---
title: "HvJ EU, 98/78, arrest van 25 januari 1979 · EEG-Verdrag art. 191, verordening 974/71 art. 1"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 januari 1979, 98/78: EEG-Verdrag art. 191, verordening 974/71 art. 1."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-98-78-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-98-78-arret"
---

# Arrest van het Hof van 25 januari 1979, 98/78 · EEG-Verdrag art. 191, verordening 974/71 art. 1

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

98/78

**ECLI**

ECLI:EU:C:1979:14

**Datum**

25 januari 1979

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Bundesfinanzhof (Duitsland) beslissing van 21 maart 1978 VII R 26/74

**Zaak ingediend op**

26 april 1978

**Advocaat-generaal**

Reischl

**Nationale beslissing na het arrest**

Bundesfinanzhof beslissing van 26 maart 1979 VII R 26/74

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1979, blz. 69

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Sørensen

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Bronnen van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01) [Algemene rechtsbeginselen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02) [Rechtszekerheid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.05) 33 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Handelingen van de instellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20)

    - [Toepassing ratione temporis](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.06) 19 beslissingen
    - [Verordeningen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.01) [Publicatie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.01.04) 3 beslissingen
  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03)

    - [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Wijn](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.06) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.06.02) 2 beslissingen
    - [Monetaire maatregelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05) [Monetair compenserende bedragen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05.02)

      - [Betrokken produkten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05.02.02) 4 beslissingen
      - [Temporele werkingssfeer](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05.02.04) 5 beslissingen
      - Voorwaarden voor de invoering
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Beroep tot nietigverklaring](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.02) [Beroepen van Lid-Staten of instellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.02.01) 4 beslissingen

## Tekst

47 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

1. In het tijdvak van 9 tot 30 maart 1973 heeft de firma A. Racke, verzoekster in het hoofdgeding (hierna te noemen: verzoekster), Joegoslavische rode en witte wijn van de tariefposten 22.05 C I en C II uit haar open douanedepot uitgeslagen en in het vrije verkeer gebracht. Het Hauptzollamt Mainz, verweerder in het hoofdgeding, hief daarvoor monetaire compenserende bedragen (hierna te noemen: mcb's) op basis van de verordeningen van de Commissie nr. 649/73 van 1 maart 1973 tot vaststelling van de monetaire compenserende bedragen (PB L 64 van 1973, blz. 7), nr. 741/73 van 5 maart 1973 houdende wijziging van de monetaire compenserende bedragen (PB L 71 van 1973, blz. 1), en nr. 811/73 van 23 maart 1973 houdende wijziging van de monetaire compenserende bedragen (PB L 79 van 1973, blz. 1).

2. Verzoekster tekende vergeefs bezwaar aan tegen de heffing van mcb's en stelde vervolgens bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz een vordering in tot terugbetaling van de door het Hauptzollamt geheven mcb's. Het Finanzgericht wees de vordering af. Verzoekster stelde daarop bij het Bundesfinanzhof beroep tot cassatie in.

3.

Bij verordening nr. 649/73, bijlage I, nr. 6, waren de mcb's voor het eerst uitgebreid tot rode en witte wijnen van de soort die verzoekster had ingevoerd. Bij de verordeningen nrs. 741/73 en 811/73 werden die bedragen aan de verdere valuta-ontwikkeling aangepast.

Verordening nr. 649/73 trad volgens haar artikel 3 in werking „op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad”. Zij werd bekendgemaakt in PB L 64 van 1973 dat, ofschoon gedateerd op 9 maart, als gevolg van administratieve moeilijkheden pas op 12 maart 1973 bij het verkoopkantoor van het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen verkrijgbaar was. In Duitsland werd het de volgende dag gedistribueerd. De verordening was — eveneens volgens haar artikel 3 — vanaf 26 februari 1973 toepasselijk.

Verordening nr. 741/73 van 5 maart 1973 trad op 19 maart 1973, de dag van haar bekendmaking, in werking; zij was echter reeds vanaf 5 maart 1973 toepasselijk. Verordening nr. 811/73 van 23 maart 1973, die op 27 maart, de dag van haar bekendmaking, in werking trad, was vanaf 26 maart 1973 toepasselijk.

Opgemerkt moet worden dat de Duitse minister van Financiën „om twijfelgevallen uit te sluiten” had bepaald, dat over het tijdvak van 26 februari tot 8 maart 1973 geen mcb's moesten worden geheven op goederen die bij verordening nr. 649/73 voor het eerst aan de monetaire compensatie waren onderworpen.

4.

Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft verzoekster in cassatie voor het Bundesfinanzhof in de eerste plaats betoogd, dat volgens de considerans van verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 houdende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB L 106 van 1971, blz. 1) geen compenserende bedragen mogen worden geheven op goederen die niet als gevolg van een gewijzigde pariteit van de wisselkoers tegen lagere prijzen zijn ingevoerd. Dit is met name het geval indien de invoerovereenkomsten in de gerevalueerde valuta zijn afgesloten en uitgevoerd.

Verzoekster heeft voor het Bundesfinanzhof voorts betoogd, dat de communautaire wijninterventieregeling van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 99 van 1970, blz. 1), moet worden geacht door het stelsel van referentieprijzen te zijn beveiligd tegen invoeren van wijn uit derde landen tegen lagere prijzen. Aangezien talrijke derde landen de toepassing van deze referentieprijzen als bedoeld in verordening nr. 816/70 hadden gegarandeerd, zodat op hun wijninvoeren in de EEG geen heffingen werden toegepast, is het volgens verzoekster ontoelaatbaar deze wijninvoeren alsnog met mcb's te belasten.

Een andere voorwaarde voor de toelaatbaarheid van het heffen van mcb's is, dat het moet gaan om produkten waarvoor in de ordening van de wijnmarkt in interventiemaatregelen is voorzien. Weliswaar zijn voor alle invoeren van wijn uit derde landen referentieprijzen vastgesteld, maar omdat de interventieregeling uitsluitend ter bescherming van de tafelwijnen van de Gemeenschap en niet van de kwaliteitswijnen dient, is deze bepaling uitsluitend voor consumptiewijnen bedoeld. Het was dan ook niet noodzakelijk wijnen uit derde landen, waarvan kan worden bewezen dat zij als kwaliteitswijnen moeten worden aangemerkt, met een monetaire compensatie te belasten.

Volgens de door verzoekster overgelegde statistieken kon er in het betrokken tijdvak — zowel ten aanzien van wijn in het algemeen als van Duitse kwaliteitswijn in het bijzonder — niet worden gesproken van een verstoring van de wijnmarkt. De voorwaarden waarvan verordening nr. 974/71 de heffing van compenserende bedragen afhankelijk stelt, waren derhalve niet vervuld.

Ten slotte was de Commissie volgens verzoekster niet bevoegd haar verordeningen met terugwerkende kracht toepasselijk te verklaren.

5.

Het Bundesfinanzhof heeft de procedure bij beschikking van 21 maart 1978 geschorst en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

1.Zijn de verordeningen van de Commissie nrs. 649/73 van 1 maart 1973, 741/73 van 5 maart 1973 en 811/73 van 23 maart 1973 ook geldig voor zover zij in hun onderscheiden bijlagen I nr. 6 zonder enigerlei differentiatie compenserende bedragen vaststellen voor ingevoerde rode en witte wijnen van de tariefposten 22.05 C I en C II?

2.Is voor de vraag wanneer een verordening als bekendgemaakt in de zin van artikel 191 EEG-Verdrag kan worden beschouwd, beslissend

a) de datum van het desbetreffende Publikatieblad,

b) het tijdstip waarop het desbetreffende Publikatieblad bij het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen daadwerkelijk verkrijgbaar is, of

c) het tijdstip waarop het desbetreffende Publikatieblad in de betrokken Lid-Staat daadwerkelijk verkrijgbaar is?

3.Moest verordening nr. 741/73 van de Commissie van 5 maart 1973 ook worden toegepast op voor het eerst bij verordening nr. 649/73 van de Commissie van 1 maart 1973 aan de monetaire compensatie onderworpen en vóór de daadwerkelijke bekendmaking van deze verordening uit een open douane-entrepot uitgeslagen wijnen? Zo neen

4.Moest verordening nr. 649/73 van de Commissie van 1 maart 1973 op de genoemde wijnen worden toegepast?

6.

De verwijzingsbeschikking is op 26 april 1978 ter griffie van het Hof ingekomen.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

##### A — De eerste vraag

1. Ten aanzien van het argument dat door verzoekster voor het Bundesfinanzhof als eerste naar voren werd gebracht, merkt de Commissie op dat het Hof in zijn arrest van 24 oktober 1973 (zaak 5/73, Balkan-Import-Export, Jurispr. 1973, blz. 1092) heeft erkend, dat alleen een algemene regeling voor alle in- en uitvoeren, ongeacht de vraag in welke valuta en op welk tijdstip de eraan ten grondslag liggende contracten werden afgesloten, op haar plaats is.

2. Met betrekking tot verzoeksters betoog brengt de Commissie verder naar voren, dat de vaststelling van referentieprijzen en de toepassing van compenserende heffingen ertoe dienen de prijzen van produkten uit derde landen op het niveau van communautaire landbouwprijzen te brengen. Met het stelsel van de mcb's wordt daarentegen beoogd bij van de pariteit afwijkende, fluctuerende wisselkoersen de daardoor optredende verschillen tussen de in nationale munt uitgedrukte landbouwprijzen te compenseren. Voor het onderhavige geval is derhalve irrelevant of de heffing van mcb's al dan niet heeft geleid tot een hogere inkoopprijs dan de referentieprijs.

3.

Voor wat de uitbreiding van de monetaire compensatie tot kwaliteitswijnen uit derde landen betreft, betoogt de Commissie in de eerste plaats dat het voor produkten van de Gemeenschap geldende onderscheid tussen tafelwijn en kwaliteitswijn niet bruikbaar is voor wijnen uit derde landen, daar de indeling als kwaliteitswijn een voortdurend toezicht op de bereiding en op de wijnbouwzones vereist, dat de Gemeenschap in derde landen niet kan uitoefenen.

Maar ook als het mogelijk zou zijn wijnen uit derde landen te onderscheiden in tafelwijnen en kwaliteitswijnen, dan nog zou „kwaliteitswijn” uit derde landen stellig aan de monetaire compensatie mogen worden onderworpen. Het betreft hier namelijk een produkt dat onder een gemeenschappelijke marktordening valt en waarvan de prijs afhankelijk is van die van produkten waarvoor in gemeenschappelijke interventiemaatregelen is voorzien (artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 974/71); dit blijkt uit de artikelen 1, lid 1, en 8-14 van verordening nr. 816/70.

Voor de beantwoording van de eerste vraag moet volgens de Commissie conform verordening nr. 974/71 enkel worden vastgesteld of, gezien de monetaire ontwikkeling, in februari/maart 1973 verstoringen van het handelsverkeer moesten worden gevreesd (artikel 1, lid 3).

De Commissie geeft vervolgens een toelichting op de overwegingen die haar in het voorjaar 1973 ertoe hebben gebracht mcb's voor alle rode en witte wijnen uit derde landen in te voeren. Ten deze wijst zij erop dat sinds 13 februari 1973 de waardedaling van de lire en de revaluatie van de DM onder meer verstoringen op de Franse en Duitse wijnmarkt deden vrezen. Overeenkomstig artikel 1, lid 2, sub a, van verordening nr. 974/71 werd de bij verordening nr. 649/73 vastgestelde monetaire compensatie in het intracommunautaire handelsverkeer beperkt tot tafelwijn. Gezien de samenhang tussen de prijzen voor tafelwijnen uit de Gemeenschap en die voor rode en witte wijnen uit derde landen, was het noodzakelijk ook deze ten volle bij de monetaire compensatie te betrekken; anders zouden deze wijnen zich met name ten opzichte van Italiaanse tafelwijnen in een aanzienlijk gunstiger concurrentiepositie hebben bevonden. Met het oog op de snelle en onstuimige monetaire ontwikkeling in het voorjaar 1973 kon de Commissie slechts regelingen treffen voor alle wijnen uit derde landen. Bij gevolg meent zij de economische situatie niet klaarblijkelijk onjuist te hebben beoordeeld noch misbruik te hebben gemaakt van haar bevoegdheid.

##### B — De tweede vraag

De Commissie wijst erop dat het Hof in zijn vonnis van 31 maart 1977 (zaak 88/76, Suiker Export, Jurispr. 1977, blz. 709) heeft beslist, dat het bij de vraag wanneer een verordening moet worden geacht te zijn bekendgemaakt in de zin van artikel 191 EEG-Verdrag, op het tijdstip van de daadwerkelijke bekendmaking in het Publikatieblad aankomt. Volgens de Commissie moet het Publikatieblad worden geacht te zijn gepubliceerd op het tijdstip van uitgifte door het Bureau voor officiële publikaties. Volgens de beginselen van de rechtszekerheid en van de gelijke behandeling van alle gemeenschapsonderdanen dienen verordeningen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap op hetzelfde tijdstip in werking te treden. Met de uitgifte in Luxemburg is het Publikatieblad voor eenieder die daartoe passende maatregelen neemt, verkrijgbaar; vanaf dit tijdstip heeft de wetgever niet meer de vrije beschikking over de tekst. Gaat men uit van de beschikbaarheid in de afzonderlijke Lid-Staten, dan moet men, wegens de onvermijdelijke vertragingen, genoegen nemen met een aanzienlijk tijdverlies.

De Commissie merkt verder op dat haar opvatting in wezen overeenstemt met de situatie in de meeste Lid-Staten, waar de uitgifte van het respectieve nationale publikatieblad op een centrale plaats voldoende is om de voorschriften in het gehele land in werking te doen treden. Frankrijk vormt een uitzondering op deze regel: in Parijs treden wetten en besluiten in beginsel in werking op de dag na hun bekendmaking in het Journal Officiel, doch in de rest van het land in beginsel eerst een dag na ontvangst van het Journal Officiel met de betrokken wettekst in de hoofdplaats van het desbetreffende departement of arrondissement. In dringende gevallen is in dit land bekendmaking door middel van aanplakking mogelijk. Het Franse voorbeeld kan door de gemeenschapsinstellingen echter niet worden gevolgd, omdat zij niet de mogelijkheid van bekendmaking door middel van aanplakking hebben.

##### C — De derde en de vierde vraag

1.

De Commissie herinnert eraan dat het Hof in zijn arrest van 7 juli 1976 (zaak 7/76, IRCA, Jurispr. 1976, blz. 1214) uitdrukkelijk is uitgegaan van de geldigheid van verordening nr. 649/73 vanaf 26 februari 1973. De Commissie gaat toch in op de prejudiciële vragen, daar het Hof, anders dan in de onderhavige zaak, op het tijdstip waarop het zijn arrest in zaak 7/76 wees, nog niet op de hoogte was van de vertraagde bekendmaking en dat arrest betrekking had op een verordening waarbij de mcb's voor reeds onder de monetaire compensatie vallende goederen opnieuw waren vastgesteld.

Beantwoordt men de tweede vraag in de door haar aangegeven zin, aldus de Commissie, dan heeft de derde vraag betrekking op het tijdvak van 5 tot 11 maart 1973. Zij voegt hieraan toe dat voor de beslissing van het hoofdgeding het tijdvak van 9 tot 11 maart van belang is.

Wat laatstgenoemd tijdvak betreft, bespreekt de Commissie vervolgens de gelding van verordening nr. 649/73. Als deze namelijk reeds in dat tijdvak niet had mogen worden toegepast, dan moet dit a fortiori voor verordening nr. 741/73 gelden.

2.

Met betrekking tot het probleem van de terugwerkende kracht van verordening nr. 649/73, merkt de Commissie op dat het Hof in zijn rechtspraak de terugwerkende kracht ook van rechtsvoorschriften waarbij verplichtingen worden opgelegd, niet in beginsel heeft uitgesloten, terwijl noch een regel van gemeenschapsrecht noch de rechtsorden van de Lid-Staten dit uitdrukkelijk verbieden.

De Commissie verwijst in dit verband verder naar r.o. 24 van het reeds genoemde arrest in zaak 7/76 (IRCA).

Volgens de Commissie is er geen enkele reden de voordelen te beschermen die behaald worden dankzij onvermijdelijke administratieve vertragingen als gevolg van de snelle monetaire ontwikkelingen. Gelet op artikel 3 van verordening nr. 974/71, dient men er veeleer rekening mee te houden dat bij aanzienlijke veranderingen in de internationale monetaire structuur ook nieuwe groepen produkten aan de monetaire compensatie worden onderworpen, en wel vanaf het moment waarop de monetaire fluctuaties optreden.

Daar het onderwerpen van nieuwe produkten aan de monetaire compensatie een vrije beslissing van de Commissie is, kan dit niet in alle gevallen met zekerheid worden voorzien. Men moet daarom erkennen dat in zulk een situatie de betrokkenen toch nog enige aanspraak hebben op bescherming van hun vertrouwen in het voortbestaan van de bestaande juridische situatie. De Commissie meent evenwel dat zij kan verhinderen dat een dergelijk vertrouwen bij de betrokkenen ontstaat, door nog vóór de bekendmaking van de getroffen maatregel in het Publikatieblad op andere wijze algemene bekendheid te geven aan de inhoud van haar beslissing of door te laten weten dat een beslissing ophanden is.

Toegespitst op het onderhavige geval, leiden deze algemene overwegingen de Commissie tot de volgende conclusies:

Wegens noodzakelijke wijzigingen in het stelsel van de monetaire compensatie als gevolg van de koersdaling van de lire sinds 13 februari 1973, konden de nieuwe bedragen eerst worden vastgesteld nadat het gewijzigde stelsel krachtens verordening nr. 509/73 van de Raad van 22 februari 1973 (PB L 50 van 1973, blz. 1) in werking was getreden. Nadat het Comité van beheer nog dezelfde dag advies had uitgebracht over de aanpassing van de compenserende bedragen, waarbij de Lid-Staten hadden verklaard dat zij de nieuwe bedragen vanaf 26 februari 1973 konden toepassen, achtte de Commissie het mogelijk de getroffen maatregelen vanaf deze dag van kracht te laten zijn.

Omdat destijds wegens de toetreding van de nieuwe Lid-Staten en wegens de monetaire crisis niet precies kon worden voorzien wanneer een verordening in het Publikatieblad zou verschijnen, en vertragingen bij de inwerkingtreding van de vastgestelde maatregelen met het oog op de dramatische situatie onaanvaardbaar waren, meent de Commissie dat zij wel verplicht was enkele van deze maatregelen korte tijd vóór hun bekendmaking in werking te doen treden.

Gezien de monetaire crisis, waarover in de publikatieorganen van alle Lid-Staten al enkele weken lang uitvoerig was bericht, had toch slechts een zeer beperkt vertrouwen in de handhaving van de monetaire maatregelen kunnen bestaan. De Commissie heeft nog vóór de bekendmaking van de betrokken verordeningen de tekst daarvan per telex aan de autoriteiten van de Lid-Staten meegedeeld. De inhoud van verordening nr. 649/73 bij voorbeeld is de Lid-Staten op 26 februari 1973 meegedeeld. Nog om een andere reden was een dergelijk vertrouwen op dat moment niet meer aanwezig. Blijkens berichten in de „Vereinigte Wirtschaftsdienste” had de Commissie namelijk laten weten dat rekening moest worden gehouden met een heffing van mcb's met terugwerkende kracht over korte perioden.

Een te beschermen vertrouwen ontbreekt ook in het onderhavige bijzondere geval, waarin goederen korte tijd voor de bekendmaking van verordening nr. 649/73 uit een open douanedepot zijn uitgeslagen; in het algemeen immers beschikken alleen grote ondernemingen, die zich voortdurend op de hoogte moeten houden van de algemene ontwikkeling van de monetaire situatie, over een open douanedepot.

3. Volgens de Commissie is de omstandigheid dat het Publikatieblad eerst op 12 maart 1973 is verschenen, zonder belang voor de vraag van de terugwerkende kracht van de verordening. Anders dan verordening nr. 1579/76 van de Commissie (PB L 172 van 1976, blz. 59), waarop zaak 88/76 (Suiker Export) betrekking had, moest verordening nr. 649/73 uitdrukkelijk ook in bij haar bekendmaking reeds verstreken tijdvakken worden toegepast; de geringe vertraging in de verschijning van het Publikatieblad heeft geen wijziging gebracht in de voorziene situatie.

4.

Dat verordening nr. 741/73 in de periode beginnende op 12 maart 1973 geldig was, kan volgens de Commissie worden afgeleid uit het arrest van het Hof in zaak 7/76 (IRCA, reeds aangehaald).

De Commissie meent echter dat evenmin bezwaren bestaan tegen toepassing van deze verordening in de periode van 9 tot 11 maart 1973. Aan de materiële voorwaarden voor een wijziging van de bij verordening nr. 649/73 vastgestelde mcb's was sedert 5 maart 1973 voldaan. De Commissie heeft de autoriteiten van de Lid-Staten op 5 maart 1973 per telex de nieuwe bedragen meegedeeld en blijkens de mededeling in de „Vereinigte Wirtschaftsdienste” waren de betrokkenen hiervan op de hoogte nog voordat de vanaf 26 februari 1973 geldende bedragen in het Publikatieblad werden bekendgemaakt. De Commissie heeft weliswaar niet de precieze bedragen meegedeeld, doch deze hadden aan de hand van de ontwikkeling van de wisselkoersen kunnen worden geschat. Ten slotte is in een mededeling in het Publikatieblad C 8 van 5 maart 1973 gewezen op de bij verordening nr. 741/73 aangebrachte wijzigingen.

Indien nog vóór de bekendmaking van een verordening de betrokkenen erop worden geattendeerd dat zij kort daarna door een nieuwe verordening met terugwerkende kracht zal worden gewijzigd, dan kan de bekendmaking van de eerste verordening geen grond zijn voor bescherming van het vertrouwen in de handhaving van de door die verordening geschapen rechtstoestand, ook voor zover zij betrekking heeft op reeds verstreken tijdvakken.

De Commissie merkt nog op, dat een dergelijke gang van zaken ongebruikelijk is en een bijzondere rechtvaardiging vereist, omdat de burger er normalerwijze op zal mogen vertrouwen dat een voorschrift bij zijn inwerkingtreding niet reeds is achterhaald en niet met terugwerkende kracht moet worden gewijzigd. In het onderhavige geval moest echter een uitzondering worden gemaakt in verband met de kritieke monetaire ontwikkeling in het voorjaar 1973 en de noodsituatie op het moment van de bekendmaking in het Publikatieblad. In de gegeven omstandigheden was het niet zinvol een reeds aangenomen, doch nog niet bekendgemaakte verordening te wijzigen, daar haar bekendmaking daarmee nog meer zou zijn vertraagd.

5. Na het arrest van het Hof in zaak 7/76 (IRCA) kan er volgens de Commissie geen bezwaar worden gemaakt tegen een uitbreiding van de gelding van verordening nr. 811/73 tot een kort tijdvak vóór haar bekendmaking in het Publikatieblad.

#### III — Mondelinge behandeling

1. Ter terechtzitting van 14 november 1978 hebben verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door F. Kreitmair, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. Gilsdorf als gemachtigde, bijgestaan door J. Sack, lid van haar juridische dienst, mondelinge opmerkingen gemaakt. W. Verheyden, directeur van het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen, heeft de door het Hof gestelde vragen beantwoord.

2.

*Verzoekster in het hoofdgeding* betoogt dat de rechtspraak van het Hof op het gebied van de mcb's om redenen verband houdend met de rechtsstaatidee, niet zou moeten worden gehandhaafd. Ten deze wijst zij onder meer op 's Hofs arresten van 23 januari 1976 (zaak 55/75, Balkan-Import-Export, Jurispr. 1976, blz. 20) en 25 mei 1978 (zaak 136/77, Racke, Jurispr. 1978, blz. 1245).

Inzonderheid stelt zij dat de Commissie op het onderhavige gebied bij het onderzoek en de vaststelling van de feiten niet over een discretionaire bevoegdheid zou mogen beschikken.

Verzoekster voegt hieraan toe dat ook een niet-evidente overschrijding van de discretionaire bevoegdheid ontoelaatbaar moet worden geacht. Zo de Commissie de besluiten, genomen in het kader van haar discretionaire bevoegdheid, aan de rechterlijke controle kan onderwerpen, uitsluitend ter beoordeling van de klaarblijkelijkheid, behoren de gronden die niet klaarblijkelijk zijn, niet met het oog op de rechterlijke controle te worden onthuld, doch moeten zij door degene die er bezwaar tegen maakt, worden bewezen. Dit komt erop neer dat willekeurige handelingen die niet klaarblijkelijk zijn, met inbegrip van misbruiken van discretionaire bevoegdheid en feitelijk onjuiste beoordelingen, worden gedekt.

Verzoekster in het hoofdgeding merkt op dat een schending van de motiveringsplicht een verordening zonder meer onwettig maakt, zelfs indien naderhand motieven worden aangevoerd.

Hieruit onstaat bovendien een vermoeden van onwettigheid in geval van een op lange termijn vastgestelde monetaire compensatie aan de grens, met als gevolg dat aan de op de Commissie rustende bewijslast en aan de motivering van de beslissing hogere eisen moeten worden gestéld.

Volgens verzoekster in het hoofdgeding is er in casu sprake van kennelijke dwaling en van van misbruik van discretionaire bevoegdheid.

Zij wijst erop dat de monetaire compensatie aan de grens ertoe dient, de invloed van pariteitswijzigingen op de in- en uitvoer op te heffen. Een wijziging in de wisselkoers is een voorwaarde, doch vormt onvoldoende grond voor de instelling van een dergelijke grenscompensatie. Bij gevolg mogen mcb's bij een verandering van de pariteiten niet automatisch worden geheven.

Volgens verzoekster heeft de Commissie bovendien de invloed van het stelsel van referentieprijzen buiten beschouwing gelaten. Dit stelsel sluit namelijk invoer beneden de interventieprijs en daarmee de mogelijkheid van marktverstoring uit.

Vervolgens beklemtoont verzoekster dat op kwaliteitswijnen uit de Gemeenschap geen mcb's zijn geheven, omdat deze produkten niet onder de marktordening voor wijn vallen. Men was dus van mening dat deze wijnen geen invloed hadden op de gemeenschappelijke markt voor tafelwijn. Bij gevolg konden de kwaliteitswijnen uit derde landen deze markt evenmin beïnvloeden.

Voorts heeft de Commissie bij de vaststelling van de omstreden verordeningen de voorwaarde van het bestaan van een gevaar voor desorganisatie en het begrip dreigende marktverstoring miskend. Er bestaat namelijk geen Duitse markt van tafelwijn.

3. De *Commissie* heeft in grote lijnen haar schriftelijke opmerkingen herhaald.

4.

Het Hof had aan de Commissie de volgende vraag voorgelegd:

> „Hoe kan men vaststellen en bewijzen, op welk tijdstip een nummer van het Publikatieblad bij het verkoopbureau te Luxemburg daadwerkelijk verkrijgbaar was?”

In haar antwoord verwijst de Commissie naar een verklaring van het Bureau voor officiële publikaties, luidend als volgt:

> „Juist met het oog op de vaststelling van het tijdstip van verschijnen van de nummers van het Publikatieblad, in de zin van de verklaring van de Raad van 23 november 1967, houdt het Bureau voor officiële publikaties een register bij betreffende het moment van ontvangst van iedere taalversie. Aan het personeel van het Bureau is opgedragen, de ontvangst van ieder nummer onverwijld door aanplakking bekend te maken; steekproefcontroles hebben aangetoond dat deze opdracht steeds wordt uitgevoerd.”

Volgens de Commissie heeft het Bureau voorts erop gewezen dat de aanplakking plaatsvindt op een zwart bord bij de ingang van zijn gebouw, zodra alle taalversies beschikbaar zijn.

De Commissie heeft het Hof verder nog gewezen op het vierde gedachtenstreepje van bovengenoemde verklaring van de Raad, luidende:

> „Als datum van bekendmaking van een besluit moet worden beschouwd de datum waarop het Publikatieblad waarin het wordt bekendgemaakt werkelijk in de vier talen bij het Verkoopkantoor in Luxemburg beschikbaar is. De op elk nummer van het Publikatieblad vermelde datum van openbaarmaking dient met die datum overeen te komen.”

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 6 december 1978 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 21 maart 1978, ingekomen ten Hove op 26 april 1978, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vragen gesteld over de geldigheid van bepaalde voorschriften in verordeningen betreffende de monetaire compenserende bedragen in de sector wijn, over de uitlegging van artikel 191 EEG-Verdrag, alsook over de draagwijdte van de bepalingen van de bedoelde verordeningen betreffende hun inwerkingtreding. Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen een Duitse onderneming en de bevoegde douane-instantie over de restitutie van de monetaire compenserende bedragen, geheven bij de uitslag, tussen 9 en 30 maart 1973, van bepaalde hoeveelheden uit Joegoslavië ingevoerde wijnen uit een open douanedepot.

#### De eerste vraag

2.

De eerste vraag van het Bundesfinanzhof luidt als volgt:

> „Zijn de verordeningen van de Commissie nrs. 649/73 van 1 maart 1973, 741/73 van 5 maart 1973 en 811/73 van 23 maart 1973 ook geldig voor zover zij in hun onderscheiden bijlagen I nr. 6 zonder enigerlei differentiatie compenserende bedragen vaststellen voor ingevoerde rode en witte wijnen van de tariefposten 22.05 C I en C II?”

3. Punt 6 van bijlage I van verordening nr. 649/73 van de Commissie van 1 maart 1973 tot vaststelling van de monetaire compenserende bedragen (PB L 64 van 1973, blz. 7), heeft het stelsel der monetaire compenserende bedragen voor het eerst uitgebreid tot wijnen van het type waarom het in casu gaat, terwijl bij de verordeningen van de Commissie nrs. 741/73 van 5 maart 1973 (PB L 71 van 1973, blz. 1) en 811/73 van 23 maart 1973 (PB L 79 van 1973, blz. 1) de bedragen aan de ontwikkeling van de wisselkoersen zijn aangepast. Verzoekster in het hoofdgeding heeft betoogd dat de Commissie, door het toepassingsgebied van de monetaire compenserende bedragen op deze wijze uit te breiden, geen rekening heeft gehouden met de in basisverordening nr. 974/71 van de Raad gestelde voorwaarden. Uit deze verordening volgt in de eerste plaats dat van de bevoegdheid om monetaire compenserende bedragen te heffen of toe te kennen, enkel gebruik kan worden gemaakt voor zover de veranderingen van de wisselkoersen verstoringen in de handel in landbouwprodukten zouden veroorzaken.

4. Ten deze moet worden opgemerkt dat het aan de Commissie staat om, met inachtneming van de zogenoemde procedure van het beheerscomité, te beoordelen of gevaar voor verstoring aanwezig is.

5. In verscheidene arresten heeft het Hof uitgesproken dat, aangezien het om de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie gaat, de Commissie en het beheerscomité in dit opzicht over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken. De rechter heeft zich bij de controle op de rechtmatige uitoefening van een dergelijke bevoegdheid te beperken tot de vraag of daarbij niet sprake is van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, dan wel betrokken gezagsorgaan de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid niet klaarblijkelijk heeft overschreden.

6. Tijdens de procedure heeft de Commissie de omstandigheden uiteengezet die volgens haar de genomen maatregel rechtvaardigden. Zij heeft onder meer gewezen op de omvang van de monetaire crisis begin 1973 en op het grote aantal in aanmerking te nemen economische factoren. Meer in het bijzonder heeft zij de aandacht gevestigd op de factoren die haars inziens grond gaven aan de vrees dat zich op de Franse en Duitse wijnmarkten verstoringen konden voordoen, en op de overwegingen die haar aanleiding gaven het stelsel van de monetaire compenserende bedragen volledig op wijnen uit derde landen toe te passen. Uit niets blijkt dat de Commissie bij deze globale beoordeling van de situatie en van de aard van de te nemen maatregelen kennelijk heeft gedwaald dan wel anderszins de algemene grenzen van de haar uit hoofde van de betrokken verordening toekomende bevoegdheid op andere wijze heeft overschreden.

7. Verzoekster in het hoofdgeding heeft de Commissie evenwel verweten enkele meer specifieke voorwaarden van die regeling te hebben miskend. Zij stelt dat de heffing van die bedragen niet is gerechtvaardigd wanneer, zoals in het onderhavige geval, de invoerovereenkomst vóór de monetaire gebeurtenis is afgesloten in een nadien gerevalueerde munteenheid, zodat de invoer niet tegen een door de wijziging van de wisselkoersen lager geworden prijs heeft kunnen plaatsvinden.

8. Deze grief dient echter te worden verworpen, want zoals het Hof reeds heeft uiteengezet in zijn arrest van 24 oktober 1973 (zaak 5/73, Balkan-Import-Export, Jurispr. 1973, blz. 1092), vereist de hanteerbaarheid van het stelsel der monetaire compenserende bedragen een algemene, voor alle in- en uitvoeren geldende regeling, waarbij geen rekening wordt gehouden met de bijzonderheden van de overeenkomsten, zoals de munteenheid waarin en het moment waarop zij zijn afgesloten.

9. Verzoekster in het hoofdgeding betoogt voorts dat de heffing van monetaire compenserende bedragen bij de invoer van wijn uit derde landen niet gerechtvaardigd is in gevallen waarin, zoals in casu, ingevolge artikel 9 van verordening nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 99 van 1970, blz. 1), toepassing van de referentieprijs of van een compenserende heffing bij invoer is voorgeschreven.

10. Dit betoog houdt evenwel geen rekening met de verschillende functie van het stelsel van referentieprijzen enerzijds en van de monetaire compenserende bedragen anderzijds. Immers, door de in rekeneenheden uitgedrukte referentieprijzen moeten de prijzen van wijnen uit derde landen op het communautair prijsniveau worden gebracht, terwijl het stelsel der monetaire compenserende bedragen ertoe dient om bij fluctuaties van de wisselkoersen de uit de koersontwikkeling voortvloeiende verschillen van de in nationale munteenheden uitgedrukte prijzen te compenseren en met name verstoringen van het handelsverkeer, die daarvan het gevolg kunnen zijn, tegen te gaan.

11. Verzoekster in het hoofdgeding betoogt ten slotte dat toepassing van het stelsel der monetaire compenserende bedragen op kwaliteitswijnen uit derde landen niet gerechtvaardigd is: volgens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 974/71 is dit stelsel immers enkel van toepassing op produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten in interventiemaatregelen is voorzien. Aan deze voorwaarde is haars inziens in casu niet voldaan, daar de gemeenschappelijke marktordening voor wijn volgens verordening nr. 816/70 slechts voorziet in interventiemaatregelen voor tafelwijnen, met uitsluiting van kwaliteitswijnen.

12. Dit betoog houdt evenwel geen rekening met de nauwkeurige betekenis van deze termen, zoals die volgt uit de communautaire regeling in de wijnsector. Ten deze moet worden opgemerkt dat de begrippen „tafelwijn” en „in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen” in artikel 1, lid 4, sub b, en lid 5, van verordening nr. 816/70 enkel van toepassing zijn op produkten uit de Gemeenschap, en dat de communautaire regeling geen bijzondere definitie geeft van „kwaliteitswijnen” uit derde landen, ter onderscheiding van „tafelwijnen”. Hieruit moet worden afgeleid dat — behoudens bijzondere bepalingen, waarvan in casu geen sprake is — alle wijnen uit derde landen in het licht van de communautaire regeling, en met name die van de monetaire compenserende bedragen, moeten worden geacht te zijn gelijkgesteld met tafelwijnen.

13. Mitsdien moet worden geantwoord dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de geldigheid van de verordeningen van de Commissie nrs. 649/73 van 1 maart 1973, 741/73 van 5 maart 1973 en 811/73 van 23 maart 1973 kunnen aantasten, voor zover daarbij monetaire compenserende bedragen zijn vastgesteld voor uit derde landen ingevoerde rode en witte wijnen van de tariefposten 22.05 C I en C II.

#### De tweede vraag

14.

De tweede vraag luidt als volgt:

> „Is voor de vraag wanneer een verordening als bekendgemaakt in de zin van artikel 191 EEG-Verdrag kan worden beschouwd, beslissend
>
> a) de datum van het desbetreffende Publikatieblad,
>
> b) het tijdstip waarop het desbetreffende Publikatieblad bij het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen daadwerkelijk verkrijgbaar is, of
>
> c) het tijdstip waarop het desbetreffende Publikatieblad in de betrokken Lid-Staat daadwerkelijk verkrijgbaar is?”

15. Volgens artikel 191 EEG-Verdrag worden verordeningen bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Gemeenschap en treden zij in werking op de in de verordeningen bepaalde datum of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking. Het Publikatieblad wordt uitgegeven door het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen te Luxemburg, dat van de Raad formele instructies heeft ontvangen ten einde te verzekeren dat de op elk nummer van het Publikatieblad vermelde dag van uitgifte overeenstemt met de dag waarop het daadwerkelijk in alle talen bij genoemd Bureau voor het publiek verkrijgbaar is. Deze bepalingen scheppen het rechtsvermoeden dat de dag van uitgifte daadwerkelijk overeenstemt met de op elk nummer van het Publikatieblad vermelde datum. Zo echter mocht worden bewezen dat de dag waarop het nummer daadwerkelijk verkrijgbaar was, niet overeenstemt met de op dat nummer vermelde datum, moet de dag van de daadwerkelijke uitgifte in aanmerking worden genomen. Immers, het is een fundamenteel beginsel van de communautaire rechtsorde, dat een overheidsbesluit niet aan de justitiabelen kan worden tegengeworpen voordat deze ervan kennis hebben kunnen nemen.

16. Voor het laatste onderdeel van de vraag is van belang dat de dag waarop een verordening moet worden geacht te zijn bekendgemaakt, niet verschilt naar gelang van de dag waarop het Publikatieblad van de Gemeenschap op het grondgebied van iedere Lid-Staat verkrijgbaar is. De eenheid en de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht verlangen immers dat een verordening — tenzij uitdrukkelijk anders bepaald — op dezelfde dag in alle Lid-Staten in werking treedt, ongeacht de vertraging die zich ondanks de inspanningen om een snelle verspreiding van het Publikatieblad in de gehele Gemeenschap te verzekeren, zouden kunnen voordoen.

17. Op de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord dat artikel 191 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat, behoudens tegenbewijs, een verordening moet worden geacht in de gehele Gemeenschap te zijn bekendgemaakt op de datum welke is vermeld op het nummer van het Publikatieblad waarin die verordening is opgenomen.

#### De derde en vierde vraag

18.

De derde en vierde vraag luiden als volgt:

> 3.„Moest verordening nr. 741/73 van de Commissie van 5 maart 1973 ook worden toegepast op voor het eerst bij verordening nr. 649/73 van de Commissie van 1 maart 1973 aan de monetaire compensatie onderworpen en vóór de daadwerkelijke bekendmaking van deze verordening uit een open douane-entrepot uitgeslagen wijnen? Zo neen:
>
> 4.Moest verordening nr. 649/73 van de Commissie van 1 maart 1973 op de genoemde wijnen worden toegepast?”

19. Verordening nr. 649/73 van 1 maart 1973, die volgens haar artikel 3, lid 1, in werking moest treden op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad, is bekendgemaakt in een nummer daarvan dat, hoewel gedateerd 9 maart 1973, volgens de verklaring van het Bureau voor officiële publikaties bij dit Bureau eerst daadwerkelijk verkrijgbaar was op 12 maart 1973, toen zij dus moet worden geacht al in werking te zijn getreden. Volgens artikel 3, lid 2, van deze verordening golden de uit haar toepassing voortvloeiende bedragen evenwel met ingang van 26 februari 1973 of zelfs, op verzoek van de betrokkenen, met ingang van 13 februari 1973. Verordening nr. 741/73 van 5 maart 1973 houdende wijziging van de bij verordening nr. 649/73 vastgestelde monetaire compenserende bedragen, is in werking getreden op 19 maart 1973, de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad, doch was, volgens artikel 2, toepasselijk vanaf 5 maart 1973. De gestelde vragen werpen dus in de eerste plaats het probleem op, of verordening nr. 649/73 — met name voor zover zij het stelsel van de monetaire compenserende bedragen voor het eerst uitbreidt tot de onderhavige wijnen — met terugwerkende kracht toepasselijk mocht worden verklaard.

20.

Ofschoon het beginsel van de rechtszekerheid zich in het algemeen ertegen verzet dat een gemeenschapsbesluit reeds vóór afkondiging van kracht is, kan hiervan bij wijze van uitzondering worden afgeweken indien dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen. Met name waar het om de monetaire compenserende bedragen gaat, houdt het bij verordening nr. 974/71 ingevoerde stelsel in beginsel in, dat de voorziene maatregelen van kracht worden op het moment waarop de gebeurtenissen die er de aanleiding toe vormen, zich voordoen. Willen deze maatregelen werkelijk effect hebben, dan kan het dus noodzakelijk zijn de gewijzigde monetaire compenserende bedragen van toepassing te verklaren op feiten en handelingen die hebben plaatsgevonden gedurende een korte periode voor de bekendmaking van de betrokken verordening in het Publikatieblad. Het is inherent aan het stelsel der monetaire compenserende bedragen, dat de handelaars erop bedacht moeten zijn dat elke belangrijke wijziging van de monetaire situatie kan leiden tot uitbreiding van het stelsel tot nieuwe groepen produkten en tot vaststelling van nieuwe bedragen. In het onderhavige geval heeft de Commissie reeds op de dag waarop de nieuwe bedragen van toepassing zouden worden, bijzondere maatregelen getroffen om deze bedragen ter kennis van het betrokken bedrijfsleven te brengen. De toepassing van verordening nr. 649/73 op feiten die zich vanaf 26 februari 1973 — dus gedurende twee weken voor haar daadwerkelijke bekendmaking — hebben voorgedaan, kon derhalve geen schending zijn van een gewettigd vertrouwen.

Gezien hetgeen hiervoor met betrekking tot verordening nr. 649/73 is vastgesteld, en rekening houdend met de buitengewone situatie in de betrokken periode, verzet geen enkele dwingende overweging van rechtszekerheid zich ertegen, aan verordening nr. 741/73, houdende wijziging van de bij bovengenoemde verordening bepaalde monetaire compenserende bedragen en vastgesteld op 5 maart 1973, werking vanaf laatstgenoemde datum toe te kennen niettegenstaande het feit dat verordening nr. 649/73 nog niet in het Publikatieblad was gepubliceerd.

21. Derhalve moet worden geantwoord dat bij onderzoek van de gestelde vragen niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de geldigheid van de verordeningen nrs. 649/73 van 1 maart 1973 en 741/73 van 5 maart 1973 kunnen aantasten, in zoverre deze met ingang van 26 februari 1973 en 5 maart 1973 van toepassing zijn verklaard.

#### Kosten

22. De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 21 maart gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten en omstandigheden die de geldigheid van de verordeningen nrs. 649/73 van 1 maart 1973, 741/73 van 5 maart 1973 en 811/73 van 23 maart 1973, voor zover daarbij monetaire compenserende bedragen zijn vastgesteld voor uit derde landen ingevoerde rode en witte wijnen van de tariefposten 22.05 C I en C II, dan wel de geldigheid der verordeningen nrs. 649/73 en 741/73, in zoverre deze met ingang van respectievelijk26 februari 1973 en 5 maart 1973 van toepassing zijn verklaard, kunnen aantasten.

2\. Artikel 191 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat, behoudens tegenbewijs, een verordening moet worden geacht in de gehele Gemeenschap te zijn bekendgemaakt op de datum welke is vermeld op het nummer van het Publikatieblad waarin die verordening is opgenomen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

7

EEG-Verdrag art. 191 uitgelegd 7 voorkomens

verordening 974/71 art. 1 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

verordening 816/70 art. 9 2 voorkomens

verordening 816/70 art. 1 1 voorkomen

verordening 816/70 art. 8-14 1 voorkomen

verordening 974/71 art. 3 1 voorkomen

## Rechtspraak

5

### Europese Unie

5

Conclusie van advocaat-generaal Tizzano C-376/02 16.12.2004

#### [Aftrek van voorbelasting, wijziging van nationale wetgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-376-02-conclusie)

Hof van Justitie C-17/01 29.04.2004

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 27 en art. 17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-17-01-arrest)

Conclusie van advocaat-generaal Geelhoed C-62/00 24.01.2002

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 11, EG-Verdrag art. 95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-62-00-conclusie)

## Rechtsleer

2

X: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1980 p.344-345

X: Jurisprudența europeană istorică. CJCE, hotărârea din 25 ianuarie 1979, A. Racke/Hauptzollamt Mainz, cauza 98/78, Revista română de drept al afacerilor 2011 nº 7 p.145-149
