ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — Feiten en procesverloop
Op 1 augustus 1977 sloten partijen in het hoofdgeding een overeenkomst waarbij Mattheus zich verbond, in Spanje en Portugal voor bepaalde landbouwprodukten een systeem van marktobservatie op te zetten, dat uiterlijk op de datum van het besluit inzake de toetreding van deze landen tot de Europese Gemeenschappen moest kunnen functioneren.
Doego verplichtte zich daartoe halfjaarlijks een nader overeen te komen vast bedrag te betalen.
De slotbepalingen van deze overeenkomst luiden als volgt:
„Deze overeenkomst geldt voor vijf jaar vast. Doego heeft het recht de overeenkomst op te zeggen ingeval de toetreding, feitelijk of rechtens, onuitvoerbaar zou blijken. Ter zake van de vraag van de onuitvoerbaarheid rechtens is het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen beslissend. Ingeval van rechtmatige opzegging der overeenkomst verliest de opdrachtnemer zijn recht op kostenvergoeding.
Bij geschillen is de rechter te Essen bevoegd.”
Bij brief van 29 januari 1978 sommeerde Mattheus Doego hem de gemaakte kosten ad DM 527,85 te vergoeden. Deze laatste zegde ingevolge de aangehaalde slotbepaling bij brief van 31 januari 1978 de overeenkomst op. Mattheus diende vervolgens op 21 februari 1978 bij het Amtsgericht Essen een vordering in tegen Doego.
Deze rechter nam de volgende beschikking:
„Amtsgericht Essen Beschikking in de zaak Lothar Mattheus, koopman, te Wind-eck/Opperzau, eiser, tegen Doego Fruchtimport und Tiefkühl eG, te Dortmund, gedaagde, 1. Op verzoek van partijen worden overeenkomstig artikel 177, tweede alinea, EEG-Verdrag de volgende vragen ter beslissing voorgelegd aan het Hof van Justitie: a) Dient artikel 237 EEG-Verdrag alleen of in samenhang met andere bepalingen van het EEG-Verdrag aldus te worden verstaan dat het buiten de formele in artikel 237 genoemde voorwaarden ook nog materieelrechtelijke grenzen voor een toetreding van derde staten tot de Europese Gemeenschappen bevat? b) Welke zijn die grenzen? c) Is bijgevolg de toetreding van Spanje, Portugal en Griekenland tot de Europese Gemeenschappen op gemeenschapsrechtelijke gronden binnen afzienbare tijd niet mogelijk? 2. De procedure wordt geschorst tot de uitspraak van het Hof van Justitie. Essen, 23 maart 1978 Schaper, rechter in het Amtsgericht.”
De verwijzingsbeschikking is op 14 april 1978 ingekomen ter griffie van het Hof.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Lothar Mattheus, verzoeker in het hoofdgeding, door Doego, verweerster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door G. Meier, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door C.-D. Ehlermann, directeur-generaal van de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigde, bijgestaan door P. Karpenstein, juridisch adviseur van de Commissie.
Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het verzocht de Commissie een standpunt in te nemen inzake de vraag of clausules als in de voorlaatste alinea van de betrokken overeenkomst verenigbaar zijn met de communautaire openbare orde.
II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
a) Opmerkingen van verzoeker in het hoofdgeding
Wat betreft de eerste vraag is het volgens Mattheus van geen belang of artikel 237 buiten de formele voorwaarden materieelrechtelijke grenzen behelst voor de toetreding van derde staten. Zelfs indien deze vraag bevestigend zou moeten worden beantwoord, vereisen hogere politieke belangen van de Gemeenschap dat Griekenland, Spanje en Portugal als nieuwe leden worden toegelaten.
De politiek wenselijke ontwikkeling van de Gemeenschap van Europese staten mag niet worden belemmerd door formele bepalingen van gemeenschapsrecht.
Met betrekking tot de derde vraag betoogt Mattheus dat de toetreding van derde staten tot de Europese Gemeenschap reeds binnen afzienbare tijd mogelijk zal zijn, en wel omdat de Lid-Staten de zeggingsmacht over de Verdragen hebben behouden.
b) Opmerkingen van verweerster in het hoofdgeding'
Volgens Doego dient de eerste vraag zonder voorbehoud bevestigend te worden beantwoord. Uit artikel 237, tweede alinea, EEG-Verdrag, volgt reeds dat de toetreding van derde staten tot de Gemeenschap volgens het gemeenschapsrecht ongeoorloofd is, indien niet aan bijzondere voorwaarden voor de toelating is voldaan. De noodzaak toelatingsvoorwaarden vast te stellen, moet dus bijzonder belangrijk worden geacht.
Dit standpunt komt reeds lang overeen met zowel de rechtsopvatting van de Raad als die van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Doego verwijst naar de „Verklaring inzake de Europese identiteit” van 14 en 15 december 1973 van de staatshoofden en regeringsleiders te Kopenhagen, naar de „Verklaring over de democratie” van de Europese Raad te Kopenhagen van 8 april 1978, naar het antwoord van de Raad op schriftelijke vraag nr. 930/77 (Holst, PB C 64 van 1978, blz. 20), alsmede naar de adviezen van de Commissie en de Raad van 29 september 1967 en 1 oktober 1969 naar de „Algemene beschouwingen over de vraagstukken in verband met de uitbreiding” van 24 april 1978 en ten slotte naar de mededeling van dezelfde datum, getiteld „Overgangsperiode en institutionele consequenties van de uitbreiding”.
Met betrekking tot de tweede vraag betoogt Doego dat uit de in de genoemde documenten ontwikkelde doctrine inzake de toetreding volgt, dat derde staten die willen toetreden onder andere de volgende voorwaarden moeten vervullen: zij moeten
een liberale grondwet en voldoende politieke stabiliteit hebben,
over een economisch ontwikkelingsniveau beschikken dat min of meer vergelijkbaar is met dat van de Gemeenschap,
de communautaire verworvenheden met inbegrip van de politieke doelstellingen van de Gemeenschap aanvaarden,
aan personele en economische voorwaarden voldoen en beschikken over de financiële middelen en instrumenten om de verplichtingen krachtens het gemeenschapsrecht in de praktijk doeltreffend te kunnen nakomen.
Zij stelt derhalve voor de tweede vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 237 EEG-Verdrag, in samenhang met de beginselen van het Verdrag, verbiedt de toetreding van derde staten tot de Europese Gemeenschappen, indien en voorzover hierdoor het bereikte integratieniveau in gevaar wordt gebracht en het integratieproces, dat is voorzien in het Verdrag of in besluiten van afgeleid recht, wordt vertraagd. Krachtens het gemeenschapsrecht zijn de instellingen van de Gemeenschap en de Lid-Staten verplicht, de toetreding van een andere Europese staat tot de EEG slechts toe te staan indien en voorzover de toelatingsvoorwaarden daadwerkelijk waarborgen, dat de toetreding noch het integratieniveau van de Gemeenschap, noch bepaalde integratiedoelstellingen of de slagvaardigheid van de Gemeenschap ernstig in gevaar brengt.”
Volgens Doego is de derde vraag ingevolge artikel 177 EEG-Verdrag niet-ontvankelijk, daar zij niet strekt tot de uitlegging van het Verdrag. De door partijen gesloten overeenkomst bevat weliswaar een arbitragebeding, waarin het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen als arbiter wordt aangewezen, doch uit de artikelen 181 en 182 van het EEG-Verdrag volgt, dat particulieren het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap geen bevoegdheid kunnen verlenen door middel van een arbitragebeding.
c) Schriftelijke opmerkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen
De Commissie betwijfelt of het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is. De overeenkomst waarop dit verzoek is gebaseerd, wekt de indruk, enkel te zijn gesloten om het Hof van Justitie een uitspraak te ontlokken over het bestaan van eventuele materieelrechtelijke voorwaarden voor een toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap. Zij vindt het buitengewoon vreemd, dat handelaren in een schriftelijke overeenkomst de vergoeding van onkosten welke bij de uitvoering van een opdracht zijn gemaakt, met zoveel woorden laten afhangen van de vraag of er juridische hindernissen bestaan voor de toetreding van nieuwe Europese staten tot de Europese Economische Gemeenschap, en onmiddellijk nadien bepalen dat deze vraag moet worden uitgemaakt door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Men kan zich dus met recht afvragen of het de partijen in het hoofdgeding werkelijk gaat om de vergoeding van de betrokken onkosten, of dat zij enkel in abstracto duidelijkheid willen verkrijgen over een juridisch vraagstuk dat hun interessant lijkt. In het laatste geval is er waarschijnlijk geen sprake van een geding, zoals in artikel 177 EEG-Verdrag wordt voorondersteld.
Daar de derde vraag noch de uitlegging van het gemeenschapsrecht noch de geldigheid van een handeling van de gemeenschapsinstellingen betreft, is zij duidelijk niet-ontvankelijk.
De Commissie is van mening dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord.
Voordat kan worden onderhandeld over de toetreding, moet de verzoekende staat vanuit materieelrechtelijk oogpunt twee voorwaarden vervullen: enerzijds moet het een Europese staat zijn, anderzijds moet het grondwettelijke stelsel van deze staat een pluralistische democratie vormen, welker structuur een vertegenwoordiging van de onderscheiden politieke opvattingen, alsmede de voor de bescherming van de mensenrechten noodzakelijke procedures garandeert. De Commissie verwijst in dit verband naar haar adviezen ter gelegenheid van de eerste uitbreiding van de Gemeenschap en naar de „Verklaring over de democratie” welke de Europese Raad op 4 en 5 april 1978 te Kopenhagen aanvaardde (hiervoor genoemd).
Bij de eerste uitbreiding van de Gemeenschap is men uitgegaan van het beginsel dat de staten die willen toetreden, het „acquis communautaire” in zijn geheel moeten aanvaarden. Ontegenzeglijk doet een verdere toename van het aantal Lid-Staten eveneens problemen van kwalitatieve aard rijzen. In dit verband verwijst de Commissie naar haar mededeling met betrekking tot de „Overgangsperiode en institutionele consequenties van de uitbreiding” van 24 april 1978, COM (78) 190 def. Het begrip „aanpassingen” in artikel 237, tweede alinea, EEG-Verdrag, moet aldus worden uitgelegd, dat, waar nodig voor de verwezenlijking van de toetreding van een Europese staat, ook wijzigingen in het Verdrag kunnen worden aangebracht die verder gaan dan de louter technische aanpassing welke bij de eerste uitbreiding heeft plaatsgevonden.
Met betrekking tot de door het Hof gestelde vraag is de Commissie van mening dat de partijen in de litigieuze clausule de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag op het oog hadden, welke alleen is onderworpen aan de in dit artikel opgenomen voorwaarden.
Zelfs indien men aanneemt dat de betrokken clausule ten doel heeft de nationale rechter te binden, kan toch niet worden gesproken van een schending van de communautaire openbare orde. Het is partijen stellig in het algemeen verboden in een privaatrechtelijke clausule de rechterlijke instanties voor te schrijven, hoe zij ten aanzien van de procedure moeten handelen.
Anderzijds is het niet mogelijk partijen te verbieden hun wensen met betrekking tot de te volgen procedure kenbaar te maken. Naar de mening van de Commissie heeft het Amtsgericht Essen de clausule in de voorlaatste alinea van de overeenkomst van 1 augustus 1977 schijnbaar slechts als een suggestie opgevat. De rechter had zijn beslissing reeds kunnen nemen op de grondslag van het in de voorlaatste alinea (tweede zin) vastgelegde opzeggingsrecht.
Samenvattend stelt de Commissie voor:
de derde vraag niet-ontvankelijk te verklaren;
zo het Hof van Justitie het verzoek om een prejudiciële beslissing voor het overige ontvankelijk mocht achten, de eerste en de tweede vraag als volgt te beantwoorden:
1. Artikel 237 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het, afgezien van de daarin gestelde vereisten van een verzoek en toestemming, de toetreding van een staat tot de Europese Gemeenschap slechts toelaat: indien het een Europese staat betreft; indien de grondwettelijke structuur van deze staat het functioneren en de handhaving van een pluralistische democratie alsmede een effectieve bescherming van de mensenrechten waarborgt. 2. De materieelrechtelijke voorwaarden die een Lid-Staat buiten de onder punt 1. vermelde nog moet vervullen om lid te kunnen worden van de Europese Economische Gemeenschap worden geregeld in het in artikel 237, tweede alinea, bedoelde akkoord tussen de Lid-Staten en de staat die het verzoek indient. Overeenkomstig deze bepaling zijn de staten die deelnemen aan de onderhandelingen over de voorwaarden van het toetredingsakkoord, slechts aan de volgende beperkingen gebonden: a) de afwijkingen welke zij willen aanbrengen in het EEG-Verdrag en in het van dit Verdrag afgeleide recht, kunnen slechts een overgangskarakter hebben, dat wil zeggen moeten naar tijdsduur beperkt zijn, b) zij kunnen slechts aanpassingen in het EEG-Verdrag aanbrengen voor zover dit noodzakelijk blijkt op grond van de toetreding, c) bij de aanpassingen in het EEG-Verdrag en het afgeleide recht mogen zij niet afwijken van de beginselen van de Europese Economische Gemeenschap.
III — Mondelinge behandeling
Overwegende dat verweerster in het hoofdgeding en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 3 oktober 1978 mondelinge opmerkingen hebben gemaakt;
Overwegende dat het Hof op 17 oktober 1978 een brief van het Amtsgericht Essen heeft ontvangen waarin „ter verduidelijking wordt gesteld dat het Amtsgericht de derde zin van de laatste alinea van de overeenkomst tussen partijen van 1 augustus 1977 slechts als een suggestie van partijen heeft opgevat en dat het zich daaraan niet gebonden achtte, maar de zaak op grond van zijn eigen overwegingen en een zelfstandige analyse van de voorwaarden van artikel 177 EEG-Verdrag heeft verwezen”;
Overwegende dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 oktober 1978 conclusie heeft genomen;
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat het Amtsgericht Essen bij beschikking van 23 maart 1978, ingekomen ten Hove op 14 april 1978, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag het Hof van Justitie drie prejudiciële vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 237 EEG-Verdrag, ten einde te vernemen of de toetreding binnen afzienbare tijd van Spanje, Portugal en Griekenland tot de Europese Gemeenschappen op gemeenschapsrechtelijke gronden onmogelijk is;
Overwegende dat de vragen voortvloeien uit een overeenkomst waarbij Mattheus, verzoeker in het hoofdgeding, zich verbond om voor de onderneming Doego in Spanje en Portugal marktstudies voor bepaalde landbouwprodukten te verrichten;
dat de slotbepalingen van deze overeenkomst luiden als volgt:
„Deze overeenkomst geldt voor vijf jaar vast. Doego heeft het recht de overeenkomst op te zeggen ingeval de toetreding, feitelijk of rechtens, onuitvoerbaar zou blijken. Terzake van de vraag van de onuitvoerbaarheid rechtens is het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen beslissend. Ingeval van rechtmatige opzegging der overeenkomst verliest de opdrachtnemer zijn recht op kostenvergoeding.
Bij geschillen is de rechter te Essen bevoegd”;
dat Doego de overeenkomst met een beroep op de genoemde bepaling heeft opgezegd, waarna Mattheus hem voor het Amtsgericht daagde ten einde vergoeding van zijn kosten te verkrijgen;
dat het Amtsgericht vervolgens aan het Hof van Justitie de volgende vragen heeft voorgelegd:
a)„ dient artikel 237 EEG-Verdrag alleen of in samenhang met andere bepalingen van het EEG-Verdrag aldus te worden verstaan dat het buiten de formele in artikel 237 genoemde voorwaarden ook nog materieelrechtelijke grenzen voor een toetreding van derde staten tot de Europese Gemeenschappen bevat?
b)welke zijn die grenzen?
c)is bijgevolg de toetreding van Spanje, Portugal en Griekenland tot de Europese Gemeenschappen op gemeenschapsrechtelijke gronden binnen afzienbare tijd niet mogelijk?”;
Ten aanzien van de procedure
Overwegende dat artikel 177, eerste alinea, EEG-Verdrag, bepaalt: „Het Hof van Justitie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen … over de uitlegging van dit Verdrag …”;
dat de tweede alinea van dit artikel luidt: „Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken, over deze vraag een uitspraak te doen”;
dat deze dwingend voorgeschreven bevoegdheidsverdeling niet mag worden gewijzigd, en de uitoefening van deze bevoegdheden niet mag worden belemmerd, met name door overeenkomsten tussen particulieren die ertoe zouden strekken de rechterlijke instanties van de Lid-Staten te verplichten om een prejudiciële beslissing te verzoeken, waardoor zij de hun in artikel 177, tweede alinea, toegekende beoordelingsbevoegdheid niet meer onafhankelijk zouden kunnen uitoefenen;
Overwegende dat de aan de procedure ten grondslag liggende feiten de vraag doen rijzen of een clausule als die welke voorkomt in de overeenkomst tussen partijen in het hoofdgeding, die heeft geleid tot het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, en volgens welke de rechtmatigheid van de opzegging van de overeenkomst afhankelijk is gesteld van een uitspraak van het Hof van Justitie, niet wegens onverenigbaarheid met de genoemde bepaling nietig is;
dat evenwel een dergelijke vraag niet door de nationale rechter is gesteld en dat het op grond van de navolgende overwegingen niet nodig is dat het Hof zich ten deze ambtshalve uitspreekt;
Ten aanzien van de vragen
Overwegende dat artikel 237, eerste alinea, EEG-Verdrag, bepaalt: „Elke Europese staat kan verzoeken lid te worden van de Gemeenschap. Hij richt zijn verzoek tot de Raad, die, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen, met eenparigheid van stemmen beslist”;
dat de tweede alinea van dit artikel luidt: „Die voorwaarden voor de toelating en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van dit Verdrag vormen het onderwerp van een akkoord tussen de Lid-Staten en de staat die het verzoek indient. Dit akkoord moet door alle contracterende staten worden bekrachtigd, overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen”;
dat deze bepalingen voor de toelating van nieuwe Lid-Staten een nauwkeurig omlijnde procedure vastleggen, waarbij de voorwaarden voor de toelating moeten worden uitgewerkt door de in het artikel zelf genoemde autoriteiten;
dat derhalve de juridische voorwaarden voor een dergelijke toetreding nog moeten worden vastgesteld in het kader van deze procedure, zonder dat het mogelijk is de inhoud ervan vooraf door tussenkomst van de rechter vast te stellen;
dat het Hof van Justitie zich dan ook niet in het kader van een procedure krachtens artikel 177 kan uitspreken over vorm of inhoud van de eventueel vast te stellen voorwaarden;
dat het zich derhalve onbevoegd moet verklaren de vragen van het Amtsgericht te beantwoorden;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;
dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Amtsgericht Essen bij beschikking van 23 maart 1978 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Het Hof van Justitie is niet bevoegd de vragen van de nationale rechter te beantwoorden.
Voetnoten
- 1Advies van de Commissie van 29. 9. 1967, COM (67) 750 en advies van 1. 10. 1969, Bulletin EG, nr. 9-10/69, Supplement.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo ColomerC-284/0304.05.2004