kredietnemers, maar dit betekent niet dat het btw-bedrag automatisch naar hen wordt verschoven. Het risico dat deze kosten aan de kredietnemer worden doorberekend, hangt met name af van de specifieke kredietvoorwaarden, de financiële en marketingstrategie van de betrokken ondernemingen of de mededingingssituatie op de markt.

43. In ieder geval kan elke uitbesteding van het kredietbeheer tot hogere kosten leiden, ongeacht of de beheerdiensten aan btw zijn onderworpen.

44. Bovendien blijkt uit vaste rechtspraak dat de btw-richtlijn dient te worden uitgelegd in overeenstemming met het aan het gemeenschappelijke btw-stelsel inherente beginsel van fiscale neutraliteit, dat zich ertegen verzet dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten, voor de btw-heffing verschillend worden behandeld. De lidstaten moeten bij de inning van de btw steeds dit beginsel eerbiedigen (zie arresten van 17 december 2015, WebMindLicenses, [C‑419/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-419-14-arrest), EU:C:2015:832, punt [41](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-419-14-arrest#point-41) en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 april 2016, Degano Trasporti, [C‑546/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-546-14-arrest), EU:C:2016:206, punt [21](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-546-14-arrest#point-21) en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45. Zoals de advocaat-generaal in punt 36 van haar conclusie heeft benadrukt, mag er voor btw-doeleinden geen verschil in behandeling zijn tussen aan een verkrijger verkochte diensten voor kredietbeheer naargelang deze diensten worden verricht door de overdrager die de kredieten oorspronkelijk heeft verleend dan wel door een andere persoon. In het laatste geval is het duidelijk dat de beheerdiensten aan btw zijn onderworpen.

46. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen vrijstelling voor kredietbeheer niet van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, vervolgens heeft overgedragen en onder bezwarende titel blijft beheren voor de verkrijger.

#### Tweede vraag

47. Met zijn tweede vraag, die is gesteld voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of [artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) aldus moet worden uitgelegd dat diensten voor kredietbeheer die worden verricht door degene die het krediet heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die dienen als zekerheid voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie, van btw moeten worden vrijgesteld voor zover zij bestaan in het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen in de zin van deze bepaling.

48. Volgens [artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) verlenen de lidstaten vrijstelling voor handelingen die betrekking hebben op „de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend”.

49. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat dit verzoek hoofdzakelijk betrekking heeft op het eerste onderdeel van deze bepaling, namelijk de vraag of de betrokken diensten kunnen worden aangemerkt als het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen in de zin van [artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135).

50. In dit verband moet worden vastgesteld dat diensten die bestaan in het beheer van kredieten ten behoeve van de koper ervan, zoals de diensten die in casu aan de orde zijn, als zodanig niet kunnen worden aangemerkt als het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen in de zin van [artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135). Het aangaan van dergelijke verbintenissen kan namelijk niet worden gelijkgesteld met het beheer van krediet dat als zekerheid dient, temeer daar de enige vrijgestelde vorm van beheer die in deze bepaling wordt genoemd betrekking heeft op het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend.

51. Bovendien wordt kredietbeheer uitdrukkelijk genoemd in [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135). Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van haar conclusie heeft benadrukt, zou de beperking van de werkingssfeer van de btw-vrijstelling voor kredietbeheer, waarvan [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) bepaalt dat zij alleen van toepassing is op degene die het krediet heeft verleend, haar nuttig effect verliezen indien [artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) op kredietbeheer zou worden toegepast.

52. Hieruit volgt dat op de tweede vraag moet worden geantwoord dat [artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) aldus moet worden uitgelegd dat de vrijstelling voor het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen niet van toepassing is op diensten voor kredietbeheer die worden verricht door de persoon die het krediet heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die dienen als zekerheid voor een obligatie die is uitgegeven door een andere financiële instelling waaraan die kredieten zijn overgedragen.

#### Derde vraag

53. Met zijn derde vraag, die is gesteld voor het geval dat de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of [artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) aldus moet worden uitgelegd dat de daarin bedoelde vrijstelling voor handelingen betreffende schuldvorderingen van toepassing is op het beheer door de overdrager van aan een andere onderneming overgedragen kredieten.

54. Volgens [artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) verlenen de lidstaten vrijstelling voor handelingen betreffende „deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen”.

55. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de in [artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) genoemde handelingen financiële handelingen zijn en met name betrekking hebben op betalingsinstrumenten die een geldoverdracht impliceren (zie arrest van 1 augustus 2025, Határ Diszkont, [C‑427/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-427-23-arrest), EU:C:2025:596, punt [68](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-427-23-arrest#point-68) en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56. De feitelijke of potentiële eigendomsoverdracht van de betrokken middelen als gevolg van de handeling in kwestie of het feit dat die handeling de kenmerkende en essentiële functies van een dergelijke overdracht vervult, dus het criterium aan de hand waarvan een handeling die leidt tot een overmaking van geld en juridische en financiële wijzigingen meebrengt en die onder de vrijstelling van [artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) valt, kan worden onderscheiden van een handeling zonder deze gevolgen, die derhalve niet onder die vrijstelling valt (zie arrest van 1 augustus 2025, Határ Diszkont, [C‑427/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-427-23-arrest), EU:C:2025:596, punt [71](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-427-23-arrest#point-71) en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57. In casu wijst niets in het dossier erop dat de beheerdiensten die overeenkomen met de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving bestaan in een overdracht van de eigendom van tegoeden of tot gevolg hebben dat de kenmerkende en essentiële functies van een dergelijke overdracht worden vervuld, zodat dergelijke diensten geen van de handelingen betreffende schuldvorderingen vormen zoals bedoeld in [artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135).

58. Bovendien kan, zoals blijkt uit punt 51 hierboven, [artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) niet worden geacht van toepassing te zijn op kredietbeheer, teneinde te voorkomen dat de beperking van de werkingssfeer van de btw-vrijstelling voor kredietbeheer, waarvan [artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) bepaalt dat zij alleen van toepassing is op degene die het krediet heeft verleend, haar nuttig effect verliest.

59. Hieruit volgt dat op de derde vraag moet worden geantwoord dat [artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen vrijstelling voor handelingen betreffende schuldvorderingen niet van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die aan een andere financiële instelling zijn overgedragen.

### Kosten

60. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

### Dictum

HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters) verklaart voor recht:

1) [Artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat de daarin opgenomen vrijstelling voor kredietbeheer niet van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, vervolgens heeft overgedragen en onder bezwarende titel blijft beheren voor de verkrijger.

2) [Artikel 135, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) moet aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling voor het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen niet van toepassing is op diensten voor kredietbeheer die worden verricht door de persoon die het krediet heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die dienen als zekerheid voor een obligatie die is uitgegeven door een andere financiële instelling waaraan die kredieten zijn overgedragen.

3) [Artikel 135, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) moet aldus worden uitgelegd dat de daarin opgenomen vrijstelling voor handelingen betreffende schuldvorderingen niet van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die aan een andere financiële instelling zijn overgedragen.

Półtorak Hesse Steinfatt Petrlík Dimitrakopoulos Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 17 juni 2026. ondertekeningen

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

16

[btw-richtlijn 2006/112 art. 135](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) 41 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 13](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) 2 voorkomens

VWEU art. 267 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 2](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-2) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 24](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-24) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 9](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) 1 voorkomen

[C-801/19, arrest van 17 december 2020](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-801-19-arrest) 2 voorkomens

[C-427/23, arrest van 1 augustus 2025](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-427-23-arrest) 2 voorkomens

[C-455/05, arrest van 19 april 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-455-05-arrest) 1 voorkomen

[C-540/09, arrest van 10 maart 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-540-09-arrest) 1 voorkomen

[C-491/13, arrest van 10 september 2014](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-491-13-arrest) 1 voorkomen

[C-419/14, arrest van 17 december 2015](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-419-14-arrest) 1 voorkomen

[C-546/14, arrest van 7 april 2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-546-14-arrest) 1 voorkomen

[C-607/14, arrest van 26 mei 2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-607-14-arrest) 1 voorkomen

[C-5/17, arrest van 25 juli 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-5-17-arrest) 1 voorkomen

[C-235/19, arrest van 8 oktober 2020](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-235-19-arrest) 1 voorkomen

## Rechtsleer

1

Cenci, Ugo: Fiscalité - TVA, Europe 2026, n° 8-9 Août-septembre, comm. 310 (FR)
