---
title: "Gerecht EU, T-178/99, beschikking van 6 december 1999 · Zesde richtlijn 77/388 art. 4 en art. 29"
description: "Beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 6 december 1999, T-178/99: zesde richtlijn 77/388 art. 4 en art. 29."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/t-178-99-beschikking"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/t-178-99-ordonnance"
---

# Beschikking van het Gerecht van 6 december 1999, T-178/99 · Zesde richtlijn 77/388 art. 4 en art. 29

**Rechtscollege**

Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen

**Zaak**

T-178/99

**ECLI**

ECLI:EU:T:1999:307

**Datum**

6 december 1999

## De zaak

**Procedure**

Beroep tot nietigverklaring afdoening zonder beslissing

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1999, blz. II-3509

**Meer informatie**

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Beroep tot nietigverklaring](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.02) 55 beslissingen

## Tekst

44 paragrafen

Beschikking van het Gerecht (Eerste kamer)

6 december 1999

In zaak T-178/99,

S. M. Elder en R. D. Elder, wonende te Dundee, Schotland (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door S. Crosby, Solicitor, Schumanplein 9, Brussel,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Wölker en X. Lewis, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 8 juni 1999 waarbij verzoekers de toegang tot de notulen van het Raadgevend comité voor de belasting over de toegevoegde waarde is geweigerd,

geeft

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, C. W. Bellamy en M. Vilaras, rechters,

griffier: H. Jung

de navolgende

### Beschikking

### De toepasselijke regeling

1. Op 6 december 1993 keurden de Raad en de Commissie een gedragscode goed inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Raad en de Commissie (PB L 340, blz. 41; hierna: „gedragscode”).

2. De Commissie heeft die gedragscode vastgesteld bij besluit 94/90/EGKS, EG, Euratom van 8 februari 1994 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Commissie (PB L 46, blz. 58; hierna: „besluit 94/90”).

3.

Artikel 2 van besluit 94/90 bepaalt:

> „(...)
>
> 2) De aanvrager krijgt binnen de maand schriftelijk antwoord van de directeurgeneraal, het hoofd van dienst, de hiertoe bij het secretariaatgeneraal aangewezen directeur of een daartoe gemachtigd en namens hen handelend ambtenaar, ongeacht of het verzoek wordt ingewilligd dan wel het voornemen bestaat het verzoek af te wijzen. In dit laatste geval wordt aan de aanvrager ook medegedeeld dat hij binnen de maand een confirmatief verzoek tot de secretarisgeneraal van de Commissie kan richten om dit standpunt te herzien en dat, als hij geen gebruik maakt van deze mogelijkheid, zal worden aangenomen dat hij van zijn oorspronkelijk verzoek heeft afgezien.
>
> (...)
>
> 4) Ingeval een verzoek om toegang tot een document niet binnen de maand na indiening ervan wordt beantwoord door een van de in punt 2 genoemde ambtenaren, wordt dit gelijkgesteld met een voornemen om het verzoek af te wijzen.
>
> Ingeval een verzoek om herziening niet binnen de maand na indiening ervan wordt beantwoord, wordt dit gelijkgesteld met een besluit om het verzoek af te wijzen.
>
> (...)”

4.

De gedragscode, zoals door de Commissie vastgesteld, bepaalt onder de rubriek „Behandeling van de oorspronkelijke verzoeken”, derde alinea:

> „Wanneer de auteur van het document dat bij de instelling berust, een natuurlijke of een rechtspersoon, een lidstaat, een andere instelling of een orgaan van de Gemeenschap of enige andere nationale of internationale organisatie is, moet het verzoek rechtstreeks tot de auteur van het document worden gericht.”

### De feiten en het procesverloop

5. Bij brief van 30 november 1998 hebben verzoekers op de grondslag van besluit 94/90 de Commissie verzocht om toegang tot de notulen van het Raadgevend comité voor de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „comité” of „BTW-comité”) met betrekking tot de eventuele raadpleging van het comité door het Verenigd Koninkrijk krachtens de artikelen [4](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) en [29](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-29) van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”). Tot staving van hun verzoek verklaarden verzoekers, dat hun rechtspositie door sommige bepalingen van de Britse BTW-wetgeving rechtstreeks werd geraakt, en dat zij wensten te verifiëren of het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig [artikel 4, lid 4, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4), op basis waarvan bedoelde bepalingen waren vastgesteld, het BTW-comité vooraf had geraadpleegd.

6. Toen antwoord op hun verzoek uitbleef, richtten verzoekers bij brief van 6 januari 1999 een confirmatief verzoek in de zin van artikel 2, lid 2, van besluit 94/90 tot de secretarisgeneraal van de Commissie.

7. Rond dezelfde tijd stelde de directeurgeneraal van DG XXI (Douane en indirecte belastingen) van de Commissie verzoekers bij op 11 januari 1999 aan hun raadsman betekende brief ervan in kennis, dat de beraadslagingen van het comité volgens zijn reglement van orde vertrouwelijk zijn, tenzij de in het comité vertegenwoordigde lidstaten eenstemmig anders besluiten. Teneinde het geheim van de beraadslagingen van het comité te beschermen en de financiële belangen van de Gemeenschap niet te schaden, meende hij derhalve verzoekers geen toegang tot de notulen van het comité te kunnen geven.

8. Bij brief van 9 februari 1999 deelde het secretariaatgeneraal van de Commissie verzoekers mee, dat hun verzoek met de grootste spoed zou worden onderzocht, maar dat niettemin een antwoord waarschijnlijk meer dan een maand op zich zou laten wachten.

9. Op 3 maart 1999 ontvingen verzoekers een brief van de secretarisgeneraal van de Commissie, waarin deze hun meedeelde, dat hoewel de notulen van het BTW-comité worden opgesteld door de diensten van de Commissie die het secretariaat van het comité voeren, zij formeel door het comité zelf worden vastgesteld. Dit laatste is derhalve als de auteur van de documenten in de zin van de gedragscode te beschouwen, hetgeen betekent dat een verzoek zoals verzoekers hadden ingediend, rechtstreeks tot het comité moet worden gericht. Om het verzoekers echter gemakkelijk te maken, zo preciseerde de secretarisgeneraal, was hun verzoek voor beslissing aan het BTW-comité doorgezonden; voorts deelde hij hun mee, dat het Verenigd Koninkrijk tussen 1979 en 1996 het comité verscheidene malen over de toepassing van [artikel 4, lid 4, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) had geraadpleegd.

10. Bij op 1 april 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift stelden verzoekers beroep tot nietigverklaring in tegen de beschikking van de Commissie waarbij hun de toegang tot genoemde documenten was geweigerd (zaak [T-78/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/t-78-99-beschikking)).

11. Bij brief van 8 juni 1999 deelde de voorzitter van het BTW-comité verzoekers mee, dat de vertegenwoordigers van de lidstaten in het comité eenstemmig hadden besloten hun geen toegang tot de notulen te verlenen.

12. Van oordeel, dat die brief als een definitieve afwijzende beschikking van de Commissie was te beschouwen, hebben verzoekers bij op 6 augustus 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep tot nietigverklaring van die beschikking van 8 juni 1999 (hierna: „bestreden handeling”) ingesteld.

13. Dienvolgens hebben zij in zaak [T-78/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/t-78-99-beschikking) afstand van instantie gedaan, die daarop bij beschikking van 13 oktober 1999 in het register van het Gerecht is doorgehaald.

14. Bij brief van 3 augustus 1999 deelde de Commissie verzoekers mee, dat zij DG XXI had verzocht hun verzoek om toegang tot de notulen van het BTW-comité in heroverweging te nemen, zulks omdat volgens het arrest van het Gerecht van 19 juli 1999, Rothmans/Commissie (T-188/97, Jurispr. blz. II-2463), het de taak van de Commissie is te beslissen op verzoeken om toegang tot de notulen van raadgevende comités zoals het BTW-comité.

15. Bij op 30 september 1999 ter griffie neergelegde memorie heeft de Commissie het Gerecht verzocht vast te stellen, dat er op het beroep niet meer behoefde te worden beslist, aangezien het verzoek om toegang tot de notulen van het BTW-comité door DG XXI opnieuw zou worden onderzocht en de te nemen beslissing de intrekking van de bestreden handeling tot gevolg zou hebben.

16. Bij op 20 oktober 1999 ter griffie neergelegd schrijven heeft de Commissie aan het Gerecht overgelegd de brief van de directeurgeneraal van DG XXI van 30 september 1999 aan verzoekers, waarin deze, na heroverweging van hun verzoek ingevolge voornoemd arrest Rothmans/Commissie, opnieuw de toegang tot de notulen van het BTW-comité weigert, ditmaal onder verwijzing naar de gedragscode, meer bepaald naar het voorbehoud inzake bescherming van de vertrouwelijkheid. De Commissie concludeert eruit, dat de bestreden handeling is ingetrokken en dat een uitspraak dus niet meer nodig is.

17. In hun op 8 november 1999 ter griffie neergelegde opmerkingen over het verzoek om afdoening zonder beslissing, verklaren verzoekers geen bezwaar te hebben tegen het beëindigen van de onderhavige procedure. Zij preciseren daarbij, dat zij een confirmatief verzoek bij de secretarisgeneraal van de Commissie hebben ingediend, en dat diens beslissing, hoe die ook moge luiden, definitief in de plaats van de brief van 8 juni 1999 zal treden. Zij menen evenwel, dat laatstbedoelde brief een definitieve handeling was, waartegen zij terecht zijn opgekomen, en dat de Commissie, haar houding in deze zaak in aanmerking genomen, in de kosten dient te worden veroordeeld.

### Het verzoek om afdoening zonder beslissing

18. Met haar verzoek om afdoening zonder beslissing werpt de Commissie een procesincident op, waarop overeenkomstig artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering zonder mondelinge behandeling uitspraak moet worden gedaan.

19. In casu heeft de Commissie, door de beschikking van 30 september 1999 vast te stellen, de bestreden handeling stilzwijgend ingetrokken, nadat zij voor zichzelf had vastgesteld, dat volgens de vereisten van de gemeenschapsregeling inzake de toegang tot documenten, zoals gepreciseerd in het arrest Rothmans/Commissie (reeds aangehaald), het haar taak is te beslissen op verzoeken om toegang tot documenten van het BTW-comité.

20. In een situatie als deze heeft de intrekking van de bestreden handeling gelijke gevolgen als een nietigverklaringsarrest, waarbij het recht van verzoekers om eventueel in een afzonderlijk beroep op te komen tegen de definitieve beslissing van de secretarisgeneraal van de Commissie over hun verzoek, onverlet blijft. Immers, een arrest waarbij de bestreden — en thans ingetrokken — handeling nietig werd verklaard, zou geen ander of meer rechtsgevolg kunnen hebben dan die intrekking.

21. Verzoekers hebben dus geen enkel belang meer bij nietigverklaring van de bestreden handeling en het beroep is bijgevolg zonder voorwerp geraakt (zie beschikking Gerecht van 28 mei 1997, Proderec/Commissie, [T-145/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/t-145-95-beschikking), Jurispr. blz. II-823, punt 27, en de daar aangehaalde rechtspraak).

22. Uit het voorgaande volgt, dat in de zaak niet behoeft te worden beslist.

### Kosten

23. In geval van afdoening zonder beslissing beslist het Gerecht ingevolge artikel 87, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering vrijelijk over de proceskosten.

24. In casu heeft de Commissie de bestreden handeling na de instelling van het beroep ingetrokken om een reden die verzoekers in hun beroep hadden aangevoerd. In deze omstandigheden dient de Commissie in alle kosten te worden verwezen.

### Dictum

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer)

beschikt:

1) Op het beroep behoeft niet te worden beslist.

2) De Commissie zal alle kosten dragen.

Luxemburg, 6 december 1999.

De griffier

H.Jung

De president

B. Vesterdorf

### Voetnoten

- \*1 Procestaai: Engels.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

4

[Zesde richtlijn 77/388 art. 4](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) 3 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 29](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-29) 1 voorkomen

[T-78/99, beschikking van 27 november 2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/t-78-99-beschikking) 2 voorkomens

[T-145/95, beschikking van 28 mei 1997](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/t-145-95-beschikking) 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Gerecht Beschikking T-78/99 27.11.2000

#### [Begroting van kosten](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/t-78-99-beschikking)
