Arrest van het Hof van 27 september 1988, 81/87 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 81/87 ECLI:EU:C:1988:456 27 september 1988

Zoeken

Arrest van het Hof van 27 september 1988, 81/87Vrijheid van vestiging, recht om Lid-Staat van oorsprong te verlaten, rechtspersoon

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-81-87-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
81/87
ECLI
ECLI:EU:C:1988:456
Datum
27 september 1988

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
High Court of Justice (Queen's Bench Division), Queen's Bench Division (Verenigd Koninkrijk) beslissing van 6 februari 1987 CO/902/86
Zaak ingediend op
19 maart 1987
Advocaat-generaal
Darmon
Opmerkingen
Britse regering Commissie

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Engels
Jurisprudentie
Jurispr. 1988, blz. 5483
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Due
Repertorium van het Hof

Tekst

35 paragrafen

Arrest

1.

Bij beschikking van 6 februari 1987, ingekomen ten Hove op 19 maart daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice, Queen's Bench Division, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 52 en 58 EEG-Verdrag en van richtlijn 73/148 van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten (PB 1973, L 172, blz. 14).

2.

Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Daily Mail and General Trust PLC, verzoekster in het hoofdgeding (hierna: verzoekster), en het Britse Ministerie van Financiën, onder meer ter verkrijging van een verklaring voor recht, dat verzoekster geen toestemming krachtens de Britse fiscale wetgeving nodig heeft om haar vestiging in het Verenigd Koninkrijk op te geven en naar Nederland te verplaatsen.

3.

Uit de processtukken blijkt, dat volgens het Britse vennootschapsrecht een vennootschap zoals verweerster, die overeenkomstig die wetgeving is opgericht en haar statutaire zetel in het Verenigd Koninkrijk heeft, haar centrale bestuurszetel buiten het Verenigd Koninkrijk kan vestigen zonder haar rechtspersoonlijkheid of haar hoedanigheid van vennootschap naar Brits recht te verliezen.

4.

Volgens de Britse fiscale wetgeving zijn alleen vennootschappen die hun fiscale vestiging in het Verenigd Koninkrijk hebben, onderworpen aan de Britse vennootschapsbelasting. Als fiscale vestiging van een vennootschap geldt de plaats waar de centrale bestuurszetel is gevestigd.

5.

Section 482(1)(a) van de Income and Corporation Taxes Act 1970 verbiedt vennootschappen met fiscale vestiging in het Verenigd Koninkrijk die vestiging zonder toestemming van het Ministerie van Financiën op te geven.

6.

In 1984 vroeg verzoekster, een houdster- en beleggingsmaatschappij, om toestemming in de zin van genoemde nationale bepaling om haar bestuurszetel te verplaatsen naar Nederland, waar de wetgeving er niet aan in de weg staat, dat buitenlandse vennootschappen aldaar hun bestuurszetel vestigen. Zij was met name van plan, in Nederland de vergaderingen van de raad van bestuur te houden en er kantoren te huren voor haar administratie. Zonder op die toestemming te wachten, besloot zij vervolgens in Nederland een kantoor te openen voor het beheer van beleggingen met het oog op dienstverrichtingen ten behoeve van derden.

7.

Tussen partijen staat vast, dat verzoekster met de voorgenomen verplaatsing van haar bestuurszetel voornamelijk voor zich de mogelijkheid wilde scheppen om, na de overbrenging van haar fiscale vestiging naar Nederland, een belangrijk deel van de aandelen waaruit haar niet-vaste activa bestaan, te verkopen en met de opbrengst ervan haar eigen aandelen op te kopen, zonder de belastingen te moeten betalen die zij ingevolge de Britse fiscale wetgeving over die transacties verschuldigd zou zijn, met name wegens de aanzienlijke vermogenswinst op de aandelen die zij voornemens was te verkopen. Na de verplaatsing van haar bestuurszetel naar Nederland zou verzoekster onder de Nederlandse vennootschapsbelasting vallen, maar de voorgenomen transacties zouden enkel worden belast voor zover na de overbrenging van de fiscale vestiging nog vermogenswinst zou ontstaan.

8.

Na langdurige onderhandelingen met het Ministerie van Financiën, dat verzoekster voorstelde, althans een deel van de aandelen vóór haar vertrek uit het Verenigd Koninkrijk te verkopen, heeft verzoekster de zaak in 1986 voor de High Court of Justice, Queen's Bench Division, gebracht. Daar voerde zij aan, dat de artikelen 52 en 58 EEG-Verdrag haar het recht verlenen, haar bestuurszetel zonder voorafgaande toestemming naar een andere Lid-Staat over te brengen, dan wel het recht om die toestemming te verkrijgen zonder dat er voorwaarden aan worden verbonden.

9.

Ten einde dit geschil te kunnen oplossen, heeft de nationale rechterlijke instantie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

1)„ Staan de artikelen 52 en 58 EEG-Verdrag eraan in de weg, dat een Lid-Staat een rechtspersoon met centrale bestuurszetel in die staat verbiedt, die bestuurszetel zonder voorafgaande toestemming naar een andere Lid-Staat te verplaatsen, indien

a)de betaling van belasting over reeds gemaakte winst kan worden ontweken, en/of

b)door die verplaatsing belasting kan worden ontweken die verschuldigd zou kunnen worden indien de vennootschap haar bestuurszetel in die Lid-Staat behield ?

2)Geeft richtlijn 73/148 een rechtspersoon die haar bestuurszetel in een bepaalde Lid-Staat heeft, het recht die bestuurszetel onder de in vraag 1 vermelde omstandigheden zonder voorafgaande toestemming of goedkeuring naar een andere Lid-Staat te verplaatsen, en zo ja, zijn de relevante bepalingen in dit geval rechtstreeks toepasselijk ?

3)Zo wel voorafgaande toestemming of goedkeuring mag worden verlangd, mag een Lid-Staat deze dan op de in de vraag 1 genoemde gronden weigeren ?

4)Maakt het enig verschil, dat volgens de toepasselijke wetgeving van die Lid-Staat een natuurlijke persoon of een personenvennootschap geen toestemming nodig heeft voor de verplaatsing van zijn/haar vestiging naar een andere Lid-Staat ?”

10.

Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke nationale wetgeving en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

De eerste vraag

11.

Met de eerste vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen, of de artikelen 52 en 58 EEG-Verdrag aan een overeenkomstig de wetgeving van een Lid-Staat opgerichte vennootschap die aldaar haar statutaire zetel heeft, het recht verlenen haar bestuurszetel naar een andere Lid-Staat te verplaatsen, en, zo ja, of de Lid-Staat van oorsprong dit recht dan afhankelijk kan stellen van de toestemming van de nationale instanties, welke toestemming afhangt van de fiscale situatie van de vennootschap.

12.

Met betrekking tot het eerste onderdeel van deze vraag betoogt verzoekster in wezen, dat artikel 58 EEG-Verdrag aan vennootschappen waarop het van toepassing is, uitdrukkelijk hetzelfde recht verleent om hun hoofdvestiging in een andere Lid-Staat te hebben, als bij artikel 52 aan natuurlijke personen is toegekend. Verplaatsing van de centrale bestuurszetel van een vennootschap naar een andere Lid-Staat zou hetzelfde zijn als vestiging van die vennootschap in die Lid-Staat, aangezien zij aldaar haar besluitvormingscentrum lokaliseert, wat neerkomt op reële en daadwerkelijke economische activiteit.

13.

Het Verenigd Koninkrijk voert in wezen aan, dat het EEG-Verdrag vennootschappen geen algemeen recht toekent om hun centrale bestuurszetel naar een andere Lid-Staat te verplaatsen. Het feit dat de bestuurszetel van een vennootschap zich in een bepaalde Lid-Staat bevindt, zou niet noodzakelijkerwijs betekenen, dat die vennootschap een reële en daadwerkelijke economische activiteit in die staat uitoefent, en zou dus niet zijn te beschouwen als vestiging in de zin van artikel 52 EEG-Verdrag.

14.

De Commissie beklemtoont in de eerste plaats, dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de voorwaarden waaronder een vennootschap haar bestuurszetel naar een andere Lid-Staat kan verplaatsen, nog steeds afhangen van het nationale recht van de staat waar zij is opgericht, en van die waar zij zich gaat vestigen. In dit verband wijst de Commissie op de verschillen tussen de nationale wettelijke regelingen inzake het vennootschapsrecht. Sommige regelingen laten de verplaatsing van de bestuurszetel toe, in bepaalde gevallen zelfs zonder daaraan rechtsgevolgen te verbinden, ook niet op fiscaal gebied. Volgens andere regelingen verliest een vennootschap haar rechtspersoonlijkheid wanneer zij haar administratie of besluitvormingscentrum verplaatst uit de Lid-Staat waar zij is opgericht. Alle regelingen kennen evenwel de mogelijkheid, een vennootschap in de ene Lid-Staat te ontbinden en in een andere opnieuw op te richten. De Commissie is van mening, dat wanneer verplaatsing van de centrale bestuurszetel naar nationaal recht mogelijk is, het recht om die zetel naar een andere Lid-Staat te verplaatsen, een door artikel 52 EEG-Verdrag beschermd recht is.

15.

Gezien deze uiteenlopende opvattingen, wijst het Hof er in de eerste plaats op, zoals het al vele malen heeft gedaan, dat de vrijheid van vestiging een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap is en dat de verdragsbepalingen die deze vrijheid waarborgen, sedert het einde van de overgangsperiode rechtstreekse werking hebben. Het recht om zich in een andere Lid-Staat te vestigen, wordt door die bepalingen niet enkel toegekend aan gemeenschapsonderdanen, doch ook aan de in artikel 58 bedoelde vennootschappen.

16.

Hoewel die bepalingen met name beogen te verzekeren dat buitenlandse onderdanen en vennootschappen in de Lid-Staat van ontvangst op dezelfde wijze worden behandeld als de onderdanen van die Lid-Staat, verbieden zij de Lid-Staat van oorsprong ook, de vestiging in een andere Lid-Staat te bemoeilijken van een van zijn onderdanen of van een naar zijn nationaal recht opgerichte en onder de definitie van artikel 58 vallende vennootschap. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, zouden de door de artikelen 52 en volgende gewaarborgde rechten hun betekenis verliezen indien de Lid-Staat van oorsprong ondernemingen kon beletten het land te verlaten ten einde zich in een andere Lid-Staat te vestigen. Voor natuurlijke personen is het recht om hun land met dat doel te verlaten, uitdrukkelijk voorzien in richtlijn 73/148, waarop de tweede prejudiciële vraag betrekking heeft.

17.

In het geval van vennootschappen wordt het recht van vestiging normaliter uitgeoefend door de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen, zoals uitdrukkelijk voorzien in de tweede zin van artikel 52, lid 1. Het is trouwens deze vorm van vestiging waarvoor verzoekster in casu heeft gekozen door in Nederland een kantoor voor het beheer van beleggingen te openen. Een vennootschap kan haar recht van vestiging ook uitoefenen door deel te nemen in de oprichting van een vennootschap in een andere Lid-Staat; artikel 221 EEG-Verdrag waarborgt dan, dat haar ten aanzien van haar deelneming in het kapitaal van de nieuwe vennootschap nationale behandeling ten deel valt.

18.

De Britse wettelijke bepaling waarom het in het hoofdgeding gaat, stelt geen enkele beperking aan verrichtingen zoals hierboven omschreven. Evenmin belet zij de gedeeltelijke of gehele overdracht van de activiteiten van een naar Brits recht opgerichte vennootschap aan een in een andere Lid-Staat nieuw opgerichte vennootschap, zo nodig na ontbinding van de Britse vennootschap en vereffening van haar belastingschuld in het Verenigd Koninkrijk. De toestemming van het Ministerie van Financiën is enkel vereist wanneer de vennootschap haar centrale bestuurszetel uit het Verenigd Koninkrijk wenst te verplaatsen met behoud van haar rechtspersoonlijkheid en haar hoedanigheid van vennootschap naar Brits recht.

19.

In dit verband zij erop gewezen, dat, anders dan natuurlijke personen, vennootschappen hun bestaan ontlenen aan de wet en wel, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, aan de nationale wet. Zij bestaan enkel krachtens de verschillende nationale wetgevingen, die de oprichtings- en werkingsvoorwaarden ervan bepalen.

20.

Zoals de Commissie heeft beklemtoond, vertonen de wettelijke regelingen van de Lid-Staten aanzienlijke verschillen, zowel met betrekking tot de aanknoping met het nationale grondgebied, die vereist is voor de oprichting van een vennootschap, als met betrekking tot de mogelijkheid dat een naar het recht van een Lid-Staat opgerichte vennootschap die aanknoping later wijzigt. Bepaalde Lid-Staten verlangen, dat niet enkel de statutaire zetel, maar ook het feitelijke hoofdkantoor, dat wil zeggen het hoofdbestuur van de vennootschap, zich op hun grondgebied bevindt, zodat verplaatsing van het hoofdbestuur naar een ander land onderstelt dat de vennootschap eerst wordt ontbonden, met alle fiscaal- en vennootschapsrechtelijke gevolgen van dien. Volgens de wetgeving van andere Lid-Staten kunnen vennootschappen hun hoofdbestuur naar het buitenland verplaatsen, maar in sommige landen zoals het Verenigd Koninkrijk is dat recht aan bepaalde beperkingen onderworpen, terwijl de rechtsgevolgen van een verplaatsing, met name op fiscaal gebied, van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen.

21.

In het EEG-Verdrag is rekening gehouden met deze verschillen tussen de nationale wettelijke regelingen. Bij de omschrijving, in artikel 58 van het Verdrag, van de vennootschappen waarvoor het recht van vestiging geldt, worden statutaire zetel, hoofdbestuur en hoofdvestiging van een vennootschap op gelijke voet geplaatst als element van aanknoping. Verder bepaalt artikel 220, dat de Lid-Staten, voor zover nodig, overeenkomsten sluiten ter verzekering van, onder meer, de handhaving van de rechtspersoonlijkheid in geval van verplaatsing van de zetel van vennootschappen van het ene land naar het andere. Met betrekking tot deze materie is echter nog geen enkele overeenkomst van kracht geworden.

22.

Hieraan moet worden toegevoegd, dat geen van de krachtens artikel 54, lid 3, sub g, EEG-Verdrag vastgestelde richtlijnen inzake de coördinatie van het vennootschapsrecht betrekking heeft op de verschillen waarom het hier gaat.

23.

Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat het Verdrag de verschillen tussen de nationale wettelijke regelingen met betrekking tot de vereiste aanknoping en de vraag of, en zo ja hoe, de statutaire zetel of het feitelijke hoofdkantoor van een naar nationaal recht opgerichte vennootschap naar een andere Lid-Staat kan worden verplaatst, beschouwt als vraagstukken waarvoor de regels inzake het recht van vestiging geen oplossing bieden, doch die in toekomstige wetgeving of overeenkomsten moeten worden geregeld.

24.

Onder deze omstandigheden kunnen de artikelen 52 en 58 EEG-Verdrag niet aldus worden uitgelegd, dat zij naar het recht van een Lid-Staat opgerichte vennootschappen het recht geven, hun centrale bestuurszetel en hun hoofdbestuur naar een andere Lid-Staat te verplaatsen met behoud van hun hoedanigheid van vennootschap naar het recht van de eerste Lid-Staat.

25.

Op het eerste onderdeel van de eerste vraag moet mitsdien worden beantwoord, dat de artikelen 52 en 58 EEG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht aan een vennootschap die is opgericht overeenkomstig het recht van een Lid-Staat en in die Lid-Staat haar statutaire zetel heeft, niet het recht geven haar centrale bestuurszetel naar een andere Lid-Staat te verplaatsen.

26.

Gezien dit antwoord, behoeft het tweede onderdeel van de eerste vraag niet te worden beantwoord.

De tweede vraag

27.

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de bepalingen van richtlijn 73/148 van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten, een vennootschap het recht geven haar centrale bestuurszetel naar een andere Lid-Staat te verplaatsen.

28.

Dienaangaande kan worden volstaan met erop te wijzen, dat die richtlijn, naar uit het intitule en de bepalingen ervan blijkt, enkel betrekking heeft op de verplaatsing en het verblijf van natuurlijke personen, en dat die bepalingen zich naar hun aard niet lenen voor overeenkomstige toepassing op rechtspersonen.

29.

Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat richtlijn 73/148 aldus moet worden uitgelegd, dat de bepalingen ervan een vennootschap niet het recht geven haar centrale bestuurszetel naar een andere Lid-Staat te verplaatsen.

De derde en de vierde vraag

30.

Gezien de antwoorden op de eerste twee vragen van de nationale rechter, zijn de derde en de vierde vraag niet meer van belang.

Kosten

31.

De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de High Court of Justice, Queen's Bench Division, bij beschikking van 6 februari 1987 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) De artikelen 52 en 58 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht aan een vennootschap die is opgericht overeenkomstig het recht van een Lid-Staat en in die Lid-Staat haar statutaire zetel heeft, niet het recht geven haar centrale bestuurszetel naar een andere Lid-Staat te verplaatsen.

2) Richtlijn 73/148 van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten, moet aldus worden uitgelegd, dat de bepalingen ervan een vennootschap niet het recht geven haar centrale bestuurszetel naar een andere Lid-Staat te verplaatsen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

5
EEG-Verdrag art. 52uitgelegd9 voorkomens
EEG-Verdrag art. 58uitgelegd9 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen
EEG-Verdrag art. 2211 voorkomen
EEG-Verdrag art. 541 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Hof van JustitieC-106/1625.10.2017

Grensoverschrijdende omzetting van een vennootschap

Conclusie van advocaat-generaal La PergolaC-260/9516.01.1997

Zesde richtlijn 77/388 art. 26

Bekijk de 2 documenten

Rechtsleer

36
Van Thiel, Servaas: Daily Mail Case. Tax Planning and the European Right of Establishment. A Setback, European Taxation 1988 p.357-366 (EN)
Schmitthoff, Clive: Tax and Company Migration, Business Law Brief 1988 december p.2-3 (EN)
Frommel, S.N.: EEC Companies and Migration: A Setback for Europe, Intertax 1988 p.409-416 (EN)
Schmitthoff, Clive M.: Daily Mail Loses in the European Court, The Journal of Business Law 1988 p.454-455 (EN)
Carli, Carlo Cesare: Diritto tributario europeo e "paradisi fiscali": abuso del diritto... di stabilimento o lacuna del sistema fiscale comunitario?, Rivista di diritto europeo 1988 p.128-138 (IT)
Bekijk de 31 andere verwijzingen
Boutard-Labarde, Marie-Chantal: Chronique de jurisprudence de la Cour de justice des Communautés européennes. Libre circulation des personnes et des services, Journal du droit international 1989 p.428-431 (FR)
Gill, A.V.: Migration of Companies and the Right of Establishment in E.C. Law, Irish Law Times and Solicitors' Journal 1989 p.59-61 (EN)
Sandrock, Otto ; Austmann, Andrea: Das Internationale Gesellschaftsrecht nach der Daily Mail-Entscheidung des Europäischen Gerichtshofs : Quo vadis?, Recht der internationalen Wirtschaft 1989 p.249-253 (DE)
Roos, Peter: Europees vennootschapsrecht, vestigingsvrijheid, zetelverplaatsing en ipr, Ars aequi 1989 p.382-390 (NL)
Van Hoorn Jr., J.: Il trasferimento di sede di società alla luce del diritto comunitario, Diritto e pratica tributaria 1989 p.377-383 (EN)
X: Libertad de establecimiento. Derecho a abandonar el Estado miembro de origen. Persona jurídica, Gaceta Jurídica de la CEE - Boletín 1989 nº 40 p.40-42 (ES)
Cartou, Louis: Droit communautaire, Recueil Dalloz Sirey 1989 Som. p.227 (FR)
Großfeld, Bernhard ; Luttermann, Claus: Juristenzeitung 1989 p.386-387 (DE)
Behrens, Peter: Die grenzüberschreitende Sitzverlegung von Gesellschaften in der EWG, Praxis des internationalen Privat- und Verfahrensrechts 1989 p.354-361 (DE)
Vara de Paz, Nemesio: Traslado de la sede social (sede de dirección) en el ámbito de la Comunidad Económica Europea, Revista de Instituciones Europeas 1989 p.871-882 (ES)
Lever, Jeremy: Case 81/87, The Queen v. H.M. Treasury exparte Daily Mail and General Trust PLC (Judgment of 27 September 1988 [I9881 3 CMLR 713), Common Market Law Review 1989, Volume 26, Issue 2, p. 331-334 (EN)
Mok, M.R.: Zetelverplaatsing vennootschap, TVVS ondernemingsrecht en rechtspersonen 1990 p.104-105 (NL)
Ebke, Werner F. ; Gockel, Markus: European Corporate Law, The International Lawyer 1990 p.239-250 (EN)
Meilicke, Wienand: Sitztheorie und EWG-Vertrag nach Handels- und Steuerrecht, Recht der internationalen Wirtschaft 1990 p.449-452 (DE)
Capelli, Fausto: Trasferimento della sede amministrativa di società nella CEE: diritto di stabilimento e problematiche fiscali, Diritto comunitario e degli scambi internazionali 1990 p.50-54 (IT)
Timmermans, C.W.A.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1991 p.69-73 (NL)
Drobnig, Ulrich: Gemeinschaftsrecht und internationales Gesellschaftsrecht. "Daily Mail" und die Folgen, Europäisches Gemeinschaftsrecht und Internationales Privatrecht 1991 p.185-206 (DE)
Großfeld, Bernhard ; König, Thomas: Das Internationale Gesellschaftsrecht in der Europäischen Gemeinschaft, Recht der internationalen Wirtschaft 1992 p.433-440 (DE)
Wouters, Jan: The Case-Law of the European Court of Justice on Direct Taxes: Variations upon a Theme, Maastricht Journal of European and Comparative Law 1994, Volume 1, Issue 2, p. 179-220 (EN)
Görk, Stefan: Notarius International 1999 p.86-94 (EN)
Kessler, Alexander ; Legeais, Dominique ; Grassi, Irene ; Lauser, Karl-Heinz ; Birds, John: Casebook Europäisches Gesellschafts- und Unternehmensrecht, Casebooks Entscheidungen des EuGH 2002 Bd. 3 p.62-75 (DE)
Nelson, Maria: Aktiebolags etableringsrätt i EU - en studie utifrån målen Segers, Daily Mail och Centros, Svensk Skattetidning 2002 p.635-656 (SV)
Ballarino, Tito: Sulla mobilità delle società nella Comunità Europea. Da Daily Mail a Überseering: norme imperative, norme di conflitto e libertà comunitarie, Rivista delle società 2003 p.669-698 (IT)
Wymeersch, Eddy: Il trasferimento della sede della società nel diritto societario europeo, Rivista delle società 2003 p.723-764 (IT)
Йосифова, Таня: Търговско и конкурентно право 2007 p.14-16 (BG)
Behrens, Peter: Cartesio bestätigt, aber korrigiert Daily Mail, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2009 Heft 3 p.V (DE)
Kußmaul, Heinz ; Richter, Lutz ; Ruiner, Christoph: Grenzenlose Mobilität?! - Zum Zuzug und Wegzug von Gesellschaften in Europa, Europäisches Wirtschafts- & Steuerrecht - EWS 2009 p.1-10 (DE)
Wattel, P.J.: Een innovatief belastingadvies dat strandde op een pseudo-siège-réel-stelsel, Het recht van de Europese Unie in 50 klassieke arresten (Ed. Boom Juridische Uitgevers - Den Haag) 2010 p.187-194 (NL)
Zilinsky, M.: Zetelverplaatsing binnen de Europese Unie en het National Grid Indus-arrest: het Daily Mail-arrest achterhaald?, Weekblad voor privaatrecht, notariaat en registratie 2012 p.359-360 (NL)
Galeza, Dorota: Did the ECJ show common sense in upholding Daily Mail?, China-EU law journal 2013 Vol. 2 p.95-108 (EN)
Wouters, Jan: Grensoverschrijdende zetelverplaatsing van vennootschappen binnen de Europese Unie : de lange schaduw van Daily Mail : C-81/87, JPB : liber amicorum Jean-Pierre Blumberg 2021 p. 649-668 (NL)