ARREST
De feiten
De feiten en de schriftelijk voorgedragen argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
Bij artikel 22, lid 1b, van de Franse loi de finances 1976, nr. 75-1278 van 30 december 1975 (Journal Officiel de la République Française van 31 december 1975, blz. 13564), is een heffing op het gebruik van reprografische apparatuur ingevoerd, waarvan de opbrengst, onder aftrek van 5 % voor de douane, gaat naar het Centre national des lettres, dat daarmede in Frankrijk, met name op wetenschappelijk gebied, scheppend letterkundig werk subsidieert. Volgens de toelichtingen van de Franse overheid, zou de opbrengst met name dienen om de aankoop van nieuwe tijdschriften en boeken en de vertaling van buitenlandse werken te financieren.
Volgens lid 2b van de hierbedoelde bepaling, is de heffing verschuldigd over de verkopen en leveringen als zodanig — anders dan voor export — van reprografische apparatuur, door ondernemingen die die apparatuur in Frankrijk hebben vervaardigd of doen vervaardigen, alsook over zulke, door importbedrijven ingevoerde apparaten.
Eveneens volgens lid 2b werd deze 3 % bedragende heffing op dezelfde wijze omgeslagen, berekend en geïnd als de belasting over de toegevoegde waarde. De inning is geregeld in een decreet nr. 76-514 van 11 juni 1976 (JORF van 13 juni 1976, blz. 3572) en in een besluit van 12 juli 1976 (JORF van 17 juli 1976, blz. 4279).
In hetzelfde artikel 22 van wet nr. 75-1278 is onder meer een heffing van 0,20 % op de uitgave van bepaalde boekwerken, door de uitgevers te voldoen over de werken, anders dan voor export door hen uitgegeven, ingesteld.
De Commissie is van mening dat de heffing over de importen der hierbedoelde apparaten, voor zover van herkomst uit de andere Lid-Staten, als een in de artikelen 9 en volgende van het EEG-Verdrag verboden heffing van gelijke werking als een douanerecht is te beschouwen en zich, voor zover het om importen uit derde landen gaat, niet verdraagt met artikel 113 van het Verdrag en het gemeenschappelijk douanetarief; bij brief van 1 augustus 1977 heeft zij de regering van de Franse Republiek van deze zienswijze in kennis gesteld en haar de gelegenheid geboden te dezen haar opmerkingen te maken.
In haar antwoord van 22 november 1977 heeft de Franse regering erop gewezen dat de omstreden heffing een tweeledige doelstelling heeft: creatief werk van intellectuelen te steunen en het recht van de auteur, ernstig bedreigd door de uitbreiding der reprografie die voor de traditionele verspreiding der boeken in de plaats treedt, in volle omvang te beschermen; vervolgens heeft zij betoogd dat de omstreden heffing, die in het land zelf gefabriceerde in ingevorde produkten gelijkelijk treft, niet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht is te beschouwen. Dat de inning dier heffing, voor zover het om ingevoerde apparaten gaat, aan de douane is toevertrouwd, zou niet ter zake doen.
De Commissie heeft bij haar standpunt volhard en de Franse Republiek een met redenen omkleed advies de dato 28 juli 1978 doen toekomen, waarin wordt vastgesteld dat „de Franse regering, door haar heffing op reprografische apparatuur, de verplichtingen niet is nagekomen, welke op haar rusten krachtens artikel 12 van het EEG-Verdrag, verordening nr. 950/68 van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief en artikel 113 van het EEG-Verdrag”; tevens werd de regering in overweging gegeven binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen te nemen teneinde zich naar het advies te gedragen. De Commissie heeft met name betoogd dat de produktie van de hierbedoelde waar in Frankrijk onbetekenend is, zodat de heffing „vrijwel uitsluitend ingevoerde produkten” treft, terwijl die heffing anderzijds een zo specifiek karakter zou dragen, dat zij niet kan worden geacht deel uit te maken van een algemeen systeem van binnenlandse belastingen.
Ook de regering van de Franse Republiek heeft haar standpunt gehandhaafd — en in een mededeling van 28 september 1978 nogmaals uiteengezet. Na eraan te hebben herinnerd dat de door het in zwang komen der reprografie bedreigde auteursrechten bescherming behoeven en na erop te hebben gewezen dat de Commissie zelf voorstellen heeft gedaan teneinde op communautair niveau te komen tot een soortgelijke maatregel als zij thans wraakt, heeft de Franse regering betoogd dat de omstreden heffing gelijkelijk nationale en ingevoerde produkten treft en dat de nationale produktie geenszins te verwaarlozen is: de omstreden belastingopbrengst zou voor 8 % worden gedragen door in Frankrijk gefabriceerde apparaten. Anderzijds zou het feit dat deze bestemmingsheffing aan het Centre national des lettres ten goede moet komen, niet wegnemen dat dit Centre de bibliotheken daadwerkelijk in staat kan stellen buitenlandse boeken zo goed als in Frankrijk uitgegeven boeken aan te kopen.
Op grond van een en ander heeft de Commissie zich, bij beroepschrift van 5 juni 1979, krachtens artikel 169 van het EEG-Verdrag tot het Hof van Justitie gewend, ter vaststelling van de gestelde niet-nakoming van gemennschapsrechtelijke verplichtingen.
Op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het Hof heeft partijen evenwel verzocht om, zo mogelijk in gemeen overleg, de statistieken betreffende de Franse produktie en invoer van de omstreden reprografische apparatuur, toe te lichten.
II — Conclusies van partijen
Verzoekster heeft geconcludeerd dat het den Hove behage:
1. te verstaan dat de Franse Republiek, door haar heffing op de invoer van reprografische apparatuur, in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen, op haar rustende krachtens artikel 12 van het EEG-Verdrag, verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief, zoals nader gewijzigd, en artikel 113 van het EEG-Verdrag;
2. de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
Verweerster heeft geconcludeerd dat het den Hove behage:
1. het beroep te verwerpen;
2. de Commissie in de kosten te verwijzen.
III — Argumenten van partijen
A — Het verzoekschrift
De Commissie wijst erop dat volgens 's Hofs jurisprudentie elke eenzijdig opgelegde geldelijke last, hoe gering ook en ongeacht naam, technische verwezenlijking, doel of bestemming, bij of vanwege grensoverschrijding op ingevoerde produkten gelegd zonder dat er van een douanerecht stricto sensu sprake is, is te beschouwen als een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9, 12 en 13 van het Verdrag, ook wanneer de heffing niet ten profijte van de staat plaatsvindt en niet discriminerend of beschermend werkt en/of het ingevoerde produkt niet met een nationale produktie concurreert.
Dit zou slechts anders zijn wanneer zulk een last:
enerzijds de contraprestatie blijkt te zijn voor een aan de importeur daadwerkelijk bewezen dienst en het bedrag aan de waarde van de dienst en de ermee gemoeide kosten geëvenredigd is (arrest op 11 oktober 1973 gewezen in de zaak 39/73, Rewe, Jurispr. 1039);
anderzijds deel uitmaakt van een algemeen systeem van binnenlandse belastingen waardoor ingevoerde en soortgelijke of vergelijkbare nationale produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen (arrest, op 14 december 1972 gewezen in de zaak 29/72, Marimex, Jurispr. 1309).
Maar ook al behoort een belasting tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen dat ingevoerde en nationale produkten volgens dezelfde criteria treft, dan nog kan er sprake zijn van een heffing van gelijke werking als een invoerrecht, namelijk wanneer zij uitsluitend blijkt te zijn bestemd ter bekostiging van activiteiten die in hoofdzaak alleen aan de nationale produkten ten goede komen, hetgeen op compensatie van de opgelegde last neerkomt, in welk geval zulk een belasting slechts in schijn tot een systeem van binnenlandse belastingen moet worden gerekend (arresten op 19 juni 1973, 18 juni 1975 en 25 mei 1977 onderscheidenlijk gewezen in de zaken 77/72, Capolongo, Jurispr. 1973, blz. 611, 94/74, IGAV, Jurispr. 1975, blz. 699 en 77/76, Cucchi, Jurispr. 1977, blz. 987).
Volgens de Commissie is bij niet in Frankrijk vervaardigde reprografische apparatuur, naar luid van artikel 22 van de Loi de finances, de invoer voor de heffing doorslaggevend, ofschoon zij geenszins als de tegenprestatie voor een bewezen dienst is te beschouwen. Aan de beide eerste voorwaarden, in voormelde jurisprudentie gesteld, zou dus zijn voldaan.
Geconfronteerd met de vraag of bedoelde heffing niet als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 van het Verdrag is te beschouwen, heeft de Commissie toegegeven dat zij er, van een abstract en strikt juridisch standpunt bezien, in ieder opzicht uitziet als een binnenlandse belasting welke nationale en ingevoerde produkten stelselmatig en gelijkelijk treft. De werkelijkheid zou er echer anders uitzien. Volgens de Commissie zou de produktie van reprografische apparatuur in Frankrijk te verwaarlozen zijn. Volgens officiële statistieken betreffende de importen en officiële industriële statistieken betreffende de Franse produktie, zou de in Frankrijk geproduceerde reprografische apparatuur een waarde vertegenwoordigen van 1 à 1,5 % van alle verhandelde apparatuur. En zou men, zoals door de Commissie bepleit, deze gegevens corrigeren in dier voege dat er rekening wordt gehouden met het feit dat de invoercijfers de bij inklaring opgegeven waarde betreffen, terwijl de cijfers betreffende de nationale produktie berusten op de aan de koper (grossier of consument) berekende verkoopprijzen, dan zou het percentage van de nationale produktie dalen tot 0,33 %. Gezien de economische gevolgen, zou de omstreden heffing als een echte invoerheffing zijn te beschouwen en niet als een technische modaliteit van de heffing van een binnenlandse belasting als in artikel 95 van het Verdrag bedoeld.
Ongetwijfeld zal in aanmerking moeten worden genomen dat een heffing op zulke produkten, ook bij afwezigheid van soortgelijke nationale produkten, als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 is te beschouwen, wanneer zij deel uitmaken van een „algemene binnenlandse belasting” (arrest, op 1 juli 1969 gewezen in de zaak 24/68, Commissie t. Italiaanse Republiek, Jurispr. 1969, blz. 193).
Aan die voorwaarde is evenwel volgens de Commissie in casu niet voldaan, omdat de omstreden heffing buiten de algemene belastingregeling om, werd ingevoerd teneinde in het kader van het cultureel beleid een specifiek project te kunnen financieren. Het komt er in feite op neer dat de financiering van een beleid dat noodzakelijkerwijze aan de grote meerderheid der nationale ondernemers ten goede komt, uitsluitend op de importen wordt afgewenteld. Haar technische presentatie ten spijt zou de omstreden heffing, gezien haar gevolgen, in werkelijkheid als een importbelasting zijn te beschouwen. En voor de vraag hoe een door de nationale overheid toegepaste belasting, getoetst aan de artikelen 12 casu quo 95 van het Verdrag, moet worden gekwalificeerd, zou dit effect de doorslag geven.
Voorts wijst de Commissie erop dat het door de regering nagestreefde doel, bij alle waardering die het verdient, een heffing van gelijke werking niet kan doen ontkomen aan het verbod van artikel 12 en er ook niet toe kan leiden dat de kwalificatie van zodanige heffing zou moeten worden gewijzigd.
Zelfs indien men — quod non — het nagestreefde doel in aanmerking zou mogen nemen, dan nog zou het een onvoldoende grond opleveren om de kwalificatie van de omstreden heffing te wijzigen of die heffing te rechtvaardigen. Anders dan de Franse regering stelt, is de omstreden maatregel niet van auteursrechtelijke aard, immers de auteursrechtelijke rechtmatigheid van de vermenigvuldiging is niet aan de orde en het vraagstuk der auteursrechten wordt in geen enkel opzicht tot oplossing gebracht. Integendeel, blijkens de voorbereidende werkzaamheden heeft men de nodige middelen willen bijeenbrengen om, zonder een beroep te doen op de algemene middelen, een cultureel project — boekpromotie — te financieren.
De Commissie concludeert dat de Franse Republiek door invoering van de omstreden heffing, de artikelen 12 en 113 van het Verdrag en de bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief heeft geschonden.
B — Verweerschrift
De Franse Republiek acht het nuttig allereerst stil te staan bij de elementen van het gewraakte systeem en de redenering welke rechtens aan de voorgedragen grieven ten grondslag ligt, toe te lichten.
a) De opbrengst van de omstreden heffing gaat in zijn geheel naar het Centre national des lettres, welks werkzaamheid op het terrein van de „lecture publique” het beleid van het Ministère de la culture aanvult. In het leven geroepen bij de wet van 11 oktober 1946, zoals aangevuld bij het decreet van 30 januari 1976, heeft het Centre national des lettres tot taak de schrijverswerkzaamheid en de verspreiding van het boek te stimuleren, met name door het bestellen van buitenlandse èn Franse boeken door bibliotheken en culturele instellingen te subsidiëren en de auteurs rechtstreeks te steunen, voornamelijk door de verlening van beurzen, waardoor ongeveer 10 % van zijn activiteiten in beslag wordt genomen. De wet heeft noch het Ministère de la culture noch het Centre national des lettres voorwaarden gesteld met betrekking tot de wijze van besteding van de opbrengst der heffing. Gezien de ontwikkeling van de reprografie, die de tot de boekensector behorende beroepen in gevaar brengt, heeft men gemeend bedoelde industrie aan de financiering van het culturele beleid in deze sector te moeten doen bijdragen. Volgens de wet van 11 maart 1957 op het auteursrecht zijn, overeenkomstig de Conventie van Bern, alleen kopieën voor privégebruik van de betaling van auteursrechten vrijgesteld. Maar alom komt de reprografie voor de traditionele verspreiding van boeken en tijdschriften in de plaats, waarmede aan de rechten van auteurs en uitgevers ernstig afbreuk wordt gedaan. Op grond van een en ander betoogt de Franse regering dat de heffing op het gebruik van reprografische apparatuur door de staat gelijk op met alle andere belastingen wordt geïnd en dat de belastingopbrengst op de nationale begroting wordt verantwoord. Alleen de bijzondere administratieve structuur van de Franse culturele sector zou het nodig hebben gemaakt voor deze belasting een „compte spécial du Trésor” te openen, waardoor een comptabele bestemmingsmogelijkheid wordt geboden. De heffing gaat evenwel niet naar een bijzondere bestemming en de opbrengst dient zonder meer te worden opgeteld bij de verdere inkomsten waaruit het Centre national des lettres zijn gezamenlijke uitgaven bekostigt. De Franse regering wijst erop dat alle onder de heffing vallende apparaten, ongeacht hun oorsprong, in Frankrijk worden verhandeld en dat de inning precies dezelfde is als die van de belasting op de toegevoegde waarde, met dien verstande dat de heffing, overeenkomstig decreet nr. 76-514 van 11 juni 1976, slechts het stadium an de eerste verhandeling in Frankrijk treft.
b) Overgaande tot bespreking van de vraag hoe de heffing op de reprografische apparatuur, getoetst aan het gemeenschapsrecht, dient te worden beoordeeld, maakt de Franse regering allereerst bezwaar tegen de wijze waarop de Commissie deze kwestie benadert: zij zou een aantal grieven hebben voorgedragen, zonder tot een afsluitend betoog, zonder onduidelijkheden en contradicties, te komen. Met name zou het niet aangaan te stellen dat de heffing vanwege het feit dat de invoer voor haar toepassing „doorslaggevend” zou zijn, als een heffing van gelijke werking zou moeten worden aangemerkt, hetgeen op een causaal verband tussen grensoverschrijding en heffing zou neerkomen. Die pretense causaliteit wil niets zeggen; het eigenlijke probleem is of de heffing nationale en ingevoerde produkten gelijkelijk treft, in welk geval zij onder artikel 95 zou vallen. In het arrest, op 22 maart 1977 gewezen in de zaak 74/76 (Iannelli, Jurispr. 1977, blz. 557) zou het Hof van Justitie duidelijk hebben doen uitkomen dat het tijdstip van heffing niet ter zake doet en dat het er maar om gaat of het enkele feit van grensoverschrijding tot de heffing leidt, hetgeen uitsluit dat er met betrekking tot het nationale produkt van eenzelfde belasting mag worden gesproken.
Anderzijds is de Commissie, na te hebben erkend dat de omstreden heffing er, van een abstract standpunt bezien, als een binnenlandse belasting uitziet, komen aandragen met twee omstandigheden waardoor die schijn zou worden gelogenstraft, namelijk met de omstandigheid dat de Franse produktie te verwaarlozen zou zijn en met het gebruik van de opbrengst der heffing. Evenwel zou de Commissie hebben erkend dat het eerste argument volgens 's Hofs jurisprudentie niet de doorslag geeft, terwijl zij zich met haar bezwaren tegen het feit dat de opbrengst der heffing wordt gebruikt voor een culturele werkzaamheid en niet zozeer wordt ingebracht in het systeem dat compensatie voor gederfde auteursrechten moet bieden, op politiek terrein begeeft en dat van de juridische appreciatie verlaat.
De Commissie wijdt een bespreking aan 's Hofs jurisprudentie, die haars inziens als volgt kan worden samengevat:
Een en dezelfde belasting kan in het systeem van het Verdrag niet tegelijkertijd behoren tot de heffingen van gelijke werking als een douanerecht en tot de binnenlandse belastingen als bedoeld in artikel 95; zijn eerstbedoelde heffingen zonder meer verboden, bij de heffing van binnenlandse belastingen mag er volgens artikel 95 alleen niet worden gediscrimineerd tussen nationale produkten en produkten die uit de andere Lid-Staten worden ingevoerd — en wel zulks ten nadele van laatstgenoemde produkten (arrest, op 22 maart 1977, gewezen in de zaak 78/76, Steinike & Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 595).
Deze maatstaf ligt geheel in de lijn van de tweeledigheid der regeling, en in het arrest, op 25 januari 1977 gewezen in de zaak 46/76 (Bauhuis, Jurispr. 1977, blz. 5) heeft het Hof het als volgt uitgewerkt: „Ongeacht benaming en structuur levert iedere eenzijdig opgelegde geldelijke last die wegens grensoverschrijding op nationale goederen wordt gelegd en geen douanerecht is in eigenlijke zin een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9, 12, 13 en 16 van het Verdrag op, zelfs wanneer deze last niet ten behoeve van de staat wordt geheven. Dit zou slechts anders zijn wanneer deze last de tegenprestatie vormt voor een aan de exporteur werkelijk verleende dienst en evenredig is aan de kosten daarvan, dan wel deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen waardoor nationale en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden belast”. Zoals het Hof in voormeld arrest nr. 78/76 (Steinike & Weinlig) nader overwoog, kan er, wanneer er alleen wegens grensoverschrijding over een produkt belasting moet worden betaald, van een gelijke belasting van in het land zelf vervaardigde produkten geen sprake zijn.
Nochtans kan een onder artikel 95 vallende heffing als een heffing van gelijke werking zijn aan te merken, wanneer zij, ofschoon nationale en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria treffend, „uitsluitend bestemd is voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen” (voormeld arrest 77/76, op 25 mei 1977 gewezen in de zaak- Cucchi).
Tenslotte zou blijkens het arrest, door het Hof op 22 maart 1977 gewezen in de zaak 74/76 (Iannelli, Jurispr. 1977, blz. 557) een heffing welke stelselmatig — en volgens dezelfde criteria — nationale en ingevoerde dan wel uitgevoerde produkten treft en als zodanig onder artikel 95 valt, alleen behoeven te voldoen aan het in dat artikel opgelegde discriminatieverbod. Dat een belasting of heffing door een ander overheidslichaam dan de staat — of ten profijte van de staat — wordt geïnd en als een speciale of bestemmingsheffing is aan te merken, kan haar niet aan artikel 95 doen ontkomen (r.o. nr. 19). Daarentegen is er van schending van artikel 95 niet slechts sprake wanneer het percentage van de belasting voor binnenlandse en ingevoerde produkten niet hetzelfde is, maar ook wanneer de belastinggrondslag en de uitvoeringsvoorschriften, de inning betreffende, verschillen.
Een en ander leidt de Franse regering met betrekking tot de omstreden heffing tot de navolgende opmerkingen:
Zij voldoet aan alle voorwaarden die moeten zijn vervuld, wil zij worden gerekend tot een algemeen systeem van binnenlandse belastingen. Zij is volgens dezelfde criteria op nationale en ingevoerde produkten van toepassing, immers het percentage van 3 °/o is uniform toepasselijk en zowel bij ingevoerde als bij nationale produkten is de belasting op de toegevoegde waarde de grondslag.
Het belastbare feit en het handelsstadium waarvoor de heffing geldt, zijn dezelfde als waarvan in de bepalingen betreffende de belasting op de toegevoegde waarde sprake is. In beginsel voldoet de omstreden heffing dan ook aan de voorwaarden die moeten zijn vervuld, wil zij onder artikel 95 van het Verdrag vallen, terwijl zij ook geen miskenning van het in dat artikel bepaalde zou inhouden.
Volgens de Franse regering dient nu te worden nagegaan of de beide door de Commissie ingeroepen omstandigheden ertoe kunnen leiden dat de omstreden heffing niet onder artikel 95, maar onder de artikelen 9 en 12 valt.
a) De vraag of een nationale produktie van reprografische apparatuur ontbreekt
In feite bestaat er volgens de Franse regering in Frankrijk wel degelijk een produktie van reprografische apparaten. Die produktie als „van betekenis” of „van geen betekenis” te kwalificeren zou, zo meent zij, tot willekeur leiden, omdat de drempel, die een nationale produktie niet mag overschrijden om als te verwaarlozen te worden aangemerkt, onmogelijk kan worden bepaald. In 1978 heeft de douane aan de hierbedoelde heffing een totaal bedrag van FF 21625000 en de Direction générale des impôts een bedrag van FF 1901082 geïnd, waarmede het aandeel der nationale produkten op 8 % komt te liggen en niet op het door de Commissie aangehouden onbetekenende percentage van 0,33 %.
Voorts is de lijst van reprografische apparaten waarvoor de heffing geldt, heterogeen, terwijl alleen bepaalde reprografische apparaten in Frankrijk worden vervaardigd. Wie wil nagaan of er van een nationale produktie mag worden gesproken, zal zich moeten houden aan produkten die zoal niet als vervangbaar, dan toch als concurrerend zijn aan te merken.
Rechtens gaat het erom of een Lid-Staat uit de Gemeenschap ingevoerde produkten mag belasten, wanneer er geen nationale produktie bestaat. Het Hof heeft onder bepaalde voorwaarden deze mogelijkheid met zoveel woorden erkend, met dien verstande dat zulk een belasting deel moet uitmaken van een algemeen systeem van binnenlandse belastingen (arresten, door het Hof op 4 april 1968 gewezen in de zaken 7/67, Wöhrmann, Jurispr. 1978, blz. 261 en 13/67, Becker, Jurispr. 1968, blz. 274; arrest, op 1 juli 1969 gewezen in de zaak 24/68, Commissie t. Italië, Jurispr. 1969, blz. 193; arrest op 1 juli 1969 gewezen in de zaken 2 en 3/69, Diamantarbeiders, Jurispr. 1969, blz. 211). Anders dan de Commissie stelt, is het geen uitzondering dat er zulke belastingen worden geheven, terwijl het ook niet alleen om traditionele belastingen zou gaan; verweerster noemt een aantal voorbeelden, aan de praktijk der Lid-Staten ontleend.
Verweerster wijst er voorts op dat het, bij aan het verbruik gebonden fiscale heffingen, gerechtvaardigd is dat zij gelden voor alle op het betrokken grondgebied verbruikte produkten.
Op grond van haar kenmerken moet de omstreden heffing wel degelijk als een algemene binnenlandse belasting worden aangemerkt; zij is op precies dezelfde wijze als de andere inkomsten van de fiscus op de rijksbegroting aan te treffen; zij wordt toegepast op alle reprografische apparatuur die op het nationale grondgebied in gebruik wordt genomen, en op nationale en ingevoerde produkten wordt zij gelijkelijk toegepast, althans dit is mogelijk.
b) De besteding der heffing
De Franse regering merkt op dat een fiscale last die er als een binnenlandse belasting uitziet, volgens 's Hofs vaste jurisprudentie nochtans een heffing van gelijke werking kan zijn, wanneer zij uitsluitend bestemd is voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen, zodat de op het nationale produkt rustende last geheel of ten dele wordt gecompenseerd (arresten door het Hof op 18 juni 1975 en 22 maart 1977 onderscheidenlijk gewezen in de zaken 94/74, IGAV, Jurispr. 1975, blz. 711, en 78/76, Steinike & Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 595). Met betrekking tot de omstreden heffing is evenwel niet voldaan aan de voorwaarden waaronder deze jurisprudentie tot gelding moet komen, en de Franse regering heeft erop gewezen dat de Commissie ook niet gesteld heeft dat zij in casu toepassing zou moeten vinden. In feite bestaat er tussen de'belaste nationale produkten en het feit dat de heffing bestemd is voor het Centre national des lettres, geen enkel verband; voor de last welke deze nationale produkten te dragen krijgen, wordt noch geheel noch ten dele compensatie geboden. Integendeel, veeleer gaat er van de heffing in de praktijk een remmend effect uit, in dier voege dat Franse industrieën, gezien de sterke positie welke thans door buitenlandse ondernemingen op de markt wordt ingenomen, niet tot ontwikkeling kunnen komen.
Voorts is de heffing niet aan een bepaalde bestemming — bijzondere activiteiten — gebonden, maar maakt zij deel uit van de gezamenlijke overheidsinkomsten. Uit haar opbrengst wordt een openbare dienst gefinancierd, belast met traditionele overheidstaken, en in die rechtstoestand wordt door een originele administratieve structuur geen wijziging gebracht.
Het Centre national de lettres verdeelt kredieten over bibliotheken, die daarvan een zelfstandig gebruik maken, en de Commissie heeft in geen enkel geval gesteld dat er door deze bibliotheken bij de aankoop van boeken zou worden gediscrimineerd.
Als de Franse regering gemeend heeft de opbrengst der heffing niet te moeten aanwenden om daaruit, ten behoeve van betrokkenen, auteursrechten te betalen, dan liggen aan die handelwijze algemene beleidsoverwegingen ten grondslag, maar voor de vraag hoe de heffing, getoetst aan artikel 95, moet worden gekwalificeerd, speelt dit geen rol. Het komt er, wat dit artikel betreft, niet op aan of de heffing de auteurs een rechtstreeks of indirect of zelfs onbepaald voordeel verschaft, maar of er sprake is van een discriminerende handelwijze welke ertoe leidt dat artikel 95 op de omstreden heffing niet van toepassing is. Daarvan is evenwel geen sprake.
C — Conclusie van repliek
De Commissie maakt twee vooropmerkingen. De Franse regering heeft de juistheid van de statistische gegevens der Commissie, wat de aandelen van de nationale produktie en de importen betreft, niet weersproken, en zij heeft toegegeven dat de omstreden heffing systematisch geen deel uitmaakt van de Franse auteurswetgeving.
De heffing is niet bedoeld om de auteurs te belonen naar rato van de reproduktie der beschermde werken, maar om bepaalde aan het Centre national de lettres opgedragen taken te financieren. De Commissie betwist niet dat een toenemend gebruik van reprografische apparaten op het gebied van het auteursrecht ernstige problemen doet rijzen, maar deze materie is zo complex dat studies, sinds jaar en dag op wereldschaal ondernomen, niet tot convergerende conclusies hebben geleid.
Een en ander gaf de Commissie, alleen voor het auteursrecht, aanleiding om, in haar voormelde mededeling aan de Raad van 22 november 1977, als een der elementen die tot een globale oplossing van het algemeen probleem van het auteursrecht zouden kunnen leiden, te noemen: de opname „in de verkoopprijs van de apparaten (fotokopieermachines, banden videorecorders) en het materiaal (kopieerpapier, geluidsbanden) dat voor het gebruik daarvan nodig is, [van] een bepaald bedrag..., zodat „elke gebruiker... een forfaitaire vergoeding voor zijn toekomstig gebruik [zou] betalen ter dekking van het auteursrecht...”.
Gemeenschapsrechtelijk gaat het er echter alleen om of de omstreden heffing systematisch deel uitmaakt van de regeling van het auteursrecht, want alleen van het antwoord op die vraag hangt het af of de heffing deel uitmaakt van een systeem van binnenlandse belastingen. En dit is kennelijk niet het geval.
Vervolgens overgaande tot bespreking van de weren van de Franse regering, heeft de Commissie allereerst betoogd dat het geschil dat partijen in dit geding verdeeld houdt, niet tot oplossing kan worden gebracht zonder dat de vraag aan de orde komt of er al dan niet van een nationale produktie mag worden gesproken. Want een eenzijdig opgelegde belasting, die in wezen alleen de importen treft en op buitenlandse waren bij grensoverschrijding wordt toegepast, is een heffing van gelijke werking als een douanerecht.
Ter weerlegging van de stelling van de Franse regering, volgens welke het niet ter zake zou doen of er van een nationale produktie sprake is, meent de Commissie de in artikel 95 van het EEG-Verdrag gebezigde term binnenlandse belasting te moeten analyseren.
a)Ofschoon er geen uitputtende definitie van die term bestaat, is zij door het Hof geëxpliciteerd met behulp van de term „algemeen stelsel van binnenlandse heffingen” (arrest, op 25 januari 1977 gewezen in de zaak 46/76, Baubuis, Jurispr. 1977, biz. 5) casu quo „binnenlandse belastingen” (arrest, op 22 maart 1977 gewezen in de zaak 74/76, Iannelli, Jurispr. 1977, blz. 557), en wel in die zin dat de belasting zonder onderscheid van toepassing is op alle groepen, in het land zelf vervaardigde of ingevoerde, produkten, zoals het geval is met de omzetbelasting die de inzet vormde van de zaak, waarin het Hof uitspraak deed op 4 april 1968 (31/67, Stier, Jurispr. 1968, blz. 347). Door het mogelijk te maken dat een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen ook geldt voor uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten, heeft men in artikel 95 voor evenwicht tussen ingevoerde en in het land zelf vervaardigde produkten willen zorgen; in het op 4 april 1968 in de zaak- Stier gewezen arrest heeft het Hof te dezen meer duidelijkheid willen scheppen door te overwegen dat „zulk een belasting, wanneer zij bij invoer wordt geheven, bestemd is om alle soorten produkten, ongeacht hun oorsprong, in fiscaal opzicht eenzelfde positie te doen innemen, zelfs wanneer zij geheven wordt op produkten welke niet met nationale produkten concurreren”.
b)Weliswaar heeft het Hof in het ar- rest-Bauhuis overwogen dat er van een binnenlandse belasting sprake is wanneer nationale en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, maar bij gebreke van een nationale produktie mag die voorwaarde niet zonder meer als vervuld worden beschouwd wanneer een nationaal belastingvoorschrift zulk een gelijke behandeling van invoer en een nationale produktie voorziet.
Door zulk een belastingtechniek wordt in feite het verbod van heffingen van gelijke werking omzeild, en het Hof heeft die praktijk uitdrukkelijk veroordeeld (arrest, op 1 juli 1969 gewezen in voormelde gevoegde zaken 2 en 3/69).
c)Deze opmerkingen gelden ook wanneer de nationale produktie, economisch gezien, te verwaarlozen is. Ware dit anders, dan zou een Lid-Staat door binnenlandse belastingen in te voeren voor sectoren waar een nationale produktie vrijwel ontbreekt, het beginsel van het vrije verkeer van goederen kunnen uithollen. Of de nationale produktie „te verwaarlozen” dan wel „onbetekenend” is, is derhalve voor de beoordeling van de omstreden heffing van wezenlijk belang.
d)Dat het volgens de Franse regering van willekeur getuigt van een te verwaarlozen produktie te spreken, is te verwonderlijker nu haar vertegenwoordiger op de zitting van de Senaat van 22 november 1975 juist dit argument heeft gebezigd om de invoering der heffing te rechtvaardigen. Blijkens de debatten werd de heffing met name met behulp van de importen berekend en zou zij in feite alleen voor de importen bedoeld zijn; hieruit spreekt de ware bedoeling van de nationale wetgeving.
Uit diezelfde debatten blijkt dat de Franse regering niet eerst aan een binnenlandse belasting — en aan het percentage dier belasting — heeft gedacht, om haar vervolgens ook voor de invoer te doen gelden, maar de omgekeerde weg heeft bewandeld. Enerzijds te rade gaand met de omvang van de importen van reprografische apparatuur en anderzijds met de inkomsten die zij behoefde, heeft de regering aanvankelijk de heffing bepaald op een percentage dat haar van de tevoren vastgestelde inkomsten verzekerde, om pas naderhand diezelfde belasting — met toepassing van hetzelfde percentage — ook te doen gelden voor de, naar zij wist vrijwel inexistente, Franse produktie.
e)Bovendien is de maatstaf ener „te verwaarlozen” of „onbetekenende” nationale produktie, geenszins willekeurig. Die maatstaf kan voor een bepaalde situatie worden uitgewerkt en ook buiten het gemeenschapsrecht, met name op het terrein van de mededinging, wordt ermee gewerkt. Kan deze maatstaf wel eens moeilijk te hanteren blijken, in casu is daarvan geen sprake, terwijl de rechter bovendien controle uitoefent op de wijze waarop ermee wordt gewerkt. In casu moet hantering van deze maatstaf leiden tot de conclusie dat de omstreden heffing niet als een binnenlandse belasting is te beschouwen.
De Commissie heeft gemeend haar betoog in dier voege te moeten aanvullen, dat de omstreden heffing, zelfs wanneer men buiten beschouwing laat of er een binnenlandse produktie bestaat, niet als een binnenlandse belasting kan worden aangemerkt.
Met name in aanmerking genomen hetgeen tijdens de parlementaire debatten werd verklaard, kan zij slechts vaststellen dat hier prima facie van een bijzondere invoerbelasting sprake is en dat niets erop wijst dat de heffing als een binnenlandse belasting zou zijn te beschouwen. De onderhavige casuspositie verschilt in zoverre ten duidelijkste van de feiten in de zaak 105/76, Interzuccberi, waarin het Hof uitspraak deed op 25 mei 1976 (Ju-rispr. 1977, blz. 1029) en waarvan klassieke parafiscale heffingen de inzet vormden. Bij een onderzoek naar de bestemming van de opbrengst der onderhavige heffing gaat het er niet om of een onbetwist binnenlandse belasting bij wijze van uitzondering als een heffing van gelijke werking is te beschouwen, maar of er redenen zijn om aan te nemen dat een heffing welke in hoofdzaak de import treft en derhalve prima facie als een heffing van gelijke werking als een douanerecht is te beschouwen, in aanmerking genomen het bijzondere legislatieve systeem dat tot haar invoering leidde, nochtans als een binnenlandse belasting kan worden aangemerkt.
Naar aanleiding van de voorbeelden van de Franse regering (belasting van automobielen in Lid-Staten die geen automobielen produceren; belasting van aardolieprodukten) merkt de Commissie op dat men in zoverre te doen heeft met klassieke binnenlandse belastingstelsels, die als zodanig niet alleen in de Lid-Staten van de Gemeenschap, doch in de meeste geïndustrialiseerde landen die een markteconomie kennen, zijn aanvaard.
Het doet aan de aard dier belastingen niet af dat men zich van staat tot staat van andere belastingtechnieken en heffingsmodaliteiten bedient, noch ook dat de opbrengsten mogelijkerwijze niet overal dezelfde bestemming krijgen. Precies hetzelfde zou trouwens gelden wanneer zulke heffingen zouden zijn geïntegreerd in een sinds jaar en dag bestand algemeen stelsel.
De Commissie is er zich van bewust dat zulke verschillen het intracommunautaire handelsverkeer kunnen benadelen, reden waarom zij overeenkomstig artikel 99 van het EEG-Verdrag bij de Raad voorstellen heeft ingediend, strekkende tot de vaststelling van richtlijnen, die tot harmonisatie van dit soort belastingen zouden moeten leiden; zij merkt evenwel op dat men geen met het Verdrag strijdige bepalingen zal kunnen harmoniseren; zulke bepalingen moeten worden afgeschaft.
D — Conclusie van dupliek
1. De feiten
a) De Franse regering weerspreekt allereerst de stelling der Commissie, volgens welke zij de door de Commissie aangedragen feiten niet zou hebben betwist. De diensten van de Commissie hebben de statistieken, wat betreft de reële gegevens betreffende de situatie van de Franse reprografische industrie, verkeerd geïnterpreteerd. De meest rechtstreekse en betrouwbare informatiebronnen waarover men met betrekking tot het werkelijk aandeel van de Franse produktie, met de importen van Frans materiaal vergeleken, beschikt, zijn te vinden in de boekhoudkundige bescheiden — van het Centre national des lettres — betreffende de opbrengsten van de heffing op reprografische apparatuur. Blijkens die bescheiden zijn er in 1978, bij de douane onderscheidenlijk bij de belastingdienst, te dezen bedragen binnengekomen van FF 21652046,53 respectievelijk FF 1900931,66. Het percentage van de Franse produktie zou dus 8,07 % van het totaal bedragen. Blijkens de gegevens betreffende het eerste halfjaar van 1979 zou het aandeel van de nationale produktie tot 8,79 % zijn gestegen.
b) De Franse regering is van mening dat haar statistische gegevens juist zijn en een samenhangend geheel vormen. Het verschil tussen de cijfers die erin zijn verwerkt en de meer bescheiden cijfers van het FIEE, waarvan de Commissie uitgaat, moet worden gezocht in de omstandigheid dat de Franse dochtermaatschappijen van buitenlandse fabrikanten van reprografisch materiaal op de lijst van de federatie niet vermeld zijn, terwijl zij, blijkens de verrichte recherches, als Franse ondernemingen de heffing aan de belastingdienst betalen.
c) Voor zover aan de Franse wetgever de toeleg werd toegeschreven het daarheen te leiden dat alleen ingevoerd materiaal wordt belast, dient men de verklaringen, door de Ministre de l'économie et des finances op 22 november 1975 voor de Senaat afgelegd, in het juiste verband te plaatsen. Niet alleen gaat het niet aan een redenering op te bouwen op uitlatingen, gedaan in de loop van een huishoudelijk debat tijdens hetwelk alle politiek verantwoordelijken er uiteraard op bedacht zijn de door hen voorgestane maatregelen, gezien de belangen van het land, in een zo gunstig mogelijk daglicht te stellen; bovendien had de Commissie dienen te herinneren aan het debat in zijn geheel, dat werd geopend door een lang betoog van de voorzitter van de Commission des affaires culturelles van de Senaat, gewijd aan het belang en het gewicht van een heffing op de reprografische apparatuur in een periode, waarin het fotokopiëren bliksemsnel tot ontwikkeling kwam. In bezwaren van fiscale aard vond de minister aanleiding tot een globaal overzicht, waarin op het belang der importen werd gewezen en werd aanvaard dat de heffing van 5 op 3 % werd teruggebracht.
d) De Franse regering blijft erbij dat het Franse stelsel overeenkomt met het systeem dat door de Commissie zelf is verdedigd, toen zij in haar mededeling aan de Raad van 22 november 1977, een reprografieheffing in overweging gaf. De onderhavige heffing treft apparaten precies zo als de belasting op de toegevoegde waarde en wordt derhalve in de verbruikersprijs doorberekend.
e) Voor zover de Commissie argumenten ontleent aan de voorwaarden bij het gebruik de heffing in acht te nemen, merkt de Franse regering op dat het standpunt van de Commissie, volgens welke het er gemeenschapsrechtelijk alleen om gaat of de omstreden heffing systematisch deel uitmaakt van de regeling van het auteursrecht — want alleen van het antwoord op die vraag zou afhangen of de heffing deel uitmaakt van een systeem van binnenlandse belastingen —, ten enen male onaanvaardbaar is, immers het cultureel beleid blijft aan de bevoegdheid der nationale overheden voorbehouden. In de mededeling van de Commissie van 22 november 1977 komen trouwens alleen maar heel vergaande doelstellingen ter sprake en ter inperking van bedoelde overheidsbevoegdheden kan er geen beroep op worden gedaan. Trouwens, het Centre national des lettres, dat de beschikking krijgt over de opbrengst dezer belasting, is ten duidelijkste een werktuig om de auteurs en uitgevers te hulp te komen, terwijl de subsidies van het Centre bestemd zijn om de aankoop van boeken door de bibliotheken, die zich naar eigen keus buitenlandse en Franse werken aanschaffen, te steunen.
2. De rechtselementen
De Franse regering meent haar verweerschrift op twee welbepaalde punten te moeten aanvullen: de maatstaf ener „te verwaarlozen” of „onbeduidende” nationale produktie en de term parafiscale last.
Met betrekking tot genoemd criterium, betoogt de regering dat deze termen in het Verdrag van Rome noch naar de letter noch „naar de geest” worden gebezigd en zij maakt er bezwaar tegen, dat de Commissie te dezen het mededingingsrecht ter sprake bracht.
Het Verdrag wil geen werkverdeling opleggen. Integendeel, verschillende bepalingen, zoals artikel 85, lid 3, zijn erop gericht nieuwe fabricageprocédés alle mogelijkheden te bieden en zelfs marginale sectoren in staat te stellen tot overleven.
De maatstaf ener „te verwaarlozen” of „onbetekenende” nationale produktie kan alleen willekeurig — en een bron van conflicten — zijn, wanneer zij in kwantitatieve zin wordt opgevat, dat wil zeggen een produktie op een bepaald moment, ongeacht de ontwikkelingsmogelijkheden, in beeld zou brengen. Moet de maatstaf in kwalitatieve zin opgevat, dan moet een onbepaald aantal factoren in aanmerking worden genomen; de kleine staten zijn dan in het nadeel en iedere produktie van betrekkelijk bescheiden betekenis is bij voorbaat veroordeeld.
De Franse regering maakt er ook bezwaar tegen dat de Commissie te dezen onderscheidt tussen klassieke belastingen en nieuwe belastingen; dit onderscheid zou zich tot tal van gemakkelijk te wijzigen interpretaties lenen en op een statische opvatting van het economisch leven berusten, waarin eenmaal verworven posities worden erkend en vernieuwingsfactoren geen rol mogen spelen.
Voor het begrip parafiscale last verwijst de Franse regering naar het arrest, op 22 maart 1977 gewezen in de zaak 78/76, Steinike & Weinlig, waarin ten duidelijkste tussen heffingen van gelijke werking als een douanerecht en binnenlandse belastingen wordt onderscheiden.
Gezien de definitie van een heffing van gelijke werking, door het Hof in dat arrest gegeven, heeft de Franse regering erop gewezen dat de heffing op reprografische apparatuur niet slechts ingevoerde produkten treft, maar onder dezelfde voorwaarden geldt voor produkten, in binnenland en buitenland vervaardigd. De heffing bevoordeelt de belaste nationale produkten geenszins, doch is te beschouwen als een instrument ter financiering van een breed opgezet boekpro-motiebeleid.
Nadat de conclusies waren gewisseld heeft het Hof partijen uitgenodigd om, zo mogelijk in gemeen overleg, nauwkeurige statistieken over te leggen betreffende de omvang van de nationale produktie van apparaten waarover de heffing op de reprografische apparatuur moet worden betaald, vergeleken met de importen van die apparaten, waarbij tussen de invoer uit Lid-Staten en de invoer uit derde landen ware te onderscheiden; partijen hebben aan die uitnodiging gevolg gegeven; hun brieven zijn op 30 september 1980 ter griffie ingeschreven.
Blijkens de overgelegde cijfers die, al naar het jaar, betrekking hebben op 90 % à 83 % van alle verkopen van reprografische apparatuur in Frankrijk, vertegenwoordigden de importen uit derde landen ongeveer 25 % van het totaal bedrag dier verkopen en die uit de Lid-Staten van de EEG ongeveer 75 %;
De Franse produktie vertegenwoordigde :
in 1977 FF 11768000 (1,2% van het totaal),
in 1978 FF 8982000 (0,9%),
in 1979 FF 13427000 (1,0 %).
IV — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 28 oktober 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Beschel, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door R. Collin, advocaat te Parijs, en door de Franse regering, vertegenwoordigd door G. Guillaume, Maître des Requêtes au Conseil d'Etat, directeur juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 4 december 1980 zijn conclusie genomen.
In rechte
Bij request, ter griffie van het Hof ingekomen op 5 juni 1979, is de Commissie van de Europese Gemeenschappen ' krachtens artikel 169 van het EEG-Verdrag in beroep gekomen; zij vordert een verklaring voor recht dat de Franse Republiek, door op de invoer van reprografische apparaten een heffing toe te passen, de verplichtingen niet is nagekomen welke op haar rusten krachtens de artikelen 12 en 113 van het Verdrag, alsook krachtens 's Raads verordening nr. 950/68 van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 172 van 1968, blz. 1), in de gewijzigde redactie geldende op de dag waarop het tot de Franse Republiek gericht met redenen omkleed advies werd uitgebracht.
Bij artikel 22 van de Franse loi des finances 1976, nr. 75-1278 van 30 december 1975 (Journal Officiel de la République Française van 31 december 1975, blz. 13564), is een belasting ingevoerd, genaamd reprografieheffing, die naar rato van 3 % wordt toegepast op verkopen en leveranties aan eigen bedrijf van niet voor export bestemde reprografische apparatuur door ondernemingen die bedoelde apparatuur in Frankrijk hebben vervaardigd of doen vervaardigen, alsook op de invoer van zulke apparaten. In een besluit van 12 juli 1976 (JORF van 17 juli 1976, blz. 4279) is de lijst opgesteld van de apparaten waarover de heffing moest worden voldaan; zij omvat bepaalde offsetdrukpersen, hectografen, stencilmachines, speciale fotografische apparaten voor het kopiëren van documenten, microlezers met reproduktieapparaat, fotokopieerapparaten, werkend met een optisch systeem, thermokopieerapparaten en fotokopieerapparaten voor contactdruk.
Bij artikel 22 van wet nr. 75-1278 is voorts een heffing van 0,20 % voorzien op de uitgave van boekwerken; zij komt ten laste van de uitgevers en betreft de verkoop, anders dan voor export, van alle door hen gepubliceerde werken.
De opbrengst van beide heffingen gaat, nog steeds volgens deze bepaling, in zijn geheel naar het Centre national des lettres en wordt verantwoord op een speciale rekening ten name van het „Fonds national du livre”. Deze opbrengsten komen bij de andere middelen van het Fonds — goeddeels subsidies —, voor het Centre national des lettres onder meer gebruikt voor het subsidiëren van de publikatie van aan kwalitatieve eisen voldoende werken, de aankoop van Franse en buitenlandse boeken door de bibliotheken en de vertaling van buitenlandse werken in het Frans. Tenslotte blijkt uit paragraaf II van hetzelfde artikel 22 dat deze heffingen worden omgeslagen, berekend en geïnd op dezelfde wijze als de belasting op de toegevoegde waarde.
Vaststaat dat, toen de reprografische procédés voor de vermenigvuldiging van gedrukte werken algemeen ingang vonden, niet slechts de auteurs, maar ook de uitgevers, verstoken bleven van geldelijke voordelen, die hun door de nationale wettelijke regelingen inzake het auteursrecht waren verzekerd. Naar de Commissie in haar mededeling in de Raad van 22 november 1977, getiteld „de communautaire actie in de culturele sector” (Bulletin van de Europese Gemeenschappen, Supplement 6/77, blz. 14) te kennen gaf, zou er haars inziens „om collectief ervoor te zorgen dat de auteurs, uitgevers en vertolkers krijgen waarop zij recht hebben... in de verkoopprijs van de apparaten (fotokopieermachines, band- en videorecorders) en het materiaal... dat voor het gebruik daarvan nodig is”, een bepaald bedrag moeten worden opgenomen.
Eveneens staat vast dat de omstreden heffingen niet rechtstreeks en individueel ten goede komen aan de auteurs en uitgevers wier werken aldus worden vermenigvuldigd. De Franse regering betoogt nochtans dat er in het feit dat de opbrengst van deze heffingen wordt besteed aan door het Centre national des lettres nagestreefde doeleinden zoals de verspreiding van het boek, een soort collectieve compensatie zou moeten worden gezocht, waardoor, zij het ten dele, de winstderving welke voor de auteurs en uitgevers uit het meer en meer in zwang komen der reprografie voortvloeit, zou worden gecorrigeerd.
De Commissie meende te moeten vaststellen dat de gehele Franse produktie van reprografische apparatuur, vergeleken met alle importen dier apparaten, bijzonder gering is en concludeerde dat de omstreden heffing in werkelijkheid alleen drukt op ingevoerde produkten, waardoor artikel 12 van het Verdrag, voor zover het gaat om reprografische apparaten van herkomst uit andere Lid-Staten, zou worden geschonden, hetgeen ook zou gelden voor artikel 113 van het Verdrag en, voor zover het om apparaten van herkomst uit derde landen gaat, voor de bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief.
De regering van de Franse Republiek stelt zich daarentegen op het standpunt dat de omstreden heffing niet een heffing van gelijke werking als een douanerecht is als bedoeld in de artikelen 9, 12 en 13, maar een binnenlandse belasting als bedoeld in artikel 95 van het Verdrag, die ook zou voldoen aan de eisen in die bepaling gesteld, volgens welke er niet mag worden gediscrimineerd ten nadele van uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten.
Blijkens de door partijen ten verzoeke van het Hof gemeenschappelijk verrichte recherches, die leidden tot uitkomsten waarmede zij zich akkoord verklaarden, vertegenwoordigt de nationale produktie van de verschillende reprografische apparaten maar een gering percentage, in de jaren 1977, 1978 en 1979 ten naaste bij 1 % van de waarde van hetgeen er in de jaren 1977, 1978 en 1979 telkens aan nationale én ingevoerde produkten op de Franse markt werd verhandeld.
Met betrekking tot de feitelijke vaststellingen waarop de Commissie haar standpunt baseert, zij opgemerkt dat voormeld percentage de gehele Franse produktie van reprografische apparaten betreft. In het besluit van 12 juli 1976 worden evenwel acht verschillende soorten apparaten opgesomd, zodat het, ofschoon partijen hieromtrent geen duidelijkheid konden verschaffen, niet uitgesloten is te achten dat bedoeld percentage voor bepaalde soorten van die apparaten hoger ligt.
De blijkbaar juiste vaststelling dat de Franse produktie, met de importen vergeleken, zelfs met in aanmerkingneming van voormeld voorbehoud uiterst beperkt is, rechtvaardigt evenwel niet de door de Commissie gemaakte gevolgtrekking dat de Franse Republiek bepaalde verplichtingen niet zou zijn nagekomen.
Blijkens 's Hofs vaste rechtspraak betreft het verbod van de artikelen 9, 12 en 13 van het Verdrag, wat de heffingen van gelijke werking betreft, iedere bij of vanwege invoer opgelegde belasting welke met name een ingevoerd produkt, met uitsluiting van een gelijksoortig nationaal produkt, treft en door wijziging van de kostprijs op het vrije verkeer van goederen uiteindelijk eenzelfde beperkende werking heeft als een douanerecht.
Het wezenlijke kenmerk waardoor een heffing van gelijke werking als een douanerecht zich van een binnenlandse belasting onderscheidt, is derhalve te zoeken in de omstandigheid dat bedoelde heffing uitsluitend het ingevoerde produkt als zodanig treft, terwijl een binnenlandse belasting ingevoerde en nationale produkten gelijkelijk treft.
Het Hof heeft evenwel erkend dat zelfs een last, op een uit een andere Lid-Staat ingevoerd produkt gelegd terwijl een gelijk of soortgelijk nationaal produkt ontbreekt, niet als een heffing van gelijke werking, maar als een binnenlandse belasting als bedoeld in artikel 95 van het Verdrag is te beschouwen, wanneer zij behoort tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong der produkten toegepaste criteria.
Uit een en ander blijkt dat, ook al moet in sommige gevallen een uiterst beperkte nationale produktie met de afwezigheid van zodanige produktie worden gelijkgesteld, als het er om gaat een last op ingevoerde produkten te kwalificeren, de omstreden heffing nochtans niet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht is te beschouwen. Daarvan is met name geen sprake wanneer zij behoort tot een algemeen systeem van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten volgens voormelde criteria stelselmatig worden getroffen.
Het Hof meent dat het er, gezien de bijzonderheden van de omstreden heffing, voor moet worden gehouden dat zij van zulk een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen deel uitmaakt. Dit volgt in de eerste plaats uit het feit dat de heffing is geïncorporeerd in een fiscale regeling welke haar oorsprong vond in de bres welke door het in zwang komen van het gebruik van reprografische apparatuur werd geslagen in de wettelijke stelsels waardoor de rechten van auteurs en uitgevers van boeken werden beschermd, regeling welke de gebruikers van zulke procédés, zij het indirect, een last oplegt waardoor compensatie wordt geboden voor die welke zij anders te dragen zouden hebben gekregen.
Het volgt in de tweede plaats uit de omstandigheid dat de omstreden heffing één geheel uitmaakt met een bij dezelfde binnenlandse regeling aan de uitgevers van boeken opgelegde heffing, alsook uit de omstandigheid dat er een aantal heel verschillende en in verschillende douanerubrieken ondergebrachte apparaten onder vallen, die evenwel juist gemeen hebben dat zij, afgezien van andere, meer specifieke gebruiksmogelijkheden, bestemd zijn om voor reprografische doeleinden te worden gebruikt.
Uit een en ander volgt dat de gestelde niet-nakoming van verplichtingen niet is komen vast te staan, zodat het beroep moet worden verworpen.
De kosten
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de kosten verwezen. Verzoekster is in het ongelijk gesteld, zodat zij in de kosten moet worden veroordeeld.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1. Verklaart het beroep ongegrond;
2. Verwijst verzoekster in de kosten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
7Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal Mischo200/8501.10.1986