---
title: "HvJ EU, 65/81, arrest van 14 januari 1982 · Verordening 1612/68 art. 7, EEG-Verdrag art. 7"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 1982, 65/81: verordening 1612/68 art. 7, EEG-Verdrag art. 7."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-65-81-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-65-81-arret"
---

# Arrest van het Hof van 14 januari 1982, 65/81 · Verordening 1612/68 art. 7, EEG-Verdrag art. 7

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Derde kamer

**Zaak**

65/81

**ECLI**

ECLI:EU:C:1982:6

**Datum**

14 januari 1982

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Verwaltungsgericht Stuttgart (Duitsland) beslissing van 17 februari 1981 VRS 3 K 113/80

**Zaak ingediend op**

30 maart 1981

**Advocaat-generaal**

Sir Gordon Slynn

**Nationale beslissing na het arrest**

Verwaltungsgericht Stuttgart beslissing van 16 april 1982 VRS 3 K 1347/82

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1982, blz. 33

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Everling

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Voorlegging aan het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.01) [Uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.01.03) 49 beslissingen
  - [Vrij verkeer van personen en diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04%2C578-4.04) [Werknemers](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.02%2C578-4.04.01) [Gelijkheid van behandeling](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.02.01%2C578-4.04.01.01) 28 beslissingen

## Tekst

35 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

1.

Artikel 7, leden 1 en 2, van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257 van 1968, blz. 2) bepaalt:

> „1. Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat mag op het grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
>
> 2\. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.”

2.

Het (administratiefrechtelijk) bodemgeschil betreft de toekenning van een geldlening bij geboorte door de Landeskreditbank Baden-Württemberg, een rechtspersoonlijkheid bezittende instelling van publiekrecht, die onder toezicht staat van de deelstaat Baden-Württemberg. Op grond van richtlijnen inzake de toekenning van gezinsleningen, vastgesteld door het te deze bevoegde Baden-Württembergse ministerie, verstrekt de Landeskreditbank, onder meer bij geboorte van een kind, op aanvraag geldleningen „ter voorkoming, leniging of opheffing van economische moeilijkheden van gezinnen” (richtlijnen, punt 1).

Zulke leningen bij geboorte worden, volgens de richtlijnen, verstrekt tot een bedrag van DM 8000 en in uitzonderingsgevallen tot een bedrag van DM 12000. Zij zijn renteloos en hebben een looptijd van zeven jaar. De Landeskreditbank ontvangt tot dit doel subsidies uit de middelen die daartoe op de begroting van de deelstaat zijn uitgetrokken.

Volgens de richtlijnen komen voor zulke leningen in aanmerking echtparen waarvan tenminste één der echtelieden Duitser is. De betrokkenen moeten ten tijde van de indiening van de aanvraag hun gewone verblijfplaats in Baden-Württemberg hebben. Leningen bij geboorte worden slechts verstrekt wanneer het gemiddelde netto gezinsinkomen van de echtelieden een bepaald bedrag niet te boven gaat.

Genoemde richtlijnen van het Baden-Württemberg ministerie zijn, naar in de verwijzingsbeschikking wordt uiteengezet, geen rechtsvoorschriften waaraan particulieren rechtstreeks aanspraken kunnen ontlenen. Volgens de verwijzende rechter zijn zij veeleer aan te merken als alleen voor de administratie bestemde normen, die de verweerder als ondergeschikte instantie alleen jegens het ministerie verplichten de hem opgedragen taken te vervullen; rechtswerking jegens particulieren komt er slechts aan toe, voor zover de Landeskreditbank, wil hij niet met het gelijkheidsbeginsel in strijd komen, er bij hun toepassing niet in individuele gevallen van mag afwijken wanneer daarvoor geen zakelijke gronden aanwezig zijn.

Volgens de verwijzende rechter is de geldlening bij geboorte een bijzonderheid van Baden-Württemberg, bedoeld om de nataliteit in de Bondsrepubliek Duitsland gunstig te beïnvloeden en het aantal gevallen van zwangerschapsonderbreking te beperken.

3.

Verzoekers in het hoofdgeding, de echtelieden Reina, zijn Italianen die als werknemers in de Bondsrepubliek Duitsland verblijf houden. In verband met de geboorte van een tweeling vroegen zij om een geldlening als hier bedoeld. De Landeskreditbank wees dit verzoek af, op grond dat volgens de richtlijnen inzake de toekenning van gezinsleningen alleen echtparen waarvan tenminste één der echtelieden Duitser is, daarvoor in aanmerking komen.

Verzoekers gingen in beroep bij het Verwaltungsgericht Stuttgart, vorderende dat de Landeskreditbank tot het verstrekken van een geldlening bij geboorte zou worden veroordeeld.

Het Verwaltungsgericht meende dat zijn beslissing afhing van het antwoord op de vraag of het verstrekken van geldleningen aan burgers van Lid-Staten afhankelijk mag worden gesteld van de voorwaarde dat tenminste één der echtelieden Duitser is. Het Verwaltungsgericht schorste derhalve het geding en legde krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie de navolgende vragen voor:

> „1. Moet artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257 van 1968, blz. 2), aldus worden uitgelegd, dat onderdanen van andere Lid-Staten van de EEG ook met nationale werknemers worden gelijkgesteld, wanneer een publiekrechtelijke kredietinstelling op grond van interne administratieve richtlijnen die geen rechten doen ontstaan, aan echtparen wier inkomen een bepaald bedrag niet te boven gaat, bij de geboorte van een kind ter voorkoming, leniging of opheffing van financiële moeilijkheden desgevraagd een renteloze lening verstrekt, waarvoor de deelstaat Baden-Württemberg die kredietinstelling — voor zover de telkenjare in de landsbegroting voorziene middelen dit toelaten — een rentesubsidie toekent, onder meer op grond van de overweging dat door maatregelen inzake bijstand aan gezinnen de geboortenteruggang en het aantal zwangerschapsonderbrekingen in de Bondsrepubliek Duitsland dienen te worden verminderd?
>
> 2\. Zo artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 niet van toepassing is, moet dan artikel 7, eerste alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat daarmee onder de hierboven geschetste omstandigheden onverenigbaar is, dat bij het verstrekken van leningen bij geboorte onderscheid wordt gemaakt tussen onderdanen van andere Lid-Staten van de EEG en nationale werknemers?”

4.

De verwijzingsbeschikking is op 30 maart 1981 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Landeskreditbank Baden-Württemberg, vertegenwoordigd door de heren Hanke en Stehle, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Beschel, lid van haar juridische dienst.

Het Hof van Justitie heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, bij beschikking van 16 september 1981 de zaak krachtens artikel 95 van het Reglement voor de procesvoering verwezen naar de Derde kamer en besloten zonder instructie tot de mondelige behandeling over te gaan.

#### II — Schriftelijke opmerkingen

1.

De *Landeskreditbank Baden-Württemberg* verklaart vooraf, het prejudiciële verzoek niet-ontvankelijk te achten, omdat het Verwaltungsgericht Stuttgart niet in de naar Duits administratiefrecht voorgeschreven samenstelling tot schorsing en verwijzing zou hebben besloten.

a) Met betrekking tot de *eerste vraag* betoogt de Landeskreditbank, dat het vrije verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 48, slechts inhoudt dat voor wat de voorwaarden voor tewerkstelling, beloning en andere arbeidsvoorwaarden betreft, niet meer naar nationaliteit mag worden gedifferentieerd, hetgeen wil zeggen dat er van een functioneel verband met de hoedanigheid van werknemer wordt uitgegaan. Ook radone materiae is het toepassingsgebied van verordening nr. 1612/68 dienovereenkomstig beperkt.

De omstreden geldleningen bij geboorte zijn noch als aan werknemers toegekende „sociale voordelen” in de zin van artikel 7, lid 2, der verordening te beschouwen, noch behoort toekenning ervan tot de „overige arbeidsvoorwaarden” in de zin van artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag. Of men werknemer is of geweest is, doet voor de toekenning van de lening niet terzake. Ook voor de bepaling van de inkomensgrens, waarvan de toekenning der lening afhankelijk is, is niet van belang uit welke bron het inkomen voortvloeit. Rechtens wordt er dus geen enkel verband gelegd met de hoedanigheid van werknemer of met de eerdere uitfoefening van een beroep in dienstverband. Het levert ook geen objectieve belemmering op van het vrije verkeer van werknemers uit andere Lid-Staten, wanneer alleen Duitsers, c.q. echtparen waarvan tenminste één der echtelieden de Duitse nationaliteit bezit, voor de lening bij geboorte in aanmerking komen.

De Landeskreditbank betoogt voorts dat het in het uitzicht stellen van de lening bij geboorte allereerst is ingegeven door overwegingen van bevolkingspolitieke aard: men wil voorkomen dat het geboortencijfer van de Duitse bevolking in Baden-Württemberg verder terugloopt. Dat cijfer ligt aanmerkelijk beneden dat van de aldaar wonende buitenlanders. Het verstrekken van een lening bij geboorte is derhalve te beschouwen als een erkenning van de lasten, samenhangende met de geboorte en de opvoeding van kinderen. Van een niet door objectieve redenen ingegeven bevoordeling van Duitsers is geen sprake; men wil alleen het déficitaire geboortencijfer van de Duitse bevolking op het niveau van het buitenlandse bevolkingsdeel brengen.

Het EEG-Verdrag verbiedt niet te differentiëren tussen eigen onderdanen en buitenlanders voor wat de aan het staatsburgerschap verbonden rechten betreft. De beperking van de kring dergenen die voor leningen in aanmerking komen, tot Duitsers c.q. echtparen waarvan tenminste één der echtelieden de Duitse nationaliteit bezit, is, getoetst aan het bevolkingspolitieke doel van de geldlening bij geboorte, te beschouwen als een op toelaatbare wijze nationaal georiënteerde maatregel betreffende toekenning van aan het staatsburgerschap verbonden rechten.

De lening is ook geen sociaal voordeel als bedoeld ín artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, omdat het een eenmalige, uit beperkte geldmiddelen bekostigde en door de deelstaat vrijwillig betaalde uitkering is, waarop men rechtens geen aanspraak kan maken, een uitkering die naar rato van de middelen welke er op de landsbegroting voor zijn uitgetrokken, wordt toegekend.

Ook de economische overweging dat de terugbetaling van de lening moet zijn gegarandeerd, rechtvaardigt de beperking ervan tot Duitsers. Van elders afkomstige migrerende werknemers keren gedurende de looptijd van de lening dikwijls naar hun land van herkomst terug; wanneer dan nog niet aan de plicht tot terugbetaling is voldaan, kan de vordering wel worden afgeschreven.

Tenslotte zij erop gewezen, dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 niet door primair recht zou zijn gedekt indien men er de geldlening bij geboorte onder wil brengen. De bevoegdheid der Gemeenschap strekt zich namelijk alleen uit tot regelingen waardoor belemmeringen, feítelijk of rechtens aan de mobiliteit der werknemers binnen de Gemeenschap in de weg gelegd, worden weggenomen. Het is echter niet als een belemmering voor de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers te beschouwen, wanneer een Lid-Staat leningen bij geboorte alleen aan eigen onderdanen in uitzicht stelt, teneinde hun procreatie positief te beïnvloeden en het — vergeleken met buitenlanders — bestaande geboortendeficit op te heffen. De artikelen 48 e. v. EEG-Verdrag bevatten geen verbod van nationaal georiënteerde demografische maatregelen en machtigen ook niet om een dergelijk verbod uit te vaardigen.

b) Met betrekking tot de *tweede vraag* merkt de Landeskreditbank op, dat het algemene discriminatieverbod van artikel 7 EEG-Verdrag geen rol speelt wanneer de bijzondere bepaling van artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag van toepassing is. In ieder geval kan aan artikel 7 niet méér worden afgelezen dan aan artikel 48, lid 2. Het discriminatieverbod van artikel 7 is uitdrukkelijk tot het toepassingsgebied van het EEG-Verdrag beperkt en geldt alleen voor de door de economische integratie van het EEG-Verdrag bestreken gebieden, waartoe de omstreden speciale bevolkingspolitieke maatregelen niet behoren.

2.

a) De *Commissie van de Europese Gemeenschappen* acht het met betrekking tot de *eerste vraag* doorslaggevend of het verstrekken van leningen bij geboorte, als bedoeld in de richtlijnen van het Baden-Württembergse ministerie, als een „sociaal voordeel” in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 is te beschouwen. Daartoe dient te worden nagegaan, of het verstrekken van zulke leningen begripsmatig als een sociaal voordeel is te beschouwen, en, zo ja, of het gezien de door de verwijzende rechter geciteerde overwegingen waardoor de bevoegde instanties zich laten leiden bij het uittrekken van financiële middelen op de begroting, of met het oog op een doelmatige besteding der ter beschikking gestelde middelen, aangaat burgers van andere Lid-Staten ervan uit te sluiten.

Algemeen gezien zijn zulke leningen zonder meer als „sociale voordelen” te beschouwen. Zij zijn bedoeld om de financiële lasten waarvoor economisch zwakke gezinnen door de geboorte van een kind komen te staan, te verlichten. Het economisch voordeel is gelegen in de omstandigheid dat over de lening geen rente behoeft te worden betaald.

Men bedenke evenwel dat het voordeel niet alleen aan werknemers in uitzicht wordt gesteld; een arbeidsverhouding is dus rechtens niet te beschouwen als een voorwaarde waarvan de toekenning afhankelijk is.

In zijn arrest van 30 september 1975 (zaak 32/75, Cristini, Jurispr. 1975, blz. 1085) heeft het Hof van Justitie echter overwogen dat de verwijzing naar „sociale voordelen” in artikel 7, lid 2, niet restrictief mag worden uitgelegd. De term heeft volgens het Hof betrekking op alle sociale en fiscale voordelen, om het even of zíj in verband staan met een arbeidsovereenkomst of niet. Het Hof heeft op die manier de bijzondere betekenis van het recht van vrij verkeer in aanmerking genomen.

Ook het door de Landeskreditbank aangevoerde argument, dat men op een geldlening bij geboorte rechtens geen aanspraak zou kunnen maken, vermag niet te overtuigen, want het in artikel 7, lid 2, der verordening besloten liggende beginsel van gelijke behandeling brengt mee, dat alle begunstigden op voet van gelijkheid met binnenlandse werknemers voor deze sociale voordelen in aanmerking moeten kunnen komen; dit wil zeggen dat werknemers uit andere Lid-Staten evenals binnenlandse werknemers mogen verlangen dat de overheid hun aanvraag, met inachtneming van de desbetreffende criteria, toetst en op grond daarvan beslist.

Is er dus, begripsmatig bezien, bij leningen als hier bedoeld, sprake van sociale voordelen in de zin van artikel 7, lid 2, der verordening, dan moet nog worden nagegaan of de overwegingen waardoor men zich bij de invoering van de gezinsleningen deed leiden, gedogen dat buitenlanders van de toekenning van zulke voordelen worden uitgesloten.

In zijn arrest van 31 mei 1979 (zaak 207/78, Even, Jurispr. 1979, blz. 2019) heeft het Hof een bijzondere uitkering van sociale aard niet onder artikel 7, lid 2, willen brengen, omdat niet alle burgers van het betrokken land zonder onderscheid er aanspraak op konden maken, doch alleen degenen die zich op grond van persoonlijke hoedanigheden, namelijk wegens het feit dat zij het eigen land in oorlogstijd diensten hadden bewezen, een bijzondere status zagen toegekend, die hen van andere, eveneens uit het land zelf afkomstige werknemers onderscheidde.

Evenwel kan er op grond van de overwegingen welke de Baden-Württembergse wetgever te deze deed gelden, niet van een objectief gerechtvaardigde bijzondere status van Duitsers worden gesproken. De overweging dat de geldlening bij geboorte ertoe moet medewerken zwangerschapsonderbrekingen te voorkomen, komt ten duidelijkste niet in aanmerking als een objectieve rechtvaardiging waarop zulk een bijzondere status zou kunnen worden gebaseerd. Ook uit het feit dat de op de begroting uitgetrokken middelen de verwezenlijking van een beleidsdoel op het gebied der bevolkingspolitiek, te weten het beletten van verdere teruggang van het geboortencijfer, moeten dienen, volgt geenszins dat zulke voordelen aan mensen uit het eigen land moeten worden voorbehouden. Het staat de Lid-Staten weliswaar vrij, door middel van maatregelen van sociale aard demografische doeleinden na te streven, doch dit betekent niet dat er ten nadele van onderdanen van andere Lid-Staten mag worden gediscrimineerd.

Ook het belang van een doelmatige besteding van de beperkte disponibele middelen is geen reden waarom slechts de eigen burgers voor de hierbedoelde sociale voordelen in aanmerking zouden mogen komen. Overwegingen van fiscale aard alleen kunnen er in beginsel niet toe leiden dat burgers van andere Lid-Staten binnen het toepassingsgebied van het

Verdrag van sociale voordelen worden uitgesloten.

b) De *tweede vraag* behoeft dan niet meer te worden beantwoord. Ten overvloede merkt de Commissie op, dat hetgeen zij met betrekking tot artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 heeft betoogd, ook heeft te gelden voor het in artikel 7, lid 1, EEG-Verdrag omschreven algemene verbod van discriminatie naar nationaliteit, zoals dat in de artikelen 48 e.v. EEG-Verdrag en het daarop berustende secundaire gemeenschapsrecht wordt geconcretiseerd.

De Commissie geeft het Hof in overweging, de gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

Artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257 van 1968), is in die zin te vestaan, dat er ook voordelen onder vallen als de geldlening bij geboorte, omschreven in de verwijzingsbeschikking van het Verwaltungsgericht Stuttgart.

2\. De tweede vraag behoeft niet te worden beantwoord.”

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 29 oktober 1981 hebben de Landeskreditbank Baden-Württemberg, vertegenwoordigd door I. Kessler, de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Fienga, avvocato dello Stato, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Beschel, lid van haar juridische dienst, mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 10 december 1981 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 17 februari 1981, ingekomen ten Hove op 30 maart 1981, heeft het Verwaltungsgericht Stuttgart krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 7, lid 1, EEG-Verdrag en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257 van 1968, blz. 2).

2. Deze vragen zijn gerezen in het kader van een administratiefrechtelijke procedure betreffende het verstrekken van een lening bij geboorte, tussen twee werknemers — een echtpaar — van Italiaanse nationaliteit, die in de Duitse Bondsrepubliek verblijven, en de Landeskreditbank Baden-Württemberg, een publiekrechtelijke instelling die onder toezicht staat van de deelstaat Baden-Württemberg.

3. De Landeskreditbank verstrekt op aanvraag en overeenkomstig richtlijnen vastgesteld door de bevoegde autoriteit van de deelstaat Baden-Württemberg, leningen onder meer bij de geboorte van een kind. Deze geboorteleningen, die dankzij subsidies van de deelstaat vrij van rente zijn, hebben een looptijd van zeven jaar en worden verstrekt tot een bedrag van DM 8000, welk bedrag in uitzonderingsgevallen kan oplopen tot DM 12000. Zij worden slechts toegekend aan echtparen waarvan tenminste één der echtelieden Duitser is en het netto-gezinsinkomen een bepaald bedrag niet te boven gaat. Volgens de door de nationale rechter verstrekte gegevens is dit stelsel van geboorteleningen ingevoerd om het geboortencijfer van de Duitse bevolking gunstig te beïnvloeden en het aantal vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen te beperken.

4. In het onderhavige geval hebben verzoekers in het hoofdgeding, de echtelieden Reina, een lening aangevraagd bij de geboorte van hun tweeling. Nadat de Landeskreditbank hun deze lening had geweigerd op grond dat volgens bovengenoemde richtlijnen de lening alleen kan worden verstrekt indien tenminste één der echtgenoten Duitser is, hebben de echtelieden Reina zich tot het Verwaltungsgericht Stuttgart gewend, stellende dat deze voorwaarde met het gemeenschapsrecht in strijd is.

5.

Het Verwaltungsgericht Stuttgart, van oordeel dat het een beslissing van het Hof behoefde om uitspraak te kunnen doen, heeft de volgende vragen gesteld:

> 1.„ Moet artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257 van 1968, blz. 2), aldus worden uitgelegd, dat onderdanen van andere Lid-Staten van de EEG ook met nationale werknemers worden gelijkgesteld, wanneer een publiekrechtelijke kredietinstelling op grond van interne administratieve richtlijnen die geen rechten doen ontstaan, aan echtparen wier inkomen een bepaald bedrag niet te boven gaat, bij de geboorte van een kind ter voorkoming, leniging of opheffing van financiële moeilijkheden desgevraagd een renteloze lening verstrekt, waarvoor de deelstaat Baden-Württemberg die kredietinstelling — voor zover de telkenjare in de landsbegroting voorziene middelen dit toelaten — een rentesubsidie toekent, onder meer op grond van de overweging dat door maatregelen inzake bijstand aan gezinnen de geboortenteruggang en het aantal zwangerschapsonderbrekingen in de Bondsrepubliek Duitsland dienen te worden verminderd?
>
> 2.Zo artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 niet van toepassing is, moet dan artikel 7, eerste alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat daarmee onder de hierboven geschetste omstandigheden onverenigbaar is, dat bij het verstrekken van leningen bij geboorte onderscheid wordt gemaakt tussen onderdanen van andere Lid-Staten van de EEG en nationale werknemers?”

#### De procedure

6. De Landeskreditbank betwist de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing met het argument dat de verwijzingsbeschikking niet door het Verwaltungsgericht in zijn juiste samenstelling is gegeven. Het Verwaltungsgericht zou de beschikking hebben gegeven in een samenstelling van drie beroepsrechters, terwijl volgens de toepasselijke Duitse regels van procesrecht daarenboven de medewerking van twee lekenrechters was vereist.

7. Dienaangaande verdient het opmerking, dat krachtens artikel 177 van het Verdrag het Hof bevoegd is bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over vragen van gemeenschapsrecht die het zijn voorgelegd door een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten. De opzet van deze bepaling brengt mee dat het Hof, teneinde zijn eigen bevoegdheid vast te stellen, moet nagaan of het wordt aangezocht door een rechterlijke instantie van een Lid-Staat. Het staat het Hof evenwel niet vrij, gezien de taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechter, om na te gaan of de beschikking waarbij het is aangezocht, is gegeven met inachtneming van de regels van het nationale recht betreffende de rechterlijke organisatie en de procesgang. Het Hof dient zich derhalve te houden aan de door een rechterlijke instantie van een Lid-Staat gegeven verwijzingsbeschikking, zolang deze niet in het kader van de eventueel in het nationale recht bestaande rechtsmiddelen is ingetrokken.

8. Hieruit volgt dat het Hof, wanneer het door een rechterlijke instantie van een Lid-Staat in de zin van artikel 177 van het Verdrag is aangezocht, ingevolge die bepaling bevoegd is op de gestelde vragen te antwoorden, zonder dat eerst moet worden onderzocht of de verwijzingsbeschikking is gegeven met inachtneming van de nationale voorschriften betreffende de rechterlijke organisatie en de procesgang.

#### De eerste vraag

9. De eerste vraag van de nationale rechter komt in wezen erop neer, of artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 aldus moet worden uitgelegd, dat het in deze bepaling bedoelde begrip sociaal voordeel renteloze leningen bij geboorte omvat, die op basis van richtlijnen en met financiële steun van de staat door een publiekrechtelijke instelling worden verstrekt aan gezinnen met een laag inkomen, teneinde het geboortencijfer gunstig te beïnvloeden.

10. De Landeskreditbank betoogt in de eerste plaats, dat deze bepaling niet op de litigieuze leningen kan worden toegepast omdat er geen enkel verband bestaat tussen de toekenning ervan en het werknemer zijn van de begunstigde en omdat weigering van de lening geenszins afbreuk doet aan de mobiliteit van de werknemers binnen de Gemeenschap.

11. Er zij aan herinnerd dat verordening nr. 1612/68, vastgesteld krachtens inzonderheid artikel 49 van het Verdrag teneinde het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap te verwezenlijken, in artikel 7, lid 1, bepaalt dat een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat, op het grondgebied van de andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit anders mag worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid. Het tweede lid van dit artikel voegt daaraan toe, dat die werknemer daar dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de nationale werknemers.

12. Gelijk het Hof herhaaldelijk heeft overwogen, laatstelijk in het arrest van 31 mei 1979 (zaak 207/78, Even, Jurispr. 1979, blz. 2019), volgt uit deze bepalingen alsmede uit het nagestreefde doel, dat het bij de voordelen die door deze verordening worden uitgebreid tot werknemers die onderdaan zijn van andere Lid-Staten, gaat om alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, zodat de uitbreiding ervan tot werknemers die onderdaan van andere Lid-Staten zijn, geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken.

13. Leningen bij geboorte, zoals die waarop de nationale rechter doelt, voldoen derhalve in beginsel aan de maatstaven om te kunnen gelden als sociale voordelen die aan de werknemers van alle Lid-Staten, zonder onderscheid naar nationaliteit, moeten worden toegekend, zulks in het bijzonder vanwege hun doel, namelijk voor gezinnen met een laag inkomen de financiële lasten te verlichten die de geboorte van een kind meebrengt.

14. De Landeskreditbank brengt hiertegen in, dat de hierbedoelde leningen bij geboorte niet vallen onder het begrip sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, omdat zij hoofdzakelijk op grond van bevolkingspolitieke overwegingen zouden worden verstrekt, namelijk om de daling van het geboortencijfer van de Duitse bevolking tegen te gaan. Het zou dus gaan om een maatregel op het gebied van de politieke rechten, die noodzakelijkerwijs aanknoopt aan de nationaliteit en uit dien hoofde onttrokken is aan de werking van de artikelen 48 e.v. van het Verdrag en van de regeling ter uitvoering van deze bepalingen.

15. Het is duidelijk dat bij gebreke van een bevoegdheid van de Gemeenschap op het stuk van de bevolkingspolitiek als zodanig, het de Lid-Staten in beginsel vrijstaat de verwezenlijking van de doelstellingen van een dergelijke politiek ook door middel van sociale maatregelen na te streven. Dit betekent echter niet, dat de Gemeenschap de grenzen van haar bevoegdheid reeds daardoor overschrijdt, dat de uitoefening ervan invloed heeft op maatregelen ter uitvoering van die politiek. Dergelijke leningen bij geboorten kunnen derhalve niet worden geacht onttrokken te zijn aan de toepassing van de regels van het gemeenschapsrecht betreffende het vrije verkeer van personen, meer bepaald artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, enkel omdat zij worden verstrekt op grond van bevolkingspolitieke overwegingen.

16. De Landeskreditbank voert voorts aan, dat de leningen waar het om gaat, vrijwillige prestaties zijn en slechts worden toegekend binnen de grenzen van de daartoe op de begroting uitgetrokken middelen, zodat er geen enkel recht op bestaat. Voorts zou het gerechtvaardigd zijn rekening te houden met het feit dat buitenlandse werknemers vaak naar hun land van oorsprong terugkeren voordat de aflossingstermijn is verstreken, waardoor de terugbetaling van de lening onzeker wordt.

17. Dienaangaande moet echter worden opgemerkt, dat het begrip sociaal voordeel bedoeld in artikel 7, lid 2, van de verordening, niet enkel voordelen omvat die krachtens een recht worden toegekend, maar ook die waarvan de toekenning op discretionaire basis geschiedt. In dit laatste geval verlangt het beginsel van gelijke behandeling, dat onderdanen van andere Lid-Staten op dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen en op basis van dezelfde richtlijnen als voor het verstrekken van leningen aan eigen onderdanen gelden, in het genot van die voordelen kunnen komen.

18. Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968, aldus moet worden uitgelegd, dat het in deze bepaling bedoelde begrip sociaal voordeel renteloze leningen bij geboorte omvat die op basis van richtlijnen en met financiële steun van de staat door een publiekrechtelijke kredietinstelling worden verstrekt aan gezinnen met een laag inkomen, teneinde het geboortencijfer gunstig te beïnvloeden. Dergelijke leningen moeten derhalve aan werknemers van andere Lid-Staten worden verstrekt op dezelfde voorwaarden als voor nationale werknemers gelden.

#### De tweede vraag

De tweede vraag is slechts gesteld voor het geval de eerste ontkennend zou worden beantwoord, en behoeft dus geen beantwoording.

#### Kosten

19. De kosten door de Italiaanse regering en door de Commissie wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Stuttgart bij beschikking van 19 februari 1981 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 moet aldus worden uitgelegd, dat het in deze bepaling bedoelde begrip sociaal voordeel renteloze leningen bij geboorte omvat die op basis van richtlijnen en met financiële steun van de staat door een publiekrechtelijke kredietinstelling worden verstrekt aan gezinnen met een laag inkomen, teneinde het geboortencijfer gunstig te beïnvloeden. Dergelijke leningen moeten derhalve aan werknemers van andere Lid-Staten worden verstrekt op dezelfde voorwaarden als voor nationale werknemers gelden.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

5

verordening 1612/68 art. 7 uitgelegd 16 voorkomens

EEG-Verdrag art. 7 5 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 48 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 49 1 voorkomen

## Rechtspraak

4

### Europese Unie

4

Hof van Justitie C-680/21 21.12.2023

#### [Interne markt](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-680-21-arrest)

Hof van Justitie C-132/20 29.03.2022

#### [Ontvankelijkheid, begrip ‚rechterlijke instantie’](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-132-20-arrest)

Hof van Justitie C-10/92 20.10.1993

#### [Vaststelling van netto BTW-bedrag](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-10-92-arrest)

## Rechtsleer

1

Druesne, Gérard: Revue trimestrielle de droit européen 1982 p.337-340 (FR)
