---
title: "Gerecht EU, T-145/95, beschikking van 28 mei 1997 · Bestreden handeling ingetrokken in loop van geding"
description: "Beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 28 mei 1997, T-145/95: bestreden handeling ingetrokken in loop van geding, afdoening zonder beslissing."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/t-145-95-beschikking"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/t-145-95-ordonnance"
---

# Beschikking van het Gerecht van 28 mei 1997, T-145/95 · Bestreden handeling ingetrokken in loop van geding, afdoening zonder beslissing

**Rechtscollege**

Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Vierde kamer

**Zaak**

T-145/95

**ECLI**

ECLI:EU:T:1997:74

**Datum**

28 mei 1997

## De zaak

**Procedure**

Beroep tot nietigverklaring afdoening zonder beslissing

**Zaak ingediend op**

10 juli 1995

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Portugees

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1997, blz. II-823

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Lenaerts

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Beroep tot nietigverklaring](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.02) 55 beslissingen

## Tekst

51 paragrafen

Beschikking van het Gerecht (Vierde kamer)

28 mei 1997

In zaak T-145/95,

Proderec — Formação e Desenvolvimento de Recursos Humanos ACE, vennootschap naar Portugees recht, gevestigd te Almada (Portugal), vertegenwoordigd door M. Rodrigues, advocaat te Lissabon, Rua Torcato José Clavine 17-D, 1o Esq., Pragal, Almada,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira en G. Wilms, vervolgens door M. T. Figueira en K. Simonsson, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

betreffende een beroep krachtens artikel 173 EG-Verdrag tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie, aan verzoekster meegedeeld bij brief van 11 mei 1995, waarbij de bijstand uit het Europees Sociaal Fonds die aanvankelijk was goedgekeurd en verleend bij een eerdere beschikking tot goedkeuring van de dossiers nrs. 881311 P1 en 880249 P3, is gewijzigd en verminderd,

geeft

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, P. Lindh en J. D. Cooke, rechters,

griffier: H.Jung

de navolgende

### Beschikking

### Toepasselijke bepalingen

1. Volgens artikel 1, lid 2, sub a, van besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB 1983, L 289, biz. 38; hierna: „besluit 83/516”) neemt het Fonds deel in de financiering van acties op het gebied van de beroepsopleiding en de beroepskeuzevoorlichting.

2. Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG (PB 1983, L 289, biz. 1; hierna: „verordening nr. 2950/83”) somt de uitgaven op waarvoor bijstand kan worden verleend uit het Europees Sociaal Fonds (hierna: „ESF”).

3. Krachtens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2950/83 brengt goedkeuring door het ESF van een aanvraag om bijstand uitkering mee van een voorschot gelijk aan 50 % van de toegekende steun op de voor de aanvang van de opleidingsactie vastgestelde datum. Volgens artikel 5, lid 4, moeten de aanvragen om betaling van het saldo een gedetailleerd verslag omvatten over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de betrokken actie. De betrokken Lid-Staat bevestigt de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de aanvragen vermelde gegevens.

4. Ten slotte bepaalt artikel 6, lid 1, dat indien van de bijstand uit het ESF geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het goedkeuringsbesluit is vastgesteld, de Commissie deze bijstand kan opschorten, verminderen of doen vervallen, na de betrokken Lid-Staat de gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken. Artikel 6, lid 2, bepaalt, dat overgemaakte bedragen waarvan geen gebruik is gemaakt op de wijze die in het goedkeuringsbesluit is vastgesteld, worden teruggevorderd.

### Feiten

5. In 1988 diende het Departamento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (dienst belast met de aangelegenheden van het Europees Sociaal Fonds, ressorterend onder het Portugese Ministerie van Arbeid en Sociale zekerheid; hierna: „DAFSE”) namens de Portugese Republiek ten behoeve van verzoekster bij de diensten van het ESF twee aanvragen om financiële bijstand voor het boekjaar 1988 in betreffende een opleidingsproject gericht op de voorbereiding van Portugese jongeren op een eerste dienstbetrekking (dossier nr. 881311 P1), en een opleidingsproject gericht op verdergaande specialisatie en omscholing in verband met de economische crisis (dossier nr. 880249 P3).

6. Beide projecten werden goedgekeurd bij twee beschikkingen van de Commissie, aan verzoekster meegedeeld bij brieven van het DAFSE van 25 mei 1988. Voor project 881311 P1 stelde de beschikking het bedrag van de bijstand uit het ESF vast op 104623102 ESC, waarbij de Portugese Republiek zich verbond tot financiering van het project tot een bedrag van 85600720 ESC via het Orçamento da Segurança Social/Instituto de Gestão Financeira da Segurança Social (budget voor de sociale zekerheid/Instituut voor financieel beheer van de sociale zekerheid; hierna: „OSS/IGFSS”). Voor project 880249 P3 stelde de beschikking het bedrag van de bijstand uit het ESF vast op 60851922 ESC, waarbij de Portugese Republiek zich verbond tot financiering van het project tot een bedrag van 49787936 ESC, eveneens via het OSS/IGFSS.

7. Op 14 juli 1988 ontving verzoekster ingevolge artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2950/83 een voorschot gelijk aan 50 % van de door het ESF toegekende steunbedragen alsmede van de door het OSS/IGFSS toegekende bedragen, zijnde 52311551 ESC respectievelijk 42800360 ESC voor dossier nr. 881311 P1, en 30425961 ESC respectievelijk 24893968 ESC voor dossier nr. 880249 P3.

8. Na uitvoering van beide projecten verzocht zij het DAFSE om overmaking van het saldo van de toegekende bijstand. Voor dossier nr. 881311 P1 bedroegen de saldi van de communautaire en van de nationale bijstand 52311551 ESC respectievelijk 42800360 ESC. Voor dossier nr. 880249 P3 bedroegen deze saldi 30425961 ESC respectievelijk 24893968 ESC.

9. Op 2 februari 1990 deelde het DAFSE verzoekster mede, dat haar aanvraag om uitkering van het saldo betreffende dossier nr. 881311 P1 was doorgezonden naar de Commissie, doch dat een bedrag van 6491845 ESC niet voor betaling in aanmerking kwam.

10. Op 16 oktober 1991 verzocht verzoekster het DAFSE de datum aan te geven waarop het saldo van de voor beide uitgevoerde projecten verkregen bijstand zou worden uitgekeerd. Het DAFSE antwoordde haar op 24 oktober 1991 dat het op de indiening van een verslag en een accountantsonderzoek wachtte.

11. Omdat de toezending van deze twee documenten door het DAFSE uitbleef, stelde verzoekster krachtens artikel 69 van de lei do Processo dos Tribunais Administrativos (decreto lei nr. 262/85) van 16 juli 1985 (wet inzake de procesvoering voor de administratieve rechtbanken; hierna: „LPTA”) op 17 september 1993 een vordering in tegen de Portugese Staat tot vaststelling van haar recht op uitkering van het saldo van de bijstand. Deze vordering werd afgewezen op de grond, dat de verwerende partij niet de Portugese Staat was, maar het orgaan waarvan de handeling afkomstig was, in casu de directeur-generaal van het DAFSE. Verzoekster stelde vervolgens een vordering van gelijke strekking in tegen de directeur-generaal van het DAFSE. Ook deze tweede vordering werd afgewezen, op grond dat verzoekster een aansprakelijkheidsactie tegen de Portugese Staat diende in te stellen krachtens artikel 73 LPTA en artikel 51, lid 1, sub h, van het Estatuto do Tribunal Administrativo (statuut van de administratieve rechtbank).

12. Op 9 september 1994 zond het DAFSE de definitieve besluiten toe die het naar aanleiding van de aanvragen om uitkering van het saldo had vastgesteld, en vorderde het terugbetaling binnen dertig dagen van in totaal 62856998 ESC, zijnde 29052034 ESC in het kader van dossier nr. 881311 P1 en 33804964 ESC in het kader van dossier nr. 880249 P3. Tegen deze terugvordering stelde verzoekster beroep in bij het Tribunal Administrativo de Círculo de Lisboa.

13. Op 11 mei 1995 deelde het DAFSE verzoekster mede, dat de Commissie de aanvraag om betaling van het saldo in het kader van dossier nr. 880249 P3 had goedgekeurd en het op 9 september 1994 toegezonden besluit van het DAFSE had bekrachtigd.

14. Op 25 mei 1995 verzocht verzoeksters raadsman het DAFSE om een bewijs of een gewaarmerkt afschrift van het besluit tot goedkeuring van de aanvraag om betaling van het saldo in het kader van dossier nr. 880249 P3. Toen het onderhavige beroep werd ingesteld, had verzoekster evenwel nog geen antwoord op dit schrijven ontvangen.

### Procesverloop

15. Bij op 10 juli 1995 ter griffie van het Gerecht ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld, strekkende tot „nietigverklaring van de bij brief nr. 5445 van het D AFSE van 11 mei 1995 meegedeelde beschikking van de Commissie waarbij de aanvankelijk bij een andere beschikking van de Commissie, tot goedkeuring van de dossiers nrs. 881311 P1 en 880249 P3, goedgekeurde en toegekende bedragen zijn gewijzigd en verminderd”.

16. Bij op 31 oktober 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, waarin zij stelt, dat de bestreden handeling niet bestaat en dat het onderhavige beroep hoe dan ook te laat is ingesteld.

17. Bij beschikking van 2 juli 1996 heeft het Gerecht krachtens artikel 114, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering het onderzoek van de exceptie van niet-ontvankelijkheid gevoegd met de zaak ten gronde.

18. Op 9 december 1996 heeft de Commissie beschikkingen C (96) 2554 en C (96) 2555 gegeven, waarbij het bij beschikking C (88) 831/29,04,88 toegekende steunbedrag werd verminderd. In haar op 18 december 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde verweerschrift merkt de Commissie op, dat deze beschikkingen in de plaats komen van de handeling waarbij zij de verzoeken om betaling van het saldo van de in de dossiers nrs. 881311 P1 en 880249 P3 toegekende communautaire bijstand heeft goedgekeurd, zulks in de vorm van debctnota's nrs. 95001035 U en 95001037 W van de Commissie waarin het terug te betalen bedrag is vastgesteld op 15978639 ESC respectievelijk 18592730 ESC.

19. Hieruit leidt de Commissie af, dat op het beroep niet meer behoeft te worden beslist, Zij wijst erop, dat zij na de uitspraak van het arrest van het Gerecht van 13 december 1995 \[zaak T-85/94 (122), Branco, Jurispr. 1995, blz. II-2993\] de in het onderhavige beroep bestreden handeling heeft ingetrokken, „omdat zij de door verzoekster aangevoerde nietigverklaringsgrond inzake schending van de motiveringsplicht heeft aanvaard” en deze handeling heeft vervangen door haar beschikkingen C (96) 2554 en C (96) 2555 van 9 december 1996. Nu deze beschikkingen volledig aan het motiveringsvereiste voldoen, heeft de Commissie niet alleen verzoekster recht doen wedervaren, maar is het geding bovendien zonder voorwerp geraakt.

20.

In haar op 4 februari 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen over de afdoening zonder beslissing concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:

—de handeling waartegen het beroep is gericht, nietig te verklaren, aangezien zij door gebreken is aangetast en de Commissie dat erkent;

—vast te stellen dat een gebrekkige handeling niet mag worden vervangen door een andere handeling;

—de Commissie in alle kosten te verwijzen.

### Afdoening zonder beslissing

21. Het verzoek in het verweerschrift van de Commissie werpt een incident op waarop krachtens artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering zonder mondelinge behandeling kan worden beslist.

22. In haar verweerschrift erkent de Commissie het bestaan van de in het kader van het onderhavige beroep bestreden handeling.

23. Met de vaststelling van de twee beschikkingen C (96) 2554 en C (96) 2555 van 9 december 1996 heeft de Commissie deze handeling stilzwijgend ingetrokken, omdat zij niet voldeed aan de motiveringsvereisten die gelden voor een beschikking houdende vermindering van het bedrag van een aanvankelijk toegekende communautaire bijstand, zoals deze in het arrest Branco (reeds aangehaald, r. o. 25) zijn geformuleerd.

24. Deze stilzwijgende intrekking vond plaats nadat het beroep reeds was ingesteld, en wel op een grond die juist door verzoekster in het onderhavige geding is aangevoerd.

25. In haar opmerkingen betreffende de afdoening zonder beslissing stelt verzoekster overigens dat het beroep na de intrekking van de bestreden handeling „ongeldig” is geworden, doch zij betwist dat de Commissie gerechtigd zou zijn de bestreden handeling te vervangen door de twee beschikkingen van 9 december 1996.

26. In die omstandigheden moet worden aangenomen, dat de gevolgen van de intrekking van de bestreden handeling dezelfde zijn als die van een arrest houdende nietigverklaring, onverminderd verzoeksters recht om in een afzonderlijk beroep de wettigheid van de twee beschikkingen van de Commissie van 9 december 1996 te betwisten. Een arrest waarbij de thans ingetrokken bestreden handeling nietig wordt verklaard, heeft immers geen enkel bijkomend rechtsgevolg ten opzichte van de gevolgen van de intrekking, die in casu terugwerkende kracht heeft. Overigens heeft verzoekster op 27 maart 1997 krachtens artikel 173 van het Verdrag beroep ingesteld tegen de twee beschikkingen van de Commissie van 9 december 1996, welke haar op 28 januari 1997 door het DAFSE zijn toegezonden (zaak T-72/97).

27. Verzoekster heeft derhalve geen belang meer bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Het onderhavige beroep is bijgevolg zonder voorwerp geraakt (zie beschikkingen Hof van 8 maart 1993, zaak C-123/92, Lezzi Pietro, Jurispr. 1993, blz. I-809, r. o. 8-11, en Gerecht van 18 september 1996, zaak T-22/96, Langdon, Jurispr. 1996, blz. II-1009, r. o. II-14).

28. Ten aanzien van de door verzoekster gevorderde vaststelling dat de Commissie niet gerechtigd is de bestreden handeling te vervangen door een andere, kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat het Gerecht niet bevoegd is om in het kader van een beroep krachtens artikel 173 van het Verdrag dergelijke vaststellingen te doen (zie beschikking Langdon, reeds aangehaald, r. o. 17).

29. Uit het voorgaande volgt, dat op het beroep niet behoeft te worden beslist.

### Kosten

30. Volgens artikel 87, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht, wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt, vrijelijk over de kosten.

31. In casu heeft de Commissie de bestreden beschikking ingetrokken na de instelling van het beroep, om een reden die verzoekster hierin heeft aangevoerd. In die omstandigheden dient de Commissie in de kosten te worden verwezen.

### Dictum

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)

beschikt:

1) Op het beroep behoeft niet te worden beslist.

2) De Commissie wordt verwezen in de kosten.

Luxemburg, 28 mei 1997.

De griffier

H. Jung

De president van de Vierde kamer

K.Lenaerts

### Voetnoten

- \*1 Procestaal: Portugees.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

3

verordening 2950/83 art. 5 2 voorkomens

EG-Verdrag art. 173 1 voorkomen

verordening 2950/83 art. 1 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Gerecht Beschikking T-178/99 06.12.1999

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 4 en art. 29](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/t-178-99-beschikking)
