---
title: "HvJ EU, 74/74, Comptoir national technique agricole (CNTA) SA, arrest van 14 mei 1975 · Verordening 974/71 art. 7 en art. 1"
description: "Arrest van het HvJ EU van 14 mei 1975, 74/74, Comptoir national technique agricole (CNTA) SA: verordening 974/71 art. 7 en art. 1."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-74-74-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-74-74-arret"
---

# Arrest van het Hof van 14 mei 1975, 74/74, Comptoir national technique agricole (CNTA) SA · Verordening 974/71 art. 7 en art. 1

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

74/74

**ECLI**

ECLI:EU:C:1975:59

**Datum**

14 mei 1975

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens aansprakelijkheid gegrond

**Zaak ingediend op**

1 oktober 1974

**Advocaat-generaal**

Trabucchi

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1975, blz. 533

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Sørensen

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [Monetaire maatregelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05) [Monetair compenserende bedragen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05.02) 13 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Beroep tot schadevergoeding](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05) [Leerstuk van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05.02) [Grondslag van de aansprakelijkheid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05.02.01) 9 beslissingen

## Tekst

123 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten en de tijdens de schriftelijke behandeling door partijen voorgedragen argumenten kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Feiten en procesverloop

1.

Volgens de bij verordening nr. 136/66 van de Raad van 22 september 1966 (PB 1966, blz. 3025) ingestelde gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten worden voor koolzaad en raapzaad een richtprijs en een interventieprijs vastgesteld.

Bij uitvoer naar derde landen kan een restitutie worden verleend die ten hoogste gelijk is aan het verschil tussen de prijzen in de Gemeenschap en de prijsnoteringen op de wereldmarkt. Daar deze sector in de Gemeenschap wordt gekenmerkt door een aanzienlijke behoefte enerzijds en een geringe eigen produktie anderzijds, voorziet de verordening niet in een bijzondere tariefbescherming voor koolzaad en daarmee evenmin in een heffing bij invoer.

Daarentegen kan wel steun worden verleend voor in de Gemeenschap geoogste en verwerkte zaden. Het steunbedrag is in het algemeen gelijk aan het verschil tussen de richtprijs en de prijs op de wereldmarkt.

Volgens de verordening kunnen de restituties en steunbedragen vooraf worden vastgesteld.

2.

Verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB L 106, blz. 1) voerde een stelsel van compenserende heffingen in. Artikel 1, lid 1, in de toenmalige redactie, machtigt de Lid-Staten „indien (zij toestaan) dat de wisselkoers van (hun) munteenheid voor handelstransacties de fluctuatiegrens die bij de internationale regeling is toegelaten, in bovenwaartse richting overschrijdt”, voor bepaalde produkten „compenserende bedragen te heffen bij de invoer uit Lid-Staten en derde landen en compenserende bedragen toe te kennen bij de uitvoer naar Lid-Staten en derde landen”. De laatste zin van het artikel luidt: „Van deze mogelijkheid wordt slechts gebruik gemaakt voor zover de toepassing van de in lid 1 bedoelde monetaire maatregelen verstoringen zou veroorzaken in de handel in landbouwprodukten.”

Artikel 2, lid 1, van de verordening bepaalt dat de compenserende bedragen worden vastgesteld door op de prijs van de betrokken waren een bepaald percentage toe te passen dat overeenkomt met her verschil tussen de pariteit van de munteenheid van de betrokken Lid-Staat enerzijds en het gemiddelde van de contante wisselkoersen van deze munteenheid ten opzichte van de dollar der Verenigde Staten anderzijds.

De uitvoeringsbepalingen van de verordening worden vastgesteld door de Commissie op voorstel van de comités van beheer.

Bij verordening nr. 1471/71 van 9 juli 1971 (PB nr. L 154, blz. 26) heeft de Commissie deze regeling mede van toepassing verklaard op koolzaad.

Daar het stelsel der compenserende bedragen is uitgebreid tot Frankrijk, heeft de Commissie bij verordening nr. 17/72 van 31 december 1971 (PB nr. L 5, blz. 1) de vanaf 3 januari 1972 geldende compenserende bedragen in het handelsverkeer tussen Frankrijk en derde landen voor koolzaad vastgesteld op 3,95 Ffr per 100 kg koolzaad. Bij verordening nr. 144/72 van 21 januari 1972 (PB nr. L 19, blz. 1) heeft de Commissie dit bedrag met ingang van 24 januari 1974 verhoogd tot 4,75 Ffr per 100 kg.

Bij verordening nr. 189/72 van 26 januari 1972 (PB nr. L 24 van 28 januari 1972, blz. 25) heeft de Commissie de compenserende bedragen voor de sector oliën en vetten per 1 februari 1972 ingetrokken, overwegende „dat de huidige marktsituatie zodanig is dat de toepassing van deze compenserende bedragen niet meer noodzakelijk blijkt om verstoringen van het handelsverkeer in bovengenoemde produkten te voorkomen.”

3.

Verzoekster houdt zich bezig met de koop en verkoop en de verwerking van koolzaad. Van mening dat de intrekking van de compenserende bedragen de uitvoering van lopende leveringsovereenkomsten had doorkruist en haar aanzienlijke schade had toegebracht, vorderde zij van de Commissie deswege vergoeding. Zij begrootte haar schade op 967375,74 Ffr, zulks door het ten tijde der voorfixaties geldende compenserende bedrag ad 3,95 Ffr toe te passen zowel op de vóór 1 februari 1972 geprefixeerde, doch nadien uitgevoerde hoeveelheden (8000 ton), als op de hoeveelheden waarvoor vóór 1 februari 1972 geprefixeerde steuncertificaten waren afgegeven, doch die eerst na die datum onder controle waren gesteld (16490525 ton).

De Commissie heeft deze vordering afgewezen.

4.

Door verzoekster is op 1 oktober 1974 beroep ingesteld. De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad.

Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Conclusies van partijen

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

de Commissie te veroordelen tot betaling van een bedrag van 955130,47 Ffr alsmede van schade, kosten en wettelijke en contractuele interessen.

De Commissie concludeert dat het den Hove behage:

het beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren;

verzoekster in de kosten te verwijzen.

#### III — Middelen en argumenten van partijen

##### Ten aanzien van de ontvankelijkheid

De Commissie acht het beroep niet-ontvankelijk, wegens het gebrekkig verzoekschrift. Dit voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 38, paragraaf 1, van 's Hofs Reglement voor de procesvoering, bepalende dat het verzoekschrift het onderwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting der aangevoerde middelen moet bevatten.

Zij wijst erop dat verzoekster haar schadevordering uitsluitend baseert op de volgende feiten: de onder-controlestelling door haar van bepaalde hoeveelheden koolzaad, de afgifte van een bepaald aantal uitvoercertificaten en het compenserende bedrag voor koolzaad. Dit is kennelijk onvoldoende, niet alleen om het exacte onderwerp van geschil te kunnen bepalen, doch ook voor een goed begrip van de door verzoekster aangevoerde middelen.

Na deze opsomming van ontbrekende essentiële gegevens meent de Commissie voorts dat conclusies zoals in casu voorgedragen, namelijk tot betaling van een som ad X maal de ingetrokken compenserende bedragen, niet voldoende grondslag bieden voor een beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid. Uit 's Hofs jurisprudentie blijkt dat het beroep tot schadevergoeding niet in de plaats kan treden van een beroep tot betaling van een geldsom. Het bestaan van schade, los van het verlies van geldelijke voordelen door intrekking der compenserende bedragen, is een essentieel element voor het beroep.

De Commissie wijst er in het bijzonder op dat uit het verzoekschrift niet blijkt hoe met betrekking tot de 16800 ton koolzaad die onder controle zijn gesteld een zodanige schade kon zijn geleden door de intrekking van compenserende bedragen die immers niet van toepassing waren op de steunuitkering voor koolzaad.

Verzoekster repliceert dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 38, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering, moet worden afgewezen. Het verzoekschrift voldoet aan de voorwaarden van dit artikel, zoals dit door het Hof wordt verstaan.

Het onderwerp van geschil is duidelijk uiteengezet. Verzoekster klaagt over de schade die de Commissie haar heeft toegebracht door bij verordening nr. 189/72 de compenserende geldbedragen in te trekken, en vraagt vergoeding daarvan.

De bewering over het ontbreken van middelen is onjuist, er zijn integendeel tal van middelen aangevoerd.

Wat betreft de schade, brengt verzoekster in de eerste plaats in herinnering dat artikel 38 van het Reglement voor de procesvoering deze niet noemt, en wijst zij er vervolgens op dat de schade besloten ligt in het onderwerp van geschil en in de aangevoerde middelen. Verzoekster heeft de aard en het bedrag van de schade aangegeven. Enerzijds beklaagt zij zich erover dat haar geen compenserende bedragen over haar uitvoer zijn toegekend, en anderzijds dat zij door de intrekking van de compenserende bedragen in een abnormale concurrentiepositie is gebracht. Immers, het feit dat ook de invoer niet meer werd getroffen door de compenserende bedragen, leidde tot prijsverlaging en dus tot een verlies voor de handelaren in de Gemeenschap. Weliswaar is de schade in abstracto berekend, doch de wijze van berekening raakt de zaak ten principale.

Na een onderzoek van 's Hofs rechtspraak betoogt verzoekster dat de bewering van de Commissie dat verzoekster het bestaan moet aantonen van een schade die los staat van die welke is veroorzaakt door de verordening, dient te worden verworpen.

In dupliek handhaaft de Commissie haar conclusies ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het beroep.

##### Ten principale

In haar verzoekschrift wijst verzoekster erop dat als argument voor de intrekking der compenserende bedragen was aangevoerd dat deze niet meer noodzakelijk bleken om verstoringen te voorkomen. Volgens verzoekster had zich echter in de vijf dagen tussen de vaststelling van de verordeningen nrs. 144/72 en 189/72 in de sector oliën en vetten geen enkele bijzondere gebeurtenis voorgedaan die deze intrekking kon rechtvaardigen. Integendeel, de koers van de dollar zakte in deze periode duidelijk ten opzichte van de Franse frank. Het besluit van de Commissie naar aanleiding van tendentieuze inlichtingen volgens welke de oogsttransacties waren afgesloten en compenserende bedragen niet meer nodig waren, was lichtzinnig en overhaast. Verzoekster betoogt dat het besluit in strijd was met artikel 7 van verordening nr. 974/71, volgens hetwelk geen gedeeltelijk of tijdelijk gebruik mag worden gemaakt van de gegeven machtiging om compenserende bedragen toe te passen. Bovendien was het besluit in strijd met de geest van het Commissiebeleid om de steunbedragen en restituties te berekenen op basis van de werkelijke waarde van de Amerikaanse dollar.

Volgens verzoekster hebben de verwerkende bedrijven en de exporteurs van koolzaad tussen 19 december 1971 en 1 februari 1972 vaste steunbedragen en restituties vooraf ingecalculeerd op basis van een bepaalde context. Naar haar mening mochten zij in alle oprechtheid aannemen dat zij, naast het steunbedrag, door een vastgesteld en gepubliceerd compenserend bedrag waren beschermd tegen abnormale concurrentie van zaden uit derde landen en dat zij behalve het restitutiebedrag compenserende bedragen bij uitvoer naar derde landen zouden ontvangen.

Verzoekster acht het duidelijk dat de Commissie aansprakelijk is, te meer omdat deze in soortgelijke gevallen heeft besloten de handelaren schadeloos te stellen. Zij verwijst naar verordening nr. 2041/73 van 27 juli 1973 houdende overgangsmaatregelen voor de toepassing van het op 4 juni 1973 ingevoerde nieuwe stelsel van differentiële bedragen voor kool- en raapzaad (PB nr. L 207, blz. 33).

In haar verweerschrift wijst de Commissie op de regelingen, in verband waarmee het beroep moet worden gezien. Zij merkt op dat het stelsel van compenserende heffingen haar een ruime toepassingsvrijheid laat en dat het slechts voorziet in een zuiver monetaire compensatie bij de verhandeling van produkten. Het is niet bestemd voor aanpassing van in de Gemeenschap bestaande prijsgaranties aan de koerswijziging der munteenheden.

Overigens constateert de Commissie dat het verzoekschrift niets zegt over het causaal verband tussen het litigieuze feit en de schade. Haars inziens kan het litigieuze feit echter niet tot aansprakelijkheid harerzijds leiden: verordening nr. 189/72 is volkomen wettig en de intrekking der compenserende bedragen is niet onrechtmatig.

Volgens de Commissie is de verordening een „normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert”. Volgens de jurisprudentie van het Hof kan de Gemeenschap voor dientengevolge door particulieren geleden schade slechts aansprakelijk worden gesteld wanneer er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een te hunner bescherming gegeven hogere rechtsregel. Verzoeker voert echter geen zodanige schending aan.

De Commissie verwerpt voorts de beweringen van verzoekster met betrekking tot de onwettigheid der verordening.

Het argument ontleend aan artikel 7 van verordening nr. 974/71 is niet relevant, immers, volgens 's Hofs jurisprudentie (arrest van 24 oktober 1973, Merkur t. Commissie, Jurispr. 1973, blz. 1055), richt dit artikel zich uitsluitend tot de Lid-Staten.

Anders dan verzoekster beweert, heeft de Commissie nooit gesteld dat de handel in koolzaad op 26 januari 1972 geheel was afgelopen. De Commissie verwijst hiertoe naar de reeds genoemde tweede overweging van de considerans van verordening nr. 189/72. De compenserende bedragen konden worden afgeschaft omdat zij niet meer onmisbaar waren daar de oogst goeddeels was afgezet. Toen de verordening werd vastgesteld, was dus in feite de handel in koolzaad grotendeels afgelopen. De handhaving der compenserende bedragen zou bovendien bepaalde nadelen hebben meegebracht: enerzijds drukten zij de invoer van een deficitair produkt, anderzijds bestond er een reëel substitutiegevaar op de markt, daar de compenserende bedragen niet golden voor concurrerende produkten, zoals soja.

Ten slotte betwist de Commissie dat zij verplicht was overgangsmaatregelen te nemen. In de eerste plaats had verzoekster geen enkel recht op handhaving van bepaalde compenserende bedragen. Het stelsel van compenserende bedragen kent niet de mogelijkheid van voorfixatie. Bovendien had verzoekster geen enkel recht op blijvende toepassing van de compenserende bedragen. Uit verordening nr. 974/71 volgt dat de compenserende bedragen kunnen worden ingetrokken. Men moet onderscheid maken tussen voorschriften betreffende de instelling en de intrekking van compenserende bedragen en de voorschriften tot wijziging van de bedragen. Bepalend voor de instelling of intrekking is de noodzaak de gemeenschappelijke marktordeningen te beschermen, terwijl de wijziging van de compenserende bedragen „automatisch” geschiedt door toepassing van nauwkeurige voorschriften voor de berekening. Met de instelling van compenserende bedragen wordt dus niet — althans niet rechtstreeks en in de eerste plaats — een bescherming van de belangen van particulieren beoogd.

De Commissie is van oordeel dat het argument ontleend aan verordening nr. 2041/73, niet relevant is. Zij belicht de verschillen tussen de beide situaties.

Met betrekking tot verzoeksters argument in verband met het feit dat er slechts enkele dagen liggen tussen de wijziging van de compenserende bedragen en de intrekking daarvan, wijst de Commissie op hetgeen zij heeft uiteengezet over het fundamentele onderscheid tussen wijziging en intrekking van compenserende bedragen. De enige geldige vergelijking ware die tussen het besluit tot instelling van compenserende bedragen voor de betrokken produkten van juli 1971 en het intrekkingsbesluit van eind januari 1972.

Met betrekking tot de beweerde schade wijst de Commissie erop dat zij, gezien de gesteldheid van het verzoekschrift, hoofdzakelijk is aangewezen op veronderstellingen over de aard en het bestaan van de schade. Naar haar mening heeft verzoekster het bestaan van concrete schade aangevoerd noch bewezen. Zij meent verder dat op een dergelijke in abstracto berekende schade geen beroep tot vergoeding ex artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag kan worden gebaseerd.

Verzoekster onderzoekt in repliek in de eerste plaats „de schending van een hogere rechtsregel”. Zij stelt dat in het algemeen iedere schending van een wet of van een algemeen rechtsbeginsel volgens 's Hofs jurisprudentie schending kan opleveren van een ter bescherming van particulieren gegevens hogere rechtsregel. Volgens haar is verordening nr. 189/72 onwettig wegens schending van verordening nr. 974/71 en het beginsel van de rechtszekerheid.

Volgens haar was de Commissie niet bevoegd machtigingen tot betaling van compenserende bedragen in te trekken. Verordening nr. 974/71 voorziet slechts in een verlening en niet in de intrekking van een machtiging om compenserende bedragen toe te passen. Zij bevat geen enkel artikel dat op intrekking van de compenserende bedragen doelt. Na machtiging kunnen de bedragen alleen nog worden gewijzigd. Dat is ook begrijpelijk, omdat deze bedragen, die compensatie bieden voor koerswisselingen, moeten gelden totdat de Lid-Staten de internationale regeling inzake de fluctuatiemarges van de wisselkoersen weer opnieuw toepassen.

Verzoekster brengt voorts in herinnering dat de compenserende bedragen monetair-conjuncturele instrumenten zijn en geen economische beleidsinstrumenten om de markt te beïnvloeden. De Commissie heeft echter bij haar motivering van verordening nr. 189/72 geen rekening gehouden met de monetaire toestand, doch in feite marktpolitiek bedreven.

Het volgens verzoekster geschonden beginsel van de rechtszekerheid omvat naar Gemeenschapsrecht zowel het principieel verbod van terugwerkende kracht als het beginsel van bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen der betrokkenen („Vertrauensschutz”).

Door de rechtstreekse toepasselijkheid van verordening nr. 189/72 worden verzoeksters verkregen rechten tekortgedaan. In haar betrekkingen tegenover de Gemeenschap moet de voorfixatie van het steunbedrag en van de restitutie en de afgifte van de invoercertificaten worden gelijkgesteld met het perfect worden tussen partijen van een rechtshandeling waarop de destijds geldende rechtsregels van toepassing zijn. Het gebruik van certificaten was slechts een opschortende voorwaarde in deze — op zichzelf perfecte — rechtsbetrekking. Uit de sanctie op niet-vervulling van de voorwaarde, namelijk het verlies van de waarborgsom, blijkt dat het voor de betrokken publiekrechtelijke organen niet enkel gaat om een verwachting, doch om een vaste verbintenis.

In ieder geval was er in casu schending van het gerechtvaardigd vertrouwen van de handelaren. Verzoekster merkt dienaangaande op dat de litigieuze beslissing van de Commissie is genomen alleen omdat toepassing van de compenserende bedragen niet meer noodzakelijk was gebleken om verstoringen te voorkomen. Handhaving daarvan zou dus volstrekt geen nadeel hebben toegebracht aan het Gemeenschapsbelang, terwijl de intrekking de handelaren ernstig heeft benadeeld.

Verzoekster acht het optreden van de Commissie onrechtmatig omdat deze haar beslissing nam:

zonder rekening te houden met de nog te verhandelen hoeveelheid koolzaad welke nog bijna de helft van de koolzaadoogst vormde;

zonder rekening te houden met de toentertijd juist toenemende verstoring van het monetaire evenwicht;

door in de eerste plaats rekening te houden met het invoeraspect, zulks ten nadele van de uitvoer, in strijd met het doel van het stelsel der compenserende bedragen; op deze wijze wilde de Commissie tevens de prijzen drukken die inderdaad gezakt zijn, te oordelen naar het overzicht van de prijs van koolzaadolie fob Dieppe;

door uit te gaan van een verkeerde beoordeling van de — niettemin voorzienbare — marktontwikkeling; aan het einde van het verkoopjaar 1971/1972 had de Raad zich gedwongen gezien bijzondere maatregelen voor koolzaad te nemen;

zonder rekening te houden met de belangen van de handelaren;

zonder overgangsmaatregelen te nemen.

Verzoekster wijst in dit verband op de door de Commissie bij verordening nr. 2042/73 van 27 juli 1973 vastgestelde overgangsmaatregelen voor de toepassing van het op 4 juni 1973 ingevoerde nieuwe stelsel van monetaire compenserende bedragen (PB nr. L 207, blz. 34), en op het arrest van het Hof van 28 oktober 1970 in de zaak 16-70, Necomout, Jurispr. 1970, blz. 921.

De schade anderzijds is, aldus verzoekster, zeker en reëel. Ontegenzeglijk is bij de uitvoer daadwerkelijk schade geleden. Het juiste bedrag van de schade heeft verzoekster berekend door uit te gaan van de compenserende bedragen die golden op de datum van voorfixatie der restitutie. Verzoekster heeft er geen enkel bezwaar tegen om ten deze uit te gaan van compenserende bedragen die op het tijdstip van de uitvoer hadden moeten worden toegepast, daar deze noodzakelijkerwijs hoger zijn dan die welke golden op het tijdstip van de voorfixatie.

Ook het bestaan van de schade, geleden over de hoeveelheden koolzaad waarvoor de steun was geprefixeerd, staat buiten kijf, al kan men over de omvang van mening verschillen. De prijsverlaging als gevolg van de intrekking der compenserende bedragen bedroeg ongeveer 10 %. Verzoekster heeft dus stellig winst gederfd. Ongetwijfeld zijn andere berekeningsmethoden denkbaar dan die welke verzoekster heeft gekozen. Dit is echter geen juridisch punt, doch een vraagstuk voor de deskundige die de vermindering van verzoeksters inkomsten moet berekenen.

De Commissie stelt in dupliek dat verzoekster niet alleen te laat heeft aangevoerd dat verordening nr. 189/72 in strijd is met een ter bescherming van zijn belangen gegeven hogere rechtsregel, doch zulks bovendien niet in repliek heeft vermogen aan te tonen.

Volgens de Commissie leidt verzoeksters bewering dat op grond van verordening nr. 974/71 de compenserende bedragen niet hadden mogen worden afgeschaft, tot het onhoudbare resultaat dat compenserende bedragen die eenmaal zijn ingesteld, noodzakelijkerwijze moeten blijven voortbestaan ook wanneer zij niet meer nodig zijn ter voorkoming van de verstoringen waarvoor zij zijn ingesteld. Geen der door verzoekster aangevoerde bepalingen kan overigens steun bieden aan haar opvatting.

De toepassing van het stelsel valt slechts te rechtvaardigen, voor zover de monetaire maatregelen van de Lid-Staten kunnen leiden tot een „ontwrichting van het interventiesysteem” en tot „abnormale prijsbewegingen, welke een gevaar betekenen voor de normale conjuncturele ontwikkeling op landbouwgebied” (zie ook arrest van 24 oktober 1973 in de zaak 5-73, Balkan, Jurispr. 1973, blz. 1091). Wanneer aan deze voorwaarden niet meer is voldaan, dan zijn ook de compenserende bedragen niet meer te rechtvaardigen, zelfs al bieden zij aan sommige handelaren in de Gemeenschap een aanvullende bescherming. De Commissie moet, wanneer zij de situatie afweegt om te beslissen of de compenserende bedragen zullen worden gehandhaafd dan wel zal worden teruggekeerd tot het normale stelsel, noodzakelijkerwijze rekening houden met factoren die compensatie kunnen bieden voor de schadelijke gevolgen van de monetaire maatregelen der Lid-Staten.

Met betrekking tot de beweerde schending van het beginsel van de rechtszekerheid, betoogt de Commissie dat van „verkregen rechten” geen sprake kan zijn bij de hoeveelheden koolzaad waarvoor het steunbedrag is geprefixeerd. Aangenomen dat de compenserende bedragen waren gehandhaafd, dan had verzoekster toch al geen enkel recht op deze bedragen gehad voor de hoeveelheden waarvoor steun was toegekend. Dit zelfde zou het geval zijn met de hoeveelheden waarvoor de restitutie was geprefixeerd. De Commissie verwijst hiertoe naar 's Hofs arrest van 4 juli 1973, in de zaak 1-73, Westzucker (Jurispr. 1973, blz. 723), dat op dit punt geen twijfel laat bestaan.

Aangaande de beweerde schending van het beginsel van bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen, betoogt de Commissie onder meer dat reeds uit het feit dat compenserende bedragen niet tevoren kunnen worden vastgesteld, blijkt dat de Gemeenschap nooit enige garantie heeft willen geven dat de compenserende bedragen voor lopende transacties zouden worden gehandhaafd.

Ten slotte geeft de Commissie, ten bewijze dat haar optreden niet onrechtmatig was, een opsomming van de factoren die bepalend waren voor de situatie ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 189/72. Zij merkt met name op dat was gebleken dat de toepassing van compenserende bedragen de koolzaadmarkt in feite nauwelijks had beïnvloed. Zij noemt enkel cijfers waaruit zou blijken dat de intrekking niet heeft geleid tot een verlaging van de prijzen. Intrekking was derhalve geboden, zodra de afzet van de oogst dit toestond. Na te hebben vastgesteld dat de voor restituties en steunmaatregelen afgegeven voorfixatiecertificaten betrekking hadden op 84 % van de koolzaadoogst, kon en mocht de Commissie de compenserende bedragen derhalve afschaffen.

Ten aanzien van verzoeksters verwijzing naar verordening nr. 2042/73 merkt de Commissie op dat zij de daar bedoelde overgangsmaatregelen had genomen uit overwegingen van billijkheid en dat het niet nemen van een billijkheidsmaatregel geen dienstfout oplevert.

Wat de schade betreft, stelt de Commissie vast dat zij nog steeds niet is ingelicht over de concreetheid daarvan. Daartoe moet bekend zijn of verzoekster al dan niet contracten had afgesloten, of deze contracten luidden in dollars of in Franse franken, en of de compenserende bedragen in verzoeksters leveringsprijzen waren ingecalculeerd. In ieder geval betwist de Commissie dat de intrekking van de compenserende bedragen heeft geleid tot verlaging van de koolzaadprijzen in Frankrijk; de Commissie betwijfelt trouwens of de winstderving van een handelaar wegens waardevermindering van zijn produkten als gevolg van een handeling der Gemeenschap op het gebied van de externe bescherming van de gemeenschappelijke markt, een schade vormt waarvoor de Commissie aansprakelijk is.

De Commissie ontkent niet dat de begroting van de schade een punt apart is dat voor het ogenblik kan blijven rusten. Nu echter het antwoord ontbreekt op de vragen over de invloed van de intrekking der compenserende bedragen op de uitvoer, blijft de Commissie bij haar standpunt dat verzoekster het bestaan van concrete schade niet heeft aangetoond. Volgens de Commissie zal het Hof het verzoek om in een tussenarrest de Gemeenschap tot schadevergoeding gehouden te verklaren, niet kunnen toewijzen.

Overwegende dat het Hof na de afsluiting van de schriftelijke behandeling de Commissie heeft verzocht om een nadere verklaring over de algemene overwegingen waardoor zij zich normaliter laat leiden bij de beslissing of de afschaffing of vermindering van financiële voordelen moet samengaan met termijnen van inwerkingtreding of overgangsbepalingen voor lopende transacties.

In haar antwoord verklaarde de Commissie met name dat deze algemene overwegingen een rol spelen bij de beoordeling van afzonderlijke gevallen in ingewikkelde en wisselende feitelijke situaties. Zo kan hetgeen gebruikelijk is op het gebied van financiële voordelen bij marktregelingen, niet zonder meer gelden voor voordelen ingevolge monetaire landbouwregelingen. Deze beide regelingen zijn namelijk naar oorzaak en doelstelling verschillend.

Overigens heeft de Commissie zich in grote lijnen laten leiden door de volgende overwegingen van algemene aard:

Bij regelingen van algemeen belang is een wijziging in beginsel van toepassing op de toekomstige gevolgen van situaties die zijn ontstaan onder vigeur van de oude regeling. De intrekking van financiële voordelen is onmiddellijk van toepassing. Er zijn echter gevallen waarin de intrekking van financiële voordelen zeer in het bijzonder van invloed is op lopende transacties, bij voorbeeld bij een ingrijpende wijziging welke de handelaar redelijkerwijs niet kon voorzien. In deze gevallen houdt de Commissie bij de afweging van de verschillende belangen die in het spel zijn, rekening met de lopende transacties.

De bescherming van bijzondere belangen die verband houden met lopende transacties, stuit dikwijls op de grenzen van het algemeen belang waaraan naar het oordeel van de Commissie voorrang toekomt. Zo is invoering op zo kort mogelijke termijn een voorwaarde voor de doeltreffendheid van maatregelen tot intrekking van financiële voordelen of voor de totstandbrenging van het daarmee beoogde economische doel. Bovendien houdt de Commissie bij de mogelijkheid van overgangsmaatregelen voor lopende transacties rekening met twee overwegingen van algemeen belang. Ten eerste de doeltreffendheid van dergelijke overgangsmaatregelen en ten tweede de toepasselijkheid hiervan, anders gezegd, de mogelijkheid om twee regelingen — de overgangsregeling en de nieuwe regeling — op harmonieuze wijze toe te passen.

Ten slotte, aldus de Commissie, dient men nog te bedenken dat het voor de vaststelling van maatregelen die de mogelijkheid bieden rekening te houden met de lopende transacties, eventueel noodzakelijk kan zijn de belangen van twee verschillende groepen transacties af te wegen. Immers, de financiële voordelen waarvan de verlaging of intrekking wordt overwogen, zouden voor een bepaalde groep lopende transacties de pendant kunnen vormen van financiële lasten voor een andere groep lopende transacties

Overwegende dat partijen bij de mondelinge behandeling op 18 maart 1975 de hierna samengevatte nieuwe gegevens naar voren hebben gebracht:

In antwoord op een vraag van een lid van het Hof betreffende de 8000 ton waarvoor de uitvoerrestituties waren geprefixeerd, deelde verzoekster mede dat deze hoeveelheid een onderdeel vormde van een op 15 juni 1971 met een Algerijnse afnemer gesloten jaarcontract voor de levering van in totaal 70000 ton koolzaad van verschillende oorsprong. Het contract luidde naar keuze van de koper in Franse franken of dollars. Onder het contract was in hoofdzaak koolzaad van buiten de Gemeenschap geleverd. Juist echter in de periode van 3 januari-26 januari 1972 maakten de compenserende bedragen het verzoekster mogelijk en zelfs aantrekkelijk bij de uitvoering van een deel van het contract koolzaad uit Frankrijk te leveren. Daarom heeft verzoekster de restituties voor die periode laten prefixeren. De verkoop heeft in feite plaatsgevonden in maart en april, en wel met een reëel verlies, omdat verzoekster met haar winstmarge tussen 1 en 2 % het compenserende bedrag ad ruim 2 % niet had ontvangen.

Verzoekster gaf voorts te kennen dat de prijs van koolzaad na de intrekking der compenserende bedragen weliswaar betrekkelijk constant was gebleven; doch dat de prijs van olie, dus van het eindprodukt, sterk was gedaald.

De Commissie antwoordt naar aanleiding van deze laatste opmerking dat verzoekster geen enkel verband aantoont tussen de intrekking der compenserende bedragen en deze prijsdaling, en zij vraagt zich af of een dergelijke band eigenlijk wel bestaat. Hiertoe wijst zij erop dat de prijs van olie tussen november en december 1971 eveneens aanzienlijk was gedaald. Volgens haar volgde de prijs van koolzaadolie die van andere produkten, waarvoor geen compenserende bedragen hadden gegolden.

Zij wijst erop dat tot intrekking der compenserende bedragen was besloten omdat toepassing daarvan alleen op koolzaad en raapzaad en op oliën uit deze zaden minder juist en niet doeltreffend was, aangezien rechtstreekse concurrentieprodukten, die van invloed zijn op de prijs van koolzaad, enzovoort op de gemeenschappelijke markt, niet vielen onder het stelsel van compenserende bedragen.

Overwegende dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 23 april 1975 conclusie heeft genomen.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat het onderhavige beroep, ingesteld op 1 oktober 1974, ertoe strekt de Europese Economische Gemeenschap te doen veroordelen tot betaling aan verzoekster van een bedrag van 955130,47 Ffr ter vergoeding van de schade die zij zegt te hebben geleden als gevolg van de intrekking, bij verordening nr. 189/72 der Commissie van 26 januari 1972, van de compenserende bedragen voor kool- en raapzaad en uit deze zaden verkregen oliën;

#### Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2. Overwegende dat de Commissie, verweerster, tegenwerpt dat het beroep niet-ontvankelijk is op grond dat het inleidende verzoekschrift niet de in artikel 19 van 's Hofs Statuut en artikel 38, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering voorgeschreven aanduiding van het onderwerp van het geschil en de aangevoerde middelen bevat;

3. dat, waar het gaat om een actie tot schadevergoeding krachtens de artikelen 178 en 215 van het Verdrag en niet om een actie tot betaling van een geldsom, het verzoekschrift met name gebrekkig zou zijn, daar het geen enkel gegeven zou bevatten over het bestaan van schade, los van het verlies dat voortvloeit uit de intrekking van de monetaire compenserende bedragen;

4. Overwegende dat de gestelde onvolkomenheden niet van dien aard waren dat de Commissie haar belangen niet doeltreffend kon behartigen of dat het Hof in de uitoefening van zijn rechterlijk toezicht werd belemmerd, en dat verzoekster overigens alle noodzakelijke nadere gegevens in de loop van het geding heeft verstrekt;

5. dat verzoekster bij repliek met name haar aanvankelijke conclusies heeft verduidelijkt door het Hof te verzoeken in een tussenarrest de Gemeenschap gehouden te verklaren tot vergoeding van de beweerdelijk geleden schade en eerst na deskundigenonderzoek uitspraak te doen over de juiste omvang van de schade en het bedrag der vergoeding;

6. dat het beroep derhalve ontvankelijk is;

#### Ten principale

7. Overwegende dat verzoekster betoogt dat de intrekking van de compenserende bedragen voor koolzaad en raapzaad bij verordening nr. 189/72 haar schade heeft toegebracht enerzijds met betrekking tot bepaalde hoeveelheden zaad waarvoor tevoren steunbedragen waren vastgesteld overeenkomstig verordening nr. 136/66 van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, en anderzijds met betrekking tot bepaalde andere hoeveelheden, bestemd voor uitvoer naar een derde land, waarvoor op grond van dezelfde verordening restituties waren geprefixeerd;

8. Overwegende dat het stelsel van de compenserende bedragen, ingevoerd bij verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971, in de destijds geldende redactie voorziet in de bevoegdheid van een Lid-Staat die toestaat dat de wisselkoers van zijn munteenheid de fluctuatiegrens die bij de internationale regeling is toegelaten, in bovenwaartse richting overschrijdt, om compenserende bedragen te heffen bij de invoer en toe te kennen bij de uitvoer van bepaalde landbouwprodukten, voor zover de toepassing van deze wisselkoers verstoringen zou veroorzaken in de handel in bedoelde produkten;

9. dat de Commissie na advies van de comités van beheer het bestaan van een dergelijke situatie dient vast te stellen;

10. dat het stelsel van de compenserende bedragen, dat aanvankelijk niet werd toegepast op de produkten van de sector oliën en vetten, tot koolzaad en raapzaad en op uit deze zaden verkregen olie is uitgebreid bij verordening nr. 1471/71 van de Commissie van 9 juli 1971 voor de oogst waarvan de commercialisatie zou aanvangen bij het begin van het verkoopseizoen 1971/1972;

11. dat na de wijziging van de wisselkoersen ten opzichte van de dollar in december 1971 het stelsel van de compenserende bedragen, dat tevoren van toepassing was in de Bondsrepubliek Duitsland, België, Luxemburg en Nederland, is uitgebreid tot de andere Lid-Staten, waaronder Frankrijk;

12. dat de vanaf 3 januari 1972 geldende bedragen, met inbegrip van de in Frankrijk geldende bedragen voor koolzaad en raapzaad, bij verordening nr. 17/72 van de Commissie van 31 december 1971 zijn vastgesteld;

13. dat nieuwe compenserende bedragen, waarbij rekening werd gehouden met de tussen 13 en 19 januari geconstateerde wisselkoersen, zijn vastgesteld bij verordening nr. 144/72 van de Commissie van 21 januari 1972, in werking getreden op 24 januari 1972;

14. dat de Commissie ten slotte bij verordening nr. 189/72 van 26 januari, verschenen in het Publikatieblad op 28 januari en in werking getreden op 1 februari 1972, de compenserende bedragen voor koolzaad en raapzaad en voor oliën verkregen uit deze zaden heeft afgeschaft, overwegende dat de marktsituatie zodanig was dat de toepassing van deze compenserende bedragen niet meer noodzakelijk blijkt om verstoringen van het handelsverkeer in voornoemde produkten te voorkomen;

15. dat de prefixatie van steunbedragen en restituties bij uitvoer waarop verzoekster zich beroept voor haar vordering tot schadevergoeding, te haren aanzien heeft plaatsgevonden tussen 6 en 21 januari 1972, dus gedurende het tijdvak waarin de compenserende bedragen voor koolzaad en raapzaad in Frankrijk van toepassing waren;

16. Overwegende dat, waar de bestreden handeling van normatieve aard is en een maatregel van economisch beleid met zich brengt, de Gemeenschap voor de ten gevolge dier handeling door particulieren geleden schade slechts aansprakelijk kan worden gesteld uit hoofde van artikel 215, tweede lid, van het Verdrag, wanneer er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel;

17. dat verzoekster hiertoe in de eerste plaats stelt dat de Commissie basisverordening nr. 974/71 van de Raad heeft geschonden door bij verordening nr. 189/72 de compenserende bedragen in te trekken;

18. dat deze verordening de Commissie weliswaar de bevoegdheid verleent om vast te stellen of is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van compenserende bedragen, doch haar niet zou veroorloven een besluit te nemen tot intrekking van eenmaal ingestelde compenserende bedragen, en in ieder geval zou verlangen dat het besluit van de Commissie wordt genomen op basis van een beoordeling van uitsluitend monetaire factoren en niet van economische factoren waarmee de Commissie in casu rekening heeft gehouden;

19. Overwegende dat blijkens artikel 1, lid 2, laatste zin, van verordening nr. 974/71 de Lid-Staten van de mogelijkheid tot toepassing van compenserende bedragen slechts gebruik kunnen maken, voor zover de bedoelde monetaire maatregelen verstoringen zouden veroorzaken in de handel in landbouwprodukten;

20. dat, waar de toepassing van compenserende bedragen een maatregel van bijzondere aard is, deze bepaling moet worden gelezen als een voorwaarde niet slechts voor de invoering maar ook voor de handhaving van de compenserende bedragen voor een bepaald produkt;

21. dat de Commissie over een ruime vrijheid beschikt bij de beoordeling of de bedoelde monetaire maatregelen verstoringen van het handelsverkeer in het betrokken produkt zouden kunnen veroorzaken;

22. dat het de Commissie bij de beoordeling van het gevaar voor dergelijke verstoringen vrijstaat de marktomstandigheden evenzeer als monetaire factoren in aanmerking te nemen;

23. dat niet is komen vast te staan dat de Commissie de aldus omschreven grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden door eind januari 1972 te oordelen dat de marktsituatie voor koolzaad en raapzaad zodanig was dat de toepassing van de compenserende bedragen voor deze produkten niet meer noodzakelijk was;

24. Overwegende dat verzoekster voorts stelt dat de intrekking van de compenserende bedragen bij verordening nr. 189/72 niet verenigbaar was met artikel 7 van verordening nr. 974/71, bepalende dat van de in de verordening bedoelde machtiging geen gedeeltelijk of tijdelijk gebruik mag worden gemaakt;

25. Overwegende dat luidens artikel 1, lid 1, van verordening nr. 974/71, een Lid-Staat die bepaalde monetaire maatregelen heeft genomen, „gemachtigd” is compenserende bedragen toe te passen;

26. dat artikel 7, waarin de term „machtiging” eveneens wordt gebezigd, zich uitsluitend richt tot de Lid-Staten en niet slaat op de bevoegdheden van de Commissie;

27. Overwegende dat derhalve verordening nr. 189/72 niet als onwettig ten opzichte van verordening nr. 974/71 kan worden beschouwd;

28. Overwegende dat verzoekster in de tweede plaats stelt dat de intrekking van de compenserende bedragen per 1 februari 1972 het beginsel van de rechtszekerheid schendt, enerzijds omdat zij terugwerkende kracht heeft en anderzijds omdat het gerechtvaardigd vertrouwen der betrokkenen in de handhaving van de compenserende bedragen voor lopende transacties wordt miskend;

29. Overwegende dat vooreerst aangaande de terugwerkende kracht zij opgemerkt dat de compenserende bedragen worden geheven bij invoer en toegekend bij uitvoer van de betrokken waren, en dat niet is voorzien in een prefixatie dezer bedragen;

30. dat hieruit volgt dat het feitelijke recht op een compenserend bedrag bij uitvoer slechts ontstaat door de verwezenlijking van de uitvoer en slechts vanaf het tijdstip waarop deze plaats heeft;

31. dat verordening nr. 189/72 van 26 januari 1972, verschenen in het Publikatieblad op 28 januari en in werking getreden op 1 februari 1972, alleen toepassing heeft gevonden op exporten en importen die vanaf die datum tot stand zijn gebracht, terwijl die, verricht vóór deze datum, onderworpen bleven aan de eerdere regeling;

32. dat de verordening dus geen terugwerkende kracht in de eigenlijke zin van het woord heeft;

33. Overwegende dat verzoekster voorts stelt dat intrekking der compenserende bedragen met onmiddellijke ingang inbreuk heeft gemaakt op haar vertrouwen in handhaving daarvan op het tijdstip waarop zij verzocht om prefixatie van de steunbedragen en de restituties bij uitvoer en zich daarbij jegens de bevoegde autoriteiten definitief verbond tot handelstransacties waarvan zij niet meer kon afzien zonder verbeurte van de gestorte waarborgsom;

34. Overwegende dat ten deze de situatie met betrekking tot de prefixatie van enerzijds de steunbedragen en anderzijds de restituties bij uitvoer afzonderlijk moet worden onderzocht;

35. dat verzoekster voor de hoeveelheden zaad waarvoor het steunbedrag was geprefixeerd en die derhalve niet bestemd waren voor uitvoer, niet rechtstreeks in aanmerking kwam voor enig compenserend bedrag;

36. dat het stelsel van compenserende bedragen weliswaar met name dient ter bescherming van het prijsniveau in de betrokken Lid-Staat tegen verstoringen die het gevolg zouden kunnen zijn van monetaire schommelingen, doch dat in casu in ieder geval vaststaat dat de intrekking der compenserende bedragen in de sector oliën en vetten per 1 februari 1972 niet merkbaar van invloed geweest is op de koolzaadprijs op de Franse markt;

37. dat daaruit valt af te leiden dat verordening nr. 189/72 verzoekster geen enkele schade heeft veroorzaakt met betrekking tot de hoeveelheden koolzaad die niet voor uitvoer waren bestemd;

38. Overwegende dat anderzijds ten aanzien van de voor uitvoer bestemde hoeveelheden waarvoor verzoekster prefixatie van de restituties had verkregen, moet worden opgemerkt dat het stelsel van de compenserende bedragen blijkens de Gemeenschapsregeling veeleer ten doel heeft het hoofd te bieden aan de moeilijkheden die de monetaire onevenwichtigheid kan meebrengen voor de goede werking van de gemeenschappelijke marktordeningen, dan bescherming te bieden aan de individuele belangen van de handelaren;

39. dat immers de voorwaarden inzake de toepassing en de intrekking van het stelsel der compenserende bedragen in een bepaalde sector geen rekening houden met de individuele omstandigheden der handelaren en hun geen waarborg bieden voor een duurzame toepassing van het stelsel;

40. dat hieruit volgt dat het stelsel van de compenserende bedragen niet kan worden geacht gelijk te staan met een waarborg voor de handelaren tegen het risico van wijziging der wisselkoersen;

41. dat niettemin de toepassing van de compenserende bedragen in de praktijk het koersrisico wegneemt, zodat ook een voorzichtig handelaar ertoe kan worden gebracht zich tegen dit risico niet te dekken;

42. dat in deze omstandigheden een handelaar terecht erop mag vertrouwen dat met betrekking tot onherroepelijk aangegane transacties — daar hij, tegen waarborgstelling, uitvoercertificaten met prefixatie van het restitutiebedrag heeft gekregen — geen onvoorzienbare wijzigingen zullen optreden die, door hem opnieuw het risico voor koerswijzigingen op te leggen, hem op onvermijdelijke verliezen te staan zouden komen;

43. dat de Gemeenschap derhalve aansprakelijk is indien, onder afwezigheid van een beslissend algemeen belang in tegengestelde zin, de Commissie met onmiddellijk effect en zonder waarschuwing de compenserende bedragen voor een bepaalde sector intrekt zonder overgangsmaatregelen te nemen, welke een handelaar althans de mogelijkheid zouden verschaffen hetzij het verlies te ontgaan dat hem zou worden toegebracht bij de tenuitvoerlegging van uitvoercontracten waarvan het bestaan en de onherroepelijkheid vastliggen door de prefixatie van de restituties, hetzij voor dit verlies schadeloos te worden gesteld;

44. dat, waar de Commissie, onder afwezigheid van een beslissend algemeen belang, in verordening nr. 189/72 geen overgangsmaatregelen heeft opgenomen ter bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen dat de handelaar mocht hebben in de Gemeenschapsregelingen, zij een hogere rechtsregel heeft geschonden waarvoor de Gemeenschap aansprakelijk is;

45. Overwegende dat met betrekking tot de omvang van te vergoeden schade in aanmerking moet worden genomen dat de handhaving van de compenserende bedragen aan verzoekster op generlei wijze was gewaarborgd en dat deze dus niet mocht verwachten onder alle omstandigheden de voordelen te zullen genieten die het contract haar onder de werking van het stelsel der compenserende bedragen zou hebben opgeleverd;

46. dat de bescherming waarop zij op grond van haar gerechtvaardigd vertrouwen aanspraak kan maken, slechts bestaat in het ontgaan van verliezen wegens de intrekking van deze bedragen;

47. dat, waar het bedrag van de aan verzoekster verschuldigde schadevergoeding in de huidige stand van het geding niet kan worden bepaald, bij tussenarrest moet worden geconstateerd dat de Commissie gehouden is tot vergoeding aan verzoekster van het verlies dat zij wegens intrekking van de compenserende bedragen heeft geleden bij de tenuitvoerlegging van exporten waarvoor restituties waren vastgesteld bij certificaten van 6 januari 1972, blijvende het bedrag der vergoeding nader op te maken bij onderlinge overeenstemming tussen partijen, of — bij gebreke aan overeenstemming — door het Hof;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

alvorens nader te beslissen, verstaat:

1\. De Commissie van de Europese Gemeenschappen dient aan Comptoir national technique agricole het verlies te vergoeden, dat deze wegens verordening nr. 189/72 van 26 januari 1972 heeft geleden bij de tenuitvoerlegging van de exporten waarvoor restituties waren vastgesteld bij certificaten van 6 januari 1972;

2\. Partijen doen het Hof binnen zes maanden na de onderhavige uitspraak mededeling van het in onderlinge overeenstemming vastgestelde schadebedrag;

3\. Bij gebreke aan overeenstemming leggen partijen binnen dezelfde termijn hun becijfering aan het Hof voor;

4\. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

2

verordening 974/71 art. 7 3 voorkomens

verordening 974/71 art. 1 2 voorkomens

## Rechtspraak

4

### Europese Unie

4

Hof van Justitie C-376/02 26.04.2005

#### [Aftrek van voorbelasting, wijziging van nationale wetgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-376-02-arrest)

Hof van Justitie C-487/01 29.04.2004

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 20 en art. 5](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-487-01-arrest)

Conclusie van advocaat-generaal Geelhoed C-62/00 24.01.2002

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 11, EG-Verdrag art. 95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-62-00-conclusie)

## Rechtsleer

3

Marzano, Arturo: Sulla responsabilità della CEE per atto normativo, Rassegna dell'avvocatura dello Stato 1975 I p.654-673

Streil, Jochen: Der Grundsatz des Vertrauensschutzes und die unechte Rückwirkung von Vorschriften - Das Urteil CNTA des Gerichtshofes der Europäischen Gemeinschaften, Europäische Grundrechte-Zeitschrift 1975 p.449-450

Mössner, Jörg Manfred: Haftung der Europäischen Gemeinschaft für legislatives Unrecht, Recht der Internationalen Wirtschaft / Außenwirtschaftsdienst des Betriebs-Beraters 1976 p.93-95
