ARREST
Ten aanzien van de feiten
I — Overzicht van de feiten en het procesverloop
Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten en het procesverloop kunnen worden samengevat als volgt:
Verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 28 juni 1968 (PB nr. L 148/6 van 28 juni 1968) inzake de douanewaarde van de goederen noemt als rechtsgrondslag „het Verdrag tot instelling van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid artikel 235”.
Artikel 11 dier verordening luidt:
„1. De voor het bepalen van de douanewaarde van rechtstreeks tot verbruik aangegeven goederen in aanmerking te nemen prijs is een contantprijs, waarvan de betaling meet geschieden op het tijdstip bedoeld in artikel 5, sub a).
2. Als contantprijs wordt eveneens aangemerkt:
a)…
b)de prijs waarvan de betaling na het tijdstip, bedoeld in artikel 5, sub a), moet geschieden, tenzij een korting voor contante betaling is overeengekomen of ten genoege van de douane wordt aangetoond dat een afwijkende prijs voor constante betaling bestaat.
3. …”
Artikel 5, sub a), luidt:
„Als tijdstip voor de bepaling van de douanewaarde geldt:
a)voor goederen welke rechtsreeks tot verbruik worden aangegeven, de datum van ontvangst door de douane van de verklaring waarbij de aangever blijk geeft van zijn wil om die goederen tot verbruik aan te geven.”
Tussen 3 juli en 25 oktober 1968 liet Massey-Ferguson GmbH te Kassei bij het douanekantoor Bremerhaven-Rotersand 121 landbouwtrekkers inklaren, die zij van haar zusteronderneming in het Verenigd Koninkrijk had gekocht. Betaling diende te geschieden op de 15e van de vierde maand na de koop. Het douanekantoor hief invoerrechten op basis van de factuurprijs, zonder rekening te houden met de door de firma gedeclareerde kredietkosten ad 3 %. Hiertoe baseerde het douanekantoor zich op artikel 11, lid 2, sub b), van verordening nr. 803/68 en stelde dat de firma niet had aangetoond dat een van de factuurprijs afwijkende prijs voor contante betaling bestend, en dat geen korting was overeengekomen.
Nadat Massey-Ferguson GmbH zich tevergeefs tot het Hauptzollamt Bremerhaven had gewend, stelde zij beroep in bij het Finanzgericht Bremen. Dit vernietigde de besluiten van de administratieve autoriteiten en erkende dat de firma recht had op 3 % vermindering van de douanewaarde, overeenkomend met de kredietkosten. Het Finanzgericht was van mening dat de firma door overlegging van een van de leverancier afkomstige brief, waarin bevestigd werd dat de kredietkosten in de factuurprijs begrepen waren, had aangetoond dat er een afwijkende prijs voor contante betaling in de zin van artikel 11 bestond. Het feit dat de leverancier die kosten niet in zijn brief gespecificeerd had, was volgens het Finanzgericht niet van beslissend belang, daar deze brief moest worden gelezen in samenhang met de douaneaangifte van de importeur, waaruit bleek dat de kredietkosten 3 % bedroegen. In verordening nr. 803/68 zijn geen bepaalde bewijsmiddelen voorgeschreven voor het bestaan van een van de factuurprijs afwijkende prijs, zodat de bewijslevering telkens afhangt van de omstandigheden.
Het Hauptzollamt Bremerhaven, gesteund door de Bundesminister der Finanzen als interveniënt, heeft de uitspraak van het Finanzgericht ter cassatie voorgelegd aan het Bundesfinanzhof.
Het Bundesfinanzhof heeft bij beschikking van 23 januari 1973 besloten het geding te schorsen en het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 177 van het EEG-Verdrag te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen inzake de navolgende vragen:
„1. Vindt verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 inzake de douanewaarde van de goederen de voor haar geldigheid noodzakelijke machtigingsgrondslag in artikel 235 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, waarop zij steunt, of in een andere bepaling van het Verdrag?
2. Zo ja, hoe moet dan artikel 11, lid 2, sub b), tweede alternatief, van die verordening (bewijs van een afwijkende prijs voor contante betaling) worden uitgelegd? Is het noodzakelijk dat tussen de verkoper en koper c.q. andere kopers bij contante betaling een andere bepaalde prijs is overeengekomen, of is het voldoende dat de later te betalen prijs kredietkosten omvat?”
In de overwegingen van zijn beschikking stelt het Bundesfinanzhof vast dat het Hof van Justitie bij arrest nr. 27/70 van 10 december 1970 (Jurisprudentie 1970, blz. 1035) reeds bepalingen van verordening nr. 803/68 heeft uitgelegd. Daar de geldigheid van de verordening in die zaak echter niet aan de orde was gekomen, meent het Bundesfinanzof dat het Hof van Justitie dient te worden verzocht zich daarover uit te spreken, met name gezien de daaromtrent in de literatuur gerezen twijfel.
Voorts vat het Bundesfinanzof in zijn overwegingen de argumenten van partijen inzake de tweede vraag als volgt samen:
„Het Finanzgericht en verzoekster achten het ten deze voldoende dat uit de aanwezige stukken kan worden afgeleid dat er een contantprijs bestaat, die wegens een kort krediet tot de factuurprijs wordt verhoogd. Verzoekster meent voorts dat bij een andere uitlegging sprake zou zijn van een materieel onjuiste rechtsregel, omdat de termijnprijs, wegens de daarin vervatte kredietkosten, altijd hoger is dan de contantprijs, en het derhalve onmogelijk is via een fictie de termijnprijs als contantprijs aan te merken. Verzoekster beroept zich daartoe op arrest VII 2/61 U van het Bundesfinanzhof van 29 oktober 1963 inzake paragraaf 53, lid 2, en paragraaf 53 ter van het Duitse Zollgesetz 1939 (Entscheidungen des Bundesfinanzof s 78, 68; Bundessteuerblatt III 1964, 25; Bundeszollblatt 1964, 168). Daarbij werd beslist dat de factuurprijs die een termijnprijs blijkt te zijn, tot de contantprijs moet worden teruggerekend, ook al is geen enkele korting overeengekomen.
Het Hauptzollamt en de als gevoegde partij optredende Bundesminister der Finanzen stellen dat men zich ten deze niet op de rechtspraak van het Bundesfinanzhof mag beroepen, daar de bepaling, welker uitlegging in het geding is, ten opzichte van het nationale recht een nieuwe regeling geeft die noodzakelijk was wegens de uiteenlopende opvattingen in de verschillende Lid-Staten. Hiertoe betogen het Hauptzollamt en de Bundesminister der Finanzen het volgende. Het enkele feit dat de factuurprijs kredietkosten wegens latere betaling omvat, wil nog niet zeggen dat deze van de contantprijs afwijkt. Het is ook mogelijk dat de verkoper de kosten van latere betaling uit zijn winst betaalt. Voor de douanewaarde is slechts van belang of er inderdaad een andere prijs voor contante betaling bestaat. Ook het bedrag van die contantprijs moet worden aangetoond. De wijze van prijscalculatie door de verkoper in verband met de kredietkosten is als zodanig irrelevant en verandert dan ook niets aan de vervaltermijn noch aan de hoogte van de verschuldigde koopprijs.”
De beschikking van het Bundesfinanzhof is ingeschreven ter griffie van het Hof op 19 februari 1973.
Overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend voor Massey-Ferguson GmbH door H. Ditges, advocaat bij het Oberlandesgericht te Keulen op 18 april 1973, voor de Raad der Europese Gemeenschappen door H. J. Lambers, gemachtigde, op 25 april 1973 en voor de Commissie der Europese Gemeenschappen door H. Matthies, gemachtigde, op 30 april 1973.
Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Ter terechtzitting van 5 juni 1973 hebben Massey-Ferguson GmbH, de Raad en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 27 juni 1973 conclusie genomen.
II — Voor het Hof gemaakte opmerkingen
Overwegende dat de aan het Hof voorgelegde opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
1. Ten aanzien van de eerste vraag
Massey-Ferguson GmbH merkt op dat deze vraag ook nu nog van groot belang is. De onzekerheid over de rechtsgrondslag van de verordening raakt niet alleen de betrokken economische kringen, maar duidelijk ook verschillende Lid-Staten. De beslissing over deze vraag is derhalve zeer belangrijk voor de toekomst. Verordening nr. 803/68 regelt slechts een deel der vragen met betrekking tot de douanewaarde van de goederen en diende door latere verordeningen te worden aangevuld. Daarom moeten op dit gebied nadere verordeningen worden vastgesteld. In het bijzonder is een harmonisatie ten aanzien van de gerechtelijke procedure geboden. De firma wijst er anderzijds op dat in verordening nr. 803/68 bewust enigszins wordt afgeweken van de jurisprudentie van de hoogste rechterlijke instanties der Lid-Staten. Dit geldt bij voorbeeld voor kortingen. Op voorstel van de Commissie aan de Raad is hier een voor de economische kringen veel minder gunstige regeling vastgesteld. De firma is van mening dat een verordening met zo belangrijke gevolgen a fortiori op een onaantastbare wettelijke grondslag moet rusten.
De firma betoogt dat voor de vaststelling der verordening uitvoerig over de rechtsgrondslag is gesproken. Daarbij ging het erom of het EEG-Verdrag in zijn geheel en artikel 235 in het bijzonder wel voldoende steun boden voor de verordening. Volgens de firma moeten de Verdragsbepalingen die de juridische grondslag voor een uitvoeringsregeling vormen, met zoveel woorden worden genoemd en kan niet worden volstaan met een te algemene formule.
Eveneens is toen de vraag opgeworpen of artikel 235 wel als grondslag kan dienen. Massey-Ferguson GmbH merkt te dien aanzien op dat de harmonisering van de douanewetgevingen kan en moet worden verwezenlijkt door verordeningen, vastgesteld op basis van artikel 113 van het EEG-Verdrag. Door de artikelen 100 en 235 als grondslag te nemen hadden de communautaire instanties de pogingen tot eenmaking van het douanestelsel onnodig gesplitst en de mogelijkheid verspeeld om in één keer bij verordening een uniforme douanewetgeving op Europees niveau te scheppen. Het EEG-Verdrag biedt de rechtsgrondslag en houdt een verplichting in om een eenvormige douanewetgeving te scheppen, die op haar beurt de verdere regeling en harmonisering van het douanestelsel mogelijk maakt en voortgang doet vinden. Het feit dat artikel 113 in het hoofdstuk over „De Handelspolitiek” staat, doet aan deze opvatting niets af, omdat de douanepolitiek een integrerend bestanddeel van de handelspolitiek is. Zo is in artikel 113 bij voorbeeld sprake van vraagstukken op het gebied van de douanepolitiek en zelfs van tariefwijzigingen. Artikel 235 bevat slechts een machtiging om in de lacunes van het Verdrag te voorzien. Naar het oordeel van de firma dient men derhalve allereerst na te gaan of niet uitsluitend artikel 113 als grondslag moet worden genomen. Maar zelfs al zou het Verdrag ten aanzien van de douanewaarde van de goederen een lacune vertonen, dan nog kan daarin niet met behulp van artikel 235 worden voorzien. Dit artikel schept geen discretionaire bevoegdheid. Het Hof van Justitie dient dit dubbele bevoegdheidsprobleem op te lossen.
Ten slotte wijst de firma op het algemene belang van de beantwoording der gestelde vraag, dat veel verder gaat dan de beslissing omtrent de geldigheid van verordening nr. 803/68.
De Raad van de Europese Gemeenschappen merkt op dat de eerste vraag moet worden bezien in het licht van de in artikel 235 van het EEG-Verdrag vermelde voorwaarden. De eerste voorwaarde is de noodzaak van een optreden van de Gemeenschap ter verwezenlijking van een harer doelstellingen in het kader van de gemeenschappelijke markt. Krachtens artikel 2 van het Verdrag is een der doelstellingen het bevorderen van de harmonische ontwikkeling van de economische activiteit, met name door het instellen van een gemeenschappelijke markt. De instelling van een gemeenschappelijke markt houdt onder andere oprichting van een douane-unie in. Een dergelijke unie brengt tevens de eenmaking van de bepalingen van de douanewetgeving mede, voor zover deze noodzakelijk is om omstandigheden te scheppen, soortgelijk aan die op een interne markt. In dit opzicht is de uniforme vaststelling van de douanewaarde van bijzonder belang. De Raad is dan ook van mening dat een dergelijke uniforme vaststelling tot de doelstellingen van de Gemeenschap behoort.
Een der overige voorwaarden voor de toepassing van artikel 235 luidt dat geen andere Verdragsbepalingen in de vereiste bevoegdheden voorzien; de Raad onderzoekt in dit verband de artikelen 27, 28, 100, 111 en 113.
Luidens artikel 27, tweede zin, kan de Commissie de Lid-Staten aanbevelingen doen voor het nader tot elkaar brengen van de nationale wetgevingen op douanegebied. De Raad verwerpt de op artikel 95, eerste alinea, van het EGKS-Verdrag gegronde stelling dat artikel 27 een beroep op artikel 235 uitsluit, daar artikel 235 slechts kan dienen om „een daadwerkelijke leemte in het Verdrag” te verhelpen en een dergelijke leemte alleen bestaat, wanneer het Verdrag geen enkele regeling op een bepaald gebied voorziet. Volgens de Raad is het duidelijk dat de vereiste bevoegdheden ontbreken, wanneer het Verdrag wel de bevoegdheid verleent om bepaalde regels op het betrokken gebied te geven — in casu aanbevelingen krachtens artikel 27 en richtlijnen krachtens artikel 100 — doch juist niet de voor het bereiken van de gestelde doeleinden noodzakelijk geachte. Voorts, meent de Raad dat artikel 27 is op te vatten als een eenvoudige concrete toepassing van artikel 155 van het Verdrag, dat de Commissie een algemene bevoegdheid geeft om aanbevelingen te doen aan de Lid-Staten. Wanneer men consequent blijkt, komt deze stelling er volgens de Raad dus uiteindelijk op neer dat artikel 235 praktisch nimmer kan worden toegepast.
Krachtens artikel 28 kan de Raad de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief wijzigen of schorsen. Volgens de Raad sluit het gebruik van de term „rechten” uit dat artikel 28 aldus kan worden opgevat dat het regelingsbevoegdheid geeft inzake de douanewaarde.
Op grond van artikel 100 kunnen richtlijnen worden vastgesteld voor het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten, welke rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de gemeenschappelijke markt. Wat betreft de bepalingen inzake de douanewaarde is de Raad van mening dat hij zich voor het vaststellen van een regeling op artikel 100 kan kunnen baseren. De bevoegdheid om de in artikel 100 bedoelde richtlijnen vast te stellen, achtte de Raad in dit geval echter niet toereikend. Voor het bepalen van de douanewaarde is een absolute eenvormigheid in alle Lid-Staten noodzakelijk, daar anders de importeurs geneigd zouden zijn om van de voor hen meest gunstige regeling gebruik te maken, wat een verstoring in de concurrentievoorwaarden teweeg zou brengen. Bovendien is het volgens de Raad bij richtlijnen de vraag of de uniforme uitlegging van de nationale wetgeving wel volledig door prejudiciële beslissingen van het Hof van Justitie gewaarborgd kan worden. De Raad is derhalve van mening dat artikel 100 in casu niet toereikend is.
De Raad merkt op dat ook de artikelen 111 en 113 niet in aanmerking komen als rechtsbasis voor het vaststellen van eenvormige bepalingen inzake de douanewaarde, daar een dergelijke handeling buiten de handelspolitiek valt. Weliswaar zijn er handelspolitieke maatregelen van verschillend gehalte denkbaar, doch men mag niet zover gaan om het geheel van maatregelen met betrekking tot de uitwisseling van goederen, die de Gemeenschap aan haar buitengrenzen toepast, als van handelspolitieke aard te beschouwen. In feite gaat het erom of met de maatregelen beoogd wordt invloed uit te oefenen op de omvang van de in omloop zijnde goederen en hun respectieve herkomst. Maatregelen die hoofdzakelijk andere doeleinden beogen kunnen niet geacht worden tot de handelspolitiek te behoren. Dit geldt in het bijzonder voor de in de verordening voorkomende bepalingen betreffende de douanewaarde van goederen.
Subsidiair merkt de Raad op dat zelfs al zou het uitvaardigen van de betrokken bepalingen als een handelspolitieke maatregel kunnen worden beschouwd, artikel 111, lid 1, tweede alinea, daartoe toch geen toereikende juridische grondslag zou bieden. Ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 803/68 van de Raad bevond de Gemeenschap zich nog in de overgangsperiode. Het door de maatregelen beoogde doel tot eenmaking van de handelspolitiek wordt beperkt door artikel 111, eerste lid, eerste alinea. Door die maatregelen moesten voorwaarden geschapen worden om na het verstrijken van de overgangsperiode een gemeenschappelijke politiek op het gebied van de buitenlandse handel te kunnen voeren. Volgens de Raad was het echter noodzakelijk om reeds vóór het einde van de overgangsperiode, vanaf 1 juli 1968 een regeling inzake de douanewaarde in werking te doen treden, omdat het douanetarief sedert die datum in zijn geheel werd toegepast. Derhalve kon het niet alleen maar gaan om voorbereidingsmaatregelen met betrekking tot de vanaf 1 januari 1970 toepasselijke gemeenschappelijke handelspolitiek.
De Raad merkt voorts op dat de verordening genoegzaam met redenen is omkleed en overeenkomstig de in artikel 235 voorgeschreven procedure is vastgesteld.
De Commissie van de Europese Gemeenschappen wijst erop dat in casu in aanmerking moet worden genomen dat verordening nr. 803/68 in de plaats is gekomen van de voordien in de Lid-Staten geldende bepalingen die naar inhoud of toepassing van staat tot staat verschilden, dat de verordening reeds bijna vijf jaar werd toegepast en dat de grief inzake de ongeldigheid eveneens zou kunnen worden opgeworpen tegen de andere op grond van artikel 235 vastgestelde douaneverordeningen.
De Commissie vat de in de literatuur gemaakte bezwaren tegen het gebruik van artikel 235 als juridische grondslag voor verordening nr. 803/68 als volgt samen:
a) Dit gebied valt onder de artikelen 27 en 28 van het Verdrag.
b) Voor zover die bepalingen niet van toepassing zijn, dient de douanewetgeving te worden gebaseerd op artikel 111 (tijdens de overgangsperiode) en artikel 113 (na afloop daarvan).
c) De algemene bepaling van artikel 100 en — voor zover niet kan worden volstaan met richtlijnen en een eenvormige, rechtstreeks toepasselijke communautaire regeling noodzakelijk is — die van artikel 235 kunnen eerst gaan spelen, wanneer ook de artikelen 111 en 113 niet van toepassing zijn.
Wat betreft de artikelen 27 en 28, komt de Commissie tot hetzelfde resultaat als de Raad.
Ten aanzien van het tweede bezwaar is de Commissie van oordeel dat de vraag of het hier om een handelspolitieke maatregel gaat, niet moet worden beoordeeld naar het doel van de maatregel, maar naar zijn inhoud: de specifieke regeling van de buitenlandse handel van de Gemeenschap. Daar het douanetarief een dergelijke regeling inhoudt, kan men stellen dat een regeling van de „heffingsgrondslag” die het concrete bedrag van de douanerechten vastlegt, eveneens deel uitmaakt van de handelspolitiek en derhalve bij gebreke van bijzondere bepalingen haar grondslag kan vinden in artikel 113.
Het voornaamste bezwaar tegen artikel 113 als juridische grondslag is dat het slechts op maatregelen ziet, die van invloed zijn op de handelsbetrekkingen met derde landen. De bepalingen inzake de douanewaarde zijn in dit opzicht echter neutraal en zijn geen handelspolitiek instrument. Vanwege de rechtszekerheid had de Commissie er derhalve de voorkeur aan gegeven haar voorstel inzake de communautaire regeling van de douanerechten niet op artikel 111 te doen steunen.
Ten aanzien van het derde bezwaar merkt de Commissie op dat een aantal richtlijnen op douanegebied inderdaad op grond van artikel 100 zijn vastgesteld. Blijkens de ervaring met het Verdrag nopens de waarde van goederen in douanezaken, dat op 15 december 1950 te Brussel is ondertekend, is bij de wetgeving inzake de douanewaarde harmonisering alléén echter niet voldoende om de eenvormige toepassing te waarborgen. Algemeen wordt de noodzaak erkend om de communautaire wetgeving op dit gebied in de vorm van een verordening vast te stellen.
Daarom had de Commissie voorgesteld om de verordening op grondslag van artikel 235 vast te stellen, dat raadpleging van de Vergadering en eenparigheid van stemmen van de Raad voorschrijft.
Bij de huidige stand van de integratie en de gemeenschappelijke handelspolitiek sluit de Commissie de mogelijkheid niet uit dat artikel 113 voldoende grondslag biedt voor een eenvormige wetgeving op douanegebied in de Gemeenschap. Haars inziens kan deze mogelijkheid echter niet van invloed zijn op de geldigheid van de in 1968 vastgestelde verordening, waarvan de inhoud met geen enkel nietigheidsmiddel werd aangevochten.
2. Ten aanzien van de tweede vraag
De firma Massey-Ferguson acht artikel 11 van verordening nr. 803/68 een betreurenswaardige bepaling. Zo bevat bij voorbeeld lid 2, sub b), een zowel materiële als onlogische vergissing. Een prijsverlaging wordt in beginsel slechts erkend indien een korting is verleend; een termijnprijs zonder korting wordt niet aanvaard. Dit standpunt is logisch niet te verdedigen, want een termijnprijs zonder korting is evenzeer een termijnprijs als een termijnprijs met korting. Deze fout tegen de logica behoorde te worden gecorrigeerd door de nadere bepaling dat het bestaan van een afwijkende prijs voor contante betaling tegenover de douane moet worden bewezen. Dit tweede lid, sub b), is dan ook moeilijk te begrijpen hetgeen de ervaring reeds heeft bevestigd.
Naar de mening van de firma tonen de door haar aangegeven fouten in artikel 11, en met name het niet erkennen van een eigenlijke termijnprijs, aan dat — onafhankelijk van de uitleggingsvraag — het bestaan van een termijnprijs op zichzelf al inhoudt dat daarin kredietkosten zijn begrepen. De administratie gaat er steeds van uit dat de verkoper niets cadeau geeft. Maar zij dient bij dit beginsel dan eveneens de mogelijkheid te erkennen dat de verkoper de kredietrente in de termijnprijs verwerkt.
De firma Massey-Ferguson is derhalve van mening dat bij een deugdelijk aangetoonde termijnprijs tevens het bewijs is geleverd van de aanwezigheid van kredietkosten. Zelfs indien men deze mening niet deelt, dienen aan de bewijsmiddelen niet te strenge eisen te worden gesteld. De Bundesfinanzminister tilt te zwaar aan deze problematiek door vermelding (op de factuur) voor te schrijven van een afwijkende prijs voor contante betaling.
Naar de opvatting van de firma komt deze eis indirect neer op korting. Als de verkoper een lagere contantprijs toestaat, kan hij ook korting geven. Het is echter evenzeer gebruikelijk om zulks niet te doen. Waarom zou de verkoper, omdat hij latere betaling toestaat, moeten afzien van doorberekening van de kredietkosten in de prijs als hij geen lagere contantprijs verleent? De firma merkt op dat als de stelling van het Hauptzollamt juist zou zijn, artikel 11, lid 2, sub b), zonder voorwerp is geraakt, omdat er anders steeds een korting zou zijn (het verschil tussen de contantprijs en de later te betalen prijs).
Bovendien zou, indien de stelling van het Hauptzollamt en van de Bundesminister juist was, de verkoper zijn boeken moeten overleggen ten einde de koper in staat te stellen om te bewijzen a) dat de prijs hoger is wegens meerekening van termijnrente en b) tot welk bedrag de termijnrente in de prijs is verwerkt. Een dergelijke eis is, aldus de firma, geheel onjuist.
Evenzeer onjuist is de opvatting van de belastingdienst, dat iemand die latere betaling toestaat ook korting kan verlenen, want latere betaling houdt het afzien van een onbepaalde rente in, terwijl korting een vast percentage doet veronderstellen. Kredietkosten en korting kunnen aanzienlijk uiteenlopen. Dat verklaart waarom vele verkopers wel latere betaling toestaan maar geen korting verlenen. Dit is met name ook gebruik in de landbouwmachinesector.
De firma is van mening dat de verwerking van de kredietkosten in de prijs het bestaan van een contantprijs doet veronderstellen, waar die kosten dan bovenop komen. De koper is niet bekend met de contantprijs, wat overigens ook niet is voorzien in artikel 11, lid 2, sub b). In casu is derhalve rekening gehouden met de woordelijke inhoud van artikel 11, lid 2, sub b).
De Commissie van de Europese Gemeenschappen merkt op dat de vraag, of en zo ja hoe „later te betalen prijzen” uit hoofde van de toegestane betalingstermijn moeten worden aangepast ter bepaling van de normale voor de douanewaarde in aanmerking te nemen prijs, steeds aanleiding tot moeilijkheden heeft gegeven. In de staten die partij waren bij het Verdrag van Brussel van 15 december 1950 nopens de waarde van goederen in douanezaken, werd die waarde vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 803/68 zeker door genoemd Verdrag beheerst, maar in de praktijk heeft dat — door de in artikel IV van het Verdrag voorziene aanpassingsmogelijkheden en door de ongelijke toepassing van facultatieve bepalingen die niet door alle staten zijn overgenomen — uiteindelijk niet tot een in alle opzichten eenvormige toepassing geleid. In Duitsland is het Bundesfinanzhof in zijn jurisprudentie met betrekking tot de waardering van later te betalen prijzen tot de conclusie gekomen dat de gefactureerde prijs in vele gevallen met een minimaal bedrag verminderd moest worden.
De Commissie merkt op dat bij de opstelling van verordening nr. 803/68 de bedoeling voorop gestaan heeft op een uitvoerbare regeling te maken en minimale aanpassingen te beperken.
Ten opzichte van de tot dusver in Duitsland voor „termijnprijzen” gevolgde praktijk, houdt die regeling aanzienlijke wijzigingen in. Derhalve kan men zich te dien aanzien niet meer op de vroegere jurisprudentie van het Bundesfinanzhof beroepen.
Luidens artikel 11, lid 1, van verordening nr. 803/68 is de prijs die voor het bepalen van de douanewaarde der goederen in aanmerking moet worden genomen, de contantprijs die op dat tijdstip moet worden betaald. Daar de factuurprijs in de praktijk slechts bij hoge uitzondering precies op het in artikel 5, lid 1, bedoelde tijdstip moet worden betaald, diende het begrip „contantprijs” volgens het normale spraakgebruik door een gemakkelijk uitvoerbare regeling in de douanewaardewetgeving zodanig te worden verruimd dat de zeer kleine aanpassingen van vooruitbetalingen en later te betalen prijzen werden vermeden.
De Commissie zet uiteen dat de regel, dat als contantprijs ook die prijs wordt aangemerkt die na het in artikel 5, sub a), bedoelde tijdstip moet worden betaald, beoogt te voorkomen dat prijzen — die volgens handelsgebruik contantprijzen zijn — moeten worden aangepast op grond dat de verkoper wel uitstel van betaling heeft verleend, doch geen korting bij onmiddellijke betaling wil geven. De verkoper kan, om de meest uiteenlopende redenen, uitstel van betaling toestaan zonder echter bereid te zijn een korting voor onmiddellijke betaling te verlenen. In dat geval bestaat er geen lagere contantprijs in de zin van de wetgeving op de douanewaarde, zelfs indien deze prijs in de handelsterminologie als „termijnprijs” wordt aangemerkt.
Op deze regel bestaan slechts enkele nauwkeurig omschreven uitzonderingen, die uitdrukkelijk in verordening nr. 803/68 zijn vermeld.
Eén van deze uitzonderingen is dat „een afwijkende prijs voor contante betaling bestaat”. In casu gaat het om de uitlegging van deze uitzondering.
Volgens de Commissie bestaat er naar de geest van de regeling slechts dan een afwijkende prijs voor contante betaling, als de koper bij onmiddellijke betaling een bepaalde lagere prijs moet betalen, ook al is geen korting overeengekomen. De tweede uitzondering beoogt derhalve gevallen analoog aan die waarin een korting is overeengekomen, te dekken. Daarbij is hoofdzakelijk gedacht aan de gevallen waarin voor bepaalde kopers geen korting is vastgesteld omdat de verkoper weet dat zij van de betalingstermijn gebruik maken, terwijl bij gelijksoortige transacties met andere kopers wel uitdrukkelijk een korting is vastgesteld.
Als zulks genoegzaam is aangetoond, staat een contantprijs vast en is deze bepalend voor de douanewaarde. Omdat er formeel geen korting is verleend, moeten strenge eisen aan het bewijs worden gesteld ten einde de erkenning van pro forma certificaten uit te sluiten.
Het bewijs kan bestaan uit het feit:
dat op grond van de geldende algemene tarieven voor soortgelijke transacties korting bij contante betaling wordt verleend;
dat terzelfder tijd aan andere kopers korting voor contante betaling wordt verleend.
Daarentegen is het niet voldoende dat de verkoper verklaart dat de kredietkosten in de factuurprijs zijn begrepen. Het gaat er uitsluitend om of de koper gedurende het betrokken tijdvak niet alleen gewoon was voor soortgelijke transacties latere betaling toe te staan, maar ook en vooral of hij korting bij contante betaling verleende.
De Commissie stelt voor de tweede vraag aldus te beantwoorden:
„Artikel 11, lid 2, sub b), tweede alternatief, van verordening nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 — aantoning van het bestaan van een andere prijs voor contante betaling — dient aldus te worden uitgelegd dat een bepaalde andere prijs dient te bestaan, die de koper bij contante betaling gerechtigd is te voldoen. Daarentegen is het niet voldoende te bewijzen dat de verkoper kredietkosten draagt omdat hij latere betaling heeft toegestaan, of dat de prijs kredietkosten omvat.”
In antwoord op een vraag van een lid van het Hof verklaarde de advocaat van de firma Massey-Ferguson ter terechtzitting dat de kredietkosten niet in ieder afzonderlijk geval aan de koper bekend kunnen zijn, maar dat krachtens een besluit van het Bundesministerium der Finanzen de toegestane aftrek op 1 % per maand was bepaald, met een maximum van 3 %.
De vertegenwoordiger van de Commissie voegde daaraan toe dat dit besluit van 1964 was genomen naar aanleiding van het arrest van het Bundesfinanzhof van 29 oktober 1963, waarbij was beslist dat de termijnprijs moest worden aangepast ten einde rekening te houden met de kredietkosten. Dit besluit is echter sinds de inwerkingtreding van verordening nr. 803/68 niet meer van toepassing.
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat het Bundesfinanzhof bij beschikking van 23 januari 1973, ingekomen ter griffie van het Hof op 19 februari 1973, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag twee vragen heeft gesteld met betrekking tot de geldigheid en de uitlegging van verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB nr. L 148, blz. 6) inzake de douanewaarde van de goederen;
Ten aanzien van de eerste vraag
Overwegende dat in de eerste vraag wordt gevraagd of de verordening de voor haar geldigheid noodzakelijke machtigingsgrondslag vindt in artikel 235 van het Verdrag, waarop zij steunt, of in een andere bepaling van het Verdrag;
dat de verordening, zoals aangegeven in de eerste alinea van haar preambule, is vastgesteld krachtens het „Verdrag tot instelling van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid artikel 235”;
dat derhalve allereerst dient te worden onderzocht of dit artikel een toereikende rechtsbasis oplevert;
Overwegende dat artikel 235 de Raad machtigt de passende maatregelen te nemen, indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt om, in het kader van de gemeenschappelijke markt, een der doelstellingen van de Gemeenschap te verwezenlijken, zonder dat het Verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet;
dat ingevolge artikel 3, sub a) en b), van het Verdrag de instelling van een douane-unie tussen de Lid-Staten een der doelstellingen van de Gemeenschap is;
dat de werking van de douane-unie noodzakelijkerwijze de eenvormige vaststelling van de douanewaarde van de uit derde landen ingevoerde goederen verlangt, zodat de mate van de door het gemeenschappelijk douanetarief teweeggebrachte bescherming in de gehele Gemeenschap gelijk is;
dat een dergelijke eenvormige vaststelling niet in de vereiste volle omvang voortvloeit uit het feit dat de Lid-Staten alle partij zijn bij het op 15 december 1950 te Brussel ondertekende verdrag nopens de waarde van goederen in douanezaken, daar de bepalingen van dit verdrag de verdragsstaten op een aantal bijzondere punten een zekere aanpassingsmogelijkheid laten;
dat, waar de in artikel 100 van het Verdrag geregelde procedure voor de aanpassing van de wetgevingen door middel van richtlijnen geen voldoende doeltreffende oplossing kan geven, dient te worden onderzocht of de bepalingen inzake de tenuitvoerlegging van de douane-unie en de handelspolitiek de Raad wellicht een passende grondslag voor handelen hadden geboden;
dat de effectieve werking van de douane-unie weliswaar een ruime uitlegging rechtvaardigt van de artikelen 9, 27, 28, 111 en 113 van het Verdrag en van de bevoegdheden die bij deze bepalingen aan de instellingen worden verleend ten einde hen in staat te stellen het buitenlandse handelsverkeer door autonome maatregelen en overeenkomsten coherent te regelen, doch dat de Raad terecht van mening kon zijn dat toepassing van de in artikel 235 bedoelde procedure in het belang van de rechtszekerheid gerechtvaardigd was, te meer daar de betrokken verordening tijdens de overgangsperiode was vastgesteld;
dat, gezien de in artikel 235 gestelde bijzondere eisen, tegen deze handelwijze overigens geen bezwaar valt in te brengen, daar in casu de Verdragsregels inzake de wilsvorming van de Raad of de bevoegdheidsverdeling tussen de instellingen niet worden doorkruist;
Overwegende dat niet betwist is dat bij de vaststelling van verordening nr. 803/68 de in artikel 235 voorgeschreven procedure is gevolgd;
dat derhalve op de eerste vraag dient te worden geantwoord dat de verordening haar machtigingsgrondslag vindt in artikel 235 van het Verdrag en dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van gegronde bezwaren tegen haar geldigheid;
Ten aanzien van de tweede vraag
Overwegende dat in de tweede plaats met betrekking tot de uitlegging van artikel 11, lid 2, sub b), tweede alternatief, van verordening nr. 803/68 wordt gevraagd of het noodzakelijk is „dat tussen de verkoper en koper c.q. andere kopers bij contante betaling een andere bepaalde prijs is overeengekomen”, of dat het voldoende is dat de later te betalen prijs kredietkosten omvat;
dat uit de litigieuze bepaling volgt dat, bij uitgestelde betaling, voor het bepalen van de douanewaarde de termijnprijs in aanmerking moet worden genomen, tenzij een korting voor contante betaling is voorzien of ten genoege van de douane is aangetoond dat een afwijkende prijs voor contante betaling bestaat;
dat voor de uitlegging van deze laatste bepaling rekening dient te worden gehouden met het daarmee beoogde doel namelijk het doen vaststellen van de waarde van een goed, uitgedrukt in een bepaald bedrag, dat als grondslag kan worden genomen voor de berekening van de op dat goed drukkende douanerechten;
dat hieruit volgt dat de afwijkende prijs, waarvan het bestaan zo nodig kan worden aangetoond, in cijfers moet zijn uit te drukken;
dat zulks niet het geval is op grond van het enkele feit dat de termijnprijs kredietkosten omvat en de koper of andere kopers onder analoge omstandigheden geen mogelijkheid hebben tot kwijting jegens de verkoper door vóór de overeengekomen vervaltermijn een bepaalde lagere prijs dan de termijnpris te betalen;
dat het aan de nationale rechter staat in ieder afzonderlijk geval te beoordelen of het bewijs van het bestaan van een afwijkende prijs, in bedoelde zin, al dan niet is geleverd;
dat derhalve op de gestelde vraag dient te worden geantwoord dat het voor het bewijs van het bestaan van een van de termijnprijs afwijkende prijs niet voldoende is aan te tonen dat de later te betalen prijs kredietkosten omvat, doch dat het bestaan dient te worden bewezen van een bepaalde afwijkende prijs welke de koper of andere kopers onder analoge omstandigheden mogen voldoen bij betaling vóór de overeengekomen termijn;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten, door de Raad en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;
dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;
Dictum
Gezien de processtukken;
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 23 januari 1973 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 inzake de douanewaarde van de goederen, vindt haar machtigingsgrondslag in artikel 235 van het Verdrag en bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van gegronde bezwaren tegen haar geldigheid;
2. Artikel 11, lid 2, sub b), tweede alternatief, van genoemde verordening dient aldus te worden verstaan dat het voor het bewijs van het bestaan van een van de termijnprijs afwijkende prijs niet voldoende is aan te tonen dat de later te betalen prijs kredietkosten omvat, doch dat het bestaan dient te worden bewezen van een bepaalde afwijkende prijs welke de koper of andere kopers onder analoge omstandigheden mogen voldoen bij betaling vóór de overeengekomen termijn.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
12Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal Capotorti158/8018.03.1981