ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de feiten van het geding, het procesverloop en de opmerkingen, gemaakt krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG kunnen worden samengevat als volgt:
I — Feiten en procesverloop
A — Op 18 december 1967 heeft de Raad zijn verordening 1009/67 vastgesteld, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker; die verordening is per 1 juli 1968 in werking getreden en geldt onder meer voor witte en ruwe beetwortel- en rietsuiker, suikerbieten en suikerriet. Volgens artikel 34 mocht de Italiaanse Republiek tot het seizoen 1974/1975 aan haar suikerbietenproducenten en aan haar „suikerbietenverwerkende industrie” (suikerindustrie) een aanpassingssteun toekennen. Die steun mocht niet meer bedragen dan een bepaald bedrag per ton suikerbieten of per 100 kilogram witte suiker en mocht slechts worden verleend voor een hoeveelheid witte suiker die niet groter was dan het basisquotum. In de veertiende overweging van de considerans wordt er ten deze op gewezen „dat de produktie van suikerbieten en suiker in Italië benadeeld wordt door klimatologische factoren en, wat de suikerbietenproduktie betreft, eveneens door de moeilijkheden welke het toepassen van moderne produktiemethoden met zich brengt; dat voor deze produktie de mogelijkheid dient te worden geschapen tijdelijke steun te verlenen”. In artikel 38 van 's Raads verordening 3330/74 van 19 december 1974 — waarbij verordening 1009/67 is ingetrokken — is de Italiaanse Republiek gemachtigd om gedurende de verkoopseizoenen 1975/1976 tot 1979/1980 een aanpassingssteun toe te kennen die in totaal niet meer mocht bedragen dan 5,9 rekeneenheden per ton tot suiker verwerkte suikerbieten met een suikergehalte van 16 %. Dit maximum van 5,9 rekeneenheden is voor het seizoen 1976/1977 gebracht op 9,9 rekeneenheden, waarvan een deel kan worden toegekend aan de veredelingsindustrie ('s Raads verordening (EEG) 1487/76 van 22 juni 1976, PB L 167, blz. 9). Op de Italiaanse markt is bij maatregel 1195 van 22 juni 1968 van het „Comitato interministeriale dei prezzi” (Interministerieel Comité voor de prijzen, hierna te noemen CIP (Gazetta Ufficiale 162 van 27 juni 1968, blz. 4057) de „Cassa conguaglio zucchero” (vereveningskas voor suiker) in het leven geroepen; die kas wordt voornamelijk bekostigd uit de „sovrapprezzo” (prijstoeslag), berekend over binnenslands geproduceerde en ingevoerde suiker van alle soorten en kwaliteiten. Bij die maatregel is (sub b) bepaald dat uit de inkomsten der kas moeten worden gefinancierd: de steun aan de suikerbietenproducenten en de suikerbietenverwerkende industrie toegekend „op grondslag van artikel 34 van verordening 1109/67”; de steun aan de verwerkende industrie verleend ten titel van vergoeding van de inkomstenbelasting, voldaan bij de aankoop en over het vervoer van suikerbieten; de steun wegens kosten van opslag van het overschot van de oogst 1967/1968 en „wegens verliezen geleden bij de uitvoer van dat overschot (namelijk aan in het verkoopseizoen 1967/1968 geproduceerde witte suiker) … die voor 1 juli 1969 moet geschieden (verordening 457/68 van 11 april 1968)”; de steun, aan suikerondernemingen verleend bij wege van compensatie van bedragen door de ondernemingen overeenkomstig een vroegere nationale maatregel ten behoeve van de suikerbietenproducenten betaald; de steun bestemd tot financiële sanering van vroegere transacties van de vereveningskas, de prijs van importsuiker betreffende; de steun aan de exporteurs tot een bedrag overeenkomende met voormelde prijsopslag; de debiteurenrenten over wegens overschotten betaalde steunbedragen; de dekking van de kosten aan het beheer van de kas verbonden. De prijsopslag is voor het seizoen 1975/1976 gesteld op 56 lire per kilogram (CIP-maatregel 14/1975 van 1 juli 1975) en voor het seizoen 1976/1977 gebracht op 70 lire per kilogram (CIP-maatregel 20/1976 van 1 juli 1976). Voor het verkoopseizoen 1975/1976 is de volgende steun in uitzicht gesteld: steun aan de nationale suikerbietenproduktie ad 5056,30 lire per ton (CIP-maatregel 18/1975 van 11 augustus 1975, punt 3); aanvullende steun aan de nationale suikerbietenproduktie ad 3165,11 lire per ton (voormelde CIP-maatregel, punt 4); steun aan de nationale suikerproduktie ad 2156,30 lire per 100 kilogram (CIP-maatregel 19/1975 van 11 augustus 1975, punt 5 d). Bij CIP-maatregel 20/1976 van 1 juli 1976 (punt 6 en volgende) is een „sovrapprezzo straordinario” (buitengewone prijstoeslag) ingesteld. In de considerans zijn hieraan de navolgende overwegingen gewijd: „het noordzakelijk achtende dat ten aanzien van de op 2 juli 1976 te middernacht aanwezige suikervoorraad tot unificatie en verevening der prijzen wordt overgegaan, voorzover het prijsverhogingspercentage geen verband houdt met de verhoging — in rekeenheden — van de communautaire interventieprijs zoals die in de Gemeenschap als geheel is toegepast; het ter verwezenlijking van de hiervoor genoemde doeleinden noodzakelijk achtende te verstaan dat aan de Vereveningskas voor suiker een passende buitengewone prijstoeslag over de voorraden zal worden betaald, met dien verstande evenwel dat die buitengewone prijstoeslag desnodig buiten toepassing kan blijven op de gewone werkvoorraden der verwerkende industrieën tot twee twaalfden van het jaarlijks verbruik, alsmede op voor veevoeder bestemde gedenatureerde suiker”. Ieder die op 2 juli 1976 te middernacht op het nationale grondgebied meer dan 500 kilogram suiker, van welke soort of hoedanigheid ook, in voorraad had, moest daarvan vóór 15 juli 1976 opgave doen aan de vereveningskas (punt 6). Over de hoeveelheden in het land zelf geproduceerde dan wel ingevoerde witte en ruwe suiker en suikersiroop, welke op 2 juli te middernacht bij wie ook en om het even krachtens welke titel in voorraad waren, was een buitengewone prijstoeslag verschuldigd van: 37,842 lire per kilogram netto aan witte suiker, wanneer de in CIP-maatregel 14/1975 voorziene prijstoeslag van 56 lire per kilogram netto niet aan de Vereveningskas voor suiker was overgemaakt; 51,842 lire per kilogram netto aan witte suiker, wanneer de prijstoeslag van 56 lire reeds aan de Kas was overgemaakt (punt 7);
B — De firma gebroeders Cucchi had de vennootschap Avez SpA te Milaan opgedragen voor haar rekening 10000 kilogram suiker uit de Bondsrepubliek Duitsland te importeren. Een eerste partij van 4000 kilogram werd op 28 juni 1976 geleverd, het restant zou worden geleverd op 17 juli 1976. Avez SpA verlangde van de firma gebroeders Cucchi, behalve betaling van de koopprijs, ook vergoeding van: de betaalde prijstoeslag van 56 lire per kilogram suiker; voor de nog te leveren hoeveelheid: het bedrag betaald of te betalen ten titel van buitengewone prijstoeslag in de zin van CIP-maatregel 20/1976 (toegepast op suiker die betrokkenen, uit welken hoofde ook, op 2 juli 1976 onder zich hadden). De firma gebroeders Cucchi acht de prijstoeslag onrechtmatig op grond van artikel 13, lid 2, van het EEG-Verdrag en meent dat de buitengewone prijstoeslag — a fortiori — onrechtmatig is omdat die toeslag in feite neerkomt op een — buiten het gemeenschapsrecht om en in volkomen tegenspraak met de EEG-beginselen — met terugwerkende kracht toegepaste „afroming”. Zij heeft derhalve de vennootschap Avez gedagvaard om te verschijnen voor de Pretore te Abbiategrasso, met vordering dat die magistraat voor recht zou verklaren: dat verzoekster aan verweerster ten titel van prijstoeslag (56 lire per kilogram suiker; maatregel 14/1975) niets schuldig is, zulks met veroordeling van Avez om aan verzoekster een bedrag van 224000 lire terug te betalen; dat verzoekster aan verweerster ten titel van buitengewone prijstoeslag als bedoeld in CIP-maatregel 20/1976 (311400 lire) niet schuldig is. Verweerster heeft zich partij gesteld en de eis weersproken, ten exceptieve stellende dat zij zich aan de betaling van de betrokken, in de Italiaanse wetgeving voorziene bedragen, niet heeft kunnen onttrekken en dat alleen de instellingen van de Gemeenschap zich over de rechtmatigheid van die belastingen kunnen uitspreken. Bij memorie van 11 juli 1976 heeft de Federazione Nazionale per il Commercio Alimentare — Sindicato Nazionale dello Zucchero (Federgrossisti) zich in het geding gevoegd. Bij beschikking van 16 juli 1976 heeft de Pretore Federgrossisti als gevoegde partij toegelaten en de behandeling van de zaak geschorst met verzoek aan het Hof van de EEG om krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen inzake de navolgende vragen:
I. Ten aanzien van de toeslag in het algemeen:
1. Moeten artikel 13, lid 2, EEG-Verdrag en artikel 21, lid 2, van verordening 3330/74 (houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker), alsmede artikel 20, lid 2, van verordening 1009/67 (vervangen door de eerdergenoemde verordening) aldus worden uitgelegd dat in het handelsverkeer tussen de Lidstaten van produkten waarvan in genoemde EEG-verordeningen sprake is de toepassing van een heffing met de volgende kenmerken verboden is: zij wordt toegepast op grond van een beschikking van een nationale instantie op elke hoeveelheid zowel binnenlandse als ingevoerde suiker; de opbrengst, geïnd door een openbaar lichaam, komt uitsluitend ten goede aan de suikerindustrie en aan de producenten van suikerbieten die gevestigd zijn op het grondgebied van de staat die de heffing toepast (men vergelijke beschikking nr. 1195 van het CIP van 22 juni 1968, zoals nadien gewijzigd; zij valt onder een steunregeling waarvoor specifieke gemeenschapsbepalingen bestaan (zie artikel 34 van verordening 1009/67; artikel 38 van verordening 3330/74 en artikel 4 van verordening 1487/76); zij is niet door een gemeenschapsinstelling goedgekeurd en niet toegepast met inachtneming van de procedure van artikel 41 van verordening 1009/67 of van artikel 36 van verordening 3330/74.
2. Zo ja, moet dan het verbod om bovengenoemde heffing toe te passen worden geacht te gelden vanaf de inwerkingtreding van verordening 1009/67 EEG dan wel vanaf een ander tijdstip?
3. Is vanaf het tijdstip waarop het verbod is gaan gelden, ten behoeve van de individuele handelaren die suiker (of de in genoemde EEG-verordeningen bedoelde produkten) uit andere Lidstaten van de gemeenschappelijke markt hebben ingevoerd, het subjectieve recht ontstaan de in vraag 1 genoemde heffing niet te betalen en bijgevolg, ingeval betaling heeft plaatsgevonden, terugbetaling te vorderen?
4. Vormt in elk geval — gezien het feit dat de sector suiker vanaf 1968 volledig is onderworpen aan communautaire landbouwvoorschriften (verordening 1009/67 en thans verordening 3330/74), waarbij aan de instellingen der EEG een praktisch uitsluitende normatieve bevoegdheid is toegekend — de toepassing van een heffing met de in vraag 1 omschreven kenmerken een schending van artikel 40, lid 3, tweede alinea van het Verdrag, volgens hetwelk de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten „elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap [moet] uitsluiten”?
II. Ten aanzien van de buitengewone toeslag
5. Bestaan de schendingen van de in de voorafgaande vragen genoemde gemeenschapsvoorschriften eveneens wanneer de heffing — tegelijkertijd zowel op in het binnenland geproduceerde als op ingevoerde suiker toegepast — gedeeltelijk, wat betreft de uit de andere Lid-Staten van de EEG ingevoerde suiker, niet wordt toegepast op grensoverschrijdende suiker, doch op suiker die zich bevindt bij de importeurs of bij de ondernemingen (van handel of industrie) die de importsuiker van hen hebben gekocht?
6. Moeten de bepalingen van verordening 3330/74 (met name de artikelen 33 tot 44) alsmede de bepalingen van de artikelen 1 tot 8 en 38 tot 43 van het EEG-Verdrag, in het licht van de algemene rechtsbeginselen waarnaar de communautaire voorschriften en rechtspraak zich moeten richten, aldus worden uitgelegd dat de toepassing van een heffing zowel op nationale als ingevoerde suiker volgens de navolgende criteria, ontoelaatbaar en verboden is: zij wordt opgelegd op grond van een besluit van de nationale regering zonder vergunning van de gemeenschapsinstellingen; zij wordt opgelegd zonder dat de in artikel 36 van verordening 3330/74 EEG bedoelde procedure is gevolgd; zij wordt voor één keer, als buitengewone heffing opgelegd; zij wordt op suiker die zich bij de ondernemingen bevindt onmiddellijk en derhalve met terugwerkende kracht toegepast, voorzover de ondernemers hierbij geen keuze wordt gelaten tussen aankoop van de suiker en de daaropvolgende oplegging van de heffing dan wel afzien van de aankoop en daaropvolgende vrijstelling van de heffing; zij wordt opgelegd bij de overgang van het ene verkoopseizoen voor suiker naar het andere, zonder dat de in artikel 33 van verordening 3330/74 bedoelde redenen bestaan die het treffen van maatregelen volgens de procedure van artikel 36 dier verordening rechtvaardigen; zij draagt de dubbelzinnige naam, „buitengewone toeslag”, terwijl het in wezen gaat om de als „tassa di sfioramento sullo zucchero” („overloopheffing op suiker”) omschreven heffing, die vroeger steeds rechtstreeks bij besluit van de Gemeenschap werd toegepast (zie verordening 769/68 van de Raad; verordening 1344/71 van de Commissie), of althans werd goedgekeurd door de gemeenschapsinstellingen (zie verordening 834/74, waarover arrest is gewezen in zaak 23/75, Rey Soda).
7. Hebben voornoemde gemeenschapsbepalingen ten behoeve van de ondernemers die — krachtens de nationale regeling — deze heffing moesten voldoen, het subjectieve recht doen ontstaan de heffing niet te betalen (en deze terug te vorderen ingeval van betaling) over de bij hen aanwezige voorraden van zowel in het binnenland geproduceerde als ingevoerde suiker, of geldt een dergelijk subjectief recht om niet te betalen (en om terug te vorderen wanneer eventueel is betaald) uitsluitend voor de hoeveelheden suiker die uit de Lid-Staten van de EEG zijn ingevoerd en aanwezig zijn bij de rechtstreekse importeurs of bij de andere ondernemingen (van handel en industrie), die van hen hebben aangekocht?
8. Kan het op grond van de in vraag 6 genoemde communautaire bepalingen en in het licht van de algemene rechtsbeginselen waarvan de voorschriften en de rechtspraak van de Gemeenschap moeten zijn doordrongen, rechtmatig worden geacht, dat een categorie burgers met terugwerkende kracht wordt onderworpen aan een heffing waarvan de opbrengst ten goede komt aan andere categorieën burgers waarmee de eerste categorie belangenconflicten heeft op economisch en handelsgebied?
Het verwijzingsvonnis is op 28 juli 1976 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekster en de gevoegde partij in het hoofdgeding, beiden ten deze vertegenwoordigd door G. M. Ubertazzi en F. Capelli, advocaten te Milaan, door de regering van de Italiaanse republiek, ten deze vertegenwoordigd door de ambassadeur A. Maresca, bijgestaan door I. M. Braguglia, „sostituto dell'awocato generale dello Stato”, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door de juridische adviseur C. Maestripieri — als gemachtigde —.
Op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan, met dien verstande dat aan de Italiaanse regering en aan de Commissie is verzocht om schriftelijke beantwoording van een door het Hof gestelde vraag.
II — Samenvatting der bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
Verzoekster en de (sc. in het hoofdgeding) gevoegde partij menen dat de eerste prejudiciële vraag aan de hand van 's Hofs jurisprudentie, en wel onder meer op grond van de arresten van 19 juni 1973 en 18 juni 1975, gewezen in de zaken 77/72 Capolongo t. Maya en 94/74 IGAV t. ENCC (Jurispr. 1973, blz. 611 en Jurispr. 1975, blz. 699), kan worden beantwoord.
In laatstgenoemd arrest heeft het Hof geldelijke lasten, behorende tot een algemeen systeem van binnenlandse belastingen waardoor nationale produkten en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, niet als „heffingen van gelijke werking” beschouwd, evenwel met de nadere overweging dat dit „anders zou zijn indien een dergelijke, tot bepaalde produkten beperkte, heffing uitsluitend … bestemd [zou zijn] voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan de belaste nationale produkten ten goede komen, zodat de hierop drukkende fiscale last geheel of gedeeltelijk wordt gecompenseerd”.
In verband hiermede kan in casu nog het navolgende worden opgemerkt: De gewone prijstoeslag behoort niet tot een algemeen systeem van binnenlandse belastingen en treft alleen een bepaald produkt. Zulk een belasting kan gemakkelijk het instrument worden van een protectionistisch beleid waarvan geen ernstige reacties zijn te duchten.
De prijstoeslag is alleen bedoeld ter „financiering van activiteiten die inzonderheid aan de belaste nationale produkten ten goede komen”, en wel aan de Cassa Conguaglio Zucchero, die aldus in staat wordt gesteld de institutionele taken omschreven in artikel 6 van CIP-maatregel 1195 te vervullen.
De ten deze bestaande samenhang is goeddeels duidelijk — en ook letterlijk — aanwezig, ook al profiteren niet alleen de suikerfabrikanten doch ook de bietentelers van de opbrengst dezer belasting. Deze wijze van steunverlening komt op financiering der nationale suikerindustrie neer: de aan een landbouwprodukt verleende steun stimuleert de Italiaanse produktie; de suikerindustrie is zeker van haar bevoorrading en van hoge transportkosten vrijgesteld. Bovendien wordt de landbouwprijs „in de hand” gehouden, waardoor de fabricagekosten beperkt blijven en ook de prijs van het nationale produkt wordt gedrukt. Ook in juridisch opzicht bestaat er een duidelijke samenhang: de in de landbouwverordeningen geboden communautaire voorzieningen gelden voor het eindprodukt zo goed als voor het landbouwprodukt; beide produkten zouden dus eigenlijk als één enkel produkt zijn beschouwd.
Tot eenzelfde conclusie zou men zelfs kunnen komen ten aanzien van de aanwending van de prijstoeslag tot dekking van de kosten der Cassa Conguaglio Zucchero: de instelling en werking van die kas zijn het onmisbare werktuig om de opbrengst van de hierbedoelde heffing ten goede te doen komen aan de produktie waarvoor de steun bestemd is.
Voorts zij er op gewezen dat de vraag of een belasting als in voormelde arresten omschreven als „heffing van gelijke werking” is te beschouwen, geheel los staat van de vraag of „activiteiten die aan het nationale produkt ten goede komen” zich met het gemeenschapsrecht verdragen.
De elementen welke volgens het Hof een belasting stempelen tot een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 13 van het EEG-Verdrag zijn in casu voorhanden, zodat de prejudiciële vraag in zoverre bevestigend moet worden beantwoord.
Waar het Hof in het IGAV-arrest (overweging 16) zinspeelde op de mogelijkheid dat men slechts in schijn te maken zou hebben met een stelsel van binnenlandse belastingen, verwijzen verzoekster en de gevoegde partij naar hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de IGAV-zaak is betoogd, alsook naar de in die zaak door de advocaat-generaal genomen conclusie. De aldus ter sprake gebrachte „schijn” stelt het probleem van misleiding ten aanzien van het recht en de vraag naar het geoorloofde oogmerk aan de orde. Het ware zinvol indien men zou nagaan of de prijstoeslag, daargelaten de schijn van rechtmatigheid welke zij aan de CIP-maatregelen kan ontlenen, niet in strijd komt met dwingende regelen van communautaire aard, zoals het verbod van beschermende maatregelen dan wel van maatregelen waarvan op het handelsverkeer en de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt een beperkende werking uitgaat.
Een eerste grond waarom er van zulk een onverenigbaarheid zou kunnen worden gesproken, is gelegen in het constitutionele aspect der landbouwmarkten en de wijze waarop de bevoegdheden tussen de instellingen en de Lid-Staten zijn verdeeld. Een prijstoeslag is, ongeacht zijn bestemming, te beschouwen als een in het kader van het economische beleid gebezigd „manipulatie”-middel, waarnaar alleen door de communautaire instellingen mag worden gegrepen, immers toen de gemeenschappelijke ordening der markten er kwam hebben de Lid-Staten hun bevoegdheden op dit terrein uit handen gegeven. Bovendien is een prijstoeslag alleen maar te plaatsen in het kader van een systeem van opgelegde prijzen — en dus niet te rijmen met de wezenlijke beginselen der gemeenschappelijke marktordeningen.
Andere redenen om van onverenigbaarheid te spreken zijn gelegen in de bepalingen inzake steunmaatregelen. De verordenende bepalingen betreffende de gemeenschappelijke suikermarkt en de bepalingen van artikel 6 van CIP-maatregel 1195 zijn verschillend geredigeerd. Voorts zijn in verordening 3330/74 met zoveel woorden op de suikermarkt van toepassing verklaard de artikelen 92 tot en met 94 van het EEG-Verdrag (men zie artikel 41) volgens welke de instellingen van de Gemeenschap de door de Lid-Staten getroffen steunmaatregelen mogen onderzoeken en zulke maatregelen bij gebleken onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt ook kunnen verbieden. Artikel 38 van verordening 3330/74 betreffende steunmaatregelen ten behoeve van de Italiaanse suikerindustrie is niet te verstaan als een „andersluidende bepaling” in de zin van artikel 41 dier verordening welke de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag niet van toepassing zou doen zijn: de regelen betreffende de bevoegdheden van de communautaire instellingen op dit terrein blijven dus ook gelden voor de Italiaanse steunmaatregelen.
Ten slotte houdt de invoering van een prijstoeslag een ernstige schending in van het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, tweede alinea van het EEG-Verdrag. Daargelaten de gevolgen voor de mededinging tussen de communautaire producenten in deze sector, houdt een prijstoeslag een ernstige discriminatie van de Italiaanse importeurs en verbruikers in ten opzichte van de andere suikerimporteurs en -verbruikers van de Gemeenschap.
Tweede vraag
Het verbod van een geldelijke last als de prijstoeslag geldt in ieder geval sedert de inwerkingtreding van verordening 1009/67.
Derde vraag
Deze vraag ware te beantwoorden door een bevestiging van de leer der rechtstreekse toepasselijkheid van sommige gemeenschapsrechtelijke bepalingen.
Vijfde, zesde, zevende en achtste vraag
Oschoon anders genaamd, vertoont een buitengewone prijstoeslag dezelfde trekken als de „afromingsheffing” over de meerwaarde waarom het ging in de zaak 23/75 Rey Soda (arrest van het Hof van 30 oktober 1975, Jurispr. 1975, blz. 1279). In die zaak had het Hof de Commissie normaliter bevoegd verklaard om „een vereveningsmaatregel vast te stellen ter voorkoming van een verstoring van de markt ten gevolge van een wijziging van het prijspeil bij de overgang van het ene verkoopseizoen voor suiker naar het andere”.
Die overweging had betrekking op beleidsinstrumenten die bepaaldelijk waren geschapen om bepaalde verschijnselen, met de overgang van het ene verkoopseizoen op het andere verband houdende, in de hand kunnen houden. A fortiori zijn dan de marktregulerende communautaire instellingen bevoegd zich te bedienen van beleidsinstrumenten die in de loop van één en hetzelfde suikerverkoopseizoen noodzakelijk blijken (men zie bij voorbeeld de tiende overweging van de considerans van verordening 3330/74). Dat aan de communautaire instellingen ten deze bevoegdheden verleend zijn, impliceert dat een nationale maatregel waarbij de voorraden van één bepaald produkt aan een geldelijke last worden onderworpen, aan de bevoegdheid der Lid-Staten onttrokken is, welke benaming men er in het bestek van het nationale recht ook aan moge hebben toegedacht.
Zelfs wanneer men de Lid-Staten bepaalde fiscale bevoegdheden toekent, kan daarbij geen afwijking worden toegestaan van de beginselen nopens de verdeling van bevoegdheden in het kader der gemeenschappelijke marktordeningen. Door de mogelijkheid open te laten dat een Lid-Staat een landbouwprodukt belast met een specifieke — alleen dat produkt betreffende — heffing, zou men de prijsvormingsmechanismen ontregelen en vooral — via discriminaties — ver keersverleggingen in de hand werken. Mocht aan de Staten zulk een vrijheid worden ingeruimd, dan zouden de gemeenschappelijke marktordeningen zich bij voortduring aan gevaar zien blootgesteld.
Met de maatregel waarbij de buitengewone prijstoeslag is ingesteld, had men een getrouwe nabootsing van de afromingsheffing op het oog: de werkvoorraden van de verbruikende ondernemingen zijn ten belope van twee twaalfden van de prijstoeslag vrijgesteld. Ook de buitengewone prijstoeslag is door de Cassa Conguaglio Zucchero — ter verwezenlijking van zijn doelstellingen — ingesteld, terwijl men zich met zoveel woorden ook verevening ten doel gesteld heeft. En dat deze buitengewone toeslag als een marktregulerend instrument is te beschouwen, blijkt — ten slotte — duidelijk uit het feit dat in de (eerste overweging van de considerans van de) CIP-beschikking met zoveel woorden verband wordt gelegd met de noodzaak „de suikerprijzen naar gelang van de verhoging van de interventieprijs aan te passen”: de op de voorraden gelegde last dient zich dus ten volle aan als een der in verordening 3330/74 genoemde, aan de Commissie voorbehouden beleidsmaatregelen.
Voorts kunnen ook hier weer de gronden van onverenigbaarheid worden genoemd welke bij de bespreking van de gewone prijstoeslag reeds aan de orde kwamen. Met name wat het discriminatieverbod betreft mag men zich afvragen of het wel wordt geëerbiedigd wanneer er een maatregel wordt getroffen waarbij wel de verbruikende ondernemingen — voor hun „werkvoorraden” —, doch niet ook de grote importfirma's — voor de door hen aangehouden voorraden — van de geldelijke lasten worden vrijgesteld.
Beziet men de zaak uit een oogpunt van retro-activiteit, dan is de buitengewone prijstoeslag onnoemelijk veel ernstiger dan de afromingsheffing. Door de prijzen' bij overgang van het ene verkoopseizoen op het andere te wijzigen had de Commissie geen vereveningsmaatregel — met een fondsheffing over de suikervoorraden — vastgesteld en redelijkerwijze konden de ondernemers een „verrassing” hoogst onwaarschijnlijk achten. Daarmede hadden zij het nodige houvast bij hun beslissingen inzake de suikeraffaire. De buitengewone prijstoeslag heeft de juridischeconomische positie van de Italiaanse ondernemers gewijzigd.
Met terugwerkende kracht genomen maatregelen zijn onverenigbaar met de eerbiediging van verkregen rechten welke is te beschouwen als een beginsel van de rechtsstaat waarvoor het Hof steeds veel aandacht heeft Wat het beginsel van de goede trouw betreft: uit het arrest van 4 juli 1973, gewezen in de zaak 1/73, Westzucker t. Einfuhr- und Vorratsstelle Zucker (Jurispr. 1973, blz. 723) kan worden afgeleid dat de ondernemer niet behoeft te berusten in een schending van zijn belangen door een in strijd met alle redelijke verwachtingen genomen maatregel. En kennelijk hebben wij met een redelijkerwijze onvoorzienbare maatregel te maken wanneer er zonder enige twijfel terugwerkende kracht aan is toegedacht.
In de zaak 2/75 Einfuhr- und Vorratsstelle Getreide t. Mackprang (arrest van 27 mei 1975, Jurispr. blz. 607) heeft het Hof overwogen dat het beginsel van de goede trouw steeds wordt beschermd wanneer de ondernemer zich beroept op individuele belangen welke volgens de communautaire rechtsorde bescherming verdienen. En dat de belangen van de ondernemers in de hierbedoelde sector bescherming verdienen, lijdt geen twijfel: na eerst van een communautaire heffing over de suikervoorraden te zijn vrijgesteld, zagen zij zich — nog wel met terugwerkende kracht — alsnog door een Italiaanse maatregel getroffen.
In de achtste vraag worden wij bepaald bij nog een reden waarom de buitengewone prijstoeslag als onrechtmatig moet worden beschouwd, te weten bij het feit dat de grote handels- en importfirma's ten profijte van de nationale suikerproducenten worden belast. Maar juist omdat zij ter bevoorrading van de Italiaanse verwerkende industrie suiker uit de Lid-Staten invoeren, vervullen deze importeurs op een deficitaire markt een zeer nuttige functie.
De regering van de Italiaanse republiek is van mening dat oorsprong, opzet en werking van de gewone prijstoeslag een geheel ontkennende beantwoording van de beide eerste prejudiciële vragen rechtvaardigen. Die prijstoeslag is te beschouwen als een fiscale maatregel, van staatswege opgelegd ten einde te komen tot een verevening van de kostenstijgingen van de nationale suikerproduktie, afgestemd op de erkende, sectorsgewijze optredende structurele moeilijkheden en blijvende binnen de grenzen door de Gemeenschap gesteld. Deze toeslag treft op dezelfde wijze, in dezelfde mate en volgens dezelfde modaliteiten, zowel de in het land zelf geproduceerde suiker als ingevoerde suiker; hij komt ten laste van de verbruiker en maakt een bestanddeel van de prijs uit. Over ingevoerde suiker wordt de toeslag geheven omdat bedoelde suiker in Italië wordt verbruikt en niet omdat er grensoverschrijding plaatsvindt — hetgeen wil zeggen dat een gewone prijstoeslag niet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht mag worden aangemerkt.
Als een binnenlandse belasting die zowel het nationale als het ingevoerde produkt treft, moet de prijstoeslag wel worden beoordeeld vanuit de gezichtshoek van het non-dicriminatiebeginsel, omschreven in artikel 9 van het EEG-Verdrag.
De uitspraken in de zaken Capolongo en IGAV kunnen op een belasting als hierbedoeld slechts worden toegepast wanneer kan worden vastgesteld dat uit de belastingopbrengst over het ingevoerde produkt de financiering wordt bekostigd van het nationale produkt dat a) niet zelf is belast en b) van ongeoorloofde steunverlening profiteert Ingeval van een gewone prijstoeslag over ingevoerde suiker is van een en ander evenwel geen sprake: in de eerste plaats is de opbrengst van de prijstoeslag over ingevoerde suiker op zichzelf onvoldoende om de steunmaatregelen ten behoeve van de bietentelers en de verwerkende industrie te financieren. Het lijkt er dus niet op dat de belasting eigenlijk alleen het ingevoerde produkt treft Integendeel, de toeslag treft ook — en in sterkere mate — de in het land zelf geproduceerde suiker: het verbruik van „eigen” suiker is veel groter dan dat van geïmporteerde suiker. Wat het tweede punt betreft: de onderhavige steunmaatregelen zijn geoorloofd en door de Gemeenschap goedgekeurd.
Met betrekking tot de kenmerken van de „geldelijke last” bedoeld door de rechter a quo merkt de Italiaanse regering het navolgende op:
punt b)
Aangezien aan de opbrengst van de prijstoeslag door de nationale wet in algemene bewoordingen een met de verevening van de prijzen van het produkt samenhangende functie is toegedacht, behoeven de activiteiten waaraan men die opbrengst ten goede doet komen niet per sé met de goedgekeurde steunmaatregelen verband te houden. Ook al mocht men 's Hofs rechtspraak in de zaken Capolongo en IGAV in casu willen toepassen, dan blijft het een feit dat de voorwaarden betreffende de exclusiviteit der bestemming en de specificiteit van het voordeel ten deze niet vervuld zijn.
punt d)
De Raad heeft er zich in de hierbedoelde verordeningen toe beperkt Italië toe te staan om gedurende een bepaalde periode — en in zekere mate — aanpassingssteun te verlenen. Omdat het daarbij om nationale en niet om communautaire steunmaatregelen gaat, zijn de modaliteiten betreffende de betaling der steunbedragen en het financieringssysteem niet door de instellingen van de Gemeenschap geregeld. Wat betreft de overige onder d) besproken omstandigheden: de artikelen 41 van verordening 1009/67 en 36 van verordening 3330/74 worden hier ten onrechte ter sprake gebracht De instelling van de gewone prijstoeslag had overduidelijk niet ten doel om bij de overgang van het ene suikerverkoopseizoen naar het andere verstoringen in de gemeenschappelijke sector te vermijden.
Tweede en derde vraag
Deze vragen zijn op grond van hetgeen hiervoor werd betoogd zonder voorwerp geraakt; zij stellen problemen van algemene aard aan de orde. De Italiaanse regering verwijst te dien aanzien naar haar opmerkingen in de zaak 33/76 Rewe Zentralfinanz eG en Rewe-Zentral AG t. Landwirtschaftskammer ('s Hofs arrest van 16 december 1976, Jurispr. 1976, blz. 1989).
Vierde vraag
Met betrekking tot deze vraag dient allereerst te worden opgemerkt dat de Lid-Staten nog steeds bevoegd zijn om voor onder de gemeenschappelijke marktordening vallende produkten — en voor iedere fase van het verhandelingsproces — nationale prijzen vast te stellen, met dien verstande dat de doelstellingen of de goede werking van de betrokken gemeenschappelijke ordening, en met name de desbetreffende regeling der prijzen, niet in gevaar mogen worden gebracht. Voorts is de Italiaanse staat er juist door van die bevoegdheid gebruik te maken in geslaagd de verbruikersprijzen van suiker in een moeilijke situatie op een redelijk niveau te handhaven (men zie artikel 39, lid 1, van het Verdrag).
Met betrekking tot de gelijkheid van behandeling der communautaire producenten wijst de Italiaanse regering er op dat met de invoering van de prijstoeslag (en de steunmaatregelen) in wezen is beoogd de bestaande dispariteit tussen de Italiaanse producenten en de producenten in de andere Lid-Staten te verkleinen. Er zou inderdaad van een dispariteit gesproken mogen worden wanneer deze producenten zich in dezelfde omstandigheden zouden bevinden. Van een ongelijke behandeling van nationale producenten en verbruikers kan al evenmin sprake zijn: de prijstoeslag is bedoeld als compensatie voor de hogere kosten welke de producenten hebben te dragen als gevolg van de in de desbetreffende sector onbetwist optredende moeilijkheden.
Vijfde, zesde, zevende en achtste vraag
Gezien de kenmerken van de buitengewone prijstoeslag zijn de gegevens betreffende de nationale produktie, alsook die betreffende het nationale verbruik tijdens een bepaald verkoopseizoen van belang, respectievelijk ter bepaling van de mate waarin er tot steunverlening moet worden overgegaan en ter bepaling van de opbrengst van de prijstoeslag. Omdat schattingen met betrekking tot deze beide punten onjuist kunnen blijken, kan ook de prijstoeslag als geheel, aan de behoeften gemeten, een overschot of een tekort vertonen.
In het eerste geval betaalt de Cassa Conguaglio een ristorno ten behoeve van de verbruiker, in dier voege dat er, gezien het beschikbaar overschot, voor het volgend verkoopseizoen een lagere gewone prijstoeslag wordt betaald dan op grond van de gewone gegevens zou zijn geschied. In het tweede geval wordt evenwel niet de omgekeerde weg bewandeld; om de verbruikersprijs in het volgend verkoopseizoen niet te zeer te belasten, is er bij CIP-maatregel 20/1976 een buitengewone prijstoeslag vastgesteld over de binnenslands geproduceerde en ingevoerde voorraden van het produkt, aangehouden in het suikerverkoopseizoen tijdens hetwelk het tekort is ontstaan.
In het bedrag van de buitengewone prijstoeslag was de prijsverhoging welke door de Gemeenschap voor het seizoen 1976/1977 was vastgesteld, niet verwerkt.
Met betrekking tot de vijfde prejudiciële vraag verwijst de Italiaanse regering naar haar argument, aangevoerd ten betoge dat de gewone prijstoeslag niet kan worden aangemerkt als een heffing van gelijke werking als een douanerecht. Behalve dat de buitengewone prijstoeslag naar aard en werking gelijkstaat met de gewone prijstoeslag, wordt eerstbedoeld toeslag over de suikervoorraden geheven, hetgeen de kwalificatie „heffing van gelijke werking” te meer misplaast doet zijn.
De beschouwingen die reeds werden gewijd aan de functie van de gewone prijstoeslag gelden ook voor de zesde prejudiciële vraag. Met betrekking tot de punten a en b dient er voorts op te worden gewezen dat de buitengewone prijstoeslag dient om verkeerde prognoses bij de vaststelling van de gewone prijstoeslag voor het voorafgaande verkoopseizoen te corrigeren. De in artikel 36 van verordening 3330/74 omschreven procedure was dus onnodig en onmogelijk, zoals er ook voor transacties die nauw verband houden met de gestie inzake de gewone prijstoeslag, vastgesteld voor het seizoen 1975/1976, geen enkele communautaire goedkeuring nodig was.
Voorts is de buitengewone prijstoeslag niet te beschouwen als een soort „una tantum” belasting — waarvoor een bijzonder criterium zou gelden —. De functie van deze toeslag brengt mede dat zij kan worden geheven zo dikwijls als er over een voorafgaand seizoen een tekort moet worden aangevuld. In zoverre kan er helemaal niet van retroactiviteit worden gesproken: deze toeslag biedt alleen maar achteraf compensatie voor hetgeen de verbruikers bij wege van gewone prijstoeslag te betalen zouden hebben gehad wanneer de gewone toeslag dadelijk op het juiste bedrag was gesteld.
Anderzijds verdient opmerking dat de opgeslagen suiker van de verhoging van de nationale prijzen — per 2 juli — heeft kunnen profiteren, ofschoon de houders er als gevolg van de verkeerde prognose te weinig voor hadden betaald. De buitengewone prijstoeslag heeft de prijsstijging ook niet helemaal opgeslokt; bij vaststelling ervan is namelijk geen rekening gehouden met de stijging van de afgeleide interventieprijs, terwijl de werkvoorraden van de verwerkende industrie waren vrijgesteld.
Uit de voorzieningen betreffende de hiervoor omschreven prijstoeslag blijkt dat die toeslag op het verleden gericht is en niet bedoeld is om in de toekomst verstoringen als gevolg van een wijziging van het niveau der prijzen bij de overgang van het ene verkoopseizoen op het andere te voorkomen. Het heeft dus geen zin in dit verband te refereren aan de artikelen 33 en 36 van verordening 3330/74, en om dezelfde reden is de buitengewone prijstoeslag niet gelijk te stellen met de op suiker toegepaste overloopheffing.
Met betrekking tot de zevende vraag verwijst de Italiaanse regering naar haar opmerkingen betreffende de vragen 2 en 3. Gezien de hiervoor geschetste kenmerken van de buitengewone prijstoeslag kan ook de achtste vraag ontkennend worden beantwoord. Het is niet waar dat de verbruikers via de suikervoorraden worden getroffen ten einde het vermogen der producenten ongegrond — en op buitensporige wijze — te doen toenemen. Via de buitengewone prijstoeslag betalen zij achteraf slechts hetgeen zij over hun aankopen tijdens het voorafgegane seizoen hadden moeten voldoen indien de gewone prijstoeslag dadelijk was vastgesteld op het niveau dat een volledige financiering van de steunmaatregelen ten behoeve van de produktie mogelijk maakt.
De Commissie verwijst eveneens naar 's Hofs jurisprudentie in voormelde zaken 77/72 en 94/74.
Uit dit laatste arrest blijkt duidelijk dat er, wil een belasting die er op het eerste gezicht als een binnenlandse belasting uitziet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht worden aangemerkt, een duidelijke samenhang moet zijn vastgesteld tussen enerzijds een fiscale heffing die zonder onderscheid op alle betrokken produkten wordt toegepast en anderzijds het voordeel dat men uit de opbrengst van diezelfde belasting alleen aan de nationale produktie ten goede doet komen. In casu is aan de voorwaarden, door het Hof gesteld, niet voldaan:
er bestaat geen identiteit tussen het belaste en het begunstigde nationale produkt,
de opbrengst van de belasting is niet uitsluitend voor de suikerindustrie bestemd.
Wat betreft het eerste punt zij er slechts op gewezen dat de belasting wordt geheven van suiker (post 17.01 van het gemeenschappelijk douanetarief), terwijl de steun ten goede komt aan suiker en suikerbieten (post 12.04).
Voorts komt de belastingopbrengst niet uitsluitend aan de suikerondernemingen ten goede: zodra de beheerskosten zijn gedekt, zijn de verkregen middelen bestemd voor de producenten van suikerbieten en de suikerproducenten.
Weliswaar kan hiertegen worden ingebracht dat de steunverlening ten behoeve van suikerbieten noodzakelijkerwijze in de suikerprijs doorwerkt, maar wie de identiteit der produkten — als criterium — loslaat, opent de deur voor eindeloze meningsverschillen.
Om de heffing ten laste van — en de steun verleend aan — het nationale produkt te kunnen vergelijken, zal men de voordelen moeten becijferen die toevloeien aan alle produkten die een rol bij de vervaardiging van het betrokken produkt spelen. Om die voordelen te kunnen beoordelen, zal men ook rekening moeten houden met de mogelijkerwijze op die produkten drukkende lasten. Er bestaat volgens de Commissie geen aanleiding om de begrippen gebezigd in de artikelen 13 en 95 van het EEG-Verdrag geweld aan te doen en met betrekking tot de grenzen tussen de toepassingsgebieden van die beide — rechtstreeks toepasselijke — bepalingen onzekerheid te scheppen. Wat de duidelijkheid betreft, wil de Commissie verwijzen naar de opmerkingen, door de advocaat-generaal gemaakt in zijn conclusie in de zaak IGAV.
Voormelde jurisprudentie is niet van toepassing wanneer de belasting geen „exclusieve bestemming” heeft en de lasten op het nationale produkt slechts gedeeltelijk worden gecompenseerd, zodat de heffing zwaarder op het ingevoerde produkt drukt dan op het nationale produkt — zulks in strijd met artikel 95 van het Verdrag.
In het onderhavige geval is volgens een benaderende schatting voor het seizoen 1975/1976 de last op de nationale produktie — 75 miljard lire — gedeeltelijk gecompenseerd door de 28 miljard steun die aan de suikerfabrikanten is verleend.
Tweede, derde en vierde vraag
Deze vragen zijn op grond van vorenstaande overwegingen zonder voorwerp geraakt. De Commissie merkt nochtans het navolgende op:
Artikel 40, lid 3, doet hier niet ter zake, omdat het „non-discriminatie”-beginsel geldt voor maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten door de Gemeenschap of door een Lid-Staat genomen. Maatregelen door de Lid-Staten genomen buiten de gemeenschappelijk ordening om, dienen te worden getoetst aan de specifieke verdragsbepalingen (waarin discriminatie eveneens wordt verboden).
Vijfde en zesde vraag
De door de rechter a quo opgesomde kenmerken van de buitengewone prijstoeslag doen dadelijk denken aan de overloopheffing op suiker (men zie de voormelde zaak 23/75 Rey Soda). Derhalve moet worden nagegaan of de betrokken belasting behoort tot het soort dat alleen door de Gemeenschap — en met name door de Commissie — op grondslag van artikel 33 van verordening 3330/74 mag worden ingevoerd, dan wel is te beschouwen als een binnenlandse belasting welke de Lid-Staten — met eerbiediging van de verplichtingen bedoeld in artikel 95 — nog mogen invoeren.
Ofschoon de thans bedoelde belasting verschillende punten van overeenkomst met de overloopheffing op suiker vertoont, zijn er toch twee wezenlijke verschilpunten: allereerst is zij niet gelijk aan de totale verhoging van de Italiaanse suikerprijs per 1 juli 1976. De buitengewone prijstoeslag omvat de verhoging van de suikerprijs die werd veroorzaakt door de verhoging van de prijstoeslag en de verhoging als gevolg van de nieuwe omrekeningskoers van de lira. Maar de stijging die door de verhoogde interventieprijs werd teweeggebracht, is er niet in verwerkt. In de tweede plaats zijn de „te voorkomen” verstoringen bedoeld in artikel 33 van verordening 3330/74 meestal te wijten aan het feit dat er te veel suiker is opgeslagen, waardoor het produkt in de periode die onmiddellijk aan de nieuwe prijzen (geldig per 1 juli) vooraf ging, schaars is geworden. De maatregel waartoe de Commissie in het kader van genoemd artikel 33 heeft gemachtigd, moest juist vanwege zijn doelstelling ter kennis van de ondernemers komen en dus tijdig — voor 1 juli — worden vastgesteld. En een op 2 juli vastgestelde buitengewone prijstoeslag kan de voor 1 juli bestaande situatie geenszins beïnvloeden.
Op grond van één en ander is de Commissie van mening dat de hierbedoelde belasting behoort tot de maatregelen welke op grond van artikel 33 van verordening 3330/74 op communautair niveau moesten worden genomen.
In dat artikel wordt de Commissie opgedragen de bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn ter voorkoming van een verstoring van de suikermarkt als gevolg van een wijziging van het prijspeil bij de overgang van het ene verkoopseizoen voor suiker naar het andere. Die thans aan de Commissie opgedragen taak brengt de noodzaak van een nauwlettend markttoezicht mee en kan niet worden gedelegeerd.
Dat de maatregel wordt genomen op het tijdstip van overgang van het ene verkoopseizoen naar het andere, geeft op zichzelf niet de doorslag. Het gaat niet aan de Commissie bevoegd te verklaren tot het nemen van de betrokken maatregelen en daarnaast, voor het geval dat zij na bestudering van de situatie mocht menen zulke maatregelen niet te moeten nemen, iedere Lid-Staat de mogelijkheid te bieden om zijn eigen beoordeling voor die van de Commissie in de plaats te stellen en de houders van zulke suiker per 1 juli door fiscale of parafiscale maatregelen — en volgens van staat tot staat verschillende criteria — te straffen.
Door aan de Lid-Staten een eigen, exclusieve bevoegdheid tot het nemen van vereveningsmaatregelen bij de overgang van het ene verkoopseizoen naar het andere in te ruimen, komt men in strijd met het in 's Hofs jurisprudentie opgestelde beginsel dat de Lid-Staten in de sectoren die onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, alleen bepaalde uitvoeringsmodaliteiten voor de communautaire verordeningen kunnen vaststellen, maar aan de inhoud dier verordeningen niets kunnen toe- of afdoen.
En zelfs al zou artikel 33 van verordening 3330/74 toepassing missen, dan nog ware de Italiaanse maatregel niet te rechtvaardigen. Tot wijziging van de omrekeningskoersen der nationale munteenheden ten opzichte van de rekeneenheid wordt besloten bij verordeningen van de Raad en alleen de communautaire instellingen kunnen er wijziging in brengen (men zie bij voorbeeld verordening 1507/70 van de Commissie van 28 juli 1970 betreffende ingevolge de devaluatie van de Franse frank in de sector suiker te nemen maatregelen; PB L 166, blz. 46).
Zevende en achtste vraag
Volgens artikel 33 van verordening 3330/74, zoals het hiervoor is uitgelegd, is de toepassing van alle met dat artikel onverenigbare nationale maatregelen uitgesloten, terwijl particulieren er het recht aan ontlenen verschoond te blijven van de betaling der in zodanige nationale maatregelen voorziene bedragen, een recht dat door de nationale rechterlijke instanties moet worden gehandhaafd.
De Commissie stelt voor de vragen als volgt te beantwoorden:
1. Een belasting die deel uitmaakt van een algemeen systeem van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, kan een heffing van gelijke werking als een invoerrecht vormen, indien zij uitsluitend bestemd is voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen, indien er tussen het belaste produkt en het begunstigde nationale produkt identiteit bestaat en voorts de op het nationale produkt drukkende lasten volledig worden gecompenseerd.
2. De bepalingen welke nodig zijn om te voorkomen dat de suikermarkt bij de overgang van het ene verkoopseizoen op het andere ten gevolge van een wijziging van het niveau der in nationale valuta uitgedrukte communautaire prijzen wordt verstoord, vereveningsmaatregelen daaronder begrepen, kunnen volgens artikel 33 van verordening 3330/74 uitsluitend door de Commissie worden vastgesteld — volgens de in diezelfde verordening voorziene procedure —. Aan die bepaling ontlenen particulieren het recht om geldbedragen, bij nationale maatregelen in strijd met bedoelde verordening opgelegd, niet te betalen, en de nationale rechterlijke instanties hebben dat recht te handhaven.
III — Mondelinge behandeling
Verzoekster, interveniënte in het hoofdgeding, de regering van de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn ter terechtzitting van 22 maart 1977 gehoord.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 mei 1977 zijn conclusie genomen.
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat de Pretore te Abbiategrasso bij op 28 juli 1976 ter griffie ingekomen beschikking van 16 juli 1976 het Hof van Justitie een aantal vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van de artikelen 1 tot en met 8, 13, lid 2, en 38 tot en met 43 van het EEG-Verdrag en 's Raads verordeningen 1009/67 van 18 december 1967 en 3330/74 van 19 december 1974 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 308 van 18. 12. 1967 en L 359 van 31. 12. 1974);
dat deze vragen worden gesteld in een tussen twee Italiaanse ondernemingen gevoerd geding;
dat de firma gebroeders Cucchi, verzoekster in het hoofdgeding, aan de firma Avez SpA te Milaan, verweerster in het hoofdgeding, de opdracht had verstrekt om uit de Bondsrepubliek Duitsland in Italië in te voeren 10000 kg suiker, waarvan 4000 kg is geleverd op 28 juni 1976, en het resterend gedeelte in de maand juli zou worden geleverd, waarna laatstgenoemde firma van eerstgenoemde behalve betaling van de koopprijs terugbetaling verlangde van twee heffingen onderscheidenlijk aangemerkt als prijstoeslag (sovrapprezzo) en buitengewone prijstoeslag (sovrapprezzo straordinario), berustende op besluiten van het Comitato Interministeriale di Prezzi (CIP);
dat verzoekster in het hoofdgeding, prijstoeslag en buitengewone prijstoeslag met de regelen van het gemeenschapsrecht onverenigbaar achtend, de wederpartij heeft gedagvaard om voor de Pretore te verschijnen ter vaststelling dat zij haar ten titel van de omstreden belastingen niets schuldig is;
dat Federgrossisti (Federazione Nazional per il Commercio Alimentare — Sindicato Nazionale dello Zucchero) bij memorie van 11 juli 1976 heeft geïntervenieerd en, stellende de bezwaren ingebracht tegen de nationale regeling gegrond te achten, heeft verzocht om verwijzing van de zaak naar het Hof van Justitie krachtens artikel 177 van het Verdrag;
dat de nationale rechter bij voormelde beschikking de interveniërende partij in het geding heeft toegelaten en heeft verstaan dat aan het Hof acht door de interveniënte voorgedragen vragen zouden worden gesteld, waarvan de eerste vier c.q. de laatste vier onderscheidenlijk beogen opheldering te verkrijgen inzake de vraag of de prijstoeslag onderscheidenlijk de buitengewone prijstoeslag met het gemeenschapsrecht verenigbaar zijn;
I — Algemeen
Overwegende dat een beantwoording der vragen blijkens de verwijzingsbeschikking de nationale rechter in staat moet stellen te oordelen over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van twee bij besluiten van het CIP ingestelde heffingen, onderscheidenlijk genaamd prijstoeslag (sovrapprezzo) en buitengewone prijstoeslag (sovrapprezzo straordinario), welker opbrengst bestemd is ter financiering van aanpassingssteun verleend aan de Italiaanse suikerbietenproducenten en suikerverwerkende industrie;
dat de regering van de Italiaanse republiek in haar opmerkingen heeft betoogd dat voor de verkoopseizoenen 1975/1976 tot en met 1979/1980 tot die steunverlening in artikel 38 van verordening 3330/74 met zoveel woorden machtiging is verleend;
dat zij meent aan de machtiging de bevoegdheid te ontlenen de nodige financieringsmiddelen bijeen te brengen volgens de modaliteiten welke haar binnen de grenzen van het gemeenschapsrecht het meest passend en het billijkst voorkomen;
Overwegende dat de in artikel 38 van verordening 3330/74 vervatte machtiging tot steunverlening niet in die zin is te verstaan dat, ongeacht aard en modaliteiten, iedere wijze van financiering dier steunverlening met het gemeenschapsrecht verenigbaar zou zijn;
dat de nationale gezagsorganen bij de financiering der verleende steun met name gehouden blijven tot nakoming van de verplichtingen die niet alleen uit het Verdrag, doch ook uit de overige bepalingen van verordening 3330/74 voortvloeien;
dat van een mogelijkheid tot financiering met afwijking van die overige bepalingen moet blijken uit een uitdrukkelijke bepaling, althans uit een voorschrift waarin zodanige bedoeling van de Raad duidelijk aan de dag treedt;
dat een voorschrift dat zulk een afwijking gedoogt niet bestaat en dat met die omstandigheid bij de beantwoording der gestelde vragen rekening dient te worden gehouden;
II — De vragen betreffende de prijstoeslag
Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of artikel 13, lid 2, van het Verdrag alsook artikel 21, lid 2, van verordening 3330/74 en artikel 20, lid 2, van verordening 1009/67 in de weg staan aan de toepassing — in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten — van een nationale belastingmaatregel die alle in het land zelf geproduceerde en ingevoerde suiker treft en waarvan de opbrengst uitsluitend aan de nationale suikerfabrieken en suikerbietenproducenten ten goede komt;
dat de nationale rechter er voorts op wijst dat bedoelde maatregel deel uitmaakt van een stelsel van steunmaatregelen waarvoor gemeenschapsrechtelijke bepalingen bestaan, zoals artikel 34 van verordening 1009/67, artikel 38 van verordening 3330/74 en artikel 4 van 's Raads verordening 1487/76 van 22 juni 1976 (PB L 167, blz. 9), doch dat geen instelling der Gemeenschap er ooit toestemming toe heeft verleend en dat bij zijn uitvoering ook niet de procedure van artikel 41 van verordening 1009/67 dan wel die van artikel 36 van verordening 3330/74 is gevolgd;
Overwegende dat in artikel 9 van het Verdrag — dat voor de definitieve periode overeenkomt met het in de vraag bedoelde artikel 13 — de heffing van invoerrechten en alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de Lid-Staten wordt verboden;
dat zo ook in de artikelen 20, lid 2, van verordening 1009/67 en 21, lid 2, van verordening 3330/74, behoudens in die verordeningen voorkomende andersluidende bepalingen of afwijkingen waartoe de Raad mocht hebben besloten, de toepassing van enig douanerecht of van enige heffing van gelijke werking als een douanerecht wordt verboden;
Overwegende dat, naar in de arresten van 19 juni 1973 (zaak 77/72, Capolongo, Jurispr. blz. 611) en 18 juni 1975 (zaak 94/74, IGAV, Jurispr. blz. 699) is overwogen, het verbod van de artikelen 9 en 13 betrekking heeft op iedere bij of wegens invoer geheven belasting welke bepaaldelijk een ingevoerd produkt en niet een soortgelijk nationaal produkt treft en derhalve, door wijziging van de kostprijs, uiteindelijk op het vrije verkeer van goederen eenzelfde beperkende invloed heeft als een douanerecht;
dat daarentegen de omstandigheid dat een belasting zonder onderscheid op nationale produkten en op uit andere Lid-Staten afkomstige produkten wordt toegepast, de vraag doet rijzen of de betrokken belasting onder verbod van de artikelen 9 en 13 valt, dan wel onder de in artikel 95 voor binnenlandse belastingen omschreven non-discriminatieregel;
dat eenzelfde belasting in het systeem van het Verdrag niet tegelijkertijd tot beide genoemde categorieën kan behoren, daar de in de artikelen 9 en 13 bedoelde heffingen zonder meer moeten worden afgeschaft, terwijl artikel 95 voor de toepassing van binnenlandse belastingen slechts de afschaffing van elke, al dan niet rechtstreekse, discriminatie bij de behandeling van nationale produkten van een Lid-Staat en produkten van herkomst uit andere Lid-Staten voorschrijft;
dat derhalve niet als heffingen van gelijke werking zijn te beschouwen geldelijke lasten welke deel uitmaken van een algemeen systeem van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen;
dat dit slechts anders zou zijn indien een dergelijke, tot bepaalde produkten beperkte, heffing uitsluitend was bestemd voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan de belaste nationale produkten ten goede komen, zodat de hierop drukkende fiscale last wordt geneutraliseerd;
dat zulk een fiscale regeling immers slechts in schijn een stelsel van binnenlandse belastingen is en derhalve wegens haar beschermend karakter kan worden aangemerkt als heffing van gelijke werking als een douanerecht, zodat de verboden in de artikelen 9 en 13 en in voormelde verordeningsvoorschriften vervat, toepasselijk zijn;
dat een dergelijke kwalificatie echter veronderstelt dat er een duidelijk verband bestaat tussen enerzijds een fiscale heffing die zonder onderscheid op de betrokken nationale of ingevoerde produkten wordt toegepast, en anderzijds het voordeel dat alleen de nationale produkten uit de opbrengst dier heffing toevalt;
Overwegende dat het derhalve aan de nationale rechter staat te beoordelen of zulk een verband aanwezig is en — in casu — in aanmerking te nemen dat de opbrengst bij heffing van de omstreden belasting verkregen en blijkens het dossier zowel aan de bietenproducenten als aan de verwerkende industrie ten goede komt, zodat zuiker — als van suikerbieten wel te onderscheiden produkt — nog niet van de helft der verkregen geldmiddelen profiteert;
Overwegende dat de eerste vraag blijkens het hiervoor overwogene in die zin moet worden beantwoord dat een belasting die deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, slechts een heffing van gelijke werking als een invoerrecht kan zijn indien de heffing uitsluitend bestemd is voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen, indien er identiteit bestaat tussen het belaste produkt en het begunstigde nationale produkt en de op het nationale produkt drukkende lasten volledig worden gecompenseerd;
Overwegende dat op grond van dit een en ander de tweede en de derde vraag, gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend mocht worden beantwoord, zonder voorwerp zijn geraakt;
dat in de vierde plaats gevraagd wordt of de toepassing van een heffing als in de eerste vraag bedoeld schending inhoudt van het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag omschreven verbod van discriminatie tussen producenten of verbruikers;
dat te dien aanzien kan worden volstaan met de opmerking dat het in artikel 95 van het Verdrag omschreven verbod van discriminatie tussen produkten van andere Lid-Staten en gelijksoortige nationale produkten, de mogelijkheid biedt om op het door de nationale rechter bedoelde terrein meer gericht tegen een mogelijke schending van communautaire grondbeginselen op te treden;
dat deze vraag derhalve al evenmin behoeft te worden beantwoord;
III — De vragen betreffende de buitengewone prijstoeslag
Overwegende dat de vijfde tot en met de achtste vraag blijkens de verwijzingsbeschikking de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht betreffen van de buitengewone prijstoeslag (sovrapprezzo straordinario) ingesteld bij CIP-maatregel 20/1976 (GURI 172), zoals die bij de overgang van het suikerverkoopseizoen 1975/76 naar het seizoen 1976/77 is geheven over het suikerbestand per 2 juli 1976;
dat de regering van de Italiaanse Republiek in haar opmerkingen heeft betoogd dat deze slechts éénmaal geheven belasting alleen bedoeld was ter aanvulling van het tekort van de vereveningskas, ontstaan als gevolg van de in het voorafgaande suikerverkoopseizoen krachtens artikel 38 van verordening 3330/74 toegekende steunbedragen welke de opbrengst van de in dat zelfde seizoen geheven gewone prijstoeslag te boven gingen;
dat de Commissie de juistheid van een en ander heeft bevestigd, evenwel onder opmerking dat de voorraden aldus werden belast met bedragen aan welker berekening twee heel verschillende factoren ten grondslag lagen, te weten de stijging van het percentage der prijstoeslag — van 56 lire per kg in het seizoen 1975/1976 op 70 lire over het seizoen 1976/1977 — en de wijziging van de omwisselingskoers der „groene lira” ten opzichte van de rekeneenheid welke aan het begin van het seizoen 1976/1977 bij verordening 1020/76 van de Raad van 29 april 1976 (PB L 115) was vastgesteld;
Overwegende dat in de vijfde plaats is gevraagd of de problemen welke in de vier eerste vragen aan de orde worden gesteld, zich ook voordoen wanneer een tegelijkertijd op in het binnenland geproduceerde én ingevoerde suiker toegepaste geldelijke last niet bij grensoverschrijding, doch op een later tijdstip — waarop de suiker reeds is opgeslagen — wordt geheven;
dat deze vraag kennelijk betrekking heeft op het gedeelte van de sovrapprezzo straordinario dat met de stijging van het percentage van de sovrapprezzo ordanirio voor het nieuwe seizoen overeenkomt;
Overwegende dat de sovrapprezzo straordinario in zoverre dezelfde trekken vertoont als de sovrapprezzo ordinario waarop zij geënt is, zodat ter beantwoording van de vijfde vraag met het op de eerste vraag te geven antwoord kan worden volstaan;
Overwegende dat in de zesde plaats gevraagd wordt of zich met de communautaire regeling, met name met verordening 3330/74, verdraagt een geldelijke last die bij besluit van de nationale regering zonder vergunning van de gemeenschapsinstellingen bij overgang van het ene suikerverkoopseizoen naar het andere wordt gelegd op de suiker welke op zekere datum in de ondernemingen is opgeslagen;
dat het in deze vraag gaat om het gedeelte van de sovrapprezzo straordinario dat bepaalde houders van suikervoorraden doet opkomen voor een bedrag overeenkomende met de stijging van de suikerprijs als gevolg van de toepassing van een nieuw percentage ter omrekening van de rekeneenheid in lire (groene lira) bij de overgang van het seizoen 1975/1976 naar het seizoen 1976/1977;
dat deze heffing in zoverre voor bepaalde suikervoorraden uit eerdere verkoopseizoenen tot beperking van de gevolgen van bedoelde aanpassing leidt;
Overwegende dat naar luid van artikel 33 van verordening 3330/74 „de bepalingen die noodzakelijk zijn ter voorkoming van een verstoring van de suikermarkt als gevolg van een wijziging van het prijspeil bij de overgang van het ene verkoopseizoen voor suiker naar het andere, kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 36”, dat wil zeggen via de zogenaamde beheerscomité-procedure;
dat zulk een procedure niet is ingeleid, aangezien de tot inschakeling van het comité van beheer bevoegde gezagsorganen in casu geen aanleiding tot toepassing van artikel 33 aanwezig hebben geacht;
dat het Hof bij arrest van 30 oktober 1975 (zaak 23/75, Rey Soda t. Cassa Conguaglio Zucchero, Jurispr. blz. 1279) aan artikel 6 van verordening 834/74 van de Commissie de rechtsgeldigheid heeft ontzegd omdat de Commissie, ofschoon krachtens het met voormeld artikel 33 vergelijkbare artikel 37 van verordening 1009/67 bevoegd tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van verstoringen welke als gevolg van een wijziging van het niveau der prijzen bij de overgang van het ene suikerverkoopseizoen naar het andere kunnen optreden, aan een Lid-Staat niet mag opdragen om, onder het mom van uitvoeringsvoorschriften, wezenlijke materiële voorschriften — als die van voormeld artikel 6 — vast te stellen;
Overwegende dat uit voormeld arrest eveneens blijkt dat de goede werking van een gemeenschappelijke ordening der markten, en met name de prijsvorming op produktieniveau, ook buiten gevallen van verstoring als in voormelde bepalingen bedoeld, in beginsel behoort te worden geregeld in algemene communautaire bepalingen zoals die in de algemene regeling zijn neergelegd en telken jare zijn aangepast, zodat van een bijzondere ingreep in die goede werking slechts in met zoveel woorden voorziene gevallen sprake kan zijn;
dat dan ook het argument dat artikel 33 van verordening 3330/74 slechts op gevallen van een onmiddellijk dreigende verstoring van de markt betrekking zou hebben, zodat aan de Lid-Staat de vrijheid zou zijn gelaten om andere redenen bijzondere interventiemaatregelen zoals een verhoging van het prijsniveau te treffen, niet opgaat;
dat immers zulk een uitlegging van artikel 33, volgens welke het nemen van bijzondere maatregelen zoals het belasten der voorraden bij de overgang van het ene suikerverkoopseizoen naar het andere alleen voor zover daarmede een voorkoming van marktverstoringen werd beoogd aan de communautaire gezagsorganen zou zijn overgelaten, terwijl de Lid-Staten vrij zouden blijven om wegens andere redenen maatregelen van vrijwel dezelfde aard en modaliteit vast te stellen, de bepaling van haar zin zou beroven;
dat voorts het argument dat men door de maatregel waarvan de nationale rechter heeft kennis te nemen juist zou hebben vermeden dat de opgeslagen suiker wordt belast met bedragen overeenkomende met de stijging der interventieprijzen gedurende het seizoen 1976/1977 — vergeleken met die van het voorafgegane seizoen — en daarmede de bevoegdheden welke in artikel 33 aan de communautaire gezagsorganen worden opgedragen recht zou doen hebben wedervaren, een miskenning inhoudt van het feit dat men in bedoelde bepaling zowel het oog heeft op de gevolgen van een wijziging van de omrekeningskoersen als op die van een wijziging der interventieprijzen, welke wijzigingen in het raam van het gemeenschappelijk landbouwbeleid beide tot de uitsluitende bevoegdheidssfeer van de Gemeenschap behoren;
dat derhalve dient te worden geantwoord dat de bevoegdheid tot vaststelling van bijzondere maatregelen waardoor in het prijsvormingsmechanisme wordt ingegrepen — met name door beperking van de gevolgen van een wijziging van het niveau der communautaire prijzen, of het nu om de interventieprijzen gaat dan wel om de omrekeningskoers van de nationale munteenheid ten opzichte van de rekeneenheid —, krachtens verordening 3330/74 behoudens uitdrukkelijke afwijkende bepalingen uitsluitend bij de Gemeenschap berust;
dat in de zevende plaats wordt gevraagd of wanneer er een geldelijke last wordt opgelegd als in de zesde vraag bedoeld, iedere belanghebbende kan weigeren zodanige belasting over zijn suikervoorraden te betalen — en, indien betaald, kan terugvorderen — dan wel of het feit dat bedoelde last naar gemeenschapsrecht rechtsgeldigheid ontbeert, slechts kan worden ingeroepen ten profijte van ingevoerde en bij de importeur opgeslagen suiker;
Overwegende dat blijkens het hiervoor overwogene een schending van verordening 3330/74 de maatregel als geheel raakt, zowel voor zover het om in het land zelf geproduceerde suiker als voor zover het om ingevoerde suiker gaat;
dat zulk een schending dan ook voor de nationale rechterlijke instantie kan worden ingeroepen door ieder natuurlijk of rechtspersoon op wiens voorraden de nationale maatregel is toegepast;
Overwegende dat de beantwoording van de voorgaande vragen medebrengt dat de achtste vraag niet meer behoeft te worden beantwoord;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten, door de regering van de Italiaanse Republiek en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen;
dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een voor de nationale rechter gerezen incident is te beschouwen, zodat deze laatste over de kosten heeft te beslissen;
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de vragen door de Pretura te Abbiategrasso bij beschikking van 16 juli 1976 gesteld, verklaart voor recht:
1) Een belasting die deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, kan slechts een heffing van gelijke werking als een invoerrecht zijn indien de heffing uitsluitend bestemd is voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen, indien er identiteit bestaat tussen het belaste produkt en het begunstigde nationale produkt en de op het nationale produkt drukkende lasten volledig worden gecompenseerd;
2) De bevoegdheid tot vaststelling van bijzondere maatregelen waardoor in het prijsvormingsmechanisme wordt ingegrepen — met name door beperking van de gevolgen van een wijziging van het niveau der communautaire prijzen, of het nu om de interventieprijzen gaat dan wel om de omwisselingskoers van de nationale munteenheid ten opzichte van de rekeneenheid — berust krachtens verordening 3330/74 behoudens uitdrukkelijke afwijkende bepalingen uitsluitend bij de Gemeenschap; inzoverre kan een schending van verordening 3330/74 voor de nationale rechterlijke instantie worden ingeroepen door ieder natuurlijk of rechtspersoon op wiens voorraden de nationale maatregel is toegepast.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
23Rechtspraak
3Europese Unie
3Hof van JustitieC-347/9517.09.1997
Nationale heffing bij verkoop van zuivelproducten
Hof van JustitieC-28/9617.09.1997