ARREST
De feiten
De feiten, conclusiën en argumenten door partijen tijdens de schriftelijke behandeling voorgedragen, kunnen worden samengevat als volgt:
I — Feiten en schriftelijke behandeling
1. De reglementaire context
De zaak moet worden bezien in samenhang met de navolgende reglementaire context:
a) In zijn tot 31 maart 1979 gegolden hebbende redactie luidde artikel 63 van het Statuut van de ambtenaren als volgt: „De bezoldiging van de ambtenaar wordt uitgedrukt in Belgische franken. Zij wordt uitbetaald in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent. De bezoldiging, uitbetaald in een andere valuta dan de Belgische frank, wordt berekend op basis van de pariteiten zoals door het Internationale Monetaire Fonds aanvaard, die op 1 januari 1965 van kracht aren”. Volgens artikel 17 van bijlage VII van het Statuut, kan een ambtenaar verzoeken om overmaking — regelmatig of bij wijze van uitzondering — van een deel van zijn inkomsten naar een ander land dan waar hij zijn functie uitoefent. Zoals het tot 31 maart 1979 luidde, hield het vierde lid van het artikel in dat zulke overmakingen — door bemiddeling van de instelling waartoe hij behoort — geschiedden „tegen de officiële koers op de dag van overmaking”. Als „officiële koers” werd beschouwd de laatstelijk door het Internationale Monetaire Fonds aanvaarde pariteit — die sedert 1 november 1969 ongewijzigd was gebleven (hetgeen onder meer voor de Belgische frank, in verhouding tot de Duitse Mark een pariteit van 13,66 : 1 betekende). Sinds het internationale stelsel van vaste wisselkoersen, waarop bedoelde bepalingen berusten, in 1971 is verdwenen, weerspiegelen deze pariteiten min of meer de koopkracht van de betrokken valuta's, alsmede hun waarde op de wisselmarkt. De ambtenaren die overmakingen deden naar landen welker valuta hoger werd gewaardeerd dan volgens de aan het IMF opgegeven koersen het geval was, konden dus, als men denkt aan de overmakingen die op de gebruikelijke marktcondities geschieden, aanzienlijke koersvoordelen behalen. Volgens de vóór de 1 april 1979 bestaande rechtstoestand, moest de aanpassingscoëfficiënt van artikel 64 van het Statuut, die een afspiegeling vormt van de levensomstandigheden op de plaats van tewerkstelling van de betrokken ambtenaar, worden toegepast op de totale bezoldiging, met inbegrip van het gedeelte dat volgens artikel 17 van bijlage VII naar een ander land moet worden overgemaakt. Dit leidde tot een overeenkomstige stijging van de aanpassingscoëfficiënt voor ambtenaren, werkzaam in landen met een ten opzichte van de IMF-pariteiten gedevalueerde munteenheid, zoals Italië, het Verenigd Koninkrijk en Ierland, en tot een verlaging van die coëfficiënt voor ambtenaren met een ten opzichte van de IMF-pariteiten in waarde gestegen valuta. De pensioengerechtigden konden door deze regeling bijzondere voordelen behalen. Verklaarden zij zich metterwoon te vestigen in een land met gedevalueerde valuta, dan werd op hun pensioen in dat land volgens artikel 82, lid 1, van het Statuut de aanpassingscoëfficiënt toegepast. Artikel 45 van bijlage VIII van het Statuut bood hun de gelegenheid zich die pensioenen te doen uitbetalen in de sterke valuta van hun land van herkomst of van de zetel hunner instelling. Die situatie was door de advocaat-generaal Mayras in zijn conclusie in de zaak 28/74 (Gillet, Jurispr. 1975, blz. 478) aan de kaak gesteld. Reeds in 1974 diende de Commissie bij de Raad voorstellen in om de onvolkomenheden van de regelingen inzake de bezoldigingen en pensioenen, waartoe het verdwijnen van het internationale stelsel van vaste wisselkoersen had geleid, te verhelpen. De Raad heeft in zijn voorstel voor een verordening tot wijziging van het Statuut — de dato 13 juni 1974 (PB C 88, blz. 25) — een nieuwe versie van artikel 17, lid 4, van bijlage VII voorgesteld, luidende als volgt: „De in lid 2 en lid 3 hierboven bedoelde overmakingen geschieden op basis van de in artikel 63, laatste alinea, van het Statuut bedoelde pariteiten; op de over te maken bedragen wordt de coëfficiënt toegepast welke verkregen werd door deling van de aanpassingscoëfficiënt voor het land in welks valuta de overmaking geschiedt door de aanpassingscoëfficiënt welke is vastgesteld voor het land waarin de ambtenaar zijn standplaats heeft.” Op 1 april 1977 diende de Commissie bij de Raad een voorstel in "voor een verordening houdende invoering van de Europese rekeneenheid (ERE) in het Statuut (PB C 99, blz. 5), welk voorstel werd voorgelegd aan het Comité voor het Statuut — en door dat Comité werd verworpen. De Raad won het advies in van het Europees Parlement en het Hof van Justitie. Bij resolutie van 7 juli 1977 (PB C 183, blz. 55) keurde het Parlement het voorstel goed, akte nemende „van de toezeggingen van de Commissie dat haar voorstellen geenszins de reële waarde van de bezoldigingen, pensioenen en andere vergoedingen van het personeel zullen aantasten”. Tijdens de behandeling had het voor bestuursaangelegenheden bevoegde lid der Commissie, de heer Tugendhat, verklaard: „... het door de Commissie geschapen stelsel heeft ten doel tot financiële neutraliteit te geraken, en wij geloven dat het gelijkheid van koopkracht kan brengen.Wij willen bereiken dat een ambtenaar van de Commissie van een bepaalde rang, of hij nu te Brussel, te Luxemburg, te Londen of waar ook in de Gemeenschap werkt, precies dezelfde hoeveelheid goederen kan aankopen als een collega elders in de Gemeenschap... Het probleem der overmakingen baart ook de Commissie zorgen. Een voorstel tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren is thans in studie. Wij menen dat die wijziging niet later dan het onderhavig voorstel moet worden aangenomen, en ik meen dat er ook op dit punt enige bezorgdheid bestond”. Toen de Raad in 1978 niet was toegekomen aan de afdoening van het voorstel voor een verordening tot toepassing van de Europese rekeneenheid (ERE) op de besluiten van de instellingen der Gemeenschappen, door de Commissie op 6 oktober 1976 (PB C 271, blz. 5) bij de Raad ingediend, heeft de Commissie zich beijverd de omrekeningskoers voor de bezoldiging der ambtenaren, bedoeld in het voorstel van 1 april 1977, met inaanmerkingneming van de aldus geschapen situatie te actualiseren. Als bijlage bij het verslag, naar aanleiding van het jaarlijks onderzoek naar het peil der bezoldigingen over 1978 uitgebracht (Doe. COM(78) 673, slot, van 29 november 1978) heeft de Commissie de Raad de navolgende mededeling doen toekomen, die noch tot raadpleging van het Parlement, noch tot raadpleging van het Hof of van het Comité voor het Statuut aanleiding heeft gegeven: „... De twee eerste leden van artikel 63 worden als volgt gelezen: De bezoldiging van de ambtenaar wordt uitgedrukt in Belgische franken. Zij wordt uitbetaald in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent. De bezoldiging, uitbetaald in een andere valuta dan de Belgische frank, wordt berekend op basis van de wisselkoersen die voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen per... werden gebruikt. De Commissie dringt erop aan dat de Raad bovengenoemd artikel alsmede artikel 17 van bijlage VII zoals dat voortvloeit uit de werkzaamheden van de Raad in het kader van de herziening van het Statuut (...) voor het einde van het jaar goedkeurt. Deze verordening [diende in werking te treden]... op 1 januari 1979; zij [zou] van toepassing [moeten zijn] vanaf 1 april 1979. Voor de gepensioneerden en voor de ontvangers van vergoedingen voor wie de ontvangen nettobedragen een vermindering ondergaan ten opzichte van de toepassing van het thans geldende stelsel, is de verordening evenwel eerst vanaf 1 oktober 1979 van toepassing...”
b) Op 21 december 1978 heeft de Raad verordening nr. 3085/78 vastgesteld, tot wijziging met name wat de te gebruiken muntpariteiten betreft, van verordening nr. 259/68 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen, van verordening nr. 2530/72 alsmede van verordening nr. 1543/73 betreffende bepaalde bijzondere maatregelen (PB L 369, biz. 6). In die verordening is de terminologie van de mededeling der Commissie van 29 november 1978 overgenomen en is, wat de aanpassingscoëfficiënt voor de overgemaakte bedragen betreft, dezelfde formulering gebezigd als in het voorstel van 1 april 1977. De Raad heeft er evenwel het navolgende aan toegevoegd: „Met ingang van die datum wordt het verschil tussen de nettobedragen zoals die voortvloeien uit de toepassing van deze verordening, en die welke in de maand september 1979 worden ontvangen, met 1/10 per maand verminderd”. 1 Juli 1978 is vastgesteld als datum die moet worden aangehouden ter berekening van de bezoldiging in een andere valuta dan de Belgische frank, op basis van de wisselkoersen die gebruikt worden voor de uitvoering van de algemene begroting der Europese Gemeenschappen; die datum zou bij het jaarlijks onderzoek naar het niveau der bezoldigingen worden gewijzigd.
c) Tegelijk met de actualisering van de wisselkoersen, heeft de Raad, in zijn verordening nr. 3086/78 van 21 december 1978, tot aanpassing van de coëfficiënten die van toepassing zijn op de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ingevolge de wijziging van de bepalingen van het Statuut betreffende de bij toepassing van het Statuut te gebruiken muntpariteiten (PB L 369, blz. 8) de aanpassingscoëfficiënten voor de verschillende plaatsen van tewerkstelling in dier voege gewijzigd, dat de bezoldiging van iedere niet in België of Luxemburg tewerkgestelde ambtenaar (of tijdelijke functionaris) over de maand april 1979, vergeleken met de bezoldiging over de vorige maand, ongewijzigd bleef. Waar het vertrekpunt voor de afrekening (bedrag van de bezoldiging, uitgedrukt in Belgische franken) theoretisch ongewijzigd bleef en de finish (betaling in nationale valuta) normaliter ook ongewijzigd moest blijven, waren er termen aanwezig om, zodra één der voor de afrekening aangehouden parameters (wisselkoers) werd gewijzigd, de tweede parameter (aanpassingscoëfficiënt) zodanig te wijzigen dat de neutraliteit der operatie gewaarborgd bleef.
2. Feiten en procesverloop
Verzoeksters beklagen er zich over dat het overmaken van geld krachtens artikel 17 van bijlage VII, zoals dat op hun verzoek door bemiddeling van de instelling — in Duitse Mark of in guldens — wordt verricht, duurder is geworden. Die meerdere kosten zouden volgens verzoekers een percentage tussen 1,5 en 10,41 belopen. Wilde een in België werkzame ambtenaar in maart 1979 DM 1000 overmaken, dan kwam er op grondslag van de oude wisselkoersen een tegenwaarde van BFR 13660 ten laste van de hem in België over de maand maart werkelijk uitbetaalde bezoldiging, en door de in artikel 63 van het Statuut voorziene nieuwe wisselkoersen BFR 100 = DM 6,3452) en als gevolg van de correctie door toepassing van een coëfficiënt van 0,987 overeenkomende met de verhouding tussen de nieuwe aanpassingscoefficiënt „Duitsland” (98,7) en de nieuwe coëfficiënt „België” (100), beliep die tegenwaarde in april BFR 15,968; voor één en dezelfde overmaking van DM 1000 werd er dus over de maand april, vergeleken met de voorafgaande maand, BFR 2308 extra ten laste van betrokkenes bezoldiging gebracht.
In hun op 25 en 27 juni 1979 ingediende bezwaarschriften hebben verzoekers zich in gelijkluidende bewoordingen bij verweerster beklaagd.
Verweerster heeft op 28 september 1979 geantwoord.
Het onderhavig beroep de data 17 december 1979 is diezelfde dag ter griffie van het Hof ingeschreven.
Op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, heeft het Hof (Eerste kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Conclusies van partijen
Verzoekers concluderen dat het den Hove behage te verstaan :
dat het beroep ontvankelijk is en tijdig werd ingesteld;
dat het beroep gegrond is en bijgevolg:
dat de besluiten houdende vaststelling van de salarissen over de maand april 1979 om de in het verzoekschrift ontwikkelde redenen onwettig en mitsdien niet van toepassing zijn; voorts: de. afwijzing van hun bezwaarschriften nietig ter verklaren;
bijgevolg te verklaren dat die besluiten nietig en van onwaarde zijn en voor de toekomst geen gevolg kunnen hebben;
de Commissie te veroordelen aan verzoekers te betalen, vanaf en met inbegrip van april 1979 tot aan de datum van het te wijzen arrest, het verschil tussen datgene waarop zij krachtens de oude verordeningen recht hebben, en de bedragen die zij daadwerkelijk krachtens verordening nr. 3085/78 hebben ontvangen;
de Commissie voorts te veroordelen aan hen te betalen 6 % rente over de verschuldigde bedragen, telkens vanaf het tijdstip waarop zij waren verschuldigd;
de Commissie te verwijzen in alle kosten van het geding.
De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
het beroep ongegrond te verklaren;
verzoekers in de kosten te verwijzen.
III — Middelen en argumenten van partijen
In hun rekest betogen verzoekers in de eerste plaats dat de wezenlijke vormvoorschriften niet, in voege als voorzien in artikel 10 van het Statuut, zijn ¡nachtgenomen: toen het tot aanstelling bevoegde gezag zich er rekenschap van gaf dat de toekomstige regeling niet op de ERE moest berusten, doch moest aansluiten bij de geactualiseerde koers van de algemene begroting der Gemeenschappen, had het de procedure dienen te hervatten en de gezagsorganen en instanties die advies hebben uit te brengen, moeten raadplegen. Het is niet gebeurd, en in haar beantwoording van de bezwaarschriften geeft de Commissie zelf toe dat men zich bij de herziening niet geheel en al heeft gehouden aan de voorziene modaliteiten. Dat de Raad een eenstemmig besluit heeft genomen, doet daaraan niet af. De Commissie zelf heeft trouwens het nieuwe voorstel, waarin wordt uitgegaan van de koers die op de begroting van toepassing is, bij de Raad ingediend.
Verzoekers betogen ook dat hun gewettigd vertrouwen is geschonden. Wat het Parlement betreft: het is misleid, immers het nam akte van de toezeggingen der Commissie dat haar voorstellen de werkelijke waarde van hetgeen er aan de ambtenaren betaald wordt, geenszins zouden aantasten. Het Parlement is dus afgegaan op een door een „gezaghebbend persoon” gedane formele toezegging-Verzoekers zijn van mening dat de discretionaire rechtsmacht der instellingen zelf, vanwege het beginsel der gebonden bevoegdheid, aan bepaalde beperkingen onderhevig is. Door de „werkelijke waarde”, waarvan de handhaving formeel was toegezegd, te verminderen, hebben de instellingen dat beginsel geschonden. Door voor de overmakingen tot nieuwe wisselkoersen te besluiten, heeft de Raad zich voorts aan „détournement de pouvoir” schuldig gemaakt.
Rechten, door verzoekers onder de oude bepalingen van artikel 17 van bijlage VII rechtsgeldig verkregen, zijn niet geëerbiedigd. Voorts is er gediscrimineerd en zijn dienstdoende en gepensioneerde ambtenaren niet op dezelfde wijze behandeld.
In haar verweerschrift heeft de Commissie, er, wat de schending van wezenlijke vormvoorschriften betreft, op gewezen dat verzoekers het gelijk aan hun zijde zouden hebben indien er, na een eerste voorstel der Commissie en voordat de Raad naar aanleiding van dat voorstel enigerlei beslissing had genomen, een ander werkelijk nieuw voorstel — i. e. andere kwesties betreffende — danwei een op wezenlijke wijzigingen gericht voorstel zou zijn ingediend (vgl. a contrario de zaak 41/69, ACF Chemiefarma, Jurispr. 1970, blz. 662). Ook is er niet, telkens wanneer het om wijzigingen van niet wezenlijke aard gaat, een nieuwe raadplegingsprocedure nodig als bedoeld in artikel 10 van het Statuut. In casu heeft de Commissie de Raad op 30 november 1978 schriftelijk doen weten dat zij artikel 1 van het oorspronkelijk voorstel van april 1977 anders wenste te zien geformuleerd. De nieuwe bepalingen brachten, met bedoelde tekst vergeleken, geen wezenlijke wijziging. Het ging er bij de wijziging van het Statuut maar om dat de oude IMF-pariteiten zouden plaatsmaken voor geactualiseerde pariteiten waaraan de onderscheiden ambtenaren nochtans aanspraken op eenzelfde totale bezoldiging in de valuta van de plaats van tewerkstelling bleven ontlenen. Tot dit resultaat zou actualisering van de koersen met behulp van de ERE hebben geleid. Dit was het blijvend resultaat van de actualisering der koersen volgens de uiteindelijk aanvaarde modaliteiten. Bij overmakingen zou actualisering van de voor zulke transacties geldende wisselkoersen op grondslag van de ERE de eraan verbonden kosten hebben opgevoerd in dezelfde mate als waartoe toepassing van verordening nr. 3085/78 leidde. Aan de wisselkoersen waarvan men zich op 1 juli 1978 bij de uitvoering van de algemene begroting der Gemeenschappen bediende, kon de waarde der betrokken munteenheden (enerzijds de Belgische frank, anderzijds de andere valuta's) gerelateerd aan de op dezelfde dag geldende ERE, precies worden afgelezen.
Verweerster acht de bezwaren, door verzoekers ontwikkeld ten betoge dat er algemene beginselen zouden zijn geschonden, van iedere grond ontbloot. Verzoekers gaan van een begrip „verkregen rechten” uit dat zich niet met's Hofs jurisprudentie verdraagt (vgl. het arrest, gewezen in voormelde zaak 28/74, volgens hetwelk „de ambtenaar zich in ieder geval slechts op een verkregen recht kan beroepen, indien het betrokken rechtscheppend feit zich heeft voorgedaan onder de werking van een bepaald Statuut, dat voorafging aan de wijziging waartoe het communautair gezag heeft besloten”). Die uitspraak ligt geheel in de Jijn van de gedachte dat de rechtspositie van een ambtenaar niet contractueel, doch reglementair van aard is (vgl. de conclusie van de advocaat-generaal Gand in de zaak 20/68, Pasetti-Bombardella, Jurispr. 1969, blz. 251). Het sluit ook helemaal aan bij het beginsel dat aan administratieve handelingen geen terugwerkende kracht toekomt. De voor verzoekers rechtmatig verworven voordelen zijn ten volle gewaarborgd: het gaat om gunstige koersvoorwaarden, toegekend terzake van overmakingen, tot 1 april 1979 verricht. Van „verkregen rechten” op behoud van diezelfde gunstige voorwaarden kan evenwel geen sprake zijn, wanneer het feit waaruit het recht op overmaking voortvloeit, na de wijziging van het Statuut plaatsvindt.
Wil het beginsel dat het gewettigd vertrouwen bescherming verdient, kunnen worden toegepast, dan dient het gezag zich „bij zijn toekomstig optreden” te hebben gebonden (vgl. arrest 81/72, Commissie t. Raad, Jurispr. 1973, blz. 575). Maar verweerster heeft zich jegens verzoekers nimmer, ook niet bij hun indiensttreding, verbonden de statutaire voorwaarden betreffende de dienstbetrekking ongewijzigd te laten, hetgeen met name ook geldt voor de overmakingsmodaliteiten. Trouwens, de reglementaire aard van de dienstbetrekking en van de eruit voortvloeiende rechten en verplichtingen, brengt mede dat zij zulk een verbintenis ook niet rechtsgeldig kon aangaan. Het baat verzoekers dus niet te stellen dat de auteurs van het Statuut in artikel 17 van bijlage VII de ambtenaren een „koersgarantie” hebben willen bieden, waardoor zij tot in lengte van dagen zouden zijn gevrijwaard tegen fluctuaties van de monetaire pariteiten en tegen de kostenstijging waartoe zulke fluctuaties op het niveau van de door het personeel in deze of gene Lid-Staat aangegane geldelijke verplichtingen zouden kunnen leiden. (Vgl. de conclusie, door de advocaat-generaal Dutheillet de Lamothe genomen in de gevoegde zaken 63-75/70, Bode, Jurispr. 1971, blz. 559).
De eigenlijke reden waarom men in bedoeld voorschrift bepaalde overmakingsfaciliteiten heeft toegekend, moet worden gezocht in de historische context waaronder — in 1961 — de statutaire bepalingen tot stand kwamen: de wisselkoersen werden veelal streng gecontroleerd, maar het moest aan ambtenaren van verschillende nationaliteit mogelijk worden gemaakt hun geldelijke verplichtingen in het land van herkomst dan wel in het land waar hun gezin woonachtig was, onbelemmerd na te komen. Nadien, in de nieuwe context der „zwevende” valuta's, kon de ratio legis van artikel 17 van bijlage VII, in de praktijk gemakkelijk worden omzeild: overmaking van een gedeelte der bezoldiging, zij het binnen de grenzen omschreven in een „gedragscode” van juni 1974, werd een middel om, ver beneden de marktcondities en ten detrimente van de begroting der Gemeenschappen, aan „sterke deviezen” te komen.
In verband met de bewering dat er tussen ambtenaren en gepensioneerden wordt gediscrimineerd, heeft de Commissie erop gewezen dat in feite slechts het rechtsbeginsel dat willekeurige — niet aan objectieve criteria beantwoordende — discriminatie verbiedt, aan de orde kan komen, doch niet het gelijkheidsbeginsel. Wie verband legt tussen het lot van gepensioneerden, waarom het in artikel 4 van verordening nr. 3085/78 gaat, en het wedervaren van ambtenaren die geld doen overmaken, spreekt over ongelijke en zelfs niet vergelijkbare situaties. Het nieuwe systeem kwam eerstgenoemden van de ene maand op de andere te staan op een aanzienlijk verlies, soms ten belope van de helft van het bedrag aan LTT dat men tevoren bij wederverkoop van het in Belgische franken en Duitse Mark uitbetaalde pensioenbedrag ontving, terwijl de kostenstijging waarmede dienstdoende ambtenaren zich bij hun overmakingen geconfronteerd zagen, dat percentage bij lange na niet haalt, omdat het in zoverre om niet meer dan 35 % van de bezoldiging kan gaan. In extreme gevallen (overmaking naar Duitsland van 35 % van de bezoldiging over de maand maart van een in Italië tewerkgestelde ambtenaar) zou de stijging van de aan overmaking verbonden kosten dus ten hoogste ± 25 % van de totale bezoldiging over de maand april kunnen belopen. Voor verzoekers zouden de kosten der overmakingen, relatief gesproken, ten hoogste 5,62 % van de totale bezoldiging over de maand april hebben belopen.
De Raad beschikt, wat het Statuut betreft, wel degelijk over een „discretionaire bevoegdheid”. Maar een discretionaire bevoegdheid kan niet tevens een gebonden bevoegdheid zijn. Waar de Raad onomstreden door geen hogere rechtsregel verplicht werd om, wat de overmaking betreft, die IMF-pariteiten voor altijd te handhaven, vragen de beweringen volgens welke de Instellingen het beginsel van zulk een gebonden bevoegdheid hebben geschonden, geen uitvoerige bespreking: zulk een bevoegdheid heeft te dezen nimmer bestaan. Gezien's Hofs jurisprudentie, zoekt de Commissie tevergeefs naar een antwoord op de vraag hoe het Hof door als voormeld de artikelen 63 van het Statuut en 17 van bijlage VII van het Statuut te wijzigen, een oneigenlijk gebruik van zijn bevoegdheden kan hebben gemaakt. Gerechtigd als de Raad was om het Statuut aan de „economische realiteiten” aan te passen (voormeld arrest 28/74), kan de Raad juist rechtstreeks — en zonder oneigenlijk gebruik van bevoegdheden — het nagestreefde doel (actualisering der koersen) kunnen verwezenlijken. De actualiseringsoperatie heeft niet — langs slinkse wegen — zijn beslag gekregen in het kader van de jaarlijkse aanpassing der bezoldigingen, een aangelegenheid die niet wordt bestreken door verordening nr. 3085/78, doch door's Raads verordening nr. 3084/78 van 21 december 1978, houdende aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden der Europese Gemeenschappen alsook van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB L 369, biz. 1).
Het Europese Parlement is geenszins misleid, doch heeft zich met kennis van zaken uitgesproken, Aan het advies van het Parlement is duidelijk af te lezen dat het zich er ten volle van bewust is geweest dat het voorstel tot actualisatie der koersen ook gold voor de overmakingen, die daardoor, voor zover het geld naar landen met een sterke munteenheid ging, duurder werden. Nochtans achtte het Parlement het, blijkens zijn advies, wenselijk koersverhoudingen uit 1965 te laten varen, immers de actualisatievoorstellen zouden de rechten van het personeel niet aantasten. Het zou niet aangaan te stellen dat de toegezegde „financiële neutraliteit” van de operatie ook zou gelden voor de consequenties, aan de actualisering der koersen verbonden voor de overmakingen. Nimmer heeft de Commissie (bij monde van een zegsman) toegezegd dat de aan overmakingen verbonden kosten niet zouden stijgen; een dergelijke garantie zou in strijd komen met de nagestreefde sanering, die het Statuut aan de economische realiteiten moest aanpassen.
Verzoekers hebben voor repliek doen zeggen dat de invoering van de ERE als beleidsmaatregel werd begroet, terwijl de invoering van de koers voor de algemene begroting der Gemeenschappen after all slechts is te beschouwen als een maatregel, door de instellingen uit zelfverdediging genomen. Van schending van wezenlijke vormvoorschriften was dus wel degelijk sprake.
De advocaat-generaal Mayras heeft er, wat het begrip „verkregen rechten” betreft, in voormelde zaak-Gillet op gewezen dat de communautaire overheid te allen tijde gerechtigd is in de statutaire regelen de wijzigingen aan te brengen die zij met het dienstbelang in overeenstemming acht. Verzoekers hebben evenwel tevergeefs gezocht naar een dienstbelang dat de overheden had kunnen verplichten de „ongerechtvaardigde” voordelen waarover de Commissie het heeft, in te korten. Volgens's Hofs arrest 54/77 (Herpels, Jurispr. 1978, blz. 599) zou het Hof nader hebben uitgemaakt dat de ambtenaar zich in ieder geval alleen op een bepaald recht mag beroepen wanneer het feit waarop de aanspraak berust, zich heeft voorgedaan onder vigeur van een bepaalde regeling die aan de wijziging waartoe de communautaire overheid besloot, is voorafgegaan. Kennelijk zijn verzoekers hun verbintenissen aangegaan onder heel andere condities dan men hun thans wenst op te leggen; zulke condities kunnen niet van de ene dag op de andere worden gewijzigd. Zo goed als de nieuwe bepalingen aanstonds op nieuwe overmakingen (men denke aan nieuwe verzekeringscontracten) kunnen worden toegepast, zo goed behoort het Hof er met betrekking tot overmakingen waartoe onder de oude regeling toestemming verleend werd, van uit te gaan dat het feit waarop de aanspraak berust, dat wil zeggen het aangaan der verbintenis, voor de wijzigingen van het Statuut heeft plaatsgevonden.
In de zaak-Herpels, waarin de verzoeker zeven jaar lang ten onrechte de separatievergoeding had genoten, deed zich een heel andere situatie voor dan in de onderhavige zaak, waarin ook door verweerster met zoveel woorden wordt erkend dat verzoekers in het verleden een „perfect” recht hadden op overmaking onder gunstige koersvoorwaarden, hetgeen te meer zou gelden waar de Commissie, door in 1972 het daaraan verbonden voordeel uit te breiden ondanks de bedenkingen van de instanties met de financiële controle belast, verzoekers zelfs heeft aangemoedigd.
De toezeggingen, door de Commissie aan het Parlement gedaan betroffen de „bezoldigingen en andere betalingen”. Er was dus wel degelijk sprake van de waarborg dat er ook aan de „resterende” inkomsten niet zou worden getornd.
Met betrekking tot de middelen waarin het om de gebonden bevoegdheid en om détournement de pouvoir gaat, hebben verzoekers er aan herinnerd dat de advocaatgeneraal Warner er in de zaak 114/77 (Jacquemart, Jurispr. 1978, blz. 1697) op heeft gewezen dat „de bevoegdheid van de Raad om het Statuut vast te stellen... gebonden [is] aan de beperkingen die de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht meebrengen”. Verzoekers willen geenszins beweren dat de Raad, voor verbintenissen door de ambtenaren na's Raads besluitvorming aanvaard, de pariteiten niet zou kunnen wijzigen; zij bestrijden slechts dat de wisselkoers voor oude verbintenissen kan worden gewijzigd. De Raad had zich, wat betreft verplichtingen die vóór 28 december 1978 waren aangegaan, gebonden. De oneigenlijke uitoefening van bevoegdheden (détournement de pouvoir) is gelegen in het feit dat men, zogenaamd bij wege van actualisering der wisselkoersen, een meer wezenlijke wijziging heeft doorgevoerd. Vroeger werden de getransfereerde bedragen — via de aanpasssingscoëfficiënt — uitsluitend beïnvloed door de levensomstandigheden op de plaats van tewerkstelling. Volgens de nieuwe regeling geschieden de overmakingen tegen de geactualiseerde koers, maar in dier voege dat er alleen wordt gewerkt met de aanpassingscoëfficiënt van het land waarheen de overmaking geschiedt.
Verzoekers menen dat het Parlement de gevolgen welke aan wijziging van de coëfficiënt verbonden zijn voor de kosten der overmakingen, niet heeft begrepen; anders had het Parlement niet kunnen aannemen dat het nieuwe systeem de ambtenaren, wat de bezoldiging en „andere betalingen” betreft, geen enkel nadeel toebracht. Volgens verweerster was het Parlament zich er terdege van bewust dat er, wat de overmakingen betreft, niet langer van financiële neutraliteit kon worden gesproken en dat actualisering der koersen de aan zulke overmakingen verbonden kosten kon doen stijgen. Verzoekers signaleren de vrijmoedigheid van die uitspraak, doch wijzen erop dat de hierbedoelde kostenstijging grotendeels moet worden toegeschreven aan het feit dat de nieuwe aanpassingscoëfficiënt de coëfficiënt is van het land waarheen de overmaking moet geschieden.
De Commissie heeft er in haar conclusie van dupliek, met betrekking tot de gestelde schending van wezenlijke vormvoorschriften, op gewezen dat's Raa ls verordening nr. 3085/78 met eenparigheid van stemmen werd aangenomen, zodat, gezien artikel 149 van het Verdrag, de vraag of het Parlement opnieuw moest worden geraadpleegd, zijn belang had verloren.
Verzoekers blijken niet te weten wat onder verkregen rechten is te verstaan; zij verwarren dit begrip met het begrip rechtmatig belang. Zou hun opvatting worden aanvaard, dan zouden de ambtenaren ten eeuwigen dage zijn gevrijwaard tegen wijzigingen van het Statuut die om het even welk voordeel zouden aantasten. Verzoekers hebben geen enkel bewijs bijgebracht tot staving van hun stelling dat verordening nr. 3085/78 zich niet met het dienstbelang verdraagt. Integendeel, dat belang maakte het tot een gebiedende eis dat er van het stelsel der overmakingen geen oneigenlijk gebruik — ten detrimente van de begroting der Gemeenschappen — werd gemaakt. Anderzijds heeft het feit waarop de aanspraak berust — de „bewezen dienst”, en niet het aangaan der verbintenis — zich niet onder vigeur van het oude Statuut voorgedaan. Bovendien wordt de ambtenaar niet op grond van zijn behoeften, maar op grond van verrichte arbeid bezoldigd.
Met het beginsel van het gewettigd vertrouwen kan men niet komen aandragen: de Raad heeft zich nimmer verbonden de bestaande wisselkoersen berustend op de IMF-pariteiten van 1965, voor altijd ongewijzigd te laten. Voorts heeft de Commissie er geen twijfel over laten bestaan dat de invoering van de ERE de aan overmakingen verbonden kosten zou doen stijgen (vgl. het uittreksel uit het boekhoudkundig verslag nr. 218/77 van de Commissie voor de begrotingen).
Ongetwijfeld heeft de statutaire overheid er bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid tot het kiezen van een bepaalde oplossing, op toe te zien dat er geen hogere rechtsregelen worden geschonden; schiet zij daarin te kort, dan dient haar overschrijding van rechtsmacht en geen détournement de pouvoir te worden verweten.
Voor de aanpassingscoëfficiënt op de plaats van tewerkstelling heeft men niet slechts de aanpassingscoëfficiënt van het land waarheen de overmaking geschiedt in de plaats gesteld. Volgens artikel 17, lid 3, van bijlage VII geldt voor overmakingen de aanpassingscoëfficiënt „die verkregen wordt door deling van de aanpassingscoëfficiënt voor het land in welks valuta de overmaking geschiedt, door de aanpassingscoëfficiënt die is vastgesteld voor het land waarin de ambtenaar zijn standplaats heeft”. Anderzijds wordt in de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 3085/78 met zoveel woorden melding gemaakt van de gebleken noodzaak over te gaan tot wijziging van de bepalingen betreffende de modaliteiten voor de overmaking; door actualisering der wisselkoersen zou dus geen „scherm” zijn opgetrokken, waarachter de vaststelling van een nieuwe aanpassingcoëfficiënt voor de overmakingen zou moeten worden weggewerkt.
Verzoekers kunnen niet staande houden dat er bij hen een misvatting heeft bestaan met betrekking tot de draagwijdte van de herziening van de regeling betreffende de overmakingen: in een circulaire van mei 1978 is duidelijk gewezen op „het verdwijnen van bepaalde tegenwoordige voordelen” de overmakingen betreffende, terwijl voorts wordt gezegd dat de overmakingen voortaan zullen geschieden op grondslag van de ERE-waarde; ook zijn de comptabele resultaten van één en ander voor denkbeeldige gevallen uitgewerkt. Zij konden dus niet tot de slotsom komen dat de operatie, qua geldelijke gevolgen, als volstrekt neutraal was te beschouwen; het ging er om ongerechtvaardigde voordelen voor de toekomst te schrappen.
IV — Mondelinge behandeling
De zaak is door partijen ter terechtzitting van 2 april 1981 bepleit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 14 mei 1981 zijn conclusie genomen.
In rechte
Bij op 17 december 1979 ter griffie ingediend beroepschrift hebben verzoekers, ambtenaren van de Commissie, werkzaam te Geel (België), krachtens artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren (hierna te noemen: het Statuut) nietigverklaring gevorderd van de besluiten waarin de Commissie hun bezoldigingen voor de maand april 1979 heeft vastgesteld, alsmede van de afwijzing van bezwaarschriften, door hen tegen dat besluit ingediend.
De artikelen 63 en 64 van het Statuut luidden tot eind 1978 als volgt:
"De bezoldiging van de ambtenaar wordt uitgedrukt in Belgische franken; zij wordt uitbetaald in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent; de bezoldiging uitbetaald in een andere valuta dan de Belgische frank, wordt berekend op basis van de pariteiten zoals door het Internationale Monetaire Fonds aanvaard, die op 1 januari 1965 van krachtwaren;
Op de bezoldiging van de ambtenaar, uitgedrukt in Belgische franken, wordt een aanpassingcoëfficiënt van meer dan, minder dan of gelijk aan 100 % toegepast, naargelang van de levensomstandigheden in de verschillende plaatsen van tewerkstelling.
De aanpassingscoëfficiënt, van toepassing op de bezoldiging van de ambtenaren die in de voorlopige zetels der Gemeenschappen zijn tewerkgesteld, is op 1 januari 1962 gelijk aan 100 %.
Volgens artikel 17 van bijlage VII van het Statuut kan de ambtenaar regelmatig dan wel bij wege van uitzondering een deel yan zijn inkomsten laten overmaken naar een ander land dan waar hij is tewerkgesteld. Volgens lid 4 van het artikel, zoals het tot 31 maart 1979 luidde, geschiedden de overmakingen, door bemiddeling van de Instelling.waartoe de ambtenaar behoort, „tegen de officiële koers op de dag der overmaking”. Als officiële wisselkoers in de zin van die bepaling werd beschouwd de laatstelijk door het IMF aanvaarde — en sedert 1 november 1969 ongewijzigd gebleven — pariteit (volgens welke bijvoorbeeld BFR 13,66 overeenkwam met DM 1).
Op 21 december 1978 heeft de Raad verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 3085/78 (PB L 369, blz. 6) vastgesteld. Bij artikel 1 van die verordening is artikel 63 van het Statuut vervangen door de navolgende tekst:
„De bezoldiging van de ambtenaar wordt uitgedrukt in Belgische franken. Zij wordt uitbetaald in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent.
De bezoldiging, uitbetaald in een andere valuta dan de Belgische frank, wordt berekend op basis van de wisselkoersen, die gebruikt worden voor de uitvoering van de algemene begroting der Europese Gemeenschappen op 1 juli 1978.
Die datum wordt bij het in artikel 65 voorgeschreven jaarlijkse onderzoek naar het bezoldigingspeil op voorstel van de Commissie door de Raad gewijzigd met de gekwalificeerde meerderheid van stemmen, vastgesteld in lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van artikel 148 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van artikel 118 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
Onverminderd de toepassing van de artikelen 64 en 65 worden de krachtens deze artikelen vastgestelde aanpassingscoëfficienten in geval van wijziging van voornoemde datum aangepast door de Raad die, volgens de procedure van de derde alinea, de gevolgen van de schommeling van de Belgische frank ten opzichte van de in de tweede alinea bedoelde koersen corrigeert”.
Artikel 2 van de verordening luidt als volgt:
„Artikel 17 van bijlage VII van het Statuut wordt als volgt gelezen:
Artikel 17
1. De aan de ambtenaren verschuldigde bedragen worden uitbetaald op de plaats en in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent.
2. Onder de voorwaarden van een regeling die, na advies van het Comité voor het Statuut, in gemeenschappelijk overleg door de Instellingen van de Gemeenschappen wordt vastgesteld, kan de ambtenaar:
a)door bemiddeling van de Instelling waartoe hij behoort, regelmatig een deel van zijn inkomsten laten overmaken, indien dit niet het bedrag van de ontheemdingstoelage of de buitenlandtoelage overschrijdt,
—hetzij in de valuta van de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is;
—hetzij in de valuta van de Lid-Staat waarin hij zelf woonachtig is, dan wel waar een gezinslid de zijnen laste verblijfplaats heeft;
—hetzij in de valuta van het land waar hij zijn vorige standplaats had of van het land van de zetel van zijn Instelling, op voorwaarde dat het een ambtenaar betreft die buiten het grondgebied van de Gemeenschappen te werk is gesteld;
b)boven in de aanhef van sub a) aangegeven maximum regelmatig gelden laten overmaken, voor zover deze bestemd zijn voor de bestrijding van uitgaven die in het bijzonder verband houden met regelmatig terugkerende en met bewijzen gestaafde lasten die de ambtenaar buiten het land waar de zetel van zijn Instelling is gevestigd of waar hij zijn functie uitoefent, draagt;
c)bij hoge uitzondering en in deugdelijk gemotiveerde gevallen worden toegestaan de bedragen waarover hij in de sub a) bedoelde valuta's zou willen beschikken, buiten bovengenoemde regelmatige overmakingen te doen overmaken.
3. De in lid 2 bedoelde overmakingen geschieden op basis van de in artikel 63, tweede alinea, van het Statuut bedoelde wisselkoersen; op de over te maken bedragen wordt de coëfficiënt toegepast die verkregen wordt door deling van de aanpassingscoëfficiënt voor het land in welks valuta de overmaking geschiedt door de aanpassingscoëfficiënt die is vastgesteld voor het land waarin de ambtenaar zijn standplaats heeft”.
Volgens haar artikel 4 is de verordening op 1 januari 1979 in werking getreden en was zij met ingang van 1 april 1979 van toepassing.
Op 21 december 1978 heeft de Raad voorts verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 3086/78 vastgesteld tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ingevolge de wijziging van de bepalingen van het Statuut betreffende de bij de toepassing van het Statuut te gebruiken muntpariteiten. Volgens artikel 1, lid 1, der verordening bedragen de aanpassingscoëfficiënten, van toepassing op de bezoldigingen, voor de Bondsrepubliek Duitsland 98,7 en voor Nederland 97,8.
Met ingang van 1 april 1979 zijn de in Belgische franken uitgedrukte kosten, verbonden aan de door verzoekers regelmatig naar hun land van herkomst, casu quo naar de Bondsrepubliek Duitsland gedane overmakingen, aanzienlijk gestegen, zodat zij, na die overmakingen, minder in handen hielden.
Krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren dienden verzoekers op 25 onderscheidenlijk 27 juni 1979 bezwaarschriften in, gericht tegen de gestegen kosten, met ingang van april 1979 aan hun overmakingen verbonden. De Comissie heeft op 28 september 1979 geantwoord dat zij enerzijds niet, zonder overschrijding van rechtsmacht, regelmatig inwerkinggetreden verordeningen van de Raad buiten toepassing mocht laten en het anderzijds in materiële zin met de herzieningen van het Statuut eens was.
Verzoekers vorderen nu dat het Hof de besluiten tot vaststelling van hun bezoldigingen over de maand april 1979 onrechtmatig zal verklaren en zal verstaan dat zij buiten toepassing moeten blijven, met veroordeling van de Commissie om aan verzoekers met ingang van de maand april 1979 te betalen het verschil tussen het bedrag waarop zij op grondslag van de oude voorschriften recht zouden hebben gehad en hetgeen hun op grondslag van verordening nr. 3085/78 in feite werd uitbetaald, vermeerderd met de interesten à 6 % met ingang van de data waarop de hierbedoelde bedragen opeisbaar zijn geworden.
Verzoekers bedienen zich in de eerste plaats van een middel dat schending van wezenlijke vormvoorschriften inhoudt, stellende dat de omstreden verordeningen zijn vastgesteld zonder dat het Parlement er, in voege als bepaald in artikel 24 van het Verdrag van 8 april 1965 tot instelling van een Raad en een Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna te noemen: het Fusieverdrag) over was gehoord, alsook dat het Parlement, wat betreft de gevolgen van het voorstel dat aan het Parlement werd gedaan, is misleid. De raadpleging van het Europese Parlement zou zijn geschied op grondslag van een voorstel van de Commissie dat aanzienlijk afweek van de tekst der verordeningen zoals die door de Raad was vastgesteld.
Verzoekers dragen voorts middelen voor met betrekking tot de inhoud en de gevolgen der verordeningen. Zij vechten de toepassing van de verordeningen aan op grond dat toepassing van de nieuwe tekst van artikel 17 van bijlage VII van het Statuut in strijd komt met het beginsel dat eerbiediging van verkregen rechten verlangt; dat de wijziging van de in het Statuut voorziene voorwaarden, die tot een aanzienlijke verlaging van de nettobezoldigingen der ambtenaren heeft geleid, inbreuk heeft gemaakt op verzoekers verkregen rechten en op het vertrouwen dat zij in hun overheid mochten stellen, alsook dat de toepassing van die tekst in strijd zou komen met de door de Commissie formeel aangegane verplichting er op toe te zien dat de door haar voorgestelde maatregelen strikt neutraal zouden zijn en geen afbreuk zouden doen aan de werkelijke waarde der de ambtenaren uitbetaalde bezoldigingen, pensioenen en vergoedingen.
Verzoekers beklagen zich voorts over de discriminatie welke huns inziens besloten ligt in het feit dat er voor de pensioenen overgangsbepalingen gelden, terwijl er voor de overmakingen, door verzoekers overeenkomstig artikel 17 van bijlage VII van het Statuut verricht, geen enkele overgangsbepaling geldt. Krachtens de in artikel 24 van het Statuut veraanschouwelijkte bijstandsplicht had de Commissie, bij wijze van uitvoeringsmaatregel, tijdelijke uitvoeringsbepalingen van compenserende aard moeten vaststellen voor de duur van de wettelijke en contractuele verplichtingen der ambtenaren.
De schending van wezenlijke vormvoorschriften
Opgemerkt zij dat volgens het gemeenschapsrecht, wanneer het om wijziging van het Statuut van de ambtenaren en de regeling voor de overige personeelsleden gaat, het Parlement en het Hof van Justitie moeten worden geraadpleegd en het advies van het Comité voor het Statuut moet worden ingewonnen. Volgens artikel 24 van het Fusieverdrag stelt „de Raad... met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de andere betrokken Instellingen, het Statuut vast van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen”. Volgens artikel 10 van het Statuut wordt het Comité voor het Statuut (samengesteld uit vertegenwoordigers van de personeelscomité's) door de Commissie gehoord over ieder voorstel tot herziening van het Statuut.
Evenwel dient te worden onderscheiden tussen de eisen van gemeenschapsrecht geldende voor verordening nr. 3085/78, die wijziging van het Statuut inhoudt, en de eisen geldende voor verordening nr. 3086/78, waarbij de aanpassingscoëfficiënten zijn gewijzigd. Een regeling als besloten ligt in verordening nr. 3086/78, waarin de aanpassingscoëfficiënten zijn vastgesteld, wordt door de Raad op voorstel van de Commissie vastgesteld krachtens artikel 64 van het Statuut, dat generlei raadpleging voorschrijft.
Inderdaad hadden, wat verordening nr. 3085/78 betreft, volgens artikel 24 van het Fusieverdrag de andere betrokken Instellingen, waaronder het Parlement, moeten worden gehoord. Die raadpleging, die het Parlement met name tot werkelijke deelneming aan de communautaire wetgeving in staat stelt, is een wezenlijk bestanddeel van het door de verdragen gewilde institutionele evenwicht.
Een reguliere raadpleging van het Parlement is dus te beschouwen als een wezenlijke formaliteit, waarvan niet-inachtneming tot nietigheid de betrokken verordening leidt. Derhalve dient te worden nagegaan of de voorgeschreven consultatie is geschied.
Op 1 april 1977 heeft de Commissie, na het advies van het Comité voor het Statuut te heben ingewonnen, bij de Raad een voorstel ingediend voor een verordening — van de Raad — tot invoering van de Europese rekeneenheid (ERE) in het Statuut (PB nr. 99, blz. 5). Volgens artikel 1 van het voorstel zou in artikel 63 de ERE de plaats innemen van de Belgische frank. Het voorstel hield de wijzigingen in die in verband met de aanvaarding van de ERE noodzakelijk waren, zoals de vervanging — in artikel 66 van het Statuut — van de oude tabel, waarin de bezoldiging in Belgische franken was uitgedrukt, door een nieuwe tabel waarin de bezoldiging in ERE werk uitgedrukt. Volgens artikel 4 van het voorstel zou lid 4 van artikel 17 van bijlage VII als volgt worden gelezen: „De in lid 2 en lid 3 hierboven bedoelde overmakingen geschieden op basis van de waarde van de Europese rekeneenheid (ERE), zoals vastgesteld in artikel 63, tweede alinea, van het Statuut; op de over te maken bedragen wordt de coëfficiënt toegepast welke verkregen wordt door deling van de aanpassingscoëfficiënt voor het land in welks valuta de overmaking geschied, door de aanpassingscoëficiënt welke is vastgesteld voor het land waarin de ambtenaar zijn standplaats heeft”.
Het voorstel omvatte nog meer, in casu niet ter zake doende bepalingen.
Naar aanleiding van een voorstel en een verzoek om advies van de Raad, bracht het Parlement een gunstig advies uit (PB C 183 van 1977, blz. 55). In de resolutie van het Parlement werd onder meer het navolgende overwogen:
—„ ... dat de onderhavige voorstellen van de Commissie uitsluitend bedoeld zijn om een aantal tot dusver in Belgische franken luidende waarden (bezoldigingen, vergoedingen, overschrijvingen, aanpassingscoëfficiënten, belasting) in Europese rekeneenheden uit te drukken, zonder aan de rechten van het personeel afbreuk te doen of de lonen en emolumenten aan schommelingen onderhevig te maken;
—...
—... dat de invoering van de Europese rekeneenheid het mogelijk maakt af te zien van het gebruik van aanpassingscoëfficiënten om de muntpariteiten te corrigeren, en dat deze voortaan, zoals oorspronkelijk ook de bedoeling was, voornamelijk zullen dienen om rekening te houden met de stijging van de kosten van levensonderhoud;
—... dat de Commissie de verzekering geeft dat haar voorstellen in geen enkel opzicht nadelig zullen zijn voor de ambtenaren en andere personeelsleden van de Gemeenschappen, waar het de salarissen en overige betalingen betreft;”
In de resolutie werd de Commissie verzocht tijdig de noodzakelijke administratieve bepalingen vast te stellen, opdat de toepassing van de Europese rekeneenheid niet zou leiden tot verstoring van de bestaande administratieve praktijken of zelfs tot een tijdelijke schade voor de belangen van het Europese openbare ambt, terwijl voorts akte werd genomen van de toezegging der Commissie dat haar voorstellen de werkelijke waarde der aan de ambtenaren betaalde bezoldigingen, pensioenen en vergoedingen niet zouden aantasten.
In een 29 november 1978 gedagtekende mededeling aan de Raad heeft de Commissie de wens uitgesproken dat artikel 1 van haar voorstel van 1 april 1977 zou worden gewijzigd. De tekst van het nieuwe voorstel komt overeen met de beide eerste alinea's van artikel 63, zoals dat in verordening nr. 3085/78 was gewijzigd. In dezelfde mededeling stelde de Commissie voor gepensioneerden en personen in het genot van vergoedingen wier netto inkomsten er door de actualisering op achteruit gingen, een overgangsperiode voor van zes maanden, dat wil zeggen een periode lopende tot 1 oktober 1979.
Dit voorstel der Commissie is in verordening nr. 3085/78 overgenomen, behoudens een enigszins gewijzigde redactie; aan de voorgestelde overgangsbepaling is het navolgende toegevoegd: „Met ingang van die datum wordt het verschil tussen de nettobedragen zoals die voortvloeien uit de toepassing van deze verordening, en de welke in de maand september 1979 worden ontvangen, met 1/10 per maand verminderd”.
Blijkens het rapport van de commissie voor de begrotingen was het Parlement in staat te beoordelen tot welke consequenties het aanvankelijke voorstel der Commissie voor de pensioenen en voor overmakingen krachtens artikel 17 van bijlage VII van het Statuut kon leiden, en waren de door de Commissie aan het Parlement gedane toezeggingen in die zin te verstaan dat de „neutraliteit” van het voorstel de totale bezoldiging der ambtenaren betrof en dat dat voorstel de overmakingen in sommige gevallen duurder kon maken.
Zoals zij uiteindelijk werd vastgesteld, was de verordening in overeenstemming met het voorstel dat bij het Parlement was ingediend, behoudens dat de geactualiseerde wisselkoersen voor de ERE in de plaats kwamen, terwijl men voorts, door middel van overgangsvoorschriften, de bepalingen der verordening ten behoeve van sommige gepensioneerden voor bepaalde tijd heeft willen verzachten. Wat de vervanging van de ERE door de geactualiseerde wisselkoersen betreft, zij er op gewezen dat in de aangehouden koersen precies de in nationale valuta's omgerekende ERE-waarde per 1 april 1978 tot uitdrukking kwam, zodat er in de hierbedoelde wijziging van het oorspronkelijk voorstel veeleer een andere methode dan een materiële wijziging besloten ligt. Ten aanzien van de uitzonderingsbepaling ten behoeve van sommige gepensioneerden zij vastgesteld dat zij ruimschoots beantwoordde aan hetgeen er in zoverre in het Parlement was bepleit.
Het Parlement behoefde dan ook over de omstreden bepalingen niet opnieuw te worden geconsulteerd.
Inhoud en gevolgen der verordeningen
Verzoekers menen dat het nieuwe stelsel van berekening der wisselkoersen voor overmakingen met hun verkregen rechten in strijd komt. Op grondslag van de bepalingen die tot april 1979 van kracht waren, zouden zij verbintenissen zijn aangegaan waarvan zij pas na verloop van tijd konden worden bevrijd. Dat zij sinds jaar en dag regelmatig een bepaald gedeelte van hun maandelijkse bezoldiging mochten overmaken, zou hun aanleiding hebben gegeven bedoelde verbintenissen aan te gaan en zij zouden hebben mogen verwachten dat het stelsel vóór afloop van die verbintenissen niet te hunnen nadele zou worden gewijzigd. Zij zouden dus aanspraak mogen maken op handhaving van de oude overgangsregeling casu quo op een overgangsregeling welke de vroegere wisselkoersen handhaafde totdat hun verbintenissen zouden zijn afgelopen. De Commissie zou zich jegens het Parlement met zoveel woorden hebben verbonden erop toe te zien dat de te nemen maatregelen strikt "neutraal zouden zijn en de werkelijke waarde er aan de ambtenaren betaalde bezoldigingen, pensioenen en vergoedingen niet zouden aantasten.
De communautaire instellingen zouden zich hebben te houden aan het beginsel van de gebonden bevoegdheid. Door bedoelde werkelijke waarde te verkleinen, zouden de Instellingen dat beginsel hebben geschonden, hetgeen als détournement de pouvoir zou zijn te beschouwen.
Verzoekers betogen voorts dat het als schending van het discriminatieverbod is te beschouwen dat de gewraakte verordeningen voor dienstdoende ambtenaren niet soortgelijke overgangsbepalingen bevatten als ten behoeve van gepensioneerden zijn voorzien.
Weliswaar heeft de vaststelling van geactualiseerde wisselkoersen overmakingen naar de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 17 van bijlage VII van het Statuut, duurder gemaakt. Tot de herziening van de pariteiten en van artikel 17 van bijlage VII van het Statuut is evenwel overgegaan om een einde te maken aan een systeem dat de in bepaalde landen tewerkgestelde ambtenaren kon bevoordelen en de Gemeenschap op ongerechtvaardigde wijze kon benadelen. Er bestond geen geldige reden om verzoekers, die allen in België werkzaam zijn, bij zulke overmakingen te doen profiteren van kunstmatige wisselkoersen. Raad noch Commissie had de ambtenaren enigerlei toezegging gedaan dat het meest gunstige overmakingssysteem voor onbepaalde duur zou worden gehandhaafd. Het aanhouden van reële koersen kon dus te hunnen aanzien niet met enig vertrouwensbeginsel in strijd komen.
Voor zover te dezen een argument wordt ontleend aan het beginsel van de gebonden bevoegdheid, zij er slechts op gewezen de de term détournement de pouvoir een welbepaalde inhoud dekt, i.e. wordt gebezigd wanneer de administratieve overheid van haar bevoegdheden gebruik gemaakt heeft ter verwezenlijking van een ander doel dan waartoe haar die bevoegdheden werden verleend. Daarvan is in casu geen sprake. De Raad heeft van de hem toegekende bevoegdheden een normaal gebruik gemaakt, toen hij iņ verordening nr. 3085/78 het door hem nagestreefde rechtmatige doel, actualisering der wisselkoersen, rechtstreeks verwezenlijkte.
Voor zover wordt gesteld dat de overgangsmaatregelen voor pensioengerechtigden discriminerend werken, zij er slechts aan herinnerd dat als discriminatie is te beschouwen het gelijk behandelen van ongelijke situaties of het verschillend behandelen van gelijke situaties. De rechtspositie van een dienstdoende ambtenaar verschilt evenwel aanzienlijk van die van een gepensioneerde, zodat er niet wordt gediscrimineerd wanneer de wetgever voor gepensioneerden een behandeling heeft weggelegd verschillend van die welke aan dienstdoende ambtenaren is toegedacht.
Nu bij bespreking van het betoog der verzoekers geen der door hen voorgedragen middelen gegrond werd bevonden, dient het beroep, te worden afgewezen.
Kosten
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen.
Volgens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te haren laste.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep,
2) Verstaat dat partijen hun eigen kosten zullen dragen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van de advocaat-generaalC-390/1508.09.2016