---
title: "HvJ EU, C-758/24 en C-759/24, arrest van 1 augustus 2025 · Asielbeleid"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 augustus 2025, C-758/24 en C-759/24: asielbeleid."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-758-24-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-758-24-arret"
---

# Arrest van het Hof van 1 augustus 2025, C-758/24 en C-759/24 · Asielbeleid, gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, begrip ‚veilig land van herkomst’, aanmerking door middel van een wetgevingshandeling, criteria, recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, toetsing door de rechter van de aanmerking door een lidstaat van een derde land als veilig land van herkomst, openbaarmaking van de informatiebronnen waarop dat besluit is gebaseerd

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Unie

**Samenstelling**

Grote kamer

**Zaken**

C-758/24, C-759/24

**ECLI**

ECLI:EU:C:2025:591

**Datum**

1 augustus 2025

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

C-758/24 Rechter in eerste aanleg Rome (Italië) beslissing van 31 oktober 2024 44346/2024 ; C-759/24 Rechter in eerste aanleg Rome (Italië) 45091/2024

**Zaak ingediend op**

4 november 2024

**Advocaat-generaal**

Richard de la Tour

**Opmerkingen**

Bulgaarse, Tsjechische, Duitse, Griekse, Franse, Italiaanse, Cypriotische, Letse, Litouwse, Hongaarse, Maltese, Nederlandse, Oostenrijkse, Poolse, Slowaakse, Finse, Zweedse regering Commissie

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Jürimäe

**Repertorium van het Hof**

- [Binnenlands beleid van de Europese Unie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-4) [Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-4.06) [Grenscontroles, asiel en immigratie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-4.06.01) [Asielbeleid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-4.06.01.03) 20 beslissingen
- [De rechtsorde van de Europese Unie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1) [Grondrechten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1.04) [Grondrechten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1.04.03) [Recht op doeltreffende voorziening in rechte en op onpartijdig gerecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1.04.03.47) 78 beslissingen

## Tekst

153 paragrafen

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

1 augustus 2025 ( \*1 )

„Prejudiciële verwijzing – Asielbeleid – Richtlijn 2013/32/EU – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming – Artikelen 36 en 37 – Begrip ‚veilig land van herkomst’ – Aanmerking door middel van een wetgevingshandeling – Bijlage I – Criteria – Artikel 46 – Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Toetsing door de rechter van de aanmerking door een lidstaat van een derde land als veilig land van herkomst – Openbaarmaking van de informatiebronnen waarop dat besluit is gebaseerd”

In de gevoegde zaken C‑758/24 \[Alace\] i en C‑759/24 \[Canpelli\] ( i ),

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale ordinario di Roma (rechter in eerste aanleg Rome, Italië) bij beslissingen van respectievelijk 31 oktober 2024 en 4 november 2024, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 4 november en 5 november 2024, in de procedures

LC (C‑758/24),

CP (C‑759/24)

tegen

Commissione territoriale per il riconoscimento della protezione internazionale di Roma – sezione procedure alla frontiera II,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, K. Jürimäe (rapporteur), I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, A. Kumin, N. Jääskinen, D. Gratsias en M. Gavalec, kamerpresidenten, I. Ziemele, J. Passer, Z. Csehi, O. Spineanu-Matei, B. Smulders en M. Condinanzi, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: C. Di Bella, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 februari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– LC, vertegenwoordigd door S. Angilletta, avvocata,

– CP, vertegenwoordigd door D. Belluccio en S. Greco, avvocati,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door L. D’Ascia, E. Feola en I. Massarelli, avvocati dello Stato,

– de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door S. O. Ruseva en T. S. Tsingileva als gemachtigden,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Edelmannová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door T. Papadopoulou als gemachtigde,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe, O. Duprat-Mazaré en B. Fodda als gemachtigden,

– de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door I. Neophytou en E. Symeonidou als gemachtigden,

– de Letse regering, vertegenwoordigd door J. Davidoviča en S. Zellis als gemachtigden,

– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis als gemachtigde,

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,

– de Maltese regering, vertegenwoordigd door A. Buhagiar als gemachtigde,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en A. Hanje als gemachtigden,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll, en P. Thalmann als gemachtigden,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en D. Lutostańska als gemachtigden,

– de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door E. V. Larišová als gemachtigde,

– de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo en M. Pere als gemachtigden,

– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door F.-L. Göransson en J. Olsson als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma, M. Debieuvre en F. Tomat als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 april 2025,

het navolgende

### Arrest

1. De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60), gelezen in samenhang met de overwegingen 42, 46 en 48 daarvan alsmede met bijlage I bij deze richtlijn en in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en de artikelen 6 en 13 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Deze verzoeken zijn geformuleerd in het kader van gedingen tussen respectievelijk LC en CP – staatsburgers van de Volksrepubliek Bangladesh – enerzijds, en de Commissione Territoriale per il riconoscimento della Protezione Internazionale di Roma – sezione procedure alla frontiera II (territoriale commissie voor de erkenning van internationale bescherming te Rome – afdeling grensprocedures II, Italië) anderzijds, met betrekking tot de rechtmatigheid van de besluiten waarbij deze commissie via de versnelde grensprocedures de verzoeken van LC en CP om internationale bescherming kennelijk ongegrond heeft verklaard.

### Toepasselijke bepalingen

#### Unierecht

##### Richtlijn 2013/32

3.

De overwegingen 18, 20, 40, 42, 46 en 48 van richtlijn 2013/32 luiden:

> „(18) Het is in het belang van zowel de lidstaten als de personen die om internationale bescherming verzoeken dat zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling.
>
> \[…\]
>
> (20) In welbepaalde omstandigheden, wanneer een verzoek waarschijnlijk ongegrond is of wanneer de nationale veiligheid of de openbare orde ernstig in het gedrang komt, moeten de lidstaten de behandelingsprocedure kunnen versnellen, in het bijzonder door voor bepaalde procedurestappen kortere maar redelijke termijnen in te voeren, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling en onverminderd daadwerkelijke toegang tot de basisbeginselen en waarborgen voor de verzoeker waarin deze richtlijn voorziet.
>
> \[…\]
>
> (40) Fundamenteel voor de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming is de veiligheid van de verzoeker in zijn land van herkomst. Indien een derde land als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd, moeten de lidstaten het als veilig kunnen aanmerken en aannemen dat het voor een bepaalde verzoeker veilig is, tenzij hij aanwijzingen van het tegendeel kan voorleggen.
>
> \[…\]
>
> (42) De aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst in de zin van deze richtlijn kan geen absolute waarborg vormen voor de veiligheid van de onderdanen van dat land. De aard van de aan de aanmerking ten grondslag liggende beoordeling impliceert dat er enkel rekening kan worden gehouden met de algemene civiele, juridische en politieke omstandigheden in dat land en met het feit dat actoren van vervolging, foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de praktijk worden gestraft wanneer zij in dat land schuldig worden bevonden. Om deze reden is het van belang dat, wanneer een verzoeker geldige redenen aanvoert om het land als niet-veilig in zijn bijzondere omstandigheden te beschouwen, de aanmerking van het land als veilig land niet langer als voor hem ter zake doende kan worden beschouwd.
>
> \[…\]
>
> (46) Indien lidstaten ‚veilig land’-begrippen per geval toepassen of landen als veilig aanmerken door daartoe strekkende lijsten vast te stellen, moeten zij onder meer rekening houden met de richtsnoeren en operationele handleidingen en met de informatie over de landen van herkomst en de activiteiten, met inbegrip van de door het \[Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO)\] ontwikkelde methodologie voor de rapportage inzake informatie over het land van herkomst, als bedoeld in verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot oprichting van een \[EASO\] \[PB 2010, L 132, blz. 11\], alsook met de relevante \[richtsnoeren van de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR)\].
>
> \[…\]
>
> (48) Om ervoor te zorgen dat de ‚veilig land’-begrippen correct en op basis van actuele informatie worden toegepast, moeten de lidstaten de situatie in die landen regelmatig evalueren op basis van een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie van andere lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. Wanneer lidstaten zich er rekenschap van geven dat de mensenrechtensituatie in een door hen als veilig aangemerkt land een ingrijpende wijziging ondergaat, moeten zij ervoor zorgen dat die situatie zo spoedig mogelijk wordt geëvalueerd en dat indien nodig het aanmerken \[van\] dat land als veilig opnieuw wordt onderzocht.”

4.

Artikel 10 („Vereisten voor de behandeling van verzoeken”) van deze richtlijn bepaalt in lid 3, onder b), en in lid 4:

> „3. De lidstaten zien erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat:
>
> \[…\]
>
> b) er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld uit verschillende bronnen, zoals het EASO en de UNHCR, en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van verzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis, en dat het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, over deze informatie kan beschikken;
>
> \[…\]
>
> 4\. De in hoofdstuk V bedoelde instanties hebben via de beslissingsautoriteit of de verzoeker dan wel anderszins toegang tot de in lid 3, onder b), bedoelde algemene informatie die zij nodig hebben om hun taak uit te oefenen.”

5.

In artikel 12 („Waarborgen voor verzoekers”) van die richtlijn staat in lid 1, onder d), ervan te lezen:

> „De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van de in hoofdstuk III vervatte procedures voor alle verzoekers de volgende waarborgen gelden:
>
> \[…\]
>
> d) zij, en in voorkomend geval, hun juridische adviseurs of andere raadslieden overeenkomstig artikel 23, lid 1, hebben toegang tot de in artikel 10, lid 3, onder b), bedoelde informatie en tot de door de in artikel 10, lid 3, onder d), bedoelde deskundigen verstrekte informatie, wanneer de beslissingsautoriteit met die informatie rekening heeft gehouden om een beslissing te nemen over hun verzoek;
>
> \[…\]”

6. Artikel 24 van diezelfde richtlijn, met als opschrift „Verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven”, heeft betrekking op de steun die aan dergelijke verzoekers moet worden verleend zolang de asielprocedure loopt.

7.

Artikel 31 („Behandelingsprocedure”) van richtlijn 2013/32 bepaalt in lid 8, onder b):

> „De lidstaten kunnen bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II wordt versneld en/of aan de grens of in transitzones wordt gevoerd overeenkomstig artikel 43 indien:
>
> \[…\]
>
> b) de verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van deze richtlijn; \[…\]”.

8.

Artikel 32 („Ongegronde verzoeken”) van deze richtlijn is als volgt verwoord:

> „1. Onverminderd artikel 27 kunnen de lidstaten een verzoek enkel als ongegrond afwijzen wanneer de beslissingsautoriteit heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95/EU \[van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9)\].
>
> 2\. In gevallen van ongegronde verzoeken waarop een van de in artikel 31, lid 8, vermelde omstandigheden van toepassing is, kunnen de lidstaten tevens een verzoek als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven.”

9.

Artikel 36 („Het begrip ‚veilig land van herkomst’”) van die richtlijn bepaalt:

> „1. Een derde land dat op grond van deze richtlijn als veilig land van herkomst is aangemerkt, kan voor een bepaalde verzoeker, nadat zijn verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer:
>
> a) hij de nationaliteit van dat land heeft, of
>
> b) hij staatloos is en voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had,
>
> en wanneer hij geen substantiële redenen heeft opgegeven om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst te beschouwen ten aanzien van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig richtlijn \[2011/95\].
>
> 2\. De lidstaten stellen verdere nationale wetsvoorschriften en -bepalingen vast voor de toepassing van het begrip ‚veilig land van herkomst’.”

10.

Artikel 37 („Nationale aanmerking van derde landen als veilig land van herkomst”) van richtlijn 2013/32 luidt als volgt:

> „1. De lidstaten kunnen voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage I, van veilige landen van herkomst.
>
> 2\. De lidstaten onderzoeken de situatie in derde landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, regelmatig opnieuw.
>
> 3\. De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is overeenkomstig dit artikel dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.
>
> 4\. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst worden aangemerkt.”

11. Artikel 38 van deze richtlijn heeft betrekking op het begrip „veilig derde land”.

12.

In artikel 43 („Grensprocedures”) van die richtlijn staat in lid 1 ervan te lezen:

> „De lidstaten kunnen procedures invoeren om, overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, aan de grens of in transitzones van de lidstaten een beslissing te nemen over:
>
> \[…\]
>
> b) de inhoud van een verzoek in een procedure krachtens artikel 31, lid 8.”

13.

Artikel 46 van diezelfde richtlijn, met het opschrift „Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”, bepaalt:

> „1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:
>
> a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing:
>
> i) om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus;
>
> \[…\]
>
> \[…\]
>
> 3\. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn \[2011/95\], zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.
>
> \[…\]
>
> 5\. Onverminderd lid 6 staan de lidstaten de verzoekers toe om op het grondgebied te blijven tot de termijn waarbinnen zij hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen uitoefenen, verstreken is en, wanneer dat recht binnen de termijn werd uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.
>
> 6) In het geval van een beslissing om:
>
> a) een verzoek als kennelijk ongegrond te beschouwen overeenkomstig artikel 32, lid 2, of als ongegrond na behandeling overeenkomstig artikel 31, lid 8, behoudens de gevallen waarin deze beslissingen zijn genomen op basis van de in artikel 31, lid 8, onder h), genoemde omstandigheden;
>
> \[…\]
>
> is een rechterlijke instantie bevoegd om, op verzoek van de betrokken verzoeker of ambtshalve, uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven, indien deze beslissing resulteert in een beëindiging van het recht van de verzoeker om in de lidstaat te blijven, en het nationale recht in dergelijke gevallen niet voorziet in het recht om in de lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.
>
> \[…\]”

14.

Bijlage I („Aanmerking van veilige landen van herkomst voor de toepassing van artikel 37, lid 1”) bij richtlijn 2013/32 luidt als volgt:

> „Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van richtlijn \[2011/95\], noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.
>
> Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:
>
> a) de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;
>
> b) de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het \[EVRM\] en/of het \[op 16 december 1966 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties vastgestelde en op 23 maart 1976 in werking getreden\] Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering \[en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, van 10 december 1984 \[*United Nations Treaty Series*, deel 1465, blz. 85, nr. 24841 (1987)\], in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, \[van het EVRM\] zijn toegestaan;
>
> c) de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het \[op 28 juli 1951 te Genève ondertekende en op 22 april 1954 in werking getreden\] Verdrag \[betreffende de status van vluchtelingen \[*United Nations Treaty Series*, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)\], zoals aangevuld door het op 31 januari 1967 gesloten en op 4 oktober 1967 in werking getreden Protocol van New York betreffende de status van vluchtelingen (hierna: ‚Verdrag van Genève’)\];
>
> d) het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.”

##### Verordening 2024/1348

15.

Artikel 61 van verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van richtlijn 2013/32 (PB L, 2024/1348), met het opschrift „Het begrip ‚veilig land van herkomst’”, bepaalt in lid 2:

> „Bij de aanwijzing op zowel het niveau van de \[Europese\] Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst kunnen uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen.”

16.

Artikel 78 van deze verordening, met als opschrift „Intrekking”, bepaalt in lid 1:

> „Richtlijn \[2013/32\] wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 79, lid 2, bedoelde datum, onverminderd artikel 79, lid 3.”

17.

Artikel 79 („Inwerkingtreding en toepassing”) van deze verordening bepaalt in de leden 2 en 3:

> „2. Deze verordening is van toepassing met ingang van 12 juni 2026.
>
> 3\. Deze verordening is van toepassing op de procedure voor het verlenen van internationale bescherming met betrekking tot verzoeken die worden ingediend vanaf 12 juni 2026. Vóór die datum ingediende verzoeken om internationale bescherming vallen onder richtlijn \[2013/32\]. Deze verordening is van toepassing op de procedure tot intrekking van de internationale bescherming indien het onderzoek met het oog op de intrekking van de internationale bescherming is begonnen op of na 12 juni 2026. Indien het onderzoek met het oog op de intrekking van de internationale bescherming vóór 12 juni 2026 is begonnen, valt de procedure inzake intrekking van de internationale bescherming onder richtlijn \[2013/32\].”

#### Italiaans recht

18.

In de preambule van decreto-legge n. 158 – Disposizioni urgenti in materia di procedure per il riconoscimento della protezione internazionale (voorlopig wetsbesluit nr. 158 houdende spoedmaatregelen inzake de toekenning van internationale bescherming) van 23 oktober 2024 (GURI nr. 249 van 23 oktober 2024; hierna: „voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024”) staat te lezen:

> „\[…\]
>
> \[er is rekening gehouden met\] de bijzondere noodzaak en de urgentie om veilige landen van herkomst aan te wijzen, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024\[, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky (C‑406/22, EU:C:2024:841)\], met uitsluiting van landen die wat betreft bepaalde delen van hun grondgebied niet voldoen aan de voorwaarden voor een dergelijke aanwijzing (Kameroen, Colombia en Nigeria);
>
> \[en met\] verordening \[2024/1348\], en in het bijzonder met artikel 61, lid 2, ervan, waarin is bepaald dat ‚\[b\]ij de aanwijzing op zowel het niveau van de \[Europese\] Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst \[…\] uitzonderingen \[kunnen\] worden gemaakt voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen’, die weliswaar van toepassing is vanaf 12 juni 2026, maar waarin het gemeenschappelijke standpunt van de lidstaten van de Europese Unie is vastgelegd;
>
> \[…\]”

19.

Bij voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024 is onder andere artikel 2 bis gewijzigd van decreto legislativo n. 25 – Attuazione della direttiva 2005/85/EG recante norme minime per le procedure applicate negli Stati membri ai fini del riconoscimento e della revoca dello status di rifugiato (wetsbesluit nr. 25 tot uitvoering van richtlijn 2005/85/EG betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus), van 28 januari 2008 (GURI nr. 40 van 16 februari 2008; hierna: „wetsbesluit nr. 25/2008”). Als gevolg van deze wijziging bepaalt artikel 2 bis, leden 1 tot en met 4 bis, van wetsbesluit nr. 25/2008:

> „1. Overeenkomstig de bij Unierecht vastgestelde kwalificatiecriteria en de bevindingen die zijn ontleend aan de door de relevante internationale organisaties aangeleverde informatie, worden de volgende landen beschouwd als veilige landen van herkomst: Albanië, Algerije, Bangladesh, Bosnië en Herzegovina, Egypte, Gambia, Georgië, Ghana, Ivoorkust, Kaapverdië, Kosovo, Noord-Macedonië, Marokko, Montenegro, Peru, Senegal, Servië, Sri Lanka en Tunesië.
>
> 2\. Een land dat geen lidstaat van de Europese Unie is, kan als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer op basis van het rechtssysteem, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke situatie kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging \[…\], noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict. Bij de aanmerking van een veilig land van herkomst kunnen uitzonderingen worden gemaakt voor categorieën personen.
>
> 3\. Bij de in lid 2 bedoelde beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:
>
> a) de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;
>
> b) de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het \[EVRM\], het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, \[…\] en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering van 10 december 1984, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het \[EVRM\] zijn toegestaan;
>
> c) de naleving van het beginsel van artikel 33 van het Verdrag van Genève;
>
> d) het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.
>
> 4\. De beoordeling of een land dat geen lidstaat van \[de Europese Unie\] is een veilig land van herkomst is, wordt gebaseerd op informatie die wordt verstrekt door de Commissione nazionale per il diritto di asilo \[nationale commissie voor asielrecht, Italië\], die ook gebruikmaakt van informatie die wordt verzameld door het \[…\] documentatiecentrum \[…\], alsmede op andere informatiebronnen, waaronder met name informatie van andere lidstaten van de Europese Unie, het Asielagentschap van de Europese Unie \[EUAA\], de \[UNHCR\], de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.
>
> 4 bis. De lijst van veilige landen van herkomst wordt op gezette tijden bijgewerkt bij een handeling die kracht van wet heeft en wordt aan de \[…\] Commissie meegedeeld. Met het oog op de bijwerking van de in lid 1 bedoelde lijst stelt de Consiglio dei Ministri \[ministerraad, Italië\] jaarlijks uiterlijk op 15 januari een verslag vast waarin hij, rekening houdend met de vereisten inzake veiligheid en continuïteit van de internationale betrekkingen en met de in lid 4 bedoelde informatie, een stand van zaken geeft van de situatie in de landen die op de lijst staan en die in de landen die hij in de lijst wil opnemen. De regering stuurt het verslag door naar de bevoegde parlementaire commissies.”

### Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

20. LC en CP zijn twee staatsburgers van de Volksrepubliek Bangladesh. Na door de Italiaanse autoriteiten op zee te zijn gered, zijn zij naar Albanië gebracht waar zij in het detentiecentrum van Gjadër zijn ondergebracht. Deze maatregelen zijn genomen op grond van het Protocollo tra il Governo della Repubblica italiana e il Consiglio dei ministri della Repubblica di Albania per il rafforzamento della collaborazione in materia migratoria (protocol tussen de regering van de Italiaanse Republiek en de ministerraad van de Republiek Albanië ter versterking van de samenwerking op het gebied van migratie) op grond waarvan de Albanese regering aan de Italiaanse Republiek twee zones op Albanees grondgebied ter beschikking heeft gesteld, die volledig onder de jurisdictie van de Italiaanse autoriteiten vallen en die worden gelijkgesteld met de grens- of transitzones waar asielzoekers in bewaring kunnen worden gehouden.

21. Vanuit dat detentiecentrum hebben LC en CP op 16 oktober 2024 elk een verzoek om internationale bescherming ingediend bij de Italiaanse autoriteiten.

22. Bij besluiten van 17 oktober 2024 heeft de territoriale commissie voor de erkenning van internationale bescherming te Rome – afdeling grensprocedures II deze verzoeken in het kader van een versnelde grensprocedure afgewezen op grond dat LC en CP uit een veilig land van herkomst kwamen. De besluiten tot inbewaringstelling zijn niet door de bevoegde rechter bevestigd en de verzoekers zijn dus in vrijheid gesteld.

23. Eenmaal in Italië aangekomen hebben LC en CP op 25 oktober 2024 bij de Tribunale ordinario di Roma (rechter in eerste aanleg Rome, Italië), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tegen de in het vorige punt genoemde besluiten waarbij hun verzoeken om internationale bescherming zijn afgewezen.

24. Deze rechter heeft twijfels over de aanmerking van de Volksrepubliek Bangladesh als veilig land van herkomst.

25. In de eerste plaats wijst de verwijzende rechter erop dat derde landen vóór de vaststelling van voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024 in twee fasen als veilige landen van herkomst werden aangemerkt. In eerste instantie stelde de Italiaanse wetgever door middel van een gewone wet het rechtskader vast van dergelijke aanmerkingen. In tweede instantie werden door de Italiaanse overheid bij interministerieel besluit de veilige landen van herkomst aangemerkt op basis van de informatiebladen betreffende die landen. De Italiaanse rechter was bevoegd om na te gaan of dergelijke interministeriële besluiten verenigbaar waren met dat rechtskader. Na de inwerkingtreding van dat voorlopig wetsbesluit is de lijst van veilige landen van herkomst evenwel opgenomen in een handeling met kracht van wet, namelijk in artikel 2 bis, lid 1, van wetsbesluit nr. 25/2008, zoals gewijzigd bij voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024. De Italiaanse wetgever is dus voortaan bevoegd om zowel het algemene rechtskader vast te stellen betreffende de regels en de criteria voor de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst, als zelf over te gaan tot die aanmerking. De verwijzende rechter vraagt zich af of een dergelijke aanmerking door middel van een handeling met kracht van wet in overeenstemming is met de voorschriften van richtlijn 2013/32.

26. In de tweede plaats wijst de verwijzende rechter erop dat na de wijziging van artikel 2 bis van wetsbesluit nr. 25/2008 bij voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024 de Italiaanse regeling geen verwijzing meer bevat naar informatiebladen betreffende de derde landen in kwestie met het oog op de vermelding van die landen op de lijst van veilige landen van herkomst, en evenmin aangeeft dat de bronnen moeten worden vermeld waaruit die informatie wordt gehaald. Meer bepaald wordt in lid 1 van artikel 2 bis van wetsbesluit nr. 25/2008, zoals gewijzigd bij voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024, op geen enkele wijze verwezen naar de leden 2 tot en met 4 van dat gewijzigde artikel. In dat artikel wordt de lijst vastgesteld van veilige landen van herkomst en wordt in het algemeen verwezen naar „bevindingen die zijn ontleend aan de door de relevante internationale organisaties aangeleverde informatie”, zonder aan te geven om welke bevindingen of informatie het gaat. Daarnaast bepaalt het nieuwe lid 4 bis van dat artikel enkel dat de regering, met het oog op de periodieke bijwerking van deze lijst, een verslag vaststelt waarin de situatie van de betrokken derde landen uiteen wordt gezet. Dientengevolge kunnen de personen die om internationale bescherming verzoeken enerzijds, en de rechterlijke instanties waarbij die personen beroep hebben ingesteld anderzijds, de herkomst, de gezaghebbendheid, de betrouwbaarheid, de relevantie, de actualiteit en de volledigheid en de inhoud van de informatie die heeft geleid tot de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst, respectievelijk niet betwisten en toetsen, hetgeen in strijd is met het in artikel 47 van het Handvest verankerde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming.

27. In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of de lidstaten de nationale rechters in staat moeten stellen om gebruik te maken van alle beschikbare en relevante informatie teneinde na te gaan of een derde land terecht als veilig land van herkomst is aangemerkt, ongeacht of de nationale autoriteit die tot deze aanmerking is overgegaan, heeft aangegeven op welke informatie zij zich heeft gebaseerd. Deze rechter is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, teneinde effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen aan personen die om internationale bescherming verzoeken en van wie de verzoeken in het kader van een versnelde procedure zijn afgewezen op grond dat zij afkomstig zijn uit een dergelijk veilig land van herkomst.

28. In de vierde plaats vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af welke gevolgen moeten worden verbonden aan het arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky (C‑406/22, EU:C:2024:841). Hij zet in dit verband uiteen dat uit de preambule van voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024 volgt dat de Italiaanse regering met de vaststelling van dit voorlopig wetsbesluit aan dat arrest heeft willen voldoen door in artikel 2 bis, lid 2, tweede volzin, van wetsbesluit nr. 25/2008 de mogelijkheid te schrappen dat een derde land dat voor bepaalde delen van zijn grondgebied niet aan de voorwaarden voor een dergelijke aanmerking voldoet, als veilig land van herkomst wordt aangemerkt. Deze regering heeft in die bepaling evenwel de mogelijkheid behouden om een derde land, met uitzondering van bepaalde categorieën personen, als veilig land van herkomst aan te merken. De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat deze laatstgenoemde mogelijkheid terzijde moet worden geschoven op basis van een redenering die vergelijkbaar is met de redenering die het Hof in dat arrest heeft gevolgd. Aangezien de uitsluiting van categorieën personen meestal betrekking heeft op het gehele grondgebied van een derde land, zou dit zelfs ernstiger zijn dan de territoriale uitsluiting die in datzelfde arrest is onderzocht. In die omstandigheden acht de verwijzende rechter het noodzakelijk om het Hof hierover vragen te stellen alvorens in voorkomend geval gevolgtrekkingen te verbinden aan het beginsel van voorrang van het Unierecht.

29.

Daarop heeft het Tribunale ordinario di Roma de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen, die in beide zaken identiek zijn verwoord:

> „1) Staat het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn \[2013/32\], gelezen in samenhang met de overwegingen 42, 46 en 48 daarvan en uitgelegd in het licht van artikel 47 van het \[Handvest\] (en de artikelen 6 en 13 \[EVRM\]), eraan in de weg dat een nationale wetgever, die bevoegd is om de opstelling van lijsten van veilige landen van herkomst toe te staan en de daarbij te hanteren criteria en bronnen te bepalen, een derde land rechtstreeks als veilig land van herkomst aanmerkt, ook bij primaire wetgevingshandeling?
>
> 2) Staat het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met de overwegingen 42, 46 en 48 daarvan en uitgelegd in het licht van artikel 47 van het \[Handvest\] (en de artikelen 6 en 13 \[EVRM\]), er in ieder geval aan in de weg dat de wetgever een derde land aanmerkt als veilig land van herkomst zonder ervoor te zorgen dat de bronnen ter onderbouwing van die aanmerking toegankelijk en verifieerbaar zijn, zodat de herkomst, de gezaghebbendheid, de betrouwbaarheid, de relevantie, de actualiteit, de volledigheid en de algehele inhoud ervan niet kunnen worden betwist door de asielzoeker noch kunnen worden getoetst door de rechter, die beiden zelf ook niet kunnen beoordelen of aan de in bijlage I bij de richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanmerking is voldaan?
>
> 3) Moet het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met de overwegingen 42, 46 en 48 daarvan en uitgelegd in het licht van artikel 47 van het \[Handvest\] (en de artikelen 6 en 13 \[EVRM\]), aldus worden uitgelegd dat de rechter in het kader van een versnelde grensprocedure \[voor personen uit\] het als veilig aangemerkt land van herkomst in elk geval informatie over het land van herkomst kan gebruiken die hij zelf haalt uit de in artikel 37, lid 3, van de richtlijn bedoelde bronnen en die nuttig is om na te gaan of aan de in bijlage I bij de richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanmerking is voldaan?
>
> 4) Staat het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn 2013/32 en bijlage I daarbij, gelezen in samenhang met de overwegingen 42, 46 en 48 van die richtlijn en uitgelegd in het licht van artikel 47 van het \[Handvest\] (en de artikelen 6 en 13 \[EVRM\]), eraan in de weg dat een derde land als ,veilig land van herkomst’ wordt aangemerkt indien er in dat land categorieën personen zijn met betrekking tot wie het land niet voldoet aan de in bijlage I bij de richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanmerking?”

### Procedure bij het Hof

30. De verwijzende rechter heeft verzocht de zaken te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

31. Op 19 november 2024 heeft de Tweede kamer van het Hof, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslist om dit verzoek niet in te willigen.

32. Bij beslissing van de president van het Hof van 21 november 2024 zijn de onderhavige zaken gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

33. Bij beschikking van de president van het Hof van 29 november 2024 worden de onderhavige zaken volgens de versnelde procedure van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof behandeld.

34. De Italiaanse Republiek heeft overeenkomstig artikel 16, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om in Grote kamer over de onderhavige zaken te oordelen. Het Hof heeft hier op 11 februari 2025 akte van genomen.

### Prejudiciële vragen

#### Ontvankelijkheid

35. De Italiaanse en de Slowaakse regering betwisten de ontvankelijkheid van de eerste, de tweede en de vierde vraag.

36. Wat de eerste en de tweede vraag betreft betoogt de Italiaanse regering dat de verwijzende rechter niet heeft aangegeven waarom voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024 onverenigbaar is met het Unierecht en waarom deze vragen relevant zijn voor de beslechting van de hoofdgedingen. Deze regering voegt daaraan toe dat de criteria voor de aanmerking van veilige landen van herkomst in casu niet relevant zijn aangezien de Volksrepubliek Bangladesh reeds vóór de vaststelling van dat voorlopig wetsbesluit was aangemerkt als veilig land van herkomst.

37. Met betrekking tot de vierde vraag betogen de Italiaanse en de Slowaakse regering dat dit een abstracte en hypothetische vraag is. De verwijzende rechter is namelijk niet nagegaan of de Volksrepubliek Bangladesh voor bepaalde categorieën personen geen veilig land van herkomst is en of verzoekers tot deze categorieën behoren.

38. In dit verband zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie rust op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 19 december 2024, Tudmur, C‑185/24 en C‑189/24, EU:C:2024:1036, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39. In casu blijkt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing dat bij de verwijzende rechter beroepen zijn ingesteld door twee staatsburgers van de Volksrepubliek Bangladesh tegen besluiten waarbij hun verzoeken om internationale bescherming kennelijk ongegrond zijn verklaard op grond dat zij uit een veilig land van herkomst komen. Deze rechter zet in die verzoeken om een prejudiciële beslissing uiteen dat hij twijfels heeft over de verenigbaarheid van de aanmerking van dat derde land als veilig land van herkomst met het Unierecht, in wezen op grond dat deze aanmerking voortvloeit uit een wetgevingshandeling, de Italiaanse wetgever zijn informatiebronnen niet openbaar heeft gemaakt en die wetgever de mogelijkheid heeft behouden om tot die aanmerking over te gaan ook al is dat derde land mogelijk niet „veilig” voor bepaalde bevolkingsgroepen. In dit verband verwijst die rechter naar het informatieblad van 3 mei 2024 van het Italiaanse ministerie van Buitenlandse Zaken dat betrekking had op de Volksrepubliek Bangladesh, waarop de aanmerking van Bangladesh als veilig land van herkomst was gebaseerd voordat voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024 was vastgesteld, en waarin was geconcludeerd dat dit derde land slechts met uitzondering van bepaalde categorieën personen als veilig land van herkomst kon worden beschouwd.

40. In deze context wenst diezelfde rechter met zijn eerste, tweede en vierde vraag in wezen van het Hof te vernemen hoe verschillende bepalingen van richtlijn 2013/32, die betrekking hebben op het begrip „veilig land van herkomst” en de aanmerking van dergelijke landen door de lidstaten, moeten worden uitgelegd en hoe die aanmerking door de rechter kan worden getoetst.

41. Deze vragen hebben dus daadwerkelijk betrekking op de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen die relevant zijn voor de beslechting van de hoofdgedingen. Aangezien de verwijzende rechter het nationaal rechtskader en het feitelijke kader van de hoofdgedingen onder zijn eigen verantwoordelijkheid vaststelt, staat het niet aan het Hof om na te gaan op welke premissen de verzoeken om een prejudiciële beslissing gebaseerd zijn.

42. Voorts volgt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter met zijn vragen uiteindelijk wenst te vernemen of de aanmerking, als zodanig, van de Volksrepubliek Bangladesh als veilig land van herkomst verenigbaar is met het Unierecht, teneinde in voorkomend geval het vermoeden van veiligheid dat voortvloeit uit de toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” in de hoofdgedingen terzijde te schuiven. Bijgevolg is de omstandigheid dat niet is aangetoond dat LC en CP tot een van de categorieën van personen behoren voor wie dit land naar het oordeel van deze rechterlijke instantie geen veilig land van herkomst vormt, niet van invloed op de ontvankelijkheid van deze vragen.

43. Hieruit volgt dat de eerste, de tweede en de vierde vraag ontvankelijk zijn.

#### Ten gronde

##### Voorafgaande opmerkingen

44. Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat het Hof, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, tot taak heeft de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Daarnaast kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarnaar in de vraag van de verwijzende rechter niet wordt verwezen (zie arresten van 20 maart 1986, Tissier, [35/85](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-35-85-arrest), [EU:C:1986:143](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-35-85-arrest), punt [9](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-35-85-arrest#point-9), en 19 december 2024, Khan Yunis en Baabda, C‑123/23 en C‑202/23, EU:C:2024:1042, punt 63).

45. De omstandigheid dat de verwijzende rechter in zijn vragen formeel heeft verwezen naar bepaalde specifieke bepalingen van het Unierecht staat er niet aan in de weg dat het Hof hem alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de uitspraak in het hoofdgeding, door uit alle door deze rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (zie arresten van 29 november 1978, Redmond, [83/78](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-83-78-arrest), [EU:C:1978:214](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-83-78-arrest), punt [26](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-83-78-arrest#point-26), en 19 december 2024, Khan Yunis en Baabda, C‑123/23 en C‑202/23, EU:C:2024:1042, punt 64).

46. Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter van het Hof met name te vernemen hoe de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, moeten worden uitgelegd.

47. In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32 betrekking hebben op respectievelijk het begrip „veilig land van herkomst” en de aanmerking door de lidstaten van derde landen als veilig land van herkomst.

48. Deze artikelen stellen een bijzondere behandelingsregeling in waaraan de lidstaten verzoeken om internationale bescherming kunnen onderwerpen. Dee regeling berust op een vorm van weerlegbaar vermoeden van afdoende bescherming in het land van herkomst, dat de verzoeker kan weerleggen door dwingende redenen in verband met zijn specifieke omstandigheden aan te voeren (zie in die zin arresten van 25 juli 2018, A, C‑404/17, EU:C:2018:588, punt 25, en 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49. In het kader van de specifieke kenmerken van deze behandelingsregeling kunnen de lidstaten ten eerste overeenkomstig artikel 31, lid 8, onder b), van deze richtlijn besluiten om de behandelingsprocedure te versnellen en ten tweede om de behandelingsprocedure aan de grens of in transitzones te voeren overeenkomstig artikel 43 van die richtlijn (arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 48).

50. Daarnaast kunnen de lidstaten een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend door een verzoeker die afkomstig is uit een veilig land van herkomst en dat ongegrond is verklaard omdat de beslissingsautoriteit krachtens artikel 32, lid 1, van richtlijn 2013/32 heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95, krachtens artikel 32, lid 2, van richtlijn 2013/32 ook als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven (arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 49).

51. Een van de gevolgen voor de betrokkene wiens verzoek op grond van de toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” is afgewezen, is bovendien dat het – anders dan hetgeen is bepaald in geval van een eenvoudige afwijzing – mogelijk is dat het hem niet wordt toegestaan op het grondgebied van de staat waar hij zijn verzoek heeft ingediend te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel dat hij tegen de beslissing tot afwijzing van dat verzoek heeft aangewend, zoals blijkt uit artikel 46, leden 5 en 6, van richtlijn 2013/32 (arresten van 25 juli 2018, A, C‑404/17, EU:C:2018:588, punt 27, en 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 50).

52. In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat artikel 38 van richtlijn 2013/32, in tegenstelling tot de artikelen 36 en 37 van die richtlijn, geen betrekking heeft op het begrip „veilig land van herkomst”, maar op dat van „veilig derde land”. De hoofdgedingen hebben evenwel uitsluitend betrekking op de toepassing van het begrip „veilig land van herkomst”. Bijgevolg hoeft in de onderhavige zaken geen uitspraak te worden gedaan over de uitlegging van artikel 38 van deze richtlijn.

53. In de derde plaats moet worden vastgesteld dat het in artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte gepaard gaat met de in artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32 vervatte verplichting voor de lidstaten om ten gunste van personen die om internationale bescherming verzoeken te voorzien in een dergelijk recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, waarvan artikel 46, lid 3, van deze richtlijn de omvang definieert \[zie in die zin arresten van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 60, en 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak\]. Bijgevolg moet ook met laatstgenoemde bepaling rekening worden gehouden, ook al heeft de verwijzende rechter er in zijn vragen niet naar verwezen.

##### Eerste vraag

54. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of de artikelen 36 en 37 en artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat een derde land door middel van een wetgevingshandeling als veilig land van herkomst aanmerkt.

55. Zoals in punt 48 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, stellen de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32 een bijzondere behandelingsregeling in waaraan de lidstaten verzoeken om internationale bescherming kunnen onderwerpen die afkomstig zijn van staatsburgers van landen die zijn aangemerkt als veilige landen van herkomst.

56. Daartoe verduidelijkt artikel 37, lid 1, van die richtlijn dat „\[d\]e lidstaten \[…\] voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving \[kunnen\] handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage I \[bij die richtlijn\], van veilige landen van herkomst”. Zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, blijkt uit een vergelijking van de verschillende taalversies van deze bepaling dat het begrip „wetgeving” in ruime zin moet worden opgevat, dat wil zeggen dat daaronder handelingen van wetgevende, regelgevende of bestuurlijke aard kunnen vallen.

57. In die zin heeft het Hof overigens geoordeeld dat de lidstaten, om gebruik te kunnen maken van de bijzondere behandelingsregeling en van het weerlegbare vermoeden dat is geregeld in de voorschriften van richtlijn 2013/32 betreffende de procedures op basis van het begrip „veilig land van herkomst”, die regels volledig moeten hebben omgezet in de door hen vast te stellen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, A, C‑404/17, EU:C:2018:588, punt 31).

58. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten de bepalingen van een richtlijn worden uitgevoerd met een onbetwistbare dwingende kracht en met de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan het vereiste van rechtszekerheid \[arrest van 3 september 2020, Subdelegación del Gobierno en Barcelona (Langdurig ingezetenen), C‑503/19 en C‑592/19, EU:C:2020:629, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak\].

59. In dit kader staat het aan elke lidstaat om de veilige landen van herkomst aan te merken op de in de artikelen 36 en 37 en bijlage I bij richtlijn 2013/32 voorgeschreven wijze, te weten met name de vaststelling van een lijst van derde landen volgens de in bijlage I vastgelegde criteria, de vaststelling van verdere toepassingsvoorschriften en -bepalingen, de kennisgeving aan de Commissie van de lijst van veilige landen van herkomst en de periodieke herziening ervan (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, A, C‑404/17, EU:C:2018:588, punt 28).

60. Noch deze bepalingen, noch enige andere bepaling van richtlijn 2013/32 vermelden evenwel welke instantie(s) van de lidstaten moet(en) worden belast met het aanwijzen van veilige landen van herkomst op nationaal niveau noch welk relevant rechtsinstrument daarvoor moet worden gebruikt.

61. In dit verband zij eraan herinnerd dat uit artikel 288, derde alinea, VWEU volgt dat de lidstaten bij de omzetting van een richtlijn over een beoordelingsmarge beschikken met betrekking tot de keuze van de middelen en wegen voor de uitvoering ervan. Wat de keuze van de bevoegde autoriteiten en de relevante rechtsinstrumenten betreft teneinde op nationaal niveau derde landen als veilig land van herkomst aan te merken, staat dus niets eraan in de weg dat binnen een lidstaat wordt besloten de nationale wetgever met de taak te belasten om veilige landen van herkomst aan te merken door middel van een wetgevingshandeling.

62. Deze beoordelingsmarge van de lidstaten bij de uitvoering van de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32 doet evenwel niet af aan de verplichting die op elk van die lidstaten rust om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van deze richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren (zie in die zin arresten van 10 april 1984, von Colson en Kamann, [14/83](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-14-83-arrest), [EU:C:1984:153](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-14-83-arrest), punt [15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-14-83-arrest#point-15), en 31 maart 2022, Lombard Lízing, C‑472/20, EU:C:2022:242, punt 35).

63. In het bijzonder doet deze beoordelingsmarge niet af aan de verplichting van elke nationale rechter om zorg te dragen voor de volle werking van de bepalingen van richtlijn 2013/32 en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke – zelfs latere – bepaling van nationale wetgeving die in strijd zou zijn met de rechtstreeks werkende bepalingen van deze richtlijn buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing van de betrokken bepaling van de nationale wetgeving bij wet of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten (zie in die zin arresten van 9 maart 1978, Simmenthal, [106/77](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-106-77-arrest), [EU:C:1978:49](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-106-77-arrest), punten [21](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-106-77-arrest#point-21) en [24](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-106-77-arrest#point-24), en 28 januari 2025, ASG 2, C‑253/23, EU:C:2025:40, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64. Bij gebreke van Unieregelgeving ter zake is het weliswaar voorts een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om, krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten, de procedureregels vast te stellen voor beroepen die ertoe strekken om de aan de rechtsorde van de Unie ontleende individuele rechten te beschermen, op voorwaarde dat het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen, maar zijn de lidstaten er in alle gevallen verantwoordelijk voor om te verzekeren dat het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming van deze rechten wordt geëerbiedigd, zoals is gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest, waarbij de omvang van dit recht in casu wordt afgebakend door artikel 46 van richtlijn 2013/32 (zie in die zin arrest van 3 juli 2025, Al Nasiria, C‑610/23, EU:C:2025:514, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65. Hieruit volgt dat de door een lidstaat gemaakte keuze met betrekking tot de bevoegde autoriteit en het rechtsinstrument dat op nationaal niveau wordt ingezet om veilige landen van herkomst aan te merken overeenkomstig de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32, niet van invloed kan zijn op de krachtens deze richtlijn op die lidstaat rustende verplichtingen. Het staat dus met name aan elke lidstaat om de eerbiediging van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel te verzekeren, dat in artikel 46, lid 1, van deze richtlijn wordt toegekend aan personen die om internationale bescherming verzoeken in het kader van beslissingen inzake hun verzoeken, en waarvan de omvang in artikel 46, lid 3, van deze richtlijn wordt bepaald.

66. In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat wanneer overeenkomstig artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 – gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest – bij een nationale rechterlijke instantie beroep wordt ingesteld tegen een beslissing inzake een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere regeling voor verzoeken van verzoekers die afkomstig zijn uit derde landen die overeenkomstig artikel 37 van richtlijn 2013/32 als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, deze rechterlijke instantie er in het kader van het krachtens artikel 46, lid 3, vereiste volledige en ex-nunconderzoek, op basis van de elementen van het dossier en de elementen die haar in de loop van het geding ter ore zijn gekomen, rekening mee moet houden dat de in bijlage I bij die richtlijn geformuleerde materiële voorwaarden voor een dergelijke aanmerking niet zijn vervuld (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 98).

67. Gelet op de in de punten 62 en 63 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan de omstandigheid dat een lidstaat ervoor heeft gekozen om door middel van een wetgevingshandeling veilige landen van herkomst aan te merken er dan ook niet aan in de weg staan dat de nationale rechter die is aangezocht onder de omstandigheden die in het vorige punt van het onderhavige arrest zijn uiteengezet toetst – al was het maar incidenteel – of de aanmerking van het derde land in kwestie als veilig land van herkomst voldoet aan de daartoe in bijlage I bij richtlijn 2013/32 genoemde materiële voorwaarden.

68. Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de artikelen 36 en 37 en artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat een derde land door middel van een wetgevingshandeling als veilig land van herkomst aanmerkt, op voorwaarde dat deze aanmerking kan worden onderworpen aan een rechterlijke toetsing om na te gaan of is voldaan aan de in bijlage I bij deze richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanmerking, waarbij die toetsing moet kunnen worden verricht door iedere nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing inzake een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere regeling voor verzoeken van verzoekers uit derde landen die als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt.

##### Tweede en derde vraag

69. Met zijn tweede vraag en derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 36 en 37 en artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat ten eerste de lidstaat die een derde land aanmerkt als een veilig land van herkomst de informatiebronnen – in de zin van artikel 37, lid 3, van deze richtlijn – waarop deze aanmerking is gebaseerd toegankelijk moet maken, en ten tweede de nationale rechter bij wie beroep wordt ingesteld tegen een beslissing inzake een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere behandelingsregeling voor verzoeken van verzoekers uit derde landen die als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, de informatie in aanmerking kan nemen die hij zelf heeft verzameld wanneer hij nagaat of aan de in bijlage I bij de richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanmerking is voldaan.

70. Artikel 37, lid 3, van richtlijn 2013/32 bepaalt dat de beoordeling of een derde land een veilig land van herkomst is, dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het in de plaats van het EASO gekomen EUAA, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

71. Het is juist dat noch deze bepaling noch enige andere bepaling van richtlijn 2013/32 uitdrukkelijk vaststelt dat de nationale autoriteit, die op nationaal niveau veilige landen van herkomst aanmerkt, de informatiebronnen op basis waarvan zij tot een dergelijke aanmerking is overgegaan, toegankelijk moet maken.

72. Feit blijft evenwel in de eerste plaats dat de aanmerking door een lidstaat van een derde land als veilig land van herkomst tot gevolg heeft dat de bijzondere behandelingsregeling van verzoeken om internationale bescherming van toepassing is op verzoekers die afkomstig zijn uit dat land. In het bijzonder stelt deze regeling, die in de punten 48 tot en met 51 van het onderhavige arrest uiteen is gezet, de lidstaten in staat om de behandelingsprocedure van deze verzoeken te versnellen, en berust zij op een vorm van weerlegbaar vermoeden van afdoende bescherming in het land van herkomst, dat overeenkomstig artikel 36, lid 1, van richtlijn 2013/32 door de verzoeker kan worden weerlegd door substantiële redenen in verband met zijn specifieke omstandigheden aan te voeren.

73. Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft benadrukt, moet de verzoeker in staat worden gesteld te weten om welke redenen zijn land van herkomst wordt geacht veilig te zijn, zodat hij dit vermoeden doeltreffend kan weerleggen. Bijgevolg moet die verzoeker uit dien hoofde toegang hebben tot de informatiebronnen op basis waarvan zijn land van herkomst als veilig land van herkomst is aangemerkt.

74. In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat personen die om internationale bescherming verzoeken, krachtens artikel 12, lid 1, onder d), van richtlijn 2013/32 juncto artikel 10, lid 3, onder b), van die richtlijn tijdens de behandelingsprocedure toegang hebben tot nauwkeurige en actuele informatie die de lidstaten hebben verzameld uit verschillende bronnen, zoals het EUAA en de UNHCR, en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van de verzoekers. Evenzo vloeit uit artikel 10, lid 4, van die richtlijn voort dat de nationale rechterlijke instanties ook toegang hebben tot de algemene informatie die zij nodig hebben om hun taak uit te oefenen.

75. Het gaat hierbij om informatiebronnen die vergelijkbaar zijn met die waarop de lidstaten zich overeenkomstig artikel 37, lid 3, van richtlijn 2013/32 kunnen baseren om een derde land als veilig land van herkomst aan te merken.

76. In de derde plaats zij eraan herinnerd dat artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32 personen die om internationale bescherming verzoeken een recht verleent op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie tegen beslissingen die inzake hun verzoek om internationale bescherming zijn gegeven. Artikel 46, lid 3, van deze richtlijn bakent de omvang van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel in die zin af dat de lidstaten die aan deze richtlijn zijn gebonden, ervoor moeten zorgen dat de rechterlijke instantie waarbij tegen de beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming wordt opgekomen een „volledig en ex-nunconderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden \[uitvoert\], met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn \[2011/95\]” (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77. Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de kenmerken van het in artikel 46 van richtlijn 2013/32 bedoelde rechtsmiddel moeten worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vormt. Artikel 47 van het Handvest volstaat op zichzelf en hoeft niet te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht, om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen. Bijgevolg kan dit niet anders liggen voor artikel 46, lid 3, van deze richtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest (arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78. In deze optiek zij er ten eerste op gewezen dat volgens vaste rechtspraak enerzijds de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing die door artikel 47 van het Handvest wordt gewaarborgd – in het licht waarvan artikel 46 van richtlijn 2013/32 moet worden uitgelegd – eist dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden waarop het jegens hem genomen besluit is gebaseerd, hetzij door lezing van het besluit zelf, hetzij doordat de redenen hem op zijn verzoek worden meegedeeld, teneinde hem de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden. Anderzijds moet deze bevoegde rechter kunnen eisen dat de betrokken autoriteit hem die redenen meedeelt, teneinde ten volle in staat te zijn de rechtmatigheid van het betrokken nationale besluit te toetsen (arresten van 4 juni 2013, ZZ, C‑300/11, EU:C:2013:363, punt 53, en 29 juli 2024, protectus, [C‑185/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-185-23-arrest), EU:C:2024:657, punt [79](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-185-23-arrest#point-79) en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79. Wanneer, zoals in de hoofdgedingen, een verzoek om internationale bescherming als kennelijk ongegrond is afgewezen op grond dat de verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met bijlage I bij die richtlijn, valt deze afwijzingsgrond in wezen samen met de gronden waarop het vermoeden van afdoende bescherming, dat voortvloeit uit de aanmerking van het betrokken land als veilig land van herkomst, is gebaseerd.

80. Gelet op de in punt 78 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet derhalve worden geoordeeld dat de doeltreffendheid van de rechterlijke bescherming vereist dat zowel de betrokken verzoeker als de aangezochte rechter niet alleen kennis kan nemen van de redenen voor een dergelijke afwijzing, maar ook toegang heeft tot de informatiebronnen op basis waarvan het derde land in kwestie als veilig land van herkomst is aangemerkt.

81. Ten tweede heeft het Hof met betrekking tot de omvang van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals omschreven in artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, geoordeeld dat de bewoordingen „\[ervoor\] zorgen \[…\] dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat”, aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten krachtens deze bepaling verplicht zijn hun nationale recht zodanig in te richten dat de behandeling van de bedoelde beroepen een onderzoek, door de rechter, omvat van alle elementen feitelijk en rechtens aan de hand waarvan hij een geactualiseerde beoordeling van het specifieke geval kan maken (arresten van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 110, en 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 87).

82. In dit verband zij allereerst opgemerkt dat de term „ex nunc” de verplichting van de rechter benadrukt om een beoordeling te maken die in voorkomend geval rekening houdt met nieuwe elementen die aan het licht zijn gekomen nadat de aangevochten beslissing is vastgesteld (arresten van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 111; 29 juli 2019, Torubarov, C‑556/17, EU:C:2019:626, punt 52, en 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 88).

83. Voorts bevestigt het woord „volledig” in artikel 46, lid 3, van deze richtlijn dat de rechter zowel de elementen moet onderzoeken waarmee de beslissingsautoriteit rekening heeft gehouden of had kunnen houden, als die welke zich hebben aangediend nadat deze autoriteit de beslissing heeft vastgesteld (arresten van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 113; 29 juli 2019, Torubarov, C‑556/17, EU:C:2019:626, punt 52, en 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 89).

84. Ten slotte wijzen de woorden „indien van toepassing”, die zijn opgenomen in de zinsnede „met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn \[2011/95\]”, op het feit dat het volledige en ex-nunconderzoek dat de rechter moet uitvoeren niet noodzakelijkerwijs betrekking hoeft te hebben op het onderzoek ten gronde van de behoeften aan internationale bescherming en dat dit dus betrekking kan hebben op de procedurele aspecten van een verzoek om internationale bescherming, waaronder de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punten 90 en 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85. Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof die is aangehaald in punt 66 van het onderhavige arrest, moet een nationale rechterlijke instantie overeenkomstig artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest – wanneer bij deze instantie beroep wordt ingesteld tegen een beslissing inzake een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de in punt 48 van het onderhavige arrest vermelde bijzondere behandelingsregeling –, er in het kader van het krachtens artikel 46, lid 3, vereiste volledige en ex-nunconderzoek, op basis van de elementen van het dossier en de elementen die haar in de loop van het geding ter ore zijn gekomen, rekening mee houden dat de in bijlage I bij die richtlijn geformuleerde materiële voorwaarden voor een dergelijke aanmerking mogelijk niet zijn vervuld.

86. Om te kunnen spreken van een doeltreffende toetsing door de rechter of de in bijlage I genoemde materiële voorwaarden bij richtlijn 2013/32 in acht zijn genomen, moet de aangezochte rechter de informatiebronnen op basis waarvan de bevoegde nationale autoriteit het betrokken derde land als veilig land van herkomst heeft aangemerkt, kunnen raadplegen. Dit doeltreffendheidsvereiste houdt ook in dat die rechter kan nagaan of deze aanmerking voldoet aan de in bijlage I bij die richtlijn genoemde materiële voorwaarden, door rekening te houden met andere informatie die hij in voorkomend geval zelf heeft verzameld, ongeacht of deze afkomstig is uit openbare bronnen dan wel uit bronnen die hij op zijn verzoek bij een van de partijen in het bij hem aanhangige geding heeft verkregen, op voorwaarde dat hij zich ervan heeft vergewist dat die informatie betrouwbaar is en deze partijen overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor de gelegenheid hebben om hun opmerkingen over die informatie in te dienen.

87. Hieruit volgt dat de lidstaten krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 verplicht zijn hun nationale recht zodanig in te richten dat wordt gewaarborgd dat de informatiebronnen waarop deze lidstaten zich moeten baseren om de veilige landen van herkomst aan te merken, op een toereikende en passende wijze toegankelijk zijn. Deze toegankelijkheid moet een uit een dergelijk land afkomstige persoon die om internationale bescherming verzoekt en de nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming, in staat stellen naar behoren kennis te nemen van die informatiebronnen overeenkomstig de in punt 78 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

88.

In het licht van het voorgaande moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat de artikelen 36 en 37 en artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat

– de lidstaat die een derde land als veilig land van herkomst aanmerkt, moet waarborgen dat de informatiebronnen in de zin van artikel 37, lid 3, van deze richtlijn, waarop die aanmerking is gebaseerd, op een toereikende en passende wijze toegankelijk zijn zodat, ten eerste, de betrokken persoon die om internationale bescherming verzoekt en die afkomstig is uit dat derde land zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden kan verdedigen en met volledige kennis van zaken kan beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden en, ten tweede, deze rechter in staat wordt gesteld om een beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming te toetsen;

– de nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing inzake een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere behandelingsregeling voor verzoeken van verzoekers uit derde landen die als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, de informatie in aanmerking mag nemen die hij zelf heeft verzameld wanneer hij nagaat – al is het maar incidenteel – of die aanmerking voldoet aan de daartoe in bijlage I bij die richtlijn genoemde materiële voorwaarden, op voorwaarde dat hij zich ervan vergewist dat deze informatie betrouwbaar is en dat aan de partijen in het geding wordt verzekerd dat het beginsel van hoor en wederhoor wordt geëerbiedigd.

##### Vierde vraag

89. Vooraf zij opgemerkt dat de vierde vraag geen betrekking heeft op de toetsing door de verwijzende rechter van de uitvoering van artikel 36, lid 1, van richtlijn 2013/32, waarin is bepaald dat het vermoeden van afdoende bescherming in het land van herkomst kan worden weerlegd wanneer de verzoeker substantiële redenen in verband met zijn specifieke omstandigheden aanvoert. Die vraag heeft enkel betrekking op de toetsing die deze rechter moet verrichten met betrekking tot de aanmerking, als zodanig, van het derde land van herkomst van verzoeker als veilig land van herkomst, overeenkomstig artikel 37 van deze richtlijn.

90. In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vierde vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 37 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met bijlage I bij die richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat een derde land als veilig land van herkomst aanmerkt dat met betrekking tot bepaalde categorieën personen niet voldoet aan de in bijlage I bij de richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanmerking.

91. Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling rekening worden gehouden met de bewoordingen, de context ervan en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt \[arresten van 17 november 1983, Merck, [292/82](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-292-82-arrest), [EU:C:1983:335](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-292-82-arrest), punt [12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-292-82-arrest#point-12), en 6 juli 2023, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑8/22, EU:C:2023:542, punt 29\].

92. Wat in de eerste plaats de bewoordingen betreft van artikel 37 van richtlijn 2013/32, dat volgens het opschrift ervan betrekking heeft op de aanmerking, door een lidstaat, van derde landen als veilig land van herkomst, zij erop gewezen dat daarin herhaaldelijk wordt verwezen naar de begrippen „land” en „derde land”. Niets in de bewoordingen van deze bepaling wijst erop dat deze begrippen in het kader van die aanmerking geacht kunnen worden betrekking te hebben op slechts een deel, in voorkomend geval de meerderheid, van de bevolking van het betrokken derde land, met uitsluiting van een ander deel van die bevolking of van bepaalde categorieën personen.

93. Wat in de tweede plaats de context van artikel 37 van richtlijn 2013/32 betreft, blijkt ten eerste uit dit artikel dat de lidstaten overeenkomstig bijlage I bij deze richtlijn veilige landen van herkomst kunnen aanmerken. Net als de bewoordingen van artikel 37 bevatten de in deze bijlage van dat artikel vermelde criteria echter geen aanwijzingen aangaande de vraag of het de lidstaten vrijstaat een derde land als veilig land van herkomst aan te merken terwijl er met betrekking tot bepaalde categorieën bevolkingsgroepen van dit land niet is voldaan aan de in die bijlage I genoemde materiële voorwaarden.

94. Integendeel, volgens de bewoordingen van deze bijlage hangt de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst ervan af of kan worden aangetoond dat er „algemeen gezien” en „op duurzame wijze” geen sprake is van vervolging, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

95. In dit verband is het juist dat de taalversies van bijlage I bij richtlijn 2013/32 van elkaar verschillen. Enkel in de Franse taalversie van deze bijlage wordt het bijwoord „uniformément” (uniform) vermeld. De andere taalversies van die bijlage, zoals de Bulgaarse („за всеки отделен случай”), de Spaanse („sistemática”), de Tsjechische („soustavně”), de Deense („til stadighed”), de Duitse („durchgängig”), de Estse („järjekindlat”), de Griekse („μόνιμα”), de Engelse („consistently”), de Kroatische („trajno”), de Italiaanse („costantemente”), de Letse („konsekventi”), de Litouwse („sistemingai”), de Hongaarse („következetesen”), de Maltese („konsistentement”), de Nederlandse („duurzame”), de Poolse („konsekwentnie”), de Portugese („sistemático”), de Roemeense („consecvent”), de Slowaakse („sústavne”), de Sloveense („redno”), de Finse („jatkuvasti”) en de Zweedse taalversie („genomgående”), komen overeen met termen als „constant”, „systematisch”, „duurzaam”, „voortdurend” of „coherent”.

96. Afgezien van deze semantische verschillen verwijzen deze bewoordingen evenwel allemaal naar een begrip van onveranderlijkheid. De bewoordingen lijken dientengevolge erop te duiden dat, bij gebreke van elke verwijzing in artikel 37 van richtlijn 2013/32 of bijlage I bij van deze richtlijn naar een deel van de bevolking van het derde land in kwestie, ten aanzien van de gehele bevolking van het desbetreffende derde land aan de voorwaarden van deze bijlage moet zijn voldaan om dat land als veilig land van herkomst te kunnen aanmerken. Zij geven aldus uitdrukking aan de keuze van de Uniewetgever om de aanmerking als een veilig land van herkomst afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat het derde land over het algemeen veilig is voor zijn gehele bevolking en niet slechts voor een deel daarvan.

97. Overigens is het zo dat er zelfs in een land dat over het algemeen veilig is voor de gehele bevolking geen absolute garantie is dat het voor elk individu veilig is. Om die reden heeft de Uniewetgever in artikel 36, lid 1, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van de overwegingen 40 en 42 van deze richtlijn, bepaald dat elke persoon die om internationale bescherming verzoekt en die afkomstig is uit een land dat als veilig land van herkomst is aangemerkt, het vermoeden van afdoende bescherming kan weerleggen door substantiële redenen in verband met zijn specifieke omstandigheden aan te voeren.

98. Wat ten tweede het aan artikel 24 van richtlijn 2013/32 ontleende argument betreft, moet worden opgemerkt dat dit artikel, dat volgens het opschrift ervan betrekking heeft op „\[v\]erzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven”, geen verband houdt met de aanmerking van een derde land als „veilig land van herkomst” in de zin van artikel 37 en van bijlage I bij deze richtlijn.

99. Ten derde biedt de aanmerking, door een lidstaat, van derde landen als veilige landen van herkomst de mogelijkheid om verzoeken om internationale bescherming van uit deze derde landen afkomstige aanvragers te onderwerpen aan een bijzondere behandelingsregeling die derogerend van aard is, zoals in de punten 48 tot en met 51 van het onderhavige arrest is uiteengezet.

100. Indien artikel 37 van richtlijn 2013/32 aldus wordt uitgelegd dat het de mogelijkheid biedt om een derde land als veilig land van herkomst aan te merken terwijl dit land met betrekking tot bepaalde categorieën personen niet aan de in bijlage I bij die richtlijn genoemde materiële voorwaarden voldoet, zou dit tot een verruiming van de werkingssfeer van deze bijzondere behandelingsregeling leiden. Aangezien de bewoordingen van artikel 37 of, meer algemeen, van die richtlijn geen steun bieden voor een dergelijke uitlegging, zou de erkenning van een dergelijke mogelijkheid voorbijgaan aan de strikte uitlegging die aan afwijkende bepalingen moet worden gegeven \[zie in die zin arresten van 5 maart 2015, Commissie/Luxemburg, [C‑502/13](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-502-13-arrest), EU:C:2015:143, punt [61](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-502-13-arrest#point-61), en 8 februari 2024, Bundesrepublik Deutschland (Ontvankelijkheid van een volgend verzoek), C‑216/22, EU:C:2024:122, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak\].

101. Wat in de derde plaats de doelstellingen van richtlijn 2013/32 betreft, zij eraan herinnerd dat deze richtlijn, afgezien van het feit dat zij de algemene doelstelling nastreeft om gemeenschappelijke procedurevoorschriften op te stellen, er meer in het bijzonder naar streeft dat „zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen \[inzake verzoeken om internationale bescherming\], onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling”, zoals met name uit overweging 18 ervan blijkt (arresten van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 109, en 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 78).

102. Tegen deze achtergrond kan in overweging 20 van deze richtlijn worden gelezen dat in welbepaalde omstandigheden, wanneer bijvoorbeeld een verzoek waarschijnlijk ongegrond is, de lidstaten de behandelingsprocedure moeten kunnen versnellen, in het bijzonder door voor bepaalde procedurestappen kortere maar redelijke termijnen in te voeren, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling en onverminderd daadwerkelijke toegang tot de basisbeginselen en waarborgen voor de verzoeker waarin deze richtlijn voorziet (arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 79).

103. Zoals in de punten 48 tot en met 51 van het onderhavige arrest is uiteengezet, kan een lidstaat verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend door verzoekers uit een derde land dat door die lidstaat als veilig land van herkomst is aangemerkt, om die reden onderwerpen aan een bijzondere behandelingsregeling, waardoor het onder meer mogelijk is de behandelingsprocedure van dergelijke verzoeken te versnellen (zie in die zin, arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 80).

104. Aangezien richtlijn 2013/32, zoals in punt 101 van het onderhavige arrest is opgemerkt, een snelle en volledige behandeling van verzoeken om internationale bescherming beoogt te waarborgen, staat het aan de Uniewetgever om, bij de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid in het kader van de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de verlening en intrekking van internationale bescherming, deze twee doelstellingen tegen elkaar af te wegen wanneer hij bepaalt onder welke voorwaarden de lidstaten een derde land als veilig land van herkomst kunnen aanmerken (arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky, C‑406/22, EU:C:2024:841, punt 81).

105. Indien deze wetgever in het kader van richtlijn 2013/32 niet heeft voorzien in de mogelijkheid voor de lidstaten om, met het oog op een dergelijke aanmerking, categorieën personen uit te sluiten, weerspiegelt dit dan ook deze belangenafweging en getuigt het van diens voorkeur voor een volledig onderzoek van verzoeken om internationale bescherming die worden ingediend door verzoekers wier land van herkomst niet met betrekking tot de hele bevolking ervan voldoet aan de materiële voorwaarden van bijlage I bij deze richtlijn.

106. Hoewel artikel 61, lid 2, van verordening 2024/1348, die in artikel 78 bepaalt dat richtlijn 2013/32 met ingang van 12 juni 2026 wordt ingetrokken, een dergelijke bevoegdheid invoert door te bepalen dat bij de aanwijzing op zowel het niveau van de Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor duidelijk identificeerbare categorieën personen, is dat een prerogatief van de Uniewetgever, die op die keuze mag terugkomen door een hernieuwde afweging van de betrokken belangen te maken.

107. In die context moet tevens worden opgemerkt dat het aan deze wetgever staat om de datum te kiezen waarop een nieuwe bepaling – zoals artikel 61, lid 2, van verordening 2024/1348 – van toepassing wordt; een keuze die hij in artikel 79, leden 2 en 3, van deze verordening heeft gemaakt. Bovendien staat het die wetgever vrij om op die keuze terug te komen door laatstgenoemde bepaling te wijzigen, hetgeen overigens door de Commissie is voorgesteld. Artikel 1, lid 2, van het voorstel van de Commissie van 16 april 2025 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van verordening (EU) 2024/1348 \[COM(2025) 186 final\] bepaalt dat artikel 79, leden 2 en 3, van verordening 2024/1348 wordt gewijzigd, teneinde onder andere artikel 61, lid 2, ervan, vervroegd toe te passen.

108. Gelet op de vereisten waarop is gewezen in de punten 66 en 85 van het onderhavige arrest en voor zover artikel 37 van richtlijn 2013/32 op de hoofdgedingen van toepassing is en niet artikel 61, lid 2, van verordening 2024/1348, staat het dus aan de verwijzende rechter om overeenkomstig artikel 46, lid 3, van deze richtlijn – gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest – op basis van de elementen van het dossier en de elementen die hem in de loop van het geding ter ore zijn gekomen na te gaan of de aanmerking van de Volksrepubliek Bangladesh als veilig land van herkomst, in artikel 2 bis, lid 1, van wetsbesluit nr. 25/2008 na de wijziging ervan door voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024, ten aanzien van de hele bevolking van dat derde land voldoet aan de in bijlage I bij de richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanmerking.

109. Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 37 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met bijlage I bij die richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat een derde land als veilig land van herkomst aanmerkt dat met betrekking tot bepaalde categorieën personen niet voldoet aan de in bijlage I bij deze richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanmerking.

### Kosten

110. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen.

### Dictum

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1) De artikelen 36 en 37 alsmede artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat een derde land door middel van een wetgevingshandeling als veilig land van herkomst aanmerkt, op voorwaarde dat deze aanmerking kan worden onderworpen aan een rechterlijke toetsing om na te gaan of is voldaan aan de in bijlage I bij deze richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanmerking, waarbij die toetsing moet kunnen worden verricht door iedere nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing inzake een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere regeling voor verzoeken van verzoekers uit derde landen die als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt.

2) De artikelen 36 en 37, alsmede artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat – de lidstaat die een derde land als veilig land van herkomst aanmerkt, moet waarborgen dat de informatiebronnen in de zin van artikel 37, lid 3, van deze richtlijn, waarop die aanmerking is gebaseerd, op een toereikende en passende wijze toegankelijk zijn zodat, ten eerste, de betrokken persoon die om internationale bescherming verzoekt en die afkomstig is uit dat derde land zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden kan verdedigen en met volledige kennis van zaken kan beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden en, ten tweede, deze rechter in staat wordt gesteld om een beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming te toetsen; – de nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing inzake een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere behandelingsregeling voor verzoeken van verzoekers uit derde landen die als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, de informatie in aanmerking mag nemen die hij zelf heeft verzameld wanneer hij nagaat – al is het maar incidenteel – of die aanmerking voldoet aan de daartoe in bijlage I bij die richtlijn genoemde materiële voorwaarden, op voorwaarde dat hij zich ervan vergewist dat deze informatie betrouwbaar is en dat aan de partijen in het geschil wordt verzekerd dat het beginsel van hoor en wederhoor wordt geëerbiedigd.

3) Artikel 37 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met bijlage I bij die richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat een derde land als veilig land van herkomst aanmerkt dat met betrekking tot bepaalde categorieën personen niet voldoet aan de in bijlage I bij deze richtlijn genoemde materiële voorwaarden voor die aanmerking.

ondertekeningen

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

23

richtlijn 2013/32 art. 37 uitgelegd 29 voorkomens

richtlijn 2013/32 art. 46 uitgelegd 23 voorkomens

richtlijn 2013/32 art. 36 uitgelegd 15 voorkomens

richtlijn 2013/32 art. 38 9 voorkomens

verordening 2024/1348 art. 61 5 voorkomens

VWEU art. 267 2 voorkomens

richtlijn 2013/32 art. 10 2 voorkomens

richtlijn 2013/32 art. 32 2 voorkomens

EG-Verdrag art. 33 1 voorkomen

VWEU art. 288 1 voorkomen

richtlijn 2011/95 art. 9 1 voorkomen

richtlijn 2013/32 art. 12 1 voorkomen

richtlijn 2013/32 art. 24 1 voorkomen

richtlijn 2013/32 art. 31 1 voorkomen

richtlijn 2013/32 art. 61 1 voorkomen

verordening 2024/1348 art. 79 1 voorkomen

[106/77, arrest van 9 maart 1978](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-106-77-arrest) 2 voorkomens

[83/78, arrest van 29 november 1978](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-83-78-arrest) 1 voorkomen

[292/82, arrest van 17 november 1983](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-292-82-arrest) 1 voorkomen

[14/83, arrest van 10 april 1984](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-14-83-arrest) 1 voorkomen

[35/85, arrest van 20 maart 1986](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-35-85-arrest) 1 voorkomen

[C-502/13, arrest van 5 maart 2015](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-502-13-arrest) 1 voorkomen

[C-185/23, arrest van 29 juli 2024](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-185-23-arrest) 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Hof van Justitie C-379/24 22.01.2026

#### [Fiscaliteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-379-24-arrest)

## Rechtsleer

8

Simon, Denys: Protection internationale - Pays tiers d'origine sûr, Europe 2025, nº 10 Octobre, Comm. 300 (FR)

Cortese, Bernardo: DAI PAESI (TERZI) DI ORIGINE SICURI A UN PAESE FONDATORE NON PIÙ COSÌ SICURO DEL SUO POSTO NEL DIRITTO DELL’UNIONE: RIFLESSIONI A MARGINE DI CORTE DI GIUSTIZIA, SENTENZA 1° AGOSTO 2025, CAUSE RIUNITE C-758/24 E C-759/24, ALACE E CANPELLI, Diritto, immigrazione e cittadinanza 2025, n° 3, p. 1-29 (IT)

Abrisketa Uriarte, Joana: La designación de un tercer país como “país de origen seguro”: aclaraciones del Tribunal de Justicia de la Unión Europea, La Ley Unión Europea 2025, nº 141, p. 1-18 (ES)

Cellamare, Giovanni: La sentenza Alace e Canpelli: la conferma del carattere indivisibile del concetto di Paese sicuro nella direttiva procedure, Rivista Eurojus 2025, n° 3, p. 1-7 (IT)

Arenas Montañana, Nuria: El concepto de país de origen seguro y la tutela judicial efectiva en el Derecho de la Unión Europea, La Ley Unión Europea 2026, nº 143, p. 1-15 (ES)

**Bekijk de 3 andere verwijzingen**

Frasca, Eleonora ; Carlier, Jean-Yves: Droit européen des migrations, Journal de droit européen 2026/3, nº 327, p. 108-121 (FR)

Endres de Oliveira, Pauline: EuGH zu sicheren Herkunftsstaaten – Anmerkung zum Urteil des EuGH v. 1.8.2025, Rs. C-758/24 und C-759/24 – Alace und Canpelli, Europarecht 2026, n° 1, p. 1-5 (DE)

Kanyamihanda, Adeodata: ‘Veilig land van herkomst’: het Hof verfijnt en beperkt voorlopig verder de beoordelingsruimte van de lidstaten, S.E.W. : Tijdschrift voor Europees en economisch recht 2026, n° 2, p. 89-94 (NL)
