---
title: "HvJ EU, 76/76, arrest van 17 februari 1977 · Verordening 1408/71 art. 67, EEG-Verdrag art. 177"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 1977, 76/76: verordening 1408/71 art. 67, EEG-Verdrag art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-76-76-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-76-76-arret"
---

# Arrest van het Hof van 17 februari 1977, 76/76 · Verordening 1408/71 art. 67, EEG-Verdrag art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

76/76

**ECLI**

ECLI:EU:C:1977:32

**Datum**

17 februari 1977

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Cour de cassation, 3e chambre (België) beslissing van 16 juni 1976 5418

**Advocaat-generaal**

Capotorti

**Nationale beslissing na het arrest**

Cour de cassation, 3e chambre beslissing van 19 september 1977 5418 ; Cour du travail de Mons, 6e chambre beslissing van 23 november 1979 3517

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1977, blz. 315

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Mackenzie Stuart

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Vrij verkeer van personen en diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04%2C578-4.04) [Sociale Zekerheid van werknemers](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06) [Werkloosheid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06.07) [Werklozen die tijdens hun laatste betrekking in een andere Lid-Staat woonachtig waren](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06.07.02) 2 beslissingen

## Tekst

78 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat het verwijzingsarrest en de krachtens artikel 20 van het protocol betreffende 's Hofs statuut (EEG) ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

Di Paolo, van Italiaanse nationaliteit en in Italië geboren, vestigde zich in 1965 met haar ouders in België. Tot juni 1972 volgde zij lager en hoger technisch secundair onderwijs, afdeling handel, respectievelijk afdeling secretariaat en Engelse taal. Van september 1972 tot eind juli 1973 verbleef zij in het Verenigd Koninkrijk, waar zij van 11. 9. 1972 tot 29. 7. 1973 in loondienst werkzaam was in een ziekenhuis. Toen zij na haar terugkeer bij haar ouders in België geen werk kon vinden, diende zij op 5 oktober 1973 bij de Belgische Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een aanvraag in om een werkloosheidsuitkering. Bij beschikking van de Rijksdienst van 12 februari 1974 werd deze aanvraag afgewezen op grond dat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarde van het Koninklijk Besluit van 20 december 1973, dat wil zeggen dat zij gedurende de tien maanden voorafgaande aan de indiening van de aanvraag niet het aantal arbeidsdagen had vervuld dat volgens de Belgische wettelijke regeling voor toekenning van werkloosheidsuitkering is vereist.

Zich beroepend op artikel 67, lid 1, van verordening 1408/71 (betreffende samentelling van verzekerings- of arbeidstijdvakken met het oog op het verkrijgen van recht op werkloosheidsuitkering) stelde Di Paolo bij de Arbeidsrechtbank te Brussel beroep in tegen de beschikking van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De Arbeidsrechtbank stelde vast dat verzoekster van 11 september 1972 tot 29 juli 1973 in het Verenigd Koninkrijk werkzaam was geweest en dat zij viel onder de uitzondering van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening 1408/71, en besliste bij vonnis van 28 oktober 1974 dat Di Paolo krachtens artikel 67, lid 1, dier verordening recht had op werkloosheidsuitkering met ingang van de dag waarop zij de aanvraag had ingediend. Het hoger beroep van dit vonnis, ingesteld door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, werd bij arrest van het Arbeidshof te Brussel van 19 juni 1975 gegrond verklaard, zulks met de overweging dat Di Paolo niet behoorde tot de groepen van werknemers, buiten seizoenarbeiders, waarop artikel 71, lid 1, sub bii, van toepassing is overeenkomstig besluit nr. 94 van de Administratieve commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers van 24 januari 1974 (PB 1974, C 126, blz. 22).

Di Paolo voorzag zich vervolgens in cassatie, daarbij als middel aanvoerende dat zij, waar zij gedurende haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk haar woonplaats in België had behouden en daarna naar België was teruggekeerd, aanspraak had op toepassing van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening 1408/71, alsmede op werkloosheidsuitkering overeenkomstig de Belgische wettelijke regeling, en dat wegens het niet bindend zijn van de besluiten van de Administratieve commissie het bestreden arrest bij de toepassing van artikel 71, lid 1, sub b-ii, geen rekening behoefde te houden met de beperkingen vermeld in besluit nr. 94 van de Administratieve commissie, daar deze beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van genoemd artikel 71, althans uit die bepalingen niet kunnen worden afgeleid.

##### Het relevante gemeenschapsrecht

Ten aanzien van werkloosheidsuitkeringen bepaalt artikel 67, lid 1, van verordening 1408/71 dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, voor zover nodig rekening houdt met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid.

Volgens lid 3 wordt, met uitzondering van de in artikel 71, lid 1, sub a-ii en sub b-ii, bedoelde gevallen, toepassing van de leden 1 en 2 afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk (…) tijdvakken van verzekering (…) heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd.

Artikel 69 noemt de voorwaarden en beperkingen waaronder de werknemer die in een Lid-Staat recht heeft op werkloosheidsuitkering, zich naar een andere Lid-Staat kan begeven om er werk te zoeken, waarbij hij gedurende drie maanden recht behoudt op uitkering in de bevoegde Staat.

Artikel 70 bepaalt dat de uitkering in dat geval wordt verleend door het orgaan van elk der Staten op het grondgebied waarvan de werkloze werk gaat zoeken, doch dat die uitkering ten laste blijft van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer tijdens zijn laatste werkzaamheden onderworpen is geweest.

Artikel 71, waarvan de draagwijdte thans in geding is, bevat enkele uitzonderingsbepalingen; het bepaalt dat de werkloze die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woonde, recht heeft op uitkering overeenkomstig de volgende bepalingen:

a-i en a-ii hebben betrekking op grensarbeiders. Daarentegen bepaalt b-ii:

„een werknemer die geen grensarbeider is, volledig werkloos is en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de Lid-Staat waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van deze Staat, alsof hij zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied daarvan had uitgeoefend; deze uitkering wordt door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend. Indien deze werknemer evenwel in het genot van uitkering werd gesteld voor rekening van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij het laatst onderworpen was, heeft hij recht op uitkering overeenkomstig artikel 69. De uitkering volgens de wettelijke regeling van de Staat op het grondgebied waarvan hij woont, wordt geschorst gedurende het tijdvak waarin de werkloze op grond van artikel 69 aanspraak kan maken op uitkering krachtens de wettelijke regeling waaraan hij het laatst onderworpen was.”

De Administratieve commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers heeft deze bepaling uitgelegd als volgt:

Behalve op seizoenarbeiders is artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening (EEG) 1408/71 van toepassing op: werknemers bij het internationale vervoer, als bedoeld in artikel 14, lid 1, sub b, werknemers die niet bij het internationale vervoer werkzaam zijn en hun werkzaamheden op het grondgebied van twee of meer Lid-Staten plegen uit te oefenen, als bedoeld in artikel 14, lid 1, sub c, werknemers werkzaam bij een grensonderneming, als bedoeld in artikel 14, lid 1, sub d, wanneer zij op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat wonen.”

##### Prejudiciële vraag en procesverloop

Overwegende dat het middel waarbij het besluit van de Administratieve commissie werd aangevallen, een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht aan de orde stelde, besloot het Belgische Hof van Cassatie bij arrest van 16 juni 1976 het geding te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vraag voor te leggen:

„Welke zin en strekking moet in artikel 71, lid 1, sub b-ii, van s Raads verordening (EEG) 1408/71 worden toegekend aan de zinsnede, waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert', inzonderheid met betrekking tot de termen, woonplaats' en, terugkeer naar het grondgebied'; welke criteria gelden hiervoor en op welk ogenblik moeten de voorwaarden van woonplaats en terugkeer naar het grondgebied zijn vervuld?”

Krachtens artikel 20 van het protocol betreffende 's Hofs statuut (EEG) zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door eiseres in cassatie Di Paolo, die Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Samenvatting van de schriftelijke opmerkingen

##### Opmerkingen van eiseres in cassatie

Eiseres in cassatie („eiseres”) meent dat de Administratieve commissie door het toepassingsgebied van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening 1408/71 tot bepaalde groepen van werknemers te beperken, deze bepaling op restrictieve en met het doel ervan onverenigbare wijze heeft uitgelegd. Blijkens het opschrift boven artikel 71 en de letter van het artikel zelf is dit van toepassing op andere werknemers dan grensarbeiders:

die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woonden, of die naar hun land van woonplaats terugkeren na in een andere Lid-Staat werkzaam te zijn geweest;

b) die ingevolge de wettelijke regeling van het land waar zij laatstelijk werkzaam waren, geen recht hebben op werkloosheidsuitkeringen overeenkomstig artikel 69 der verordening.”

Volgens artikel 84, lid 2, van toepassingsverordening 574/72 is de werkloze „om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 71, lid 1, sub b-ii, (…) verplicht om, behalve de in artikel 80 van de toepassingsverordening bedoelde verklaring, aan het orgaan van zijn woonplaats een verklaring over te leggen van het orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij laatstelijk onderworpen is geweest, waaruit blijkt dat hij geen recht heeft op uitkering krachtens artikel 69 van de verordening”. Het is duidelijk dat deze bepaling reeds een beperking van recht bevat, voor zover de werknemer wordt verplicht eerst zijn aanspraken onder de wettelijke regeling van de Staat waar hij laatstelijk werkzaam is geweest, geldend te maken. Eiseres begrijpt daarom niet waarom het artikel uitsluitend op grens- en seizoenarbeiders en werknemers in het internationale vervoer van toepassing zou moeten zijn.

Een andere voorwaarde waaraan de in artikel 71, lid 1, sub b-ii, bedoelde werknemer moet voldoen om voor werkloosheidsuitkering in aanmerking te komen, is dat hij woont op het grondgebied van de Staat waar hij als werkzoekende staat ingeschreven. Hij moet daar niet slechts werkelijk wonen op het moment waarop hij werkloosheidsuitkering aanvraagt, maar er ook zijn woonplaats hebben behouden tijdens zijn laatste werkzaamheden in een andere Staat.

Volgens artikel 1, sub h, van verordening 1408/71 wordt onder „woonplaats” verstaan de „normale verblijfplaats” van de werknemer. Deze omschrijving is wel erg vaag. Voor een juiste toepassing van artikel 71 zou men volgens eiseres het begrip „woonplaats” zo ver moeten uitbreiden, dat het ook de plaats omvat waar de migrerende werknemer tijdens zijn verblijf in een andere Staat het centrum van zijn belangen en zaken heeft of behoudt. De zinswending „of die naar dit grondgebied terugkeert” (sub b-ii) lijkt erop te duiden dat het in werkelijkheid gaat om het domicilie van de werknemer en zijn gezinsleden.

Eiseres komt tot de conclusie dat de gemeenschapswetgever met artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening 1408/71 de migrerende werknemers de toekenning van werkloosheidsuitkering overeenkomstig de wettelijke regeling van het land hunner woonplaats heeft willen waarborgen, voor het geval zij daarop geen aanspraak hebben krachtens de wetgeving van het land waar zij laatstelijk werkzaam zijn geweest.

Zij stelt mitsdien voor de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:

„Artikel 71, lid 1, sub b-ii, van s Raads verordening 1408/71 is van toepassing op werkloze werknemers, niet zijnde grensof seizoenarbeiders, die ingevolge artikel 69 der verordening geen recht hebben op werkloosheidsuitkering krachtens de regeling van het land hunner laatste werkzaamheid en zich ter beschikking stellen van de diensten voor arbeidsbemiddeling van het land op het grondgebied waarvan zij op het tijdstip van de aanvraag om werkloosheidsuitkering werkelijk wonen, wanneer zij tijdens hun laatste werkzaamheid op het grondgebied van een andere Staat daar woonplaats hebben behouden.

De uitkering wordt toegekend door het bevoegde orgaan van de woonplaats overeenkomstig de voorwaarden en beperkingen van de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling; bij de vaststelling van het recht wordt, voor zover nodig, rekening gehouden met de tijdvakken van werkzaamheid of verzekering die de betrokken werknemer in het land zijner laatste werkzaamheid heeft vervuld.”

##### Opmerkingen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening

Artikel 71, lid 1, sub b-ii, vormt een uitzondering op de algemene regel van artikel 67, lid 3. Bij lezing van het artikel lijkt het op het eerste gezicht voor het verkrijgen van recht op werkloosheidsuitkering voldoende dat de betrokkene zich op het grondgebied van gelijk welke Lid-Staat vestigt en zich er ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling. Zo een letterlijke interpretatie is echter niet aanvaardbaar. Het toepassingsgebied van de uitzonderingsregel zou daardoor zo ver worden uitgebreid, dat het algemene beginsel van artikel 67, lid 3, betreffende de samentelling van prestaties elke betekenis verliest.

Gegeven de schijnbare tegenstrijdigheid van deze twee artikelen, heeft de Administratieve commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers de uitzonderingsregel zo uitgelegd, dat het algemene beginsel kon worden gesauveerd.

De opvatting van de Administratieve commissie is geenszins in strijd met de omschrijving van woonplaats in 's Hofs arrest in de zaak-Angénieux (Jurispr. 1973, blz. 935). Die omschrijving had betrekking op het geval bedoeld in artikel 13, sub c, van verordening nr. 3, dat wil zeggen wanneer de werknemer werkzaam is op het grondgebied van verschillende Lid-Staten.

Nu in het onderhavige geval eiseres evenwel slechts in één Lid-Staat heeft gewerkt en ook niet behoort tot de categorieën werknemers die limitatief zijn genoemd in besluit nr. 94, mag men het toepassingsgebied van artikel 71, lid 1, sub b-ii, niet via een al te ruime uitlegging van het begrip woonplaats uitbreiden tot alle werknemers die een min of meer vaste betrekking hebben in een Lid-Staat en hun gezinsleden in het land van herkomst achterlaten.

De omstandigheid dat de besluiten van de Administratieve commissie rechtens niet bindend zijn, betekent geenszins dat de nationale rechterlijke instanties en het Hof van Justitie zich niet bij de daarin vervatte, uitermate gezaghebbende interpretaties kunnen aansluiten.

Het gaat daarbij immers om adviezen van bijzonder gewicht, zowel vanwege de deskundigheid van de leden der Administratieve commissie als vanwege het feit dat die adviezen met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld (zie conclusie van advocaat-generaal Gand in zaak 19/67, Sociale Verzekeringsbank t. Van der Vecht, Jurispr. 1967, blz. 433).

De interpretatie van de Administratieve commissie heeft immers het voordeel dat zij rekening houdt met het uitzonderingskarakter van het artikel ten opzichte van de algemene regel van artikel 67, en aldus een bijdrage levert aan de rechtszekerheid.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelt derhalve het Hof voor de prejudiciele vraag te beantwoorden als volgt:

„Wanneer een werknemer werkzaamheden verricht die hem, zoals in casu, normaal aan het grondgebied van één Lid-Staat binden, moet onder, woonplaats' in de zin van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening 1408/71 worden verstaan de plaats waar hij vrijwillig en op duurzame wijze het centrum van zijn werkzaamheden heeft gevestigd.”

##### Opmerkingen van de Commissie

De Commissie wijst erop dat de besluiten van de Administratieve commissie niet meer zijn dan adviezen, die de rechter niet binden. Binnen de Administratieve commissie waren meningsverschillen aan de dag getreden ten aanzien van de vraag voor welke groepen van werknemers de betrokken bepaling gold.

Gezien de indicatieve aard van de besluiten, is de Commissie van mening dat de lijst van categorieën werknemers, die in besluit nr. 94 is opgenomen, niet als limitatief is te beschouwen. Er zijn immers stellig werknemers die, ofschoon tot geen de genoemde categorieën behorend, toch voldoen aan de criteria van artikel 71, lid 1, sub b-ii.

Artikel 71 is een uitzondering op de algemene regel, zowel wat de samentelling van tijdvakken als wat de betaling van uitkeringen betreft. Doel van de bepaling is de werkloze ten laste te doen komen van het land zijner woonplaats zonder dat hij daarmee een verzekeringsbinding heeft. Dit veronderstelt dus dat er andere bindingen bestaan tussen de werknemer en het land van zijn woonplaats, in elk geval bindingen die in het algemeen nauwer zijn dan die tussen de migrerende werknemer en zijn land van herkomst.

Ware artikel 71 niet als een regeling voor uitzonderlijke gevallen te beschouwen, dan zou artikel 69 geheel zonder betekenis zijn, gelet op de voorwaarden die het voor de export van uitkeringen stelt. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de in artikel 71, lid 1, sub b-ii, bedoelde werknemers eerst onder de algemene regel van artikel 69 vallen en na de daarin bepaalde termijn van drie maanden hun recht op werkloosheidsuitkering behouden, maar nu krachtens de wetgeving van het land hunner woonplaats. Vergeleken met alle andere werknemers is dit een zeer groot voordeel, dat slechts zijn rechtvaardiging vindt in de zeer bijzondere situatie van de werknemer die de gemeenschapswetgever bij artikel 71, lid 1, sub b-ii, voor ogen had. Hieruit volgt dat de in besluit nr. 94 opgenomen lijst van categorieën werknemers die voor toepassing van bepaling in aanmerking komen, niet limitatief is, doch evenals de considerans van het besluit waardevolle aanwijzingen kan geven omtrent de kring van personen die onder genoemd artikel kunnen vallen.

Bepalend voor de toepassing van artikel 71 is het feit dat de betrokkene in een andere Lid-Staat woont dan die aan de wetgeving waarvan hij tijdens zijn laatste werkzaamheden was onderworpen.

Wel kan worden gezegd dat de meeste migrerende werknemers domicilie hebben in een andere Lid-Staat dan die waarin zij werken, en ook het centrum van hun. belangen in een andere Lid-Staat hebben omdat hun gezin daar woont en zij zelf met regelmatige tussenpozen naar die Staat terugkeren, tussenpozen echter die te lang zijn om hen als grensarbeiders te kunnen aanmerken. Hoewel niet zonder betekenis, zijn deze criteria dus niet beslissend.

Een ander gegeven dat in aanmerking kan komen, is de duur van het verblijf. Een kort verblijf in het land van tewerkstelling is een van de kenmerken van alle in besluit nr. 94 genoemde categorieën werknemers. Uit een kort verblijf in een Lid-Staat kan echter niet automatisch worden afgeleid dat de werknemer zijn woonplaats in een andere Staat heeft behouden. Er moet derhalve naar andere feitelijke factoren worden gezocht waaruit blijkt van een sterke binding met het land waar zich de normale verblijfplaats bevindt. Het belang van deze factoren, zoals een zekere bestendigheid, continuïteit ondanks periodieke onderbrekingen, een op dat verblijf gerichte intentie en de uiterlijke tekenen daarvan, moet van geval tot geval worden beoordeeld om te kunnen uitmaken of er inderdaad sprake is van een „normale” binding met dat land, zulks mede gelet op de aard van betrokkenes werkzaamheden (zie conclusie van advocaat-generaal Trabucchi in zaak 13/73, Angénieux, Jurispr. 1973, blz. 935).

Ten aanzien van de term „terugkeer” en het in artikel 71, lid 1, sub b-ii, gemaakte onderscheid tussen werknemers die zich ter beschikking stellen van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de Staat hunner woonplaats, en de werknemers die naar het grondgebied van die Staat terugkeren, dient men te bedenken dat dit onderscheid betrekking heeft op twee verschillende situaties, die eveneens onder artikel 71 vallen.

In het eerste geval gaat het om werknemers die zoals seizoenarbeiders, gedetacheerden of ook zoals Di Paolo de Lid-Staat hunner woonplaats verlaten om gedurende een bepaalde tijd in een andere Staat te werken, en waarvan men gezien hun korte verblijf in het buitenland 'kan zeggen dat zij terugkeren naar het grondgebied van de Staat waar zij wonen. De tweede situatie is die van bij voorbeeld grensarbeiders, werknemers bij het internationale vervoer en handelsagenten die na korte tijd telkens terugkeren naar het land waar zij wonen, zodat zij niet geacht kunnen worden het ooit te hebben verlaten en in wier geval er dus ook niet van terugkeer kan worden gesproken.

De Commissie stelt voor de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:

„Om met het oog op toepassing van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening 1408/71 vast te stellen of een werknemer die naar de Lid-Staat zijner woonplaats terugkeert na korte tijd in een andere Lid-Staat werkzaam te zijn geweest, zijn woonplaats op het grondgebied van eerstgenoemde Staat heeft behouden, dient men niet slechts te zien naar de duur van zijn tijdelijk verblijf in de Lid-Staat van tewerkstelling, doch ook naar de duur en bestendigheid van de woonplaats in eerstgenoemde Staat alsmede naar alle persoonlijke en professionele factoren van feitelijke aard, die op een duurzame relatie tussen de werknemer en die Staat wijzen, met name de intentie om daar woonplaats te hebben.”

Overwegende dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door M.-J. Jonczy als gemachtigde, ter terechtzitting van 9 december 1976, mondelinge opmerkingen heeft gemaakt;

Overwegende dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 januari 1976 conclusie heeft genomen;

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat het Belgische Hof van Cassatie bij arrest van 16 juni 1976, ingekomen ten Hove op 28 juli daaropvolgende, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag heeft gesteld betreffende de uitlegging van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening (EEG) 1408/71 (PB 1971, L 149);

2. dat deze vraag is gerezen in het kader van een geschil over het recht op werkloosheidsuitkering overeenkomstig de Belgische wettelijke regeling van een Italiaans onderdaan (eiseres in het hoofdgeding), die laatstelijk werkzaamheden heeft verricht in het Verenigd Koninkrijk en daarna naar haar familie in België is teruggekeerd;

3. dat eiseres in het hoofdgeding toepassing heeft gevraagd van artikel 67, lid 1, van verordening 1408/71, aangezien zij niet in België werkzaam is geweest en de Belgische wettelijke regeling het verkrijgen van het recht op werkloosheidsuitkering afhankelijk stelt van de vervulling van een bepaald aantal arbeidsdagen gedurende een referentietijdvak van 10 maanden voorafgaande aan de aanvraag;

4. Overwegende dat genoemd artikel 67, lid 1, bepaalt dat voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op werkloosheidsuitkeringen voor zover nodig rekening wordt gehouden met krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid;

5. dat evenwel volgens lid 3 van hetzelfde artikel, behalve in de gevallen bedoeld in artikel 71, lid 1, sub a-ii en sub b-ii, toepassing van lid 1 afhankelijk is van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk tijdvakken van verzekering heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd;

6. dat artikel 71, lid 1, sub b-ii, het geval regelt van „een werknemer die geen grensarbeider is, volledig werkloos is en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de Lid-Staat waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert, dewelke „recht heeft op uitkering volgens de wettelijke regeling van deze Staat, alsof hij zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied daarvan had uitgeoefend;

7. Overwegende dat eiseres in het hoofdgeding, die volgens haar verklaring slechts naar het Verenigd Koninkrijk is gegaan om haar kennis van de Engelse taal te vergroten, van mening is woonplaats in België te hebben behouden, zodat zij onder de uitzondering van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening 1408/71 zou vallen;

8. Overwegende dat het Hof wordt verzocht uitlegging te geven aan de zinsnede „waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert — inzonderheid met betrekking tot de termen „woonplaats” en „terugkeer naar het grondgebied” —, de toepasselijke criteria te omschrijven en te verklaren op welk ogenblik de voorwaarden van woonplaats of terugkeer moeten zijn vervuld;

9. Overwegende dat volgens de regel van artikel 67, lid 3, van verordening 1408/71 een werknemer, behoudens uitzondering, slechts aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen indien hij laatstelijk tijdvakken van verzekering of van arbeid heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd;

10. dat artikel 71, lid 1, op bepaalde voorwaarden afwijkingen van dat vereiste mogelijk maakt, in alinea a-ii ten gunste van grensarbeiders en in alinea b-ii ten gunste van bepaalde migrerende werknemers die geen grensarbeiders zijn;

11. dat de belangrijkste voorwaarde voor toepassing van geheel artikel 71 is, dat de betrokkene woonplaats heeft in een andere Lid-Staat dan die aan de wetgeving waarvan hij gedurende zijn laatste werkzaamheden was onderworpen;

12. dat het gerechtvaardigd is de kosten van de werkloosheidsuitkeringen ten laste te doen komen, niet van de Lid-Staat van de laatste werkzaamheid, doch van de Lid-Staat van woonplaats in het geval van bepaalde werknemers die nauwe banden hebben behouden met het land waar zij zijn gevestigd en gewoonlijk verblijven, doch zulks niet meer het geval zou zijn wanneer, door een te ruime uitlegging van de term woonplaats, alle migrerende werknemers die in een Lid-Staat arbeid verrichten terwijl hun gezin in een andere Lid-Staat blijft wonen, onder de werkingssfeer van artikel 71 van verordening 1408/71 werden gebracht;

13. dat uit deze overwegingen volgt dat artikel 71, lid 1, sub b-ii, strikt moet worden uitgelegd;

14. dat de krachtens artikel 80 van verordening 1408/71 ingestelde Administratieve commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers op grond van deze overwegingen bij haar besluit nr. 94 van 24 januari 1974 (PB 1974, C 126, blz. 22) de toepassing van artikel 71, lid 1, sub b-ii, heeft beperkt tot seizoenarbeiders alsmede tot de werknemers bedoeld in artikel 14, lid 1, sub b, c en d, van verordening 1408/71;

15. dat dit besluit weliswaar als een verduidelijking moet worden gezien, doch niet geacht kan worden een uitputtende opsomming te bevatten van de categorieën werknemers die onder genoemde bepaling kunnen vallen, of bepaalde andere categorieën uit te sluiten die overeenkomstige nauwe banden met het land van hun gewone verblijfplaats hebben behouden;

16. Overwegende dat artikel 71, lid 1, sub b-ii, met de zinsnede „waar hij woont of die naar dat grondgebied terugkeert”, twee categorieën werknemers op het oog heeft, die in nagenoeg dezelfde situatie verkeren;

17. Overwegende dat onder de uitdrukking „de Lid-Staat waar hij woont slechts is te verstaan de Lid-Staat waar de werknemer, ofschoon werkzaam in een andere Lid-Staat, zijn gewone woonplaats behoudt en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt;

18. dat ten deze de omstandigheid dat de werknemer zijn gezin in die Staat heeft achtergelaten, erop wijst dat hij daar woonplaats heeft behouden, doch dat dit op zich niet voldoende is om hem onder de uitzondering van artikel 71, lid 1, sub b-ii, te doen vallen;

19. dat immers zodra een werknemer in een Lid-Staat een vaste werkkring heeft, hij moet worden vermoed daar woonplaats te hebben, ook indien hij zijn gezin in een andere Staat heeft achtergelaten;

20. dat bijgevolg niet slechts naar de gezinssituatie van de werknemer moet worden gezien, maar ook naar de redenen van zijn verblijf buitenslands en de aard van de daar verrichte werkzaamheden;

21. Overwegende dat de toevoeging „of die naar dit grondgebied terugkeert” eenvoudig betekent dat het hierboven omschreven begrip woonplaats niet noodzakelijk uitsluit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere Lid-Staat heeft;

22. dat dus voor de toepassing van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening 1408/71, moet worden gezien naar de duur en de bestendigheid van betrokkenes woonplaats vóór zijn vertrek, de duur en het doel van zijn afwezigheid, de aard van de in de andere Lid-Staat verrichte werkzaamheden, alsmede de intentie van betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt;

#### Ten aanzien van de kosten

23. Overwegende dat de kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

24. dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Belgische Hof van Cassatie bij zijn arrest van 16 juni 1976 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1 . Onder de uitdrukking „de Lid-Staat waar hij woont” in artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening 1408/71 is slechts te verstaan de Lid-Staat waar de werknemer, ofschoon werkzaam in een andere Lid-Staat, zijn gewone woonplaats behoudt en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt.

2\. De toevoeging „of die naar dit grondgebied terugkeert” betekent eenvoudig dat het begrip woonplaats in een Staat niet noodzakelijk uitsluit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere Lid-Staat heeft.

3\. Voor de toepassing van artikel 71, lid 1, sub b-ii, moet worden gezien naar de duur en bestendigheid van betrokkenes woonplaats vóór zijn vertrek, de duur en het doel van zijn afwezigheid, de aard van de in de andere Lid-Staat verrichte werkzaamheden alsmede de intentie van betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

6

verordening 1408/71 art. 67 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

verordening 1408/71 art. 1 1 voorkomen

verordening 1408/71 art. 14 1 voorkomen

verordening 1408/71 art. 71 uitgelegd 1 voorkomen

verordening 1408/71 art. 80 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Tesauro C-297/89 27.11.1990

#### [Richtlijn 83/182 art. 10, Zesde richtlijn 77/388 art. 14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-297-89-conclusie)

## Rechtsleer

1

X: Determinación de la normativa aplicable respecto de la seguridad social para desempleados que residiesen en otro Estado miembro durante su último empleo, Gaceta Jurídica de la CEE - Boletín 1988 nº 36 p.9-10 (PM)
