---
title: "HvJ EU, 804/79, arrest van 5 mei 1981 · EEG-Verdrag art. 5, verordening 101/76 art. 3"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 mei 1981, 804/79: EEG-Verdrag art. 5, verordening 101/76 art. 3."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-804-79-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-804-79-arret"
---

# Arrest van het Hof van 5 mei 1981, 804/79 · EEG-Verdrag art. 5, verordening 101/76 art. 3

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

804/79

**ECLI**

ECLI:EU:C:1981:93

**Datum**

5 mei 1981

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming gegrond

**Zaak ingediend op**

13 november 1979

**Advocaat-generaal**

Reischl

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1981, blz. 1045

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Pescatore

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Beginselen en burgerschap van de Unie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-01) [Verplichtingen van de lidstaten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-01.03) 62 beslissingen
  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Visserij](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.16) [Instandhouding en beheer van de biologische rijkdommen van de zee](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.16.01) [Bevoegdheid van de Gemeenschap en tijdelijke bevoegdheid der Lid-Staten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.16.01.01) 7 beslissingen

## Tekst

165 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Overzicht van de feiten

Op 20 oktober 1970 werden door de Raad van de Europese Gemeenschappen krachtens inzonderheid de artikelen 42 en 43 EEG-Verdrag vastgesteld de verordeningen nrs. 2141 en 2142/70, houdende respectievelijk een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten en de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB L 236 van 1970, blz. 5 en 1).

De bij het zogenoemde Toetredingsverdrag van 22 januari 1972 gevoegde Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen, bevat in de artikelen 98-103 bepalingen inzake de visserij. Artikel 102 bepaalt dat uiterlijk vanaf het zesde jaar na de toetreding de Raad, op voorstel van de Commissie, de voorwaarden vaststelt voor de uitoefening van de visserij, teneinde de bescherming van de visbanken en het behoud van de biologische rijkdommen van de zee te waarborgen.

Op 19 januari 1976 stelde de Raad verordening nr. 100/76 vast, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten, alsmede verordening nr. 101/76, houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB L 20 van 1976, blz. 1 en 19); daarbij werden de verordeningen nrs. 2141 en 2142/70 ingetrokken.

Artikel 1 van verordening nr. 101/76 luidt als volgt:

„Ten einde te bevorderen dat de visserijsector zich binnen het algemene raam van de economie harmonisch en evenwichtig ontwikkelt en dat de biologische rijkdommen van de zee en van de binnenwateren rationeel worden geëxploiteerd, worden een gemeenschappelijke regeling voor de uitoefening van de zeevisserij, alsmede bijzondere maatregelen met het oog op passende acties en op de coördinatie van het structuurbeleid van de Lid-Staten en deze sector vastgesteld”.

Artikel 2, lid 1, bepaalt:

„De in elk van de Lid-Staten geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt mag niet leiden tot verschillen in behandeling ten opzichte van andere Lid-Staten.

Met name dienen de Lid-Staten te waarborgen dat voor alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der Lid-Staten varen en op het grondgebied van de Gemeenschap staan ingeschreven, gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in het in de voorgaande alinea bedoelde gedeelte der zee”.

Ingevolge artikel 2, lid 2, van verorde-, ning nr. 101/76 doen de Lid-Staten de andere Lid-Staten en de Commissie mededeling van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarin de door hen toegepaste regeling voor de uitoefening van de zeevisserij in hun gedeelte van de zee is vervat, alsmede van de bepalingen die voortvloeien uit de verplichting te waarborgen dat gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden; krachtens artikel 3 zijn de Lid-Staten verplicht, de andere Lid-Staten en de Commissie in kennis te stellen van de wijzigingen die zij voornemens zijn aan te brengen in hun visserijregeling.

Artikel 4 van verordening nr. 101/76 bepaalt:

„Ingeval de uitoefening van de visserij in het in artikel 2 bedoelde gedeelte der zee van de Lid-Staten bepaalde visgronden aan de risico's van overbevissing blootstelt, kan de Raad op voorstel van de Commissie volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag, de voor de instandhouding van deze visgronden noodzakelijke maatregelen vaststellen.

Deze maatregelen kunnen met name beperkingen inhouden inzake de vangst van bepaalde vissoorten, de visgronden, de visperioden, de vismethoden en de vistuigen”.

Tijdens zijn bijeenkomst van 30 oktober 1976 te's-Gravenhage nam de Raad een resolutie aan — welke op 3 november daaropvolgende formeel werd vastgesteld — waarbij werd overeengekomen dat de Lid-Staten per 1 januari 1977 in een onderling afgestemde actie hun visserijzones langs de aan de Noordzee en de noordelijke Atlantische Oceaan gelegen kusten zouden uitbreiden tot 200 mijl.

Bij diezelfde gelegenheid verklaarde de Raad zich akkoord (bijlage VI bij de resolutie) met een verklaring van de Commissie van de volgende inhoud:

„In afwachting van de invoering van de thans in voorbereiding zijnde communautaire maatregelen inzake de instandhouding van het visbestand zullen de Lid-Staten geen unilaterale instandhoudingsmaatregelen nemen.

Indien echter in de internationale commissies voor de visserij geen overeenstemming wordt bereikt voor het jaar 1977 en indien vervolgens niet onmiddellijk autonome communautaire maatregelen kunnen worden aangenomen, kunnen de Lid-Staten als conservatoire maatregelen en op niet-discriminerende wijze de passende maatregelen nemen ter bescherming van de visbestanden in de viszones die aan hun kusten grenzen.

Alvorens deze maatregelen te nemen, tracht de betrokken Lid-Staat de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen, die in alle stadia van deze procedure moet worden geraadpleegd.

Deze eventueel op te nemen maatregelen lopen niet vooruit op de beleidslijnen die zullen worden aangenomen voor de tenuitvoerlegging van de communautaire instandhoudingsmaatregelen”.

Op 18 februari 1977 aanvaardde de Raad verordening nr. 350/77 tot vaststelling van bepaalde overgangsmaatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB L 48 van 1977, blz. 28).

Tijdens zijn bijeenkomst van 30 en 31 januari 1978 bereikte de Raad overeenstemming over de volgende verklaring (PBC 154 van 1978, blz. 5):

„De Raad heeft ingestemd met de mededeling van de Commissie, dat bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling, nationale maatregelen slechts getroffen kunnen worden voor zover deze strikt noodzakelijk zijn uit hoofde van de instandhouding en het beheer der visbestanden, niet-discriminerend zijn, in overeenstemming zijn met het Verdrag en nadat voorafgaand de goedkeuring van de Commissie is gevraagd.”

Op 19 december 1978 stelde de Raad een besluit vast „gebaseerd op de Verdragen, betreffende een tijdelijke regeling voor de visserijactiviteiten in onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de Lid-Staten vallende wateren, in afwachting van de vaststelling van definitieve communautaire maatregelen”.

Bij dat besluit heeft de Raad in afwachting van het bereiken van overeenstemming over communautaire maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden en aanverwante aangelegenheden, en gelet op artikel 102 van de Toetredingsakte alsmede op de noodzaak de biologische rijkdommen te beschermen en passende betrekkingen met derde landen op visserijgebied te handhaven, interimmaatregelen getroffen die van toepassing waren tot definitieve overeenstemming was bereikt of uiterlijk tot en met 31 maart 1979. Deze interimmaatregelen bestonden hierin, dat de Lid-Staten hun visserijactiviteit zodanig dienden uit te oefenen, dat de vangsten van hun schepen tijdens de interimperiode rekening hielden met de TAC's (totale toegestane vangsten) die door de Commissie aan de Raad waren voorgesteld, en met het gedeelte van de TAC's dat ter beschikking was gesteld van derde landen in het kader van overeenkomsten en regelingen die door de Gemeenschap met deze landen waren gesloten. De in de interimperiode gevangen hoeveelheden dienden in mindering te worden gebracht op de hoeveelheden voor 1979, die uiteindelijk door de Raad zouden worden vastgesteld.

Wat de technische maatregelen voor instandhouding van en toezicht op de visbestanden betreft, dienden de Lid-Staten dezelfde maatregelen toe te passen als die welke zij op 3 november 1976 toepasten, alsook andere maatregelen die waren getroffen in overeenstemming met de procedures en criteria van bijlage VI van de resolutie van de Raad van 3 november 1976 (resolutie van Den Haag).

Gelijkluidende interimmaatregelen zijn door de Raad wederom vastgesteld bij besluit nr. 79/383 van 9 april 1979 (PB L 93 van 1979, blz. 40), en vervolgens bij besluit nr. 79/590 van 25 juni 1979 (PB L 161 van 1979, blz. 46); de in dit laatste besluit vervatte interimmaatregelen waren van toepassing tot uiterlijk 31 oktober 1979.

Voordien had de regering van het Verenigd Koninkrijk bij brief van 21 maart 1979 de Commissie medegedeeld dat zij, bij gebreke van voorafgaande overeenstemming op gemeenschapsniveau, voornemens was verschillende nationale maatregelen op het gebied van de zeevisserij vast te stellen die per 1 juni in werking zouden treden, en verzocht zij overeenkomstig de resolutie van Den Haag om goedkeuring van deze maatregelen, meer in het bijzonder bestaande in: het in bepaalde visserijgebieden vergroten van de maaswijdte van de netten voor de visserij op witvis en langoestines, de vaststelling van minimum maten voor de aanvoer van bepaalde vissoorten, waaronder wijting, het bepalen van een toegestaan percentage bijvangsten bij de langoestinevisserij en het vaststellen van minimum maten voor de aanvoer van langoestines.

Na een uitgebreide briefwisseling en verschillende raadplegingen werd de Commissie op 19 juni 1979 door de regering van het Verenigd Koninkrijk officieel mededeling gedaan van vijf ontwerpverordeningen inzake de zeevisserij, en op 29 juni 1979 van een zesde ontwerpverordening — ter vervanging van een van de eerste vijf — die in weerwil van de bezwaren van de Commissie op 1 juli 1979 in werking zouden treden. De Commissie werd tegelijkertijd ook in kennis gesteld van bepaalde problemen die waren gerezen bij de toepassing van het vergunningenstelsel voor de haringvisserij en het actieprogramma voor het beheer van het haringbestand in de wateren rondom het eiland Man en in het noorden van de Ierse Zee.

De verordeningen, waartegen de Commissie bezwaar had gemaakt, zowel in verband met de nationale bevoegdheid om ze vast te stellen, als met betrekking tot verschillende bepalingen daarvan en hun wijze van vaststelling, waren de volgende: de „Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979 (Statutory Instrument No. 744)”, de „Immature Sea Fish Order 1979 (SI No 741)”, de „Immature Nephrops Order 1979 (SI No 742)”, de „Nephrops Tails (Restrictions on Landing) Order 1979 (SI No 743)”, de „Sea Fish (Minimum Size) Order (Northern Ireland) 1979”, op 29 juni 1979 vervangen door de „Sea Fish (Minimum Size) (Amendment) Order (Northern Ireland) 1979 (Statutory Rules of Norhtern Ireland No 235)”.

a) De „Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979” schrijft voor het vissen op beschermde soorten witvis in deelgebied 2 van het Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan — met uitzondering van de Ierse Zee — een minimum maaswijdte voor van 75 mm voor trawlnetten die van dubbel twijn zijn gebreid en van 80 mm voor trawlnetten die van dubbel twijn zijn gebreid, terwijl de bestaande voorschriften van de NEAFC (North-East Atlantic Fisheries Commission) een maaswijdte van respectievelijk 70 en 75 mm voorzien. Dezelfde verordening vergroot de minimum maaswijdte voor het vissen op langoestines in het gehele NEAFC-deelgebied 2 van 55/60 mm tot 75 mm voor trawlnetten die van dubbel twijn zijn gebreid. Zij bepaalt de maximum bijvangst van beschermde witvissoorten op 50 % en bevat ook enige technische maatregelen met betrekking tot de structuur van de netten.

b) De „Immature Sea Fish Order 1979” stelt een minimum maat vast voor de aanvoer van verschillende vissoorten. De bepalingen van deze verordening gelden voor alle vissersschepen die binnen de Britse visserijzones opereren; er is voorzien in een uitzondering voor bijvangsten bij industriële visserij.

c) De „Immature Nephrops Order 1979” stelt de minimum aanvoermaat voor in het Verenigd Koninkrijk aangevoerde langoestines op 25 mm, gemeten over de lengte van het pantser, hetgeen overeenkomt met een totale lengte van 86 mm en geeft gedetailleerde regels voor het meten; zij verbiedt buitenlandse vissersschepen binnen de Britse wateren langoestines aan boord te hebben van minder dan de in die verordening vastgestelde lengte.

d) De „Nephrops Tails (Restriction on Landing) Order 1979” verbiedt de aanvoer van langoestines, tenzij de hoeveelheid niet meer bedraagt dan 290 staarten per kilogram aangevoerd gewicht.

e) De „Sea Fish (Minimum Size) (Amendment) Order (Northern Ireland) 1979” bepaalt voor de Ierse wateren de minimum aanvoermaat voor wijting op 27 cm en voor langoestines op een pantserlengte van 25 mm. De in 1979 door de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en van het eiland Man voorbereide overeenkomsten betreffende de voorwaarden voor de haringvangst in het noorden van de Ierse Zee in het kader van de „Herring (Irish Sea) Licensing Order 1977, SI No 1388”, en de „Herring (Isle of Man) Licensing Order 1977, SI No 1389” waren volgens de door de Commissie ontvangen inlichtingen discriminerend voor de Ierse vissers met name ten aanzien van het stelsel van vergunningen om binnen de 12-mijlszone rondom het eiland Man te vissen en vis op dat eiland aan te voeren en bevatte kwantitatieve beperkingen in de vorm van quota per visser en per vangstdag. Na een nieuwe briefwisseling en verdere raadplegingen leidde de Commissie bij brief van 6 juli 1979 tegen het Verenigd Koninkrijk de in artikel 169 EEG-Verdrag bedoelde procedure in. In deze brief verwijt zij het Verenigd Koninkrijk, door vaststelling van de bestreden nationale visserijmaatregelen zijn verplichtingen krachtens het gemeenschapsrecht niet te zijn nagekomen; de regering van het Verenigd Koninkrijk werd verzocht vóór 20 juli 1979 haar opmerkingen te maken.

Bij brief van 31 juli 1979 diende de Britse regering haar opmerkingen in terzake van de haar verweten niet-nakoming van verdragsverplichtingen.

Aangezien deze opmerkingen de Commissie niet bevredigden, bracht zij het in artikel 169 EEG-Verdrag bedoelde met redenen omklede advies uit. In dat advies verzocht zij de Britse regering, binnen 45 dagen de noodzakelijke stappen te ondernemen om een eind te maken aan de gestelde inbreuken op het gemeenschapsrecht, bestaande in de toepassing van de op 1 juli 1979 in werking getreden verordeningen betreffende de zeevisserij; de Commissie behield zichzelf het recht voor, op korte termijn een definitief standpunt te bepalen ten aanzien van de regelingen voor de haringvangst in de wateren rondom het eiland Man en in het noorden van de Ierse zee.

Na nieuwe raadplegingen bracht de Commissie op 2 oktober 1979 een tweede met redenen omkleed advies uit, waarin de Britse regering werd verzocht een eind te maken aan de inbreuken op het gemeenschapsrecht, bestaande in de toepassing van bepaalde maatregelen met betrekking tot de haringvangst in de wateren rondom het eiland Man en in het noorden van de Ierse zee.

#### II — Schriftelijke behandeling

Bij op 13 november 1979 ingekomen verzoekschrift heeft de Commissie krachtens artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag de aan het Verenigd Koninkrijk op het gebied van de zeevisserij verweten niet-nakoming van verdragsverplichtingen bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakt.

Bij beschikkingen van respectievelijk 12 december 1979 en 26 maart 1980, heeft het Hof de Franse Republiek en Ierland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissies.

De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft evenwel op 10 juli 1980 de Commissie verzocht, ten aanzien van elk van de maatregelen waarop haar beroep betrekking heeft, de conclusies te specificeren waarop zij een uitspraak van het Hof verlangt en het heeft op 7 oktober 1980 de Commissie en de Britse regering verzocht om een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden. Aan deze verzoeken is binnen de gestelde termijn gevolg gegeven.

#### III — Conclusies van partijen

De Commissie concludeert in de laatste versie van haar op verzoek van het Hof nader gespecificeerde conclusies, dat het den Hove behage:

vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen krachtens het EEG-Verdrag en de resolutie van Den Haag niet is nagekomen door in 1979 vast te stellen en toe te passen de „Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order”, de „Immature Sea Fish Order”, de „Immature Nephrops Order”, de „Nephrops Tails (Restrictions on Landing) Order”, de „Sea Fish (Minimum Size) (Amendment) Order (Northern Ireland)”, alsmede een vergunningenstelsel of actieprogramma voor het beheer van de haringvisserij in de wateren rondom het eiland Man en in de Ierse zee;

het Verenigd Koninkrijk in de kosten te verwijzen.

De regering van de Franse Republiek, interveniente, concludeert dat het den Hove behage, vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door eenzijdig de visserijmaatregelen van 1 juli 1979 vast te stellen, zijn verplichtingen krachtens het gemeenschapsrecht niet is nagekomen.

De regering van Ierland, interveniente, concludeert dat het den Hove behage, vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door de maatregelen voor 1979 waarop het verzoekschrift van de Commissie betrekking heeft, in te voeren en toe te passen, zijn verplichtingen krachtens het Verdrag niet is nagekomen.

De regering van het Verenigd Koninkrijk verzoekt het Hof vast te stellen dat zij op de gebieden waarop het verzoekschrift van de Commissie betrekking heeft, in haar verplichtingen krachtens het EEG-Verdrag niet tekort is geschoten.

#### IV — Door partijen schriftelijk voorgedragen middelen en argumenten

De Commissie maakt vanuit twee gezichtspunten bezwaar tegen de maatregelen in geding: enerzijds in het algemeen voor wat de bevoegdheid van Lid-Staten betreft, om na 31 december 1978 autonome maatregelen in de sector visserij vast te stellen, en anderzijds voor wat de onderscheiden maatregelen afzonderlijk betreft, met betrekking tot de procedure en verschillende materiële bepalingen van deze maatregelen.

De regering van de Franse Republiek betwist de bevoegdheid van de regering van het Verenigd Koninkrijk om de bestreden eenzijdige maatregelen vast te stellen, en acht de verordening betreffende de maaswijdte van de netten voor de langoestinevangst voorbarig, onnodig, buitensporig en discriminerend.

De regering van Ierland is van oordeel, dat het Verenigd Koninkrijk bij geen van de maatregelen in geding zijn verplichtingen krachtens de resolutie van Den Haag is nagekomen, dat de op de visvangst in de wateren rondom het eiland Man en in het noorden van de Ierse zee toegepaste maatregelen discriminerend zijn.

De regering van het Verenigd Koninkrijk is daarentegen van mening, dat de Lid-Staten bevoegd zijn gebleven in 1979 in de sector zeevisserij nationale maatregelen vast te stellen, dat voor deze maatregelen geen machtiging van de Commissie vereist was, dat de maatregelen in geding zijn vastgesteld in overeenstemming met de geldende procedurevoorschriften en dat zij niet in strijd zijn met het materiële gemeenschapsrecht.

##### A — De bevoegdheidsvraag

De Commissie stelt dat na het verstrijken van de in artikel 102 Toetredingsakte bedoelde overgangsperiode, de Lid-Staten niet langer bevoegd zijn instandhoudingsmaatregelen voor de visserij vast te stellen en dat dergelijke maatregelen door de Lid-Staten slechts geldig kunnen worden vastgesteld, indien zijn voordien zijn goedgekeurd door de Gemeenschap.

a) De Gemeenschap is krachtens het EEG-Verdrag zelf bevoegd op het gebied van de visserij; haar bevoegdheden ter zake vloeien niet voort uit artikel 102, dat een ander doel heeft. Aangezien artikel 102 toch enig rechtsgevolg moet hebben, moet dit hierin bestaan, dat een eind wordt gemaakt aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om maatregelen vast te stellen „teneinde de bescherming van de visbanken en het behoud van de biologische rijkdommen van de zee te waarborgen”, voor zover die bevoegdheden niet op een eerder tijdstip waren vervallen door de vaststelling van communautaire visserijmaatregelen.

b) Deze opvatting is gebaseerd op de rechtspraak van het Hof van Justitie, in het bijzonder de arresten van 14 juli 1976 (gevoegde zaken 3, 4 en 6/76, Kramer e. a., Jurispr. 1976, blz. 1279), 16 februari 1978 (zaak 61/77, Commissie t. Ierland, Jurispr. 1978, blz. 417) en 3 juli 1979 (gevoegde zaken 185 — 204/78, Van Dam e. a., Jurispr. 1979, blz. 2345). Uit deze arresten volgt met name, dat de bevoegdheid van de Lid-Staten terzake van instandhoudingsmaatregelen slechts van tijdelijke aard was en dat de Lid-Staten dergelijke maatregelen slechts op nationaal niveau mochten vaststellen, zolang de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte niet was verstreken en de Gemeenschap haar bevoegdheden terzake nog niet volledig had uitgeoefend. Uit de door het Hof gekozen formulering blijkt duidelijk dat het bijzonder belang hechtte aan de datum die het einde van de bevoegdheid van de Lid-Staten markeerde. De regel betreffende de tijdelijke bevoegdheid van de Lid-Staten is een aanvulling op en moet worden onderscheiden van de regel dat door de Lid-Staten in het kader van hun bevoegdheden vastgestelde nationale maatregelen in overeenstemming moeten zijn met het gemeenschapsrecht; ook moet zij worden onderscheiden van de algemene regel dat, zodra de Gemeenschap op een bepaald gebied gedetailleerde voorschriften heeft gegeven, de Lid-Staten niet langer bevoegd zijn op dat gebied regelend op te treden.

c) De opmerking van het Hof, dat de Lid-Staten uiterlijk bij het einde van de in artikel 102 Toetredingsakte genoemde termijn verplicht zijn alle beschikbare juridische en politieke middelen aan te wenden teneinde de deelname van de Gemeenschap aan de visserijovereenkomsten te verzekeren betekent dat de Lid-Staten na die datum niet langer de noodzakelijke bevoegdheid hebben om zelf daaraan deel te nemen.

d) Het op het eerste gezicht verbazende feit dat de resolutie van Den Haag van 1976 de Lid-Staten gedurende een kort tijdvak verbiedt unilaterale maatregelen voor de instandhouding van visbestanden vast te stellen, lijkt vanzelfsprekend indien artikel 102 des wordt uitgelegd, dat de Lid-Staten nauwelijks twee jaar later iedere wetgevende bevoegdheid in de sector zeevisserij zouden verliezen. Afgezien van de — inmiddels door het Hof besliste — vraag op welke datum de in artikel 102 genoemde periode verstrijkt, is de tekst van deze bepaling duidelijk: na de daarin genoemde datum is bij uitsluiting de Raad bevoegd de voorwaarden voor de uitoefening van de visserij vast te stellen, teneinde de bescherming van de visbanken en het behoud van de biologische rijkdommen van de zee te waarborgen.

e) De voornaamste redenen waarom de sector visserij op deze wijze wordt behandeld, zijn gelegen in de bijzondere aard ervan: op het gebied van de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee kunnen slechts bevredigende resultaten worden geboekt dankzij de samenwerking van alle Lid-Staten en door een geheel van voorschriften die voor alle betrokken staten, inclusief derde landen, bindend zijn. In de sector visserij houden de interne en externe bevoegdheden van de Gemeenschap ten nauwste verband met elkaar. Het merendeel van de communautaire visbestanden is binnen de jurisdictie van de Gemeenschap gekomen tengevolge van het besluit van de Gemeenschap, de visserijgrenzen tot 200 mijl uit te breiden. Op geen ander rechtsgebied is de jurisdictie van de Lid-Staten zo volledig op een communautaire maatregel gebaseerd; op geen ander gebied hebben de door de Gemeenschap vastgestelde maatregelen zulk een rechtstreekse en onmiddellijke invloed op de rechten van burgers van derde landen en op de betrekkingen van de Gemeenschap met deze landen.

f) Het Hof heeft verklaard dat de bevoegdheid van de Raad om instandhoudingsmaatregelen vast te stellen, voortvloeit uit het EEG-Verdrag, met name uit artikel 43. Artikel 102 Toetredingsakte was dus niet bedoeld als grondslag voor de bevoegdheid van de Raad in deze sector, maar als een uitnodiging aan de Raad om binnen een bepaalde periode een gemeenschappelijk visserijbeleid tot stand te brengen. Aangezien een dergelijke bepaling niet zonder enig rechtsgevolg kan blijven, betekent dit dat de daarin voorziene actie slechts door de Raad en niet door de Lid-Staten kan worden ondernomen. Aangezien de Lid-Staten niet langer bevoegd zijn nationale regelen te stellen voor de visserij, mogen zij dit enkel nog doen met machtiging van de Commissie. Wanneer de Raad geen overeenstemming weet te bereiken over een communautaire maatregel, zou hij er wellicht wel mee kunnen instemmen om machtiging te verlenen voor nationale maatregelen. Is voor een bepaalde maatregel geen machtiging verleend door de Raad, dan dient de Commissie noodzakelijkerwijze bevoegd te zijn om in die uitzonderlijke omstandigheden krachtens artikel 155 een Lid-Staat te machtigen nationale instandhoudingsmaatregelen te nemen. De bevoegdheid van de Commissie om aldus bepaalde nationale instandhoudingsmaatregelen goed te keuren, is erkend bij de besluiten van de Raad van 19 december 1978, 9 april en 25 juni 1979.

g) Voor wat de toepasselijke criteria en andere procedures betreft, is de Commissie het met het Verenigd Koninkrijk eens, dat de resolutie van Den Haag van toepassing is en een bindend karakter heeft. De Commissie moet door de betrokken Lid-Staten in alle stadia van de procedure worden geraadpleegd; ten aanzien van het toepasselijke criterium volgt uit de resolutie van Den Haag, dat de Lid-Staat „als conservatoire maatregel en op niet-discriminerende wijze de passende maatregelen (kan) nemen ter bescherming van de visbestanden ...”, terwijl volgens de verklaring van de Raad van 31 januari 1978 nationale maatregelen slechts getroffen kunnen worden voor zover deze strikt noodzakelijk zijn uit hoofde van de instandhouding en het beheer der visbestanden, niet-discriminerend en in overeenstemming zijn met het Verdrag en nadat vooraf goedkeuring van de Commissie is gevraagd. De resolutie van Den Haag blijft van toepassing, zij het in een situatie die door het verstrijken van de in artikel 102 Toetredingsakte bedoelde periode wezenlijk is veranderd. De sedert 1 januari 1979 geldende rechtsregeling is gebaseerd op artikel 102 en niet op een nieuwe, strikte uitlegging van de resolutie van Den Haag. In deze omstandigheden kan noch de resolutie van Den Haag, noch verordening nr. 101/76 de Lid-Staten de bevoegdheid teruggeven waaraan artikel 102 een einde heeft gemaakt.

h) Subsidiair dient te worden opgemerkt dat, zo de Lid-Staten nog na de datum waarop de Raad had moeten handelen, bevoegdheden op het gebied van de visserij hebben, zij een stellige verplichting hebben om samen te werken, en dat zij deze bevoegdheden uitsluitend met goedkeuring van Raad of Commissie mogen uitoefenen. Deze opvatting is gebaseerd op artikel 5 EEG-Verdrag, en hangt niet af van de uitlegging van artikel 102 die het Verenigd Koninkrijk niet wenst te aanvaarden. Blijkens artikel 102 zijn de Lid-Staten unaniem overeengekomen dat de Raad voor het verstrijken van de in dat artikel bedoelde periode een algemene regeling voor de visserij moet vaststellen. Aangezien de Raad daarin niet is geslaagd, zijn de Lid-Staten verplicht tot samenwerking, teneinde het verzuim van de Raad zoveel mogelijk goed te maken. Zij hebben twee verplichtingen: een verplichting om maatregelen te nemen met betrekking tot problemen die de Raad had moeten oplossen, in bijzonder de urgente instandhoudingsproblemen, en een verplichting om zulks enkel te doen met toestemming van een gemeenschapsinstelling. Indien de Raad overeenkomstig artikel 102 had gehandeld, zouden de Lid-Staten ontegenzeglijk hun bevoegdheden in de visserijsector hebben verloren; zo zij dergelijke bevoegdheden thans nog bezitten, dan is dat enkel omdat de Raad in gebreke is gebleven. De nationale maatregelen zijn dan slechts een substituut voor de maatregelen die de Raad had moeten vaststellen. Die nationale bevoegdheden kunnen niet ruimer zijn dan die welke de Raad thans zou hebben; in elk geval kunnen de Lid-Staten dan ook slechts maatregelen vaststellen die door de Commissie zijn voorgesteld of goedgekeurd, gelijk ook de Raad slechts dergelijke maatregelen kan vaststellen (behoudens een uitzondering). Zo de Lid-Staten nog steeds bevoegdheden hebben in de visserijsector mogen zij deze op grond van artikel 102 slechts uitoefenen met toestemming van de Commissie. Het zou niet te verenigen zijn met artikel 5 EEG-Verdrag indien Lid-Staten van het verzuim van de Raad zouden profiteren om nationale maatregelen vast te stellen waartoe zij niet in staat zouden zijn geweest indien de Raad in overeenstemming met artikel 102 had gehandeld, en die in elk geval geen maatregelen zijn waarover de Raad overeenstemming heeft bereikt. In deze redenering ligt het vereiste van goedkeuring door de Commissie van nationale visserijmaatregelen in hetzelfde vlak als het vereiste van goedkeuring door de Commissie — in de vorm van een door haar gedaan voorstel — van de meeste besluiten van de Raad. Op het gebied van de bescherming van de visbanken zijn de maatregelen die de Commissie in elk geval moet goedkeuren, van dezelfde aard als de maatregelen die de Commissie aan de Raad voorstelt en ook moet voorstellen en die de Raad zou moeten vaststellen.

i) De Lid-Staten beschikken rechtens en feitelijk over bepaalde mogelijkheden om de vaststelling van communautaire maatregelen te verhinderen. Het zou onaanvaardbaar zijn dat een Lid-Staat die op niet te rechtvaardigen wijze de totstandkoming van gemeenschapsmaatregelen tegenwerkt, zonder goedkeuring van de gemeenschapsinstellingen bevoegdheden zou mogen gebruiken die hij, zo de Raad had gehandeld, kennelijk niet langer zou kunnen uitoefenen.

j) Het besluit van de Raad van 25 juni 1979, dat van kracht was op de datum waarop de nationale maatregelen in geding in werking traden, verwijst uitdrukkelijk naar artikel 102 en schraagt de uitlegging van de Commissie van dat artikel. Uit de tekst ervan blijkt dat de resolutie van Den Haag niet langer geldt voor zover daarin de bevoegdheid van de Lid-Staten werd erkend om nationale instandhoudingsmaatregelen vast te stellen; de resolutie geldt uitsluitend nog voor wat de procedures en de criteria betreft. Dat het besluit van 25 juni 1979 enkel naar de procedures en criteria van de resolutie van Den Haag verwijst, heeft slechts zin indien men de door de Commissie aan artikel 102 gegeven uitlegging volgt; het zou immers absurd zijn, de Lid-Staten een grotere vrijheid te geven om nationale maatregelen vast te stellen, dan zij voordien krachtens de resolutie in haar geheel hadden.

De regering van de Franse Republiek herinnert eraan, dat de visserijsector, en meer in het bijzonder de instandhouding van de zeevissoorten, ontegenzeglijk onder de bevoegdheden valt die door de Verdragen uitdrukkelijk aan de Gemeenschap zijn overgedragen.

a) Voor wat de omstandigheden betreft, waarin de Raad verplicht was, de gemeenschapsbevoegdheden ten aanzien van de instandhouding van de rijkdommen van de zee uit te oefenen en deze metterdaad heeft uitgeoefend, dient een fundamenteel onderscheid te worden gemaakt tussen de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte en de periode daarna.

b) Voor de eerste periode volgt duidelijk uit de rechtspraak van het Hof, dat de Lid-Staten bij stilzitten van de Raad, tot 31 december 1978 bepaalde nationale maatregelen voor de instandhouding, van de visbanken konden nemen, maar dat deze bevoegdheid in ieder geval op 1 januari 1979 verviel. Dit beginsel is bovendien door de Raad zelf erkend in de resolutie van Den Haag.

c) Met betrekking tot de tweede periode heeft het Hof vastgesteld dat alle nationale bevoegdheden terzake op 31 december 1978 zijn vervallen. Daarna was enkel de Raad bevoegd instandhoudingsmaatregelen vast te stellen; bovendien kon de Raad niet zonder in strijd te komen met artikel 102 de Lid-Staten bevoegdheden teruggeven die deze na het verstrijken van de overgangsperiode definitief hadden verloren. De resolutie van Den Haag berust op dezelfde gedachte. Zij gold „in afwachting van de invoering van de thans in voorbereiding zijnde communautaire maatregelen inzake de instandhouding van het visbestand”, en het is nooit de bedoeling geweest dat zij zou worden toegepast na het einde van de overgangsperiode per 31 december 1978. Elke nationale bevoegdheid op het gebied van de bescherming van de visbanken is dan ook op 31 december 1978 volstrekt en onherroepelijk vervallen.

d) Aangezien ingevolge artikel 102 elke nationale bevoegdheid op 31 december 1978 is vervallen en de resolutie van Den Haag na die datum niet meer van toepassing was, kunnen de op 19 december 1978, 9 april, 25 juni (en 29 oktober) 1979 door de Raad vastgestelde interimmaatregelen niet des worden uitgelegd, dat zij niet beoogden de Lid-Staten te machtigen na 31 december 1978 maatregelen te nemen, doch om de voordien door de staten vastgestelde maatregelen te consolideren; de Lid-Staten zijn verplicht na 1 januari 1979 uitsluitend de regelen toe te passen die op 3 november 1976 — de datum van de resolutie van Den Haag — van kracht waren, alsmede die welke in overeenstemming met die resolutie regelmatig zijn vastgesteld tussen 3 november 1976 en 31 december 1978, toen elke nationale bevoegdheid verviel. Dit is de enige uitlegging die te verenigen valt met artikel 102, zoals uitgelegd door het Hof. De interimbesluiten van de Raad moeten, in overeenstemming met de tekst van de Verdragen, de rechtspraak van het Hof en hun eigen bewoordingen, worden uitgelegd als consoliderende besluiten en niet als besluiten tot delegatie of overdracht van bevoegdheid.

e) De Lid-Staten mogen geen nieuwe technische beschermingsmaatregelen vaststellen. Door de maatregelen in geding vast te stellen, heeft het Verenigd Koninkrijk mitsdien in strijd met zijn verplichtingen gehandeld.

Met betrekking tot de bevoegdheid van een Lid-Staat om in 1979 instandhoudingsmaatregelen vast te stellen is de Ierse regering van mening dat de situatie is geregeld bij de besluiten van de Raad van 19 december 1978, 9 april, 25 juni (en 29 oktober) 1979. De uiterst beperkende uitlegging die de Franse regering, uitgaande van artikel 102 Toetredingsakte, geeft aan de bevoegdheden van de Raad ter zake van instandhoudingsmaatregelen, kan niet worden aanvaard. Onder bepaalde omstandigheden kan het noodzakelijk zijn dat de Raad ook na 31 december 1978 regels, procedures en criteria vaststelt voor een door de individuele Lid-Staten in plaats van door de Raad zelf te ondernemen actie. Er is geen reden waarom de Raad de Lid-Staten niet zou machtigen — indien en voor zover daarvoor machtiging van de Raad nodig zou zijn — om maatregelen tot instandhouding van de visbestanden in te voeren, wanneer de Raad meent dat zulks het belang van de Gemeenschap zou dienen.

In de onderhavige zaak dient het Hof te beslissen of de Britse maatregelen voor 1979 in overeenstemming waren met de door de Raad in 1978 en 1979 vastgestelde interimbesluiten, daaronder begrepen de — niet gewijzigde — resolutie van Den Haag, en met andere relevante voorschriften van gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 7 EEG-Verdrag, artikel 2 van verordening nr. 101/76 en artikel 4 van Protocol nr. 3 betreffende de Kanaaleilanden en het eiland Man, artikel 3 van verordening nr. 101/76 en de bepalingen van de Londense Visserijverdrag van 1964, inzake de rechten van Ierland en de Ierse vissers.

De regering van bet Verenigd Koninkrijk is van mening dat de Lid-Staten een eigen bevoegdheid en een eigen recht hebben om instandhoudingsmaatregelen te nemen, behalve voor zover zij dat recht bij Verdrag hebben beperkt. Deze beperkingen zijn, dat de maatregelen in overeenstemming moeten zijn met de formele vereisten van het gemeenschapsrecht, met name verordening nr. 101/76 en de resolutie van Den Haag, en niet in strijd mogen zijn met gemeenschapsmaatregelen op dat gebied. De Lid-Staten zijn verplicht, voor dergelijke maatregelen te trachten de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen, doch niet om een machtiging van de Commissie te verkrijgen.

a) Door de enkele omstandigheid dat op 31 december 1978 de uiterste datum was verstreken waarop de Raad ingevolge artikel 102 Toetredingsakte communautaire instandhoudingsmaatregelen moest vaststellen, is de bevoegdheid van Lid-Staten om dergelijke maatregelen vast te stellen niet aangetast. De bevoegdheid van de Lid-Staten wordt slechts beperkt voor zover de Raad metterdaad dergelijke maatregelen vaststelt. In elk geval was de materie op alle relevante tijdstippen geregeld door de uitdrukkelijke bepalingen van de achtereenvolgende besluiten van de Raad van 19 december 1978, 19 april en 25 juni 1979, die dergelijke maatregelen uitdrukkelijk toestaan.

b) Artikel 102 kan niet des worden uitgelegd, dat het de Raad een exclusieve bevoegdheid verleent tot het vaststellen van instandhoudingsmaatregelen. Duidelijk is dat het de Raad verplicht, zijn bevoegdheden voor een bepaalde datum uit te oefenen. Aangezien de Raad slechts in onderlinge overeenstemming kan handelen, kan hij op geen enkele wijze worden gedwongen aan die verplichting te voldoen; artikel 102 kan niet betekenen dat wanneer deze verplichting niet punctueel door de Raad wordt nagekomen, de bescherming van de visbestanden voor onbepaalde tijd moet uitblijven.

c) De Raad heeft echter niet volledig stilgezeten; hoewel hij geen algemene communautaire instandhoudingsregeling heeft vastgesteld in overeenstemming met zijn verplichting krachtens artikel 102, heeft hij een aantal besluiten genomen waarin hij verklaarde zo vroeg mogelijk overeenstemming te willen bereiken over communautaire maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden en aanverwante aangelegenheden, en heeft hij in tussentijd interimmaatregelen getroffen totdat definitieve overeenstemming zou zijn bereikt.

d) De wettigheid van de maatregelen die door het Verenigd Koninkrijk tijdens de geldigheidsduur van de interimmaatregelen van de Raad van 25 juni 1979 zijn getroffen, moet worden beoordeeld in het licht van de vereisten van dat besluit, dat precies dezelfde status en bindende werking heeft als de resolutie van Den Haag zelf; de vraag is derhalve of de Britse maatregelen zijn getroffen „in overeenstemming met de procedures en de criteria” van die resolutie van Den Haag.

e) De Raad had beslist niet de bedoeling de Commissie een recht van veto te geven ten aanzien van nationale instandhoudingsmaatregelen; hij verkoos zich te baseren op het vereiste van de resolutie van Den Haag, dat de Lid-Staten moeten „trachten de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen”.

f) Het argument van de Commissie, dat ingevolge artikel 102 de bevoegdheden van de Lid-Staten zijn vervallen voor zover dat al niet eerder was gebeurd, vindt nergens steun. Het vindt geen steun in de rechtspraak van het Hof: tot nu toe heeft dit zich niet behoeven uit te spreken over de vraag hoe de situatie zou zijn indien de bij artikel 102 vastgestelde tijdslimiet zou verstrijken zonder dat de Raad ten volle had voldaan aan zijn verplichting om instandhoudingsmaatregelen vast te stellen.

g) Indien men zegt dat enkel de Raad bevoegd is, kan men niet meer stellen dat de Commissie desondanks machtiging kan verlenen voor nationale maatregelen. In dit verband moet allereerst worden opgemerkt, dat de Raad in feite nationale maatregelen heeft toegestaan bij zijn besluit van 25 juni 1979; bovendien kan artikel 155 EEG-Verdrag niet aldus worden uitgelegd, dat het de Commissie de bevoegdheid zou verlenen een Lid-Staat te machtigen een maatregel te nemen, waarvoor hij in elk geval onbevoegd is. In feite eist de Commissie niet een bevoegdheid op om machtiging te verlenen voor een maatregel die niet door de Raad is toegestaan, doch om een veto uit te spreken over een maatregel waarvoor de Raad machtiging heeft verleend.

h) De verwijzing in de interimbesluiten van 19 december 1978, 9 april en 25 juni 1979 naar de procedures en criteria van de resolutie van Den Haag, moet niet worden opgevat als een verplichting van de Lid-Staten om machtiging te verkrijgen, in plaats van te trachten de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen.

i) Het betoog van de Franse regering, dat elke nationale bevoegdheid op 31 december 1978 is vervallen, wordt niet gestaafd door de rechtspraak van het Hof, noch door artikel 102 Toetredingsakte; het wordt weerlegd door de tekst van de interimbesluiten en door de praktijk: in 1979 hebben de Lid-Staten bij de Commissie ten minste 25 verzoeken om goedkeuring van nationale instandhoudingsmaatregelen ingediend, waaronder een verzoek van de Franse regering zelf.

j) Het subsidiaire argument van de Commissie is even misleidend als het primaire: de bevoegdheden van de Lid-Staten zijn tot nu toe enkel beperkt door de resolutie van Den Haag, die hen enkel verplicht „te trachten de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen”, en niet om deze goedkeuring daadwerkelijk te verkrijgen. De Commissie heeft stellig niet een recht van veto ten aanzien van nationale instandhoudingsmaatregelen.

k) Het is onjuist het Hof te vragen zich uit te spreken over het gedrag van Lid-Staten bij de uitoefening van hun wetgevende functie; in elk geval kan een dergelijk onderzoek geen reden zijn om de Commissie een vetorecht te geven.

##### B — De procedurevoorschriften

De Commissie stelt — doch slechts subsidiair — dat de maatregelen in geding zijn vastgesteld in strijd met verscheidene procedurevoorschriften.

a) Ofschoon de Commissie in april 1979 om de tekst van de vijf door het Verenigd Koninkrijk vastgestelde verorderingen had verzocht, ontving zij deze eerst op 19 juni, drie maanden na de eerste kennisgeving en na de datum waarop zij oorspronkelijk in werking hadden moeten treden. Een andere maatregel, die op 1 juli 1979 in werking moest treden, werd de Commissie eerst op 29 juni 1979 meegedeeld. De Britse regering gaf daarvoor geen verklaring of motivering; zij is dan ook duidelijk niet de verplichtingen nagekomen die op haar rustten krachtens de resolutie van Den Haag, volgens welke zij de Commissie „in alle stadia van deze procedure diende te raadplegen”. Het verwijt dat de Commissie zelf verantwoordelijk was voor het gebrek aan overleg, wordt door de feiten weerlegd. Er bestaat geen enkele grond om onderscheid te willen maken tussen „wijzigingen in de regeling voor de visserij” in de zin van verordening nr. 101/76, die slechts behoeven te worden meegedeeld, en de maatregelen, waarop de resolutie van Den Haag van toepassing is. Ofschoon de resolutie en artikel 3 van verordening nr. 101/76 niet gelijkluidend zijn, gelden zij niet voor verschillende categorieën maatregelen. Volgens de rechtspraak van het Hof moet de resolutie van Den Haag aldus worden verstaan, dat zij betrekking heeft op alle instandhoudingsmaatregelen. In elk geval voldoet men niet aan de bepaling van artikel 3 van verordening nr. 101/76 wanneer men, zoals het Verenigd Koninkrijk, een voorgenomen wijziging van de bestaande regeling minder dan 48 uur te voren aankondigt.

b) De aan de Commissie in juni 1979 voorgelegde verordeningen bevatten bepalingen die afwijken van die waarvan zij op 21 maart in kennis was gesteld.

c) De Britse regering maakte tijdens de bijeenkomst van de Raad van 25 juni 1979 bezwaar tegen gemeenschapsmaat- regelen als gemeenschapsmaatregelen, ofschoon zij geen bezwaar had tegen een aantal nationale maatregelen met identieke werking. Het feit dat zij weigerde bepaalde maatregelen met de inhoud waarvan zij het volledig eens was, als gemeenschapsmaatregelen te aanvaarden, valt niet te verenigen met de verplichtingen van een Lid-Staat krachtens het Verdrag, in het bijzonder artikel 5 daarvan.

d) Op één uitzondering na weigerde de Britse regering de maatregelen in geding te wijzigen in het licht van de bezwaren van de Commissie. Deze weigering kan in het onderhavige geval niet objectief worden gerechtvaardigd door het — naar de Britse regering beweert — te late verzoek om wijzigingen aan te brengen.

e) Het Verenigd Koninkrijk is zijn verplichtingen krachtens de resolutie van Den Haag niet nagekomen door maatregelen vast te stellen waarvan het overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 101/76 wel mededeling heeft gedaan, maar waarvoor het niet heeft getracht de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen.

f) Over het geheel genomen heeft de Britse regering nagelaten de Commissie behoorlijk te informeren en te raadplegen en haar voldoende tijd te geven om tot een beslissing te komen, zulks in strijd met artikel 5 EEG-Verdrag en de resolutie van Den Haag.

De regering van de Franse Republiek stelt dat het Verenigd Koninkrijk in de onderhavige zaak zijn verplichtingen krachtens artikel 5 EEG-Verdrag en de besluiten van de Raad niet is nagekomen. Als dat zo is, heeft het ook inbreuk gemaakt op de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 101/76, door de andere Lid-Staten niet tijdig van de voorgenomen maatregelen in kennis te stellen.

Ook de Ierse regering verwijt het Verenigd Koninkrijk, in strijd met in het bijzonder de resolutie van Den Haag te hebben gehandeld door geen informatie te verstrekken en niet samen te werken.

a) De Britse regering heeft de Commissie aanvankelijk slechts onvolledige inlichtingen gegeven, in het bijzonder met betrekking tot de maatregelen voor het eiland Man; op redelijke verzoeken van de Commissie om nadere inlichtingen werd slechts met veel vertraging geantwoord, in sommige gevallen zelfs pas nadat de betrokken maatregelen van kracht waren geworden. De Britse houding kwam in het algemeen hierop neer, dat de procedurele verplichtingen, opgelegd bij de besluiten van de Raad van 1979 en de meer algemene voorschriften van het Verdrag, als loutere formaliteiten werden beschouwd in plaats van als wezenlijke verplichtingen tot samenwerking door behoorlijk kennisgeving en informatie over de voorgenomen maatregelen, en door serieus te pogen vooraf overeenstemming te bereiken over dergelijke maatregelen, die de belangen van vissers uit andere Lid-Staten ernstig schaadden.

b) Het argument dat sommige maatregelen slechts „wijzigingen in de regeling voor de visserij” waren in plaats van maatregelen tot instandhouding van het visbestand, en dat daarvoor dus ook niet de vereisten van de besluiten van de Raad en de resolutie van Den Haag golden, kan niet worden aanvaard. De maatregelen in geding zijn alle genomen met het oog op de instandhouding van de visbestanden; dat voor het visserijgebied rondom het eiland Man in 1979 geen nieuwe wettelijke of bestuursrechtelijke maatregel is vastgesteld, is niet terzake. Voor de administratieve maatregelen die in 1979 door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en het eiland Man krachtens reeds bestaande wettelijke bevoegdheden zijn genomen, golden de procedures van de resolutie van Den Haag en artikel 3 van verordening nr. 101/76 evenzeer als voor de vaststelling van nieuwe wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen om toezicht op de visserij in de betrokken maritieme zone uit te oefenen.

c) In elk geval is Ierland noch overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 101/76, noch anderszins door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk of van het eiland Man vooraf in kennis gesteld van de door hen geplande maatregelen voor de visserij door Ierse vissersschepen in het „laagseizoen” binnen de 12-mijlszone van het eiland Man.

De regering van bet Verenigd Koninkrijk betwist de haar verweten procedurele inbreuken.

a) Het gebrek aan raadpleging is te wijten aan de Commissie die, in plaats van de uitnodiging te aanvaarden om de voorgenomen maatregelen te bespreken, verzocht de ontwerpen van de verordeningen te mogen inzien, en die aldus een bespreking van de voorstellen uitstelde totdat een beslissing was gevallen omtrent hun definitieve vorm. In elk geval is de Commissie niet gerechtigd de ontwerpverordeningen als zodanig in te zien; zij heeft het recht, vroeg genoeg en voldoende gedetailleerd kennis te nemen van hetgeen wordt voorgesteld en in alle stadia van de procedure te worden geraadpleegd. Het Verenigd Koninkrijk heeft ten volle aan deze verplichtingen voldaan. De Commissie meet met twee maten: van verscheidene maatregelen van andere Lid-Staten is de Commissie eerst enige tijd nadat zij in werking waren getreden, in kennis gesteld. Bovendien is in het gemeenschapsrecht geen minimumperiode voorgeschreven, waarbinnen de kennisgeving moet plaatsvinden. De resolutie van Den Haag heeft betrekking op unilaterale maatregelen inzake de instandhouding van het visbestand.

b) De verschillen tussen de wettelijke regelingen, waarvan de Commissie op 21 maart 1979 in kennis is gesteld, en die waaromtrent de kennisgeving in juli plaatshad, waren zeer gering.

c) De redenen waarom een Lid-Staat bepaalde acties onderneemt binnen de Raad, het wetgevende orgaan van de Gemeenschap, vallen niet onder de jurisdictie van het Hof.

d) Het uiten van politieke bezwaren voor het Hof komt erop neer dat men het Hof uitnodigt zich in strijd met artikel 4, lid 1, EEG-Verdrag te mengen in het interne functioneren van een andere gemeenschapsinstelling. In feite is het verzoek aan de Britse regering om de voorgenomen maatregelen te wijzigen eerst gedaan op 27 juni 1979, drie dagen voordat zij in werking traden; dat verzoek kwam te laat.

e) Aangezien het bij de maatregelen in geding om wijzigingen in de visserijregeling ging en niet om instandhoudingsmaatregelen, was het niet nodig te trachten de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen overeenkomstig de resolutie van Den Haag.

##### C — Enige materiële bepalingen van de maatregelen in geding

De Commissie is van mening dat de Britse maatregelen bepaalde materiële inbreuken op het gemeenschapsrecht opleveren.

a) De vroegtijdige invoering van een grotere minimum maaswijdte voor trawlnetten en van een minimum aanlandingsmaat voor langoestines was niet nodig en onbillijk voor de vissers. De maatregelen op zichzelf worden niet bestreden, de klacht betreft hun te vroege invoering. Het Verenigd Koninkrijk had een overgangsperiode van verscheidene weken moeten voorzien, om de vissers een redelijke termijn te laten om voordien gebruikte netten af te schrijven en te vervangen; de vissers mochten verwachten dat de bestaande regeling zou worden gehandhaafd. De bescherming van deze legitieme verwachting maakt het instellen van een overgangsperiode nodig. Door zulks te weigeren heeft het Verenigd Koninkrijk niet voldaan aan zijn verplichting, enkel strikt noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen te treffen en, in overeenstemming met zijn verplichting krachtens artikel 5 EEG-Verdrag, te vermijden dat aan vissers uit andere Lid-Staten onnodig en onredelijk ongemak en verlies wordt veroorzaakt, of althans dergelijk ongemak of verlies zo klein mogelijk te houden. De betrokken maatregelen hebben tot verscheidene incidenten geleid: verscheidene Franse vissersschepen zijn opgebracht en de kapiteins ervan strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld.

b) Volgens de overeenkomsten tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk en die van het eiland Man betreffende de voorwaarden voor de haringvisserij in het noorden van de Ierse Zee, moesten vissers in het bezit zijn van een vergunning voor het vissen binnen de 12-mijlszone rondom het eiland Man; zij hielden kwantitatieve beperkingen in; in de vorm van quota per visser en per visdag; het was mogelijk het aantal vergunningen te beperken, terwijl het aanlanden van vis was voorbehouden aan vissers met een aanvoervergunning, die enkel werd verstrekt aan houders van een visvergunning. Ierse vissers werden op vele manieren gediscrimineerd ten opzichte van Britse vissers en vissers van het eiland Man, zij werden niet tijdig in kennis gesteld van het vergunningvereiste; zij werden niet in staat gesteld langs normale en redelijke weg aan deze verplichting te voldoen, er werden op hen criteria toegepast verband houdend met „historische belangen”, hetgeen hen verplichtte te erkennen dat zij in 1977 en 1978 zonder vergunning hadden gevist, of hun individuele aanspraken op een „historisch belang” in de betrokken visserijzones te verlagen. Over het geheel genomen waren zij het slachtoffer van een zeer subtiele administratieve tegenwerking. Ook al was de communautaire visserijregeling niet van toepassing op het eiland Man, artikel 4 van Protocol nr. 3 bij het Toetredingsverdrag verbiedt ondubbelzinnig elke discriminatie.

De regering van de Franse Republiek is van mening dat de maatregel waarbij de minimum maaswijdte voor netten voor de langoestinevisserij wordt vergroot, overenigbaar is met het gemeenschapsrecht.

a) De eenzijdige invoering op 1 juli 1979 door het Verenigd Koninkrijk van een maaswijdte van 70 mm is voorbarig, gelet op de behoefte aan bescherming van deze vissoort. De oorspronkelijke voorstellen van de Commissie voor zagen de toepassing van een dergelijke maatregel op 1 september 1979; de vaststelling van die datum op 1 juli 1979 is strijdig met de verklaring van de Raad tijdens zijn bijeenkomst van 4 april 1979, berust niet op wetenschappelijke gegevens en is in strijd met een in de Raad bereikte overeenkomst.

b) De maatregelen in geding creëren een niet te verdedigen discriminatie tussen Lid-Staten en tussen soorten visserij. De abrupte overgang op een maaswijdte van 70 mm versnelt de tendens om de Franse langoestinevissers geleidelijk te doen verdringen door Britse vissers. Aangezien het langoestinebestand niet wordt bedreigd, is het enige mogelijke motief voor een overgang op een maaswijdte van 70 mm, het streven de bijvangsten van demorsale soorten te verminderen; dit motief kan op wetenschappelijke, politieke en juridische gronden van de hand worden gewezen.

c) De unilaterale Britse beslissing betreffende de maaswijdte voor de langoestinevangst is van dien aard, dat de totstandbrenging van een gemeenschappelijk visserijbeleid wordt bemoeilijkt en in gevaar wordt gebracht.

d) De onderhavige maatregel leidt voor de Franse vissers tot ernstige financiële schade, die groot genoeg is om de vissers ertoe te brengen niet meer te gaan vissen in de wateren waarin zij van oudsher in overeenstemming met hun historische rechten en met het gemeenschapsrecht hun activiteiten hebben uitgeoefend. Die schade bestaat in het feit dat schepen worden opgebracht, de kapiteins beboet, en dat het vistuig verbeurd wordt verIdaard en in de — in haar consequenties veel ernstiger — afschrikwekkende werking daarvan op de Franse vissers, die van oudsher in deze wateren vissen.

De Ierse regering betoogt dat de maatregelen inzake de haringvisserij in de wateren rondom het eiland Man en in het noorden van de Ierse Zee discriminerend zijn voor de Ierse vissers.

De gemeenschapsvoorschriften, met inbegrip van het discriminatieverbod, zijn van toepassing op de wateren binnen de 12-mijlszone van het eiland Man, zo al niet op het gedeelte buiten de 3-mijlszone, dan toch in elk geval op dat buiten de 6-mijlszone. Bovendien hebben de in het Londense Visserijverdrag van 1964 omschreven traditionele rechten van Ierland en zijn vissers, om binnen een bepaald gebied tussen 6 en 12 mijl uit de westkust van het eiland Man te vissen, kracht van wet ingevolge de EEG-Verdragen, in bijzonder artikel 100, lid 2, Toetredingsakte. De uitoefening van de speciale visrechten van Ierland wordt ook gedekt door de „gelijke behandelings”-regel in artikel 4 van Protocol nr. 3 bij de Toetredingsakte betreffende de Kanaaleilanden en het eiland Man.

De Ierse vissers of hun vertegenwoordigers ontvingen de aanvraagformulieren voor een visvergunning voor de wateren rondom het eiland Man en in het noorden van de Ierse Zee, daaronder begrepen de zone tussen 6 en 12 mijl uit de kust van het eiland Man, eerst op een zeer laat tijdstip, zowel voor het laag- als voor het hoogseizoen; bovendien werden zij in een ongunstige positie gebracht voor wat het bewijs van hun „historische belangen” betreft.

Het gehele vergunningenstelsel voor de visvangst in 1979 in de wateren grenzende aan het eiland Man, met inbegrip van het „historische belang”-criterium, zoals toegepast door de autoriteiten van het eiland Man en het Verenigd Koninkrijk, was discriminerend voor de Ierse vissers.

De regering van het Verenigd Koninkrijk acht verwijten inzake de materiële inbreuken ongegrond.

a) De vergroting van de maaswijdte voor de langoestinevisserij, van de minimum aanvoermaat van langoestines en van de maaswijdte voor de visserij op witvis waren gerechtvaardigd om wetenschappelijk gefundeerde redenen, in het bijzonder de aanbevelingen van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee; de Britse weigering om in te stemmen met de voorgestelde gemeenschapsregeling, hetgeen de invoering van deze maatregelen zou hebben vertraagd, was ten volle gerechtvaardigd. Instandhoudingsmaatregelen, bedoeld om de vangstopbrengst voor alle betrokkenen op de lange termijn te vergroten, kunnen op de korte termijn tot tijdelijke verliezen voor de vissers leiden. Uitstel van de invoering van de maatregelen tot na 1 juli 1979 zou schade hebben toegebracht aan het visbestand en mitsdien ook aan de bestaansmiddelen van de vissers; de maatregelen in geding waren dan ook zowel adequaat als noodzakelijk. Invoering van een overgangsmaatregel voor de langoestinevisserij was niet in strijd met de verklaring van de Raad van 4 april 1979. De kritiek van de Franse regering berust op sociale en economische overwegingen, terwijl de maatregelen in geding in wezen zijn gebaseerd op de wetenschappelijke aanbevelingen van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee.

b) De klachten met betrekking tot de afgifte van vergunningen aan Ierse haringvissers kunnen enkel verband houden met de wateren tussen 6 en 12 mijl vanuit de basislijnen van het eiland Man in het visseizoen 1979; de gemeenschapsvoorschriften inzake maatregelen tot instandhouding van het visbestand gelden niet voor deze wateren, ingevolge met name het nieuwe artikel 227, lid 5, sub c, EEG-Verdrag en Protocol nr. 3 bij de Toetredingsakte. In het onderhavige geval is discriminatie ten nadele van Ierse vissers niet aangetoond. Het geringe aantal aan Ierse vissers verleende vergunningen is te wijten aan het feit dat overeenkomstig historische criteria slechts een klein aandeel mocht worden gevangen.

#### V — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 9 december 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door de Commissie, te dezen vertegenwoordigd door D. W. Allen en J. Temple Lang als gemachtigden; de Franse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door G. Guillaume als gemachtigde; Ierland, te dezen vertegenwoordigd door D. N, C. Budd, en het Verenigd Koninkrijk, te dezen vertegenwoordigd door de Lord Advocate, Lord Mackay of Clashfern, Q.C., bijgestaan door P. G. Langdon-Davies en M. Cushing als getuigedeskundige.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 12 februari 1981 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij verzoekschrift, op 13 november 1979 neergelegd ter griffie van het Hof, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door eenzijdige maatregelen op het gebied van de zeevisserij toe te passen, waaronder enerzijds vijf verordeningen betreffende de maaswijdte van de netten en de minimum aanvoermaat van bepaalde vissoorten, en anderzijds een vergunningenstelsel voor de visvangst in de Ierse Zee en de wateren rondom het eiland Man.

2.

Tot de maatregelen van de eerste groep behoren de volgende, op 1 juli 1979 in werking getreden verordeningen :

—The Fishing Nets (North-East Atlantic) (Variation) Order 1979, SI No 744;

—The Immature Sea Fish Order 1979, SI No 741;

—The Immature Nephrops Order 1979, SI No 742;

—The Nephrops tails (Restrictions on Landing) Order 1979, SI No 743;

—The Sea Fish (Minimum Size) (Amendment) Order (Northern Ireland) 1979, SI No 235;

3.

De in de Ierse Zee en de wateren rondom het eiland Man toegepaste bepalingen berusten op twee verordeningen:

—The Herring (Irish Sea) Licensing Order 1977, SI No 1388, en

—The Herring (Isle of Man) Licensing Order 1977, SI No 1389.

Opgemerkt zij dat dezelfde verordeningen reeds het onderwerp waren van 's Hofs arrest van 10 juli 1980 (zaak 32/79, Commissie t. Verenigd Koninkrijk).

#### Achtergrond van het geschil

4.

Vaststaat dat begin 1979 de Raad, waaraan de Commissie krachtens artikel 102 Toetredingsakte een voorstel had gedaan voor een aantal maatregelen strekkende tot instandhouding van de visbestanden in de onder de jurisdictie van de Lid-Staten vallende wateren, nog niet de noodzakelijke bepalingen had vastgesteld. Onder deze omstandigheden stelde de Raad interimbesluiten voor beperkte periodes vast, die evenwel herhaaldelijk zijn verlengd. Deze op gelijksoortige wijze geformuleerde besluiten zijn gedateerd 19 december 1978 (niet gepubliceerd), 9 april 1979 (nr. 79/383, PB L 93 van 1979, blz. 40) en 25 juni 1979 (nr. 79/590, PB L 161 van 1979, blz. 46). Dit laatste besluit, dat van toepassing was op het moment dat de vijf verordeningen van de eerste groep in werking traden, luidt als volgt:

> „Besluit van de Raad
>
> van 25 juni 1979
>
> gebaseerd op de Verdragen, betreffende een tijdelijke regeling voor de visserijactiviteiten in onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de Lid-Staten vallende wateren, in afwachting van de vaststelling van definitieve communautaire maatregelen.
>
> De Raad is voornemens zo vroeg mogelijk in 1979 overeenstemming te bereiken over communautaire maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden en aanverwante aangelegenheden. In afwachting van zijn besluit ter zake en gelet op artikel 102 van de Toetredingsakte alsmede op de noodzaak de biologische rijkdommen te beschermen en passende betrekkingen met derde landen op visserijgebied te handhaven, heeft de Raad op 19 december 1978 en 9 april 1979 interimmaatregelen getroffen die respectievelijk van 1 januari 1979 tot en met 31 maart 1979 en van 1 april tot en met 30 juni 1979 van kracht zijn geweest. In aansluiting daarop aanvaardt de Raad de volgende interimmaatregelen die van toepassing zijn vanaf 1 juli 1979 tot het tijdstip waarop de Raad definitief overeenstemming heeft bereikt en uiterlijk tot en met 31 oktober 1979.
>
> 1.De Lid-Staten oefenen hun visserijactiviteit zodanig uit dat de vangsten van hun schepen tijdens de interimperiode rekening houden met de TAC's (totale toegestane vangsten) die aan de Raad zijn voorgesteld in de mededelingen van de Commissie van 23 november 1978 en van 16 februari 1979 en met het gedeelte van de TAC's dat ter beschikking is gesteld van derde landen in het kader van overeenkomsten en regelingen die door de Gemeenschap met deze landen zijn gesloten. De in de interimperiode gevangen hoeveelheden zullen in mindering worden gebracht op de hoeveelheden voor 1979 die uiteindelijk door de Raad zullen worden vastgesteld.
>
> 2.Wat de technische maatregelen voor instandhouding van en toezicht op de visbestanden betreft, passen de Lid-Staten dezelfde maatregelen toe als die welke zij op 3 november 1976 toepasten, alsook andere maatregelen die zijn getroffen in overeenstemming met de procedures en criteria van bijlage VI van de Resolutie van de Raad van 3 november 1976.”

5. Bij brief van 21 maart 1979 stelde de regering van het Verenigd Koninkrijk de Commissie in kennis van haar voornemen, op 1 juni daaropvolgend een aantal maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in werking te doen treden, die betrekking hadden op de maaswijdte van netten, de minimum aanvoermaat en bijvangsten, en zij trachtte daarvoor de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen in overeenstemming met bijlage VI bij de resolutie van Den Haag (de tekst hiervan — hierna „resolutie van Den Haag” — is niet bekendgemaakt in het Publikatieblad, doch aangehaald in het arrest van het Hof van 16 februari 1978, zaak 61/77, Commissie t. Ierland, Jurispr. 1978, blz. 417, r.o. 37). Vervolgens deelde de regering de Commissie mee, dat de voorgenomen maatregelen eerst op 1 juli in werking zouden treden.

6. Omdat de Commissie zich haar standpunt voorbehield totdat zij in het bezit zou zijn gesteld van de volledige tekst van de voorgenomen maatregelen, zond de Britse regering haar op 19 juli 1979 de tekst van vijf ontwerpverordeningen toe, en op 29 juli 1979 van een zesde die in de plaats was gekomen van een van de eerste vijf. In de briefwisseling terzake tussen de Britse regering en de Commissie, wees de laatste er herhaaldelijk op, dat de voorgenomen maatregelen niet in werking konden treden zonder door haar te zijn goedgekeurd, aangezien de Gemeenschap ten aanzien van de betrokken materie bevoegd was.

7. De litigieuze maatregelen traden op 1 juli 1979 in werking.

8. Bij brief van 6 juli 1979 deelde de Commissie de Britse regering mee, dat zij de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag had ingeleid. Na ontvangst van de opmerkingen van de Britse regering in een brief van 31 juli 1979, bracht de Commissie op 3 augustus 1979 een met redenen omkleed advies uit omtrent bovengenoemde verordeningen en, op 2 oktober 1979, omtrent het geschil betreffende de visvangst in de Ierse Zee en de wateren rondom het eiland Man.

9. Tussen partijen is niet betwist dat de op 1 juli 1979 door het Verenigd Koninkrijk ingevoerde verordeningen echte instandhoudingsmaatregelen zijn en dat zij althans in beginsel overeenkomen met de terzelfdertijd door de Commissie aan de Raad voorgestelde maatregelen voor het gehele betrokken zeegebied. De bezwaren van de Commissie berusten op de overweging, dat maatregelen van die aard slechts effect kunnen sorteren indien zij voor de gehele Gemeenschap worden vastgesteld, dat de Raad ze in de door het Verdrag gewenste vorm had kunnen vaststellen indien het Verenigd Koninkrijk het besluitvormingsproces binnen de Raad niet zelf had geblokkeerd, en dat het Verenigd Koninkrijk door de litigieuze maatregelen eenzijdig vast te stellen, zich bevoegdheden heeft aangemeten die sedert 1 januari 1979 volledig aan de Gemeenschap behoren. Volgens de Commissie hadden de litigieuze maatregelen in die omstandigheden dus enkel met haar toestemming mogen worden ingevoerd.

10. Verder heeft de Commissie — zij het slechts subsidiair — de inhoud van de verschillende getroffen maatregelen onderzocht teneinde aan te tonen dat, ook al betreft het echte instandhoudingsmaatregelen, de invoering ervan inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van gelijke behandeling van alle vissers van de Gemeenschap, hetzij wegens het tijdstip van de inwerkingtreding, hetzij wegens de toepassingsmodaliteiten.

11. Het standpunt van de Commissie wordt ondersteund door de regering van de Franse Republiek en de Ierse regering.

12. Na eraan te hebben herinnerd dat de bevoegdheden op het gebied van de visserij en meer in het bijzonder van de instandhouding van de rijkdommen van de zee uitdrukkelijk aan de Gemeenschap zijn overgedragen, wijst de Franse regering erop, dat er per 31 december 1978 volstrekt en onherroepelijk een einde is gekomen aan elke nationale bevoegdheid ter zake van instandhoudingsmaatregelen. In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, zou men dus fundamenteel onderscheid moeten maken tussen de periode voor en na 31 december 1978. Na deze datum zou het uitsluitend aan de Gemeenschap en meer in het bijzonder aan de Raad staan om maatregelen tot bescherming van de biologische rijkdommen van de zee te nemen. De Raad zou, zonder het bepaalde bij artikel 102 Toetredingsakte te miskennen, de Lid-Staten geen bevoegdheden kunnen teruggeven die deze definitief hebben verloren. Gelet op deze rechtstoestand, zouden de besluiten van de Raad zijn te beschouwen als „consolidatiemaatregelen”, die de instandhoudingsmaatregelen vastlegden welke bij het verstrijken van de overgangsperiode bestonden, en niet als besluiten tot delegatie of overdracht van bevoegdheid.

13. Hoewel het optreden van de Commissie ondersteunend, deelt de Ierse regering echter niet de opvatting van de Franse regering inzake de bevoegdheidsvraag. Zij is van mening dat de situatie wordt beheerst door de vorengenoemde opeenvolgende besluiten van de Raad, doch zij wenst niet de mogelijkheid uit te sluiten dat de Raad, ook na het verstrijken van de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte, procedurevoorschriften en criteria kan vaststellen voor zelfstandig optreden van de Lid-Staten in de plaats van de Raad zelf, indien de omstandigheden dringende instandhoudingsmaatregelen noodzakelijk zouden maken.

14. De Britse regering betoogt dat, zolang de Raad de hem bij artikel 102 Toetredingsakte toegekende bevoegdheden niet heeft uitgeoefend, ook niet na het verstrijken van de in die bepaling voorziene periode, de Lid-Staten residuele bevoegdheden en verplichtingen behouden totdat de Gemeenschap ten volle van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Zij ontkent niet, dat de onder die omstandigheden door de Lid-Staten getroffen maatregelen in overeenstemming moeten zijn met alle relevante bepalingen van het gemeenschapsrecht; in de onderhavige zaak zou het werkelijke probleem dan ook zijn, of de maatregelen in strijd met de geldende gemeenschapswetgeving en of het Verenigd Koninkrijk bij de invoering daarvan een van zijn verplichtingen ingevolge het gemeenschapsrecht heeft miskend.

15. De Britse regering is van mening dat op het tijdstip waarop zij de vijf gewraakte verordeningen heeft ingevoerd, er op het betrokken gebied geen communautaire wetgeving van toepassing was, en dat er evenmin communautaire wetgeving bestond terzake van de haringvangst in de Ierse Zee en de wateren rondom het eiland Man. Zij meent aan haar verplichtingen krachtens de besluiten van de Raad en de resolutie van Den Haag te hebben voldaan, omdat zij de Commissie in alle stadia van voorbereiding van de litigieuze maatregelen heeft geraadpleegd en heeft getracht haar goedkeuring te verkrijgen. Daarentegen bestrijdt zij dat deze resolutie en de besluiten waarbij de toepassing ervan is verlengd, des kunnen worden uitgelegd, dat zij het optreden van de Lid-Staten afhankelijk stellen van het verkrijgen van een voorafgaande machtiging van de Commissie.

16. Gelet op de onzekerheden die de rechtstoestand op het betrokken gebied kenmerken, moet in de eerste plaats worden nagegaan, welke de stand van het gemeenschapsrecht inzake instandhoudingsmaatregelen op het relevante tijdstip was. Zijn de grondslagen van die rechtstoestand eenmaal vastgesteld, dan zal daarna eerst moeten worden onderzocht of de invoering van de vijf door de Commissie bestreden verordeningen verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, en vervolgens, hoe de situatie is ten aanzien van de visserijzones in de Ierse Zee en de wateren rondom het eiland Man, waarbij zich bijzondere juridische problemen voordoen.

#### De stand van het recht op het betrokken tijdstip

17. Het Hof heeft in eerdere arresten, en laatstelijk in zijn reeds genoemd arrest van 10 juli 1980, de gelegenheid gehad de terzake toepasselijke elementen van het gemeenschapsrecht in de herinnering te roepen. De in die arresten beschreven situatie is inmiddels wezenlijk veranderd, doordat sedert het verstrijken van de overgangsperiode van artikel 102 Toetredingsakte op 1 januari 1979, de bevoegdheid om in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid maatregelen tot instandhouding van de visbestanden te treffen, volledig en onherroepelijk aan de Gemeenschap toekomt.

18. De Lid-Staten zijn derhalve niet meer gerechtigd in de wateren onder hun jurisdictie een eigen bevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot instandhoudingsmaatregelen. Het invoeren van dergelijke maatregelen, met de beperkingen die zij meebrengen voor de vangstactiviteiten, is sedert die datum een zaak van het gemeenschapsrecht. Gelijk de Commissie terecht heeft opgemerkt, dienen de visbestanden waartoe de vissers van de Lid-Staten gelijke toegang hebben, thans te vallen onder de regels van het gemeenschapsrecht.

19. Het is in het licht van dit beginsel dat de beoordeling van de rechtstoestand dient plaats te vinden. Kenmerkend voor deze rechtstoestand is het feit dat op een gebied waarop de Gemeenschap bevoegd is, de Raad niet binnen de gestelde termijnen de bij artikel 102 Toetredingsakte voorziene instandhoudingsmaatregelen heeft vastgesteld.

20. Daarbij moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat, waar de bevoegdheden terzake volledig en onherroepelijk aan de Gemeenschap zijn overgedragen, een dergelijk verzuim in geen geval de Lid-Staten de bevoegdheid en de vrijheid kan teruggeven om op dit gebied eenzijdig op te treden.

21. Hieruit volgt dat, zoals de Franse regering heeft opgemerkt, bij gebreke van bepalingen door de Raad vastgesteld volgens de door het Verdrag voorgeschreven vormen en procedures, de aan het einde van de in artikel 102 Toetredingsakte bedoelde periode bestaande instandhoudingsmaatregelen gehandhaafd blijven in de staat waarin zij zich bij het verstrijken van de in dat artikel vastgestelde overgangsperiode bevonden.

22. Men mag deze gedachte echter niet zover doorvoeren, dat het de Lid-Staten volstrekt niet mogelijk zou zijn de bestaande instandhoudingsmaatregelen te wijzigen wanneer dat nodig is in verband met de ontwikkeling van de ter zake relevante biologische en technische gegevens. Dergelijke wijzigingen van beperkte draagwijdte mogen echter niet tot een nieuw instandhoudingsbeleid van een Lid-Staat leiden, aangezien de bevoegdheid om een dergelijk beleid tot stand te brengen thans aan de gemeenschapsinstellingen behoort.

23. Gelet op de situatie die door het stilzitten van de Raad is ontstaan, moeten de voorwaarden waaronder dergelijke maatregelen mogelijk zijn, worden omschreven met behulp van alle beschikbare juridische gegevens, hoe fragmentarisch deze ook mogen zijn, en voor het overige door te rade te gaan met de structuurbeginselen waarop de Gemeenschap is gebaseerd. Deze beginselen eisen dat de Gemeenschap onder alle omstandigheden in staat blijft haar verantwoordelijkheden waar te maken, met inachtneming van het door het Verdrag beoogde en als essentieel beschouwde evenwicht.

24. In dit verband dient in de eerste plaats in aanmerking te worden genomen, dat ten tijde van de aan het geding ten grondslag liggende feiten de Commissie de bij artikel 102 Toetredingsakte voorziene voorstellen had ingediend, en dat bij de Raad dus een voorstel met betrekking tot alle te nemen instandhoudingsmaatregelen ter tafel lag. Weliswaar heeft de Raad deze voorstellen niet gevolgd, doch hij heeft tenminste bepaalde richtsnoeren vastgesteld, die zijn vervat in de bovengenoemde besluiten en met name in het besluit van 25 juni 1979, dat ten tijde van de feiten van toepassing was.

25. Deze besluiten, die in wezen een interimkarakter dragen, nemen de voorstellen van de Commissie over met betrekking tot de totale toegestane vangsten (TAC) als grens voor de globale visserijactiviteit gedurende de betrokken periode. Bovendien consolideren zij de technische maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden, die op het betrokken tijdstip van kracht waren. Uit deze besluiten blijkt dus de bedoeling van de Raad om enerzijds het gezag van de voorstellen van de Commissie te versterken en anderzijds te voorkomen dat de bestaande instandhoudingsmaatregelen door de Lid-Staten zonder kennelijke noodzaak zouden worden gewijzigd.

26. Met betrekking tot eventueel noodzakelijke wijzigingen in de bestaande instandhoudingsmaatregelen, verwijzen de besluiten naar de „procedures en criteria” van de resolutie van Den Haag. Er zij aan herinnerd dat deze resolutie in beginsel unilaterale maatregelen van de Lid-Staten uitsluit en, bij gebreke van communautaire maatregelen, slechts die maatregelen toestaat die als conservatoire maatregelen en op niet-discriminerende wijze zijn genomen. Verder wijst zij erop, dat die maatregelen niet vooruit mogen lopen op de toekomstige beleidslijnen van het communautaire beleid op het gebied van de instandhouding van de visbestanden.

27. Alvorens deze maatregelen vast te stellen, is de betrokken Lid-Staat gehouden te trachten de goedkeuring van de Commissie te verkrijgen, die in alle stadia van de procedure moet worden geraadpleegd. Opgemerkt zij dat deze eisen, die oorspronkelijk tijdens de in artikel 102 Toetredingsakte bedoelde overgangsperiode zijn omschreven, thans in een geheel nieuw kader moeten worden bezien, dat wordt gekenmerkt door de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap ter zake en de volle werking van de relevante voorschriften van het gemeenschapsrecht, onverminderd de overgangsbepalingen van de artikelen 100, 101 en 103 Toetredingsakte, waarvan de toepassing in casu echter niet in geding is.

28. Volgens artikel 5 EEG-Verdrag zijn de Lid-Staten verplicht de vervulling van de taak van de Gemeenschap te vergemakkelijken en zich te onthouden van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen. Deze bepaling legt de Lid-Staten bijzondere positieve en negatieve verplichtingen op in een situatie waarin de Commissie, om in dringende behoeften ter zake van instandhoudingsmaatregelen te voorzien, voorstellen bij de Raad heeft ingediend, die, ofschoon niet door deze laatste aanvaard, het uitgangspunt vormen van een gezamenlijke communautaire actie.

29. Bovendien zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 7 EEG-Verdrag de vissers van de Gemeenschap, behoudens de hierbovengenoemde uitzonderingen, gelijke toegang moeten hebben tot de visbanken onder de jurisdictie van de Lid-Staten. Uitsluitend de Raad is bevoegd te bepalen, op welke voorwaarden die toegang zal worden verleend, overeenkomstig de bij artikel 43, lid 2, derde alinea, EEG-Verdrag en artikel 102 Toetredingsakte vastgestelde procedure. In deze rechtstoestand kunnen de Lid-Staten niet door eenzijdige maatregelen wijziging brengen.

30. Aangezien het een gebied betreft waarop uitsluitend de Gemeenschap bevoegd is en waarop de Lid-Staten thans niet anders dan als beheerders van het gemeenschappelijk belang kunnen handelen, mag een Lid-Staat, indien passend optreden van de Raad uitblijft, de eventueel noodzakelijke tijdelijke instandhoudingsmaatregelen enkel nemen in het kader van samenwerking met de Commissie, onder eerbiediging van de algemene toezichthoudende taak die aan deze instelling is opgedragen bij artikel 155 EEG-Verdrag in samenhang met, in casu, het besluit van 25 juni 1979 en de parallelle besluiten.

31. In een situatie die wordt gekenmerkt door het stilzitten van de Raad en door het in beginsel handhaven van de instandhoudingsmaatregelen die van kracht waren bij het verstrijken van de in artikel 102 Toetredingsakte bedoelde periode, waren de Lid-Staten zowel uit hoofde van het besluit van 25 juni 1979 en de parallelle besluiten als wegens de omstandigheid dat de Gemeenschap het gemeenschappelijk belang en het onaangetast blijven van haar eigen bevoegdheden dient te kunnen waarborgen, niet enkel verplicht de Commissie omstandig te raadplegen en te goeder trouw te trachten haar goedkeuring te verkrijgen, doch ook om geen nationale instandhoudingsmaatregelen in te voeren tegen de eventueel door de Commissie geformuleerde bezwaren, voorbehouden of voorwaarden in.

32. Deze samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie is trouwens bevestigd door een bestendige praktijk, in zoverre de Commissie ten aanzien van tal van door de verschillende betrokken Lid-Staten aan haar meegedeelde nationale instandhoudingsmaatregelen haar standpunt kenbaar heeft gemaakt en in voorkomend geval voorbehouden of voorwaarden heeft geformuleerd (vergelijk voor het betrokken tijdvak de mededelingen gepubliceerd in Publikatieblad 1978, C 154, biz. 5; 1979, C 119, biz. 5; 1980, C 133, biz. 2 en C 237, blz. 2).

33. De twee groepen maatregelen die thans in geding zijn, moeten in het licht van de hier beschreven stand van het recht worden onderzocht.

#### De door de Commissie bestreden verordeningen

34. De regering van het Verenigd Koninkrijk stelt, de Commissie over de vijf door deze bestreden verordeningen vooraf te hebben geraadpleegd, overeenkomstig de besluiten van de Raad en de bij de resolutie van Den Haag vastgestelde procedure. Haar zou niet kunnen worden verweten deze besluiten te hebben ingevoerd alvorens het standpunt van de Commissie te hebben vernomen, te meer daar blijkens inlichtingen van de Commissie zelf de meeste door de Lid-Staten in het betrokken tijdvak genomen maatregelen eerst na hun inwerkingtreding waren meegedeeld en de gevallen waarin vooraf toestemming was gegeven, uitzondering waren.

35. Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de raadpleging van de zijde van de Britse regering niet adequaat was en niet kan worden geacht overeen te stemmen met de eisen van de besluiten van de Raad. Weliswaar is de Commissie reeds op 21 maart 1979 van de voornemens van de regering in kennis gesteld, doch eerst op 19 juli heeft zij kennis kunnen nemen van de tekst van de voorgenomen maatregelen. Gezien het ingewikkelde technische karakter van het onderwerp, is het duidelijk dat de Commissie als gevolg van deze handelwijze niet in staat was de voorgestelde bepalingen in al hun implicaties te beoordelen en de haar bij artikel 155 EEG-Verdrag toebedeelde toezichthoudende taak behoorlijk uit te oefenen.

36. Opgemerkt zij dat de Commissie meteen aan het begin van de raadplegingsprocedure voorbehouden heeft geformuleerd en dit op 22 en 27 juni, na kennisneming van de tekst van de maatregelen, uitdrukkelijk heeft herhaald verklarende dat zij de maatregelen niet goed zou keuren vooraleer na een grondiger onderzoek een basis van overeenstemming was gevonden. Toen de Britse regering aan deze opmerkingen geen gevolg gaf en de maatregelen op 1 juli 1979 in werking waren getreden heeft de Commissie bij brief van 6 juli 1979 aanstonds de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag ingeleid.

37. Het argument van.de Britse regering, dat de Commissie in andere gevallen reeds door de Lid-Staten ingevoerde maatregelen achteraf heeft goedgekeurd, kan aan deze beoordeling niet afdoen. Het staat immers vast dat in alle bedoelde gevallen de betrokken maatregelen uiteindelijk zijn goedgekeurd, waar nodig nadat de betrokken staten de door de Commissie geformuleerde voorwaarden hadden aanvaard. Hoewel de in casu door sommige Lid-Staten gevolgde procedure, gelet op het uit artikel 5 EEG-Verdrag voortvloeiende vereiste van samenwerking, weinig bevredigend kan lijken, zijn de bedoelde gevallen niet te vergelijken met de litigieuze Britse maatregelen, ten aanzien waarvan de Commissie reeds aan het begin van de procedure voorbehouden heeft geformuleerd en waartegen zij haar bezwaren formeel heeft gehandhaafd.

38. Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, zowel door middels de gevolgde raadplegingsprocedure de Commissie te verhinderen de voorgenomen maatregelen op passende wijze te onderzoeken, als door deze maatregelen in weerwil van de bezwaren van de Commissie in werking te doen treden.

#### De maatregelen betreffende de Ierse Zee en de wateren rondom het eiland Man

39. De Ierse regering, die groot belang hecht aan dit aspect van het geschil, heeft het Hof verzocht om verduidelijking van de rechtstoestand inzake de toepassing van de relevante gemeenschapsvoorschriften in de territoriale wateren van het eiland Man.

40. Gelijk het Hof reeds heeft verklaard in zijn arrest van 10 juli 1980, is het niet noodzakelijk in dit verband in te gaan op de staatsrechtelijke positie van het eiland Man en de relatie van dit gebied tot de Gemeenschap, aangezien uit de bewoordingen van de litigieuze verordening, te weten de „Herring (Isle of Man) Licensing Order, SI No 1389”, duidelijk blijkt dat deze krachtens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk is vastgesteld door de Britse regering, zodat het Verenigd Koninkrijk ten volle verantwoordelijk is voor die maatregelen tegenover de Gemeenschap.

41. Het volstaat vast te stellen dat de rechtsgrondslagen van de door de Commissie bestreden visserijregeling in 1979 dezelfde waren als die in de jaren 1977 en 1978, waarover het Hof zich in zijn arrest van 10 juli 1980 had uit te spreken. Ofschoon de regeling, naar uit de stukken blijkt, ten gunste van de Ierse vissers enigszins schijnt te zijn geliberaliseerd, kan het Hof niet anders dan zijn in genoemd arrest vervatte beoordeling handhaven, te weten dat over het in de Ierse Zee en de wateren rondom het eiland Man toegepaste stelsel van visserijvergunningen geen enkele raadpleging heeft plaatsgevonden en daarvoor bijgevolg door de Commissie geen machtiging is verleend, en dat de wijze van toepassing van dit stelsel volledig ter discretie van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk werd gelaten, zonder dat de gemeenschapsinstellingen, de andere Lid-Staten en de belanghebbenden enige rechtszekerheid konden verkrijgen over de wijze waarop het stelsel in werkelijkheid werd toegepast.

42. Als zodanig is met dit stelsel inbreuk gemaakt op een van de bovenbedoelde fundamentele voorschriften ter zake, in die zin dat de toegang van de vissers van andere Lid-Staten, en in het bijzonder die uit Ierland, tot visserijzones waartoe zij op gelijke voet met de Britse vissers toegang hadden moeten hebben, werd verhinderd.

43. Mitsdien moet voor het jaar 1979 de reeds bij het arrest van 10 juli 1980 vastgestelde verdragsschending worden bevestigd, waarbij nog valt op te merken dat het in het betrokken zeegebied toegepaste stelsel indruist tegen een van de wezenlijke beginselen die terzake toepasselijk zijn.

#### Kosten

44. Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen, met inbebrip van de kosten van de interveniërende partijen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE

rechtdoende:

1\. Stelt vast dat het Verenigd Koninkrijk de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door zonder behoorlijk overleg vooraf en in weerwil van de bezwaren van de Commissie, per 1 juli 1979 de navolgende verordeningen in werking te hebben doen treden: The Fishing Nets (North-East Atlantic (Variation) Order 1979, SI No 744, The Immature Sea Fish Order 1979, SI No 741, The Immature Nephrops Order 1979, SI No 742, The Nephrops Tails (Restrictions on Landing) Order 1979, SI No 743, The Sea Fish (Minimum Size) (Amendment) Order (Northern Ireland 1979, SI No 235; krachtens The Herring (Irish Sea) Licensing Order 1977, SI No 1388, en The Herring (Isle of Man) Licensing Order 1977, SI No 1389, in de Ierse Zee en in de wateren rond het eiland Man een stelsel van visserijvergunningen in stand te hebben gehouden waarover geen raadpleging met de Commissie had plaatsgevonden en waarvoor deze geen machtiging had verleend, waarbij de toepassing volledig ter discretie van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk werd gelaten, zonder dat de gemeenschapsinstellingen, de andere Lid-Staten en de belanghebbenden enige rechtszekerheid konden verkrijgen over de wijze waarop het stelsel in werkelijkheid werd toegepast, en die tot gevolg had dat de vissers van de andere Lid-Staten de toegang werd belet tot visserijzones waartoe zij op gelijke voet met de Britse vissers toegang hadden moeten hebben.

2\. Verwijst het Verenigd Koninkrijk in de kosten van de procedure, met inbegrip van de kosten van de interveniërende partijen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

13

EEG-Verdrag art. 5 7 voorkomens

verordening 101/76 art. 3 7 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 6 voorkomens

EEG-Verdrag art. 155 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 43 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 7 2 voorkomens

verordening 101/76 art. 2 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 227 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 4 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 42 1 voorkomen

verordening 101/76 art. 1 1 voorkomen

verordening 101/76 art. 4 1 voorkomen

verordening 101/76 art. 5 1 voorkomen

## Rechtspraak

3

### Europese Unie

3

Conclusie van advocaat-generaal Saggio C-415/98 13.04.2000

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 2 en art. 26bis](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-415-98-conclusie)

Hof van Justitie 165/88 05.12.1989

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 32, EEG-Verdrag art. 100](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-165-88-arrest)

## Rechtsleer

11

Churchill, Robin: Scope of National Fishery Measures, European Law Review 1981 p.478-481 (EN)

Hofmann, Rainer: Zur Rechtsprechung des EuGH in Fischereifragen, Zeitschrift für ausländisches öffentliches Recht und Völkerrecht 1981 p.808-824 (DE)

Cataldi, G.: Il Foro italiano 1982 IV Col.260-265 (IT)

Timmermans, C.W.A.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1982 p.114-122 (NL)

Evans, A.C.: Fishery Conservation and EEC Law, The Scots Law Times 1982 p.109-111 (EN)

**Bekijk de 6 andere verwijzingen**

Cartou, Louis: Recueil Dalloz Sirey 1982 Jur. p.336-338 (FR)

Schwarze, Jürgen: Ungeschriebene Geschäftsführungsbefugnisse für die Kommission bei Untätigkeit des Rates?, Europarecht 1982 p.133-153 (DE)

Martins Ribeiro, Maria Eugenia: Compétence communautaire et compétence nationale dans le secteur de la pêche - Quelques considérations à propos de l'arrêt rendu par la Cour de justice dans l'affaire 804/79, Cahiers de droit européen 1982 p. 144-185 (FR)

Fastenrath, Ulrich: Regelungskompetenzen der EG-Mitgliedstaaten im Bereich gemeinsamer Politiken - Neue Entwicklung in der Rechtsprechung des EuGH, Neue juristische Wochenschrift 1983 p.494-495 (DE)

Timmermans, C.W.A.: Annotaties Hof van Justitie EG (Ed. W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle) 1995 p.450-457 (NL)

Temple Lang, John: The duty of sincere cooperation as a lawyering strategy. A Personal Account of Commission v. United Kingdom Case 804/79, EU law stories: contextual and critical histories of European jurisprudence (Ed. Cambridge University Press) 2017, p. 301-308 (EN)
