---
title: "HvJ EU, 7/67, Firma Milchwerke H. Wöhrmann &amp; Sohn KG, arrest van 4 april 1968 · Verordening 13/64 art. 12"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 april 1968, 7/67, Firma Milchwerke H. Wöhrmann & Sohn KG: verordening 13/64 art. 12."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-7-67-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-7-67-arret"
---

# Arrest van het Hof van 4 april 1968, 7/67, Firma Milchwerke H. Wöhrmann & Sohn KG · Verordening 13/64 art. 12

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

7/67

**ECLI**

ECLI:EU:C:1968:18

**Datum**

4 april 1968

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Finanzgericht München (Duitsland) beslissing van 15 februari 1967 FG III 339/66 - Z 1

**Zaak ingediend op**

20 februari 1967

**Advocaat-generaal**

Gand

**Nationale beslissing na het arrest**

Finanzgericht München beslissing van 16 september 1968 III 339/66 - Z 1

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Strauss

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Zuivelproducten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.07) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.07.02) Invoerregeling
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02) [Maatregelen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02.02) [Begrip](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02.02.01) 16 beslissingen

## Tekst

62 paragrafen

### ARREST

### TEN AANZIEN VAN DE FEITEN EN HET RECHT

#### I — Ten aanzien van de feiten

##### 1. De voorgeschiedenis

A — In artikel 12, lid 2, van 's Raads Verordening no. 13/64/EEG van 5 februari 1964 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de zuivelsector (Publikatieblad van de Gemeenschappen van 27 februari 1964, blz. 549 en volgende) — hierna te noemen „Verordening 13/64” — is bepaald : „Voor de invoer uit derde landen zijn onverenigbaar met de toepassing van deze verordening : de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking; …”

B — De Firma Milchwerke H. Wöhrmann & Sohn KG (hierna te noemen „firma Wöhrmann”) liet in juni en juli 1966 door het bevoegde Duitse douanekantoor vijf uit Oostenrijk afkomstige zendingen volle melkpoeder inklaren. Het douanekantoor verlangde van haar te dier zake betaling van een compenserende omzetheffing van 3 % („Umsatzausgleichsteuer”, hierna te noemen „UASt”), zulks ingevolge de Duitse rechtsvoorschriften. In beroep voor het Finanzgericht München betoogde de firma Wöhrmann met name, dat nu in Duitsland voor melk en melkprodukten geen omzetbelasting behoeft te worden betaald, de litigieuze UASt niet als „binnenlandse belasting” in de zin van artikel 95 en volgende van het E.E.G.-Verdrag, doch alleen als een heffing van gelijke werking als douanerechten, in de zin van artikel 12, lid 2, van Verordening 13/64, mag worden beschouwd.

##### 2. Inhoud van de renvooibeschikking; de overwegingen van de verwijzende rechter

A — Het Finanzgericht München besloot op 15 februari 1967 het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken nopens de vragen : of ter beantwoording der vraag, of van een „heffing van gelijke werking” als bedoeld in artikel 12, lid 2, van Verordening no. 13/64 sprake is, moet worden nagegaan of de heffing als zodanig van protectionistische strekking is dan wel of zij, op bepaalde produkten toegepast, in feite tot protectie leidt, en bijaldien de vraag in laatstbedoelde zin moet worden beantwoord, of een compenserende heffing ten volle als „heffing van gelijke werking” moet worden beschouwd wanneer noch ter zake van de levering van het met de ingevoerde waren gelijk te stellen binnenlands produkt (eindprodukt) noch ter zake van de levering van het voorprodukt rechtstreeks omzetbelasting wordt geheven dan wel alleen voor zoveel zij de op soortgelijke binnenlandse produkten geheven omzetbelasting te boven gaat, en bijaldien deze vraag niet in eerstbedoelde zin moet worden beantwoord, of bij heffing van omzetbelasting volgens het cumulatief cascadestelsel tegenover het beloop der toegepaste compenserende heffing ook de omzetbelasting, die pro rata parte ten laste komt van de bij vervaardiging van soortgelijke binnenlandse produkten gebruikte hulpstoffen en dergelijke, produktiemiddelen, bedrijfsmaterialen, energie, enzovoort in compensatie mag worden gebracht, en bijaldien de vraag sub b) in laatstbedoelde zin moet worden beantwoord, of artikel 12, lid 2, van E.E.G.-Verordening no. 13/64, voor zoveel een binnenlandse heffing, haar strekking in aanmerking genomen, als heffing van gelijke werking moet worden beschouwd, rechtstreeks bindend is en of particulieren daaraan rechten kunnen ontlenen, die door de nationale rechterlijke instanties moeten worden gewaarborgd.”

B — Het Finanzgericht heeft achtergrond en strekking der vragen toegelicht en telkens haar eigen opvatting geformuleerd; het betoogt met name het navolgende : „De beslissing van het geding hangt er allereerst vanaf, of de in de zaak 57-65 (Jurisprudentie, Deel XII, blz. 347), gedane uitspraak, dat „een belasting bestemd om de werking van een binnenlandse belasting te compenseren, uit dien hoofde evenzeer als van binnenlandse aard moet worden beschouwd als de belasting welker werking zij beoogt te compenseren”, op de UASt als zodanig, zoals zij in lid 1, onder 3, van de Duitse wet op de omzetbelasting in het algemeen is omschreven, betrekking heeft dan wel telkens met de UASt op een bepaald ingevoerd produkt in verband moet worden gebracht.” Stelt men zich op het door het Hof van Justitie in de gevoegde zaken 2 en 3-62 (Jurisprudentie, Deel VIII, blz. 851) ingenomen standpunt, dat van een protectionistische doelstelling slechts kan worden gesproken bij heffingen die wél op ingevoerde doch niet op gelijksoortige binnenlandse produkten worden toegepast, dan is wat de UASt in het algemeen betreft — dat wil zeggen haar toepassing in concreto, op bepaalde waren, buiten beschouwing gelaten — van zodanige doelstelling geen sprake. Men kan in zodanig geval slechts constateren, dat de UASt ten doel heeft om op het gebied van de omzetbelasting binnenlandse en buitenlandse produkten een zelfde concurrentiepositie te doen innemen; ook voor zoveel bepaalde ingevoerde produkten door de UASt zwaarder mochten worden belast dan gelijksoortige binnenlandse produkten door de omzetbelasting, heeft de UASt niet een zelfde werking als douanerechten. Huldigt men evenwel de opvatting, dat het rechrskarakter der UASt voor ieder afzonderlijk produkt moet worden onderzocht en dat zij dan in bepaalde gevallen als een heffing van gelijke werking als douanerechten kan worden beschouwd, dan dient voorts te worden nagegaan, welke der op vergelijkbare binnenlandse produkten geheven belastingen als „niet-rechtstreeks (geheven)” in de zin van artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag zijn te beschouwen, zodat zij bij de in dit voorschrift verlangde vergelijking in aanmerking moeten worden genomen. De verwijzende rechter wijdt hieraan nadere overwegingen. Wanneer bij zodanige vergelijking in concreto mocht blijken, dat de UASt de fiscale last op vergelijkbare binnenlandse produkten te boven gaat, dan dient men zich verder nog af te vragen, of dit gedeelte der UASt afzonderlijk mag worden bezien, dat wil zeggen of zij in zoverre als „heffing van gelijke werking” in de zin van de artikelen 12 en 13 van het E.E.G.-Verdrag en van artikel 12 van Verordening no. 13/64 mag worden beschouwd. Het Finanzgericht meent, dat zulk een opvatting zich niet verdraagt met 's Hofs voornoemd arrest in de zaak 57-65, volgens hetwelk de artikelen 12 en 13 van het E.E.G.-Verdrag enerzijds en artikel 95 van het Verdrag anderzijds „nier tegelijkertijd op een en dezelfde casuspositie kunnen worden toegepast”. De term „heffingen van gelijke werking” heeft in beide eerstgenoemde bepalingen dezelfde betekenis als in artikel 12 van Verordening no. 13/64. Anderzijds kan met betrekking tot artikel 95 worden opgemerkt, dat het althans in casu niet rechtstreeks bindend is. In ieder geval zou een op produkten uit andere Lid-Staten geheven hogere UASt naar haar aard onder artikel 95 vallen en niet als „heffing van gelijke werking” in de zin van de artikelen 12 en 13 van het E.E.G.-Verdrag zijn te beschouwen; dit laatste moet dan ook voor invoer uit derde landen gelden. Op grond van dit een en ander kan de nationale rechter het gedeelte van de op de invoer uit derde landen geheven UASt, dat de fiscale last op vergelijkbare binnenlandse produkten te boven gaat, niet als onverbindend beschouwen. Al mocht men overigens de UASt in zoverre met het Verdrag in strijd achten, dan nog zouden particulieren in rechte geen aanspraak op belastingverlaging kunnen maken. „Voorwaarden voor zulk een belatingverlaging door het Finanzgericht ware de invoering van een nieuw belastingpercentage in overeenstemming met de voorschriften van het Verdrag, waartoe evenwel niet op plaatselijk niveau door een belastingrechter, doch alleen, volgens het beginsel van de scheiding van machten, door de wetgevende macht van de Lid-Staat kan worden overgegaan”.

#### II — De procesvoering

De renvooibeschikking is op 20 februari 1967 ter Griffie van het Hof van Justitie ingekomen.

Door de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de firma Wöhrmann zijn overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G. schriftelijke en ter terechtzitting van 5 tot en met 7 december 1967 ook mondelinge opmerkingen ingediend.

De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 25 januari 1968 mondeling zijn met redenen omklede conclusie genomen.

De firma Wöhrmann werd ten deze vertegenwoordigd door Dr. Modest, Dr. Heemann, Dr. Gündisch en Dr. Brandei, advocaten te Hamburg. De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland werd vertegenwoordigd door Ministerialrat Dr. Everling, Ministerialrat Hahnfeld en Oberlandesgerichtsrat Dr. Bülow, de Commissie van de Europese Gemeenschappen door haar juridisch adviseur Thiesing.

#### III — Samenvatting der ten processe gebezigde argumenten

##### Inleidende opmerkingen

De firma Wöhrmann betoogt dat de term „heffing van gelijke werking” in artikel 12 van Verordening 13/64 dezelfde betekenis heeft als in de artikelen 12 en 13 van het E.E.G.-Verdrag.

De heffingsregelingen, welke in de E.E.G.-marktverordeningen voorkomen, hebben ten doel prijsverschillen russen binnenlandse en ingevoerde produkten te nivelleren. Daarenboven geheven douanerechten of heffingen van gelijke werking leiden tot discriminatie en protectie.

Volgens 's Hofs jurisprudentie kan niet tegelijkertijd van „heffingen van gelijke werking” en „binnenlandse belastingen” sprake zijn. Derhalve moet worden nagegaan, of de litigieuze heffing onder de eerste dan wel onder de laatste term valt; hierbij moer de uitlegging van artikel 95 de doorslag geven, hoewel deze bepaling slechts op invoer uit andere Lid-Staten toepasselijk is.

De Bondsregering betoogt, dat de gestelde vragen alleen begrijpelijk zijn; wanneer men voor ogen houdt, dat de verwijzende rechter een beslissing had te nemen inzake de invoer van onder een E.E.G.-marktverordening vallende en uit een derde land afkomstige produkten.

Het Verdrag zelf houdt geen verbod in van heffingen van gelijke werking als douanerechten of van het toepassen van hogere binnenlandse belastingen in de zin van artikel 95 op uit derde landen afkomstige produkten. In Verordening 13/64 komt zodanig verbod alleen voor met betrekking tot eerstgenoemde heffingen.

###### De eerste vraag

De firma Wöhrmann is van mening, dat met de verboden van de artikelen 12 en 13 van het E.E.G.-Verdrag en van artikel 12 van Verordening 13/64 wordt beoogd te verhinderen, dat beschermende heffingen de invoer van buitenlandse waren bemoeilijken of onmogelijk maken en aldus de mededinging vervalsen.

Beslissend is niet de kwalificatie of doelstelling ener heffing, doch uitsluitend haar werking.

De vraag moet derhalve in die zin worden beantwoord, dat een heffing een zelfde werking heeft als douanerechten, wanneer zij in concreto, toegepast op bepaalde produkten, een protectionistisch effect heeft.

De Bondsregering betoogt, dat bij beantwoording van de vraag, of een heffing een gelijke werking als douanerechten heeft, alleen op haar algemene doelstelling dient te worden gelet; belastingvergelijking in concreto dient daarbij geen rol te spelen.

De term „heffing van gelijke werking” is in artikel 12, lid 2, van Verordening 13/64 in dezelfde zin gebezigd als in artikel 12 en volgende van het E.E.G.-Verdrag; dit blijkt vooral bij vergelijking met lid 1 van eerstgenoemd artikel, dat op het handelsverkeer tussen de Lid-Staten betrekking heeft.

De beginselen volgens welke de in de artikelen 12 en volgende en in artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag geregelde casusposities dienen te worden onderscheiden, behoren derhalve ook bij de uitlegging van artikel 12, lid 2, van Verordening 13/64 toepassing te vinden.

Waar de grens loopt, volgt uit de verschillende doelstellingen van genoemde voorschriften. De artikelen 12 en volgende betreffen het „vrije verkeer van goederen” en hebben het uit de weg ruimen van handelsbelemmeringen ten doel; daarentegen is artikel 95 bedoeld om de concurrentie binnen de gemeenschappelijke markt tegen vervalsing te beschermen. De opheffing van binnenlandse belastingen wordt in het Verdrag niet verlangd; zij worden slechts naar boven toe begrensd en daarmede worden zij rechtens als van principieel andere aard aangemerkt dan douanerechten en heffingen van gelijke werking als douanerechten. In 's Hofs jurisprudentie werd steeds van de algemene doelstelling van de betrokken belasting uitgegaan.

Ook wanneer in concreto van een te hoge compenserende heffing sprake is, moet zij uitsluitend volgens artikel 95 worden beoordeeld; anders zou immers aan het in dit voorschrift neergelegde verbod naast de artikelen 12 en volgende geen zelfstandige betekenis toekomen.

Een compenserende heffing valt ook onder artikel 95, wanneer in bepaalde gevallen tegenover de ingevoerde produkten geen gelijksoortige of vervangende binnenlandse waren staan; reeds omdat zij niet tot bescherming der binnenlandse produktie kan leiden, heeft de heffing in zulk een geval niet een zelfde werking als douanerechten. De Lid-Staten heffen in deze gevallen steeds binnenlandse belastingen; voor zoveel het waren betreft waarop tot nu toe douanerechten van fiscale aard werden geheven, verklaart artikel 17 van het E.E.G.-Verdrag dit uitdrukkelijk geoorloofd.

Deze uitlegging vindt steun in artikel 112 van het E.E.G.-Verdrag.

Verordening 13/64 bevestigt deze opvatting. Artikel 2, lid 1, der verordening schrijft voor dat bij de berekening van het heffingsbedrag onder meer rekening moet worden gehouden met „de invloed van de bij invoer geheven binnenlandse belastingen”; dat hiertoe ook de Duitse UASt moet worden gerekend, blijkt duidelijk uit de ter uitvoering dezer bepaling gegeven voorschriften.

De Commissie betoogt, dat voor wat de „binnenlandse belastingen” in de zin van artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag betreft, in Verordening 13/64 bepalingen overeenkomende met het in artikel 12, lid 2, dezer Verordening vervatte verbod van douanerechten of heffingen van gelijke werking ontbreken. De Lid-Staten zijn derhalve in zoverre vrij, aangezien artikel 95 slechts geldt voor produkten „uit de overige Lid-Staten”. Deze opvatting wordt, naar door de Commissie is uiteengezet, zowel door artikel 2, lid 1, dezer verordening als door haar uitvoeringsvoorschriften bevestigd. Uit al deze voorschriften blijkt bovendien, dat ook de ordening der E.E.G.-zuivelmarkten op het onderscheid tussen heffingen van gelijke werking als douanerechten en binnenlandse belastingen berust en dat beide termen hier in dezelfde zin worden gebezigd als in het Verdrag.

Ter onderscheiding van beide begrippen dient men zich af te vragen of de belasting in kwestie tot compensatie dient van belastingen op gelijksoortige binnenlandse produkten. Naar deze maatstaf moet de UASt, zoals trouwens ook uit Duitse wet op de omzetbelasting (Umsatzsteuergesetz) blijkt, in beginsel als een binnenlandse belasting worden aangemerkt. Zij kan echter een heffing van gelijke werking als douanerechten worden, wanneer in bepaalde gevallen van belasting van gelijksoortige binnenlandse waren geen sprake is, bij voorbeeld omdat zij van belasting zijn vrijgesteld. Deze beperking is echter voor de UASt niet van grote praktische betekenis.

De UASt moet juridisch als een eenheid worden beschouwd; voor zoveel zij in bepaalde gevallen de fiscale last op gelijksoortige binnenlandse produkten te boven gaat, kan zij derhalve niet alleen voor zoveel zulke het geval is als een heffing van gelijke werking als douanerechten worden beschouwd.

###### De tweede vraag

De firma Wöhrmann betoogt, dat in Duitsland noch voor het oorspronkelijk produkt „melk” noch voor de daaruit vervaardigde „melkpoeder” omzetbelasting behoeft te worden betaald. De bij invoer van buitenlands melkpoeder geheven UASt kan derhalve hoogstens dienen tot compensatie van op gelijksoortige binnenlandse produkten niet-rechtstreeks geheven belasting.

's Hofs arrest in de zaak 45-64 (Jurisprudentie, Deel XI, blz. 1080) leidt tot een restrictieve uitlegging van de term „niet-rechtstreeks”, waaraan in artikel 95 dezelfde betekenis toekomt als in artikel 96. Zowel betrokkenen als de desbetreffende rechterlijke instanties moeten in staat worden gesteld de niet-rechtstreeks geheven belasting te berekenen op een wijze welke misverstand uitsluit. Daarom kunnen slechts belastingen in aanmerking komen welker heffing van de structuur van het bedrijf en de toegepaste werkmethoden onafhankelijk is, aangezien anders onmogelijk kan worden vastgesteld, of binnenlandse en ingevoerde produkten gelijkelijk zijn belast. Melk en melkpoeder worden echter in de verschillende ondernemingen onder zeer uiteenlopende omstandigheden gewonnen c.q. vervaardigd.

Op grond van een en ander moet het eerste gedeelte van de eerste en tweede vraag in die zin worden beantwoord, dat een compenserende heffing als heffing van gelijke werking als douanerechten is te beschouwen, wanneer noch ter zake van de levering van het aan de ingevoerde waren gelijksoortige binnenlandse produkt noch op het voorprodukt rechtstreeks omzetbelasting wordt geheven.

's Hofs in de zaak 57-65 gegeven beslissing, dat de artikelen 12 en 13 van het E.E.G.-Verdrag enerzijds en artikel 95 anderzijds niet op een en dezelfde casuspositie kunnen worden toegepast sluit de mogelijkheid niet uit een heffing in dier voege te splitsen dat zij, voor zoveel de fiscale last op binnenlandse produkten niet te boven gaande, als een belasting in de zin van artikel 95 en voor het overige als een heffing van gelijke werking als douanerechten is te beschouwen. Zodanige splitsing is in casu ook geboden, aangezien het eerstgenoemde gedeelte der heffing een compenserend, het laatstbedoelde een discriminerend effect heeft.

Mocht men van zodanige splitsing niet willen weten, dan zou de heffing in haar geheel als van gelijke werking als douanerechten moeten worden beschouwd, aangezien niet valt aan te nemen, dat een heffing van deze hoogte uitsluitend tot belastingcompensatie strekt.

De Bondsregering is van mening, dat deze vraag wegens het door haar ten aanzien van de eerste vraag ingenomen standpunt geen beantwoording meer behoeft.

De opvatting van de Commissie ten aanzien van deze vraag volgt uit hetgeen zij met betrekking tot de eerste vraag heeft betoogd.

###### Vraag c

De firma Wöhrmann is van mening, dat deze vraag op de reeds ten aanzien van de tweede vraag aangevoerde gronden ontkennend moet worden beantwoord. Van een cumulatief cascadestelsel kan trouwens niet worden gesproken wanneer grondstoffen, halffabrikaten en eindprodukten zelf niet met omzetbelasting zijn belast.

De Bondsregering meent dat de vraag om de ten aanzien van de eerste vraag uiteengezette redenen geen beantwoording meer behoeft. Zij meent nochtans wegens de principiële betekenis van de derde vraag het navolgende te moeten opmerken :

Volgens de duidelijke bewoordingen van artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag moeten ook niet rechtstreeks op binnenlandse produkten geheven belastingen in aanmerking worden genomen. Daartoe dient iedere belasting te worden gerekend welke binnenlandse waren in prijs doet stijgen, met name ook belasting op produktiemiddelen — machines, hulpstoffen, hulpmaterialen en energie —; deze waren zouden anders in een nadelige concurrentiepostie worden gebracht.

De Commissie betoogt, dat niet alleen belastingen op gelijksoortige binnenlandse produkten of op het rechtstreekse voorprodukt in aanmerking dienen te worden genomen doch, zoals uit artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag blijkt, ook „in eerdere produktiefasen niet-rechtstreeks geheven omzetbelasting”. Wel kan men dan twijfelen over de mate waarin zulks dient te geschieden. Dit laatste is in deze zaak evenwel niet van belang, aangezien bij compensatie van belastingen steeds van een binnenlandse heffing sprake is.

###### De vierde vraag

De firma Wöhrmann is van mening, dat de vraag bevestigend moet worden beantwoord; zulks volgt haars inziens uit de door het Hof van Justitie in de zaken 2 en 3-62 en 57-65 gewezen arresten. Verordening 13/64 bepaalt bovendien, zulks in overeenstemming met artikel 189 van het E.E.G.-Verdrag, dat zij in al haar onderdelen bindend en in elke Lid-Staat rechtstreeks toepasselijk is.

De Bondsregering meent dar de vraag om de ten aanzien van vraag a) reeds uiteengezette redenen geen beantwoording meer behoeft.

De Commissie wijst op 's Hofs arrest in de zaak 26-62 (Jurisprudentie, Deel IX, blz. 1 en volgende), volgens hetwelk artikel 12 van het E.E.G.-Verdrag voor particulieren individuele rechten doet ontstaan. Zulks moet ook voor artikel 12, lid 2, van Verordening 13/64 gelden.

### TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende dat het Finanzgericht te München in zijn op 20 februari 1967 bij het Hof ingekomen beschikking van 15 februari 1967 ingevolge artikel 177 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap het Hof een aantal vragen heeft gesteld betreffende de uitlegging van artikel 12, lid 2, van 's Raads Verordening no. 13/64, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de zuivelsector;

Overwegende dat de verwijzende rechter in vraag a) het Hof verzocht uit te spreken, „of ter beantwoording van de vraag of van een heffing van gelijke werking als bedoeld in artikel 12, lid 2, van Verordening no. 13/64 sprake is, moet worden nagegaan of de heffing als zodanig van protectionistische strekking is dan wel of zij, op bepaalde produkten toegepast, in feite tot protectie leidt”;

Overwegende dat bij het onderzoek naar deze vraag te rade moet worden gegaan met de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens nopens het bodemgeschil;

dat daaruit blijkt, dat in het bodemgeschil de toepassing aan de orde is van een compenserende heffing — krachtens de wettelijke bepalingen op het stuk van de omzetbelasting — op de invoer van uit een derde land afkomstige melkprodukten;

dat men derhalve bij de beantwoording van de door de verwijzende rechter gestelde vraag alleen van de bepalingen van artikel 12, lid 2, van Verordening no. 13/64 kan uitgaan, aangezien artikel 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap uitsluitend op uit Lid-Staten afkomstige produkten toepasselijk is;

Overwegende dat naar luid van artikel 12, lid 2, van genoemde verordening „voor de invoer uit derde landen” … „met de toepassing van deze verordening” onverenigbaar is: — de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking";

dat men derhalve door middel van voornoemde vraag wenst te zien uitgemaakt, of een belasting, geheven onder de in de renvooibeschikking genoemde omstandigheden, onder het verbod valt;

Overwegende dat Verordening no. 13/64 met name ten doel heeft de tevoren in de Lid-Staten toegepaste beschermende maatregelen van onderscheiden aard door één heffingsstelsel te vervangen;

dat daarom in artikel 12, lid 2, alle nationale maatregelen van een zelfde beschermende werking als bedoelde heffing zijn afgeschaft;

dat belastingen als de litigieuze, welke geheven worden in het kader van wettelijke voorschriften betreffende de omzetbelasting, niet als een bijzondere belasting op ingevoerde produkten zijn te beschouwen, doch deel uitmaken van een stelsel dat op alle soorten binnenlandse en ingevoerde produkten zonder onderscheid van toepassing is, ook al worden zij op het tijdstip van invoer geheven;

dat, wanneer zulk een naar aard en wezen fiscale heffing bij invoer wordt toegepast, daarmede wordt beoogd alle soorten produkten, ongeacht hun herkomst, in fiscaal opzicht een vergelijkbare positie te doen innemen;

dat derhalve een binnenlandse belasting als door de verwijzende rechter bedoeld, waaraan een protectionistische doelstelling vreemd is, niet als een heffing van gelijke werking als douanerechten (in de zin van artikel 12, lid 2, van Verordening no. 13/64) mag worden beschouwd;

dat mitsdien de aan de eerste, tweede en derde vraag ten grondslag liggende vooronderstellingen niet zijn vervuld, zodat de vragen zonder voorwerp zijn geraakt;

Overwegende dat ter zake van de door de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten geen last tot terugbetaling kan worden gegeven;

dat de procedure ten aanzien van partijen als een in de loop van het geding voor het Finanzgericht te München gerezen incident moet worden beschouwd, zodat laatstgenoemde instantie over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

Gezien de processtukken;

HET HOF VAN JUSTITIE,

ingevolge beschikking van het Finanzgericht te München van 15 februari 1967 rechtdoende op de door deze rechterlijke instantie gestelde vragen;

verklaarr voor recht:

Een op de invoer van produkten uit derde landen geheven belasting is niet een heffing van gelijke werking als douanerechten in de zin van artikel 12, lid 2, van Verordening no. 13/64, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de zuivelsector, wanneer zij in het kader van het nationaal omzetbelastingstelsel wordt geheven;

Verstaat dat de verwijzende rechter over de kosten van dit geding uitspraak zal hebben te doen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

1

verordening 13/64 art. 12 uitgelegd 14 voorkomens

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Jacobs C-276/98 23.11.2000

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 12 en art. 28](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-276-98-conclusie)
