---
title: "HvJ EU, 73/63 en 74/63, arrest van 18 februari 1964"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 februari 1964, 73/63 en 74/63."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-73-63-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-73-63-arret"
---

# Arrest van het Hof van 18 februari 1964, 73/63 en 74/63

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaken**

73/63, 74/63

**ECLI**

ECLI:EU:C:1964:8

**Datum**

18 februari 1964

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

C-73/63, C-74/63 College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) beslissing van 10 juli 1963 10/01/103 ; 10/01/104

**Zaak ingediend op**

11 juli 1963

**Advocaat-generaal**

Roemer

**Nationale beslissing na het arrest**

C-73/63 College van Beroep voor het bedrijfsleven beslissing van 19 juni 1964 10/01/103 ; C-73/63 Tariefcommissie beslissing van 5 mei 1966 8297 T - 8463 T - 8331 T ; C-74/63 College van Beroep voor het bedrijfsleven beslissing van 19 juni 1964 10/01/104

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Nederlands

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Donner

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Vrijwaringsmaatregelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-24) 2 beslissingen

## Tekst

125 paragrafen

### ARREST

### TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

#### I — Overzicht van de feiten

Overwegende dat de feiten, die aan de gedingen ten grondslag liggen als volgt kunnen worden samengevat:

##### a. Ten aanzien van de zaak 74-63

Op 27 juli 1960 stelde de Commissie van de Europese Economische Gemeenschap op verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland een beschikking vast (medegedeeld aan de betrokken regeringen, maar niet gepubliceerd in het Publikatieblad) op grond van artikel 226 van het E.E.G.-Verdrag, waarbij de Commissie voorlopig tot 31 december 1960 aan deze Lid-Staat machtiging verleende om onder meer op fondant (tariefpost ex 1704-C) een compenserende belasting bij invoer uit Nederland te heffen ten bedrage van ƒ 18,25 per 100 kg, tenzij Nederland deze belasting bij uitvoer zou heffen.

Deze beschikking werd op 21 december 1960 verlengd (niet gepubliceerd) en bij beschikking van de Commissie van 28 juni 1961 (Publikatieblad blz. 1230-61) vernieuwd, op 22 december 1961 (Publikatieblad blz. 192 en blz. 193-62) opnieuw verlengd en op' 27 februari 1962 (Publikatieblad blz. 861 en blz. 862-62) andermaal gewijzigd.

In aansluiting op deze beschikkingen van de Commissie heeft de Nederlandse Minister van Landbouw en Visserij op grond van artikel 42 Landbouwwet juncto het In- en Uitvoerbesluit Landbouw-produkten 1958, bij beschikking van 3 augustus 1960 (Stcrt. 5 augustus 1960, no. 150) een heffing opgelegd op de uitvoer van fondantmassa, de z.g. „Heffingsbeschikking fondantmassa 1960”.

Op 27 april 1962 bracht het Hoofdproduktschap Akkerbouw-produkten (namens verweerder) een heffingsnota, ten bedrage van ƒ 4000,—, uit aan verzoekster sub 1, ter zake van de uitvoer op 27 februari 1962 van 20 ton fondantmassa (geproduceerd door verzoekster sub 2) naar Duitsland. Deze heffingsnota was gebaseerd op de Heffingsbeschikking fondantmassa 1960. Bij verzoekschrift hebben verzoeksters bij het College beroep ingesteld tegen deze heffingsnota en daarmee het College verzocht dit besluit van het Hoofdproductschap (eventueel van verweerder) te vernietigen.

Verzoeksters voerden ter zake o.a. een aantal grieven aan, ontleend aan het E.E.G.-Verdrag.

###### I

a) de Heffingsbeschikking fondantmassa 1960 is in strijd met artikel 12 van het E.E.G.-Verdrag, immers zij dateert van na 1 januari 1958 en zij stelt een heffing in, die voordien niet bestond;

b) deze Heffingsbeschikking is eveneens in strijd met artikel 16 van het E.E.G.-Verdrag;

c) door de exportheffing op fondantmassa wordt, mede gezien de verordeningen, beschikkingen en besluiten van de Raad d.d. 4 april 1962 (Publikatieblad van 20 april 1962, no. 30-62), een regime in het leven geroepen, dat in feite het daaronder vallende produkt onder de landbouwparagraaf van het E.E.G.-Verdrag brengt, dit in strijd met artikel 38, sub 3, van het E.E.G.-Verdrag.

###### II

De onwettigheid van de Heffingsbeschikking fondantmassa 1960, die blijkt uit derzelver toetsing aan het E.E.G.-Verdrag, kan niet worden gedekt door de beschiking van de E.E.G.-Commissie d.d. 27 juli 1960 e.v.

Men kan zich, gezien de tekst van de beschikking, afvragen óf daarbij inderdaad de uitvoerende Lid-Staten gemachtigd worden een uitvoerheffing op te leggen. Wanneer men van mening is dat zulks het geval is, dan heeft de Commissie deze machtiging verleend met overschrijding van haar bevoegdheden en in strijd met het Verdrag:

a) Artikel 226, lid 2, geeft de Commissie niet de bevoegdheid om het nemen van vrijwaringsmaatregelen toe te staan aan Lid-Staten, die niet in de in lid 1 bedoelde moeilijkheden verkeren en die ook niet om zodanige machtiging verzocht hebben. De Commissie heeft dus artikel 226 geschonden.

b) De voorwaarden, die artikel 226, lid 1, aan het verlenen van een machtiging stelt, waren in het onderhavige geval in genen dele vervuld; indien al de Duitse suikerverwerkende industrie zich in moeilijkheden bevond, waren dat niet moeilijkheden als waarop artikel 226, lid 1, ziet, hetwelk immers niet doelt op moeilijkheden die uitsluitend ten gevolge van de toepassing van imperatieve verdragsregelen zijn ontstaan.

c) De Commissie heeft artikel 226 aangegrepen om aan de procedure van artikel 235 te ontkomen („détournement de procédure”).

Verweerder voerde bij verweerschrift o.a. aan:

1\. Het betoog dat de Heffingsbeschikking fondantmassa 1960 wegens strijd met de artikelen 12 en 16 van het E.E.G.-Verdrag onverbindend is faalt, omdat artikel 226, lid 3, van het Verdrag bepaalt dat de in het kader van dit artikel genomen maatregelen mogen afwijken van de regels van het Verdrag. Dat de Heffingsbeschikking niet verwijst naar de beschikking van de Commissie doet daaraan niets af. Van belang is slechts, dat de bevoegdheid bestaat, niet of daarnaar verwezen wordt.

2\. De opvatting van verzoeksters, dat toepassing van artikel 226 op fondantmassa dit produkt (dat niet voorkomt in bijlage II) in feite onder de landbouwparagraaf brengt, is onjuist; dit zou men, door de gelijkgeaardheid van de artikelen 46 en 226 van het Verdrag, van iedere-toepassing van artikel 226 op onverschillig welk produkt kunnen beweren.

3\. Ten aanzien van het argument van verzoeksters, dat de Commissie ingevolge artikel 226 alleen Duitsland, het land van invoer, kon machtigen tot het nemen van vrijwaringsmaatregelen en niet Nederland tot het opleggen van een uitvoerheffing, voerde verweerder aan dat op grond van de beschikking niet Nederland is gemachtigd om een exportheffing op te leggen, maar de machtiging van de Bondsrepubliek is geclausuleerd door de bepaling „tenzij de uitvoerende Lid-Staat deze heffing op de uitvoer toepast”. Deze exportheffing is dus een modaliteit van de aan Duitsland verleende machtiging; hiertoe machtigt het tweede lid van artikel 226 de Commissie uitdrukkelijk. Het derde lid van artikel 226 slaat uiteraard ook op de modaliteiten, die blijkens het tweede lid van deze maatregel deel uitmaken. Artikel 46 noemt woordelijk de voorwaarde, welke de Commissie in casu aan de machtiging heeft verbonden. Het enige verschil tussen artikel 46 en 226 is in dit opzicht, dat artikel 46 uitsluitend deze bepaalde voorwaarde kent, terwijl artikel 226 ruimer gesteld is, daar het aan de Commissie overlaat, door welke voorwaarden zij de machtiging wil beperken. De ruimere redactie van artikel 226 zou, bij een uitleg als verzoeksters daarvan geven, precies in haar tegendeel komen te verkeren. Deze interpretatie kan dus niet juist zijn.

4\. Ten aanzien van de stelling van verzoeksters, dat de voorwaarden, die artikel 226, lid 1, aan het verlenen van een machtiging stelt, in het onderhavige geval niet vervuld waren, stelt verweerder, dat in de considerans van de beschikking van de Commissie genoegzaam met feitelijke gegevens wordt aangetoond dat deze voorwaarden wel vervuld waren.

###### Uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

In zijn uitspraken van 10 juli 1963 overwoog het College van Beroep voor het Bedrijfsleven onder meer:

dat, naar het College voorlopig aanneemt, fondantmassa een produkt is, waarop artikel 12 van het Verdrag mede van toepassing is; dat verder de bij de Heffingsbeschikking opgelegde heffing op de uitvoer van fondantmassa gelijke werking heeft als een uitvoerrecht en eerst na de inwerkingtreding van het Verdrag is ingevoerd;

dat derhalve, naar met inachtneming van het vorenoverwogene voorlopig eveneens moet worden aangenomen, de Heffingsbeschikking in strijd is met artikel 12 van het Verdrag, hetwelk blijkens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 5 februari 1963 in de zaak 26-62 directe werking heeft en rechten schept, waarvan de handhaving aan de Nederlandse rechter kan worden gevraagd;

dat deze strijdigheid niet tot het onverbindendverklaren van de Heffingsbeschikking, en daarmee tot het vernietigen van de bestreden aanslag, kan leiden, indien juist is het betoog van verweerder, dat die strijdigheid wordt opgeheven door het bepaalde in de beschikking van de Commissie van de Europese Economische Gemeenschap van 27 juli 1960;

dat de vraag, of de Heffingsbeschikking in strijd is met artikel 16 en/of 38, kan worden daargelaten;

dat uit het voorgaande volgt, dat de beslissing van het onderhavige geschil afhangt van het antwoord op de vorenvermelde vraag of de strijdigheid der Heffingsbeschikking met artikel 12, en eventueel met andere regels van het Verdrag, wordt opgeheven door meervermelde beschikking van de Europese Economische Commissie, juncto artikel 226 van het Verdrag;

dat voor een antwoord op deze vraag de beantwoording van drie voor het College opgeworpen vragen noodzakelijk is; dat deze vragen echter betreffen de uitlegging van het E.E.G.-Verdrag en de uitlegging en de geldigheid van een door een instelling van de Gemeenschap verrichte handeling;

dat hieruit volgt, dat het College, nu zijn beslissingen volgens het Nederlands recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, ingevolge artikel 177 van het Verdrag gehouden is zich ter zake van die vragen te wenden tot het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen.

Het College schorste de behandeling der beroepen tot het Hof van Justitie op de voorgelegde vragen zou hebben beslist.

##### b. Ten aanzien van de zaak 73-63

In de zaak 73-63 rees voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven een geschil ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep in verband met de beroepstermijn. De in deze zaak aan het Hof voorgelegde vragen zijn dezelfde als in de zaak 74-63.

#### II — Opmerkingen, ingediend ingevolge artikel 20, lid 2, van het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G.

Overwegende, dat de opmerkingen, ingediend ingevolge artikel 20, lid 2, van het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G., als volgt kunnen worden samengevat:

Verzoeksters in de grondgedingen doen zeggen:

1\. Naast enkele nauwkeurig geformuleerde vragen wordt de algemene vraag gesteld, „of nog op andere gronden tot de ongeldigheid der beschikking moet worden geconcludeerd wegens schending van het recht der Europese Gemeenschappen”. Het antwoord hierop moet in verband met het arrest van 14 december 1962 (zaken 2 en 3-62) bevestigend luiden, immers een niet gepubliceerde, geheime, machtiging kan niet zijn de door het Hof in dat arrest geëiste „exception clairement prévue” en dus is de machtiging niet in staat om besluiten in strijd met artikel 12 te rechtvaardigen en derhalve reeds op die grond ongeldig. Eenzelfde ongeldigheid treft de machtigingsbeschikking d.d. 28 juni 1961, aangezien deze zich beperkt tot het verlengen van een ongeldige beschikking.

2\. De moeilijkheden, waarvan de geheime beschikking van de Commissie spreekt, vloeien in wezen voort uit de omstandigheid (genoemd in de considerans van de machtigingsbeschikking van 27 februari 1962, Publikatieblad blz. 861-62), dat de landen die fondant uitvoeren over het algemeen een restitutie verlenen die er toe strekt de prijs van de suiker tot het niveau van de wereldmarktprijs te verlagen. Voor een dergelijke constellatie zijn echter de artikelen 10, respectievelijk 92-94 geschreven; door naar artikel 226 te grijpen heeft de Commissie het Verdrag geschonden.

3\. De motivering, waarmee de Commissie aantoont, dat er „ernstige en mogelijk aanhoudende moeilijkheden” bestonden, is onvoldoende. Zij stelt slechts, dat door de gestegen invoer (3000 ton in 1957 -16000 ton in 1959) de Duitse fondantindustrie vrijwel volkomen stil ligt. Dit bestrijden verzoeksters en de Commissie had het in ieder geval nader met cijfers moeten aantonen.

4\. Aan een beschikking van de Commissie mag men normale eisen van wetgevingstechniek stellen en een eventuele machtiging aan de uitvoerende Lid-Staat zou hier dus ondubbelzinnig uit moeten blijken, zulks in tegenstelling tot onveranderbare verdragsteksten, zoals bij voorbeeld artikel 46 E.E.G.-Verdrag, waarbij wellicht wél een „effort d'interprétation” kan worden gevergd.

Verzoeksters komen tot de conclusie, dat zowel vraag 1 als het eerste deel van vraag 2 ontkennend beantwoord dienen te worden, vraag 2 b) bevestigend.

##### De Commissie van de E.E.G.

wijst er op, dat van de serie beschikkingen, waarop het College in vraag 1 doelt, er een onvermeld is gebleven en wel die van 22 december 1961;

merkt op, dat het College uitspraken doet ten aanzien van artikel 12 van het Verdrag, die berusten op een bepaalde interpretatie van het Verdrag (in overeenstemming met de arresten 26-62 en 28 tot 30-62) en vraagt zich af, of het niet gewenst is dat het Hof, nu in de zaken waarvoor prejudiciële vragen ter beslissing worden voorgelegd, ook de interpretatie van artikel 12 een rol blijkt te spelen, zich nadrukkelijk uitspreekt over de uitlegging van artikel 12 en over de in een geval als het onderhavige al dan niet voorhanden zijnde verplichting om ook ten aanzien van dit artikel een prejudiciële beslissing te vragen, dit met het oog op een precisering van de strekking van artikel 177, lid 3.

Ten aanzien van vraag 1

De beschikkingen geven in concrete gevallen toepassing aan artikel 226 van het Verdrag, dat de Commissie de bevoegdheid toekent om, indien bepaalde situaties zich voordoen, een Lid-Staat die daarom vraagt te machtigen vrijwaringsmaatregelen te nemen, waarbij de Commissie dan de voorwaarden en de wijze van toepassing nader aangeeft.

Bij het geven van de machtiging aan de Duitse Bondsrepubliek heeft de Commissie daaraan de voorwaarde verbonden, dat deze Lid-Staat van deze machtiging geen gebruik maakt in die gevallen, waarin de uitvoerende Lid-Staat de in de beschikking aangegeven belasting heft. De uitvoering van de beschikking ligt dus niet uitsluitend in handen van de Lid-Staat wiens industrie in moeilijkheden was geraakt, doch kan mede geschieden door de exporterende Lid-Staat, die in het systeem van de beschikking zelfs de eerste keus kreeg.

De beschikking moet dus inderdaad als mede inhoudende een machtiging aan de exporterende Lid-Staten worden verstaan.

Bovendien zijn bedoelde beschikkingen niet alleen tot Duitsland, maar o.a. ook tot Nederland gericht; dat zou bij ontkennende beantwoording van deze vraag niet nodig zijn geweest.

Ten aanzien van vraag 2 a)

Deze vraag betreft de divergentie tussen lid 1 en 2 van artikel 226.

De Commissie heeft deze divergentie zelf ook gevoeld, maar is tot de conclusie gekomen, dat zij bij de uitvoering van de haar ingevolge artikel 226 toekomende bevoegdheid niet alleen gerechtigd is de thans aangevochten voorwaarde te stellen, maar dat dit ook in vele gevallen gewenst en geheel in overeenstemming met het doel van deze verdragsbepaling is.

Immers:

Artikel 226 is in het Verdrag opgenomen om beschermingsmaatregelen mogelijk te maken. Door wie die genomen worden is van ondergeschikt belang. Door de aanvragende Lid-Staat de financiële voordelen, voortvloeiend uit dergelijke maatregelen, te laten toekomen, stimuleert men het aanvragen van vrijwaringsmaatregelen. Dit behoort te worden vermeden. Bovendien zou dit een premie zijn op de „achterlijkheid” van de industrie van de aanvragende Lid-Staat. Het Verdrag zelf biedt in artikel 46 een voorbeeld van het door de Commissie gekozen systeem. Vraag 2 a) moet dus bevestigend worden beantwoord.

Ten aanzien van vraag 2 b)

Deze vraag moet dus, gezien het bovenstaande, ontkennend worden beantwoord.

Ten aanzien van vraag 3 a)

Artikel 226 is een z.g. vrijwarings- of ontsnappingsclausule, dat wil zeggen een bepaling, die beoogt het mogelijk te maken dat een Lid-Staat in bepaalde situaties gedurende beperkte tijd ontkomt aan een of meer der normale, uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen of de gevolgen daarvan. Toepassing lijkt dus juist geboden ten aanzien van moeilijkheden die ontstaan zijn „als gevolg van de toepassing van imperatieve regelen van het Verdrag”.

Ten aanzien van de woorden „uitsluitend als gevolg van” merkt de Commissie op, dat dergelijke moeilijkheden toch vrijwel nimmer uitsluitend aan een bepaalde oorzaak kunnen worden toegeschreven.

Bovendien bevat artikel 226 geen enkele beperking ten aanzien van de oorzaken die hebben geleid tot de „moeilijkheden”.

Vraag 3 a) moet dus bevestigend beantwoord worden.

Ten aanzien van vraag 3 b)

In het licht van het boven gestelde is duidelijk, dat de Commissie van mening is, dat het antwoord op de eerste onder dit punt gestelde vraag ontkennend moet luiden.

Ten aanzien van het tweede deel van vraag 3 b)

Ten aanzien van het betoog, dat de Commissie bij vaststelling van haar beschikkingen de procedure van artikel 226 zou hebben aangegrepen om te ontkomen aan de procedure van artikel 235, merkt de Commissie op, dat weliswaar de moeilijkheden in de Duitse fondantindustrie deel uitmaakten van een groter en meer algemeen probleem, dat niet door middel van artikel 226 kon worden aangepakt, doch dat dit nog niet tot de conclusie hoeft te leiden dat deze moeilijkheden maar moesten voortduren totdat voor het algemenere probleem een oplossing zou zijn gevonden. Temeer, daar in dit concrete geval aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 226 was voldaan.

De Commissie bestrijdt de stelling van verzoeksters in de grond-gedingen, dat de voorwaarden die artikel 226 aan het verlenen van een machtiging stelt, „in het onderhavige geval in genen dele vervuld waren”.

Bij het betoog, dat door de Nederlandse beschikking, welke berust op de bij beschikking van de Commissie verleende machtiging, een regime in het leven wordt geroepen dat in feite het daaronder vallende produkt onder de landbouwparagraaf van het Verdrag brengt, merkt de Commissie op, dat het onder de beschikkingen vallende produkt in genen dele voorwerp van het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt, maar dat de beschikkingen uitsluitend tot gevolg hebben een vermindering van het nadelige effect dat kan uitgaan van de verschillen in de regimes met betrekking tot respectievelijk industrie- en landbouwprodukten.

Het tweede deel van vraag 3 b) moet dan ook ontkennend worden beantwoord.

De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland verklaart onder meer:

###### A. ONTVANKELIJKHEID

Volgens de jurisprudentie van het Hof, in het bijzonder volgens het arrest, gewezen in de zaak 26-62, is voor de bevoegdheid van het Hof tot het geven van een prejudiciële beslissing slechts nodig, dat de gestelde vragen klaarblijkelijk één der in artikel 177, lid 1, genoemde gevallen betreffen.

Eveneens volgens het Hof, zijn de overwegingen welke de nationale rechter tot het stellen van zijn vragen hebben kunnen leiden, evenals het gewicht hetwelk deze daaraan voor de beslissing van het hangende geschil wenst toe te kennen, in een prejudicieel geschil aan een beoordeling van het Hof onttrokken.

Toetst men de door het College voorgelegde vragen aan deze jurisprudentie, dan rijzen verscheidene problemen:

Ten aanzien van vraag 1

Deze vraag levert geen moeilijkheden op met betrekking tot de ontvankelijkheid.

Ten aanzien van vraag 2

1\. Hier wordt sub a) een vraag van uitlegging van artikel 226 van het Verdrag opgeworpen en in aansluiting daarop wordt sub b) de vraag gesteld, of „deswege” de voornoemde beschikking ongeldig is. Het gebruik van het woord „deswege” geeft aan, dat beide delen van de vraag als één geheel zijn te beschouwen. Het gaat het College kennelijk om de vraag sub b), immers het wil vastgesteld zien of de (machtigings-)beschikking op grond van schending van het recht ongeldig is, zodat artikel 12 van toepassing blijft. Vraag 2 a) kan echter alleen opgeworpen worden, indien men aanneemt, dat bij een onderzoek naar de geldigheid van een beschikking ook haar wettigheid ter sprake kan komen. Indien men van mening is, dat dit niet mogelijk is, heeft vraag 2 a) geen belang meer (immers eventuele onwettigheid zou dan toch niet kunnen leiden tot ongeldigheid) en moet vraag 2 b) onafhankelijk van het antwoord op 2 a) beslist worden. Vraag 2 a) is voor het College ook niet van belang, aangezien het deze instantie alleen gaat om het antwoord op vraag 2 b). Het probleem voor het Hof is dus, of het iedere in abstracto voorgelegde vraag moet beantwoorden, of dat het moet vaststellen, waarop het de verzoekende rechterlijke instantie voor het nemen van haar beslissing aankomt. Positie en functie van het Hof pleiten ervoor dat het vragen, die de verzoekende rechterlijke instantie zelf alleen wegens samenhang met een andere vraag voor noodzakelijk heeft gehouden, als niet-ontvankelijk beschouwt indien zij na beantwoording van deze hoofdvraag niet meer van belang zijn. 2. Indien het Hof van mening is, dat uit het enkele feit van de voorlegging van vraag 2 sub a) blijkt, dat de verzoekende rechterlijke instantie haar „noodzakelijk” acht, in de zin van artikel 177, lid 2, rijst de vraag of deze opvatting, die de bestaande jurisprudentie weergeeft, niet een precisering behoeft. De „noodzakelijkheid” van vraag 2 a) hangt in casu namelijk niet af van de uitlegging van nationaal (Nederlands) recht, maar van die van Gemeenschapsrecht; vraag 2 a) heeft immers slechts zin als uit haar beantwoording de conclusie van ongeldigheid sub b) kan volgen. Of dit kan hangt af van de vraag, of in een procedure ex artikel 177 de gebrekkigheid van, tot Lid-Staten gerichte, beschikkingen door particulieren kan worden ingeroepen, een vraag van interpretatie van artikel 177 dus. Men kan zich afvragen, of het Hof kan zijn gebonden aan een, door de verzoekende rechterlijke instantie naar aanleiding van een voorafgaande vraag gegeven interpretatie van een verdragsartikel, zonder dat deze voorafgaande vraag aan het Hof wordt voorgelegd (in concreto dus de interpretatie van artikel 177 door het College gegeven, die blijkt uit het gebruik van het woord „deswege”). Het probleem voor het Hof is dus, of het niet zelf over de „noodzakelijkheid” en daarmede over de ontvankelijkheid van de voorgelegde vragen moet oordelen. 3. Indien het bovenstaande wordt aanvaard, hangt de ontvankelijkheid van vraag 2 a) af van de vraag, of in een prejudicieel geschil de wettigheid van een tot een Lid-Staat gerichte beschikking ter sprake kan komen. Bij een onderzoek van deze vraag moet men uitgaan van de tekst van het Verdrag: terwijl artikel 177 de term „geldigheid” gebruikt, die op de formele zijde van een rechtshandeling betrekking heeft, spreekt artikel 173 van een onderzoek naar de „wettigheid”. De vraag rijst nu, of een onderzoek naar de wettigheid, dat volgens artikel 173 niet alleen wegens het verstrijken van de termijn, maar ook principieel onmogelijk is, via de omweg van artikel 177 wel mogelijk is. De incidentele controle, mogelijk gemaakt door artikel 184, kan ook plaats vinden in het kader van een prejudiciële beslissing, doch dit artikel geldt alleen voor verordeningen en dus niet voor tot Lid-Staten gerichte beschikkingen. 4. Is het Hof van mening, dat bij het onderzoek naar de „geldigheid” van een tot de Lid-Staten gerichte beschikking ook de „wettigheid” getoetst mag worden, dan zijn de voorgelegde vragen ontvankelijk. Zo niet, dan is de vraag 2 a) niet-ontvanke-lijk. Zou het Hof vraag 2 a) ontvankelijk verklaren, hoewel het toetsing der wettigheid niet voor mogelijk houdt, dan zou het zakelijk toch tot hetzelfde resultaat komen. Immers het zou dan aanbeveling verdienen om eerst vraag 2 b) te beantwoorden, zodat de vraag 2 a) zonder voorwerp zou geraken, daar deze geen betekenis meer zou hebben voor de geldigheid der beschikking. Want als men eerst vraag 2 a) beantwoordt, bestaat de mogelijkheid dat het Hof de onwettigheid der beschikking constateert, zonder dat daaruit consequenties voor haar geldigheid getrokken kunnen worden.

Ten aanzien van vraag 3

De bezwaren tegen de ontvankelijkheid van vraag 2 aangevoerd gelden ook hier.

###### B. BEANTWOORDING DER VRAGEN

Aangezien de Bondsregering vooral belang hecht aan de vraag, in welke mate tot Lid-Staten gerichte beschikkingen in het kader van een prejudiciële procedure kunnen worden getoetst, neemt zij slechts kort stelling ten aanzien van de aan het Hof voorgelegde vragen:

Vraag 1

Deze vraag moet bevestigend beantwoord worden, aangezien door de formulering van de beschikking ook Nederland gemachtigd wordt.

Vraag 2

Indien slechts de geldigheid in engere zin onderzocht mag worden, moet het antwoord op deze vraag luiden, dat de beschikking geldig is. Het antwoord op de vraag sub a) komt dan te vervallen. Indien ook de „wettigheid” van de beschikking getoetst mag worden, wordt opgemerkt dat de machtiging aan de Bondsrepubliek gegeven werd op voorwaarde dat niet reeds de exporterende Lid-Staat de heffing zou hebben opgelegd; dat dit leidt tot de conclusie dat de exporterende Lid-Staat dan ook daartoe gemachtigd moet worden, aangezien anders de voorwaarde zinloos was. Een verzoek van het exportland was hiertoe niet nodig, immers de bevoegdheid van dat land is slechts het noodzakelijk gevolg van de machtiging aan de Duitse Bondsrepubliek. In een dergelijk geval is het voldoende dat de Staat, die door de vrijwaringsmaatregel beschermd dient te worden, de machtiging vraagt.

Vraag 3

Ook deze vraag kan, in zoverre als zij op de wettigheid betrekking heeft, onbeantwoord blijven.

Voor zover nodig, wordt echter het volgende opgemerkt:

Er is geen reden om aan te nemen, dat artikel 226 in het geval van de hier genoemde moeilijkheden niet van toepassing zou zijn. Er is geen sprake van dat artikel 226 gebruikt zou zijn om de procedure van artikel 235 te ontwijken; ter aanvulling van het aanvankelijk toegepaste artikel 226 werd immers later teruggegrepen op artikel 235, omdat artikel 226 wel voor een korte overgangstijd doch niet voor een langer tijdvak als voldoende grondslag werd beschouwd.

#### III — Procedure

De uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven d.d. 10 juli 1963 werden op 11 juli 1963 in het register van het Hof ingeschreven.

Op 26 juli 1963 werden de uitspraken door de Griffier van het Hof betekend aan de partijen in de beide zaken, aan de Lid-Staten en aan de Commissie van de E.E.G.

Ingevolge artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G. hebben verzoeksters in de grondgedingen, de Commissie van de E.E.G. en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland in beide zaken schriftelijke opmerkingen ingediend.

Bij beschikking van 19 juli 1963 heeft het Hof de zaken gevoegd.

Tijdens de openbare zitting van het Hof op 28 november 1963 is het woord gevoerd door verzoeksters in de grondgedingen, door de Commissie van de E.E.G. en door de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland.

De Advocaat-Generaal heeft zijn mondelinge en met redenen omklede conclusie voorgedragen ter zitting van 16 december 1963.

### TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende dat de Commissie de vraag heeft opgeworpen of het College van Beroep voor het bedrijfsleven als rechter in laatste instantie artikel 177, derde lid, van het Verdrag niet heeft miskend door niet aan het Hof voor te leggen de aan artikel 12 gegeven uitlegging, welke het ten grondslag heeft gelegd aan de ter prejudiciële beslissing voorgelegde vragen;

dat echter uit de overwegingen der uitspraak van voornoemd College blijkt, dat dit artikel 12 niet zelfstandig heeft uitgelegd, doch zich er toe heeft beperkt in casu de uitlegging toe te passen, neergelegd in de reeds vroeger krachtens artikel 177 door het Hof gewezen arresten 26-62 en 28 tot 30-62;

dat het door de Commissie opgeworpen punt derhalve niet behoeft te worden onderzocht;

Overwegende dat in de eerste plaats aan het Hof de vraag is gesteld of de omstreden beschikkingen van de Commissie, waarbij de Bondsrepubliek Duitsland is gemachtigd een bijzondere heffing op de invoer van fondant te leggen, tevens aan het Koninkrijk der Nederlanden de bevoegdheid verleenden om een heffing van gelijk bedrag in te stellen voor de uitvoer van dit produkt naar de Bondsrepubliek Duitsland;

dat de aan laatstgenoemde Lid-Staat gegeven machtiging is verleend onder voorbehoud dat de uitvoerende Lid-Staat niet zelf tot heffing van het bij de beschikkingen bepaalde recht overgaat;

dat trouwens deze beschikkingen, welke o.a. tot de Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden waren gericht, het bedrag der heffing in de eerste plaats in guldens hebben bepaald en pas in de tweede plaats in Duitse marken;

dat, zo een uitdrukkelijke machtiging — welke meer in overeenstemming met de eis der rechtszekerheid zou zijn geweest — niet in de beschikkingen voorkomt, deze desalniettemin de Nederlandse Regering impliciet machtigen tot de bewuste heffing over te gaan;

overwegende dat bij de tweede vraag aan het Hof wordt verzocht te beslissen of artikel 226 de Commissie vrij liet de Nederlandse Regering te machtigen tot oplegging van een niet door haar aangevraagde heffing en zo neen, of dan de geldigheid der beschikkingen daardoor wordt aangetast;

Overwegende dat vrijwaringsmaatregelen slechts ten doel kunnen hebben om een in moeilijkheden verkerende sector van het economisch leven tijdelijk te beschermen;

dat, al bepaalt het eerste lid van artikel 226 dat de belanghebbende Staat machtiging moet verzoeken tot het zèlf nemen van vrijwaringsmaatregelen, desalniettemin het tweede lid van dit artikel de Commissie bevoegdheid verleent om op grond van dit verzoek de vrijwaringsmaatregelen vast te stellen, „welke zij noodzakelijk acht, waarbij zij de voorwaarden en de wijze van toepassing nader aangeeft”;

dat de onderhavige bepaling slechts uitzonderingskarakter draagt ten aanzien van de aard en de omvang der afwijkingen van het Verdrag, doch niet ten aanzien van de wijze waarop de Commissie de gevraagde bescherming verwezenlijkt wil zien;

dat wat dit betreft, de Commissie de weg dient te bewandelen welke de minst bezwarende gevolgen meebrengt voor de Staat, die door de toegestane maatregelen in een sector van zijn economisch leven wordt getroffen;

dat te dien einde de aan de aanvragende Staat verleende machtiging tot het nemen der door hem verzochte vrijwaringsmaatregelen kan worden onderworpen aan de voorwaarde dat de Staat, die daardoor in een sector van zijn economisch leven wordt getroffen, niet verkiest deze maatregelen zelf toe te passen;

dat overigens de bevoegdheid der Commissie om aan haar machtiging een zodanige voorwaarde te verbinden nog wordt bevestigd door het derde lid van artikel 226, hetwelk bepaalt dat bij voorrang die maatregelen moeten worden gekozen die de werking van de gemeenschappelijke markt het minst verstoren;

dat derhalve de omstreden beschikkingen in dit opzicht geen aanleiding geven tot kritiek;

Overwegende dat het College van Beroep bij zijn derde vraag in de eerste 'plaats verzoekt te beslissen of moeilijkheden welke uitsluitend door de toepassing van dwingende verdragsregels, met name door de afbraak der binnentarieven zijn veroorzaakt, kunnen worden beschouwd als moeilijkheden in de zin van artikel 226;

dat, naar uit de overwegingen der omstreden beschikkingen blijkt, de Commissie van oordeel was dat de moeilijkheden in het onderhavige geval reeds bestonden vóór de toepassing van het Verdrag en slechts zijn toegenomen ten gevolge van de afbraak der handelsbelemmeringen binnen de gemeenschappelijke markt;

dat, nu de onjuistheid van deze overwegingen niet is aangetoond, de desbetreffende vraag bij het onderzoek der aan het oordeel van het Hof onderworpen beschikkingen van de Commissie buiten beschouwing lijkt te kunnen blijven;

dat overigens artikel 226 het begrip moeilijkheden bezigt, zonder te onderscheiden tussen die welke wel en die welke niet uit de toepassing van het Verdrag voortvloeien;

dat de geldigheid der onderhavige beschikkingen uit dit oogpunt derhalve niet bestreden kan worden;

Overwegende dat bij de derde vraag in de tweede plaats aan het Hof wordt verzocht te beslissen of de beschikkingen ongeldig zijn uit hoofde van niet nader aangegeven gronden, dan wel op grond van het feit dat de Commissie artikel 226 van het Verdrag zou hebben aangewend om te ontkomen aan de toepassing van artikel 235;

dat in dit opzicht het Hof ermede kan volstaan te onderzoeken enerzijds of de Commissie door haar toevlucht te nemen tot artikel 226, artikel 235 niet heeft miskend en anderzijds of aan de omstreden beschikkingen overigens gebreken kleven welke ambtshalve aan de orde behoren te komen;

Overwegende dat artikel 235 een aanvullend karakter draagt en alleen toegepast kan worden in geval het Verdrag niet voorziet in de ter verwezenlijking van de beoogde doelstelling noodzakelijke bevoegdheden;

dat dan ook de regelmatige uitoefening der door het Verdrag toegekende bevoegdheden niet een miskenning van dit artikel kan vormen;

Overwegende dat verzoeksters in de grondgedingen met een beroep op de tekst van het arrest van het Hof, gewezen in de gevoegde zaken 2 en 3-62, hebben aangevoerd dat een niet-gepubliceerde machtiging niet mag worden beschouwd als de volgens dit arrest vereiste uitzondering welke duidelijk is voorzien („l'exception clairement prévue”);

dat, waar het achterwege blijven der vereiste openbaarmaking ambtshalve aan de orde kan komen, deze bewering behoort te worden onderzocht;

dat, zo het al gewenst schijnt aan een beschikking als de onderhavige, welke de rechten en belangen van ingezetenen van meerdere Lid-Staten betreft, niet de openbaarheid te onthouden welke daaraan in soortgelijke gevallen wel is gegeven, artikel 191 voor beschikkingen slechts voorschrijft dat kennis wordt gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht;

dat vaststaat dat in het onderhavige geval een dergelijke kennisgeving heeft plaatsgehad;

dat trouwens de bewuste „exception clairement prévue” in dit geval wordt gevormd door artikel 226 zélf, voor zover deze bepaling vrijwaringsmaatregelen toelaat welke afwijkingen van de regels der artikelen 12 en 16 van het Verdrag bevatten;

dat derhalve, waar overigens geen gebreken welke ambtshalve behoren te worden onderzocht aanwezig zijn, niet van enige grond blijkt om de onderhavige beschikkingen ongeldig te achten;

### TEN AANZIEN VAN DE KOSTEN

Overwegende dat de kosten, gemaakt door de Commissie der E.E.G. en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland welke ter zake hun opmerkingen aan het Hof hebben doen toekomen, niet voor vergoeding in aanmerking komen;

dat de onderhavige procedure ten aanzien van de betrokken partijen het karakter draagt van een incident in de tussen hen aanhangige gedingen voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven, zodat de beslissing over de gemaakte kosten bij dit College moet verblijven;

### Dictum

beslist

HET HOF VAN JUSTITIE

uitspraak doende op de verzoeken om een prejudiciële beslissing, gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven in zijn uitspraken van 10 juli 1963,

1) de beschikkingen van de Commissie der E.E.G. d.d. 27 juli 1960, 21 december 1960, 28 juni 1961, 22 december 1961 en 27 februari 1962 tot vaststelling van de vrijwaringsmaatregelen betreffende de invoer in de Bondsrepubliek Duitsland van brood en fondant afkomstig uit andere Lid-Staten, verlenen aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden de bevoegdheid een heffing van gelijk bedrag vast te stellen op de export van deze produkten naar de Bondsrepubliek Duitsland;

2) het onderzoek der aan het Hof voorgelegde vragen geeft geen grond voornoemde beschikkingen ongeldig te achten;

3) de uitspraak ten aanzien van de kosten blijft aan het Collège van Beroep voor het bedrijfsleven voorbehouden.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Conclusie van advocaat-generaal La Pergola C-116/96 17.07.1997

#### [Internationaal personenvervoer](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-116-96-conclusie)

Conclusie van advocaat-generaal Tesauro C-408/95 27.05.1997

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 28duodecies, richtlijn 92/12 art. 28](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-408-95-conclusie)

## Rechtsleer

5

Focsaneanu, Lazar: Clause de sauvegarde et taxes compensatoires, Revue du Marché Commun 1964 p.185-188 (FR)

Samkalden, I.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1963 p.337-342 (NL)

Schibel, Roland: Außenwirtschaftsdienst des Betriebs-Beraters / Recht der Internationalen Wirtschaft 1964 p.88-89 (DE)

Rigaux, François: Journal des tribunaux 1964 p.526-527 (FR)

Samkalden, Ivo: Internatio and Puttershoek v. Netherlands Ministry of Agriculture and Fisheries. Consolidated cases nos. 73 and 74/63. Judgment given on February 18, 1964, Common Market Law Review 1965, Volume 2, Issue 1, p. 95-100 (EN)
