Arrest van het Hof van 26 februari 1975, 63/74, W. Cadsky SpA · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 63/74 ECLI:EU:C:1975:33 26 februari 1975

Zoeken

Arrest van het Hof van 26 februari 1975, 63/74, W. Cadsky SpAEEG-Verdrag art. 16, verordening 159/66 art. 13

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-63-74-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
63/74
ECLI
ECLI:EU:C:1975:33
Datum
26 februari 1975

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Tribunale di Bolzano / Landesgericht Bozen (Italië) beslissing van 26 juli 1974 1036/74
Zaak ingediend op
27 augustus 1974
Advocaat-generaal
Trabucchi
Nationale beslissing na het arrest
Tribunale di Bolzano beslissing van 16 juni 1975 140/75

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1975, blz. 281
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Mackenzie Stuart
Repertorium van het Hof

Tekst

75 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

I — De feiten en het procesverloop

1.

In november 1973 en februari 1974 verzond de firma W. Cadsky SpA twee partijen sla (in de verwijzingsbeschikking niet nader omschreven) per spoor naar Duitsland. Vanwege een kwaliteitscontrole en, in verband daarmee, het aanbrengen van een nationaal exportmerk moest genoemde firma twee heffingen — ten bedrage van respectievelijk 1440 en 1260 lire — betalen aan het Istituto nazionale per il Commercio Estero (na te noemen: ICE).

2.

De Italiaanse besluitwet nr. 2213 van 20 december 1937, waarbij de oudere bepalingen — met name die van wet nr. 1272 van 23 juni 1927 — werden gewijzigd en gecodificeerd, stelde een verplicht nationaal merk in voor de export van vers en gedroogd fruit, citrusvruchten en groenten (artikel 1). Het verplichte karakter van het merk betekent dat het is verboden de bij ministerieel decreet aangewezen produkten behorende tot de in artikel 1 genoemde categorieën (artikel 3) zonder merk uit te voeren (artikel 10). Het merk mag slechts worden aangebracht indien de produkten voldoen aan nader te bepalen voorwaarden ten aanzien van kwaliteit, sortering, behandeling en verpakking (artikel 3, zoals gewijzigd bij wet nr. 839 van 4 oktober 1966). De controle op de naleving van die voorwaarden is opgedragen aan het ICE (artikel 6) dat ook zorgt voor het aanbrengen van het merk (artikel 2). Ter dekking van de kosten van zijn werkzaamheden ontvangt het ICE de opbrengst van een recht waarvan de hoogte afhankelijk is van de uitgevoerde hoeveelheden fruit, citrusvruchten en groenten, en dat ook is verschuldigd wanneer de betrokken produkten niet van een merk behoeven te worden voorzien (artikel 9).

Ingevolge artikel 9, derde alinea, moet het eventuele overschot van de ontvangen gelden door het ICE worden aangewend voor de organisatie van speciale informatiediensten ter bevordering van de Italiaanse groenten- en fruitexport en voor het ontplooien van initiatieven ter verbetering van de Italiaanse tuinbouwproduktie, overeenkomstig de behoeften van de exporthandel. Het recht, laatstelijk vastgesteld bij wet nr. 894 van 9 november 1950, bedraagt voor groenten 20 lire per 100 kg.

Het ministerieel decreet van 20 mei 1962, houdende uitvoeringsbepalingen voor de controle op de naleving van de kwaliteits- en verpakkingseisen voor fruit, groenten en citrusvruchten die onder de regeling betreffende het nationale merk vallen, bepaalt dat de controle op fruit en groenten systematisch moet plaatsvinden en dat bij goedkeuring van het produkt een keuringscertificaat wordt afgegeven op naam van de exporteur; onder de regeling betreffende het nationale ex-portmerk vallen ook bepaalde soorten sla.

3.

Op communautair niveau zijn gemeenschappelijke kwaliteitsnormen ingevoerd bij artikel 2 van verordening nr. 23 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB 1962, blz. 965), opnieuw vastgesteld bij artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1035/72 van 18 mei 1972.

Verordening nr. 23 bepaalde dat de kwaliteitsnormen aanvankelijk alleen zouden gelden voor het handelsverkeer tussen Lid-Staten en geleidelijk ook zouden worden toegepast op de commercialisatie in de producerende Lid-Staat, welk doel uiterlijk per 1 januari 1960 moest zijn bereikt. In de eerste fase moesten de Lid-Staten een systematische kwaliteitscontrole uitvoeren op produkten die voor export naar andere Lid-Staten waren bestemd, en bij een positief resultaat een certificaat afeeven.

Voor sla waarvoor kwaliteitsnormen waren vastgesteld, golden deze ingevolge artikel 1 van verordening nr. 158/66/EEG, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1040/67/EEG, met ingang van 1 juli 1968 ook bij verhandeling in het binnenland. Artikel 5 van verordening nr. 158/66/EEG, opnieuw vastgesteld bij artikel 8 van verordening (EEG) nr. 1035/72, bepaalt dat de controle „steekproefsgewijs, in alle stadia van de commercialisatie, alsmede tijdens het vervoer, door de door iedere Lid-Staat aangewezen instanties” geschiedt.

De verplichte systematische controle bij uitvoer overeenkomstig verordening nr. 23 is met ingang van 1 januari 1970 afgeschaft bij verordening nr. 1040/67/EEG, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1229/69/EEG.

Met ingang van 1 januari 1970 dient de kwaliteitscontrole steeds steekproefsgewijs te geschieden, ongeacht of de produkten binnenslands in de handel worden gebracht dan wel bestemd zijn voor export.

De wijze van uitvoering van de controle is geregeld bij verordening (EEG) nr. 2638/69. De Gemeenschap is onderverdeeld in „gebieden van verzending”: Italië omvat er vijf, welke respectievelijk overeenkomen met Noord-, Midden-, en Zuid-Italië, Sicilië en Sardinië. Degene die een partij groenten of fruit naar een bestemming buiten het gebied van verzending wil verzenden, moet de bevoegde controle-instantie daarvan in kennis stellen. Indien de controle vóór het verlaten van het gebied van verzending geschiedt, wordt een kwaliteitscertificaat afgegeven. Zo niet, dan ontvangt de verzender een ontvangstbewijs en kan het kwaliteitscertificaat na een controle tijdens het vervoer worden afgegeven.

Verordening nr. 23 bepaalt dat de Lid-Staten naast andere uitwendige aanduidingen een officieel controlemerk kunnen voorschrijven.

4.

Bij de toepassing van de communautaire normen maakte Italië gebruik van het reeds bestaande stelsel van het nationale exportmerk, dat in dier voege werd aangepast dat de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen in de plaats van de vroegere nationale normen kwamen. Overeenkomstig de in de Gemeenschapsregeling voorziene mogelijkheid werd het nationale exportmerk als officieel controlemerk aanvaard.

5.

Van mening dat de door het ICE toegepaste recht een heffing van gelijke werking als een douanerecht vormt en mitsdien ingevolge artikel 16 EEG-Verdrag met ingang van 1 januari 1962 is verboden, heeft de firma Cadsky bij het Tribunale van Bolzano een bevelschriftprocedure aanhangig gemaakt om van het ICE terugbetaling van het betaalde bedrag te verkrijgen.

6.

Bij beschikking van 26 juli 1974 heeft de president van het Tribunale van Bolzano de procedure geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:

1)Is een geldelijke last, die vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag eenzijdig door de Staat is ingesteld en uitsluitend wordt toegepast op waren die voor uitvoer zijn bestemd (in casu tuinbouwprodukten), een heffing van gelijke werking als een douanerecht!

2)Kan een zodanige last wellicht niet als heffing van gelijke werking worden gekwalificeerd, indien:

a)de last is vastgesteld bij een regeling van de Staat ten behoeve van een, van de Staat onderscheiden, lager openbaar lichaam;

b)de last verband houdt met een controle ter vaststelling van bepaalde eigenschappen van de waar, waarna een controlecertificaat wordt uitgereikt, waarbij de waar evenwel alleen mag worden uitgevoerd na zodanige controle en vergezeld van zodanig certificaat;

c)de last verband houdt met het gebruik van een nationaal exportmerk, waarbij evenwel zodanig merk verplicht is en de waar zonder dat merk niet mag worden uitgevoerd?

3)Is de toepassing van heffingen van gelijke werking als een douanerecht op intracommunautaire exporten sedert 1 januari 1962 ingevolge artikel 16 EEG-Verdrag verboden voor alle produkten, ook tuinbouwprodukten; en moet bijgevolg artikel 13 van verordening (EEG) nr. 159/66 aldus worden uitgelegd, dat het niet in strijd komt met artikel 16 van het Verdrag, dus in die zin dat het uitsluitend de opheffing regelt van douanerechten en heffingen van gelijke werking op intracommunautaire importen?

7.

De verwijzingsbeschikking is ter griffie van het Hof ingeschreven op 27 augustus 1974.

Overeenkomstig artikel 20 van het protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG hebben de firma Cadsky, de Italiaanse en de Nederlandse Regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen schriftelijke opmerkingen ingediend.

Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de behandeling over te gaan.

II — Schriftelijke opmerkingen

Opmerkingen van de Nederlandse Regering
Omdat het in casu gaat om een last wegens bij uitvoer verrichte keuringen is er een belangrijk onderscheid met de zaken

Marimex t. Italiaanse belastingdienst (29-72, Jurispr. 1972, blz. 1309).

Rewe Zentralfinanz t. Direktor der Landwirtschaftskammer Westfalen-Lippe (39-73, Jurispr. 1973, blz. 1309).

Een uitvoerkeuring kan tot doel hebben het land van bestemming een zekere garantie te bieden aangaande bepaalde hoedanigheden van het produkt.

De uitvoerkeuring en het daaraan verbonden certificaat kunnen de exporteur een voordeel bieden: hij voldoet aan de formele voorwaarde van een keuringscertificaat bij invoer en hij mag verwachten dat zijn produkt bij de invoercontrole geen gebreken zal vertonen.

Bij dergelijke uitvoerkeuringen is geen sprake van „verschillende vormen van onderzoek en andere maatregelen … nodig … om de werking van de … kwantitatieve beperkingen te verzachten” welke een Lid-Staat aan de vrije invoer van de betrokken produkten heeft gesteld; het arrest in de zaak Bondsrepubliek Duitsland t. Commissie (Jurispr. 1966, blz. 310) is dan ook niet van toepassing.

De voor afgifte van zodanige certificaten vereiste keuring brengt kosten met zich mee, die billijkerwijs door het betrokken produkt en uiteindelijk de consument moeten worden gedragen.

Het Hof heeft rekening gehouden met de mogelijkheid dat een evenredige tegenprestatie mag worden verlangd voor een bepaalde en werkelijk verleende dienst.

De Nederlandse Regering concludeert dat een geldelijke last voor de afgifte van een keuringscertificaat bij uitvoer geen heffing van gelijke werking als een douanerecht is, indien de afgifte van zodanig certificaat de invoer van de belaste produkten in een andere staat vergemakkelijkt en de geheven last de waarde en de kosten van de keuring niet te boven gaat.

Opmerkingen van de Commissie
Ten aanzien van de eerste vraag

Na een overzicht van de andere regelingen, in Italië en in de andere Lid-Staten, betreffende lasten wegens kwaliteitscontroles bij uitvoer, bespreekt de Commissie 's Hofs arresten in de reeds aangehaalde zaken Marimex en Rewe-Zentral-finanz.

Het nieuwe element in de onderhavige zaak is voor de Commissie de soort controle waarmee de heffing verband houdt, namelijk kwaliteitscontrole; het is de vraag of dit een verleende dienst is waarvoor een tegenprestatie mag worden verlangd.

De Commissie merkt op dat er voor bepaalde soorten groenten en fruit een gemeenschappelijke marktordening bestaat die zelf kwaliteitscontroles voorziet. De vrage van de verwijzende rechter hebben betrekking op tuinbouwprodukten in het algemeen. Zelfs als die vragen alleen betrekking hebben op sla — in de procedure a quo gaat het om een heffing op dit produkt —, wijst de Commissie erop dat alleen voor bepaalde soorten sla gemeenschappelijke normen zijn vastsgesteld.

Na een bespreking van de communautaire bepalingen betreffende de gemeenschappelijke marktordening besluit de Commissie dat groenten en fruit waarvoor gemeenschappelijke kwaliteitsnormen gelden, tot 31 december 1969 naar de markten van de andere Lid-Staten mochten worden uitgevoerd indien door systematische controle bij uitvoer was vastgesteld dat de produkten aan die normen voldeden. Tot 1 juli 1969 kon de invoerende Lid-Staat het produkt aan de grens aan een systematische controle onderwerpen; na die datum kan de invoerende Lid-Staat een steekproefsgewijze controle verrichten aangezien deze in alle stadia van de commercialisatie alsmede tijdens het vervoer moet plaatsvinden.

Naar de mening van de Commissie is in het tussenstaatse handelsverkeer een systematische controle aan de grens sedert 1 januari 1970 in strijd met de Gemeenschapsbepaling die een eenvormige steekproefsgewijze controle voorziet.

Ten aanzien van produkten die niet onder een gemeenschappelijke ordening vallen, aldus de Commissie, zijn kwaliteitsvoorschriften, op grond waarvan alleen produkten van een bepaalde kwaliteit kunnen worden uitgevoerd, terwijl andere slechts binnenslands in de handel mogen worden gebracht, een belemmering van de uitvoer en een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking, en dus ingevolge artikel 34 van het Verdrag sedert 1 januari 1962 verboden in het handelsverkeer tussen de oorspronkelijke Lid-Staten.

Zorg voor de kwaliteit van de produkten valt niet onder het voorbehoud van artikel 35 van het Verdrag. De Commissie concludeert dat de kwaliteitscontrole zoals in Italië toegepast volgens het stelsel van het nationale exportmerk, in het handelsverkeer tussen de oorspronkelijke Lid-Staten sedert 1 januari 1962 onwettig is.

Ten aanzien van de tweede vraag

De heffing in geding kan niet worden beschouwd als tegenprestatie voor een werkelijk verleende dienst:

Met betrekking tot groenten en fruit die niet onder het stelsel van het nationale exportmerk vallen, maar waarop niettemin de heffing wordt toegepast, wordt per definitie geen dienst verleend.

Ten aanzien van fruit en groenten waarvoor gemeenschappelijke kwaliteitsnormen gelden, was de vaststelling, door een systematische controle, dat zij aan die normen voldeden, tot 31 december 1969 de naar Gemeenschapsrecht noodzakelijke en toereikende voorwaarde voor toelating tot de markten van de andere Lid-Staten. De prestatie van de Staat was de nauwgezette uitvoering van een Gemeenschapsvoorschrift dat een recht op export naar de andere Lid-Staten toekende op voorwaarde dat controle had plaatsgevonden. Zodanig uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiend recht kan niet worden beschouwd als een door een Lid-Staat verleende „dienst”.

Een maatregel die op zich beschouwd een maatregel van gelijke werking of een met de Communautaire landbouwregeling strijdige maatregel is, is geen dienst.

Bovendien, aldus de Commissie, sluit het verplichte karakter van de prestatie van de Staat automatisch het begrijp „verleende dienst” uit.

Ten slotte vraagt de Commissie zich af of de betrokken heffing — aangenomen dat zij als tegenprestatie voor een verleende dienst kan worden beschouwd — de werkelijke waarde van de dienst niet te boven gaat.

Ten aanzien van de derde vraag

Heffingen van gelijke werking als een uitvoerrecht zijn sedert 1 januari 1962 verboden. Deze datum kan niet in twijfel worden getrokken op grond van de omstandigheid dat artikel 13 van verordening nr. 159/66/EEG met betrekking tot de afschaffing van maatregelen van gelijke werking die in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten van toepassing zijn, andere data noemt. Op zich heeft de gecursiveerde zinsnede stellig betrekking op zowel in- als uitvoer, maar terwijl zij wat de invoer betreft vooruitloopt op de bij het Verdrag gestelde termijnen, kan zij ten aanzien van de uitvoer slechts een betekenis hebben, aangezien deze ingevolge artikel 16 van het Verdrag reeds per 1 januari 1962de jure was geliberaliseerd.

Opmerkingen van de Italiaanse Regering

Voor de Italiaanse Regering is de betrokken heffing een geldelijke last wegens het verlenen van de verplichte dienst van de kwaliteitscontrole. Door deze dienst weet de handelaar zich beschermd in zijn commercieel belang:

de zekerheid dat de waar voldoet aan de marktvoorwaarden van de andere Lid-Staten,

identificatie van de produkten waarvoor het merkstelsel geldt, hetgeen hun waarde in zekere mate zou vergroten.

Doordat de dienst verplicht is, krijgen handelsstelsels welke een koopman die op correcte wijze zaken tracht te doen, in diskrediet zouden kunnen brengen, geen kans.

De dienst is geen bescherming van een weinig bepaald belang van de nationale collectiviteit zoals in de zaak Marimex (reeds aangehaald), maar een dienst — het aanbrengen van een merk — die specifiek de handelaar ten goede komt. De Italiaanse Regering wijst ten dezen op het. groeiende aantal sectoren van de economie, waarin het bedrijfsleven zich aan kwaliteitscontroles onderwerpt om de verkoopkansen van zijn produkt te vergroten.

Zij voert aan dat het bedrag van het recht de werkelijke kosten van de dienst niet te boven gaat. Dat de controle in geding alleen betrekking heeft op exportgoederen, is van geen belang.

De Italiaanse Regering concludeert dat de aan het ICE verschuldigde tegenprestatie voor de kwaliteitscontrole van voor het buitenland bestemde groenten, niet de kenmerken vertoont van een heffing van gelijke werking als een douanerecht en dus niet onverenigbaar is met het bepaalde in artikel 16 van het Verdrag, maar dat de betrokken controle juist een maatregel is die de exporteur ten goede komt en tegelijkertijd een meer regelmatige en waardevoller goederenstroom binnen de Gemeenschap bevordert.

Opmerkingen van de firma Cadsky
Ten aanzien van de eerste vraag

De firma Cadsky betoogt dat het door het ICE toegepaste recht een heffing van gelijke werking als een douanerecht is. Het ICE-recht vertoont alle kenmerken die volgens 's Hofs rechtspraak eigen zijn aan het begrip heffing van gelijke werking:

Het is ingesteld door een eenzijdige handeling van de Staat, en niet krachtens een Gemeenschapsprocedure: vergelijk Commissie t. Luxemburg en België (Jurispr. 1962, blz. 857), Commissie t. Italië (Jurispr. 1969, blz. 193).

Het wordt uitsluitend toegepast op uitgevoerde waren en maakt geen deel uit van een algemeen belastingstelsel waaronder ook binnenlandse produkten vallen: vergelijk Deutschmann t. Duitsland (Jurispr. 1965, blz. 554).

Het wordt toegepast bij en ter zake van grensoverschrijding: vergelijk Duitsland t. Commissie (Jurispr. 1966, blz. 310).

Het verhoogt, zij het in geringe mate, de prijs van de belaste waren: vergelijk Commissie t. Luxemburg en België (Jurispr. 1962, blz. 857).

Ten aanzien van de tweede vraag

Wat het punt sub a) van de tweede vraag betreft, beklemtoont de firma Cadsky dat het overeenkomstig 's Hofs rechtspraak van geen belang is dat de betrokken belasting door de nationale wettelijke regeling is ingesteld ten behoeve van een, van de Staat onderscheiden, lager openbaar lichaam.

Ten aanzien van het punt sub b) merkt de firma Cadsky op dat de oude Italiaanse regeling was ingegeven door het collectieve nationale belang in het algemeen, namelijk de commerciële reputatie van Italiaanse produkten in het buitenland.

De kwaliteitsnormen van de communautaire regeling hebben eveneens de waarborging van het collectieve belang tot doel, met name het collectieve belang van de Gemeenschap bij een verbetering van de landbouwproduktie en het verlangen van de verbruikers naar kwaliteitsprodukten.

De Lid-Staten ontlenen aan de Gemeenschapsregeling geenszins de bevoegdheid van de exporteurs die naar andere Lid-Staten exporteren, een bijdrage te verlangen wegens een ingreep van de Staat om vast te stellen of het produkt aan de communautaire kwaliteitsnormen voldoet.

Een geldelijke last wegens een kwaliteitscontrole van de voor uitvoer bestemd produkten kan geen tegenprestatie zijn voor een door de administratie verleende dienst ten behoeve van de individuele exporteur. De nationale controle-instantie verklaart slechts langs administratieve weg dat de ondernemer een subjectief recht heeft om te exporteren en dat een exportvergunning moet worden verleend wanneer de waar aan de noodzakelijke kwaliteitseisen voldoet.

Het verrichten van zodanige administratieve werkzaamheid kan geen aan de handelaar van de Gemeenschap verleende dienst zijn: zaken Deutschman en Marimex (reeds aangehaald).

Het stelsel van kwaliteitscontroles voor groenten en fruit verschaft de exporteur evenmin het voordeel dat hij daardoor is gevrijwaard tegen alle mogelijke aanspraken van de koper-importeur in verband met kwaliteit en gebreken van de gekochte goederen.

Uit de Gemeenschapsregeling blijkt immers dat het controlecertificaat uitsluitend is bestemd voor de douane-instanties van de exporterende en de importerende Lid-Staat. De betrokken soort controle, door middel van steekproeven, leent zich wellicht voor de bescherming in het algemeen van de belangen waarop de communautaire kwaliteitsnormen zijn afgestemd maar niet voor de bescherming van de belangen van de koper-importeur, die, indien hij dat wenselijk acht, de gehele partij groenten en fruit aan een grondiger onderzoek kan onderwerpen.

De controle en de afgifte van een controlecertificaat brengen voor de belaste waar geen enkel voordeel mee en vergroten de waarde ervan niet, zodat zij niet kunnen worden beschouwd als een dienstverlening waarvoor een tegenprestatie mag worden verlangd.

Wat het punt sub c) van de tweede vraag betreft, beklemtoont de firma Cadsky dat een interne wettelijke regeling betreffende nationale merken een kwantitatieve beperking van het vrije goederenverkeer is, aangezien het verplichte gebruik van het nationale merk een voorwaarde is om te mogen exporteren. Zodanige kwantitatieve beperking is verboden bij de artikelen 30 tot 35 van het Verdrag en kan niet op grond van artikel 36 worden gerechtvaardigd, daar een algemeen exportverbod voor waren die niet van het nationale merk zijn voorzien, niet kan worden beschouwd als een onmisbare maatregel ter bescherming van het betrokken merk.

Als de bepaling betreffende het verplichte gebruik van het nationale exportmerk onwettig is, komt het ICE-recht elke rechtsgrond te ontvallen. Het moet mitsdien niet worden beschouwd als de tegenprestatie voor een niet-bestaande dienst, maar als een onwettige heffing van gelijke werking als een douanrecht, waarvan de gevolgen te ernstiger zijn omdat zij steunt op een onwettige bepaling die de export aan banden legt.

Subsidiair, voor het geval de verplichting het merk te gebruiken wettig zou zijn, betoogt de firma Cadsky dat het door het ICE toegepaste recht niet het karakter van een tegenprestatie bezit. Het gebruik van het nationale exportmerk heeft voor de Italiaanse exporteur geen enkel nut, aangezien de kwaliteitsnormen voor tuinbouwprodukten op een uitputtende communautaire regeling berusten.

Ten slotte merkt de firma Cadsky op dat het, gezien de onmogelijkheid om de berekeningsmaatstaven vast te stellen en het veronderstelde nut van het nationale exportmerk voor de ondernemer en de uitgevoerde waren te kwantificeren, uitgesloten is het ICE-recht eventueel in het licht van het Gemeenschapsrecht als tegenprestatie voor een dienst te rechtvaardigen.

Ten aanzien van de derde vraag

De firma Cadsky merkt op dat artikel 16 van het Verdrag rechtstreekse werking heeft en op alle soorten waren, landbouwprodukten niet uitgesloten, van toepassing is.

Artikel 13 van verordening nr. 159/66/EEG moet aldus worden uitgelegd, dat het alleen van toepassing is op douanerechten bij intracommunautair invoer en dat de regeling van de douanerechten bij uitvoer daarentegen uitsluitend door artikel 16 van het Verdrag wordt beheerst.

III Mondelinge behandeling

Overwegende dat ter openbare terechtzitting van 14 januari 1975 de heer Zagari namens de Italiaanse Regering heeft beklemtoond dat de verwijzende rechter geen enkele vraag heeft gesteld inzake het al dan niet wettige karakter van de kwaliteitscontrole naar aanleiding waarvan het ICE-recht wordt geheven. Uit de gestelde vragen blijkt dat de verwijzende rechter deze controle rechtmatig acht. Na een bespreking van het doel en de procedure van het prejudicieel beroep stelt de heer Zagari het Hof voor niet op dit problem in te gaan;

dat de heren Ubertazzi en Capelli namens de firma Cadsky en de heer Marenco namens de Commissie mondelinge opmerkingen hebben gemaakt;

Overwegende dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 5 februari 1975 conclusie heeft genomen;

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat het Tribunale van Bolzano bij beschikking van 26 juli 1974, ingekomen ter griffie van het Hof op 27 augustus 1974, drie vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van de term heffingen van gelijke werking als uitvoerrechten in artikel 16 EEG-Verdrag;

2.

Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of de toepassing van een geldelijke last op de uitvoer van tuinbouwprodukten ten behoeve van een van de Staat onderscheiden lichaam onder het verbod van heffingen van gelijke werking valt wanneer de opbrengst is bestemd tot dekking van de kosten van een kwaliteitscontrole aan de grens, de afgifte van controlecertificaten en het aanbrengen van een nationaal exportmerk;

3.

Overwegende dat volgens artikel 9 van het Verdrag de Gemeenschap is gegrondvest op een douane-unie welke berust op het verbod, in het verkeer tussen de Lid-Staten, van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking; dat volgens artikel 16 de Lid-Staten de tussen hen bestaande uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking uiterlijk aan het einde van de eerste etappe opheffen;

4.

dat waar het Verdrag die opheffing voorschrijft, geen enkel onderscheid wordt gemaakt naar gelang het doel waarmede de rechten en heffingen zijn ingevoerd, of de bestemming hunner opbrengsten;

dat dit verbod zijn rechtvaardiging vindt in de belemmeringen welke geldelijke lasten wegens grensoverschrijding — al mogen zij gering zijn — opleveren voor het door de achtereenvolgende administratieve formaliteiten gehinderde goederenverkeer;

5.

dat ongeacht benaming en structuur een eenzijdig opgelegde geldelijke last die wegens grensoverschrijding op nationale goederen wordt gelegd en geen douanerecht is in eigenlijke zin, derhalve een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9, 12, 13 en 16 van het Verdrag oplevert, zelfs wanneer deze last niet ten behoeve van de Staat wordt geheven;

6.

Overwegende dat, ofschoon het niet is uitgesloten dat in sommige gevallen voor een bepaalde en werkelijk verleende dienst een daaraan evenredige tegenprestatie mag worden verlangd, zulks zich slechts kan voordoen in gevallen die niet tot ontduiking van de voorschriften van de artikelen 9 en 16 van het Verdrag kunnen leiden;

7.

dat een kwaliteitscontrole, door een Lid-Staat uitsluitend toegepast op uitgevoerde produkten en gepaard met een uitvoerverbod voor produkten die niet aan de kwaliteitsnormen van de nationale wettelijke regeling voldoen, op zichzelf niet een aan de exporteur verleende dienst kan zijn, al aangenomen dat zodanige belemmering van het vrije goederenverkeer bij het ontbreken van een gemeenschappelijke kwaliteitsregeling wettig is;

8.

dat, ofschoon de bescherming van de goede naam van de tuinbouwprodukten van een Lid-Staat door middel van een controlecertificaat en het aanbrengen van een nationaal exportmerk de export van de nationale produkten kan bevorderen, dit voordeel een algemeen belang is van alle exporteurs te zamen, zo dat het persoonlijk belang van ieder hunner daarbij dermate onzeker is, dat een wegens die controle toegepaste heffing niet is te beschouwen als de tegenprestatie voor een bepaald, werkelijk en individueel verschaft voordeel;

9.

Overwegende dat voorts wordt gevraagd of de toepassing van heffingen van gelijke werking als uitvoerrechten op intracommunautaire exporten ingevolge artikel 16 EEG-Verdrag sedert 1 januari 1962 is verboden voor alle produkten, tuinbouwprodukten daaronder begrepen, zodat waar artikel 13 van verordening nr. 159/66/EEG (PB 1966, blz. 3286) een latere datum vaststelt, dit aldus moet worden uitgelegd, dat deze slechts betrekking heeft op de afschafr fing van rechten en heffingen bij invoer;

10.

Overwegende dat naar luid van artikel 38, lid 2, van het Verdrag de regels voor de instelling van de gemeenschappelijke markt op landbouwprodukten van toepassing zijn voor zover in de artikelen 39 tot en met 46 niet anders is bepaald;

dat aangezien deze artikelen geen afwijking van artikel 16 van het Verdrag toelaten, het verbod van uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking sedert 1 januari 1962 met rechtstreekse werking op alle produkten van toepassing is;

11.

dat waar artikel 13 van verordening nr. 159/66/EEG als datum voor de afschaffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking 1 januari 1967 vaststelde, dit derhalve slechts betrekking kon hebben op de rechten en heffingen bij invoer, die tussen de Lid-Staten nog van toepassing waren;

12.

Overwegende dat derhalve moet worden geantwoord dat een heffing die wegens grensoverschrijding en in verband met de verplichte kwaliteitscontrole van de uitgevoerde produkten wordt toegepast en recht geeft op de afgifte van een certificaat en het aanbrengen van een nationaal exportmerk, een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht is en ingevolge artikel 16 van het Verdrag sedert 1 januari 1962 verboden in het handelsverkeer tussen de oorspronkelijke Lid-Staten, zelfs wanneer de opbrengst van de heffing voor een ander dan de Staat is bestemd;

Ten aanzien van de kosten

13.

Overwegende dat de kosten, door de Regering van de Italiaanse Republiek, de Nederlandse Regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale instantie over de kosten heeft te beslissen;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Tribunale van Bolzano bij zijn beschikking van 26 juli 1974 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Een heffing die wegens grensoverschrijding en in verband met. de verplichte kwaliteitscontrole van de uitgevoerde produkten wordt toegepast en recht geeft op de afgifte van een certificaat en het aanbrengen van een nationaal exportmerk, is een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht en ingevolge artikel 16 van het Verdrag sedert 1 januari 1962 verboden in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, zelfs wanneer de opbrengst van de heffing bestemd is voor een ander dan de Staat.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

16
EEG-Verdrag art. 16uitgelegd10 voorkomens
verordening 159/66 art. 135 voorkomens
EEG-Verdrag art. 93 voorkomens
EG-Verdrag art. 163 voorkomens
EEG-Verdrag art. 121 voorkomen
EEG-Verdrag art. 131 voorkomen
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen
EEG-Verdrag art. 341 voorkomen
EEG-Verdrag art. 351 voorkomen
EEG-Verdrag art. 381 voorkomen
EG-Verdrag art. 301 voorkomen
EG-Verdrag art. 351 voorkomen
verordening 158/66 art. 11 voorkomen
verordening 158/66 art. 51 voorkomen
verordening 1035/72 art. 21 voorkomen
verordening 1035/72 art. 81 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Rozès39/8211.11.1982

EEG-Verdrag art. 13 en art. 9

Bekijk het document

Rechtsleer

1
Marenco, Giuliano: La recente giurisprudenza della Corte di Lussemburgo in materia di tasse all'esportazione (a proposito delle sentenze Demag, Van der Hulst e Cadsky), Diritto comunitario e degli scambi internazionali 1975 p.218-224