Arrest van het Hof van 3 juli 1997, C-60/96 · Europese rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Zesde kamer C-60/96 ECLI:EU:C:1997:340 3 juli 1997

Zoeken

Arrest van het Hof van 3 juli 1997, C-60/96Vrijstellingen, verhuur van tenten, caravans en stacaravans

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-60-96-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Zesde kamer
Zaak
C-60/96
ECLI
ECLI:EU:C:1997:340
Datum
3 juli 1997

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
5 maart 1996
Advocaat-generaal
Cosmas conclusie van 20 maart 1997

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Frans
Jurisprudentie
Jurispr. 1997, blz. I-3827
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Kapteyn
Repertorium van het Hof

Tekst

21 paragrafen

Arrest

1.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 maart 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door een bestuursrechtelijke bepaling in te stellen en van kracht te laten, waarbij de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”), die ingevolge artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”), uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen, wordt uitgebreid tot de verhuur van bepaalde roerende goederen, de krachtens artikel 2 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.

Artikel 2, sub 1, van de Zesde richtlijn bepaalt, dat aan de BTW onderworpen zijn, de diensten welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.

3.

Artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten, onverminderd andere communautaire bepalingen, vrijstelling verlenen voor de verpachting en de verhuur van onroerende goederen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstelling te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

4.

In Frankrijk zijn de diensten welke door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, krachtens artikel 256 van de Code général des impôts (hierna: „code”) aan de BTW onderworpen.

5.

Artikel 261-D van de code bepaalt, dat de occasionele, permanente of seizoengebonden huur van gemeubileerde woonruimten van de BTW is vrijgesteld.

6.

Luidens een administratieve instructie van 11 april 1991 (hierna: „administratieve instructie”) moeten onder meer caravans, tenten, stacaravans en chalets die werkelijke vaste installaties zijn en speciaal ingericht en uitsluitend bestemd zijn voor bewoning, als woonruimten worden beschouwd, terwijl de verhuur per uur, per dag, per week of per maand van woonwagens, kampeerauto's, schuiten, boten, enz. een verplicht aan de BTW onderworpen verhuur van lichamelijke roerende goederen is.

7.

De Commissie is van mening, dat de Franse regeling in strijd is met artikel 2 van de richtlijn, doordat zij verder gaat dan de in artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstelling, die uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen. Zij maande dus bij brief van 23 april 1993 de Franse Republiek aan om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.

8.

Bij brief van 2 juni 1993 betwistte de Franse regering de stellingen van de Commissie.

9.

Daar de argumenten van de Franse regering haar niet overtuigden, handhaafde de Commissie haar grieven en bracht zij op 8 november 1994 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij de Franse regering verzocht de nodige maatregelen te treffen om binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies aan de uit de Zesde richtlijn voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

10.

In haar antwoord van 9 januari 1995 sloot de Franse regering zich aan bij het standpunt van de Commissie. Bovendien kondigde zij aan, dat de bepalingen van de administratieve instructie zouden worden ingetrokken en dat een regeling voor de heffing van de BTW op die soorten verhuur zou worden vastgesteld. Ten slotte verklaarde de Franse regering, dat de na raadpleging van de betrokken beroepsgroepen getroffen maatregelen zo spoedig mogelijk aan de Commissie zouden worden meegedeeld.

11.

Toen de Commissie geen officiële kennisgeving van een daadwerkelijke wijziging van de betrokken regeling ontving, en vernam dat de Franse autoriteiten de administratieve instructie bleven toepassen, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.

12.

In haar verweerschrift wijst de Franse regering erop, dat de administratieve instructie overeenkomstig het met redenen omkleed advies is ingetrokken, zodat de verhuur van tenten, caravans en stacaravans voortaan van rechtswege belastbaar zou zijn krachtens artikel 256 van de code.

13.

Bovendien zou artikel 39-1 van de wet tot wijziging van de Financiewet 1995 (nr. 95-1347 van 30 december 1995) de voorwaarden hebben bepaald waaronder bepaalde van die diensten voor een lager tarief in aanmerking komen. Krachtens artikel 39-II van die wet zou deze nieuwe bepaling van toepassing zijn op de handelingen waarvan het belastbaar feit vanaf 1 januari 1996 tot stand is gekomen.

14.

De Franse regering erkent echter, dat de administratieve instructie verder is toegepast tot 1 januari 1996, toen de in het met redenen omkleed advies van 8 november 1994 gestelde termijn was verstreken.

15.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet echter het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de Lid-Staat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening houden (zie, onder meer, arresten van 17 september 1996, zaak C-289/94, Commissie/Italië, Jurispr. 1996, blz. 1-4405, r. o. 20, en 12 december 1996, zaak C-302/95, Commissie/Italië, Jurispr. 1996, blz. 1-6765, r. o. 13).

16.

Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door een bestuursrechtelijke bepaling in te stellen en van kracht te laten, waarbij de vrijstelling van de BTW, die ingevolge artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen, wordt uitgebreid tot de verhuur van bepaalde roerende goederen, de krachtens artikel 2 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

17.

Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

rechtdoende, verstaat:

1) Door een bestuursrechtelijke bepaling in te stellen en van kracht te laten, waarbij de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde, die ingevolge artikel 13 B, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, uitsluitend geldt voor de verhuur van onroerende goederen, wordt uitgebreid tot de verhuur van bepaalde roerende goederen, is de Franse Republiek de krachtens artikel 2 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

5

Rechtspraak

7

België

1

Rechtbank van eerste aanleg te Leuven13.01.2006

Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, 13 januari 2006

Europese Unie

6

Conclusie van advocaat-generaal TrstenjakC-536/0704.06.2009

Overheidsopdrachten voor uitvoering van werken

Conclusie van advocaat-generaal TrstenjakC-319/0613.09.2007

Terbeschikkingstelling van werknemers

Hof van JustitieC-315/0016.01.2003

Zesde richtlijn 77/388 art. 13 en art. 2

Bekijk alle 6

Administratieve doctrine

4

Bekijk de 11 documenten