ARREST
De feiten
De feiten, het procesverloop, alsmede de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:
I — Overzicht van de feiten
In artikel 13, lid 1, van's Raads verordening nr. 805/68 van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24) is een heffing voorzien bij invoer in de Gemeenschap van bevroren vlees van runderen (huisdieren) als bedoeld in post 02.01 A II a) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief.
Evenwel is er bij artikel 14, lid 1, deiverordening voor bevroren vlees, bestemd voor verwerking (voorvoeten, delen met been en delen zonder been) een bijzondere invoerregeling voorzien, bestaande uit de volledige of gedeeltelijke schorsing van de heffing. Artikel 14, lid 3, alinea a), voorzag een volledige schorsing voor vlees, bestemd voor de vervaardiging van conserven in de zin van post 16.02 B III b) 1 van het gemeenschappelijk douanetarief, geen andere kenmerkende bestanddelen bevattende dan rundvlees en gelei.
Op 14 februari 1977 heeft de Raad verordening nr. 425/77 tot wijziging van verordening nr. 805/68 (PB L 61, blz. 1) vastgesteld.
Op grond van de overweging „dat de situatie op de rundvleesmarkt de laatste jaren is gekenmerkt door een schaarste die vergezeld ging van een prijsstijging welke niet heeft nagelaten haar invloed zowel op het verbruik als op de produktio uit te oefenen”, welke situatie „vervolgens is gekeerd in een ineenstorting van de marktprijzen, die nog werd benadrukt door massale invoer”, zodat „de invoerregeling dient te worden aangepast om te voorkomen dat vergelijkbare situaties zich opnieuw kunnen voordoen”, heeft de Raad het noodzakelijk geacht „dat bepaalde bijzondere regelingen ... worden aangepast teneinde, in het kader van op ramingen berustende jaarbalansen, rekening te houden met de beschikbare hoeveelheden en de behoeften van de Gemeenschap.” De Raad heeft derhalve onder meer artikel 14 van verordening nr. 805/68 in die zin gewijzigd dat met volledige schorsing van de heffing tot invoer toegelaten bevroren vlees, bestemd voor verwerking, nog slechts onder na te melden condities onder de uitzonderingsbepaling zou vallen:
a) De Raad stelt elk jaar voor 1 december op voorstel van de Commissie ... een op ramingen berustende balans op betreffende vlees dat met vrijstelling van de heffing kan worden ingevoerd. In die balans wordt enerzijds rekening gehouden met de hoeveelheden vlees van voor industriële verwerking geschikte aanbiedingsvorm, die naar verwachting in de Gemeenschap beschikbaar zullen zijn, en anderzijds met de behoeften van de industrie (artikel 14, lid 2, nieuw).
b) De Commissie stelt elk kwartaal de hoeveelheden vast die met algehele schorsing van de heffing mogen worden ingevoerd, alsook de uitvoeringsbepalingen van het artikel en met name die welke betrekking hebben op de controle van het gebruik van het ingevoerde vlees (artikel 14, lid 4, nieuw).
c) De invoer met volledige schorsing van de heffing wordt afhankelijk gesteld van de overlegging van een invoercertificaat, afgegeven binnen de grenzen van de per kwartaal vastgestelde hoeveelheden; die invoer kan, voorzover noodzakelijk, afhankelijk worden gesteld van het overleggen van een overeenkomst, betrekking hebbende op de aankoop van bevroren vlees in bezit van een interventiebureau („koppeling”sstelsel, artikel 14, lid 3, nieuw).
De in 's Raads verordening nr. 425/77 bedoelde uitvoeringsbepalingen zijn dooide Commissie vastgesteld in haar verordeningen nrs. 585/77 en 597/77 van 18 maart 1977, onderscheidenlijk „inzake het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten in de sector rundvlees” (PB L 75, blz. 5) en „houdende uitvoeringsbepalingen inzake de bijzondere invoerregeling voor bepaalde soorten voor, verwerking bestemd bevroren rundvlees (PB L 76, biz. 1); deze verordeningen zijn gewijzigd en aangevuld bij verordeningen van de Commissie, te weten verordeningen nrs. 1384/77 van 17 juni 1977 (PB L 157, biz. 16 ) en 2901/77 van 22 december 1977 (PB L 338, biz. 9) [die op hun beurt zijn vervangen door verordeningen nrs. 571/78 en 572/78 van 21 maart 1978, eveneens van de Commissie (PB L 78, biz. 10 en 17)].
Volgens deze bepalingen dienen voor de volledige schorsing der heffing de voor eenzelfde gegadigde ingediende aanvragen van certificaten een totale hoeveelheid te betreffen van ten minste 5 ton vlees met been en ten hoogste 10 % van de hoeveelheid, door de Commissie overeenkomstig het nieuwe artikel 14 van verordening nr. 805/68 vastgesteld voor het kwartaal waarin de aanvraag of aanvragen worden ingediend (artikel 3 van verordening nr. 1384/77).
Voorts zijn de aanvragen slechts ontvankelijk, wanneer zij worden ingediend door een natuurlijk of rechtspersoon die ten minste twaalf maanden in de vee- en vleessector werkzaam is geweest en in een openbaar register van een Lid-Staat is ingeschreven (artikel 1 van verordening nr. 2901/77).
Ook op 22 december 1977 stelde de Commissie verordening nr. 2900/77 vast, houdende bepalingen betreffende de verkoop van rundvlees dat in het bezit is van de interventiebureaus teneinde de invoer, met totale schorsing van de heffing, van bevroren rundvlees bestemd voor de verwerking mogelijk te maken (PB L 338, biz. 6).
Volgens artikel 1, lid 1, van deze verordening moet voor invoer met volledige schorsing van de heffing een koopcontract voor bevroren vlees uit interventievoorraden, gesloten overeenkomstig het in de verordening bepaalde, worden overgelegd. De verkoop vindt volgens lid 2 van dit artikel plaats via openbare inschrijvingen overeenkomstig de artikelen, 6 tot en met 14 van verordening nr. 216/69 van de Commissie van 4 februari 1969, houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de afzet van het door de interventiebureaus aangekochte bevroren rundvlees (PB L 28, biz. 10), waarin onder meer is bepaald dat de minimumverkoopprijzen in het kader van een inschrijvingsprocedure door de Commissie worden vastgesteld, dat de bieding wordt verworpen wanneer de geboden prijs beneden de minimumprijs ligt en dat kopers zijn degenen die de hoogste prijs bieden, met dien verstande dat de beschikbare hoeveelheid, wanneer er tegen dezelfde prijs verschillende aanbiedingen voor dezelfde hoeveelheid worden gedaan, met instemming van de betrokken inschrijvers door het interventiebureau verdeeld wordt of tot toewijzing door loting wordt overgegaan. In artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2900/77 wordt „onder voorbehoud van de bijzondere en afwijkende bepalingen die in deze verordening zijn vastgesteld” naar verordening nr. 216/69 verwezen.
Volgens artikel 2 van verordening nr. 2900/77 houden de interventiebureaus ieder kwartaal „op grond van de inschrijvingsregeling” een bijzondere inschrijving; uiterlijk op de datum van bekendmaking van de eerste bijzondere inschrijving wordt een algemeen bericht van openbare inschrijving gepubliceerd.
De biedingen kunnen volgens artikel 3 der verordening alleen de eerste tien dagen van ieder kwartaal worden ingediend. Om ontvankelijk te zijn, moet een offerte betrekking hebben op een totale hoeveelheid van minstens 5 en hoogstens 100 ton, uitgedrukt in vlees met been.
Onder meer op grondslag van de verordeningen nrs. 216/69, 2900/77 en 2901/77 heeft de Commissie op 13 januari 1978 een „algemeen bericht inzake periodieke inschrijvingen voor de verkoop van bevroren rundvlees dat in het bezit is van de interventiebureaus teneinde de invoer van met totale schorsing van de heffing van bevroren rundvlees voor- de verwerking mogelijk te maken” in het Publikatieblad doen opnemen (PB C 11, biz. 16).
Op 23 december 1978 publiceerde de Commissie het bericht van inschrijving n r. D P 5 — verordening (EEG) nr. 2900/77 — betreffende de verkoop van bepaalde hoeveelheden bevroren rundvlees, met been, uit de voorraden van het Duitse interventiebureau (PB C 308, biz. 29).
Volgens dit bericht van inschrijving zou het Duitse interventiebureau, overeenkomstig de regels vermeld in het algemeen bericht van inschrijving, overgaan tot de verkoop van ongeveer 5700 ton bevroren rundvlees met been. Alleen vóór 10 januari 1979 door de BALM (Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung) ontvangen offertes zouden in aanmerking worden genomen.
Op 9 januari 1979 deed de commanditaire vennootschap firma Karl Könecke, een te Bremen gevestigde vleesfabriek, de BALM 5 offertes toekomen waarin, telkens voor een hoeveelheid van 20 ton, prijzen van DM 5741, 5311, 5291, 5271 en 5251 per ton werden genoemd voor de onderscheiden categorieën interventievlees (de eerste bieding betrof in de Bondsrepubliek, de overige biedingen in Denemarken opgeslagen vlees).
In een mededeling van 29 januari 1979, ingekomen op 5 februari 1979, deed de BALM de vennootschap Könecke weten dat haar offerte volgens besluit van het beheerscomité voor rundvlees niet in aanmerking kon worden genomen.
Op 30 januari 1979 stelde de Commissie beschikking nr. 79/187 vast, tot vaststelling van de minimumverkoopprijzen voor bevroren rundvlees dat door de interventiebureaus te koop is aangeboden op grond van verordening (EEG) nr. 2900/77 en van de hoeveelheden bevroren rundvlees voor verwerking die in het eerste kwartaal van 1979 op bijzondere voorwaarden mogen worden ingevoerd (PB L 41, blz. 49).
In artikel 1, lid 1, juncto de bijlage dezer beschikking werden de minimumverkoopprijzen voor de verkoop van rundvlees uit de voorraden van het Duitse interventiebureau, welke bij de inschrijving nr. D P 5 zouden worden aangehouden, als volgt vastgesteld:
In artikel 2 der beschikking werden de voor fabricage van conserven bestemde maximumhoeveelheden vlees, die tot invoer met totale schorsing van de heffing zouden worden toegelaten, bepaald op 7732 ton.
II — Schriftelijke behandeling
De vennootschap Könecke heeft op 7 mei 1979 krachtens artikel 173, tweede alinea, van het EEG-Verdrag beroep ingesteld; zij vordert de nietigverklaring van beschikking nr. 79/187 van de Commissie van 30 januari 1979.
De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad.
Op rapport van de rechterrapporteur en de advocaatgeneraal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Evenwel heeft het de Commissie en de vennootschap Könecke, ieder afzonderlijk, verzocht een vraag schriftelijk te beantwoorden; aan dit verzoek is tempore utili gevolg gegeven.
Bij beschikking van 7 november 1979 heeft het Hof krachtens artikel 95, lid 1 en lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de zaak naar de Tweede kamer verwezen.
III — Conclusies van partijen
Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:
a) de beschikking van de Commissie nr. 79/187 van 30 januari 1979, ten aanzien van verzoekster te vernietigen;
b) de Commissie in de kosten van het geding te verwijzen.
De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
a) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
b) het beroep ongegrond te verklaren, althans ten aanzien van de offertes, door de verzoekende vennootschap gedaan voor het in Denemarken opgeslagen vlees van het Duitse interventiebureau;
c) verzoekster in de kosten te veroordelen.
IV — Middelen en argumenten, door partijen tijdens de schriftelijke behandeling opgeworpen
A — De ontvankelijkheid
De Commissie acht het beroep niet-ontvankelijk, en wel zulks enerzijds wegens niet-inachtneming van de beroepstermijn, anderzijds wegens het ontbreken van procesbelang aan de zijde van verzoekster.
a) Beschikking nr. 79/187 is zowel (bij de mededeling van de BALM aan de vennootschap Könecke d.d. 29 januari 1979) betekend als in het Publikatieblad (van 16 februari 1979) geplaatst. Het beroep is op 7 mei 1979 ingesteld; gezien de in Duitsland geldende bijzondere termijnen wegen afstand, zou de beroepstermijn derhalve alleen in acht zijn genomen, indien zij bij publikatie van de bestreden beschikking in het Publikatieblad zou ingaan. De bestreden beschikking zou een handeling zijn welker toepasselijkheid niet van publikatie afhangt. Omdat het Publikatieblad toch al overladen was met handelingen die met het oog op hun toepasselijkheid wel moeten worden gepubliceerd, zou de Commissie er niet voor hebben kunnen zorgen dat eerstbedoelde handelingen kort na hun vaststelling of betekening aan betrokkene in het Publikatieblad verschenen; ook zou de noodzaak van plaatsing in het Publikatieblad zich dikwijls pas geruime tijd na vaststelling der handeling doen gevoelen. Mocht de Commissie beducht zijn dat zulk een publikatie a posteriori de beroepstermijnen aanzienlijk zou verlengen of reeds afgelopen termijnen zou heropenen, dan had het, in het welbegrepen belang van de rechtszekerheid dat juist door de beroepstermijnen gediend wil zijn, op haar weg gelegen een publikatie van handelingen die voor hun toepasselijkheid geen publikatie behoeven, geheel achterwege te laten. Dwingende redenen om, ingeval van een individuele betekening gevolgd door plaatsing in het Publikatieblad, de in artikel 173, derde alinea van het Verdrag, voorziene termijn pas op de laatste datum te doen ingaan, zijn er niet. Aan de behoefte aan rechtsbescherming van de burger te wiens aanzien een besluit wordt genomen, is genoegzaam voldaan wanneer hem een termijn van twee maanden, ingaande bij de betekening van het besluit, wordt gelaten. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat er in feite twee verschillende, onderling onafhankelijke, termijnen zouden komen, en zulk een uitlegging zou noch met de geest noch met de letter van artikel 173, derde alinea, van het Verdrag te rijmen zijn. De betekening biedt betrokkene een extra waarborg, immers de mededeling in het Publikatieblad kan gemakkelijk aan zij aandacht ontsnappen. In geval van betekening aan verzoekster, gevolgd door plaatsing in het Publikatieblad, van een handeling welker rechtsgeldigheid niet van die publikatie afhangt, zou de beroepstermijn derhalve moeten ingaan op de eerste van beide genoemde data. Zulk een uitlegging zou noch tot onduidelijkheid noch tot juridische onzekerheid leiden en een brug slaan tussen de eis ener daadwerkelijke rechtsbescherming en de behoefte aan rechtsvrede en een zo volledig mogelijke voorlichting. Onder „kennisgeving” in de zin van artikel 173 c.q. „ter kennis van de betrokkene brengen” in de zin van artikel 81, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, is niet een volledige mededeling van de handeling in de formele zin des woords of de toezending van een afschrift te verstaan; volgens artikel 191, tweede alinea, van het Verdrag zijn zulke strenge voorwaarden alleen bij kennisgeving aan de geadresseerde op hun plaats; zulk een wijze van mededeling is clan een noodzakelijke voorwaarde, aan de rechtsgeldigheid der handeling gesteld. En beschikking nr. 79/187 is alleen tot de Lid-Staten gericht. Aan het feit dat de mededeling van de BALM op 29 januari 1979 is gedateerd en dat de instantie waarvan het besluit is uitgegaan, er niet op de juiste wijze in wordt omschreven, mogen geen consequenties worden verbonden: verzoekster kende de gang van zaken bij de onderhavige inschrijving zeer wei en zij kon niet de minste twijfel koesteren omtrent de aard en de draagwijdte van de omstreden beschikking. Deze overwegingen leiden tot de slotsom dat de beroepstermijn in casu is ingegaan op de dag na de kennisgeving van de beschikking aan de verzoekende vennootschap, dat wil zeggen op 6 februari 1979, zodat het 7 mei 1979 gedagtekende beroepschrift te laat werd ingediend en niet-ontvankelijkverklaring moet volgen.
b) Het beroep zou ook niet-ontvankelijk zjjn omdat verzoekster bij nietigverklaring van beschikking nr. 79/187 geen belang heeft. In het arrest, door het Hof op 6 maart 1979 gewezen in de zaak 92/78 heeft het Hof aan de firma Simmenthal een tweeledig procesbelang toegekend, ook al was er — ten faveure van andere inschrijvers — volledig uitvoering aan de beschikking gegeven, zodat zij eigenlijk zonder voorwerp was geraakt; het Hof heeft overwogen dat de firma Simmenthal bij nietigverklaring der beschikking belang was blijven houden, waarbij te denken viel aan de situatie welke vóór de afwijzing van haar aanbieding had bestaan en aan de mogelijkheid dat de Commissie aanleiding zou vinden in het inschrijvingsstelsel voor de toekomst de rechtens wenselijk te achten wijzigingen aan te brengen. Het tweede aspect komt in casu in het geheel niet aan de orde: met haar verordening nr. 1138/79 van 8 juni 1979 tot vaststelling van de hoeveelheden bevroren rundvlees voor verwerking die in het tweede en derde kwartaal van 1979 op bijzondere voorwaarden kunnen worden ingevoerd, en houdende intrekking van de verordeningen (EEG) nrs. 2900/77 en 535/79 (PB L 141, blz. 16), heeft de Commissie in de voorschriften ter uitvoering van artikel 14 van verordening nr. 805/68 de nodige wijzigingen aangebracht. Met betrekking tot het tweede aspect zij er op gewezen dat er ook bij vernietiging van beschikking nr. 79/187 op verzoeksters offerte geen acht meer kan worden geslagen, terwijl haar ook niet a posteriori een certificaat kan worden verleend voor de invoer van vlees voor verwerking met vrijstelling van de heffing; een schadevergoedingsactie, gebaseerd op de irreguliere aard van de omstreden beschikking, verband houdende met het feit dat de eraan ten grondslag liggende normatieve voorschriften van de Commissie niet rechtsgeldig zouden zijn, zou, gezien 's Hofs jurisprudentie, al evenmin kunnen worden toegewezen. De door verzoekster ter sprake gebrachte, uit het Duitse bestuursrecht bekende Folgenbeseitigungsanspruch, op ongedaanmaking van de gevolgen der handeling gericht, geldt niet voor handelingen waarbij de administratie de burger bepaalde economische of sociale voordelen toekent; zij kan slechts worden ingesteld, wanneer de verlangde administratieve handeling juridisch en praktisch mogelijk is; het ongedaanmaken van de gevolgen van een handeling mag niet tot krenking van de rechten en belangen van derden leiden. Zulk een vordering zou in casu dus zeker niet kunnen worden ingesteld.
c) Waar derhalve noch de opzet van de toekomstige regeling betreffende de invoer van voor verwerking bestemd vlees, noch de wens zich alsnog een met haar bieding overeenkomende hoeveelheid dan wel schadevergoeding te zien toegewezen, verzoekster bij vernietiging van de bestreden beschikking belang kon doen hebben, ontbreekt het haar ook aan het nodige procesbelang, zodat zij in haar beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Verzoekster acht de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond.
a) Een bekendmaking c.q. kennisgeving van de bestreden beschikking in de zin van artikel 191, tweede alinea, dan wel van artikel 173, derde alinea, van het EEG-Verdrag is achterwege gebleven. De beschikking is gedagtekend 30 januari 1979; de brief waarin de BALM verzoekster mededeelde dat er geen toewijzing kon volgen, is van 29 januari 1979; als mededeling— aan verzoekster — van een door de Commissie nog niet genomen beschikking is die brief niet te beschouwen. In de brief van de BALM d.d. 29 januari 1979 is trouwens geen sprake van een beschikking der Commissie, doch van een beschikking van het „beheerscomité voor rundvlees”; een individuele kennisgeving van de bestreden beschikking kan er derhalve niet in worden gelezen. Tenslotte verschaft de brief geen opheldering omtrent de inhoud der bestreden beschikking. De termijn waarbinnen men van een beschikking in beroep kan komen, kan pas gaan lopen nadat de tekst der beschikking of in ieder geval de wezenlijke inhoud ervan aan de verzoekende partij is medegedeeld. Een individuele kennisgeving als bedoeld in artikel 173, derde alinea, van het Verdrag, wil zeggen dat de gehele tekst der bestreden beschikking wordt medegedeeld; pas dan kan betrokkene nagaan of de beschikking deugdelijk met redenen omkleed is en of men de noodzakelijke voorstellen en adviezen recht deed wedervaren. Voormelde brief voldoet ten duidelijkste niet aan die voorwaarde, zelfs niet bij benadering; zij is ook niet van de Commissie uitgegaan. Bij gebreke van een individuele kennisgeving van de bestreden beschikking aan verzoekster, komt het alleen op de dag van plaatsing in het Publikatieblad aan. De voor die plaatsing voorgeschreven termijn is in acht genomen. Volgens artikel 81, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering is, ook al mocht de bestreden beschikking individueel ter kennis van verzoekster zijn gebracht, de daadwerkelijke plaatsing in het Publikatieblad (voorgeschreven of niet) beslissend voor de aanvang van de beroepstermijn. In zulke gevallen gaat het er maar om dat het door verzoekster in te roepen meestbegunstigingsbeginsel wordt geëerbiedigd; voor zover er door onrechtmatig handelen van de communautaire instellingen twijfel mocht lijzen met betrekking tot de dies a quo, dient die twijfel ten gunste van verzoekster te werken.
b) In het arrest van 6 maart 1979, gewezen in de zaak 92/78, is ontegenzeglijk uitgemaakt dat de bestreden beschikking niet rechtmatig is. Die vaststelling is als grondslag van verzoeksters procesbelang voldoende. Van verzoekster kan niet worden verwacht, dat zij er genoegen mee neemt dat een haar rechtstreeks en individueel rakende onrechtmatige beschikking gehandhaafd blijft. Voor de deelneming aan de inschrijving voor het eerste kwartaal 1979 bevindt verzoekster zich in dezelfde situatie als de vennootschap Simmenthal in de zaak 92/78, en het Hof erkende Simmenthal's procesbelang. Voorzover de Commissie ertoe zou moeten worden gebracht de consequenties van haar onrechtmatig handelen zo goed mogelijk ongedaan te maken, zou er aan verzoeksters zijde ongetwijfeld van een procesbelang gesproken mogen worden. Een „herstel” in de vorige toestand als bedoeld in 's Hofs arrest van 6 maart 1979, is in het Duitse bestuursrecht bekend onder de naam „Folgenbeseitigungsanspruch”. Zulk een aktie is gericht op restitutie in natura c.q., bij onmogelijkheid van zulk een restitutie, op schadeloosstelling. Het gaat daarbij niet om de vergoeding van de totale schade; alleen de geleden verliezen moeten worden goedgemaakt. Met een schadevergoedingsaktie is zulk een vordering derhalve niet gelijk te stellen. Hoe zulk een schadeloosstelling er in concreto moet uitzien en welk resultaat men zich in casu van zulk een aktie voorstelt, zijn vragen die in een latere procedure aan de orde moeten komen. Bij een beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep kan niet op die latere procedure worden vooruitgelopen; de principiële of zelfs feitelijke mogelijkheid van zulk een vordering biedt voldoende grondslag voor verzoeksters procesbelang. Hetzelfde geldt voor schadevergoedingsakties die verzoekster tegen de Commissie mocht willen instellen.
B — De zaak ten principale
Verzoekster stelt vast dat aan de beschikking nr. 89/187 dezelfde gebreken kleven als aan beschikking nr. 78/258 van de Commissie van 15 februari 1978, die het Hof in zijn arrest van 6 maart 1979, gewezen in de zaak 92/78, nietigverklaarde. Zij verklaart zich volkomen met de overwegingen van dat arrest, evenals met de argumenten, door de firma Simmenthal bij de behandeling van die zaak voorgedragen, te verenigen.
a) De Commissie verklaarde het beroep, voorzover het betreft verzoeksters offerte voor het in Duitsland opgeslagen vlees, gegrond te achten. Voorzover zij het bezwaar opwierp dat die offerte behoorde tot de zes laagste aanbiedingen in de betrokken categorie, zij daartegenover opgemerkt dat het Hof in zijn arrest van 6 maart 1979 heeft overwogen dat de in het kader van de inschrijvingen vastgestelde minimumprijs een niveau had bereikt dat ten duidelijkste was gelegen boven de prijs waartegen vlees uit de interventievoorraden normaliter verkocht werd, hetgeen als een schending van artikel 14 van verordening nr. 805/68 zou zijn te beschouwen. Dat verzoekster prijzen had geboden, gelegen boven het prijsniveau, vastgesteld in het kader van procedures met prijsprefixatie, betekende op zichzelf reeds dat verzoeksters offertes hadden moeten worden aanvaard.
b) Met betrekking tot de offertes voor in Denemarken opgeslagen vlees, zij erop gewezen dat alleen al hun opslag bij het Duitse interventiebureau medebrengt dat de Commissie voor hetgeen ermede gebeurde aansprakelijk is te stellen. Voorzover er bij hun doorzending fouten mochten zijn begaan, blijft de bestreden beschikking onverminderd ook voor verzoeksters offertes betreffende in Denemarken opgeslagen vlees gelden; in zoverre kan zelfs worden gezegd dat er aan de beschikking nog een fout kleeft.
De Commissie is van mening dat het beroep in ieder geval voor de offertes betreffende het in Denemarken opgeslagen vlees, dat wil zeggen voor het grootste gedeelte van die offertes, niet gegrond is.
a) Ofschoon op de juiste wijze bij het Duitse interventiebureau ingediend, zijn verzoeksters vijf biedingen abusievelijk niet, als offertes betreffende in Denemarken opgeslagen vlees van het Duitse interventiebureau, naar de Commissie doorgezonden. Overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 1805/77 van de Commissie van 4 augustus 1977 houdende bijzondere bepalingen in de sector rundvlees inzake de toepassing van verordening (EEG) nr. 1055/77 betreffende de opslag en het verkeer van door interventiebureaus opgeslagen produkten (PB L 198, biz. 19) en punt 8 van het algemeen bericht van periodieke inschrijvingen d.d. 13 januari 1978, zou de minimumverkoopprijs per Lid-Staat worden vastgesteld; verzoeksters offertes betreffende in Denemarken opgeslagen vlees zouden dus, voorzover dat vlees betreft, niet het voorwerp van de bestreden beschikking hebben uitgemaakt. Waar zij haar biedingen niet betrof, kan die beschikking verzoekster ook niet bezwaren. Fouten door het Duitse interventiebureau bij het doorzenden van verzoeksters biedingen begaan, kunnen, gezien de wijze waarop de bevoegdheden tussen de Lid-Staten en de gezagsorganen der Lid-Staten verdeeld zijn, niet tot nietigverklaring van de bestreden beschikking leiden.
b) Voorzover het gaat om verzoeksters offerte voor in Duitsland opgeslagen interventievlees, zou het beroep, gezien de rechtsoverwegingen van het arrest, door het Hof op 6 maart 1979 gewezen in de zaak 92/78, gegrond moeten worden verklaard. Aan zulk een uitspraak zouden evenwel voor verzoekster geen verdere rechtsgevolgen verbonden zijn: haar aanbieding behoorde tot de zes laagste offertes in de betrokken categorie, terwijl 35 aanbiedingen welke, omdat zij beneden de vastgestelde minimumprijs bleven ook niet in aanmerking werden genomen, nog altijd boven verzoeksters offerte lagen. Haar offerte had dus in geen geval in aanmerking kunnen worden genomen.
In het arrest van 6 maart 1979 staat nergens te lezen, dat de Commissie ieder aanbod dat de in geval van prefixatie berekende prijzen teboven gaat, in aanmerking moet nemen.
V — Schriftelijke antwoorden, op door het Hof gestelde vragen gegeven
Verzoekster heeft met betrekking tot het in Denemarken opgeslagen vlees van het Duitse interventiebureau betoogd dat de voorraden door de offerte van de enige andere inschrijver niet waren uitgeput en dal haar eigen, boven de „déstockage” prijzen gelegen offertes in aanmerking hadden moeten worden genomen.
Verzoekster zou met haar offerte voor in Duitslang opgeslagen vlees pas in de 71e plaats aan de beurt zijn geweest, maar volgens de beginselen welke het Hof in de zaak 92/78 heeft ontwikkeld, hadden de eerste 69 offertes niet in aanmerking mogen worden genomen, omdat zij niet van de verwerkende industrie afkomstig waren. Verzoekster zou met haar aanbieding dus de tweede plaats hebben ingenomen, en omdat haar offerte ruimschoots boven de „déstockage”-prijs was gelegen, had zij moeten worden aanvaard.
De Commissie wijst erop dat in het eerste kwartaal van 1979 voor verkopen tegen geprefixeerde prijzen van rundvlees, opgeslagen bij het Duitse interventiebureau, de prijzen golden, vastgesteld in bijlage I van verordening nr. 83/79 van de Commissie van 17 januari 1979 tot vaststelling van een latere overnamedatum voor het rundvlees dat door de interventiebureaus krachtens de verordeningen (EEG) nrs. 2073/74 en 1027/78 wordt verkocht en tot wijziging van sommige verkoopprijzen (PB L 13, biz. 10), te weten voor stieren A 132,503 rekeneenheden en voor vaarzen A 130,556 rekeneenheden per 100 kg.
VI — Mondelinge behandeling
De vennootschap Könecke, vertegenwoordigd door de advocaat K. Landry, en de Commissie, vertegenwoordigd door J. Sack, zijn gehoord — en hebben door het Hof gestelde vragen beantwoord — ter terechtzitting van 13 december 1979.
De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 31 januari 1980 conclusie genomen.
In rechte
Bij beroepschrift van 7 mei 1979, ingediend krachtens artikel 173, tweede alinea, van het EEG-Verdrag vordert verzoekster de vernietiging van beschikking nr. 79/187 van de Commissie van 30 januari 1979 tot vaststelling van de minimumverkoopprijzen voor bevroren rundvlees dat door de interventiebureaus te koop is aangeboden op grond van verordening (EEG) nr. 2900/77 en van de hoeveelheden bevroren rundvlees voor verwerking die in het eerste kwartaal van 1979 op bijzondere voorwaarden mogen worden ingevoerd (PB L 41, biz. 49).
Als onweersproken staat vast dat verzoekster op 9 januari 1979 naar aanleiding van het bericht van inschrijving nr. D P 5, geplaatst in het Publikatieblad van 23 december 1978 (C 308, blz. 29), vijf biedingen van elk 20 ton heeft ingediend, waarvan de eerste een partij in de Bondsrepubliek Duitsland opgeslagen vlees, de vier andere een partij in Denemarken opgeslagen vlees betroffen. Bij brief van de Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung d.d. 29 januari 1979 werd verzoekster medegedeeld dat het beheerscomité „rundvlees” had besloten haar offerte niet te aanvaarden.
Blijkens de ten processe ingewonnen inlichtingen was alleen de eerste voornoemde offerte regulier aan de Commissie doorgezonden; de vier laatstgenoemde offertes, betreffende het in Denemarken opgeslagen vlees, waren door het Duitse interventiebureau niet gescheiden gehouden van de offertes betreffende het in Duitsland opgeslagen vlees, zodat zij door de Commissie bij de vaststelling van de minimumprijs voor de verkoop van het in Denemarken opgeslagen vlees niet in aanmerking konden worden genomen. De offerte die door de Commissie regulier in aanmerking was genomen, werd terzijde gelegd omdat de door verzoekster geboden prijs lag beneden het minimum dat voor bedoelde partij vlees werd aangehouden. Blijkens de lijst die aan de omstreden beschikking ten grondslag ligt, waren er voor de partij vlees waarvoor verzoekster had ingeschreven, in totaal 76 offertes ontvangen, waarvan de laatste 35 in aanmerking werden genomen, terwijl de minimumprijs 1831 RE/t bedroeg; verzoekster nam met haar offerte de 71e plaats in; haar aanbodsprijs bedroeg 1687 RE/t.
Verzoekster meent dat aan de aangevochten beschikking rechtens dezelfde gebreken kleven als aan de beschikking die door het Hof in zijn op 6 maart 1979 gewezen arrest 92/78 ten verzoeke van de vennootschap Simmenthal werd nietigverklaard (Jurispr. blz. 777), zodat zij thans nietigverklaring van eerstbedoelde beschikking vordert. Om niet in herhalingen te vervallen, heeft verzoekster gerefereerd aan de argumenten, door de vennootschap Simmenthal in de zaak 92/78 voorgedragen en aan de overwegingen van het in die zaak gewezen arrest.
Tegen deze vordering heeft de Commissie een aantal middelen, zowel de ontvankelijkheid van het beroep als de zaak ten principale betreffende, opgeworpen.
De ontvankelijkheid
Op grond van haar opvatting dat de aangevochten beschikking jegens verzoekster effect is gaan sorteren als gevolg van de haar op 29 januari 1979 door het Duitse interventiebureau gezonden kennisgeving, is de Commissie van mening dat het beroep na het verstrijken van de termijn, in artikel 173, derde alinea, gesteld, is ingediend. Daarentegen stelt verzoekster zich op het standpunt dat zij haar beroep nog heeft ingediend binnen de termijn, die met de plaatsing der omstreden beschikking in het Publikatieblad van 16 februari 1979 is ingegaan.
Het door de Commissie ten exceptieve gevoerde betoog dat het beroep te laat zou zijn ingesteld, moet worden verworpen. Het is gericht tegen de beschikking nr. 79/187 van de Commissie, die 30 januari 1979 gedateerd is. De mededeling die het Duitse interventiebureau verzoekster één dag voor de beschikking, op grondslag van door het beheerscomité „rundvlees” ingewonnen gegevens deed toekomen, kan niet als een kennisgeving van de beschikking zelve worden beschouwd. Behalve de mededeling dat de offerte niet in aanmerking was genomen, stonden er geen gegevens in die verzoekster in staat stelden de aard der genomen beslissing te achterhalen of haar uitsluitsel gaven omtrent de inhoud der beschikking — zodat zij met vrucht van haar beroepsrecht gebruik kon maken —. Waar de omstreden beschikking in het Publikatieblad van 16 februari 1979 werd geplaatst, moet het beroep, gezien artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering, als tijdig ingediend worden beschouwd.
In de tweede plaats heeft de Commissie betoogd dat verzoekster bij haar vordering geen belang zou hebben, omdat zij met het beroep op zichzelf niets kon bereiken. Aangezien de inschrijvingsprocedure definitief was afgesloten, had de Commissie aan verzoekster, zelfs bij een gunstige uitslag van het geding, geen genoegdoening kunnen verschaffen.
Met dit exceptieve verweer miskent de Commissie de verplichting welke artikel 176 van het Verdrag haar in geval van vernietiging van een harer handelingen oplegt. Volgens deze bepaling is de instelling waarvan zulk een handeling is uitgegaan, „gehouden de maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.” Ook al mocht de nakoming dezer verplichting door omstandigheden onmogelijk blijken te zijn, dan nog behoudt betrokkene belang bij het instellen van een op vernietiging gericht beroep, omdat het de grondslag voor een aansprakelijkheidsaktie zou kunnen opleveren.
Tenslotte heeft de Commissie betoogd dat het beroep, wat betreft de vier offertes voor in Denemarken opgeslagen vlees, zonder voorwerp zou zijn geraakt. Die offertes zouden door het Duitse interventiebureau niet regulier ter kennis van de Commissie zijn gebracht, zodat de aangevochten beschikking er geen betrekking op had; het zou ten processe derhalve alleen gaan om verzoeksters eerste offerte, betrekking hebbende op in de Bondsrepubliek Duitsland opgeslagen vlees.
Deze tegenwerping van de Commissie kan niet worden aanvaard en het doet weinig terzake of zij de ontvankelijkheid dan wel de gegrondheid van het beroep betreft. De vijf offertes zijn door verzoekster regulier bij het bevoegde interventiebureau ingediend. Een vergissing, begaan toen de offertes door het interventiebureau aan de Commissie werden toegeleid, kan derhalve niet aan verzoekster worden toegerekend. Alle door verzoekster gedane offertes moeten derhalve worden geacht het voorwerp van de omstreden beschikking en van het onderhavig beroep te vormen.
Ten principale
Beschikking nr. 79/187 van de Commissie is rechtens in ieder opzicht identiek aan beschikking nr. 78/258, die de inzet heeft gevormd van het op 6 maart 1979 gewezen arrest. Op de in dat arrest genoemde gronden zal derhalve ook beschikking nr. 79/187 moeten worden vernietigd, zij het alleen voorzover daarin, wat de vijf omstreden biedingen betreft, ten aanzien van verzoekster een bijzondere, afwijzende, beslissing besloten lag.
Het ligt derhalve op de weg der Commissie om, krachtens artikel 176, eerste alinea, van het Verdrag, de bijzondere situatie van verzoekster te bestuderen en te haren aanzien, door tussenkomst van het bevoegde interventiebureau, opnieuw te beslissen.
Zoals de Commissie heeft betoogd, zou aan herstel in vorige toestand in casu een bijzondere moeilijkheid verbonden zijn omdat, anders dan het geval was in de zaak waarin het Hof bij zijn op 6 maart 1979 gewezen arrest nr. 92/78 uitspraak deed, de biedingen van verzoekster de prijs te boven gingen welke destijds bij verkoop uit interventievoorraden in den regel werd berekend. In het arrest van 6 maart 1979 heeft het Hof overwogen dat het bij artikel 14 (nieuw) van verordening nr. 805/68 ingevoerde systeem er in geen geval toe mag leiden dat aan de verwerkende industrie de mogelijkheid wordt verzekerd interventievlees te kopen tegen een lagere prijs dan bij verkoop uit interventievoorraden in den regel wordt berekend; er ligt niet in besloten dat een bieding op of boven het niveau van die prijs er ten faveure van de bieder automatisch toe behoort te leiden dat de bijzondere regeling welke door de aangehaalde bepaling in het leven werd geroepen, op hem van toepassing wordt.
De Commissie zal derhalve allereerst dienen na te gaan of verzoeksters offertes in het kader van een toewijzingsregime dat de toets van het arrest van 6 maart 1979 kon doorstaan, gunstig hadden kunnen worden gerangschikt. Mocht de Commissie van mening zijn dat dit het geval zou zijn geweest, dan zal zij krachtens artikel 176 van het Verdrag ten aanzien van verzoeker en met eerbiediging van de grondbeginselen der thans voor het beheer van de rundvleesmarkt geldende regeling, een beslissing hebben te nemen welke verzoekster redelijkerwijs compensatie kan bieden voor het nadeel dat voor haar uit de vernietigde beschikking is voortgevloeid.
Kosten
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen.
Verweerder is in het ongelijk gesteld en moet derhalve in de kosten worden veroordeeld.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende :
1. Vernietigt beschikking nr. 79/187 van de Commissie van 30 januari 1979 tot vaststelling van de minimumverkoopprijzen voor door de interventiebureaus krachtens verordening nr. 2900/77 te koop aangeboden bevroren rundvlees en van de hoeveelheden bevroren rundvlees voor verwerking die in het eerste kwartaal van 1979 op bijzondere voorwaarden mogen worden ingevoerd, ten aanzien van verzoekster.
2. Veroordeelt de Commissie in de kosten van het geding.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
9Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat70/8313.12.1983