Arrest van het Hof van 4 februari 1986, 65/85, Van Houten International GmbH · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Vijfde kamer 65/85 ECLI:EU:C:1986:53 4 februari 1986

Zoeken

Arrest van het Hof van 4 februari 1986, 65/85, Van Houten International GmbHVerordening 1224/80 art. 3, EEG-Verdrag art. 177

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-65-85-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Vijfde kamer
Zaak
65/85
ECLI
ECLI:EU:C:1986:53
Datum
4 februari 1986

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof (Duitsland) beslissing van 12 februari 1985 VII R 12/82
Zaak ingediend op
14 maart 1985
Advocaat-generaal
VerLoren van Themaat
Opmerkingen
Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Bundesfinanzhof beslissing van 6 mei 1986 VII R 12/82

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1986, blz. 447
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Due
Repertorium van het Hof

Tekst

20 paragrafen

ARREST

(omissis)

In rechte

1.

Bij beschikking van 12 februari 1985, ingekomen ten Hove op 14 maart daaropvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3, leden 1 en 3, van verordening nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, blz. 1).

2.

Deze vraag is gerezen in een geschil tussen de vennootschap Van Houten International GmbH (hierna: Van Houten) en het Hauptzollamt Hamburg-Ericus (hierna: het Hauptzollamt) betreffende de betaling van douanerechten voor een partij cacaobonen die Van Houten in juli 1980 had ingevoerd.

3.

In haar aangifte ten invoer had Van Houten naast de netto-factuurprijs een bedrag ad 157 DM ter zake van door haar gemaakte weegkosten vermeld. Volgens de koopovereenkomst moest de koop plaatsvinden cif-Hamburg „net delivered weights”, moest de hoogte van de koopprijs worden bepaald op basis van het uitgeleverde gewicht en kwamen de weegkosten voor rekening van de koper, Van Houten. Het Hauptzollamt rekende deze kosten bij de douanewaarde.

4.

Van Houten stelde daartegen beroep in bij het Finanzgericht Hamburg, dat oordeelde dat de weegkosten ten onrechte in de douanewaarde waren begrepen. Het Hauptzollamt stelde tegen dat vonnis „Revision” in bij het Bundesfinanzhof, daarbij onder meer aanvoerend, dat Van Houten de weegkosten ten behoeve van de verkoper had betaald en dat die kosten bijgevolg krachtens artikel 3, lid 3, sub a, van vorengenoemde verordening deel uitmaakten van de douanewaarde zoals omschreven in artikel 3, lid 1.

5.

Het Bundesfinanzhof heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moet artikel 3, leden 1 en 3, van verordening nr. 1224/80 in de vóór 1 januari 1981 geldende versie aldus worden uitgelegd, dat bij een koopcontract met n.u.g.-beding de weegkosten bij aankomst deel uitmaken van de transactiewaarde, ook indien deze volgens het koopcontract ten laste van de koper komen?”

6.

In zijn verwijzingsbeschikking wijst het Bundesfinanzhof erop, dat luidens artikel 3, lid 1, van de verordening de douanewaarde „de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs” is en dat deze prijs in artikel 3, lid 3, sub a, eerste volzin, wordt omschreven als „de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan.”

7.

Het Bundesfinanzhof voegt hieraan toe, dat deze laatste omschrijving na de onderhavige invoer bij verordening nr. 3193/80 van de Raad van 8 december 1980 (PB 1980, L 333, biz. 1) is aangevuld met de zinsnede „... en omvat alle betalingen die werkelijk zijn gedaan of moeten worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, en wel door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper”. Aangezien, aldus het Bundesfinanzhof, met verordening nr. 1224/80 werd beoogd de gemeenschapsregeling aan te passen aan de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT), en de in verordening nr. 3193/80 voorziene aanvulling is overgenomen uit het aan die Overeenkomst gehechte Protocol, waarvan de bepalingen als een bestanddeel van die Overeenkomst moeten worden beschouwd, is bedoelde aanvulling van louter declaratoire aard. De oorspronkelijke versie van artikel 3, lid 3, zou derhalve met inachtneming van die aanvulling moeten worden uitgelegd.

8.

Volgens het Bundesfinanzhof wordt het doel van het GATT — luidens de preambule de vaststelling van de douanewaarde volgens eenvoudige en objectieve criteria — alleen bereikt, wanneer uitsluitend de bedingen in de onderliggende koopovereenkomst in aanmerking worden genomen. Evenwel zou het niet vreemd zijn aan de regeling inzake de douanewaarde, dat rekening wordt gehouden met typerende elementen die niet overeenstemmen met de bedingen in de onderliggende overeenkomst. Het zou derhalve niet uitgesloten zijn, dat een verplichting die normaliter op de verkoper rust, wordt aangemerkt als een „verplichting van de verkoper” in de zin van de aan artikel 3, lid 3, van de verordening toegevoegde zinsnede. Aangezien in overeenkomsten met n.u.g.-beding de weegkosten bij aankomst gewoonlijk voor de verkoper zouden zijn, zou het gerechtvaardigd kunnen zijn deze kosten in de douanekosten mee te rekenen, zelfs indien zij volgens de betrokken overeenkomst ten laste van de koper komen.

9.

Voorts overweegt het Bundesfinanzhof, dat de in aanmerking te nemen betaling luidens artikel 3, lid 3, sub a, laatste volzin, „rechtstreeks of niet rechtstreeks [kan] geschieden”; indien de vaststelling van de douanewaarde grotendeels aan het goeddunken van de contractspartijen werd overgelaten, zou zulks tot misbruik kunnen leiden.

10.

In haar bij het Hof ingediende opmerkingen onderstreept de Commissie, dat in aansluiting op de multilaterale handelsbesprekingen in GATT-verband de communautaire bepalingen inzake de douanewaarde een nieuwe grondslag hebben gekregen. Onder de bij verordening nr. 1224/80 ingevoerde nieuwe regeling zou bij de vaststelling van de douanewaarde zoveel mogelijk van de transactiewaarde worden uitgegaan. In het nieuwe stelsel zou de berekening bewust zijn gebaseerd op de concrete elementen van de betrokken overeenkomst en zouden de handelspraktijken in zoverre derhalve niet meer van belang zijn.

11.

De transactiewaarde zou in voorkomend geval overeenkomstig artikel 8 van de verordening worden gecorrigeerd, maar de weegkosten zouden niet behoren tot de elementen waarmee krachtens dat artikel de werkelijk betaalde prijs moet worden verhoogd. Het zou derhalve volstaan om vast te stellen, of deze kosten een bestanddeel vormen van de werkelijk betaalde of te betalen prijs in de zin van artikel 3, lid 3, van de verordening. In dit voorschrift zouden sub a de positieve en sub b de negatieve criteria zijn opgesomd.

12.

Volgens de Commissie kan ingevolge het bepaalde sub a de in aanmerking te nemen betaling weliswaar ook „niet rechtstreeks” geschieden, maar dienen luidens het bepaalde sub b „de activiteiten... welke door de koper voor zijn eigen rekening worden verricht, andere dan die waarvoor in artikel 8 een aanpassing is voorzien... niet te worden beschouwd als een niet-rechtstreekse betaling aan de verkoper, zelfs niet indien men deze activiteiten kan aanmerken als ten voordele te strekken van de verkoper of ingevolge een overeenkomst met de verkoper te zijn verricht”. De Commissie is van oordeel dat, nu de koper de weging voor eigen rekening heeft verricht en de weegkosten niet in artikel 8 zijn vermeld, deze kosten niet kunnen worden beschouwd als een niet-rechtstreekse betaling aan de verkoper.

13.

Voor de beantwoording van de gestelde vraag zij erop gewezen, dat bij verordening nr. 1224/80 het begrip „normale prijs”, dat onder de vroegere regeling de grondslag voor de berekening van de douanewaarde was, is vervangen door het begrip „transactiewaarde”, dat wil zeggen, in het algemeen, de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs. Onder de nieuwe regeling moet bij de waardeberekening derhalve worden uitgegaan van de voorwaarden waaronder een koopovereenkomst is gesloten, ook indien deze afwijken van de handelspraktijk of ongebruikelijk zijn voor de betrokken overeenkomst.

14.

Gelijk in de zesde overweging van verordening nr. 1224/80 uitdrukkelijk wordt vastgesteld, moet ook onder deze regeling het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden worden uitgesloten. Met deze overweging is rekening gehouden in de bepalingen van de verordening inzake de vaststelling en aanpassing van de transactiewaarde. Gelijk de Commissie terecht heeft opgemerkt, hebben deze bepalingen echter niet tot gevolg dat de weegkosten bij aankomst worden meegerekend in de douanewaarde, wanneer de weging op kosten van de koper geschiedt. De bij verordening nr. 3193/80 aan artikel 3, lid 3, sub a, eerste volzin, toegevoegde zinsnede — die overigens op de onderhavige invoer niet van toepassing is — doet hieraan evenmin af. Daar de vaststelling van de op de plaats van bestemming daadwerkelijk geleverde hoeveelheid tevens in het belang is van de koper, kan zij niet worden geacht te zijn verricht „ter nakoming van een verplichting van de verkoper” in de zin van die bepaling, wanneer de betrokken overeenkomst niet in een dergelijke verplichting voorziet.

15.

Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 3, leden 1 en 3, van verordening nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen aldus moet worden uitgelegd, dat bij een koopovereenkomst met n.u.g.-beding de weegkosten bij aankomst geen deel uitmaken van de transactiewaarde, wanneer de weging op kosten van de koper geschiedt.

Kosten

16.

De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 12 februari 1985 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 3, leden 1 en 3, van verordening nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen moet aldus worden uitgelegd, dat bij een koopovereenkomst met n.u.g.-beding de weegkosten bij aankomst geen deel uitmaken van de transactiewaarde, wanneer de weging op kosten van de koper geschiedt.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

2
verordening 1224/80 art. 3uitgelegd4 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Hof van JustitieC-491/0423.02.2006

Communautair douanewetboek, douanewaarde

Hof van JustitieC-15/9919.10.2000

Gemeenschappelijk douanetarief, douanewaarde

Bekijk de 2 documenten