---
title: "HvJ EU, C-80/94, arrest van 11 augustus 1995 · Verplichting tot gelijke behandeling"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 augustus 1995, C-80/94: verplichting tot gelijke behandeling."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-80-94-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-80-94-arret"
---

# Arrest van het Hof van 11 augustus 1995, C-80/94 · Verplichting tot gelijke behandeling, belastingheffing op inkomen van niet-ingezetenen

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

C-80/94

**ECLI**

ECLI:EU:C:1995:271

**Datum**

11 augustus 1995

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, 1e meervoudige belastingkamer (Nederland) beslissing van 16 februari 1994 1102/1991A

**Zaak ingediend op**

2 maart 1994

**Advocaat-generaal**

Léger

**Opmerkingen**

Duitse, Italiaanse, Nederlandse regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1e meervoudige belastingkamer beslissing van 18 april 1996 1102/1991 ; Hoge Raad der Nederlanden, 3e kamer beslissing van 8 april 1998 32.414

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Nederlands

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1995, blz. I-2493

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Edward

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Vrij verkeer van personen en diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04%2C578-4.04) [Vrijheid van vestiging](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.03%2C578-4.04.02) 156 beslissingen

## Tekst

31 paragrafen

### Arrest

1. Bij uitspraak van 16 februari 1994, ingekomen bij het Hof op 2 maart daaraanvolgend, heeft het Gerechtshof te s-Hertogenbosch krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 52 EEG-Verdrag (thans EG-Verdrag).

2. Die vragen zijn gerezen in een geschil tussen Wielockx, van Belgische nationaliteit en woonachtig in België, en de Inspecteur der directe belastingen (hierna: „inspecteur”) over de weigering van deze laatste om het belastbaar inkomen van betrokkene te verminderen met de toevoegingen aan de oudedagsreserve.

3. Artikel 1 van de Nederlandse Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 1964, 519; hierna: „wet van 1964”) omschrijft „binnenlandse belastingplichtigen” als natuurlijke personen die binnen het Rijk wonen, terwijl „buitenlandse belastingplichtigen” worden omschreven als natuurlijke personen die niet in Nederland wonen, doch binnenlands inkomen genieten.

4. Bij artikel 44d, lid 1, van de wet van 1964, zoals aangevuld bij de wet van 16 november 1972 (Stb. 1972, 612), is een vrijwillig stelsel van fiscale oudedagsreserve voor zelfstandigen ingevoerd. Ingevolge dit stelsel kunnen de belanghebbenden een deel van hun winst uit onderneming reserveren voor de vorming van een oudedagsreserve, wat het voordeel heeft dat de bedragen die elk jaar worden gespaard, in de onderneming blijven.

5. Volgens artikel 3, lid 3, van de wet van 1964 wordt ten aanzien van binnenlandse belastingplichtigen belasting geheven naar het inkomen dat zij genieten als winst uit onderneming, verminderd met de toevoegingen aan en vermeerderd met de afnemingen van de oudedagsreserve. De maximale toevoeging aan een oudedagsreserve gedurende een kalenderjaar, die voor aftrek in aanmerking kan komen, wordt verminderd met het bedrag van de premies die op grond van verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds zijn betaald.

6. Ingevolge artikel 44ƒ, lid 1, sub e, van dezelfde wet wordt de oudedagsreserve opgeheven wanneer de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt. Zij wordt dan als inkomen aangemerkt en onderworpen hetzij aan belastingheffing ineens over het volledige kapitaal, hetzij aan uitgestelde belastingheffing over de periodiek uit dat kapitaal betaalde uitkeringen.

7. Overeenkomstig de artikelen 48 en 49 van de wet van 1964 wordt ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen uitsluitend belasting geheven naar het „belastbaar binnenlands inkomen”, dat wil zeggen het in een kalenderjaar op Nederlands grondgebied genoten inkomen, verminderd met de verliezen. De oudedagsreserve maakt geen deel uit van de bedragen die krachtens artikel 48, lid 3, van de wet van 1964 op dit inkomen in mindering kunnen worden gebracht. Op grond van een ministeriële fiscaaljuridische circulaire kan evenwel een correctie worden toegepast, waardoor persoonlijke verplichtingen en buitengewone lasten in mindering kunnen worden gebracht, wanneer ten minste 90 % van het wereldinkomen van de niet-ingezeten belastingplichtige in Nederland aan inkomstenbelasting is onderworpen. Deze circulaire heeft geen betrekking op de oudedagsreserve.

8. Artikel 18 van het OESO-modelverdrag (modelverdrag inzake dubbele heffing van inkomsten- en vermogensbelasting, rapport van het Comité fiscale zaken van de OESO, 1977) bepaalt: „Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, lid 2 \[betreffende de ambtenarenpensioenen\], zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een Verdragsluitende Staat ter zake van een vroegere dienstbetrekking, slechts in die Staat belastbaar.”

9. Voorts wordt in artikel 14, lid 1, van de tussen Nederland en België gesloten bilaterale overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting (Trb. 1970, nr. 192) bepaald, dat voordelen of inkomsten verkregen door een inwoner van een van de staten in de uitoefening van een vrij beroep in de andere staat belastbaar zijn, indien hij aldaar voor het verrichten van zijn werkzaamheden over een vast middelpunt beschikt.

10. Wielockx is zelfstandig fysiotherapeut te Venlo (Nederland) en als zodanig maat in een maatschap. Hij verwerft al zijn inkomsten in Nederland en is aldaar belastingplichtig.

11. Wielockx verzocht de inspecteur het in 1987 in Nederland genoten belastbaar inkomen (73912 HFL, door de belastingdienst teruggebracht tot 65643 HFL) te verminderen met 5145 HFL uit hoofde van toevoeging aan de oudedagsreserve. Dit verzoek werd door de inspecteur afgewezen.

12.

Wielockx kwam daarvan in beroep bij de belastingkamer van het Gerechtshof te ertogenbosch. Daar het twijfelde aan de verenigbaarheid van de Nederlandse bepalingen inzake de oudedagsreserve met de in artikel 52 EG-Verdrag geregelde vrijheid van vestiging, heeft het Gerechtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

> 1)„ Verbiedt artikel 52 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap of enige andere bepaling van dat Verdrag een Lid-Staat, zoals Nederland, een belasting te heffen naar het inkomen van natuurlijke personen, waarbij aan belastingplichtigen die winst uit onderneming genieten, het recht is toegekend ten laste van het onzuiver inkomen een zogenoemde oudedagsreserve te vormen — verwezen zij naar artikel 3, lid 3, aanhef en onderdeel a, in verbinding met de artikelen 44d tot en met 44/van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die voor het onderhavige jaar luidden—, doch dit recht wordt onthouden aan een in een andere Lid-Staat wonende belastingplichtige met de nationaliteit van die andere Lid-Staat die in eerstbedoelde Lid-Staat winst uit onderneming geniet en ten aanzien daarvan in de heffing van vorenbedoelde belasting wordt betrokken?
>
> 2) Is hierbij van betekenis, dat op grond van hoofdstuk III van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Voorwerp van de belasting bij buitenlandse belastingplichtigen) afnemingen van de oudedagsreserve niet tot het belastbaar binnenlands inkomen van de buitenlandse belastingplichtige behoren, waardoor binnen het vigerende Nederlandse belastingstelsel de samenhang tussen de aftrekbaarheid van toevoegingen aan de oudedagsreserve en de belastbaarheid van afnemingen daarvan ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen niet is gewaarborgd?
>
> 3) Is mede van belang, of het inkomen van de buitenlands belastingplichtige al dan niet geheel of nagenoeg geheel is verdiend met werkzaamheden welke zijn verricht in eerstbedoelde Lid-Staat?”

13. Met de eerste en de derde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of artikel 52 van het Verdrag zich ertegen verzet, dat een Lid-Staat zijn inwoners toestaat, de voor de vorming van een oudedagsreserve bestemde winst uit onderneming op het belastbaar inkomen in mindering te brengen, doch dit voordeel onthoudt aan belastingplichtige gemeenschapsonderdanen die weliswaar in een andere Lid-Staat wonen, maar in de eerste staat (nagenoeg) al hun inkomsten verwerven.

14. Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een dergelijk verschil in behandeling kan worden gerechtvaardigd door het feit, dat de periodieke uitkeringen die de niet-ingezeten belastingplichtige nadien uit de oudedagsreserve uitbetaald krijgt, niet zijn belast in de staat waar hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent, maar in de staat van de woonplaats, waarmee die staat een bilaterale overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten.

15. Deze vragen dienen te zamen te worden onderzocht.

16. Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat ofschoon de directe belastingen tot de bevoegdheid van de Lid-Staten behoren, deze niettemin verplicht zijn die bevoegdheid in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te oefenen en zich derhalve van elke openlijke of verkapte discriminatie op grond van nationaliteit te onthouden (arrest van 14 februari 1995, zaak [C-279/93](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-279-93-arrest), Schumacker, Jurispr. 1995, blz. I-225, r. o. 21 en 26).

17. Volgens vaste rechtspraak is er sprake van discriminatie, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties.

18. Op het gebied van de directe belastingen is de situatie van ingezetenen en die van niet-ingezetenen van een bepaalde staat in het algemeen niet vergelijkbaar. Die situaties verschillen immers objectief van elkaar, zowel wat de bron van inkomsten als wat de persoonlijke draagkracht of de persoonlijke en gezinssituatie betreft (arrest Schumacher, reeds aangehaald, r. o. 31 e. v.).

19. Derhalve kan een verschillende behandeling van deze twee categorieën belastingplichtigen als zodanig niet worden aangemerkt als discriminatie in de zin van het Verdrag.

20. De niet-ingezeten belastingplichtige —werknemer of zelfstandige— die (nagenoeg) zijn gehele inkomen verwerft in de staat waar hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent, bevindt zich evenwel wat de inkomstenbelasting betreft, objectief in dezelfde situatie als de inwoner van deze staat, die er dezelfde werkzaamheden uitoefent. Beiden zijn enkel in deze staat belastingplichtig volgens dezelfde belastinggrondslag.

21. Indien de niet-ingezeten belastingplichtige, ten aanzien van de van zijn belastbaar inkomen af te trekken bedragen, fiscaal niet op dezelfde wijze wordt behandeld als de ingezeten belastingplichtige, zal met zijn persoonlijke situatie noch door de belastingdienst van de staat waar hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent — waar hij immers niet woont—, noch door die van de woonstaat — waar hij immers geen inkomen geniet — rekening worden gehouden. Dientengevolge zal hij voor een groter totaalbedrag worden aangeslagen en worden benadeeld ten opzichte van de ingezeten belastingplichtige.

22. Hieruit volgt, dat de niet-ingezeten belastingplichtige die, zoals in het hoofdgeding, (nagenoeg) zijn gehele inkomen verwerft in de staat waar hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent, maar geen aftrekbare oudedagsreserve kan opbouwen onder dezelfde fiscale voorwaarden als de ingezeten belastingplichtige, wordt gediscrimineerd.

23. Ter rechtvaardiging van het in casu door niet-ingezeten belastingplichtigen geleden fiscale nadeel beroept de Nederlandse regering zich op het beginsel van fiscale samenhang, neergelegd in het arrest van 28 januari 1992 (zaak C-204/90, Bachmann, Jurispr. 1992, blz. I-249). Volgens dit beginsel moet er een correlatie bestaan tussen de bedragen die van de belastbare grondslag worden afgetrokken, en die waarover belasting wordt geheven. Indien een niet-ingezetene in Nederland een oudedagsreserve kon opbouwen en aldus een recht op pensioen kon verwerven, zou dit pensioen aan de belastingheffing in Nederland ontkomen, aangezien een dergelijk inkomen ingevolge de belastingovereenkomst tussen België en Nederland in de woonstaat wordt belast.

24. Zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie heeft opgemerkt, belast de staat ingevolge overeenkomsten tegen dubbele belasting die, zoals bovenbedoelde overeenkomst, met het OESO-Modelverdrag overeenkomen, alle door zijn ingezetenen ontvangen pensioenen, ongeacht in welke staat de premies zijn betaald, maar ziet hij daartegenover af van belastingheffing over in het buitenland ontvangen pensioenen, ook wanneer deze berusten op in het binnenland betaalde en als aftrekbaar beschouwde premies. De fiscale samenhang bestaat dus niet op het niveau van een zelfde persoon, door een strikte correlatie tussen de aftrekbaarheid van de premies en de belastingheffing over de pensioenuitkeringen, maar bevindt zich op een ander niveau, te weten dat van de wederkerigheid van de in de Verdragsluitende Staten toepasselijke voorschriften.

25. Aangezien de fiscale samenhang is verzekerd door een met een andere Lid-Staat gesloten bilaterale overeenkomst, kan dit beginsel niet worden aangevoerd als reden om een aftrek als die waarom het hier gaat, te weigeren.

26. Aansluitend bij de schriftelijke opmerkingen van de Commissie moet er in elk geval aan worden herinnerd, dat overeenkomstig richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (PB 1977, L 336, blz. 15), de belastingdiensten te allen tijde alle nodige inlichtingen kunnen inwinnen.

27. Uit het voorgaande volgt, dat een regeling van een Lid-Staat, op grond waarvan ingezetenen van deze staat de voor de vorming van een oudedagsreserve bestemde winst uit onderneming op het belastbaar inkomen in mindering kunnen brengen, doch die dit voordeel onthoudt aan belastingplichtige gemeenschapsonderdanen die in een andere Lid-Staat wonen, maar in de eerste staat (nagenoeg) hun gehele inkomen verwerven, niet kan worden gerechtvaardigd door het feit, dat de periodieke uitkeringen die de niet-ingezeten belastingplichtige nadien uit de oudedagsreserve uitbetaald krijgt, niet in deze staat zijn belast, maar in de staat van de woonplaats —waarmee de eerste staat een bilaterale overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten —, zelfs indien de veralgemening van het voordeel een strikte samenhang tussen de aftrekbaarheid van toevoegingen aan de oudedagsreserve en de belastbaarheid van afnemingen daarvan onder het in de eerste staat geldende belastingstelsel niet kan waarborgen, en dat een dergelijk verschil in behandeling derhalve in strijd is met artikel 52 van het Verdrag.

### Kosten

28. De kosten door de Duitse, de Italiaanse en de Nederlandse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Gerechtshof te VHertogenbosch bij uitspraak van 16 februari 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Een regeling van een Lid-Staat, op grond waarvan ingezetenen van deze staat de voor de vorming van een oudedagsreserve bestemde winst uit onderneming op het belastbaar inkomen in mindering kunnen brengen, doch die dit voordeel onthoudt aan belastingplichtige gemeenschapsonderdanen die in een andere Lid-Staat wonen, maar in de eerste staat (nagenoeg) hun gehele inkomen verwerven, kan niet worden gerechtvaardigd door het feit, dat de periodieke uitkeringen die de niet-ingezeten belastingplichtige nadien uit de oudedagsreserve uitbetaald krijgt, niet in deze staat zijn belast, maar in de staat van de woonplaats — waarmee de eerste staat een bilaterale overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten —, zelfs indien de veralgemening van het voordeel een strikte samenhang tussen de aftrekbaarheid van toevoegingen aan de oudedagsreserve en de belastbaarheid van afnemingen daarvan onder het in de eerste staat geldende belastingstelsel niet kan waarborgen. Een dergelijk verschil in behandeling is derhalve in strijd met artikel 52 van het Verdrag.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

4

EG-Verdrag art. 52 uitgelegd 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 52 1 voorkomen

EG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

[C-279/93, arrest van 14 februari 1995](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-279-93-arrest) 1 voorkomen

## Rechtspraak

21

### Europese Unie

21

Hof van Justitie C-157/10 08.12.2011

#### [Vrij verkeer van kapitaal, vennootschapsbelasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-157-10-arrest)

Hof van Justitie C-269/07 10.09.2009

#### [Vrij verkeer van werknemers, pensioenspaartoelagen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-269-07-arrest)

Hof van Justitie C-282/07 22.12.2008

#### [Vrijheid van vestiging, vrij verkeer van kapitaal](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-282-07-arrest)

## Rechtsleer

34

Janssens, Thomas: Een kwestie van geven en nemen, Nederlandse staatscourant 1995 nº 177 p.4 (NL)

De Weerth, Jan: EG-Recht und direkte Steuern. Der 2. Teil einer Entwicklung, Recht der internationalen Wirtschaft 1995 p.928-930 (DE)

X: Revue de jurisprudence fiscale 1995 p.717 (FR)

Saß, Gert: Der Betrieb 1995 p.2149-2150 (DE)

Chavrier, Henri ; Honorat, Edmond ; Pouzoulet, Philippe: La libre circulation des personnes. Libre circulation des personnes et fiscalité, L'actualité juridique ; droit administratif 1995 p.713-714 (FR)

**Bekijk de 29 andere verwijzingen**

Idot, Laurence: Europe 1995 Octobre Comm. nº 350 p.11 (FR)

X: Europe 1995 Octobre Comm. nº 360 p.15 (FR)

Wattel, P.J.: Beslissingen in belastingzaken 1995 nº 319 (NL)

Van Campen, M.J.L.: Wielockx: fiscale oudedagsreserve is discriminatoir, Nederlands tijdschrift voor Europees recht 1995 p.163-166 (NL)

Van den Hurk, H.T.P.M.: Nieuwe exodus: gaan Nederlandse ondernemers massaal over de grens wonen?, Weekblad voor fiscaal recht 1995 p.1847-1856 (NL)

Kok, Coraline: Netherlands Regime of Tax-Deferred Pension Reserve Discriminatory for Non-Residents, European Taxation 1995 p.EC41-EC42 (EN)

Thömmes, Otmar: European Court of Justice follows Advocate General in the Wielockx Case, Intertax 1995 p.602-603 (EN)

Quaghebeur, Marc: A Bridge over Muddled Waters - Coherence in the Case Law of the Court of Justice of the European Communities relating to discrimination against non-Resident, EC Tax Journal 1995 p.109-134 (EN)

Nguyen, Bruno: Bachmann, Warner, Schumacker, Wielockx et les autres... ou quand la Cour de justice harmonise la fiscalité européenne, Europe 1995 Décembre Chron. nº 12 p.1-4 (FR)

García Prats, Francisco Alfredo: Comentario general de jurisprudencia, Revista española de Derecho Financiero 1995 p.739-741 (ES)

Dassesse, Marc: De bonnes nouvelles pour les résidents belges travaillant à l'étranger ... mais de mauvaises nouvelles en perspective pour les assureurs belges, Journal de droit fiscal 1995 p.333-340 (FR)

Dassesse, Marc: The Wielockx and the Svensson Judgments: "Fiscal Cohesion" with a Different Flavour?, The EC Tax Journal 1995-96 p.181-185 (EN)

Kamphuis, H.J. ; Pötgens, F.P.G.: Goodbye Mr Bachmann, Welcome Mr Wielockx, Bulletin for International Fiscal Documentation 1996 p.2-7 (EN)

Van de Wetering, G.C.: Bachmann gesneuveld, Lidstaten gekneveld, Europa de overwinnaar?, Weekblad voor fiscaal recht 1996 p.98-104 (NL)

Dios, José María de: Jurisprudencia del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas, Revista Jurídica de Catalunya 1996 p.604-606 (ES)

De Weerth, Jan: EG-Recht und direkte Steuern. Jahresüberblick 1995, Recht der internationalen Wirtschaft 1996 p.499-505 (DE)

Maublanc, Jean-Pierre: Chronique fiscale communautaire (jurisprudence):. Non discrimination selon la nationalité et imposition sur les revenus, Revue du Marché Commun 1996 p.462-464 (FR)

Malherbe, J. ; Binon, J.-M. ; De Wolf, M. ; Bertin, O.: Impôts directs, Journal des tribunaux / droit européen 1996 p.125-127 (FR)

Devroe, Wouter: Samenhang van nationale fiscale stelsels en algemeen belang: de rechtspraak na Bachmann, Tijdschrift voor rechtspersoon en vennootschap 1996 p.310-318 (NL)

Binon, Jean-Marc: Avantages fiscaux en assurance de personnes et droit européen. Après les arrêts Schumacker, Wielockx et Svensson, quelle place reste-t-il pour la jurisprudence Bachmann?, Revue du marché unique européen 1996 nº 2 p.129-144 (FR)

Gimeno Verdejo, Carlos: Crónica de la Jurisprudencia del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas, Cuadernos Europeos de Deusto 1996 nº 14 p.191-195 (ES)

Adobati, Enrica: Obbligo della parità di trattamento in materia previdenziale, Diritto comunitario e degli scambi internazionali 1996 p.123-124 (IT)

Sébastien, Gilles: Recueil Dalloz Sirey 1996 Jur. p.418-420 (FR)

Scambiato, Laura: Rivista italiana di diritto pubblico comunitario 1996 p.458 (IT)

Muguruza Arrese, Javier ; Roccatagliata, Franco: La Corte di giustizia Cee ci ripensa: la "coerenza" dei sistemi fiscali nazionali non può giustificare trattamenti discriminatori verso i lavoratori non residenti, Diritto e pratica tributaria 1996 II p.683-699 (IT)

Wattel, P.J.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1996 p.392-393 (NL)

Burgers, I.J.J.: Fiscale discriminatie; vrijheid van vestiging, TVVS ondernemingsrecht en rechtspersonen 1997 p.58-59 (NL)

Luby, Monique: Journal du droit international 1997 p.556-558 (FR)

Caamaño Anido, Miguel Angel ; Calderón Carrero, José Manuel: Principio de no discriminación por razón de la nacionalidad: aplicación en el ámbito de la imposición directa (IRPF), Jurisprudencia Tributaria del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas (Comentarios y concordancias con la legislación española) 1992-1995 (Ed. La ley-Actualidad - Madrid) 1997 p.116 + p.96-112 (ES)
