---
title: "HvJ EU, C-603/24, Stellantis Portugal SA, arrest van 13 mei 2026 · Onderwerping aan de btw"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 mei 2026, C-603/24, Stellantis Portugal SA: onderwerping aan de btw."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-603-24-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-603-24-arret"
---

# Arrest van het Hof van 13 mei 2026, C-603/24, Stellantis Portugal SA · Onderwerping aan de btw, onder bezwarende titel verrichte diensten, criteria, betrekkingen binnen een groep, aanpassingen tussen producenten en distributeurs van de verrekenprijzen van motorvoertuigen, inaanmerkingneming van de door de distributeurs na de verkoop van deze voertuigen gemaakte reparatiekosten, bestaan van een rechtstreeks verband tussen de dienstverrichting en de werkelijk ontvangen tegenprestatie, vraag of het gaat om een rechtsbetrekking waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Unie

**Samenstelling**

Negende kamer

**Zaak**

C-603/24

**ECLI**

ECLI:EU:C:2026:404

**Datum**

13 mei 2026

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Hoogste bestuursrechter (Portugal) beslissing van 3 juli 2024 424/10.5BESNT

**Zaak ingediend op**

16 september 2024

**Advocaat-generaal**

[Kokott conclusie van 15 januari 2026](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-603-24-conclusie)

**Opmerkingen**

Portugese regering Commissie

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Portugees

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Kornezov

**Repertorium van het Hof**

- [Binnenlands beleid van de Europese Unie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-4) [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Harmonisatie van de belastingwetgevingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02%2C578-4.10.02) [Belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01%2C578-4.10.02.01) [Toepassingsgebied](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.02%2C578-4.10.02.01.02) [Belastbare handelingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.02.03%2C578-4.10.02.01.02.03) [Diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.02.03.03%2C578-4.10.02.01.02.03.03) 109 beslissingen

## Tekst

103 paragrafen

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

13 mei 2026 (\*)

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Zesde richtlijn 77/388/EEG – Artikel 2, punt 1 – Onderwerping aan de btw – Onder bezwarende titel verrichte diensten – Criteria – Betrekkingen binnen een groep – Aanpassingen tussen producenten en distributeurs van de verrekenprijzen van motorvoertuigen – Inaanmerkingneming van de door de distributeurs na de verkoop van deze voertuigen gemaakte reparatiekosten – Bestaan van een rechtstreeks verband tussen de dienstverrichting en de werkelijk ontvangen tegenprestatie – Vraag of het gaat om een rechtsbetrekking waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld ”

In zaak C‑603/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supremo Tribunal Administrativo (hoogste bestuursrechter, Portugal) bij beslissing van 3 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 16 september 2024, in de procedure

Stellantis Portugal, S.A.

tegen

Autoridade Tributária e Aduaneira,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, R. Frendo en A. Kornezov (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Stellantis Portugal, S.A., vertegenwoordigd door P. Braz, advogado,

– de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, C. Bento, R. Campos Laires en A. Rodrigues als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Afonso en P. Carlin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 januari 2026,

het navolgende

Arrest

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van [artikel 2 van de Zesde richtlijn 77/388/EEG](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde btw-richtlijn”).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Stellantis Portugal S.A., als rechtsopvolger van Opel Portugal, Lda. \[voorheen General Motors Portugal (hierna: „GMP”)\], en de Autoridade Tributária e Aduaneira (belasting- en douanedienst, Portugal) over de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) op diensten betreffende de reparatie van motorvoertuigen die GMP zou hebben verleend aan andere ondernemingen van de in de automobielsector actieve General Motors-groep (Verenigde Staten van Amerika).

### Toepasselijke bepalingen · Unierecht

3. De Zesde btw-richtlijn is ingetrokken en met ingang van 1 januari 2007 vervangen door richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1). De Zesde btw-richtlijn is niettemin van toepassing op het hoofdgeding, gelet op de datum van de feiten van de zaak.

4. [Artikel 2 van de Zesde btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) bepaalde:

„Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen:

1\. de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

2\. de invoer van goederen.”

5. [Artikel 6](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-6) van deze richtlijn luidde:

„1. Als ,dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed in de zin van artikel 5 is.

\[...\]

4\. Wanneer door tussenkomst van een belastingplichtige, handelend op eigen naam, maar voor rekening van een ander, een dienst wordt verricht, wordt de betrokken belastingplichtige geacht deze dienst zelf te hebben ontvangen en te hebben verricht.

\[...\]”

6. [Artikel 11](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11) van die richtlijn bepaalde:

„A. In het binnenland

1\. De maatstaf van heffing is:

a) voor andere goederenleveringen en diensten dan hierna bedoeld sub b), c) en d): alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper, van de ontvanger of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houden;

\[...\]”

### Portugees recht

7. Artikel 1, lid 1, onder a), van de Código do Imposto sobre o Valor Acrescentado (wetboek inzake de belasting over de toegevoegde waarde), goedgekeurd bij Decreto-Lei nr. 394-B/84 (wetsbesluit nr. 394-B/84), van 26 december 1984 (Diário da República I, serie I-A, nr. 297, van 26 december 1984), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt dat de diensten die binnen het nationale grondgebied door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht aan de btw zijn onderworpen.

8. Artikel 4 van het wetboek inzake de belasting over de toegevoegde waarde luidt als volgt:

„1 - Als dienst worden beschouwd de handelingen onder bezwarende titel die geen levering, intracommunautaire verwerving of invoer van goederen vormen.

\[...\]

4 - Indien de dienst wordt verricht door een gemachtigde die in eigen naam optreedt, is deze laatste opeenvolgend de ontvanger en de verrichter van de dienst.

\[...\]”

### Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9. GMP maakte deel uit van de General Motors-groep.

10. Deze groep bestond onder meer uit ondernemingen die door de verwijzende rechter werden aangeduid als „fabrikanten van originele apparatuur” (hierna: „OEM’s”), die motorvoertuigen alsmede onderdelen en toebehoren vervaardigden en/of deze leverden aan andere ondernemingen die tot deze groep behoorden, en uit ondernemingen die door deze rechter werden aangeduid als „National Sales Companies/National Sales Organizations” (hierna: „NSC’s/NSO’s”), die de aldus geleverde producten op een bepaalde geografisch afgebakende markt distribueerden.

11. GMP trad op als NSC/NSO in Portugal. In die hoedanigheid kocht zij onder meer motorvoertuigen van in de Europese Unie gevestigde OEM’s (hierna: „betrokken OEM’s”), en verkocht deze voertuigen aan in Portugal actieve onafhankelijke dealers, die deze op hun beurt doorverkochten aan eindafnemers.

12. Wanneer die voertuigen gebreken vertoonden die het gevolg waren van fouten in het productieproces (Recall Campaigns) of bij afwijkingen die onder de door de fabrikant aangeboden garanties vielen (Policy and Warranty) dan wel wanneer zij het voorwerp waren van procedures met betrekking tot pechhulp (Road Side Assistance), gingen die klanten naar de dealers om deze fouten bij hen te laten repareren. Deze dealers brachten vervolgens de kosten van die reparaties, waarbij de desbetreffende btw werd toegepast, in rekening aan GMP.

13. GMP bracht de betrokken OEM’s op de hoogte van de kosten die zij had gemaakt voor de distributie van de door deze OEM’s geleverde motorvoertuigen, onderdelen en toebehoren, waartoe niet alleen de kosten van die reparaties behoorden maar ook de exploitatiekosten van GMP, zoals kosten van personeel, elektriciteit en marketing.

14. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prijs van de door de OEM’s aan de NSC’s/NSO’s verkochte voertuigen, onderdelen en toebehoren krachtens een in 2004 tussen de ondernemingen van de General Motors-groep gesloten overeenkomst over de vaststelling van de verrekenprijzen van de binnen deze groep overgedragen voertuigen (hierna: „overeenkomst van 2004”) kon worden aangepast om de NSC’s/NSO’s een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen. Met name werden de verrekenprijzen van die producten volgens beding 1.0 van die overeenkomst vastgesteld door van de „externe” verkoopprijzen, namelijk de verkoopprijzen van die voertuigen aan derden zoals dealers, het bedrag van de desbetreffende distributiekosten en het bedrag van de vooraf bepaalde winstmarge van de betrokken NSC/NSO af te trekken. De oorspronkelijke overdrachtsprijzen voor elke referentieperiode werden bepaald door een bruto marginale korting toe te passen op de verwachte externe verkoopprijzen. Aan het einde van elke referentieperiode werden de verrekenprijzen aangepast om de werkelijke winstmarge van die NSC/NSO te verhogen of te verlagen zodat deze marge overeenkwam met de vooraf bepaalde winstmarge. Krachtens beding 4.0 van die overeenkomst werden de oorspronkelijke verrekenprijzen aan het einde van elke referentieperiode aangepast om ervoor te zorgen dat de werkelijke financiële resultaten van de NSC’s/NSO’s overeenkwamen met de vooraf bepaalde winstmarge. Deze aanpassing vond plaats in de betrokken referentieperiode, waarbij de overeenkomstige verhoging of verlaging van de verrekenprijzen in de boekhouding van de OEM’s werd opgenomen. De verwijzende rechter preciseert dat die aanpassing bleek uit een door de OEM’s aan GMP gerichte credit- of debetnota.

15. Na een controle van de situatie van GMP met betrekking tot het boekjaar 2006 heeft de belasting- en douanedienst op 10 december 2009 een rapport opgesteld. Daarin heeft hij vastgesteld dat de betrokken OEM’s verantwoordelijk waren voor het verhelpen van gebreken als gevolg van fouten in het productieproces van de motorvoertuigen en van de afwijkingen die onder de door de fabrikant aangeboden garanties vielen en voor het repareren van deze voertuigen in het kader van de procedures met betrekking tot pechhulp. Die dienst heeft ook vastgesteld dat de reparatiekosten als gevolg van die gebreken en afwijkingen eerst werden gedragen door GMP, die deze kosten vervolgens door middel van aanpassingen van de verrekenprijzen van die voertuigen doorberekende aan deze OEM’s. Op basis daarvan was die dienst van mening dat GMP op het nationale grondgebied diensten tot reparatie van motorvoertuigen aan de betrokken OEM’s had verleend en dat deze diensten moesten worden onderworpen aan btw. Hij heeft dus beslist dat die onderneming, als btw-plichtige, 1 504 215,49 EUR moest betalen, welk bedrag overeenkomt met de voor het verlenen van die diensten verschuldigde btw en de compensatierente.

16. GMP heeft bij de Tribunal Administrativo e Fiscal de Sintra (bestuurs- en belastingrechter Sintra, Portugal) beroep ingesteld tegen het besluit van de belasting- en douanedienst waarbij betaling werd gevorderd van het in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde bedrag, en aangevoerd dat de aanpassingen van de verrekenprijzen van de door de betrokken OEM’s aan GMP geleverde voertuigen, onderdelen en toebehoren geen vergoeding vormden voor diensten die bestonden uit de reparatie van die voertuigen.

17. Deze rechter heeft dat beroep toegewezen, waarna de belasting- en douanedienst hoger beroep heeft ingesteld bij de Tribunal Central Administrativo Sul (centrale bestuursrechter Zuid, Portugal), die dit hoger beroep heeft toegewezen.

18. GMP heeft tegen de beslissing van deze laatste rechter een buitengewoon beroep (recurso de revista) ingesteld bij de Supremo Tribunal Administrativo (hoogste bestuursrechter, Portugal), de verwijzende rechter.

19. GMP is inmiddels Opel Portugal geworden, die vervolgens is overgenomen door Stellantis Portugal.

20. In die omstandigheden heeft de Supremo Tribunal Administrativo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet [artikel 2 van de Zesde btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2), in de ten tijde van de feiten geldende versie, aldus worden uitgelegd dat het begrip ‚levering van diensten onder bezwarende titel’, zoals bedoeld in deze bepaling, ook ziet op een aanpassing van de verkoopprijs van voertuigen die naar behoren is vastgesteld en vastgelegd in een tussen partijen gesloten overeenkomst tot het bereiken van een minimumwinstmarge, en die blijkt uit de uitgifte door de Europese producenten van de groep General Motors van een credit- of debetnota op naam van de verzoekende partij?”

### Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

21. De Europese Commissie vraagt zich af of het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is, aangezien de verwijzende rechter niet alle informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de bedragen die de betrokken OEM’s aan GMP hebben gecrediteerd of gedebiteerd overeenkwamen met de kosten van de reparaties van de motorvoertuigen dan wel of er andere parameters in aanmerking werden genomen om GMP een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen.

22. In dit verband zij eraan herinnerd dat, aangezien de verwijzingsbeslissing als basis dient voor de procedure van artikel 267 VWEU, de nationale rechter gehouden is om in de verwijzingsbeslissing zelf onder meer het feitelijke kader van het hoofdgeding uiteen te zetten (zie in die zin arrest van 24 oktober 2024, Omnitel Comunicaciones e.a., [C‑441/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-441-23-arrest), EU:C:2024:916, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23. De gegevens in de verwijzingsbeslissing moeten namelijk ten eerste het Hof in staat stellen nuttige antwoorden te geven op de vragen van de nationale rechter en ten tweede de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbenden in staat stellen het hun bij artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verleende recht uit te oefenen om opmerkingen in te dienen. Het Hof dient erop toe te zien dat dit recht gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge deze bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbenden worden gebracht (arrest van 24 oktober 2024, Omnitel Comunicaciones e.a., [C‑441/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-441-23-arrest), EU:C:2024:916, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24. De cumulatieve vereisten betreffende de inhoud van een verwijzingsbeslissing staan uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en zijn met name in herinnering gebracht in punt 15 van de aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1). Deze zijn thans opgenomen in punt 15 van de aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB C, C/2024/6008).

25. In casu zij opgemerkt dat de verwijzende rechter de feiten van het hoofdgeding, zij het summier, heeft uiteengezet op een wijze die het mogelijk maakt het voorwerp van het hoofdgeding te begrijpen. Met name blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de betrokken OEM’s de verrekenprijzen van de betrokken motorvoertuigen hebben aangepast op basis van alle door GMP voor het distribueren van deze voertuigen gemaakte kosten, met inbegrip van de kosten die verband hielden met het repareren van die voertuigen en de exploitatiekosten van GMP.

26. Derhalve moet het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk worden verklaard.

### Beantwoording van de prejudiciële vraag

27. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of [artikel 2, punt 1, van de Zesde btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) aldus moet worden uitgelegd dat een aanpassing van de verrekenprijs van motorvoertuigen die:

– naar behoren is vastgelegd in een overeenkomst tussen ondernemingen die tot dezelfde groep behoren en tot doel heeft de onderneming die dergelijke voertuigen verwerft, een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen op de wederverkoop van deze voertuigen;

– blijkt uit een door de verkopende onderneming aan de verwervende onderneming gerichte credit- of debetnota, en

– is berekend op basis van met name de kosten die de verwervende onderneming heeft gemaakt in het kader van de reparatie van die voertuigen door derden,

de tegenprestatie voor een „levering van diensten onder bezwarende titel” in de zin van deze bepaling vormt.

28. Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat volgens [artikel 2, punt 1, van de Zesde btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2), leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan btw zijn onderworpen.

29. Overeenkomstig [artikel 6, lid 1, eerste alinea, van de Zesde btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-6) wordt „elke handeling die geen levering van een goed \[...\] is” als dienst beschouwd.

30. Volgens vaste rechtspraak wordt een dienst slechts „onder bezwarende titel” verricht in de zin van [artikel 2, punt 1, van de Zesde btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2), en dus aan btw onderworpen, wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen deze dienstverrichting enerzijds en een werkelijk door de belastingplichtige ontvangen tegenprestatie anderzijds. Van een dergelijk rechtstreeks verband is sprake wanneer er tussen de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor een aan deze ontvanger verleende individualiseerbare dienst (zie in die zin arrest van 16 september 2020, Mitteldeutsche Hartstein-Industrie, [C‑528/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-528-19-arrest), EU:C:2020:712, punt 43; zie naar analogie arresten van 4 juli 2024, Latvijas Informācijas un komunikācijas tehnoloģijas asociācija, [C‑87/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-87-23-arrest), EU:C:2024:570, punt 26, en 4 september 2025, Arcomet Towercranes, [C‑726/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-726-23-arrest), EU:C:2025:646, punt 33).

31. In de onderhavige zaak blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat de betrokken OEM’s onder meer motorvoertuigen aan GMP verkochten. GMP verkocht deze vervolgens door aan in Portugal gevestigde onafhankelijke dealers, die deze voertuigen op hun beurt dienden te verkopen aan eindafnemers.

32. In geval van gebreken die het gevolg waren van het productieproces van die voertuigen, bij afwijkingen die onder de door de fabrikant geboden garanties vielen of procedures met betrekking tot pechhulp, repareerden die dealers de voertuigen en brachten de prijs van die reparaties in rekening aan GMP. Deze bracht vervolgens die OEM’s op de hoogte van de kosten die zij in dat verband had gemaakt, alsmede van andere kosten, zoals de exploitatiekosten, waaronder met name de kosten van personeel, elektriciteit en marketing.

33. Bovendien werd GMP krachtens de overeenkomst van 2004 een vooraf bepaalde winstmarge gegarandeerd op de wederverkoop van motorvoertuigen. Daartoe pasten de betrokken OEM’s de verrekenprijzen van de betrokken voertuigen aan, waarbij die aanpassingen werden berekend op basis van alle in het vorige punt van het onderhavige arrest vermelde kosten, en stelden zij, naargelang van het geval, een aan GMP gerichte credit- of debetnota op om die marge in acht te nemen.

34. In deze omstandigheden vraagt de verwijzende rechter zich in essentie af of GMP niet moet worden geacht de betrokken OEM’s diensten betreffende de reparatie van die voertuigen te verlenen, waarvoor de uit die aanpassingen voortvloeiende bedragen geheel of gedeeltelijk de vergoeding vormen.

35. Het staat aan deze rechter, die als enige bevoegd is om de feiten te beoordelen, om de aard van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handelingen te bepalen. Het is echter de taak van het Hof om deze rechter alle uitleggingsgegevens betreffende het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak (zie in die zin arrest van 4 juli 2024, Latvijas Informācijas un komunikācijas tehnoloģijas asociācija, [C‑87/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-87-23-arrest), EU:C:2024:570, punten 24 en 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36. In dat verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de enige rechtsbetrekking tussen GMP en de betrokken OEM’s waaraan de verwijzende rechter refereert, de rechtsbetrekking is die voortvloeit uit de overeenkomst van 2004.

37. Uit de gegevens waarover het Hof beschikt, blijkt dat deze overeenkomst tot doel had de verrekenprijzen van de door deze OEM’s aan GMP verkochte voertuigen vast te stellen en dat de in die overeenkomst bedoelde aanpassingen van die prijzen bedoeld waren om GMP een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen.

38. Geen van de in verwijzingsbeslissing genoemde bedingen van de overeenkomst van 2004 wijst erop dat er tussen GMP en de betrokken OEM’s een rechtsbetrekking bestond op grond waarvan GMP verplicht was om, tegen vergoeding, de reparatie van de voertuigen die zij van deze OEM’s kocht, op zich te nemen.

39. Die beslissing bevat overigens evenmin andere elementen, waaronder eventueel ongeschreven feitelijke gegevens, die kunnen wijzen op een dergelijke rechtsbetrekking.

40. Bijgevolg kan op grond van de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt niet worden geconcludeerd dat er ingevolge de overeenkomst van 2004 of enig ander element in dit dossier tussen GMP en de betrokken OEM’s een rechtsbetrekking bestond, in de zin van de in punt 30 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, in het kader waarvan die ondernemingen over en weer prestaties zouden hebben uitgewisseld en waarvan de ene bestond in de verlening door GMP aan die OEM’s van diensten strekkende tot reparatie van motorvoertuigen en de andere in de vergoeding van die diensten.

41. Indien de verwijzende rechter op basis van niet aan het Hof voorgelegde gegevens die hij in voorkomend geval samen met de overeenkomst van 2004 heeft onderzocht, zou oordelen dat er een dergelijke rechtsbetrekking tussen GMP en die OEM’s bestaat, staat het eveneens aan die rechter om vast te stellen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanpassingen de werkelijke tegenprestatie vormen voor individualiseerbare diensten in de zin van de in punt 30 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, dat wil zeggen of die aanpassingen de vergoeding van GMP vormen voor het verrichten van diensten houdende reparatie van de betrokken voertuigen.

42. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de onzekerheid over het bestaan zelf van een vergoeding meebrengt dat het rechtstreekse verband tussen de verrichte dienst en de eventueel ontvangen vergoeding wordt opgeheven (arrest van 4 september 2025, Arcomet Towercranes, [C‑726/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-726-23-arrest), EU:C:2025:646, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Om een dergelijk verband te kunnen vaststellen, mag die vergoeding dus niet vrijwillig of willekeurig, noch moeilijk kwantificeerbaar zijn (zie in die zin arrest van 4 september 2025, Arcomet Towercranes, [C‑726/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-726-23-arrest), EU:C:2025:646, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43. In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat bij berekening van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanpassingen niet enkel rekening werd gehouden met de kosten van de door de onafhankelijke dealers uitgevoerde en door hen aan GMP in rekening gebrachte reparaties, maar ook met de exploitatiekosten van GMP. De kosten voor de reparatie van de betrokken voertuigen lijken dus slechts één van de parameters te zijn die voor de berekening van die aanpassingen in aanmerking zijn genomen. Afhankelijk van het aandeel van al deze kosten ten opzichte van de oorspronkelijke verrekenprijzen, konden die aanpassingen bijgevolg niet alleen leiden tot door OEM’s aan GMP gerichte creditnota’s, maar ook tot debetnota’s.

44. Bovendien werden de verschillende door GMP in het kader van de distributie van die voertuigen gemaakte kosten alleen in aanmerking genomen om de vooraf bepaalde winstmarge te garanderen, zodat, zodra deze was behaald, GMP niet de zekerheid leek te hebben dat de betrokken OEM’s haar al deze kosten zouden terugbetalen, en met name de kosten die zij had gemaakt voor de reparatie van die voertuigen.

45. Gelet op die overwegingen blijkt, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter overeenkomstig punt 41 van het onderhavige arrest te verrichten verificaties, dat het verband waarvan mogelijkerwijs sprake is tussen eventuele door GMP aan de betrokken OEM’s verleende diensten van reparatie van de betrokken voertuigen en de aanpassingen van de verrekenprijzen van die voertuigen, hoogstens indirect is.

46. Wat in de tweede plaats het argument van de Portugese regering betreft dat GMP, doordat zij de kosten van reparatie van die voertuigen heeft gedragen, voor rekening van de betrokken OEM’s heeft gehandeld en is tussengekomen in een door de dealers aan deze OEM’s verleende dienst, zodat de toerekening van die kosten aan deze OEM’s moet worden aangemerkt als een belastbaar feit dat overeenkomstig [artikel 6, lid 4, van de Zesde btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-6) aan btw is onderworpen, volstaat het op te merken dat het dossier waarover het Hof beschikt geen gegevens bevat waaruit blijkt dat GMP in een dergelijke dienstverrichting is tussengekomen en dat zij voor rekening van een ander heeft gehandeld.

47. In de derde en laatste plaats moet, indien de verwijzende rechter zou oordelen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanpassingen geen vergoeding vormen voor een door GMP aan de betrokken OEM’s verleende dienst tot reparatie van voertuigen, maar een wijziging achteraf van de door GMP bij de aankoop van die voertuigen bij deze OEM’s betaalde prijs, worden opgemerkt dat het, zoals de advocaat-generaal in essentie heeft uiteengezet in de [punten 56](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-603-24-conclusie#point-56) tot en met [62](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-603-24-conclusie#point-62) van haar conclusie, in voorkomend geval aan de bevoegde nationale instanties staat om de invloed te beoordelen die een dergelijke wijziging heeft op de vaststelling van de belastbare grondslag van de handeling bestaande in de levering van die voertuigen door die OEM’s aan GMP, en dit inzonderheid gelet op [artikel 11 van de Zesde btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11).

48. Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat [artikel 2, punt 1, van de Zesde btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) aldus moet worden uitgelegd dat een aanpassing van de verrekenprijs van motorvoertuigen die:

– naar behoren is vastgelegd in een overeenkomst tussen ondernemingen die tot dezelfde groep behoren en tot doel heeft de onderneming die dergelijke voertuigen verwerft, een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen op de wederverkoop van deze voertuigen;

– blijkt uit een door de verkopende onderneming aan de verwervende onderneming gerichte credit- of debetnota, en

– is berekend op basis van met name de kosten die de verwervende onderneming heeft gemaakt in het kader van de reparatie van die voertuigen door derden,

geen tegenprestatie vormt voor een „levering van diensten onder bezwarende titel” in de zin van deze bepaling, tenzij er tussen deze ondernemingen een rechtsbetrekking bestaat die wordt gekenmerkt door wederzijdse verplichtingen die inhouden dat de verwervende onderneming diensten verleent aan de verkopende onderneming en deze laatste voor die diensten een vergoeding betaalt in de vorm van een dergelijke aanpassing, waardoor er een rechtstreeks verband kan worden vastgesteld tussen de verlening van deze diensten en die aanpassing.

### Kosten

49. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

### Dictum

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

[Artikel 2 van richtlijn 77/388/EEG](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag

moet aldus worden uitgelegd dat

een aanpassing van de verrekenprijs van motorvoertuigen die:

– naar behoren is vastgelegd in een overeenkomst tussen ondernemingen die tot dezelfde groep behoren en tot doel heeft de onderneming die dergelijke voertuigen verwerft, een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen op de wederverkoop van deze voertuigen;

– blijkt uit een door de verkopende onderneming aan de verwervende onderneming gerichte credit- of debetnota, en

– is berekend op basis van met name de kosten die de verwervende onderneming heeft gemaakt in het kader van de reparatie van die voertuigen door derden,

geen tegenprestatie vormt voor een „levering van diensten onder bezwarende titel” in de zin van deze bepaling, tenzij er tussen deze ondernemingen een rechtsbetrekking bestaat die wordt gekenmerkt door wederzijdse verplichtingen die inhouden dat de verwervende onderneming diensten verleent aan de verkopende onderneming en deze laatste voor die diensten een vergoeding betaalt in de vorm van een dergelijke aanpassing, waardoor er een rechtstreeks verband kan worden vastgesteld tussen de verlening van deze diensten en die aanpassing.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

9

[Zesde richtlijn 77/388 art. 2](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) uitgelegd 8 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 6](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-6) 3 voorkomens

VWEU art. 267 2 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 11](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11) 2 voorkomens

[C-726/23, arrest van 4 september 2025](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-726-23-arrest) 3 voorkomens

[C-441/23, arrest van 24 oktober 2024](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-441-23-arrest) 2 voorkomens

[C-87/23, arrest van 4 juli 2024](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-87-23-arrest) 2 voorkomens

[C-603/24, conclusie van de advocaat-generaal van 15 januari 2026](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-603-24-conclusie) 2 voorkomens

[C-528/19, arrest van 16 september 2020](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-528-19-arrest) 1 voorkomen
