ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — Feiten en procesverloop
Als gevolg van de verkleining van het beplante areaal en de ongunstige weersomstandigheden deed zich in 1975 een sterke daling van de aardappelproduktie voor in de Gemeenschap en andere Europese landen. Hierdoor ontstonden in het najaar van 1975 en vooral begin 1976 moeilijkheden bij de voorziening en grote prijsstijgingen.
Nadat enkele Lid-Staten eigener beweging beschermende maatregelen hadden getroffen, stelde de Gemeenschap zelf maatregelen in de aardappelsector vast. Zo schorste de Raad eind januari, begin februari 1976 de toepassing van de tot dan toe geldende invoerheffingen op aardappelen. Om de eigen markt tegen een te sterke uitvoer van in de Gemeenschap dringend benodigde aardappelen naar derde landen te beschermen stelde de Raad op 17 februari 1976 verordening nr. 348/76 vast, betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen in verband met de moeilijkheden bij de voorziening met aardappelen (PB nr. L 43 van 19. 2. 1976, blz. 14), welke op 19 februari 1976 in werking trad. Hierbij werd met ingang van 20 februari 1976 bij uitvoer van aardappelen een heffing van 25 rekeneenheden per 100 kg ingevoerd. Bij verordening nr. 890/76 van de Commissie van 14 april 1976 (PB nr. L 101 van 15. 4. 1976, blz. 40) werden de Lid-Staten gemachtigd, bepaalde exporten naar landen die tot hun traditionele afnemers behoorden, van deze heffing vrij te stellen.
Op 20 februari 1976 voerde de firma Johann Lührs in totaal 121000 kg aardappelen van post 07.01-A-III van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) naar Zweden uit. Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas zond de firma op 3 en 9 maart alsmede op 30 april 1976 aanslagen betreffende uitvoerheffingen voor een totaalbedrag van DM 108258,60. De toepassing van de heffing bij uitvoer berustte op genoemde verordening (EEG) nr. 348/76 van de Raad.
Bij de omrekening ging het Hauptzollamt aanvankelijk uit van een wisselkoers van DM 3,57873 per rekeneenheid, dat wil zeggen DM 89,47 per 100 kg. Op 8 juni 1976 wijzigde het Hauptzollamt de aanslagen en vorderde in totaal DM 2456,30 aan uitvoerheffingen na, op grond dat het bij de berekening een verkeerde wisselkoers per rekeneenheid had toegepast. De juiste wisselkoers was DM 3,66 per rekeneenheid en de ingevolge verordening nr. 348/76 op 25 rekeneenheden per 100 kg vastgestelde uitvoerheffing bedroeg omgerekend derhalve DM 91,50 per 100 kg.
Na een vruchteloze administratieve procedure stelde de firma Lührs op 28 september 1976 beroep in bij het Finanzgericht Hamburg. Tot staving van haar beroep voerde zij het volgende aan: op 10 en 16 februari 1976 had zij consumptieaardappelen tegen vaste prijzen naar Zweden verkocht. Overeengekomen was dat de levering op 21 februari 1976 zou plaatsvinden. Bij de sluiting van de overeenkomst was over de invoering van een heffing bij uitvoer van aardappelen nog niets bekend. Daar zij bij geruchte had vernomen van de mogelijke invoering van een heffing bij de uitvoer van consumptieaardappelen naar derde landen, deed zij navraag bij de betrokken autoriteiten. Deze waren — evenals hun vakorganisatie — op 20 februari 1976 nog niet op de hoogte van de inwerkingtreding van verordening nr. 348/76. Erop vertrouwend, dat de regeling betreffende de uitvoerheffingen niet in werking was getreden, heeft zij de aardappelen uitgevoerd. In de overeenkomsten met haar leverancier en afnemer had zij derhalve slechts de in de handel gebruikelijke brutowinst berekend. De heffing van DM 91,50 per 100 kg betekende „praktisch een onteigening”, omdat zij zelf slechts DM 105 per 100 kg had gekregen. Voorts gold verordening nr. 348/76 ten onrechte met terugwerkende kracht, omdat zij zich uitstrekte tot reeds vóór haar inwerkingtreding gesloten leverantieovereenkomsten.
Verweerder in het hoofdgeding was daarentegen van mening, dat de uitvoerheffing rechtmatig was toegepast. De toepassing van heffingen op aardappelen was toe te schrijven aan de voorzieningsmoeilijkheden en hoge prijzen voor aardappelen in de Gemeenschap. De doeltreffendheid van maatregelen op dit gebied was afhankelijk van een snelle inwerkingtreding en van het bedrag van de heffing. De verordening is weliswaar op korte termijn, doch niet met terugwerkende kracht in werking getreden. Indien de verordening nog invloed heeft gehad op niet geheel afgewerkte leverantieovereenkomsten, dan moet verzoekster in het hoofdgeding dit als handelsrisico voor haar rekening nemen. Er is echter geen sprake van schending van gerechtvaardigd vertrouwen. Dit was reeds daarom niet het geval, omdat verzoekster niet voor een verrassing is komen te staan, maar reeds vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 348/76 „bij geruchte” van de mogelijke invoering van een uitvoerheffing op aardappelen had vernomen.
Wat de hoogte van de wisselkoers betreft, voerde verweerder in het hoofdgeding aan, dat verordening (EEG) nr. 348/76 geen landbouwpolitieke maatregel was, waarop de representatieve wisselkoers van verordening (EEG) nr. 475/75 moest worden toegepast. Het ging veeleer om een conjunctuur- en handelspolitieke regeling. De uitvoerheffing is een economisch douanerecht van de Gemeenschap. Daarom moest bij de berekening van de heffing de volgens verordening nr. 950/68 voor douanerechten geldende wisselkoers van DM 3,66 worden toegepast.
Bij beschikking van 16 juni 1977 heeft het Finanzgericht besloten de procedure te schorsen en het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
1.Is verordening (EEG) nr. 348/76 juncto verordening (EEG) nr. 890/76, met name gelet op het bedrag van de heffing bij uitvoer, in strijd met het beginsel van bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen, voorzover daarbij geen algemene regeling is voorzien om exporten op grond van vóór 17 februari 1976 gesloten leverantieovereenkomsten van de uitvoerheffing vrij te stellen?
2.Zo neen:
a)Moet dan bij de omrekening van de in rekeneenheden uitgedrukte heffing bij uitvoer, bedoeld in verordening (EEG) nr. 348/76, de voor invoerrechten geldende wisselkoers van verordening (EEG) nr. 950/68, deel I, titel 1, sub C 3, of de in verordening (EEG) nr. 475/75 bedoelde wisselkoers worden toegepast?
b)Is de vaststelling van de uitvoerheffing bij export van consumptieaardappelen op 25 rekeneenheden per 100 kg, gelet op de wisselkoersen van verordening (EEG) nr. 950/68 of verordening nr. 475/75, in strijd met het discriminatieverbod van artikel 7 EEG-Verdrag, voorzover daarbij geen of onvoldoende compensatie wordt geboden voor het verschil tussen de monetaire situatie van het land van uitvoer en die van de andere Lid-Staten?
De verwijzingsbeschikking is op 4 juli 1977 ingeschreven ter griffie van het Hof.
Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn door de Raad van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door B. Schloh, adviseur bij de juridische dienst van de Raad, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door P. Kalbe, juridisch adviseur van de Commissie, als gemachtigde, bijgestaan door B. Hoff-Nielsen, lid van de juridische dienst van de Commissie, schriftelijke opmerkingen ingediend.
Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
1. De eerste vraag (bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen)
De Raad merkt allereerst op, dat de eerste vraag betrekking heeft op de rechtstoestand die voortvloeit uit de gezamenlijke toepassing van de verordeningen nrs. 348/76 van de Raad en 890/76 van de Commissie. Het eventuele verwijt van onrechtmatigheid kan niet tegen de verordening van de Raad zelf worden ingebracht, daar de Raad in artikel 1, lid 2, van zijn verordening de Commissie heeft gemachtigd en opgedragen alle noodzakelijke overgangsmaatregelen te treffen. Het zou derhalve eventueel aan de Commissie hebben gestaan, door aanvullende overgangsmaatregelen meer rekening te houden met het gebod van bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen, als bij verordening nr. 890/76 is geschied.
Subsidiair onderzoekt de Raad of de in samenhang met de basisverordening bij verordening nr. 890/76 van de Commissie getroffen regeling betreffende de gevallen van toepassing en vrijstelling van de heffing, in strijd is met het beginsel van bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen.
Het gaat te ver, de toepassing van de Raadsverordening op exporten die vóór de vaststelling waren overeengekomen, maar eerst later werden verricht, gelijk te stellen met terugwerkende kracht van rechtsregels. Uit verscheidene arresten van het Hof (zaken 143/73, Sopad t. Forma en Firs, Jurispr. 1973, blz. 1441, overwegingen 8 en 9, en 2/75, Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide t. Mackprang, Jurispr. 1975, blz. 616, overweging 4) volgt, dat de onmiddellijke toepassing van een rechtsnorm op situaties die vóór de vaststelling daarvan door het gedrag van de handelaar in het leven zijn geroepen, doch eerst nadien hun beslag hebben gekregen, in beginsel geen enkel probleem vormt.
De vraag kan dus niet zijn of met de definitief gesloten en nog niet uitgevoerde oude contracten in een algemene uitzonderingsregeling rekening moest worden gehouden, doch alken of de gemeenschapswetgever bij de invoering van de heffing bij uitvoer aanleiding had bijzondere overgangsregels te geven ter bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen van de betrokken handelaren.
Volgens 's Hofs rechtspraak is het vertrouwen van handelaren die economische verbintenissen zijn aangegaan, slechts gerechtvaardigd, indien de nieuwe belastende regeling zonder voorafgaande aankondiging en met onmiddellijke werking werd vastgesteld en ook door een voorzichtig handelaar niet kon worden voorzien (arresten van 8 juni 1977 in zaak 97/76, Merkur, overwegingen 5 en 9, Jurispr. 1977, blz. 1077, en van 14 mei 1975 in zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 549, overwegingen 41-43).
De Raad is van mening dat, gezien de door enige Lid-Staten getroffen maatregelen alsmede de schorsing van de invoerrechten voor aardappelen bij in januari en begin februari 1976 vastgestelde gemeenschapsverordeningen, een aardappelhandelaar in de Gemeenschap uiterlijk begin februari 1976 had kunnen voorzien, dat de Gemeenschap op korte termijn ook maatregelen zou treffen om de export naar derde landen van de voor de interne markt reeds te kleine gemeenschapsproduktie te beperken.
Tegen de bewering van verzoekster in het hoofdgeding, dat zij zich op 20 februari 1976 nog niet over de inwerkingtreding van de heffing bij uitvoer op de hoogte kon stellen, kan worden ingebracht, dat de Raad de draagwijdte van de nieuwe regeling door perscommuniqué's van 17 en 18 februari 1976 had bekend gemaakt en dat meerdere landelijk verschijnende Duitse dagbladen deze informatie in hun editie van 19 februari 1976 hadden verspreid.
Wat het bedrag betreft was de heffing noch buitensporig hoog, noch onvoorzienbaar voor de handelaren. Een dergelijke heffing moest geschikt zijn, de prikkel tot export die uitging van de verlening van hoge importsubsidies door enige staten, uit te schakelen. Volgens de informaties waarover de gemeenschapsinstellingen destijds beschikten, hadden deze subsidies grote bedragen kunnen bereiken, zoals in casu 18 rekeneenheden per 100 kg bij uitvoer naar Zweden.
De Commissie is van mening dat bij verordening nr. 890/76 van de Commissie, die ingevolge artikel 1, lid 2, van verordening nr. 348/76 van de Raad was vastgesteld, een algemene uitzonderingsregeling was getroffen. Dit artikel 1 voorzag uitdrukkelijk de mogelijkheid dergelijke maatregelen te nemen. De door de Commissie getroffen uitzonderingsregeling moest het mogelijk maken „bepaalde traditionele handelsstromen in stand te houden” waarvan kon worden aangenomen dat het ging om hoeveelheden die „deze traditionele stromen niet zouden overschrijden” (eerste overweging bij verordening nr. 890/76).
De eerste vraag heeft dus alleen betrekking op het ontbreken van bijzondere vrijstellingen voor exporten naar andere Europese landen, met name Zweden.
De omstreden heffing had geen terugwerkende kracht, en was slechts van toepassing op na haar inwerkingtreding verrichte exporten. Het feit dat de voorwaarden voor de afwikkkeling van oude contracten voor de betrokkenen ongunstiger waren, maakt de bepalingen ter invoering van deze heffingen niet onrechtmatig.
Wat betreft de bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen is de Gemeenschap hoogstens verplicht om bijzondere overgangsmaatregelen te treffen, wanneer met onmiddellijke werking en zonder waarschuwing wordt ingegrepen in het bestaan van een rechtsverhouding tussen de handelaren of de afwikkeling van de uit die verhouding voortvloeiende verplichtingen, zonder dat een beslissend algemeen belang zulks vordert (vgl. bovengenoemde zaak 97/76, Merkur t. Commissie).
De Raad en de Commissie hadden van een bijzondere overgangsregeling kunnen afzien. Alleen Nederland en Frankrijk voerden normaliter een noemenswaardig gedeelte van hun aardappelproduktie uit. Beide landen hadden de exporten reeds vóór de invoering van de betrokken heffing verboden.
Tegenover de tot dan toe geldende uitvoerverboden van de Lid-Staten had de heffing het voordeel, de exporten in principe weer mogelijk te maken. Voorts beschouwden de instellingen van de Gemeenschap het vanouds niet als hun taak, door bijzondere uitzonderingen de exporten te bevoordelen, die wegens de beperkingen in een Lid-Staat werden afgewikkeld via in een andere Lid-Staat gevestigde exporteurs.
Wat betreft de uitvoering van de door verzoekster gesloten overeenkomsten, ontbreken de voorwaarden voor de bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen. De pogingen van verzoekster en haar leverancier, de firma Engh te Straelen, zich zo snel mogelijk op de hoogte te stellen van de wijze waarop de communautaire uitvoerheffing zou worden toegepast, toonden aan, dat de heffing hen noch plotseling noch onverwachts heeft getroffen en dat zij bij het sluiten van de overeenkomst rekening hebben gehouden met de mogelijkheid van uitvoerbepalingen zoals de onderhavige heffing.
Verzoeksters grief dat een heffing van 25 rekeneenheden per 100 kg haar bijna de gehele verkoopprijs ontneemt en praktisch een „onteigening” is, brengt het rechtsprobleem van de evenredigheid der middelen in het geding. Haar stelling faalt echter. De uitvoerheffing moest vooral de in Zweden voor aardappelen betaalde invoersubsidie neutraliseren. Juist deze subsidie bracht talrijke exporteurs van de Gemeenschap ertoe, buitensporig hoge prijzen voor binnenlandse aardappelen te betalen, en daarmee binnen de Gemeenschap de toch al stijgende prijzen nog sterker op te drijven.
Gelet op het feit dat verzoekster bij de invoer in Zweden aanspraak had op een subsidie van 18 rekeneenheden per 100 kg, kan de heffing van 25 rekeneenheden per 100 kg en de resterende echte belasting van 7 rekeneenheden per 100 kg niet meer als onevenredig hoog worden beschouwd.
2. Vraag 2 a (de wisselkoers)
De Raad gaat in op de vraag of de in verordening nr: 475/75 omschreven „groene” wisselkoers alleen toepasselijk is, wanneer de betrokken rechtshandeling direct of indirect een verdragsartikel betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid als rechtsgrondslag heeft. De tekst van de verordening lijkt voor deze uitlegging te pleiten. De Raad is echter van mening dat althans een analoge toepassing van verordening nr. 475/75 op de heffing bij uitvoer van aardappelen, die berust op de artikelen 103 en 113, kan worden voorgestaan. De Raad voert hiertoe onder meer aan, dat aardappelen landbouwprodukten zijn en dat de maatregelen tegelijkertijd om landbouwpolitieke en om conjunctuur-, respectievelijk handelspolitieke redenen zijn getroffen, en wijst ten slotte op de tekst van verordening nr. 485/76 van de Commissie van 3 maart 1976 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 348/76 (PB nr. L 56 van 4. 3. 1976, blz. 23).
Verordening nr. 485/76 verklaart het bepaalde in verordening nr. 645/75 (PB nr. L 67 van 14. 3. 1975, blz. 16) — betreffende de toepassing van heffingen bij de uitvoer van onder de marktordeningen vallende produkten — van toepassing op de heffing bij uitvoer van aardappelen. Om deze redenen is de Raad geneigd tot de opvatting dat de wissel koersen van verordening nr. 475/75 op de uitvoerheffing moeten worden toegepast.
Daar verordening nr. 348/76 haar rechtsgrondslag vindt in de artikelen 103 en 113 EEG-Verdrag, is de Commissie van mening dat vanuit strikt formeel juridisch oogpunt de weigering van de Duitse douane om de wisselkoersen van verordening nr. 475/75 toe te passen, niet kan worden afgekeurd. Doch het landbouwbeleid en de handels- en conjunctuurpolitiek vormen geen tegengestelde grootheden.
De Commissie is van mening dat indien deze heffing wegens haar grondslag onder de handels- en conjunctuurpolitiek valt, niet is uitgesloten dat zij kan worden beschouwd als een maatregel, voortvloeiend „uit een besluit betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid” en dat de wisselkoersen van verordening nr. 475/75 kunnen worden toegepast.
3. Vraag 2 b (discriminatie door toepassing van een vaste wisselkoers)
De Raad merkt op dat vaste wisselkoersen grote voordelen bieden, vooral omdat handelaren daardoor hun economische disposities vooraf kunnen berekenen. Bepaalde ongelijkheden, die ten gevolge van verschillende monetaire ontwikkelingen in de Lid-Staten kunnen optreden, zijn derhalve niet te wijten aan een discriminerende behandeling.
Het stelsel van monetaire compenserende bedragen is ingevoerd om te voorkomen dat het prijsniveau binnen de Gemeenschap kunstmatige verschillen vertoont ten gevolge van de monetaire situatie van de Lid-Staten, en niet om een beweerde discriminatie uit te schakelen. Een dergelijke maatregel is niet noodzakelijk voor de exporttransacties als de onderhavige, daar deze exporten geen verschillen in de prijsvorming binnen de Gemeenschap kunnen veroorzaken.
Volgens de Commissie bestond er geen gevaar voor een verkeersverlegging — een kunstmatige verlegging van de handelsstromen als gevolg van monetaire factoren, die de invoering van een stelsel van monetaire compenserende bedragen had kunnen rechtvaardigen.
III — Mondelinge behandeling
De firma Johann Lührs, verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door S. Stossno, als gemachtigde, de Raad van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door B. Schloh, adviseur bij de juridische dienst van de Raad, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door P. Kalbe, juridisch adviseur van de Commissie, bijgestaan door B. Hoff-Nielsen, lid van de juridische dienst van de Commissie, hebben ter terechtzitting van 22 november 1977 mondelinge opmerkingen gemaakt.
Te dezer terechtzitting heeft de firma Johann Lührs opgemerkt, dat zij geen gespecialiseerd aardappelhandelaar is en derhalve niet vertrouwd is met de gebruiken in de aardappelhandel. Slechts om haar wagenpark volledig te benutten heeft zij op 10 en 16 februari partijen aardappelen ge- en verkocht, die een vrachtwagenlading vormden.
Het Bondsministerie van Financiën heeft de Oberfinanzdirektionen eerst op 24 februari op de hoogte gesteld van het bestaan van een uitvoerheffing. Ook de bevoegde douane-autoriteiten hadden op zijn vroegst op die datum op de hoogte kunnen zijn. Op het tijdstip van de export waren de douane-autoriteiten nog niet van de nieuwe toestand in kennis gesteld. Daaruit volgt dat hier het gerechtvaardigd vertrouwen moet worden beschermd.
Een eventueel uitvoerverbod zou voor verzoekster minder belastend zijn geweest, daar dan van overmacht sprake was geweest, zodat de firma haar contract had kunnen opzeggen zonder verlies te lijden. Het is verbazingwekkend dat een lichtere maatregel, namelijk een uitvoerheffing, voor haar veel zwaardere consequenties heeft.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 11 januari 1978 conclusie genomen.
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 16 juni 1977, ingekomen ten Hove op 6 juli 1977, krachtens artikel 177 van het Verdrag twee vragen heeft gesteld inzake de geldigheid en de uitlegging van 's Raads verordening nr. 348/76 van 17 februari 1976, betreffende maatregelen die moeten worden getroffen in verband met de moeilijkheden bij de voorziening met aardappelen, (PB nr. L 43 van 19. 2. 1976, blz. 14) en van verordening nr. 890/76 van de Commissie van 14 april 1976, waarbij wordt voorzien in de mogelijkheid om in bepaalde gevallen vrijstelling te verlenen van de heffing bij uitvoer van aardappelen (PB nr. L 101 van 15. 4. 1976, blz. 40);
dat deze vragen zijn gesteld in een geding tussen het Hauptzollamt Hamburg-Jonas en een vervoerbedrijf, dat op 20 februari 1976121000 kg aardappelen naar Zweden had uitgevoerd en daarom krachtens verordening nr. 348/76 werd belast met een heffing van DM 108256,60, die later werd verhoogd met DM 2456,30;
Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of verordening nr. 348/76 juncto verordening nr. 890/76, met name gelet op het bedrag van de uitvoerheffing, in strijd fs met het beginsel van bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen, voor zover daarbij geen algemene regeling is voorzien om exporten op grond van vóór 17 februari 1976 gesloten leverantieovereenkomsten van de uitvoerheffing vrij te stellen;
dat uit de stukken blijkt dat verzoekster in het hoofdgeding op 10 en 16 februari 1976 aardappelen die zij in Nederland had gekocht, tegen vaste prijzen naar Zweden heeft verkocht;
dat zij, toen zij had vernomen dat een communautair verbod of heffing op de uitvoer van aardappelen aanstaande was, tussen 16 en 20 februari 1976 heeft getracht, betrouwbare inlichtingen in te winnen, doch toen zij deze niet kon verkrijgen, de betrokken partijen op 20 februari 1976 heeft uitgevoerd;
dat zij daardoor werd belast met een heffing waarvan het bedrag slechts weinig onder de overeengekomen verkoopprijs lag;
Overwegende dat de Raad verordening nr. 348/76 heeft vastgesteld wegens de schaarste als gevolg van de zeer geringe aardappeloogst in 1975, welke situatie een aanzienlijke stijging van de prijzen, alsmede voorzieningsmoeilijkheden in bepaalde gebieden van de Gemeenschap en een risico van stijging van de kosten van levensonderhoud tot gevolg had;
dat deze situatie werd verergerd door de uitvoer van aardappelen naar derde landen, welke in enige dezer landen, waaronder Zweden, werd bevorderd door invoersubsidies;
dat derhalve bij de verordening een heffing bij de uitvoer naar derde landen ten bedrage van 25 rekeneenheden per 100 kg werd ingesteld;
dat ingevolge artikel 2 de verordening op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad, dat wil zeggen op 19 februari 1976 in werking trad en van toepassing was „op uitvoertransacties waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld in de periode die begint op de dag volgende op die van haar inwerkingtreding en eindigt op 30 juni 1976”;
Overwegende dat uit de geschetste omstandigheden blijkt, dat verordening nr. 348/76 werd uitgevaardigd in een beslissend algemeen belang, dat de onmiddellijke inwerkingtreding van de vastgestelde regeling vereiste;
dat immers de goede werking van de gemeenschappelijke markt een maatregel verlangde die een ontwikkeling kon afremmen waarin de stijgende prijstendens en de abnormale exporten naar derde landen elkaar onderling stimuleerden;
dat deze maatregel trouwens geen verrassing kon zijn voor de beroepskringen die, indien zij zich van de abnormale situatie nog niet bewust waren geweest, in elk geval waren gewaarschuwd door de voorafgaande gemeenschapsregelen (schorsing van de invoerrechten) en door de maatregelen, welke de Lid-Staten die per traditie aardappelen uitvoeren, reeds hadden genomen;
dat derhalve een vorzichtig en bezonnen handelaar de vaststelling van strengere maatregelen moest voorzien, zodat hij zich in casu niet op een gerechtvaardigd vertrouwen kan beroepen;
Overwegende ten aanzien van de hoogte van de uitvoerheffing, dat ook deze de geïnformeerde kringen niet kon verrassen, aangezien op het moment van vaststelling van verordening nr. 348/76 verschillende derde landen reeds invoerpremies toekenden, zoals bij voorbeeld Zweden dat premies tot een tegenwaarde van 18 rekeneenheden per 100 kg schijnt te hebben verstrekt;
dat om de werking van deze maatregelen te neutraliseren, de gemeenschapsheffing op een nog hoger bedrag moest worden vastgesteld, zodat een bedrag van 25 rekeneenheden per 100 kg niet als buitensporig hoog kan worden beschouwd;
Overwegende dat krachtens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 348/76 de Commissie bij verordening nr. 890/76 de Lid-Staten heeft gemachtigd, vrijstelling te verlenen van de heffing bij uitvoer „voor de … produkten die vóór 30 mei 1976 naar in de bijlage genoemde derde landen of gebieden worden uitgevoerd, voor zover die uitvoer gebeurt in uitvoering van contracten die vóór 17 februari werden gesloten”;
dat deze bepaling werd vastgesteld in de overweging dat het raadzaam was de Lid-Staten in staat te stellen, bepaalde traditionele handelsstromen in stand te houden en dat „de hoeveelheden deze traditionele stromen niet zullen overschrijden”;
Overwegende dat de aldus getroffen overgangsmaatregel ook niet méér beperkend kan worden geacht dan het beginsel van bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen eist, daar een dergelijk vertrouwen slechts kon bestaan bij de handelaren die hadden vertrouwd op het voortbestaan van de gebruikelijke, vast verankerde economische betrekkingen;
dat niet is betoogd, dat Zweden tot de derde landen behoort waarnaar per traditie aardappelen worden uitgevoerd, en dat het dus had moeten worden genoemd in de bijlage bij verordening nr. 890/76;
Overwegende dat derhalve moet worden geantwoord dat bij onderzoek van de eerste vraag niet is gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordeningen nrs. 348/76 en 890/76;
Overwegende dat vraag 2, sub a, inhoudt of voor de omrekening van de in rekeneenheden uitgedrukte heffing bij uitvoer, de voor invoerrechten geldende wisselkoers van 's Raads verordening nr. 950/68 van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijke douanetarief (PB nr. L 172 van 22. 7. 1968, blz. 1), Deel I, titel 1, sub C 3, of de in 's Raads verordening nr. 475/75 van 25 februari 1975, betreffende de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen (PB nr. L 52 van 28. 2. 1975, blz. 28) bedoelde wisselkoers moet worden toegepast;
dat de vraag wordt verklaard door het feit dat de krachtens verordening nr. 950/68 geldende wisselkoers destijds iets hoger was dan de krachtens verordening nr. 475/75 voor de besluiten betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid geldende wisselkoers;
Overwegende dat verordening nr. 348/76 geen uitdrukkelijke aanwijzing bevat betreffende de koers die voor de omrekening van de voorgeschreven heffing van 25 rekeneenheden in de nationale valuta moet worden toegepast;
dat enerzijds het feit dat zij krachtens de artikelen 103 en 113 van het Verdrag is vastgesteld, de verordening veeleer kenmerkt als een maatregel van conjunctuur- en economische politiek dan van gemeenschappelijk landbouwbeleid,
dat anderzijds aardappelen een landbouwprodukt in de zin van het Verdrag zijn en de heffing bij uitvoer is ontworpen door het directoraat-generaal Landbouw van de Commissie, en vastgesteld door de Raad, samengesteld uit de ministers van Landbouw, ten einde de prijzen in de Gemeenschap op een redelijk peil te houden en de voorziening veilig te stellen — doelstellingen derhalve die in artikel 39, lid 1, sub d) en e) van het Verdrag als doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden beoogd;
dat bovendien de verwarring nog werd vergroot doordat de Commissie zelf bij haar uitvoeringsverordening nr. 485/76 van 3 maart 1976 (PB nr. L 56 van 4. 3. 1976, blz. 23), haar verordening nr. 645/75 van 13 maart 1975, houdende vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen voor de toepassing van heffingen en belastingen bij de uitvoer van landbouwprodukten (PB nr. L 67 van 14. 3. 1975, blz. 16) toepasselijk heeft verklaard bij de inning van de betrokken heffingen;
dat derhalve verordening nr. 348/76 formeel weliswaar niet kan worden geacht te behoren tot het algemeen landbouwbeleid, doch materieel zeer nauw daarmee samenhing;
dat derhalve dient te worden geantwoord dat, gelet op de onduidelijkheden die met verordening nr. 348/76 zijn verbonden, de billijkheid verlangt dat voor de omrekening van de heffing bij uitvoer in de nationale valuta, de koers wordt toegepast die destijds voor de justitiabele het minst belastend was;
Overwegende dat vraag 2, sub b, inhoudt of de vaststelling van de heffing op 25 rekeneenheden per 100 kg in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 7 van het Verdrag, voor zover daarbij geen of onvoldoende compensatie wordt geboden voor het verschil tussen de monetaire situatie van het land van uitvoer en die van de andere Lid-Staten;
Overwegende dat het niet noodzakelijk is het aldus opgeworpen algemene probleem diepgaand te behandelen en te onderzoeken in hoeverre daarmee in de gemeenschapsregeling rekening kan en moet worden gehouden, omdat uit de door de Commissie verstrekte inlichtingen blijkt, dat de instelling van de uitvoerheffing een algemene preventieve werking had en daardoor slechts in enkele afzonderlijke gevallen werd toegepast;
dat hieruit volgt dat de vraag van zuiver theoretische aard is en dat de toepassing van verordening nr. 348/76 in feite geen inbreuk heeft gemaakt op welk discriminatieverbod dan ook;
Overwegende dat bij onderzoek van deze vraag evenmin is gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordening nr. 348/76;
Overwegende dat het gezien het voorafgaande niet mogelijk lijkt, in het kader van de bestaande regeling, recht te doen wedervaren aan eventueel in bijzondere gevallen bestaande billijkheidseisen, daar slechts door de gemeenschapswetgever aan dergelijke eisen kan worden tegemoetgekomen door middel van passsende hardheidsclausules, zoals deze voorkomen in het Duitse belastingsrecht en dat van andere Lid-Staten;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten, door de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen; dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 16 juni 1977 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Bij onderzoek van de vragen is niet gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordening nr. 348/76 en 890/76;
2. Gelet op de onduidelijkheden die met 's Raads verordening nr. 348/76 zijn verbonden, dient voor de omrekening van de heffing bij uitvoer in de nationale valuta, van de bij 's Raads verordeningen nrs. 950/68, respectievelijk 475/75 genoemde wisselkoersen, de destijds voor de justitiabele minst belastende te worden toegepast.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
1Europese Unie
1Hof van JustitieC-181/0414.09.2006