Arrest van het Hof van 4 september 2025, C-776/22 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Unie C-776/22 ECLI:EU:C:2025:644 4 september 2025

Zoeken

Arrest van het Hof van 4 september 2025, C-776/22Vertegenwoordiging van niet-bevoorrechte partijen in het kader van een rechtstreeks beroep bij de rechterlijke instanties van de Europese Unie, vertegenwoordiging van een advocatenkantoor door een advocaat die partner is bij dat kantoor, advocaat die ten opzichte van de verzoeker de hoedanigheid van derde heeft, vermoeden van onafhankelijkheid, weerlegging van het vermoeden, voorwaarden

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-776-22-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Unie
Zaak
C-776/22
ECLI
ECLI:EU:C:2025:644
Datum
4 september 2025

Naar het dictum

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans

Tekst

112 paragrafen

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

4 september 2025 ( *1 )

„Hogere voorziening – Beroep tot nietigverklaring – Artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – Vertegenwoordiging van niet-bevoorrechte partijen in het kader van een rechtstreeks beroep bij de rechterlijke instanties van de Europese Unie – Vertegenwoordiging van een advocatenkantoor door een advocaat die partner is bij dat kantoor – Advocaat die ten opzichte van de verzoeker de hoedanigheid van derde heeft – Vermoeden van onafhankelijkheid – Weerlegging van het vermoeden – Voorwaarden”

In zaak C‑776/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 20 december 2022,

Studio Legale Ughi e Nunziante, gevestigd te Rome (Italië), vertegenwoordigd door L. Cascone, A. Clemente, F. De Filippis en A. Marega, avvocati,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Hanf, R. Raponi en D. Stoyanova-Valchanova als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

ondersteund door:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher, P. Stancanelli en C. Urraca Caviedes als gemachtigden,

interveniënte in hogere voorziening,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, S. Rodin, A. Kumin en N. Jääskinen (rapporteur), kamerpresidenten, A. Arabadjiev, E. Regan, N. Piçarra, F. Schalin, S. Gervasoni, N. Fenger en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 februari 2025,

het navolgende

Arrest

1.

Met haar hogere voorziening verzoekt Studio Legale Ughi e Nunziante, een maatschap naar Italiaans recht (hierna: „advocatenkantoor”), om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 10 oktober 2022, Studio Legale Ughi e Nunziante/EUIPO – Nunziante en Ughi (UGHI E NUNZIANTE) (T‑389/22, EU:T:2022:662; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht het beroep tot vernietiging heeft verworpen dat het advocatenkantoor had ingesteld tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 8 april 2022 (zaak R 407/2021‑5) inzake een procedure tot vervallenverklaring van het merk Ughi e Nunziante (hierna: „bestreden beslissing”).

Toepasselijke bepalingen

2.

Artikel 19, eerste tot en met vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie luidt als volgt:

„De lidstaten zowel als de instellingen van de [Europese] Unie worden voor het Hof van Justitie vertegenwoordigd door een voor elke zaak benoemde gemachtigde; de gemachtigde kan door een raadsman of door een advocaat worden bijgestaan.

De staten – niet zijnde lidstaten – die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte [van 2 mei 1992 (hierna: ‚EER‑Overeenkomst’)], alsmede de in die overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de [Europese Vrijhandelsassociatie (EVA)] worden op gelijke wijze vertegenwoordigd.

De andere partijen moeten door een advocaat worden vertegenwoordigd.

Alleen een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de [EER‑Overeenkomst], kan een partij voor het Hof vertegenwoordigen of bijstaan.”

3.

Artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt:

„Een zaak wordt bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift, dat aan de griffier wordt toegezonden. Het verzoekschrift moet inhouden de naam en woonplaats van de verzoeker en de hoedanigheid van de ondertekenaar, de aanduiding van de partij of partijen tegen wie het verzoekschrift is gericht, het onderwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen.

Het moet, indien daartoe aanleiding bestaat, vergezeld gaan van de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevraagd, of, in het geval bedoeld in artikel 265 [VWEU], van een bewijsstuk van de datum der in genoemd artikel bedoelde uitnodiging. Indien deze stukken niet bij het verzoekschrift zijn gevoegd, nodigt de griffier de betrokkene uit deze alsnog binnen een redelijke termijn over te leggen; verval van het recht tot beroep kan niet worden tegengeworpen indien het verzuim eerst is hersteld na het verstrijken van de termijn van beroep.”

4.

Overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is titel III van het Statuut, die de in de punten 2 en 3 van dit arrest aangehaalde bepalingen bevat, van toepassing op de procedure bij het Gerecht.

5.

Artikel 51 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, met als opschrift „Verplichte vertegenwoordiging”, bepaalt:

„1. De partijen moeten door een gemachtigde of een advocaat worden vertegenwoordigd op de wijze bepaald in artikel 19 van het Statuut [van het Hof van Justitie van de Europese Unie].

2. De advocaat die een partij vertegenwoordigt of bijstaat, is gehouden ter griffie het bewijs neer te leggen waaruit blijkt dat hij tot de uitoefening van zijn beroep is toegelaten bij een rechterlijke instantie van een lidstaat of een andere staat die partij is bij de EER‑Overeenkomst, voor zover dat bewijs nog niet is neergelegd met het oog op de opening van een e‑Curia-account.

3. De advocaten zijn gehouden om, wanneer zij een privaatrechtelijke rechtspersoon vertegenwoordigen, ter griffie een door deze rechtspersoon verleende machtiging neer te leggen.

4. Indien het in lid 2 of het in lid 3 bedoelde stuk niet is neergelegd, stelt de griffier de betrokken partij een redelijke termijn om het over te leggen. Indien het stuk niet binnen de gestelde termijn wordt overgelegd, beslist het Gerecht of het niet in acht nemen van het betrokken vormvoorschrift tot de formele niet‑ontvankelijkheid van het verzoekschrift of van de memorie leidt dan wel tot het oordeel dat de advocaat de betrokken partij niet vertegenwoordigt of niet bijstaat.”

6.

Artikel 55 van dit Reglement, met als opschrift „Uitsluiting van de procedure”, luidt als volgt:

„1. Indien het Gerecht van oordeel is dat een gemachtigde, raadsman of advocaat zich voor het Gerecht, de president, een rechter of de griffier gedraagt op een wijze die met de waardigheid van het Gerecht of met de eisen van een goede rechtsbedeling onverenigbaar is, of dat deze gemachtigde, raadsman of advocaat van de hem met het oog op zijn functie toegekende rechten een ander gebruik maakt dan waartoe die rechten hem zijn verleend, deelt het dit de betrokkene mee. [...]

2. Om dezelfde redenen kan het Gerecht te allen tijde, de betrokkene gehoord, een gemachtigde, raadsman of advocaat bij met redenen omklede beschikking van de procedure uitsluiten. Deze beschikking is onmiddellijk uitvoerbaar.

3. Wanneer een gemachtigde, raadsman of advocaat van de procedure is uitgesloten, wordt het geding voor de door de president te bepalen termijn geschorst, teneinde de betrokken partij in de gelegenheid te stellen een andere gemachtigde, raadsman of advocaat aan te wijzen.

[...]”

7.

Artikel 78 van dat Reglement, betreffende de „Bijlagen van het verzoekschrift”, bepaalt:

„1. Bij het verzoekschrift worden in voorkomend geval de stukken bedoeld in artikel 21, tweede alinea, van het Statuut [van het Hof van Justitie van de Europese Unie] gevoegd.

[...]

5. Het verzoekschrift gaat vergezeld van de in artikel 51, leden 2 en 3, bedoelde stukken.

6. Indien het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden in de leden 1 tot en met 5, stelt de griffier de verzoeker een redelijke termijn om de bovenbedoelde stukken over te leggen. Indien deze verzuimen niet binnen de gestelde termijn worden hersteld, beslist het Gerecht of het niet in acht nemen van deze voorwaarden tot de formele niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift leidt.”

Voorgeschiedenis van het geding

8.

De voorgeschiedenis van het geding kan als volgt worden samengevat.

9.

Op 26 september 2017 heeft het advocatenkantoor bij het EUIPO een vordering tot vervallenverklaring van het Uniewoordmerk UGHI E NUNZIANTE ingediend voor alle diensten waarvoor dit merk was ingeschreven.

10.

Bij beslissing van 23 februari 2021 heeft de nietigheidsafdeling van het EUIPO deze aanvraag toegewezen voor alle diensten, met uitzondering van „juridische diensten” van klasse 45 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.

11.

Op 1 maart 2021 heeft het advocatenkantoor bij het EUIPO beroep ingesteld tegen deze beslissing voor zover daarbij de vordering tot vervallenverklaring was afgewezen.

12.

Bij de bestreden beslissing heeft de vijfde kamer van beroep van het EUIPO dit beroep verworpen.

Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking

13.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 juli 2022, heeft het advocatenkantoor beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing ingesteld.

14.

Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

15.

In punt 5 van die beschikking heeft het Gerecht er met name aan herinnerd dat volgens artikel 19, derde en vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de partijen, met uitzondering van de lidstaten en de instellingen van de Europese Unie, de staten die partij zijn bij de EER‑Overeenkomst en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, door een advocaat moeten worden vertegenwoordigd en dat een partij enkel kan worden vertegenwoordigd voor de rechterlijke instanties van de Unie door een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER‑Overeenkomst.

16.

In punt 6 van die beschikking heeft het Gerecht verduidelijkt dat uit de bewoordingen van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in het bijzonder uit het gebruik van de term „vertegenwoordigd”, en uit punt 44 van het arrest van 14 juli 2022, Universität Bremen/REA (C‑110/21 P, EU:C:2022:555), blijkt dat het een „partij” in de zin van deze bepaling, ongeacht haar hoedanigheid, niet is toegestaan om zelf op te treden voor een rechterlijke instantie van de Unie, maar dat zij een beroep moet doen op de diensten van een derde, zelfs wanneer die partij een advocaat is die bevoegd is om voor een nationale rechterlijke instantie te pleiten.

17.

In de punten 7 en volgende van die beschikking heeft het Gerecht herinnerd aan de redenen waarom deze letterlijke uitlegging werd bevestigd door zowel de context van deze bepaling als het ermee nagestreefde doel.

18.

Zo heeft het Gerecht, onder verwijzing naar met name punt 47 van het arrest van 14 juli 2022, Universität Bremen/REA (C‑110/21 P, EU:C:2022:555), in punt 9 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de in artikel 19, derde en vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde taak van een advocaat om zijn cliënt te vertegenwoordigen – die wordt verricht in het belang van een goede rechtsbedeling – voornamelijk tot doel heeft de belangen van de volmachtgever zo goed mogelijk te beschermen en te verdedigen, waarbij de advocaat geheel onafhankelijk dient op te treden en de wet alsmede de beroeps‑ en gedragsregels in acht dient te nemen.

19.

In punt 10 van die beschikking heeft het Gerecht vervolgens vastgesteld dat de definitie van het begrip „onafhankelijkheid” van de advocaat op het gebied van de vertegenwoordiging voor de rechterlijke instanties van de Unie een ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat het belangrijkste criterium in dit verband tegenwoordig de bescherming en verdediging van de belangen van de cliënt is.

20.

In punt 11 van die beschikking heeft het Gerecht eraan herinnerd dat de voorwaarde van onafhankelijkheid van advocaten volgens vaste rechtspraak niet alleen negatief wordt omschreven, namelijk als het ontbreken van een dienstverband tussen de advocaat en zijn cliënt, maar ook positief, namelijk onder verwijzing naar de beroepsethiek.

21.

In de punten 12 en 13 van die beschikking heeft het Gerecht verduidelijkt dat uit de rechtspraak van het Gerecht en van het Hof volgt dat, ten eerste, het onafhankelijkheidsvereiste, in de specifieke context van artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, noodzakelijkerwijs impliceert dat er geen dienstverband bestaat tussen de advocaat en zijn cliënt, ten tweede, dit vereiste ook geldt wanneer die vertegenwoordigde partij een advocatenkantoor is en, ten derde, dit vereiste niet inhoudt dat er geen enkele band tussen de advocaat en zijn cliënt mag bestaan, maar dat er tussen beide geen band mag bestaan die kennelijk een ongunstige invloed heeft op het vermogen van de advocaat om zich te kwijten van de op hem rustende taak om zijn cliënt te verdedigen door diens belangen zo goed mogelijk te behartigen en daarbij de wet alsook de beroeps‑ en gedragsregels in acht te nemen.

22.

Zo heeft het Gerecht in de punten 15 en 16 van de bestreden beschikking vastgesteld dat rekwirante, een advocatenkantoor, in het onderhavige geval drie advocaten die als partners bij haar werkzaam waren, had aangewezen om haar te vertegenwoordigen. Het was van oordeel dat die hoedanigheid niet verenigbaar was met de vereisten van onafhankelijkheid waaraan moet zijn voldaan om dat advocatenkantoor voor de rechterlijke instanties van de Unie te vertegenwoordigen.

23.

Het Gerecht heeft derhalve in punt 17 van die beschikking geoordeeld dat het inleidend verzoekschrift was ondertekend door advocaten die ten opzichte van rekwirante niet de hoedanigheid van onafhankelijke derde hadden, zodat het beroep niet was ingesteld overeenkomstig artikel 19, derde en vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 51, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

24.

Ten slotte heeft het Gerecht in punt 18 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de niet-naleving van de verplichting om te worden vertegenwoordigd door een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER‑Overeenkomst, geen verzuim was dat uit hoofde van artikel 21, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 78, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht na het verstrijken van de beroepstermijn kan worden hersteld.

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen in hogere voorziening

25.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 december 2022, heeft het advocatenkantoor de onderhavige hogere voorziening ingesteld tegen de bestreden beschikking, ter ondersteuning waarvan het drie middelen aanvoert.

26.

Bij op dezelfde datum neergelegde akten heeft zij krachtens artikel 170 bis, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om haar hogere voorziening toe te laten overeenkomstig artikel 58 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en voorts verzocht om krachtens artikel 95, lid 2, van dat Reglement haar en de verschillende advocaten die in het verzoekschrift in hogere voorziening worden genoemd, anonimiteit te verlenen.

27.

Bij besluit van 4 januari 2023 heeft het Hof het verzoek om anonimisering afgewezen.

28.

Bij beschikking van het Hof van 8 mei 2023, Studio Legale Ughi e Nunziante/EUIPO (C‑776/22 P, EU:C:2023:441), is de hogere voorziening toegelaten voor wat betreft het tweede en het derde middel.

29.

Bij beslissing van 18 september 2023 heeft de president van het Hof de Europese Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van het EUIPO.

30.

Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof:

– primair, het tweede middel van de hogere voorziening toe te wijzen en ofwel de bestreden beschikking te vernietigen, ofwel vast te stellen dat rekwirante rechtsgeldig in rechte wordt vertegenwoordigd door de advocaten die zij voor het beroep bij het Gerecht heeft gemachtigd, en bijgevolg de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak ten gronde;

– subsidiair, het derde middel van de hogere voorziening toe te wijzen en ofwel de bestreden beschikking te vernietigen, ofwel te beslissen dat het advocatenkantoor het recht heeft om de procedure voort te zetten met bijstand van een advocaat die niet behoort tot haar advocatenmaatschap, en bijgevolg de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak ten gronde, en

– het EUIPO te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.

31.

Het EUIPO verzoekt het Hof:

– de hogere voorziening af te wijzen, en

– het advocatenkantoor te verwijzen in de kosten.

32.

De Commissie concludeert eveneens tot verwerping van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirante in de kosten.

Hogere voorziening

33.

Het tweede middel dat rekwirante ter ondersteuning van haar hogere voorziening aanvoert, betreft schending van artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van artikel 51 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Het derde middel betreft schending van de artikelen 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en, in voorkomend geval, van artikel 51, lid 4, en artikel 55, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Zoals in punt 28 hierboven in herinnering is gebracht, is de hogere voorziening toegelaten voor wat betreft het tweede en het derde middel.

Argumenten van partijen

34.

Met haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht in essentie dat het artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 51 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht onjuist heeft uitgelegd. Dit middel bestaat uit twee onderdelen.

35.

Met het eerste onderdeel verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door in punt 17 van de bestreden beschikking te oordelen dat het beroep in eerste aanleg niet is ingesteld met inachtneming van met name artikel 19, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, op grond waarvan alleen een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat, een partij voor het Hof kan vertegenwoordigen of bijstaan. Zij stelt namelijk alle documenten te hebben overgelegd waaruit blijkt dat de advocaten die zij had gemachtigd om haar te vertegenwoordigen, bij de balie van Rome (Italië) waren ingeschreven en bijgevolg bevoegd waren om voor de Italiaanse rechterlijke instanties op te treden, zodat zij voldeden aan de in de betrokken bepaling gestelde voorwaarde.

36.

Met het tweede onderdeel verwijt rekwirante het Gerecht dat het artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie onjuist heeft uitgelegd, aangezien het in strijd met de rechtspraak van het Hof, en met name met het arrest van 14 juli 2022, Universität Bremen/REA (C‑110/21 P, EU:C:2022:555), heeft geoordeeld dat advocaten die partners zijn bij een advocatenkantoor niet de vereiste onafhankelijkheid ten opzichte van dat kantoor hebben om het te kunnen vertegenwoordigen in het kader van een procedure bij de rechterlijke instanties van de Unie.

37.

In het kader van dit tweede onderdeel voert rekwirante in de eerste plaats aan dat de in de punten 6 en 8 van de bestreden beschikking vermelde rechtspraak over de „zelfvertegenwoordiging” voor de rechterlijke instanties van de Unie niet relevant is in de omstandigheden van het onderhavige geval.

38.

De maatschap „Studio Legale Ughi e Nunziante” is, op grond van het ter zake geldende nationaal recht, namelijk een autonoom rechtssubject ten opzichte van haar leden. Volgens rekwirante zou er slechts sprake zijn geweest van „zelfvertegenwoordiging” indien zij haar wettelijke vertegenwoordiger als advocaat had aangewezen. Zoals het Gerecht in punt 15 van de bestreden beschikking zelf heeft vastgesteld, is daar in het onderhavige geval echter geen sprake van.

39.

In de tweede plaats voert rekwirante in essentie aan dat, volgens de recente rechtspraak van het Hof, niet kan worden aangenomen dat een advocaat die partner is bij een advocatenkantoor niet de vereiste onafhankelijkheid bezit om dat kantoor voor de rechterlijke instanties van de Unie te kunnen vertegenwoordigen.

40.

In dit verband benadrukt rekwirante om te beginnen dat teneinde te bepalen of een advocaat voldoet aan het onafhankelijkheidsvereiste zoals uitgelegd in deze recente rechtspraak, hoofdzakelijk moet worden beoordeeld of hij de belangen kan beschermen van de partij die hem als vertegenwoordiger heeft aangewezen. Bovendien moet het vereiste van onafhankelijkheid van advocaten op bijzondere wijze worden getoetst wanneer de verzoeker een advocatenkantoor is.

41.

Rekwirante betoogt vervolgens dat het begrip „advocaat” in de zin van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie weliswaar autonoom moet worden uitgelegd, maar dat de criteria op grond waarvan de onafhankelijkheid van advocaten moet worden vastgesteld, te weten het ontbreken van een dienstverband alsmede de verwijzing naar beroeps‑ en gedragsregels, moeten worden onderzocht met inachtneming van de relevante nationale wetgeving, a fortiori wanneer er geen Unierechtelijke regels zijn op dit gebied.

42.

In dit verband verduidelijkt rekwirante dat de uitoefening van het beroep van advocaat naar Italiaans recht onverenigbaar is met elke arbeidsverhouding die een gezagsverhouding impliceert, zodat er geen enkel dienstverband bestaat tussen een advocatenkantoor en een advocaat die als partner lid is van dat advocatenkantoor. Voorts is de aan rekwirante door haar partners geleverde dienst in overeenstemming met de relevante nationale wetgeving en met de gedragsregels van de advocatuur, die onafhankelijkheid voorschrijven.

43.

Gelet op het voorgaande is rekwirante ten slotte van mening dat in het onderhavige geval enkel niet wordt voldaan aan het vereiste van onafhankelijkheid van advocaten indien er sprake is van een belangenconflict en externe inmenging of druk op de drie advocaten die zij heeft aangewezen om haar te vertegenwoordigen. Wat een mogelijk belangenconflict betreft, is zij van mening dat in het specifieke geval waarin een advocaat een advocatenkantoor vertegenwoordigt waarvan hij partner is, er geen sprake is van een conflict maar van gemeenschappelijke belangen.

44.

Het EUIPO, ondersteund door de Commissie, is van mening dat het tweede middel moet worden afgewezen.

45.

Het EUIPO voert om te beginnen aan dat het Gerecht, anders dan rekwirante stelt, in de bestreden beschikking niet in twijfel heeft getrokken dat de door rekwirante gemachtigde advocaten bevoegd waren om op te treden voor de Italiaanse rechterlijke instanties.

46.

Vervolgens herinnert het EUIPO eraan dat uit artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voortvloeit dat een partij moet worden „vertegenwoordigd”, hetgeen impliceert dat zij niet zelf mag optreden maar een beroep moet doen op de diensten van een derde. Dit wordt bevestigd door de context waarin deze bepaling moet worden uitgelegd, aangezien een partij en haar vertegenwoordiger niet dezelfde persoon kunnen zijn. Voorts benadrukt het EUIPO dat de verplichte vertegenwoordiging door een advocaat, ten eerste, tot doel heeft te verhinderen dat particuliere partijen zelf in rechte optreden en, ten tweede, te waarborgen dat rechtspersonen worden verdedigd door vertegenwoordigers die voldoende afstand hebben tot die rechtspersonen. De bestreden beschikking is echter hoofdzakelijk gebaseerd op het feit dat de advocaten die rekwirante voor het Gerecht moesten vertegenwoordigen niet als onafhankelijke derden konden worden beschouwd, aangezien zij partners van dit advocatenkantoor waren.

47.

Ten slotte verduidelijkt het EUIPO dat het vereiste van onafhankelijkheid van advocaten enerzijds negatief moet worden uitgelegd, aangezien het verbiedt dat er een dienstverband tussen de advocaat en zijn cliënt bestaat, en anderzijds positief, namelijk onder verwijzing naar de beroepstucht. Dit vereiste wordt niet aldus opgevat dat er geen enkele band tussen de advocaat en zijn cliënt mag bestaan, maar dat er tussen beide geen band mag bestaan die kennelijk een ongunstige invloed heeft op het vermogen van de advocaat om zich te kwijten van de op hem rustende taak om zijn cliënt te verdedigen door diens belangen zo goed mogelijk te behartigen. In het onderhavige geval is het EUIPO van mening dat de hoedanigheid van partner van de drie advocaten die zijn aangewezen om het advocatenkantoor, verzoekster voor het Gerecht, te vertegenwoordigen, impliceert dat zij daar belangrijke administratieve en financiële bevoegdheden hebben. Deze omstandigheid brengt duidelijk de onafhankelijkheid van deze advocaten in het gedrang en doet kennelijk afbreuk aan hun vermogen om hun taak uit te oefenen, aangezien de hoedanigheid van advocaat de aangewezen vertegenwoordiger op zich onvoldoende onafhankelijkheid verleent in de zin van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

48.

De Commissie, die intervenieert aan de zijde van het EUIPO, voert tevens aan dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de vertegenwoordiging in rechte van een rechtspersoon door advocaten die onvoldoende afstand tot haar hebben en van wie de belangen samenvallen met de belangen van die rechtspersoon, niet voldoet aan de vereisten van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In het onderhavige geval impliceert de hoedanigheid van partner bij het advocatenkantoor, verzoekster voor het Gerecht, van de advocaten die het inleidend verzoekschrift namens dat kantoor hebben ondertekend, dat die partij en haar vertegenwoordigers onvoldoende van elkaar onderscheiden zijn.

Beoordeling door het Hof

49.

In herinnering moet worden gebracht dat artikel 19, derde en vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – dat op grond van artikel 53 van het Statuut van toepassing is op de procedure bij het Gerecht – voorziet in twee onderscheiden en cumulatieve voorwaarden voor de vertegenwoordiging voor de rechterlijke instanties van de Unie van partijen die niet onder de eerste en de tweede alinea van dat artikel 19 vallen, de zogenoemde „niet-bevoorrechte” partijen. Volgens de eerste voorwaarde, die is vastgelegd in artikel 19, derde alinea, moeten deze partijen „door een advocaat worden vertegenwoordigd”. Volgens de tweede voorwaarde, die is vastgelegd in de vierde alinea van datzelfde artikel, kan alleen een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER‑Overeenkomst een partij voor de rechterlijke instanties van de Unie vertegenwoordigen of bijstaan.

Het eerste onderdeel van het tweede middel: schending van artikel 19, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
50.

Wat de tweede cumulatieve voorwaarde betreft inzake de geldigheid van de vertegenwoordiging van een niet-bevoorrechte partij voor de rechterlijke instanties van de Unie, die is opgenomen in artikel 19, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en die betrekking heeft op de bevoegdheid van een advocaat om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat, heeft het Hof reeds geoordeeld dat uit de bewoordingen van die bepaling blijkt dat de betekenis en de draagwijdte van die voorwaarde moeten worden uitgelegd onder verwijzing naar het nationaal recht in kwestie (zie in die zin arresten van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 56, en 14 juli 2022, Universität Bremen/REA,C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51.

In het onderhavige geval staat vast dat de door rekwirante gemachtigde advocaten bevoegd waren om voor de Italiaanse rechterlijke instanties op te treden met inachtneming van de ter zake geldende nationale voorschriften.

52.

Door in punt 17 van de bestreden beschikking te oordelen dat het beroep in eerste aanleg niet was ingesteld overeenkomstig artikel 19, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft het Gerecht dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

53.

Derhalve moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden aanvaard.

Het tweede onderdeel van het tweede middel: schending van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
54.

Wat de eerste cumulatieve voorwaarde betreft inzake de geldigheid van de vertegenwoordiging van een niet-bevoorrechte partij voor de rechterlijke instanties van de Unie, die is opgenomen in artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en die inhoudt dat deze partijen verplicht zijn „door een advocaat [te] worden vertegenwoordigd”, moet het begrip „advocaat” volgens vaste rechtspraak, aangezien in deze bepaling niet naar het recht van de lidstaten wordt verwezen, in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, waarbij niet enkel rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling maar ook met de context en het doel ervan (zie in die zin arresten van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 57, en 14 juli 2022, Universität Bremen/REA,C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 43).

55.

In dat kader heeft het Hof in de eerste plaats geoordeeld dat zowel uit de bewoordingen van die bepaling, en in het bijzonder het gebruik van de term „vertegenwoordigd”, als uit de context ervan blijkt dat het een „partij” in de zin van deze bepaling, ongeacht haar hoedanigheid, niet is toegestaan om zelf op te treden voor een rechterlijke instantie van de Unie, maar dat zij een beroep moet doen op de diensten van een derde, waarbij die laatstgenoemde enkel een„advocaat” mag zijn (zie in die zin arresten van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punten 58 en 60, en 14 juli 2022, Universität Bremen/REA,C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punten 44 en 45).

56.

Deze uitlegging komt overeen met de doelstelling van de in artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde voorwaarde, welke doelstelling, ten eerste, erin bestaat te verhinderen dat particuliere partijen zelf in rechte optreden zonder dat zij een beroep doen op een tussenpersoon en, ten tweede, te waarborgen dat rechtspersonen worden verdedigd door een vertegenwoordiger die voldoende afstand heeft tot de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt (arresten van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 61, en 14 juli 2022, Universität Bremen/REA,C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 46).

57.

In de tweede plaats heeft het Hof geoordeeld dat de op een „advocaat” rustende taak om zijn cliënt te vertegenwoordigen, in de zin van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, voornamelijk tot doel heeft de belangen van de volmachtgever zo goed mogelijk te beschermen en te verdedigen, waarbij de advocaat geheel onafhankelijk dient op te treden en de wet alsmede de beroeps‑ en gedragsregels in acht dient te nemen (zie in die zin arresten van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 62, en 14 juli 2022, Universität Bremen/REA,C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 47).

58.

Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 tot en met 52 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat volgens de eerste cumulatieve voorwaarde, die is opgenomen in artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en volgens welke niet-bevoorrechte partijen „door een advocaat [moeten] worden vertegenwoordigd”, twee vereisten moeten worden nageleefd.

59.

Ten eerste legt deze voorwaarde de niet-bevoorrechte partijen een verbod op van „zelfvertegenwoordiging” voor de rechterlijke instanties van de Unie, zoals blijkt uit punt 55 hierboven, dat wil zeggen dat deze partijen zichzelf in geen geval kunnen vertegenwoordigen.

60.

Aangezien in het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie of in het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet is voorzien in enige afwijking van of uitzondering op dit verbod, kan een door de verzoeker zelf ondertekend verzoekschrift in geen geval voldoende zijn voor het instellen van een beroep bij de rechterlijke instanties van de Unie, ook al is die verzoeker een advocaat die bevoegd is om te pleiten voor een nationale rechterlijke instantie (zie in die zin arresten van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 59, en 14 juli 2022, Universität Bremen/REA,C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 44).

61.

Ten tweede moeten de vertegenwoordigers van niet-bevoorrechte partijen volgens die voorwaarde het onafhankelijkheidsvereiste naleven, zoals blijkt uit punt 57 hierboven.

62.

Dit vereiste wordt zowel negatief als positief omschreven. Het vereiste wordt negatief omschreven als het ontbreken van een dienstverband, dat wordt gekenmerkt door een gezagsverhouding tussen de door een partij aangewezen vertegenwoordiger en die partij. Het wordt positief omschreven onder verwijzing naar de beroepsethiek en de beroepstucht (zie in die zin arresten van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 63, en 14 juli 2022, Universität Bremen/REA,C‑110/21 P, EU:C:2022:555, punt 49).

63.

Voorts moet dat vereiste niet aldus worden opgevat dat er geen enkele band tussen de door een partij aangewezen vertegenwoordiger en die partij mag bestaan, maar dat er tussen beide geen band mag bestaan die kennelijk een ongunstige invloed heeft op het vermogen van de vertegenwoordiger om zich te kwijten van de op hem rustende taak om zijn cliënt te vertegenwoordigen, zoals in punt 57 hierboven in herinnering is gebracht (zie in die zin arrest van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 64).

64.

Ongeacht de door de toepasselijke wetten, beroeps‑ en gedragsregels toegelaten vorm waarin een advocaat zijn beroep uitoefent, en onder voorbehoud van hetgeen in het volgende punt wordt uiteengezet, wordt elke advocaat geacht te voldoen aan het onafhankelijkheidsvereiste dat voortvloeit uit de eerste cumulatieve voorwaarde, die is opgenomen in artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

65.

Zoals blijkt uit punt 62 hierboven, veronderstelt het onafhankelijkheidsvereiste, dat in de specifieke context van deze bepaling aan vertegenwoordigers van niet-bevoorrechte partijen wordt opgelegd, niettemin noodzakelijkerwijs dat er geen sprake is van een dienstverband dat wordt gekenmerkt door een gezagsverhouding tussen de partij en de door haar gemachtigde vertegenwoordiger. Derhalve is het in het vorige punt bedoelde vermoeden van onafhankelijkheid niet van toepassing wanneer er sprake is van een dergelijk dienstverband. Dit is met name het geval wanneer advocaten die overeenkomstig het toepasselijke nationaal recht hun beroep uitoefenen als werknemers van het kantoor waarbij zij in dienst zijn, dat kantoor voor de rechterlijke instanties van de Unie vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt in het geval waarin bedrijfsjuristen (in-house lawyers) die lid zijn van de balie van een lidstaat en krachtens het nationaal recht van die lidstaat bevoegd zijn om de rechtspersoon waarmee zij een dienstverband hebben voor de nationale rechterlijke instanties te vertegenwoordigen, diezelfde rechtspersoon voor de rechterlijke instanties van de Unie moeten vertegenwoordigen.

66.

Buiten de gevallen waarin er sprake is van een dienstverband dat wordt gekenmerkt door een gezagsverhouding tussen de partij en de door haar gemachtigde vertegenwoordiger, is dit vermoeden van onafhankelijkheid van toepassing en kan het enkel worden weerlegd wanneer uit concrete gegevens blijkt dat er tussen hen een band bestaat die kennelijk een ongunstige invloed heeft op het vermogen van die vertegenwoordiger om zich te kwijten van zijn taak om de belangen van zijn cliënt zo goed mogelijk te behartigen, of dat die vertegenwoordiger de toepasselijke nationale beroeps‑ en gedragsregels niet in acht neemt (zie in die zin arrest van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 64).

67.

In het onderhavige geval heeft het Gerecht in punt 16 van de bestreden beschikking geoordeeld dat „de hoedanigheid van advocaat die partner is bij het advocatenkantoor, verzoekster in de onderhavige zaak,” niet „verenigbaar [is] met de onafhankelijkheidsvereisten om het advocatenkantoor voor het Gerecht te vertegenwoordigen”. In punt 17 van die beschikking heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat „aangezien het inleidend verzoekschrift was ondertekend door advocaten die ten opzichte van verzoekster niet de hoedanigheid van onafhankelijke derde hebben”, het beroep in eerste aanleg niet was ingesteld overeenkomstig artikel 19, derde en vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 51, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

68.

Wanneer advocaten op een wijze die in overeenstemming is met de toepasselijke wetten, beroeps‑ en gedragsregels, de hoedanigheid van partner hebben bij het kantoor dat zij voor de rechterlijke instanties van de Unie vertegenwoordigen, kan deze omstandigheid echter op zich niet als onverenigbaar met het onafhankelijkheidsvereiste worden beschouwd. Een dergelijke omstandigheid kan namelijk niet worden gelijkgesteld met die waarin er sprake is van een dienstverband in de zin van de in punt 62 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak. Voorts kan het vermoeden van onafhankelijkheid van een advocaat in de hoedanigheid van partner niet worden geacht te zijn weerlegd wanneer er geen concrete gegevens zijn waaruit blijkt dat er tussen het advocatenkantoor en de partner die het als zijn vertegenwoordiger heeft aangewezen, een band bestaat die kennelijk een ongunstige invloed heeft op het vermogen van laatstgenoemde om zich te kwijten van zijn taak om de belangen van zijn cliënt zo goed mogelijk te behartigen, of dat die vertegenwoordiger de toepasselijke nationale beroeps‑ en gedragsregels niet in acht neemt.

69.

Het Gerecht heeft aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voorbij te gaan aan de draagwijdte van het onafhankelijkheidsvereiste dat voortvloeit uit de eerste cumulatieve voorwaarde, die is opgenomen in artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

70.

Ten slotte zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak elke omstandigheid die betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring, waaronder de vertegenwoordiging van een rechtspersoon door een advocaat voor het instellen van dat beroep, een middel van openbare orde kan vormen dat de Unierechter ambtshalve moet opwerpen (zie in die zin arrest van 8 februari 2024, Pilatus Bank/ECB, C‑256/22 P, EU:C:2024:125, punten 34 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het feit dat een dergelijk beroep niet is ingesteld overeenkomstig de vereisten van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof, vormt een dergelijke omstandigheid.

71.

De verplichting voor de Unierechter om ambtshalve een middel van openbare orde op te werpen, doet echter geen afbreuk aan de eerbiediging van de rechten van de verdediging. De Unierechter kan zijn beslissing daarom in beginsel niet baseren op een ambtshalve opgeworpen rechtsmiddel, ook al is het van openbare orde, zonder partijen eerst te hebben verzocht om hun opmerkingen over dat middel kenbaar te maken (zie in die zin arrest van 17 december 2009, Heroverweging M/EMEA, C‑197/09 RX-II, EU:C:2009:804, punten 40‑42 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72.

In het onderhavige geval moet worden opgemerkt dat het Gerecht zich in de punten 15 tot en met 19 van de bestreden beschikking heeft beperkt tot de vaststelling dat rekwirante een advocatenkantoor was dat drie advocaten die bij dit kantoor als partners werkzaam waren, had gemachtigd om het te vertegenwoordigen, en daaruit de – rechtens onjuiste – conclusie heeft getrokken dat die advocaten dat kantoor niet konden vertegenwoordigen in omstandigheden die verenigbaar waren met artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarbij een dergelijke onverenigbaarheid volgens het Gerecht bovendien niet kon worden geregulariseerd na het verstrijken van de beroepstermijn.

73.

Het Gerecht had echter, eventueel met behulp van de in artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang, allereerst moeten nagaan of er sprake was van een dienstverband tussen deze drie advocaten en het advocatenkantoor in de zin van punt 65 hierboven. Indien een dergelijke dienstverband ontbrak, zou alleen aan de hand van concrete gegevens – waaruit bleek dat de band tussen het advocatenkantoor en de advocaten in de hoedanigheid van partners die het kantoor vertegenwoordigden, kennelijk een ongunstige invloed kon hebben op hun vermogen om zich van hun taak te kwijten, of dat die advocaten de toepasselijke nationale beroeps‑ of gedragsregels niet in acht namen – kunnen worden geconcludeerd dat er geen sprake was van onafhankelijkheid in de zin van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

74.

Bovendien had het Gerecht alvorens zich hierover uit te spreken, overeenkomstig de in punt 71 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak rekwirante moeten uitnodigen om opmerkingen in te dienen, teneinde de doeltreffendheid van haar rechten van verdediging te waarborgen.

75.

Ten slotte had het Gerecht, indien het van oordeel was dat niet aan het onafhankelijkheidsvereiste was voldaan, rekwirante moeten verzoeken om een nieuwe advocaat aan te wijzen alvorens het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

76.

Gelet op de ernst van de gevolgen die voor rekwirante voortvloeien uit een schending van artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, te weten de onomkeerbare niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep, moet zij immers, nadat zij kennis heeft kunnen nemen van de gegevens die volgens het Gerecht een niet-ontvankelijkverklaring rechtvaardigen en zich over die gegevens heeft kunnen uitspreken, een nieuwe advocaat kunnen aanwijzen.

77.

Overigens volgt uit artikel 78, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, gelezen in samenhang met artikel 51, leden 2 tot en met 4, daarvan, dat indien het verzoekschrift van een partij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 78, leden 1 tot en met 5, van dat Reglement, dit niet mag leiden tot de niet-ontvankelijkheid van dat beroep zonder dat deze partij vooraf is verzocht om de situatie te herstellen. Uit artikel 55, leden 1 en 3, van dat Reglement blijkt ook dat dit eveneens geldt in de situatie waarin het gedrag van een advocaat onverenigbaar wordt geacht met de waardigheid van het Gerecht of met de goede rechtsbedeling in de loop van de procedure. In dergelijke gevallen waarborgen deze bepalingen immers de continuïteit van de procedure door te bepalen dat, naargelang het geval, de betrokken partij binnen een door de griffie vastgestelde redelijke termijn de vereiste stukken kan overleggen of een nieuwe vertegenwoordiger kan aanwijzen.

78.

Ook moet worden opgemerkt dat in artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet op limitatieve wijze is vastgesteld in welke gevallen een beroep kan worden hersteld.

79.

Het Hof heeft overigens reeds bij een eerdere gelegenheid, zonder dat artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie daaraan in de weg stond, geoordeeld dat de verzoeker moet worden verzocht het beroep te herstellen ingeval hij een door hemzelf ondertekend verzoekschrift indient (zie in die zin beschikking van 5 december 1996, Lopes/Hof van Justitie, C‑174/96 P, EU:C:1996:473, punt 3).

80.

Zoals de advocaat-generaal in punt 108 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt bovendien uit de huidige praktijk van de lidstaten dat indien het nationaal recht bepaalt dat de geldigheid van de proceshandelingen van een partij in twijfel wordt getrokken doordat de regels inzake het vereiste van onafhankelijkheid van de vertegenwoordiger van deze partij niet worden nageleefd, dit verzuim ten minste in de loop van het geding kan worden hersteld.

81.

Bijgevolg moeten het tweede onderdeel van het tweede middel en het tweede middel in zijn geheel worden aanvaard.

82.

Derhalve moet de bestreden beschikking worden vernietigd, zonder dat het derde middel van de hogere voorziening behoeft te worden onderzocht.

Beroep bij het Gerecht

83.

Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, ingeval het de beslissing van het Gerecht vernietigt, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.

84.

In de onderhavige zaak beschikt het Hof over de gegevens die nodig zijn om definitief uitspraak te doen over de vraag of het beroep is ingesteld overeenkomstig artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 51, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Het beroep is immers namens rekwirante ingesteld door advocaten van wie, overeenkomstig hetgeen in punt 68 hierboven is uiteengezet, kan worden aangenomen dat zij voldeden aan het onafhankelijkheidsvereiste in de zin van artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Aangezien het dossier geen enkel gegeven bevat op grond waarvan dit vermoeden kan worden weerlegd en zelfs niet kan worden betwijfeld of de advocaten die rekwirante vertegenwoordigen aan dit vereiste voldoen, moet worden geoordeeld dat het beroep aan dat vereiste voldoet.

85.

Aangezien de zaak voor het overige niet in staat van wijzen is, moet de zaak naar het Gerecht worden terugverwezen.

Kosten

86.

Daar de zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht, dient de beslissing omtrent de kosten van de hogere voorziening te worden aangehouden.

Dictum

Het Hof (Grote kamer) verklaart:

1) De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 10 oktober 2022, Studio Legale Ughi e Nunziante/EUIPO – Nunziante en Ughi (UGHI E NUNZIANTE) (T‑389/22, EU:T:2022:662), wordt vernietigd.

2) De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt