---
title: "HvJ EU, 6/71, arrest van 27 oktober 1971 · EEG-Verdrag art. 10 en art. 177"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober 1971, 6/71: EEG-Verdrag art. 10 en art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-6-71-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-6-71-arret"
---

# Arrest van het Hof van 27 oktober 1971, 6/71 · EEG-Verdrag art. 10 en art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

6/71

**ECLI**

ECLI:EU:C:1971:100

**Datum**

27 oktober 1971

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Bundesfinanzhof (Duitsland) beslissing van 15 december 1970 VII R 98/68

**Zaak ingediend op**

3 maart 1971

**Advocaat-generaal**

[Dutheillet de Lamothe conclusie van 22 september 1971](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-6-71-conclusie)

**Opmerkingen**

Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Bundesfinanzhof beslissing van 8 november 1972 VII R 98/68 ; Hessisches Finanzgericht beslissing van 7 mei 1973 VII 9/73

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1971, blz. 823

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Kutscher

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Bronnen van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01) [Algemene rechtsbeginselen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02) [Gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.02) 25 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Granen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.01)

  - [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.01.02) [Uitvoerregeling](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.01.02.02) 4 beslissingen
  - [Intracommunautaire markt](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.01.01) 10 beslissingen

## Tekst

85 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

#### I — De voorgeschiedenis en de procesvoering

##### 1. Overzicht der in de betrokken periode geldende bepalingen

Overwegende dat de in de betrokken periode geldende bepalingen kunnen worden samengevat als volgt:

###### A — Communautair recht

De inmiddels buiten werking gestelde verordening nr. 19 van de Raad was destijds van toepassing. De eerste vraag van het Bundesfinanzhof betreft de uitlegging van de artikelen 19 en 20 van deze verordening. Voorts golden de ter uitvoering van verordening nr. 19 vastgestelde verordeningen.

Verordening nr. 19 machtigde de Lid-Staten tot een bepaalde grens restituties te verlenen bij de „uitvoer naar een Lid-Staat” (artikel 19, lid 2) alsmede „naar derde landen” (artikel 20, lid 2); deze begrippen werden noch in verordening nr. 19 noch in de uitvoeringsbepalingen nader omschreven. Voor bepaalde produkten, zoals de in artikel 1, sub c, van verordening nr. 19 genoemde gries van harde tarwe was de restitutie in de verordening nauwkeurig geregeld. Voor de „verwerkte produkten” (in latere verordeningen ook genoemd „door verwerking verkregen produkten”) — vermeld in artikel 1, sub d, en opgenomen in de bijlage bij de verordening, waartoe onder meer gepelde granen van gerst (gort) behoren — verwijzen artikel 19, lid 2, sub d, en artikel 20, lid 2, van verordening nr. 19 echter naar later vast te stellen uitvoeringsbepalingen.

De bij invoer uit Lid-Staten en derde landen toe te passen heffingen, waarop verordening nr. 19 in hoofdzaak betrekking had, bestonden volgens artikel 14 dezer verordening voor verwerkte produkten uit een variabel en een — ter bescherming van de verwerkende industrie vastgesteld — vast element.

De verordeningen nrs. 90, 91 en 92 van de Commissie van 25 juni 1962 (PB blz. 1902 e. v.) bevatten een nadere regeling van de restituties, waarbij eveneens onderscheid werd gemaakt tussen „uitvoer naar Lid-Staten” en „uitvoer naar derde landen” (cf. onder meer artikelen 5 en 6 van verordening nr. 91). Op grond hiervan waren de Lid-Staten verplicht aan de Commissie regelmatig opgave te doen van het bedrag der betaalde restituties alsmede van andere gegevens, en deze opgaven „volgens de bestemming van de uitvoer” per Lid-Staat of voor de uitvoer naar derde landen te zamen te verstrekken (cf. onder meer artikel 6 van verordening nr. 91).

De restituties voor verwerkte produkten werden geregeld in verordening nr. 141/64/EEG van de Raad van 21 oktober 1964 (PB blz. 2666 e.v.) — welke eveneens nadere bepalingen inzake de heffingen bevatte — en in de ter uitvoering dezer verordening vastgestelde restitutieverordeningen nrs. 162/64/EEG van de Commissie (bij uitvoer naar Lid-Staten) en 164/64/EEG (bij uitvoer naar derde landen) van 29 oktober 1964, PB 1964, blz. 2739 e.v.

Verordening nr. 141/64 bepaalde in artikel 5, lid 1, dat het variabele element van de heffing gelijk is aan de gemiddelde heffing die van toepassing is op bepaalde hoeveelheden basisprodukt; voor 100 kg gepelde gerst werd de „verwerkingsfactor” vastgesteld op 160 kg ruwe gerst (artikel 5, lid 1, letter C, sub b). — Uit artikel 14, lid 1, van de verordening blijkt dat in het intracommunautaire handelsverkeer slechts restituties mogen worden verleend wanneer de drempelprijs voor het basisprodukt in de uitvoerende Lid-Staat hoger is dan in de invoerende Lid-Staat; de restitutie mag niet hoger zijn dan het verschil tussen beide drempelprijzen. Artikel 15 bepaalt dat in het handelsverkeer met derde landen bij de vaststelling van de restitutie door de Commissie „met name rekening (wordt) gehouden met de toestand op de wereldmarkt en de prijzen van de basisprodukten”.

De tweede vraag van het Bundesfinanzhof betreft de geldigheid van verordening nr. 162/64; artikel 1, lid 1, dezer verordening bepaalde dat het bedrag van de restitutie niet hoger mag zijn dan een bepaald forfaitair vastgesteld percentage van het bedrag van de restitutie, dat zou voortvloeien uit de toepassing van artikel 14 van verordening nr. 141/64; voor gort was dit 55 % (artikel 1, lid 1, sub e). Hiertoe werd onder meer overwogen „dat onderscheiden verwerkingsfactoren … in de diverse Lid-Staten bestaan (waaruit) voor sommige verwerkte produkten prijsdistorsies zouden kunnen voortvloeien, zowel in het handelsverkeer tussen Lid-Staten, als op de markt van de invoerende Lid-Staat”.

De derde vraag van het Bundesfinanzhof betreft de uitlegging van verordening nr. 164/64, die in artikel 1, lid 1, zegt: „in het handelsverkeer met derde landen mag de restitutie .. tijdens een gegeven maand niet hoger zijn dan de gemiddelde restitutie die tijdens de eerste 25 dagen van de voorgaande maand kan worden toegekend bij uitvoer van de hoeveelheid basisprodukt waarvan bij de berekening van het variable element is uitgegaan”.

Bij beschikking van de Commissie van 17 juli 1962 (PB 1962, blz. 2140 e.v.) werd „in het kader van de methoden van administratieve samenwerking bedoeld in artikel 10, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag, een certificaat inzake goederenverkeer van het model D.D.4” ingesteld. Volgens artikel 2 van de beschikking kan dit certificaat „slechts worden gebezigd voor zover de goederen waarop het betrekking heeft, rechtstreeks van de Lid-Staat van uitvoer naar de Lid-Staat van invoer worden vervoerd”.

###### B — Duits recht

Ingevolge § 1, Absatz 1, van de Erstattungsverordnung Getreide und Reis van 24 november 1964 (BGBl. I, blz. 917, e. v.; hierna genoemd „Erstattungsverordnung”) kunnen bij uitvoer der aldaar genoemde produkten restituties worden verleend; met betrekking tot bepaalde waren — bij voorbeeld grutten, gries en griesmeel van harde tarwe — kan echter slechts bij uitvoer naar derde landen restitutie worden verleend, terwijl bij andere waren — bij voorbeeld gepelde granen van gerst (gort) — ook voor uitvoer naar de Lid-Staten restitutie kan worden verleend (§ 1, Absatz 1, nrs. 2 en 4).

§ 1, Absatz 2, luidt als volgt:

Van uitvoer naar Lid-Staten is sprake wanneer het „Verbrauchsland” een Lid-Staat van de EEG is. Van uitvoer naar derde landen is sprake wanneer het „Verbrauchsland” een derde land is. Het begrip „Verbrauchsland” wordt bepaald volgens de voorschriften inzake de statistiek van het grensoverschrijdend goederenvervoer.

De ten deze toepasselijke bepalingen zijn opgenomen in de Verordnung zur Durchführung des Gesetzes über die Statistik des grenzüberschreitenden Warenverkehrs in de redactie van 13 januari 1964 (BGBl. I, blz. 9 e. v.; hierna genoemd „AHStatDV”). § 10, Absätze 6 en 7, van deze verordening bepaalt:

6\. Het „Verbrauchsland” is het land waar de waren worden gebruikt, verbruikt, bewerkt of verwerkt.

7\. Als „Verbrauchsland” wordt … voor waren, waarvan het „Verbrauchsland” niet bekend is, het „Empfangsland” als zodanig beschouwd …

In § 11, Absatz 2 is bepaald:

„Empfangsland” is het land waarnaar de waren worden verzonden, zonder dat zij in de doorvoerlanden aan enigerlei oponthoud of transactie, anders dan in verband met het vervoer, worden onderworpen. Is dit land niet bekend, dan wordt het laatst bekende land waarnaar de waren worden verzonden, als „Empfangsland” beschouwd.

##### 2. De feiten

A — Overwegende dat volgens de constateringen van het Bundesfinanzhof en het Hessische Finanzgericht de volgende feiten aan het 'hoofdgeding ten gronde liggen: De firma Rheinmühlen, verzoekster in revisie in het hoofdgeding, leverde in het tijdvak van 30 december 1964 tot en met 16 december 1965 gort en gries van harde tarwe aan verschillende firma's in België, Italië en Zwitserland. De leveringsvoorwaarden luidden bij voorbeeld „cif Antwerpen”, „franco Chiasso”, „franco Bolzano”, „franco Basel”, „franco Triëst”, „franco Mestre”, „franco Genua”, enzovoort. De belanghebbenden hadden in geen dezer gevallen een certificaat D.D. 4 aangevraagd. Ter zake van deze uitvoer had de firma restituties ontvangen in de vorm van invoer met vrijdom van heffing. Op 7 december 1966 trok de Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel (hierna genoemd Einfuhr- und Vorratsstelle), verweerster in revisie in het hoofdgeding, deze beschikkingen in op grond dat de waren in afwijking van de opgaven der firma niet naar derde landen, doch naar Lid-Staten waren uitgevoerd.

B — Nadat de firma Rheinmühlen tegen deze intrekking tevergeefs had gereclameerd, kwam zij in beroep bij het Hessische Finanzgericht, dat het beroep bij vonnis van 12 augustus 1968 verwierp, waarbij het met name overwoog: De firma kan geen aanspraak maken op de litigieuze restitutie, aangezien het „Verbrauchsland” bij de onderhavige exporten steeds een Lid-Staat in de zin van de Duitse Erstattungsverordnung en de AHStatDV was geweest. Deze verordeningen zijn niet in strijd met het communautaire recht. Weliswaar kennen de EEG-verordeningen het begrip „Verbrauchsland” niet en maken zij slechts onderscheid tussen uitvoer naar derde landen en uitvoer naar Lid-Staten, maar de Duitse verordening had, door het begrip „Verbrauchsland” te introduceren, slechts willen vastleggen wat bepalend is voor dit onderscheid. Deze regeling is in overeenstemming met verordening nr. 19, die de exporteur geen recht op restitutie toekent, doch de Lid-Staten slechts machtigt restitutie te verlenen. Weliswaar dienen de Staten bij het vaststellen van restitutieregelingen binnen het door de Gemeenschap vastgesteld kader te blijven, doch overigens zijn zij vrij. Het begrip „Verbrauchsland” stemt overeen met het begrip „land van bestemming” in de verordeningen nrs. 90 en 91, dat betrekking heeft op de bestemming der uitvoer. De vraag welk land in een bepaald geval als „Verbrauchsland” moet worden aangemerkt, is afhankelijk van hetgeen de exporteur bij de uitvoer bekend was over de bestemming van de waren. Latere veranderingen van de bestemming zijn niet van invloed op bedoeld restitutierecht, aangezien de economische gevolgen van de uitvoer voor de exporteur voorzienbaar moeten zijn. Het is rechtens niet van betekenis dat de waren zonder goederencertificaat D.D.4 zijn uitgevoerd; de beschikking van de Commissie van 17 juli 1962 bevat slechts een bewijsregeling voor de toepassing van de communautaire heffing en is niet van invloed op het feitelijk karakter van de transactie. De firma Rheinmühlen wendde zich tot het Bundesfinanzhof met verzoek om revisie van het vonnis van het Finanzgericht.

##### 3. Dictum en overwegingen van de verwijzingsbeschikking

Het Bundesfinanzhof heeft krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag bij beschikking van 15 december 1970 de volgende vragen aan het Hof van Justitie voorgelegd:

Hoe moet het begrip uitvoer naar derde landen in artikel 20, lid 2, eerste zin, van verordening nr. 19 worden uitgelegd en afgebakend ten opzichte van het begrip uitvoer naar een Lid-Staat in de zin van artikel 19, lid 2? Is voor uitvoer naar derde landen met name nodig: dat kan worden bewezen dat het produkt in derde landen is aangekomen; dat het in een tevoren bepaald derde land is aangekomen; dat het rechtstreeks in een derde land is aangekomen, dat wil zeggen dat het vervoer naar dat land op grond van één enkel vrachtdocument heeft plaatsgevonden en dat het produkt in de doorvoerlanden (Lid-Staten en derde landen) niet aan enigerlei met het vervoer niet samenhangend oponthoud of transactie wordt onderworpen; dat het produkt, douanerechtelijk gezien, in het derde land in het vrije verkeer is gebracht; dat het produkt aldaar genationaliseerd wordt, dat wil zeggen gebruikt, verbruikt, bewerkt of verwerkt; of wel is van uitvoer naar derde landen reeds sprake: wanneer een produkt zonder certificaat goederenverkeer D.D.4 — ook naar een Lid-Staat — wordt uitgevoerd; wanneer het niet rechtstreeks van de ene Lid-Staat naar de andere wordt vervoerd; c.q. welke andere criteria zijn voor dit begrip bepalend?

2\. Is verordening nr. 162/64 ongeldig, omdat daarin de restituties in de handel tussen de Lid-Staten forfaitair zijn beperkt tot bepaalde percentages van de krachtens verordening nr. 141/64 toegelaten restitutiebedragen, terwijl voor de handel met derde landen restituties tot het volle bedrag van het variabele element der bij invoer toepasselijke heffing kunnen worden toegekend?

3\. Indien vraag 2 ontkennend moet worden beantwoord: moeten de feitelijke voorwaarden waaronder, gezien de in verordening nr. 162/64 vervatte beperking van de restitutie tussen de Lid-Staten en het daarmee beoogde doel (bescherming van de handel tussen de Lid-Staten en van de markten der invoerende Lid-Staten tegen prijsdistorsies), van uitvoer naar derde landen' in de zin van verordening nr. 164/64 kan worden gesproken, anders, met name in engere zin, worden uitgelegd — en tegenover het begrip, uitvoer naar een Lid-Staat' stringenter afgebakend — dan in de gevallen in vraag 1 bedoeld?”

Het Bundesfinanzhof overweegt in zijn beschikking dat het begrip „uitvoer naar derde landen” in geen der in het betreffende tijdvak geldende communautaire verordeningen nader wordt toegelicht. Er bestaat twijfel over de vraag of de in de Duitse verordeningen gegeven definitie van het begrip verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.

De beantwoording van de vragen 2 en 3 is van belang, aangezien de waren in Lid-Staten zijn aangekomen. Voorts is zij van betekenis voor de vraag of in de Duitse Erstattungsverordnung, gezien het beginsel van gemeenschapspreferentie, mocht worden bepaald dat bij harde tarwe slechts een restitutie voor uitvoer naar derde landen wordt verleend.

##### 4. Het procesverloop

Overwegende dat het procesverloop kan worden samengevat als volgt:

De verwijzingsbeschikking is op 3 maart 1971 ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie.

De firma Rheinmühlen, de Einfuhr- und Vorratsstelle en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG schriftelijke opmerkingen ingediend.

Gehoord het rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, heeft het Hof van Justitie besloten niet tot instructiemaatregelen over te gaan.

Partijen in het hoofdgeding en de Commissie hebben ter terechtzitting van 30 juni 1971 mondelinge opmerkingen gemaakt.

De Advocaat-Generaal heeft ter zitting van 22 september 1971 zijn conclusie genomen.

De firma Rheinmühlen is vertegenwoordigd door dr. Modest, advocaat te Hamburg, de Einfuhr- und Vorratsstelle door de heer Schalier, assessor, en de heer Stockburger, advocaat te Frankfurt am Main, en de Commissie door haar juridisch adviseur dr. P. Gilsdorf.

#### II — Schriftelijke opmerkingen van partijen gemaakt krachtens artikel 20 van het Statuut

Overwegende dat de krachtens artikel 20 van het Statuut gemaakte opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

##### 1. De eerste vraag

De firma Rheinmühlen betoogt:

a) De begrippen „uitvoer naar een Lid-Staat” en „uitvoer naar derde landen” dienen in alle Lid-Staten dezelfde betekenis te hebben. Het is onverenigbaar met een gemeenschappelijke marktordening in de landbouwsector en bovendien niet consequent, wanneer een zelfde handelstransactie door de exporterende Lid-Staat als intracommunautaire uitvoer en door de importerende Lid-Staat als invoer uit een derde land wordt beschouwd. De nationale wetgever was derhalve niet bevoegd zelfstandig deze begrippen te definiëren. Alleen door de begrippen „uitvoer naar een Lid-Staat” en „invoer uit een Lid-Staat” restrictief en de begrippen „uitvoer naar derde landen” en „invoer uit derde landen” extensief uit te leggen, kan worden voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de voordelen (lagere heffingen) in de intracommunautaire handel. Bij de afbakening der begrippen „uitvoer naar een Lid-Staat” en „uitvoer naar derde landen” dient men objectief te werk te gaan; slechts met objectieve bewijsmiddelen kan deze of gene uitvoer worden aangetoond.

b) De afgifte, of niet-afgifte, van het in de beschikking van 17 juli 1962 bedoelde certificaat D.D.4 vormt een dergelijk bewijsmiddel. De Duitse overheid heeft zich dan ook — zoals blijkt uit een door de firma Rheinmühlen bij de stukken gevoegde „Ausfuhrbescheinigung” — steeds op het standpunt gesteld dat ondernemingen die voor restitutie in aanmerking wilden komen, moesten opgeven of een certificaat D.D.4 was afgegeven. Zo niet, dan verleende zij zonder meerde restitutie voor derde landen, terwijl dit in het omgekeerde geval a priori was uitgesloten. Op deze wijze waren onregelmatigheden volstrekt uitgesloten. De beschikking van 17 juli 1962 had weliswaar niet ten doel de begrippen „invoer” of „uitvoer” — hetzij in de intracommunautaire handel, hetzij in het handelsverkeer met derde landen — te definiëren. Blijkens artikel 2 van de beschikking is de Commissie echter wel van een bepaalde — namelijk de door de firma Rheinmühlen verdedigde — uitlegging van deze begrippen uitgegaan. Om al deze redenen waren de ondernemingen er destijds van overtuigd dat er slechts sprake was van „uitvoer naar een Lid-Staat”, wanneer de exporteur afgifte van het certificaat D.D.4 had aangevraagd en verkregen. Deze overtuiging was gebaseerd op het feit dat geen enkele koper verplicht was de preferenties van de intracommunautaire invoer te doen gelden, zodat het de betrokkenen vrijstond aan een transactie het rechtskarakter van uitvoer naar een derde land te verlenen, door geen certificaat D.D.4 aan te vragen. Deze opvatting is in overeenstemming met zin en doelstelling van verordening nr. 19 en heeft niemand ooit onrechtmatig voordeel kunnen verschaffen. Zij elimineert alle subjectieve aspecten en laat met name de kennis of bedoeling van de exporteurs met betrekking tot de verdere bestemming der waren buiten beschouwing.

c) De firma Rheinmühlen bestrijdt de conclusies die het Hessische Finanzgericht verbindt aan de aanwezigheid van bepaalde kostenclausules in enkele der litigieuze koopovereenkomsten. Zo duidt bij voorbeeld een clausule als „cif Antwerpen” ogenschijnlijk op uitvoer naar een Lid-Staat, doch men kan daaruit geen stellige conclusies trekken omtrent het land van bestemming, aangezien Antwerpen een uitvoerhaven is.

d) De eerste vraag van het Bundesfinanzhof ware derhalve te beantwoorden als volgt: „Van uitvoer naar een Lid-Staat is sprake, wanneer de waar rechtstreeks uit de uitvoerende Lid-Staat, zonder contact met een niet-Lid-Staat, of wel met een in de uitvoerende Lid-Staat afgegeven vrachtpapier zonder oponthoud in een derde land wordt vervoerd en de exporteur een certificaat goederenverkeer D.D.4 heeft aangevraagd en verkregen, ten einde dit ter beschikking te stellen van de importeur in de Lid-Staat van invoer voor diens aanspraak op de intracommunautaire preferenties. Is bij uitvoer uit een Lid-Staat niet aan deze voorwaarden voldaan, dan is er sprake van uitvoer naar derde landen.” Ook wanneer men zich met deze opvatting niet geheel kan verenigen, moet voor het onderscheid tussen intracommunautaire uitvoer en uitvoer naar derde landen toch in elk geval rekening gehouden worden met het volgende: In de graanhandel is het ongebruikelijk en onverstandig de koper te vragen wat hij voornemens is met de waren te doen. Doorgaans zal de koper zich niet willen binden. Derhalve kan slechts sprake zijn van uitvoer naar een Lid-Staat, wanneer vaststaat dat de waren in het vrije verkeer — niet slechts op het territoir — van de betrokken Lid-Staat zijn gebracht. Dit kan slechts worden vastgesteld met behulp van een officieel document en als zodanig komt slechts het door de invoerende Lid-Staat afgegeven douanecertificaat in aanmerking. Of de exporteur wist dat de waren uiteindelijk in een Lid-Staat zouden komen, doet niet ter zake, te meer nu dit niet met objectieve middelen kan worden bewezen. Overigens moet een verkoper uit het feit dat zijn koper afziet van het aanvragen van een certificaat D.D.4 en derhalve van het voordeel der gemeenschapspreferenties, wel afleiden dat de waren niet wederom in het vrije verkeer van een Lid-Staat worden gebracht. In ieder geval mag uitvoer naar een Lid-Staat alleen worden aangenomen, wanneer de waren in de zin van artikel 2 van de beschikking van 17 juli 1962„rechtstreeks” van de ene Lid-Staat naar de andere zijn vervoerd; ook hiervan waren de exporteurs uitgegaan. Bovendien kan iedere buiten de Gemeenschap gevestigde derde uit de ene Lid-Staat exporteren naar de andere Lid-Staat, door tegen de wereldmarkprijs uit het ene land uit te voeren en tegen de wereldmarktprijs in het andere in te voeren. Het zou een discriminatie zijn tegenover de exporteurs der Lid-Staten indien hun werd verhinderd hetzelfde te doen. Bij een transactie van de exporteur met zodanige derde is er dus eveneens sprake van „uitvoer naar derde landen”, wanneer de exporteur wist dat de derde de waren in een Lid-Staat had doorverkocht of zou doorverkopen. Anders zou het rechtskarakter van de transactie worden bepaald door het — nauwelijks bewijsbare — antwoord op de vraag, of de transactie tot stand was gekomen op initiatief van de oorspronkelijke exporteur dan wel van de derde.

e) De restitutieregeling van verordening nr. 19 had ten doel ook uitvoer uit Lid-Staten met een hoge graanprijs naar Lid-Staten met een lagere graanprijs en naar derde landen mogelijk te maken. Eerstgenoemde landen konden dan ook niet naar eigen goeddunken restituties weigeren of op een onevenredig laag bedrag stellen. Zulks te minder, omdat deze landen de hoogste heffingen mochten toepassen en van hen derhalve kon worden verlangd dat zij de voor de restituties benodigde middelen zouden opbrengen. Een nationale restitutieregeling waarbij de uitvoer van de ene Lid-Staat naar de andere wordt benadeeld ten gunste van uitvoer van derde landen naar deze Lid-Staat, is strijdig met verordening nr. 19. De Einfuhr- und Vorratsstelle betoogt dat verordening nr. 19 slechts betrekking had op de eerste fase van een gemeenschappelijke marktordening in de sector granen en dan ook uitsluitend de belangrijkste gebieden — heffingen en interventies — uniform had geregeld, en dat minder aandacht was geschonken aan het aspect van de uitvoer en derhalve van de restituties. Door de vaststelling van maximumrestituties had verordening nr. 19 uitsluitend een kader aangegeven, waarbinnen de Lid-Staten volledige vrijheid van handelen hadden. Nu de Staten naar eigen goeddunken restituties konden verlenen, mochten zij ook de voorwaarden hiervan vaststellen. In de gedachtengang van de communautaire wetgever hadden de restituties voornamelijk ten doel compensatie te bieden voor prijs- en concurrentienadelen, die belemmerend zouden kunnen werken op de uitvoer naar de Lid-Staten enerzijds en naar derde landen anderzijds. Daarom was het noodzakelijk deze beide vormen van uitvoer volgens objectieve criteria scherp te scheiden. De wens nationale produkten op de betrokken markten te kunnen laten concurreren, impliceert dat de produkten die markten ook bereiken. Derhalve was het niet voldoende dat de waar „met de objectieve gerichtheid op een Lid-Staat, respectie velijk derde land” over de grens werd gebracht; een dergelijk criterium zou fraude juist in de hand werken. Om dezelfde reden kan niet bepalend zijn dat de waar rechtstreeks of met een enkel vrachtpapier van de ene Lid-Staat naar de andere is vervoerd. Er waren maximumrestituties vastgesteld om storingen in het communautaire heffingsstelsel te voorkomen. Deze storingen zouden zich hebben voorgedaan indien waren, waarvoor de — hogere — restitutie voor derde landen was verleend, toch naar een Lid-Staat zouden zijn vervoerd. Daarom is de door de firma Rheinmühlen verdedigde extensieve interpretatie van het begrip „uitvoer naar derde landen” niet juist. Ten slotte doet niet ter zake of betrokkenen geen certificaat D.D.4 hebben aangevraagd. De beschikking van 17 juli 1962 heeft uitsluitend betrekking op heffingen, en niet op restituties. Bovendien komt het voor de heffing van belang zijnde feit van invoer niet noodzakelijkerwijs overeen met het voor de restitutie van belang zijnde feit van uitvoer, hetgeen reeds blijkt uit de omstandigheid dat de Lid-Staten destijds wel verplicht waren om heffingen op te leggen, doch niet om restituties te verlenen. Opmerkingen van de Commissie: Weliswaar heeft het begrip „uitvoer naar derde landen” een communautaire kern, doch de Gemeenschap heeft daarmede slechts een kader willen aangeven, waaraan de Lid-Staten naar eigen goeddunken inhoud konden geven. Met betrekking tot de draagwijdte van deze communautaire minimumbepalingen merkt de Commissie het volgende op: Het feit dat waren zonder certificaat D.D.4 zijn uitgevoerd, is op zichzelf niet voldoende om „uitvoer naar derde landen” te mogen aannemen. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de beschikking van 17 juli 1962 op grond van de artikelen 10 en 38 van het EEG-Verdrag genomen is en toepassing van de intracommunautaire heffing in de Lid-Staat van invoer mogelijk heeft willen maken; de EEG-bepalingen inzake de restitutie bij uitvoer zijn echter gebaseerd op artikel 43 van het Verdrag; dat de restitutie niet slechts het spiegelbeeld van de heffing is; dat de restitutie een middel is om het handelsverkeer te corrigeren, zodat het niet in het vermogen van de exporteurs kan liggen het rechtskarakter van de uitvoer te beïnvloeden door geen certificaat D.D.4 aan te vragen; dat het — anders dan Rheinmühlen meent — voor de betrokkenen in economisch opzicht niet op hetzelfde neerkomt, of de levering naar een Lid-Staat met certificaat D.D.4 plaatsvindt dan wel zonder dit certificaat als levering naar een derde land is aangegeven. Enerzijds blijkt uit het communautaire recht niet dat er alleen sprake is van „uitvoer naar derde landen”, wanneer kan worden bewezen dat de waren in derde landen zijn aangekomen (vraag 1, eerste alternatief, sub a, van het Bundesfinanzhof). Een dergelijke eis die in de praktijk tot grote moeilijkheden aanleiding zou hebben gegeven, mag niet via interpretatie onder de betrokken bepalingen worden gebracht, nu die daarover zwijgen. Bovendien volgt a contrario uit artikel 5, derde alinea, van verordening nr. 90 — op grond waarvan de Lid-Staten in het daar bedoelde geval de nodige maatregelen moeten treffen opdat de granen „inderdaad naar derde landen worden uitgevoerd” —, dat de Gemeenschap dit normaliter niet heeft willen eisen. Ten slotte geven reeds de bewoordingen van de Duitse tekst van verordening nr. 19 (Ausfuhr „nach” dritten Ländern, „nach” einem anderen Mitglied-staat), doch vooral de teksten in de drie andere talen („a destination de”, „vers”; „verso”; „naar”) aanleiding tot de veronderstelling dat het voldoende is dat de uitvoerhandeling op het betrokken land was gericht; ook de in de verordeningen nrs. 90 en 91 gebruikte term „bestemmingsland” schijnt daarop te wijzen. Dientengevolge mag beslist niet worden aangenomen dat het gemeenschapsrecht de strenge voorwaarden heeft gesteld, die het Bundesfinanzhof in zijn eerste vraag, eerste alternatief, sub b — e noemt. Anderzijds is het feit dat „de waren niet rechtstreeks van de ene Lid-Staat naar de andere worden vervoerd” (de eerste vraag van het Bundesfinanzhof sub b, in fine) niet voldoende om „uitvoer naar derde landen” te mogen aannemen; dit zou misbruik in de hand werken. Het litigieuze begrip moet derhalve worden opgevat in die zin „dat de feitelijke uitvoerhandeling moet zijn gericht op een derde land als land van bestemming”. Deze gerichtheid kan blijken uit de koopovereenkomst, de vrachtpapieren, doch ook uit alle andere stukken die de exporteur kan overleggen of die ambtshalve bekend zijn. Aangezien het de Lid-Staten vrijstond geen restituties te verlenen en zij de financiële last van de restituties destijds in hoofdzaak zelf hadden te dragen, mochten zij voor het verlenen van restituties materieel- en bewijsrechtelijk strengere eisen stellen dan die welke uit het gemeenschapsrecht voortvloeiden. Een extensieve uitlegging van het begrip „uitvoer naar derde landen”, waardoor de betrokkenen aan elke willekeurige uitvoertransactie dit karakter hadden kunnen geven, had weliswaar nauwelijks tot speculaties op een zo hoog mogelijke restitutie en een zo laag mogelijke heffing kunnen leiden, doch wel tot vervaging van het in het gemeenschapsrecht gemaakte onderscheid tussen intracommunautaire restituties en restituties voor uitvoer naar derde landen. In het algemeen moet voorts in aanmerking worden genomen dat de restituties uit communautair oogpunt destijds niet van groot belang waren. Aangezien de landen, waar toen hoge prijzen golden, in het algemeen ook een subsidieregeling kenden, hadden restituties bij uitvoer uit deze landen in feite weinig zin. De Gemeenschap heeft deze niettemin toegelaten om in zekere zin gelijke kansen te scheppen en de traditionele handelsstromen niet af te snijden.

##### 2. De tweede vraag

De firma Rheinmühlen betoogt dat verordening nr. 162/64 — waarbij de in verordening nr. 141/64 vastgestelde maximumrestituties tot bepaalde percentages worden verlaagd — ongeldig was. Deze verordening werkte slechts bij exporten uit Lid-Staten met hogere graanprijzen naar Lid-Staten met lagere prijzen; slechts bij zodanige exporten konden restituties worden verleend. De verordening benadeelde met name de exporteurs in de Bondsrepubliek Duitsland, waar de graanprijzen het hoogst waren. In de considerans van verordening nr. 162/64 wordt gesteld dat in de diverse Lid-Staten onderscheiden verwerkingsfactoren bestaan, waaruit prijsdistorsies zouden kunnen voortvloeien. Onder „verwerkingsfactor” moet worden verstaan de factor voor de berekening van de hoeveelheid onverwerkt basisprodukt die de producent gebruikt voor de produktie van bepaalde hoeveelheden verwerkt produkt. De Commissie is ervan uitgegaan dat de verwerkende industrieën in de diverse Lid-Staten minder rendabel werkten naarmate de graanprijzen aldaar lager waren. Deze veronderstelling is in strijd met de logica. Graanprijzen en verwerkingsfactoren zijn van elkaar onafhankelijke grootheden. De verschillen in prijsniveau vloeien voort uit de van land tot land verschillende produktiekosten in de landbouw, terwijl de hoogte van de verwerkingsfactoren afhankelijk is van de kwaliteit van de technische uitrusting en soortgelijke factoren. Indien de veronderstelling der Commissie tegen iedere verwachting echter in overeenstemming was met de feiten, had de Commissie die feiten naar voren moeten brengen en haar verordening dienovereenkomstig moeten motiveren; nu dit niet is geschied, is verordening nr. 162/64 in strijd met artikel 190 van het EEG-Verdrag.

Voorts houdt de verordening een discri minatie in van intracommunautaire exporten uit landen met hoge prijzen naar landen met lage prijzen, ten gunste van invoer uit derde landen. Wanneer — zoals de Commissie heeft aangenomen — de in verordening nr. 141/64 aangegeven uniforme verwerkingsfactor voor Lid-Staten met een laag prijsniveau inderdaad niet hoog genoeg was, had een behoefte aan extra bescherming van deze landen ook tegenover invoer uit derde landen moeten worden erkend en had het bedrag der heffing dienovereenkomstig moeten worden verhoogd. Nu dit niet is geschied, konden de importeurs in bedoelde Lid-Staten betrekkelijk goedkoop graanprodukten uit derde landen betrekken, terwijl verordening nr. 162/64 overeenkomstige importen uit Lid-Staten met een hoog prijsniveau aanzienlijk duurder en derhalve praktisch onmogelijk heeft gemaakt.

Ten slotte had de veronderstelling dat ondernemingen in landen met een laag prijsniveau minder rendabel werkten, logischerwijze moeten leiden tot verlaging van de intracommunautaire heffing ten gunste van deze ondernemingen, om hun de uitvoer naar landen met een hoog prijsniveau mogelijk te maken. Dit is echter niet geschied, hetgeen wederom een discriminatie is — ditmaal ten nadele van de zojuist genoemde ondernemingen.

De Einfuhr- und Vorratsstelle acht verordening nr. 162/64 geldig. Het stellen van maxima aan de restitutiebedragen is gerechtvaardigd. Tegen de forfaitaire beperking kan geen bezwaar worden gemaakt, aangezien de toepassing van de restitutieregelingen hierdoor werd vereenvoudigd. Het door het Bundesfinanzhof genoemde beginsel van gemeenschapspreferentie geldt alleen met betrekking tot invoer en mag niet worden toegepast op restituties. Voor het overige sluit de Einfuhr- und Vorratsstelle zich aan bij het betoog van de Commissie.

Ook de Commissie is van mening dat verordening nr. 162/64 geldig is. Zij is gericht op het in verordening nr. 141/64 aangegeven doel prijsdistorsies te voorkomen die inderdaad hadden kunnen voortvloeien uit de verschillen in de verwerkingsfactoren tussen de afzonderlijke Lid-Staten, terwijl in verordening nr. 141/64 uniforme verwerkingsfactoren zijn vastgesteld. De juridische bedenkingen zijn dus in werkelijkheid gericht tegen verordening nr. 141/64. Ook deze verordening is echter in overeenstemming met het Verdrag, dat niet verbiedt restituties in het intracommunautaire handelsverkeer aan strengere voorwaarden te onderwerpen dan restituties voor uitvoer naar derde landen. Bovendien sloot de verlaging van de maximumrestitutiebedragen logischerwijs aan op de verdere ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt, die gericht was op de afschaffing van iedere restitutie in het intracommunautaire handelsverkeer.

Bij de vaststelling van verordening nr. 162/64 heeft de Commissie zich niet op het — stellig onjuiste — standpunt gesteld dat alleen in landen met een laag prijsniveau onrendabele bedrijven bestonden. De verordening wilde veeleer alle onrendabele bedrijven gedurende de overgangstijd beschermen tegen de prijsdruk van beter concurrerende bedrijven uit andere Lid-Staten. Het hiervoor gekozen middel was gerechtvaardigd. Andere maatregelen waarmee hetzelfde doel had kunnen worden bereikt, zouden voor de betrokkenen nadeliger zijn geweest. Zo zou een verhoging van het vaste element der heffing de intracommunautaire handel zwaarder hebben getroffen; een verlaging van de verwerkingscoëfficiënten, dus ook van de maximumrestitutiebedragen voor de gehele Gemeenschap, zou het concurrentievermogen van de exporteurs in de Gemeenschap tegenover derde landen nadelig hebben beïnvloed; een staffeling van deze coëfficiënten per Lid-Staat was juist om de door de firma Rheinmühlen genoemde redenen niet aanvaardbaar.

De litigieuze regeling heeft niet geleid tot een discriminatie ten gunste van de invoer uit derde landen, aangezien deze invoer was onderworpen aan de heffing voor derde landen, berekend op basis der niet-verlaagde standaardverwerkingsfactoren. Bovendien bleef het vaste element der heffing voor de invoer uit derde landen in volle omvang bestaan, terwijl dit in het intracommunautaire handelsverkeer met de geleidelijke verwezenlijking van de marktordening werd verlaagd.

In deze opvatting kan niet worden gesteld dat verordening nr. 162/64 onvoldoende is gemotiveerd.

##### 3. De derde vraag

Betrokkenen zijn het erover eens dat het begrip „uitvoer naar derde landen” in verordening nr. 164/64 dezelfde betekenis heeft als in verordening nr. 19. De firma Rheinmühlen wijst er echter op dat op de derde vraag niet behoeft te worden ingegaan, aangezien de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Einfuhr- und Vorratsstelle en de Commissie merken op dat de Lid-Staten ook in het kader van verordening nr. 164/64 bevoegd waren dit begrip concrete inhoud te geven.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat het Bundesfinanzhof bij beschikking van 15 december 1970, ingekomen ter griffie van het Hof op 3 maart 1971, het Hof een aantal vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van verordening nr. 19 van de Raad en verordening nr. 164/64/EEG van de Commissie en inzake de geldigheid van verordening nr. 162/64/EEG van de Commissie;

#### Ten aanzien van de eerste vraag

2.

Overwegende dat aan het Hof in de eerste plaats wordt gevraagd het begrip „uitvoer naar derde landen” in artikel 20, lid 2, van verordening nr. 19 uit te leggen en met name af te bakenen ten opzichte van het begrip „uitvoer naar (een andere Lid-Staat)” in artikel 19, lid 2, sub a, van dezelfde verordening;

dat met name aan het Hof wordt verzocht uit te spreken of bij de uitlegging van eerstgenoemd begrip rekening moet worden gehouden met bepaalde in de vraag opgesomde criteria dan wel met andere, door het Hof aan te geven criteria;

3.

1.Overwegende dat de aangehaalde bepalingen, ten tijde van de litigieuze handelsverrichtingen, de basisregeling bij granen vormden voor de restitutie die hetzij bij „uitvoer naar een andere Lid-Staat”, hetzij bij „uitvoer naar derde landen” kon worden verleend;

dat het in dit geding gaat om de vraag, of bepaalde door verzoekster in het hoofdgeding verrichte exporten hebben plaatsgevonden naar derde landen — en derhalve in aanmerking konden komen voor de daarvoor geldende restitutie — of, zoals verweerster in het hoofdgeding meent, naar een andere Lid-Staat;

4.

2.Overwegende dat in verordening nr. 19 en de ter uitvoering daarvan getroffen maatregelen andere voorwaarden zijn gesteld aan de intracommunautaire restitutie dan aan de restitutie derde landen, wat betreft de verlening en het maximumbedrag;

dat dit met name blijkt bij vergelijking van artikel 19, lid 2, met artikel 20, lid 2, van verordening nr. 19, evenals bij vergelijking van verordening nr. 162/64 met verordening nr. 164/64;

dat het aldus gemaakte onderscheid tussen de beide restitutieregelingen genoegzaam aantoont dat de onderscheiding tussen uitvoer naar derde landen en uitvoer naar de Lid-Staten een communautaire betekenis heeft, zodat de Lid-Staten bij de uitwerking daarvan niet over een onbeperkte beoordelingsvrijheid beschikken;

5.

Overwegende dat volgens de bewoordingen van de artikelen 20 en 19 van verordening nr. 19 restitutie „kan” worden verleend bij uitvoer „naar derde landen” respectievelijk „naar een andere Lid-Staat”;

dat het de Lid-Staten derhalve vrij stond in het geheel geen restitutie te verlenen, welke vrijheid a fortiori de bevoegdheid inhield de in de Gemeenschapsverordeningen vervatte voorwaarden voor de toekenning van de restitutie uit te breiden;

6.

dat mitsdien, om het even welke criteria bepalend waren voor uitvoer naar derde landen in de zin van verordening nr. 19, het voldoen aan deze criteria slechts de noodzakelijke, doch niet de toereikende voorwaarde vormde voor het verlenen van restituties;

dat uitvoer naar derde landen in de zin van verordening nr. 19 dan ook niet tegen een Lid-Staat kan worden aangevoerd om deze Staat te dwingen gebruik te maken van de hem in deze verordening verleende bevoegdheid;

7.

Overwegende dat zowel uit de bepalingen als uit de considerans van verordening nr. 19 blijkt dat de daar genoemde restituties ten doel hadden de prijsverschillen tussen de betrokken markten te overbruggen;

dat daaruit volgt dat „uitvoer naar derde landen” in de zin van deze verordening veronderstelt dat de waar op de markt van een derde staat in de handel, dat wil zeggen daar althans in het vrije verkeer was gebracht;

dat een Lid-Staat evenwel, zonder verordening nr. 19 te miskennen, dit communautaire minimumvereiste kon uitbreiden met de verplichting aan te tonen dat de waar in het land van bestemming was „gebruikt, verbruikt, bewerkt of verwerkt”;

8. Overwegende met betrekking tot de middelen dienende tot het bewijs van uitvoer naar een derde land, dat het aan de Lid-Staten stond deze autonoom te regelen, met dien verstande evenwel dat zij geen genoegen mochten nemen met ontoereikende aanwijzingen;

9.

dat het niet mogelijk is uitputtend aan te geven welke aanwijzingen als toereikend konden worden beschouwd, aangezien de relevantie van elke aanwijzing grotendeels afhing van de feitelijke omstandigheden van het geval en vooral van alle beschikbare aanwijzingen te zamen;

dat echter moet worden vastgesteld dat de nationale autoriteiten, ten einde niet openlijk misbruik uit de lokken, „uitvoer naar derde landen” niet uitsluitend mochten aannemen op grond van het enkele feit dat de waar niet vergezeld was van een certificaat D.D.4, of van het enkele feit dat de waar niet rechtstreeks van de ene Lid-Staat naar de andere was vervoerd (eerste vraag, tweede alternatief, sub a en b);

10.

dat met betrekking tot het certificaat D.D.4, dat overigens krachtens de beschikking van de Commissie van 17 juli 1962 dient ten bewijze van de herkomst van het ingevoerde produkt en niet van de bestemming van het uitgevoerde produkt, is gesteld dat de importeurs in de Lid-Staten er belang bij zouden hebben gehad niet de heffing derde landen maar de hogere communautaire heffing op zich te zien toegepast, en dat zij dan ook uitsluitend zouden hebben afgezien van een certificaat D.D.4 in de gevallen, waarin zij — bij bestemming van de waar voor een derde land — slechts als doorvoerhandelaren wilden optreden;

dat deze redenering faalt, omdat men niet mag uitsluiten dat het door de importeur geleden verlies wegens toepassing van de heffing derde landen in bepaalde gevallen ruimschoots kon worden gecompenseerd door de mogelijkheid voor de exporteur om dank zij de restitutie derde landen lagere prijzen te berekenen dan hij had kunnen doen indien deze restitutie hem niet was verleend;

11. dat met betrekking tot het criterium van het niet-rechtstreeks vervoer slechts zij gewezen op het geval dat produkten uit Duitsland naar Italië, of omgekeerd, worden geëxporteerd en dikwijls door Oostenrijk of Zwitserland worden vervoerd, zonder dat deze omstandigheid die verband houdt met de geografische ligging der betrokken staten, aan die transacties het karakter van uitvoer naar derde landen kan verlenen;

#### Ten aanzien van de tweede vraag

12. Overwegende dat het Bundesfinanzhof in de tweede plaats vraagt of verordening nr. 162/64 van de Commissie ongeldig is, omdat daarin de restituties in de handel tussen de Lid-Staten forfaitair zijn beperkt tot bepaalde percentages van de krachtens verordening nr. 141/64 toegelaten restitutiebedragen, terwijl volgens verordening nr. 164/64 een dergelijke beperking niet gold voor restituties, verleend in de handel met derde landen;

13. Overwegende dat volgens de bewoordingen van de vraag en de overwegingen van de verwijzingsbeschikking de ongeldigheid van verordening nr. 162/64 zou kunnen voortvloeien uit het feit dat daarin ten nadele van de handel tussen de Lid-Staten wordt gediscrimineerd, dan wel het beginsel van de communautaire preferentie wordt miskend;

14.

1.Overwegende dat de non-discriminatieregel slechts wordt geschonden, indien is komen vast te staan dat de communautaire wetgever vergelijkbare situaties op verschillende wijze heeft geregeld;

dat de vergelijkbaarheid van de intracommunautaire restituties enerzijds en de „restituties derde landen” anderzijds moet worden beoordeeld aan de hand van de doelstellingen van de communautaire landbouwregeling;

15.

Overwegende dat luidens artikel 3, sub d, van het Verdrag de activiteit van de Gemeenschap omvat „het totstandbrengen van een gemeenschappelijk beleid op het gebied van de landbouw”, welk beleid de Lid-Staten ingevolge artikel 40 van het Verdrag „tijdens de overgangsperiode geleidelijk moeten ontwikkelen en uiterlijk aan het einde van de periode tot stand moeten brengen”, waartoe de laatstgenoemde bepaling in „een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten” voorziet;

dat, overeenkomstig deze doelstellingen, verordening nr. 19 blijkens haar opschrift strekte tot de „geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen”;

16.

dat de geleidelijke verlaging van de intracommunautaire restituties geheel paste in het kader van de „geleidelijke totstandbrenging” van een dergelijke ordening, hetgeen niet geldt voor de uitvoer naar derde landen;

dat de beide soorten restituties derhalve niet met elkaar zijn te vergelijken, zodat de verlaging van het maximumbedrag der intracommunautaire restitutie bij verordening nr. 162/64 geen discriminatie oplevert;

17.

2.Overwegende met betrekking tot het beginsel van de communautaire preferentie dat inderdaad volgens de negende overweging van verordening nr. 19 „het in te voeren stelsel de mogelijkheid moet bieden de ten gunste van de Lid-Staten uit de toepassing van het Verdrag voortvloeiende preferentie te handhaven”;

dat evenwel uit het redeverband blijkt dat deze doelstellingen in de toenmalige marktsituatie hoofdzakelijk betrekking hadden op invoerverrichtingen;

dat voornoemde overweging niet uitsloot dat onder die omstandigheden aan de uitvoer naar andere Lid-Staten dezelfde of zelfs minder gunstige voorwaarden werden gesteld dan aan de uitvoer naar derde landen;

18. Overwegende dat bij onderzoek van de door het Bundesfinanzhof gestelde vraag derhalve niet is gebleken van gegronde bezwaren tegen die geldigheid van verordening nr. 162/64;

#### Ten aanzien van de derde vraag

19. Overwegende dat het Bundesfinanzhof het Hof in de derde plaats vraagt uit te spreken of „de feitelijke voorwaarden waaronder, gezien de in verordening nr. 162/64/EEG vervatte beperking van de restitutie tussen de Lid-Staten en het daarmede beoogde doel (bescherming van de handel tussen de Lid-Staten en van de markten der invoerende Lid-Staten tegen prijsdistorsie), van uitvoer naar derde landen in de zin van verordening nr. 164/ 64 kan worden gesproken anders (nl. anders dan in verordening nr. 19), met name in engere zin, moeten worden uitgelegd — en tegenover het begrip, uitvoer naar de Lid-Staten' afgebakend — dan in de gevallen in vraag 1 bedoeld”;

20.

Overwegende dat in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 164/64 sprake is van „handelsverkeer met derde landen”, waarbij regels worden gegeven voor de restitutie welke in dit handelsverkeer „kan worden toegekend bij uitvoer van de in verordening nr. 141/64/EEG bedoelde produkten”;

dat de term „handelsverkeer met derde landen” hier dus wordt gebruikt als synoniem voor de term „uitvoer naar derde landen”, welke overigens in het opschrift van verordening nr. 164/64 voorkomt;

21. Overwegende dat deze verordening, die uitsluitend van toepassing is op „restituties derde landen”, moet worden uitgelegd aan de hand van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 19, die de voornaamste grondslag daarvan vormt en hoger in rang is;

22.

dat deze bepaling weliswaar voorziet in het nemen van uitvoeringsmaatregelen betreffende de voorwaarden voor de toekenning — en de vaststelling van het bedrag — der restituties, doch geen enkel element bevat op grond waarvan mag worden aangenomen dat de auteurs van deze maatregelen de bevoegdheid hadden aan de term „uitvoer naar derde landen”, zelfs voor een deelgebied, een andere betekenis te geven dan die in artikel 20;

dat anderzijds, zelfs wanneer een dergelijke bevoegdheid mocht worden aangenomen, daarvan toch nooit gebruik is gemaakt;

23. dat deze conclusie nog wordt geschraagd door het feit dat de term „uitvoer naar een andere Lid-Staat” in geen enkele, op grond van verordening nr. 19 vastgestelde tekst op enige wijze is omschreven;

24. dat derhalve moet worden aangenomen dat deze term in verordening nr. 164/ 64 dezelfde betekenis heeft als in verordening nr. 19;

#### Ten aanzien van de kosten

25. Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen en dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

Gezien de stukken;

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof van de Bondsrepubliek Duitsland bij beschikking van 15 december 1970 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Ten aanzien van de eerste vraag:

1\. De term „uitvoer naar derde landen” in de zin van artikel 20 van verordening nr. 19 van de Raad van 4 april 1962, veronderstelde ten minste dat de waar in een derde staat in het vrije verkeer was of zou worden gebracht;

2\. Het stond de Lid-Staten vrij daarenboven te eisen dat de waar in die staat was of zou worden gebruikt of verbruikt, bewerkt of verwerkt;

3\. Het stond aan de Lid-Staten autonoom een regeling te treffen inzake de middelen dienende tot het bewijs van uitvoer naar een derde land, met dien verstande evenwel dat zij geen genoegen mochten nemen met ontoereikende aanwijzingen, met name niet met het enkele feit dat de waar niet vergezeld was van een certificaat D.D.4 of niet rechtstreeks van de ene Lid-Staat naar de andere was vervoerd;

Ten aanzien van de tweede vraag:

Bij onderzoek van de door het Bundesfinanzhof gestelde vraag is niet gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordening nr. 162/64/EEG van de Commissie van 29 oktober 1964;

Ten aanzien van de derde vraag:

De in verordening nr. 164/64/EEG van de Commissie van 29 oktober 1964 gebezigde term „handelsverkeer met derde landen” heeft in deze verordening dezelfde betekenis als de term „uitvoer naar derde landen” in de zin van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 19.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

8

EEG-Verdrag art. 10 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 190 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 38 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 43 1 voorkomen

verordening 141/64 art. 14 1 voorkomen

verordening 162/64 art. 19 1 voorkomen

verordening 164/64 art. 1 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Tesauro C-408/95 27.05.1997

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 28duodecies, richtlijn 92/12 art. 28](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-408-95-conclusie)
