---
title: "HvJ EU, 57/69, Azienda Colori Nazionali - ACNA S.p.A, arrest van 14 juli 1972 · EEG-Verdrag art. 85 en art. 173"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 juli 1972, 57/69, Azienda Colori Nazionali - ACNA S.p.A: EEG-Verdrag art. 85 en art. 173."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-57-69-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-57-69-arret"
---

# Arrest van het Hof van 14 juli 1972, 57/69, Azienda Colori Nazionali - ACNA S.p.A · EEG-Verdrag art. 85 en art. 173

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

57/69

**ECLI**

ECLI:EU:C:1972:78

**Datum**

14 juli 1972

## De zaak

**Zaak ingediend op**

6 oktober 1969

**Advocaat-generaal**

Mayras

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1972, blz. 933

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Trabucchi

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Bronnen van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01) [Algemene rechtsbeginselen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02) [Rechtszekerheid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.05) 33 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Mededinging](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07%2C578-4.08)

  - [Algemeen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.00) Begrip mededinging
  - [Mededingingsregelingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.01%2C578-4.08.01) [Verbod van mededingingsregelingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.01.01) [Overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen \* Overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.01.01.01) 12 beslissingen
  - [Toepassing van de mededingingsregels](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.03%2C578-4.08.03) [Procedure voor de toepassing van de mededingingsregels door de Commissie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.03.02%2C578-4.08.03.02)

    - [Boeten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.03.02.09) 7 beslissingen
    - [Horen van belanghebbenden en derden / Toegang tot dossier](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.03.02.06) 9 beslissingen

## Tekst

166 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

#### I — Overzicht van de feiten

Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten kunnen worden samengevat als volgt:

In een brief van 19 augustus 1964 deelde de Commissie aan de vennootschap ACNA mede dat zij kennis had genomen van het feit dat deze vennootschap aan het begin van het jaar op de Italiaanse, Belgische en Nederlandse markt de prijzen van kleurstoffen voor de leerlooierij had verhoogd. Erop wijzende dat andere kleurstoffenfabrikanten in de EEG zich op overeenkomstige wijze hadden gedragen, heeft de Commissie met een beroep op artikel 11 van's Raads verordening nr. 17 de betrokken onderneming om een aantal inlichtingen gevraagd. In de brief der Commissie werd medegedeeld dat dit verzoek werd gedaan „in verband met de vraag of er termen aanwezig ziin een procedure volgens artikel 85 van het Verdrag van Rome in te leiden”. De Commissie verzocht de onderneming onder meer te verklaren of de door haar in Italië, België en Nederland toegepaste prijsverhoging van 15 % voor kleurstoffen ten behoeve van de leerlooierij een uitvloeisel was van een overeenkomst tussen de verschillende fabrikanten, een gezamenlijk besluit of een onderling afgestemde gedraging, en voorts om welke redenen zij voor in Frankrijk en Duitsland verkochte kleurstoffen niet tot een dergelijke verhoging was overgegaan.

In haar antwoordbrief van 16 september 1964 merkte ACNA onder meer op, dat de prijsverhogingen van kleurstoffen bestemd voor de leerlooierij naar typen, hoeveelheden en andere op de markt spelende factoren waren gedifferentieerd en dat de verschillende ontwikkeling der prijzen in de onderscheiden landen met de aldaar bestaande objectieve marktomstandigheden verband hield: de verhoging strekte tot aanpassing van de prijzen aan de gestegen kosten.

In een brief van 26 mei 1965 kondigde de Directeur-generaal Concurrentie van de Commissie ACNA het bezoek aan van twee ambtenaren van de Gemeenschap die belast waren met het inwinnen van nadere gegevens en opheldering nopens de vragen die tot het verzoek om inlichtingen — en ACNA's antwoord — aanleiding hadden gegeven. Dit bezoek vond plaats op 11 juni 1965.

Bij brief van 11 december 1967 deelde de Commissie ACNA mede, dat zij had besloten ambtshalve een procedure krachtens artikel 3 van 's Raads verordening nr. 17 in te leiden wegens schending van artikel 85 van het Verdrag, en wel zulks tegen de ondernemingen die hadden deelgenomen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging tot vaststelling van de prijzen binnen de EEG in de sector kleurstoffen — aan welke afstemming haars inziens ook door ACNA was deelgenomen —. In deze brief werden de voornaamste feiten waarop de Commissie haar mening baseerde, uiteengezet. Zij verweet ACNA met andere ondernemingen te hebben deelgenomen aan de onderling afgestemde feitelijke gedraging — te weten vaststelling van de prijzen der anilinekleurstoffen —, die in 1964, 1965 en 1967 tot prijsverhogingen had geleid.

ACNA heeft de Commissie geantwoord in een brief van 28 februari 1968, waarin zij de tegen haar gerichte grieven van de hand wees.

Ambtenaren van de Commissie brachten in het begin van 1968 een bezoek aan agenten van ACNA in België, Frankrijk en Nederland en op 14 februari van dat zelfde jaar opnieuw aan ACNA's kantoor te Milaan. Bij beschikking van 24 juli 1969 nam de Commissie er weliswaar akte van dat ACNA haar prijzen in Italië in 1965 niet had verhoogd, dat zij in België eerst later tot toepassing van de prijsverhogingen van 1967 was overgegaan en voorts door haar gedragslijn de prijsverhoging die in 1967 door de andere fabrikanten op de Italiaanse markt was beoogd, had verijdeld; nochtans legde zij aan ACNA een geldboete van 40000 rekeneenheden op wegens haar deelneming aan de afspraak der kleurstoffenfabrikanten binnen de gemeenschapplijke markt.

Tegen deze beschikking kwam ACNA overeenkomstig artikel 173 van het EEG-Verdrag en artikel 17 van 's Raads verordening nr. 17/62 in beroep; het beroepschrift is op 6 oktober 1969 ter griffie van het Hof gedeponeerd.

#### II — Conclusies van partijen

Overwegende dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift heeft geconcludeerd dat het den Hove behage:

de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1969 ten aanzien van verzoekster te vernietigen;

— subsidiair: met wijziging dier beschikking de opgelegde geldboete in te trekken of tot juiste proporties terug te brengen met veroordeling van verweerster in de kosten van het geding.”

Overwegende dat verweerster in haar verweerschrift heeft geconcludeerd dat het den Hove behage:

het beroep ongegrond te verklaren;

— verzoekster in de kosten van het geding te veroordelen.”

#### III — Middelen en argumenten van partijen

Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

##### A — Preliminaire grieven

###### 1. Verjaring van de vervolgde overtreding voor zover de prijsverhogingen van 1964 betreffende

Verzoekster betoogt, dat het tijdvak dat tussen de dag van bedoelde overtreding (januari 1964) en de eerste handeling der Commissie die de verjaring stuitte (de mededeling van 11 december 1967) is verlopen, langer is geweest dan alle termijnen voorzien in de nationale wettelijke regelingen die bij gebreke van een specifieke gemeenschapsrechtelijke bepaling redelijkerwijze in de Gemeenschappen kunnen worden toegepast. Dit tijdvak overschrijdt met name ruimschoots de termijn van 18 maanden die de Italiaanse wet kent voor de verjaring van overtredingen waarop geldboete is gesteld (Codice penale, artikel 157, nr. 6).

Verweerster merkt op, dat wanneer in verordening nr. 17 geen enkele bepaling betreffende de verjaring voorkomt, zulks wil zeggen dat de Commissie in het raam van haar bevoegdheden en onder voorbehoud van door het Hof uit te oefenen rechterlijk toezicht haar vrijheid heeft behouden om, naar gelang van de behoeften der praktijk, zelf de termijn voor het constateren van overtredingen te bepalen. Een feitelijke verklaring voor deze vrijheid is te vinden in de zorg om, althans bij het begin van de uitoefening van haar controle op de toepassing van de mededingingsregelen, de Commissie niet aan tevoren vastgestelde termijnen te binden.

Met betrekking tot de toepasselijkheid van de verjaringstermijn die uit de gezamenlijke nationale voorschriften kan worden afgeleid, maakt verweerster het bezwaar, dat de wettelijke regelingen der Lid-Staten aanzienlijk verschillen wat betreft de kwalificatie der strafbare feiten, de daarop gestelde sancties, de verjaringstermijnen en de feiten die tot stuiting en schorsing van de verjaring kunnen leiden.

Het enig gemeenschappelijk criterium van de nationale wettelijke regelingen is het beginsel van de verjaring van strafbare feiten. Daarom moet in hoofdzaak rekening worden gehouden met de eisen van het Gemeenschapsrecht en met de aard en doelstellingen van de mededingingsregelen in het stelsel van het EEG-Verdrag.

Verweerster betoogt, dat ook wanneer men verzoeksters prijsverhoging van 1964 op zichzelf beziet, de verjaringstermijn door de Commissie meermalen is gestuit, hetzij door het krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 in de loop van hetzelfde jaar 1964 tot ACNA gerichte verzoek om inlichtingen, hetzij door de controles die daartoe aangewezen ambtenaren der Commissie in juni 1965 hebben verricht. Die controles waren wel degelijk „instructie- en vervolgingshandelingen”, die volgens de wetgeving van drie Lid-Staten de verjaring stuiten. Ten slotte is deze termijn op 31 mei 1967 andermaal gestuit door het besluit tot inleiding van de procedure tot vaststelling van een overtreding. Het langste tijdsverloop — tussen de controles van juni 1965 en het besluit van mei 1967 — was korter dan twee jaar. Verweerster meent dat deze tijdsspanne, gezien de aan deze kwestie verbonden praktische en juridische moeilijkheden, niet kan worden geacht ten aanzien van complexe overtredingen der Gemeenschapsregelen tot verjaring te hebben geleid.

Verzoekster betwist het standpunt der Commissie inzake haar discretionaire bevoegdheden ten aanzien van de verjaring; het zou tot onherstelbare schade leiden voor de nodige zekerheid der rechtsbetrekkingen en rechtsposities, waardoor één der rechtsgrondslagen van de communautaire rechtsorde zonder meer zou worden ondergraven. Zolang er ter oplossing van deze kwestie geen regels zijn gegeven, moet worden te rade gegaan met de beginselen en criteria die aan de wettelijke regelingen der Lid-Staten gemeen zijn. Verzoekster meent dat in casu moet worden gewerkt met de termijn van 18 maanden die de Italiaanse wet kent bij, overtredingen waarop alleen boete is gesteld. Toepassing van deze termijn — de kortste van de termijnen die in de nationale wettelijke regelingen zijn voorzien — ware in overeenstemming met het beginsel dat in geval van twijfel de voor de verdachte meest gunstige oplossing moet worden aanvaard. Aldus kunnen, wat de Italiaanse ondernemingen betreft, tevens moeilijkheden in verband met het nationale constitutionele recht worden vermeden.

Verweerster doet zeggen voor repliek dat de strafwet naar haar aard generlei analogische uitbreiding gedoogt en dat de Commissie als passief verjaringssubject buiten de Italiaanse rechtsorde staat; dat het transponeren van tot die orde behorende rechtsregels naar het communautaire systeem, zoals door verzoekster voorgesteld, in strijd ware met de strenge uitlegging die op het stuk der verjaring geboden is; en ten slotte dat de kortste verjaringstermijn die in aanmerking zou kunnen worden genomen, in ieder geval langer zou moeten zijn dan de termijn van 3 jaren, zoals die voorzien is in de Lid-Staten met een kartelwetgeving.

Subsidiair betoogt verzoekster dat in casu ook de termijn van 3 jaren, die in de Belgische en Duitse wetgeving is voorzien, mocht men die willen toepassen, is verstreken, omdat verzoekster eerst op 11 december 1967 mededeling heeft ontvangen van het besluit tot inleiding van de procedure, dat wil zeggen meer dan 3 jaar na de feiten die dateren van januari 1964. Noch het verzoek om inlichtingen van augustus 1964 noch het bezoek dat ambtenaren der Commissie in de maand juni 1965 aan verzoeksters kantoor hebben gebracht, konden de verjaringstermijnen stuiten, omdat het geen formele besluiten zijn, zoals die in het kader ener volgens de voorschriften tegen verzoekster aangespannen procedure worden genomen. Deze maatregelen behelsden slechts een eenvoudig voorafgaand onderzoek ter vaststellling of er, om een overtreding te constateren, een formele procedure moest worden ingeleid. Bovendien waren deze maatregelen geen eigenlijke Commissie-besluiten, immers zij zijn uitgegaan van het Directoraat-generaal Concurrentie, zonder dat de gezamenlijke leden der Commissie te dien aanzien ooit enig initiatief hebben genomen. In de brief van mei 1965 wordt niet vermeld dat tot het aangekondigd bezoek was besloten ingevolge artikel 14 van verordening nr. 17/62.

Verweerster brengt hiertegen in dat de brief van 19 augustus 1964 aan ACNA een formele mededeling, volgens artikel 11 van verordening nr. 17, behelst. De bij brief van 26 mei 1965 aangekondigde verificaties zijn verricht overeenkomstig artikel 14 van die zelfde verordening, ook al werd in die brief niet uitdrukkelijk naar dit artikel verwezen. De betrokken besluiten, die zijn ondertekend door de Directeur-generaal Concurrentie — aan wie de Commissie desbetreffende bevoegdheden had gedelegeerd —, zijn rechtens van deze instelling uitgegaan. En daarom moet het ervoor worden gehouden dat de betrokken maatregelen de verjaring hebben kunnen stuiten.

###### 2. Schending van wezenlijke vormvoorschriften in de procedure tot vaststelling van overtredingen, bedoeld in artikel 85 van het Verdrag

Verzoekster betoogt dat de Commissie de procedurevoorschriften van verordening nr. 17 heeft geschonden door haar de mededeling van de punten van bezwaar te doen geworden gelijktijdig met de mededeling betreffende de inleiding der procedure tot vaststelling van een overtreding, door na de mededeling van de punten van bezwaar tot instructiemaatregelen over te gaan en ten slotte door de punten van bezwaar nopens het gedrag van verzoekster — op zichzelf beschouwd — niet met bewijzen te staven. Deze fouten vinden hun weerslag in de eindbeschikking, waaraan immers meermalen feiten of stellingen ten grondslag zijn gelegd die tevoren niet ter kennis van verzoekster waren gebracht, zodat haar recht op verweer is geschonden. Voorts hebben een aantal in de bestreden beschikking voorkomende opmerkingen betrekking op slechts enkele van de ondernemingen die aan de beweerde onderling afgestemde gedraging hadden deelgenomen, zonder dat de ondernemingen waaraan de Commissie nu juist bedoelde feiten wilde verwijten, met behulp van de context der beschikking kunnen worden geïdentificeerd. Aldus heeft verweerster haar specifieke mededelingsplicht geschonden, hetgeen op omkering van de bewijslast neerkomt.

Met name merkt verzoekster in verband met het feit dat de Commissie heeft gemeend te mogen concluderen dat de aan de dochtermaatschappijen uitdrukkelijk opgelegde verplichting de afgifte van geantidateerde rekeningen te weigeren het bewijs zou opleveren dat de prijsverhogingen onderling waren afgestemd, op dat bedoelde weigering in de lijn ligt van een door haar steeds gevoerde correcte handelspraktijk.

Verweerster merkt vooraf op, dat de procedurevoorschriften der krachtens artikel 87 van het EEG-Verdrag vastgestelde verordeningen niet zijn te beschouwen als „op de uitvoering van het Verdrag betrekking hebbende rechtsregels”, zodat schending ervan niet noodzakelijkerwijze schending oplevert van wezenlijke vormvoorschriften als bedoeld in artikel 173.

Verweerster merkt voorts op, dat geen enkel communautair rechtsvoorschrift haar verplicht tot een chronologische en materiële splitsing tussen de mededeling van het besluit tot inleiding van een procedure ter vaststelling ener overtreding en de mededeling van de punten van bezwaar. Door één enkele mededeling wordt bovendien aan de rechten van de verdediging geenszins afbreuk gedaan.

De verificaties die na de mededeling van de punten van bezwaar zijn verricht, hadden ten doel de juistheid na te gaan der ingevolge deze mededeling afgelegde verklaringen. In de bestreden beschikking zijn geen andere feiten in aanmerking genomen dan in de mededeling van 11 december 1967 waren gewraakt. En dat de beschikking op sommige punten alleen enkele van de betrokken ondernemingen betreft, doet niet af aan de voorwaarden waarop de beschikking ten aanzien van de verschillende adressaten moet berusten.

Verzoekster zegt voor repliek, dat de mededeling van de punten van bezwaar geen volledig inzicht geeft in de documentatie waarvan de Commissie bij haar beschikking tot vervolging is uitgegaan, zodat zij zich over de bezwaren geen behoorlijk oordeel heeft kunnen vormen en ook niet met volkomen zekerheid heeft kunnen vaststellen, dat de bestreden beschikking niet op latere documenten of feiten was gebaseerd.

Met de bezoeken die na de mededeling hebben plaatsgehad, kon niet zijn bedoeld verzoeksters na die mededeling gedane verklaringen te controleren; zij hebben namelijk plaatsgevonden voordat verzoekster had geantwoord.

Dat de Commissie heeft gemeend ten aanzien van tien vennootschappen een gezamenlijke beschikking te moeten nemen, was een kwestie van besluitvormingstechniek en doet aan de geldigheid van die beschikking niet af; het middel dat de Commissie haar heeft gemotiveerd met een beroep op bepaalde omstandigheden die niet speciaal verzoekster betroffen, blijft dan ook van kracht.

Verweerster zegt voor repliek, dat aan de verificaties die in artikel 14 van verordening nr. 17 zijn voorzien geen enkele tijdsbeperking is gesteld. Hoewel zij normaliter aan de mededeling van de punten van bezwaar voorafgaan, kunnen zij zeer wel na die mededeling geschieden, hetzij om de juistheid van de verklaringen der betrokkenen na te gaan, hetzij een onderzoek in te stellen naar latere overtredingen waaraan, zodra zij zijn vastgesteld, een mededeling ad hoc wordt gewijd. Het gaat er alleen maar om dat de eindbeschikking uitsluitend berust op omstandigheden waarvan belanghebbenden door de mededeling van de punten van bezwaar vooraf in kennis zijn gesteld — zoals hier het geval is —. Ten slotte merkt verweerster op dat wanneer verzoekster wil beweren dat de eindbeschikking berust op documenten die na de mededeling van de punten van bezwaar bij de Commissie zijn ingekomen, het aan haar staat zulks te bewijzen.

##### B — Ten principale

###### 1. Schending van artikel 85 van het Verdrag en van de beginselen en regelen van's Raads verordening nr. 17/62

Verzoekster betoogt allereerst, dat de Commissie niet aan haar bewijslast heeft voldaan: zij heeft ten laste van ACNA geen enkel geldig bewijs geleverd. Zelfs na te hebben erkend dat zij een materiële fout had begaan door verzoekster te rekenen tot de ondernemingen die hun prijzen in januari 1965 wèl hadden verhoogd, is zij niettemin ACNA blijven behandelen als alle andere ondernemingen waaraan zij in het algemeen de verschillende prijsstijgingen, die van 1965 inbegrepen, heeft willen toeschrijven. Verzoekster betoogt dat zij tot geen enkele prijsverhoging is overgaan, ook niet op de buitenlandse markten, en dat de Commissie hier tegen de logica zondigt; verzoekster oefende haar handelsactiviteit voornamelijk in Italië uit, doch uit de beschikking blijkt niet waarom ACNA zou hebben geweigerd haar prijzen op de nationale markt te verhogen en terzelfder tijd wel zou hebben deelgenomen aan onderling afgestemde gedragingen op de andere markten waar haar handelsbelangen van weinig importantie waren.

In de bestreden beschikking staat, dat de prijsverhogingen die in 1967 door de andere fabrikanten op de Italiaanse markt waren beoogd, achterwege zijn gebleven, en wel zulks door de houding die verzoekster heeft aangenomen. Daarom moest het onwaarschijnlijk worden geacht dat ACNA terzelfder tijd — door afstemming van haar gedrag op dat van andere ondernemingen — aan een verhoging van de prijzen op de andere markten zou hebben medegewerkt. Verzoekster wijst erop, dat 95 % van haar verkopen binnen de Gemeenschap op de Italiaanse markt wordt afgezet, en op de Belgische en Franse markt nog geen 3 %. Uit de tekst van de bestreden beschikking blijkt trouwens, dat geen der omstandigheden waarop de conclusie dat er van een onderling afgestemde gedraging sprake is geweest berust, aan verzoekster kan worden ten laste gelegd.

In haar verweerschrift merkt verweerster op, dat het door verzoekster ingeroepen feit dat er, wat de prijsverhogingen van 1965 en 1967 betreft, aan haar zijde van een onderling afgestemde feitelijke gedraging geen sprake is geweest, niet was toe te schrijven aan haar wens de beginselen inzake een volkomen mededinging in acht te nemen; verzoekster heeft hiermede alleen maar willen reageren op de actie van haar buitenlandse concurrenten, die haar niet langer bepaalde grondstoffen wilden leveren op de in het verleden toegepaste voorkeurscondities.

In haar conclusie van repliek neemt verzoekster er akte van dat de Commissie door haar redenering de tegen verzoekster ingebrachte bezwaren eigenlijk in een nieuw kader heeft geplaatst en praktisch al haar eerdere posita nopens verzoeksters deelneming aan de onderling afgestemde gedragingen uit 1965 en 1967 heeft laten varen. De zinspelingen op ACNA's bedoelingen zijn van geen enkel belang, nu haar geen bepaalde objectieve gedragingen kunnen worden verweten. In haar repliek beperkt verzoekster zich dan ook tot de feiten van 1964.

Verzoekster betoogt voorts dat de Commissie geen enkel bewijs heeft bijgebracht, zelfs niet voor de — trouwens door verjaring gedekte — prijsverhogingen van 1964. In de beschikking wordt erkend dat verzoekster met betrekking tot deze prijsverhoging in Italië, België en Nederland eerst handelend is gaan optreden nadat de verhogingen waartoe de andere ondernemingen hadden besloten waren ingegaan, althans bekend geworden, omdat zij tevoren aan de klanten waren medegedeeld. ACNA is dan ook alleen maar meegegaan met beslissingen die door de belangrijkste fabrikanten reeds werden uitgevoerd. Er is hier geen sprake van een overeenkomst; veeleer deed zich hier het verschijnsel van „bewust parallel marktgedrag” voor, welk gedrag zijn rechtvaardiging vond in economische overwegingen — en met het volledig autonoom karakter van verzoeksters handelsbeleid geenszins in strijd was —.

Verzoekster betoogt ten slotte dat het, anders dan de Commissie stelt, de verbruikers van kleurstoffen op enigerlei nationale markt praktisch onmogelijk is zich voor hun bevoorrading rechtstreeks te wenden tot elders gevestigde fabrikanten. Deze onmogelijkheid houdt onder meer verband met de behoefte aan tijdige en blijvende bijstand bij het gebruik van de betrokken produkten en aan snelle levering aan verbruikers van allerlei kwaliteiten en soorten — en veelal in geringe hoeveelheden —. Ondanks het feit dat zij in 1965 en 1967 aan geen enkele prijsverhoging heeft deelgenomen — en in Italië lagere prijzen bleef berekenen dan haar concurrenten op andere markten — heeft zij van afnemers in de andere Lid-Staten geen enkele bestelling ontvangen. De prijsverhogingen op de verschillende nationale markten hebben trouwens de open concurrentie tussen de fabrikanten op al deze markten, die met name in afbrokkeling der verbruikersprijzen tot uiting kwam, geenszins doen verflauwen. Verzoeksters gemiddelde opbrengsten per eenheid zijn thans zelfs lager dan voor de verhoging van 1964.

Verweerster betwist allereerst dat de aan verzoekster verweten feiten meer weg hebben van bewust parallel marktgedrag dan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging. De oligopolies waarbij in de literatuur de mogelijkheid van parallel marktgedrag wordt aanvaard, worden gekenmerkt door een zeer hoge mate van interdependentie wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld: beperkt aantal fabrikanten, hoge vaste kosten, homogeniteit der produkten, zeer duidelijke marktsituatie, beperkte expansie in de betrokken sector.

Onder deze voorwaarden, die een voor één moeten zijn vervuld, is de homogeniteit waarmede ook in de Amerikaanse jurisprudentie wordt gewerkt, van bijzonder belang. De betrokken produkten zijn echter allerminst homogeen: er zijn ongeveer 6000 verschillende kleurstoffen en alle verzoeksters behorende tot de vennootschappen die aan deze ondernemersafspraak hebben deelgenomen, vervaardigen een assortiment van 1500 tot 3000 — soms geoctrooieerde — soorten. Deze heterogeniteit wordt nog begunstigd door de gestadige technische vooruitgang. Met de veelsoortigheid, de heterogeniteit en snelle ontwikkeling der produkten houdt de geringe marktdoorzichtigheid verband, die nog wordt verergerd door de verscheidenheid van de vraag, die op haar beurt weer met de verscheidenheid der verbruikersactiviteiten samenhangt. De kleurstoffenmarkt vertoont blijkens de OESO-statistieken duidelijk een expanderende tendens; de vraag naar de betrokken produkten wordt gekenmerkt door een grote beweeglijkheid, verband houdende met levendige mededinging en met het feit dat de verbruikers geringe voorraden aanhouden en telkens naar gelang van hun behoeften beperkte hoeveelheden aankopen. Bovendien blijken de fabrikanten in deze produktensector zich zeer gemakkelijk te kunnen aanpassen aan wijzigingen van de vraag, mede doordat de installaties voor tal van doeleinden kunnen worden gebruikt; de marktpositie der ondernemingen is zeer verschillend naar gelang de produkten zich in een experimenteel stadium dan wel in de fase van expansie of teruggang bevinden en is voorts afhankelijk van de bijzondere betrekkingen tot de afnemers; ten slotte lopen de produktiekosten, al naar de omvang der ondernemingen, de grondstoffenprijzen enzovoort, in sterke mate uiteen, zodat ook de winsten zeer verschillen.

Om al deze redenen is een bewust parallel marktgedrag van de fabrikanten op de kleurstoffenmarkt onmogelijk.

Afgezien van deze overwegingen van algemene aard ontkent verweerster dat de prijsverhoging van 1964 haar rechtvaardiging vond in een belangrijke kostenstijging en in de gunstige omstandigheden ontstaan door het initiatief dat reeds door de voornaamste concurrenten was genomen. De verhogingen waartoe deze laatsten hadden besloten, hadden aan de overige ondernemingen zeer goede vooruitzichten op belangrijke winsten geopend. Zij hadden een prijsbeleid kunnen volgen dat hun door een juiste spreiding der prijzen uitstekende winsten zou hebben opgeleverd. Dat zij zich nochtans volledig aan de hierbedoelde prijsverhogingen hebben geconformeerd, kan derhalve alleen door een voorafgaande afspraak van betrokkenen worden verklaard.

Deze conclusie vindt bevestiging in het feit dat de mededelingen van de verschillende fabrikanten betreffende de hierbedoelde prijsverhoging naar Italië op 9 januari 1964 en naar België enkele dagen nadien zijn verzonden. De bewoordingen van de mededelingen vertonen een treffende gelijkenis en dekken elkaar volledig wat betreft de mate van verhoging, de uitzonderingen die voor bepaalde produkten moesten worden gemaakt, de verplichting de verhoging op alle lopende bestellingen toe te passen, het verbod van andere uitzonderingen dan de overeengekomene alsook het verbod om — ten einde de nieuwe prijzen niet te behoeven toe te passen — geantidateerde bestellingen te aanvaarden. Voorts is verzoeksters mededeling gelijktijdig gedaan met die van Bayer, Hoechst, Cassella, Sandoz en Francolor in België.

Ten aanzien van de beweerde gelijktijdigheid van ACNA's mededeling aan haar agent in België en van de gelijkluidende richtlijnen der andere fabrikanten, merkt verzoekster op, dat deze telegrafische mededeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 1964, terwijl Bayer als eerste — namelijk op 9 januari — een richtlijn voor de prijsverhoging aan haar vertegenwoordigers op de Belgische markt had doen uitgaan. Deze omstandigheid ontneemt aan het argument der Commissie iedere bewijskracht, aangezien ACNA's besluit tot verhoging van haar prijzen uitsluitend is te verklaren als een legitieme reactie op de nieuwe, objectief vaststaande, marktsituatie. De termijnen waarover betrokkenen de beschikking hadden om naar aanleiding van de door Bayer aangekondigde prijsverhoging hun houding te bepalen, waren nagenoeg gelijk, hetgeen verklaart dat zij vrijwel gelijktijdig hebben gereageerd.

Verweersters standpunt komt in beginsel neer op een gelijkstelling van parallel gedrag en een onderling afgestemde feitelijke gedraging, waardoor de op haar rustende bewijslast zou worden verlicht.

De conclusies van verweerster worden trouwens weersproken door het Kammergericht te Berlijn, dat zich bij arrest van 28 augustus 1969 heeft gedistantieerd van de uitlegging van het Bundeskartellamt, dat zonder voorafgaande afspraak een gelijktijdige verhoging van de prijzen van alle betrokkenen met hetzelfde percentage ondenkbaar achtte. Het Kammergericht heeft aangenomen, dat er na aankondiging van een algemene wijziging der prijzen die onmiddellijk ter kennis van alle concurrenten en alle afnemers wordt gebracht, een zekere wederkerige afhankelijkheid der kleurstoffenfabrikanten bestaat.

Verzoekster wijst erop dat zij zelf zich niet aan de prijzen der andere fabrikanten had aangepast, doch alleen maar aan de aangekondigde percentages van de prijsverhoging; prijzen die voor de verhoging uiteenliepen, zijn dat derhalve ook nadien blijven doen. Verweersters argumenten, die op de heterogeniteit der produkten berusten, en die betreffende de ondoorzichtigheid van de markt, doen dan ook niet ter zake, wanneer de besluiten die door de initiatiefnemers van de prijsverhoging aan hun onderscheiden klanten zijn meegedeeld, eenmaal bij het publiek bekend zijn.

Verweerster merkt in haar antwoord op dat de hierbedoelde mededelingen niet slechts in tijdelijk opzicht coïncideren, doch ook naar vorm en inhoud in sterk gelijkluidende bewoordingen zijn vervat. De beweerde aanpassing heeft niet uitsluitend op de Belgische markt, doch ook in andere staten plaatsgehad en de verhoging kwam overeen met die van de ondernemingen die in andere landen het grootste marktaandeel bezitten (Bayer in België, ICI in Nederland, Ciba in Italië). Omdat het hier gaat om produkten die slechts in beperkte mate onderling verwisselbaar zijn en de marktsituatie niet doorzichtig is, kan de onderneming die als eerste haar prijzen verhoogt, zonder voorafgaande afspraak niet zonder meer op een parallel gedrag van de concurrenten rekenen. Weliswaar produceert ACNA vooral onderling verwisselbare produkten, doch ook dan is het op een expanderende markt die gekenmerkt wordt door gedifferentieerde relaties tusten verkopers en kopers, ongelijke kosten en prijzen, gestadige technische vooruitgang alsmede door het feit dat de produktiecapaciteit in ongelijke mate wordt benut, ondenkbaar dat alle verkopers zich voor al hun produkten automatisch aansluiten bij de door een concurrent aangekondigde prijsverhogingen. Deze stelling vindt steun in de houding van verzoekster zelf, die niet meeging met de verhoging die in 1965 door een aantal concurrenten op de Italiaanse markt was aangekondigd, hetgeen het initiatief deed mislukken.

Verweerster merkt ten slotte op, dat de uitspraak van 28 augustus 1969 van het Kammergericht te Berlijn op 13 oktober 1969 bij het Bundesgerichtshof door de Generalstaatsanwalt bij het Kammergericht is bestreden.

###### 2. De situatie op de Italiaanse markt en de positie van verzoekster

Verzoekster wijst erop dat haar positie destijds werd gekenmerkt door de navolgende — nog steeds aanwezige — factoren: onherstelbare verstoring van het evenwicht tussen kosten en winsten (sterke kostenstijging en dalende winsten); geleidelijke achteruitgang van de positie van de vennootschap op de nationale markt als gevolg van de scherpe concurrentie en een grotendeels zeer krappe kopersmarkt; zwakke positie van de vennootschap op andere communautaire markten en gering penetratievermogen; zwakke concurrentiepositie van de produkten der onderneming, die nochtans volledig bloot stonden aan de mededinging, aangezien het vrijwel uitsluitend ging om standaardkleurstoffen die door de produkten van alle andere belangrijke producenten kunnen worden vervangen.

Met name uit een OESO-statistiek blijkt dat de kleurstoffenproduktie in Italië in 1965 kwantitatief en naar waarde met 20,7 % respectievelijk 20 % was achteruitgegaan. Voorts is volgens de ISTAT-statistieken de invoer van kleurstoffen in Italië zowel naar waarde als kwantitatief van 1959 tot 1968 meer dan verdrievoudigd. Dit is te belangrijker, omdat de gemiddelde prijzen die aan de afnemers van geïmporteerde kleurstoffen worden toegestaan, de laatste jaren zijn gedaald. Daarom gaat de stelling der Commissie dat de kleurstoffenindustrie in het algemeen uitbreiding heeft ondergaan, voor bedoeld tijdvak voor de Italiaanse industrie niet op.

Blijkens bedoelde statistieken had ACNA, ook in Italië, het hoofd te bieden aan een steeds uitgebreidere en scherpere concurrentie. Volgens een OESO-statistiek was de gemiddelde waarde van de standaardprodukten — waaruit de Italiaanse produktie vrijwel geheel bestaat — aldaar 1,93 dollar per kg, doch bij voorbeeld in Duitsland 3,70 en in Zwitserland 5,52 dollar. Er zat dus voor ACNA niets anders op dan een gedifferentieerd prijzenbeleid te volgen. Verzoekster merkt op dat zij dit naar mogelijkheid steeds heeft gedaan, zelfs na de verhoging van 1964. Doch dit is geenszins in tegenspraak met het besluit met de algemene prijsverhoging mee te gaan: immers de noodzakelijke prealabele voorwaarde voor zulk een „geleed” beleid was dat men er inmiddels in zou slagen de prijzen op de markt te verhogen. Pas in een tweede periode konden de door de Commissie bedoelde optimale aanpassingen in studie worden genomen.

Verzoekster trekt de bewijskracht in twijfel van de door verweerster overgelegde statistieken betreffende het verbruik en de produktie van organische kleurstoffen en de gemiddelde brutowinst per uur in de chemische industrie. Het is weinig waarschijnlijk dat het berekend verbruik bedoeld in tabel I A in Zwitserland van 1,9 miljoen dollar in 1968 is gekomen op 17,7 miljoen dollar in 1963 en na 1966 negatief is. Tabel II A bevat gegevens die aan verschillende bronnen zijn ontleend, hetgeen een redelijke vergelijking praktisch onmogelijk maakt. Tabel VI is weinig representatief, zowel omdat daarin geen gegevens van voor 1964 voorkomen als omdat die gemiddelde winst geen voldoende uitsluitsel geeft over de ontwikkeling der arbeidskosten. Men zou meer houvast hebben gehad aan een onderzoek naar de totale arbeidskosten met inbegrip van de indirecte lasten en de in Italië zeer hoge sociale lasten. De vergelijking die ten aanzien van het verbruik wordt gegeven in de tabellen I A en I B — waar 1958 als referentietijdvak wordt aangehouden — zegt weinig over de verbruikstendens in de jaren waarnaar de Commissie haar onderzoek heeft ingesteld. Hetzelfde geldt voor de produktietabellen, waaruit trouwens blijkt dat de Italiaanse produktie sedert 1962 aanzienlijk is gedaald.

Verzoekster concludeert dat de gegevens der Commissie in hun geheel verzoeksters eigen uiteenzetting over haar positie en de situatie van de Italiaanse kleurstoffenproduktie in het algemeen bevestigen. Verweerster erkent bij dupliek, dat de algemene uitbreiding van de kleurstoffenmarkt zich in Italië in 1965 niet heeft voorgedaan en. dat er integendeel achteruitgang is geconstateerd; volgens verweerster heeft dit echter niets uitstaande met de hierbedoelde prijsverhoging die begin 1964 heeft plaatsgehad.

Uit haar statistische gegevens en een in de conclusie van repliek opgenomen tabel blijkt dat de markt zich tot in 1964 geleidelijk heeft uitgebreid.

###### 3. De buitensporige hoogte van de boete

Subsidiair verklaart verzoekster van oordeel te zijn, dat het haar opgelegde boetebedrag — dat nauwelijks lager is dan dat waarmede de verschillende andere ondernemingen zijn beboet — niet te rijmen valt met de motivering van de beschikking der Commissie bij de bepaling der boete — betreffende de ernst en duur der gestelde overtredingen, de omstandigheden waarin zij zijn begaan, alsook het belang van de verschillende ondernemingen op de communautaire markt —. Ten aanzien van de afmetingen van haar onderneming wijst verzoekster erop, dat zij geen dochtermaatschappij is van Montecatini-Edison, zoals in de beschikking ten onrechte wordt gezegd, doch een autonome geassocieerde onderneming met eigen rechtspersoonlijkheid, en stelt zij dat haar omzetten in 1968 ongeveer 25 % van de totale kleurstoffenverkopen op de markt hebben belopen. Daarentegen zijn haar exporten naar andere landen van de Gemeenschap van geen belang, namelijk nog geen half miljard lire, terwijl in de Gemeenschap uit de andere landen van de gemeenschappelijke markt in 1967 voor 28 miljard lire en uit de EVA-landen voor 24 miljard lire werd ingevoerd. Gezien deze gegevens, is het niet juist te stellen dat ACNA qua belang met de grootste ondernemingen in deze sector kan worden vergeleken.

Ten aanzien van de omvang der gestelde overtredingen wijst verzoekster op het feit, dat haar exporten binnen de gemeenschappelijke markt van geen betekenis zijn (in 1964 0,2 % van het berekend verbruik in Nederland en 1,4 % van het berekend verbruik in België; in Frankrijk 0,6 % in 1967). De enige in 1964 vermoedelijk begane overtreding vermag een zo strenge sanctie niet te rechtvaardigen, mede omdat het hier om een reeds lang verstreken en op zichzelf staande periode gaat.

Verweerster betoogt, dat verzoekster ruimschoots heeft geprofiteerd van de verhoging waartoe zij in 1964 is overgegaan en dat de verhoging ook de nationale markt heeft betroffen. In de tweede plaats betoogt verweerster dat verzoekster, al moge zij minder voordeel hebben gehad van de opeenvolgende prijsverhogingen in landen waarnaar haar exporten zeer gering waren, anderzijds door haar produktie in hoofdzaak voor binnenlands verbruik te bestemmen, af te zien van elders te behalen hogere winsten en aldus een evenwicht tussen de verschillende markten te eerbiedigen, niet te lijden heeft gehad van het optreden van buitenlandse concurrenten op de nationale markt.

Verzoekster brengt hiertegen in, dat deze bewering van verweerster blijkens de sterke toeneming van de kleurstoffenimporten in Italië en de aanzienlijke teruggang van de Italiaanse produktie in 1965, niet gegrond is.

#### IV — Procesvoering

Overwegende dat de procesvoering het navolgende verloop heeft gehad:

Bij beschikking van 8 juli 1970 heeft het Hof, op rapport van de Rechter-Rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord, beschikt als volgt:

1\. Gelast een deskundigenonderzoek over de volgende vragen: Zou het, gezien de kenmerken der markt voor kleurstoffen in de Europese Economische Gemeenschap, met name in de periode 1964-1967, voor een zelfstandig optredende producent, die er belang bij had zijn prijzen te verhogen, naar normale handelscriteria praktisch mogelijk zijn geweest zulks anders te doen dan door die prijzen algemeen, uniform en publiekelijk te verhogen, en wel door het vaststellen van — voor de verschillende afnemers uiteenlopende — prijsopslagen voor ieder produkt afzonderlijk? Welke voordelen en welke nadelen kunnen voor een zelfstandig optredende producent verbonden zijn aan het doorvoeren van een algemene en lineaire prijsverhoging in vergelijking met een per afnemer, produkt of markt gedifferentieerde prijsverhoging? — Deze vraag dient te worden beantwoord respectievelijk voor het geval van een producent die het initiatief tot een prijsverhoging neemt en dat van een producent die zich geplaatst ziet voor het feit, dat een concurrent een algemene en uniforme prijsverhoging aankondigt. Zijn — met name gezien de graad van doorzichtigheid van de markt — de andere dan speciale kleurstoffen in de praktijk onderling vervangbaar en, zo ja, in welke mate? Welk is bij benadering het aandeel van de speciale kleurstoffen in de totale produktie van kleurstoffen van elk der betrokken ondernemingen?

2\. Verstaat dat partijen in onderling overleg vóór 1 oktober 1970 het Hof de naam van een deskundige kunnen voordragen. Bij beschikking van dezelfde dag heeft het Hof de zaken 48-69, 49-69, 51-69, 52-69, 53-69, 54-69, 55-69, 56-69 en 57-69 voor het deskundigenrapport gevoegd. Het Hof heeft, gelet op de eenparige voordracht van partijen betreffende twee met het onderzoek te belasten deskundigen, bij beschikking van 13 november 1970 H. Albach, hoogleraar in de bedrijfsvoering aan de universiteit te Bonn, en W. N. Kloten, hoogleraar in de bedrijfseconomie aan de universiteit te Tübingen, gezamenlijk met het deskundigenonderzoek belast. Hun rapport is op 23 april 1971 ter griffie van het Hof ingediend. De deskundigen hebben de resultaten van hun onderzoek als volgt samengevat: Vraag a) dient in die zin bevestigend te worden beantwoord, dat een zelfstandig handelend producent van kleurstoffen, die volgens normale handelscriteria te Werk gaat, in beginsel zijn prijzen voor de verschillende afnemers en produkten in ongelijke mate had kunnen verhogen. De vraag of het voor zulk een producent praktisch mogelijk geweest ware zijn prijzen voor de verschillende afnemers en produkten in verschillende mate te verhogen, kan bevestigend worden beantwoord met dien verstande, dat de prijsverhoging die een zelfstandig handelend ondernemer bij een gedifferentieerde prijspolitiek binnen een bepaald kader gemiddeld had kunnen realiseren, waarschijnlijk ligt beneden de prijsverhoging welke bij een algemene en uniforme verhoging gemiddeld wordt bereikt. Een algemene en lineaire prijsverhoging brengt zowel voor de producent die het initiatief tot een prijsverhoging neemt alsook voor de kleurstoffenproducent die zich naar een door een concurrent aangekondigde algemene, uniforme prijsverhoging moet richten, goede en kwade kansen mede. Zowel voor de prijsleider als voor de prijsvolger zijn wij tot de slotsom gekomen, dat de voordelen van een algemene uniforme prijsverhoging in het hierbedoelde tijdvak wellicht groter zijn geweest dan de nadelen. Vraag c) is in die zin te beantwoorden, dat de mate van onderlinge vervangbaarheid der kleurstoffen van volledig vervangbare tot praktisch niet-vervangbare produkten varieert. Verstaat men onder speciale kleurstoffen in de zin van de vraag kleurstoffen die praktisch niet vervangbaar zijn, dan is het aandeel dezer kleurstoffen in de totale kleurstoffenproduktie van de afzonderlijk betrokken ondernemingen mogelijk zeer gering. Blijkens de uitkomsten van ons onderzoek is deze onderscheiding in casu echter voor de beoordeling der feiten van weinig nut. Opmerkingen naar aanleiding van het deskundigenrapport zijn ter griffie van het Hof op 3 juli 1971 onderscheidenlijk 21 juni 1971 door verzoekster respectievelijk verweerster ingediend. De door het Hof benoemde deskundigen hebben overeenkomstig artikel 49, paragraaf 6, van het Reglement voor de procesvoering op 28 september 1971 de eed afgelegd. Partijen zijn in haar pleidooien gehoord ter terechtzitting van 28, 29 en 30 september 1971 en 2 mei 1972. In de loop van de procedure heeft de Advocaat-Generaal Mayras de overleden Advocaat-Generaal Dutheillet de Lamothe vervangen. Hij heeft zijn conclusie genomen ter terechtzitting van 2 mei 1972.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat vaststaat dat zich van januari 1964 tot oktober 1967 in de Gemeenschap drie algemene en uniforme verhogingen van de kleurstoffenprijzen hebben voorgedaan;

2. dat de prijzen van de meeste anilinekleurstoffen, sommige soorten uitgezonderd, tussen 7 en 20 januari 1964 in Italië, Nederland, België en Luxemburg en bepaalde derde landen uniform met 15 % zijn verhoogd;

3.

dat een zelfde verhoging op 1 januari 1965 in Duitsland heeft plaatsgevonden;

dat die zelfde dag bijna alle fabrikanten in alle landen van de gemeenschappelijke markt, Frankrijk uitgezonderd, de prijzen der kleurstoffen en pigmenten waarvoor de verhoging van 1964 niet had gegolden, uniform met 10 % hebben verhoogd;

dat als gevolg van het feit dat op de Italiaanse markt ACNA niet aan de prijsverhoging van 1965 deelnam, ook de andere ondernemingen op die markt van de aangekondigde verhoging hunner prijzen hebben afgezien;

4. dat medio oktober 1967 de prijzen van alle kleurstoffen door vrijwel alle fabrikanten, uitgezonderd in Italië, zijn verhoogd en wel met 8 % in Duitsland, Nederland, België en Luxemburg en met 12 % in Frankrijk;

5. dat de Commissie in verband met deze verhogingen bij besluit van 31 mei 1967 ingevolge artikel 3 van verordening nr. 17/62 ambtshalve een procedure wegens vermoedelijke schending van artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag heeft ingeleid tegen zeventien in en buiten de gemeenschappelijke markt gevestigde kleurstoffenfabrikanten en een groot aantal dochtermaatschappijen en vertegenwoordigers dier ondernemingen;

6.

dat de Commissie bij beschikking van 24 juli 1969 heeft vastgesteld dat deze prijsverhogingen het resultaat waren van met artikel 85, lid 1, van het Verdrag strijdige onderling afgestemde feitelijke gedragingen, berustende op overleg tussen de ondernemingen

—Badische Anilin- und Soda-Fabrik AG (BASF) te Ludwigshafen,

—Cassella Farbwerke Mainkur AG te Frankfurt/Main,

—Farbenfabriken Bayer AG te Leverkusen,

—Farbwerke Hoechst AG te Frankfurt/Main,

—Française des matières colorantes SA te Parijs,

—Azienda colori nazionali affini S.p.a. (ACNA) te Milaan,

—Ciba SA te Bazel,

—J. R. Geigy SA te Bazel,

—Sandoz SA te Bazel, en

—Imperial Chemical Industries Ltd. (ICI) te Manchester;

7. dat zij deswege aan ieder dier ondernemingen een geldboete van 50000 rekeneenheden heeft opgelegd, met uitzondering van ACNA die met 40000 rekeneenheden werd beboet;

8. dat de onderneming Azienda colori nazionali affini S.p.a. (ACNA) op 6 oktober 1969 bij ter griffie ingediend verzoekschrift tegen deze beschikking in beroep is gekomen;

#### Middelen de procedure en de vormvoorschriften betreffende

##### Middelen betreffende de administratieve procedure

###### a) De grief dat de mededeling van de punten van bezwaar door een ambtenaar van de Commissie is getekend

9. Overwegende dat verzoekster stelt dat de Commissie de procedurevoorschriften van verordening nr. 17/62 heeft geschonden door haar de punten van bezwaar mede te delen op hetzelfde tijdstip waarop zij haar in kennis heeft gesteld van de inleiding der procedure tot vaststelling van een inbreuk;

10. Overwegende dat noch de geldende bepalingen noch de algemene rechtsbeginselen de verplichting behelzen de mededeling van het besluit tot inleiding van de procedure ter vaststelling van een inbreuk te doen voorafgaan aan die van de punten van bezwaar welke in het kader van zulk een procedure tegen de belanghebbenden in aanmerking zijn genomen;

11. dat alleen de mededeling van de punten van bezwaar en niet het besluit tot inleiding der procedure de handeling vormt waarbij de Commissie haar standpunt vastlegt ten opzichte van de ondernemingen tegen welke een procedure tot vervolging wegens inbreuken op de mededingingsregelen wordt ingeleid;

12. dat dan ook het feit dat de Commissie de mededeling van voormeld besluit en de mededeling van de punten van bezwaar niet chronologisch en inhoudelijk heeft gescheiden, aan de rechten der verdediging geen afbreuk vermag te doen;

13. dat dit middel derhalve ongegrond is;

###### b) Grief betreffende de voortzetting van het onderzoek na de mededeling van de punten van bezwaar

14. Overwegende dat verzoekster een schending van verordening nr. 17/62 gelegen acht in het feit dat de Commissie het onderzoek naar de verhogingen van de prijzen der produkten na de mededeling van de punten van bezwaar heeft voortgezet;

15. Overwegende dat de Commissie gerechtigd en in voorkomend geval verplicht is tijdens de administratieve procedure tot een nieuw onderzoek over te gaan wanneer het verloop dezer procedure de noodzaak van aanvullende verificaties aan de dag doet treden;

16.

dat zodanig onderzoek mededeling aan belanghebbenden van een aanvulling op de punten van bezwaar slechts noodzakelijk maakt wanneer de uitkomsten der verificaties de Commissie aanleiding geven de ondernemingen nieuwe feiten ten laste te leggen of de bewijselementen der omstreden inbreuken aanmerkelijk te wijzigen;

dat zulks ten deze niet het geval is;

17. dat dit middel derhalve ongegrond is;

###### c) Grieven betreffende de verschillen tussen de bestreden beschikking en de mededeling van de punten van bezwaar

18. Overwegende dat verzoekster met een beroep op schending van de rechten der verdediging de Commissie verwijt de bestreden beschikking te hebben genomen op grond van feiten of beweringen waarvan verzoekster nimmer kennis heeft gedragen;

19. dat voorts in de bestreden beschikking bepaalde opmerkingen zouden voorkomen welke slechts betrekking hebben op sommige der ondernemingen, wier identiteit echter aan de hand van de beschikking niet kan worden vastgesteld;

20. dat het erop neerkomt dat de Commissie aldus de bewijslast omkeert;

21. dat de Commissie ten slotte geen bewijsmiddelen betreffende het specifieke gedrag van verzoekster heeft voorgedragen;

22. Overwegende dat het ter verzekering van de rechten der verdediging in de administratieve procedure voldoende is wanneer de ondernemingen worden ingelicht nopens de wezenlijke feiten waarop de bezwaren berusten;

23. dat bij lezing van de tekst van de uiteenzetting van de punten van bezwaar blijkt dat de aan verzoekster ten laste gelegde feiten daarin duidelijk zijn vermeld;

24. dat die uiteenzetting voldoende uitsluitsel geeft over de vraag welke bezwaren tegen verzoekster in aanmerking worden genomen, en met name over de omstandigheden waarin de prijsverhogingen van 1964, 1965 en 1967 zijn aangekondigd en toegepast;

25. dat tot staving van dit middel geen beroep kan worden gedaan op rectificaties zoals die met betrekking tot de feitelijke gang van zaken in de bestreden beschikking zijn aangebracht naar aanleiding van gegevens die betrokkenen tijdens de administratieve procedure aan de Commissie hebben kunnen verstrekken;

26. dat de omstandigheid dat zij in een beschikking genomen ten aanzien van tien verschillende ondernemingen, is ingegaan op argumenten die door slechts enkele niet met name genoemde adressaten waren voorgedragen, aan de rechtsgeldigheid dier handeling geen afbreuk vermag te doen;

27. dat ten slotte de vraag of de gegevens waarop de Commissie zich tot staving van de omstreden inbreuk beroept, voldoende zijn om dezelve te bewijzen, de inhoud van de bestreden beschikking betreft;

28. dat deze middelen derhalve ongegrond zijn;

##### Het middel betreffende de verjaring

29. Overwegende dat verzoekster stelt dat de bestreden beschikking in strijd is met het Verdrag en de op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregelen, omdat de Commissie door op 31 mei 1967 een procedure inzake de prijsverhoging van januari 1964 aan te vangen, iedere redelijke termijn zou hebben overschreden;

30. Overwegende dat de voorschriften ter regeling van de bevoegdheid der Commissie tot het opleggen van boeten bij overtreding der mededingingsregelen geen verjaring voorzien;

31.

dat een verjaringstermijn, om aan zijn doel te beantwoorden, bij voorbaat moet worden vastgesteld;

dat de vaststelling van zijn duur en van de voorwaarden voor zijn toepasselijkheid behoort tot de bevoegdheid van de Gemeenschapswetgever;

32. dat zo, nu bepalingen te dier zake ontbreken, de fundamentele eis van rechtszekerheid zich er al tegen verzet dat de Commissie eindeloos kan wachten met de uitoefening van haar bevoegdheid tot oplegging van geldboeten, de in casu gevolgde gedragslijn toch niet als een beletsel kan worden beschouwd voor het uitoefenen dier bevoegdheid ten aanzien van de deelneming aan de onderling afgestemde feitelijke gedragingen van 1964 en 1965;

33. dat dit middel derhalve niet gegrond is;

#### Middelen ten principale · Het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging

##### Stellingen van partijen

34. Overwegende dat verzoekster zich er allereerst over beklaagt dat haar in de bestreden beschikking wordt ten laste gelegd in 1965 en 1967 buiten de Italiaanse markt te hebben deelgenomen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen, de prijsverhogingen in andere Lid-Staten betreffende;

35. dat zulks echter, gezien ACNA 's weigering haar prijzen op haar nationale markt te verhogen, en het geringe handelsbelang dat deze andere markten voor haar vertegenwoordigden, weinig waarschijnlijk zou zijn;

36. Overwegende dat verweerster tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof heeft geantwoord, dat de bestreden beschikking ten aanzien van verzoekster gemotiveerd was door het enkele feit harer deelneming aan de prijsverhoging van 1964, terwijl haar gedrag in 1965 en 1967, op zichzelf beschouwd, die beschikking niet kon rechtvaardigen;

37. Overwegende dat derhalve in het kader van het onderzoek naar het bestaan van de aan verzoekster verweten inbreuk, met deze beperking rekening dient te worden gehouden;

38. Overwegende dat verzoekster de Commissie voorts verwijt geen enkel deugdelijk bewijs tegen haar te hebben geleverd wat betreft de deelneming aan met artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag strijdige onderling afgestemde feitelijke gedragingen;

39. Overwegende dat volgens de bestreden beschikking een eerste bewijs voor het feit dat de prijsverhoging van 1964 op afstemming heeft berust, daarin is te vinden dat de verschillende fabrikanten in ieder land bij die verhoging dezelfde percentages hebben toegepast, dat de verhogingen behoudens hoge uitzondering dezelfde kleurstoffen hebben betroffen en dat zij op nagenoeg of geheel dezelfde dag zijn ingegaan;

40.

dat deze prijsverhogingen niet kunnen worden verklaard uit het enkele feit dat de markt een oligopolistische structuur zou vertonen;

dat het niet aannemelijk is, dat de voornaamste fabrikanten die de gemeenschappelijke markt bevoorraden, zonder hun gedragingen te hebben afgestemd, meermalen de prijzen van een zelfde belangrijke reeks produkten, waaronder de speciale — nagenoeg of in het geheel niet onderling vervangbare — produkten, met gelijke percentages en vrijwel gelijktijdig zouden hebben verhoogd, en zulks dan in onderscheidene landen waarin de marktvoorwaarden voor kleurstoffen uiteenlopen;

41.

dat de Commissie voor het Hof heeft betoogd dat het voor afstemming niet nodig is dat betrokkenen te zamen een plan voor een bepaald marktgedrag opstellen;

dat het voldoende zou zijn dat betrokkenen elkander tevoren op de hoogte stellen van de houding, welke zij zich voorstellen aan te nemen, zodat ieder hunner zijn optreden kan regelen in de verwachting dat de concurrenten een zelfde gedragslijn zullen volgen;

42. Overwegende dat verzoekster betoogt dat de bestreden beschikking berust op een onvoldoende analyse van de markt voor de betrokken produkten en op een onjuiste opvatting van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging, doordat zij die laatste met het bewust parallel gedrag van de deelnemers aan de oligopolie gelijkstelt, terwijl dit gedrag juist het gevolg is geweest van zelfstandige beslissingen van iedere onderneming, waarvoor objectieve economische omstandigheden van dwingende aard, en wel met name de noodzaak het onvoldoende rendement van de kleurstoffenproduktie te verbeteren, bepalend zijn geweest;

43. dat verzoeksters positie ten tijde bedoeld in de bestreden beschikking gekenmerkt zou zijn geweest door een zeer onevenwichtige verhouding tussen kosten en winst, door de geleidelijke achteruitgang van haar positie op de Italiaanse markt als gevolg van de hevige concurrentie waaraan haar produktie — bijna uitsluitend bestaande uit gemakkelijk onderling verwisselbare standaardkleurstoffen — onderworpen was, alsook van de ernstige koperscrisis in omvangrijke sectoren, mede in verband met de betrekkelijk geringe omvang van de vennootschap en de geringe mate waarop zij zich op de andere markten van de Gemeenschap toegang wist te verschaffen;

44. dat haar in deze kritieke situatie redelijkerwijze niets anders zou zijn overgebleven dan het volgen van een gedifferentieerd prijzenbeleid met behulp van aanpassingen der aan de klanten berekende prijzen;

45. dat uit de gestadige afbrokkeling dier prijzen zou blijken dat het uniforme percentage van de verhoging de open mededinging op de markt voor de betrokken produkten niet heeft doen verzwakken;

46. dat verzoekster er zich in 1964 toe zou hebben beperkt zich, zelfs op haar nationale markt, te richten naar besluiten tot prijsverhoging die reeds door de belangrijkste concurrenten waren genomen;

47. dat de OESO-statistieken, volgens welke de kleurstoffenproduktie in Italië in 1965 kwantitatief met 20,7 % en naar waarde met 20 % zou zijn achteruitgegaan, aan deze stellingen kracht zouden bijzetten;

48. dat de algemene stelling der Commissie betreffende de expansie der kleurstoffenindustrie derhalve voor deze bijzondere situatie van verzoekster niet op zou gaan;

###### Het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging

49. Overwegende dat zo artikel 85 het begrip „onderling afgestemde feitelijke gedraging” van die der „overeenkomsten tussen ondernemingen” of „besluiten van ondernemersverenigingen” onderscheidt, daarbij de bedoeling voorzit onder de verboden van dit artikel een vorm van coördinatie tussen ondernemingen te begrijpen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico's der onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking;

50. dat de onderling afgestemde feitelijke gedraging derhalve naar haar aard niet alle bestanddelen van een overeenkomst omvat, doch onder anderen het resultaat kan zijn van een coördinatie welke in het gedrag der deelnemers tot uitdrukking komt;

51. dat ofschoon een parallellie in de gedragingen op zichzelf niet met een onderling afgestemde feitelijke gedraging mag worden gelijkgesteld, zij nochtans een ernstige aanwijzing voor zodanige gedraging kan opleveren wanneer zij leidt tot mededingingsvoorwaarden die, gelet op de aard der produkten, op de grootte en het aantal der ondernemingen en op de omvang van de markt, niet met de normaal te achten marktvoorwaarden overeenkomen;

52. dat dit inzonderheid het geval is wanneer het parallel gedrag geëigend is belanghebbenden in staat te stellen om voor het prijsevenwicht naar een ander niveau te streven dan hetwelk bij mededinging zou zijn ontstaan, en om eenmaal ingenomen posities te bevriezen ten detrimente van een daadwerkelijk vrij verkeer der produkten binnen de gemeenschappelijke markt en van de vrijheid der verbruikers in de keuze van hun leveranciers;

53. Overwegende dat een juiste beoordeling van de vraag of er in casu van afstemming sprake is, derhalve alleen mogelijk is wanneer de in de bestreden beschikking genoemde aanwijzingen niet afzonderlijk, doch gezamenlijk worden bezien, en wordt gelet op de kenmerken van de markt der betrokken produkten;

###### De kenmerken van de kleurstoffenmarkt

54. Overwegende dat de kleurstoffenmarkt erdoor wordt gekenmerkt dat zij voor 80 % wordt bevoorraad door een tiental, over het algemeen zeer grote ondernemingen, die daarnevens veelal andere chemische produkten of speciale farmaceutische artikelen vervaardigen;

55. dat de produktiestructuren en derhalve ook de kostenstructuren dezer producenten sterk verschillen, zodat het inzicht in de kosten der concurrenten bemoeilijkt wordt;

56. dat het totaal aantal kleurstoffen zeer hoog is en iedere onderneming er meer dan duizend vervaardigt;

57. dat de gemiddelde graad van onderlinge vervangbaarheid dezer produkten als vrij hoog wordt beschouwd wat de standaardkleurstoffen betreft, terwijl speciale kleurstoffen soms nauwelijks of in het geheel niet onderling vervangbaar zijn;

58. dat de markt, ten aanzien van de speciale produkten, in bepaalde gevallen in oligopolistische richting tendeert;

59. dat waar de prijs der kleurstoffen de prijs van het eindprodukt van de kleurstoffenverwerkende ondernemingen betrekkelijk weinig beïnvloedt, de graad van elasticiteit van de vraag naar kleurstoffen op de gehele markt gering is, hetgeen op korte termijn prijsverhoging in de hand werkt;

60. dat anderzijds de totale vraag naar kleurstoffen gestadig stijgt, hetgeen voor de fabrikanten een prikkel vormt tot het voeren van een beleid dat hen in staat stelt mede van die toegenomen vraag te profiteren;

61. Overwegende dat de kleurstoffenmarkt binnen het gebied der Gemeenschap wordt gekenmerkt door het bestaan van vijf geïsoleerde nationale markten met verschillend prijsniveau, zonder dat deze verschillen zijn te verklaren door verschillen in de kosten en lasten, welke op de producenten in deze landen drukken;

62. dat de oprichting van de gemeenschappelijke markt dus blijkbaar op deze situatie geen enkele invloed heeft gehad, daar de verschillen tussen het prijspeil in de Lid-Staten nauwelijks kleiner zijn geworden;

63. dat daarentegen vaststaat dat de nationale markten ieder afzonderlijk oligo-polistische kenmerken vertonen en dat het prijspeil op de meeste dier markten tot stand komt onder invloed van een prijsleider — soms de belangrijkste fabrikant uit het land zelf, soms een fabrikant uit een andere Lid-Staat of een derde staat, handelende via een dochtermaatschappij —;

64. dat deze opsplitsing van de markt volgens de deskundigen moet worden toegeschreven aan de noodzaak verbruikers ter plaatse technische bijstand te kunnen verlenen en voor onmiddellijke levering — van in den regel beperkte hoeveelheden — te kunnen zorgen, waarbij de producenten, behoudens uitzondering, leveren aan hun dochtermaatschappijen in de verschillende Lid-Staten en door middel van een net van agentschappen en magazijnen zorgen voor de specifieke bijstand aan — en bevoorrading van — de verbruikende ondernemingen;

65. dat uit de ten processe verstrekte gegevens blijkt, dat zelfs wanneer de producent zich rechtstreeks met een belangrijke verbruiker in een andere Lid-Staat in verbinding stelt, de prijzen gewoonlijk worden gevormd naar gelang van de plaats van vestiging van de verbruiker, doordien zij zich richten naar het prijsniveau van de nationale markt;

66. dat ofschoon de producenten zich bij deze handelwijze wellicht allereerst hebben gevoegd naar de bijzonderheden van de kleurstoffenmarkt en de behoeften van hun afnemers, de daardoor veroorzaakte opsplitsing van de markt, door versnippering van de mededinging, tot isolering der verbruikers binnen hun nationale markt kan leiden en kan beletten dat het binnen het geheel der gemeenschappelijke markt tot een algemene confrontatie der producenten komt;

67. dat de litigieuze feiten moeten worden gewaardeerd in het kader van deze gegevens betreffende de werking van de kleurstoffenmarkt;

###### De prijsverhoging van 1964

68. Overwegende dat in 1964 alle betrokken ondernemingen een verhoging van de prijzen der meeste anilinekleurstoffen hebben aangekondigd en terstond toegepast, zulks op initiatief van Ciba-Italië, die op 7 januari 1964 in opdracht van Ciba-Zwitserland een onmiddellijk ingaande prijsverhoging van 15 % aankondigde, welk initiatief op de Italiaanse markt binnen twee à drie dagen door de andere fabrikanten, onder anderen verzoekster, is gevolgd;

69. dat ICI-Nederland op 9 januari het initiatief tot dezelfde verhoging heeft genomen voor Nederland, terwijl op dezelfde dag Bayer een gelijk initiatief heeft genomen voor de Belgisch-Luxemburgse markt;

70. dat deze prijsverhogingen, behoudens onbeduidende verschillen, voor de onderscheidene fabrikanten en markten hetzelfde assortiment betroffen, dat wil zeggen de meeste anilinekleurstoffen met uitzondering van pigmenten en kleurstoffen voor levensmiddelen en cosmetica;

71. Overwegende dat dit gedrag der ondernemingen, vooral op de Italiaanse markt, niet als spontaan kan worden beschouwd;

72. dat immers de Italiaanse kleurstoffenmarkt, gezien het aantal der betrokken fabrikanten, stellig niet mag worden beschouwd als een oligopolie waar de prijsconcurrentie geen rol van wezenlijk belang meer zou kunnen spelen en het niveau der prijzen door een bewust parallel gedrag wordt bepaald;

73. dat deze fabrikanten voldoende talrijk en ten dele machtig genoeg zijn om een werkelijk risico te scheppen, dat enkelen hunner in een tijd van stijgende prijzen de algemene prijzenbeweging niet volgen, doch proberen door een individuele gedragslijn hun marktaandeel te vergroten;

74. dat namelijk uit ACNA's uiteenzetting betreffende de Italiaanse marktsituatie in de jaren voor 1964, die het haar onmogelijk zou hebben gemaakt tot noodzakelijk geworden verhogingen der prijzen over te gaan, blijkt dat een algemene, uniforme en spontane prijsverhoging op die markt nauwelijks denkbaar was;

75. dat trouwens in zoverre de omstandigheid dat ACNA de verhogingen van 1965 en 1967 op de Italiaanse markt heeft kunnen verijdelen door te weigeren aan dezelve deel te nemen, zeer veelzeggend is;

76. Overwegende dat voorts de opsplitsing van de gemeenschappelijke markt in vijf nationale markten met verschillende prijsniveaus en ongelijke structuren, al evenzeer een spontane en voor de meeste nationale markten gelijke prijsverhoging onwaarschijnlijk maakt;

77. dat ofschoon een algemene en spontane prijsverhoging op bepaalde nationale markten, gezien hun structuur, strikt genomen denkbaar ware, nochtans moest worden verwacht dat die verhoging naar gelang van de bijzonderheden der onderscheiden nationale markten verschillend zou uitvallen;

78. dat hieruit moet worden afgeleid dat zo het de betrokken ondernemingen, met name ACNA, al als aantrekkelijk en risicovrij kon voorkomen naar een parallel gedrag ten aanzien van de prijzen te streven, het nauwelijks denkbaar is dat zodanig parallel gedrag — wat betreft het tijdstip, de betrokken markten en het betrokken assortiment — spontaan tot stand zou kunnen komen;

79. dat het niet aannemelijk is dat de prijsverhogingen van januari 1964, zoals die eerst op de Italiaanse en daarna op de Nederlandse en Belgisch-Luxemburgse markt tot stand kwamen — welke markten zowel wat het prijsniveau als wat de structuur der mededinging betreft weinig met elkander gemeen hebben —, zonder voorafgaande afstemming in twee à drie dagen hadden kunnen worden gerealiseerd;

80. dat de algemene en uniforme prijsverhoging op deze verschillende markten slechts te verklaren is door de overeenstemmende bedoelingen dezer ondernemingen om enerzijds de prijzen op te trekken en de door concurrentie middels prijskortingen ontstane situatie te herstellen, en anderzijds het aan iedere prijsverhoging verbonden risico dat de mededingingsvoorwaarden niet meer dezelfde zullen blijken te zijn als voorheen, te vermijden;

81. Overwegende dat het metterdaad de functie der mededinging op het stuk van de prijzen is een zo laag mogelijk prijsniveau te handhaven en het goederenverkeer tussen de Lid-Staten te bevorderen ten einde aldus, naar gelang van de produktiviteit en het aanpassingsvermogen der ondernemingen, een optimale spreiding der activiteiten mogelijk te maken;

82. dat een beweeglijk en gedifferentieerd prijsverloop één der wezenlijke doelstellingen van het Verdrag bevordert, namelijk de wederzijdse doordringing van de nationale markten en — daardoor — de rechtstreekse toegang der verbruikers tot de produktiebronnen van de gehele Gemeenschap;

83. dat — in verband met de beperkte soepelheid van de kleurstoffenmarkt, veroorzaakt door factoren als ondoorzichtige prijzen, de interdependentie der verschillende kleurstoffen van iedere fabrikant bij de samenstelling van het door iedere afnemer benutte produktenpakket, de betrekkelijk geringe invloed van de prijzen dezer produkten op de kostprijs van het eindprodukt van de verbruikende ondernemingen, het belang dezer ondernemingen ter plaatse over een leverancier te beschikken, de invloed van de transportkosten — het vermijden van iedere handeling die de mogelijkheid ener wederzijdse doordringing van de verschillende nationale markten op verbruikersniveau kunstmatig verkleint, van bijzonder belang wordt voor de markt der onderhavige produkten;

84. dat het weliswaar iedere fabrikant vrijstaat zijn prijzen te wijzigen en daartoe rekening te houden met het tegenwoordige of te verwachten gedrag zijner concurrenten, doch dat het anderzijds in strijd is met de mededingingsregelen van het Verdrag wanneer een fabrikant op enigerlei wijze met zijn concurrenten samenwerkt ten einde een gecoördineerde gedragslijn inzake prijsverhogingen vast te stellen en het welslagen daarvan te verzekeren door tevoren iedere onzekerheid omtrent het over en weer te volgen gedrag ten aanzien van de hoofdzaken der te ondernemen actie, zoals percentage, voorwerp, datum en plaats der verhogingen, uit te sluiten;

85. dat onder deze omstandigheden en gelet op de bijzonderheden van de markt voor de onderhavige produkten, het gezamenlijk gedrag van verzoekster en de andere vervolgde ondernemingen erop gericht is geweest de risico's van de mededinging en de ongewisheid hunner spontane reacties te vervangen door een samenwerking die een in artikel 85, lid 1, van het Verdrag verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging oplevert;

###### De invloed van de afstemming op de handel tussen de Lid-Staten

86. Overwegende dat verzoekster stelt, dat de uniforme prijsverhogingen de handel tussen de Lid-Staten niet ongunstig konden beïnvloeden, omdat de verbruikers ondanks de aanzienlijke verschillen tussen de prijzen in de verschillende staten, steeds de voorkeur hebben gegeven aan aankoop van kleurstoffen in het eigen land;

87. Overwegende dat echter uit het vorenoverwogene volgt dat de onderling afgestemde feitelijke gedragingen, gericht als zij waren op handhaving van de opsplitsing der markt, een nadelige invloed konden uitoefenen op de voorwaarden waaronder de handel in de betrokken produkten tussen de Lid-Staten zich afspeelt;

88. dat de partijen die deze gedragingen hebben volvoerd bij iedere verhoging hebben bedoeld zoveel mogelijk het risico te beperken dat de voorwaarden voor hun onderlinge mededinging zouden blijken niet meer dezelfde te zijn als voorheen;

89. dat het uniform en gelijktijdig karakter der prijsverhogingen er met name toe heeft gediend eenmaal verkregen posities te bevriezen, met vermijding van het risico van klantenverloop bij ieder der ondernemingen, en er aldus toe heeft bijgedragen dat de traditionale nationale goederenmarkten hun starheid behielden, zulks ten detrimente van de werkelijke vrijheid van het verkeer met bedoelde produkten op de gemeenschappelijke markt;

90. dat dit middel derhalve niet gegrond is;

###### De geldboete

91. Overwegende dat verzoekster subisidiair betoogt dat de haar opgelegde geldboete, die nauwelijks lager is dan die welke aan de andere ondernemingen is opgelegd, zou indruisen tegen in de beschikking ingeroepen overwegingen betreffende de ernst en de duur van de inbreuk, de omstandigheden waarin zij zou zijn begaan en het relatief belang der ondernemingen op de gemeenschappelijke markt;

92. dat de Commissie alleen voor de verhoging van 1964 schending van artikel 85 heeft aangenomen;

93. dat verzoekster anderzijds bij het welslagen dezer verhoging op de Italiaanse markt een belangrijke rol heeft gespeeld;

94. dat derhalve, vergeleken met de geldboeten opgelegd aan de andere deelnemers aan de hierbedoelde onderling afgestemde feitelijke gedragingen, een bedrag van 30000 rekeneenheden in de juiste verhouding schijnt te staan tot de ernst van de schending der communautaire mededingingsregelen;

95. dat de opgelegde geldboete derhalve tot dit bedrag dient te worden teruggebracht;

###### Ten aanzien van de proceskosten

96. Overwegende dat volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen;

97. dat verzoekster als in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet worden verwezen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1\. Verstaat dat de geldboete, aan verzoekster opgelegd bij de beschikking der Commissie van 24 juli 1969, wordt verminderd tot 30000 rekeneenheden;

2\. Verwerpt het beroep voor het overige;

3\. Verwijst verzoekster in de kosten van het geding.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

5

EEG-Verdrag art. 85 7 voorkomens

EEG-Verdrag art. 173 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 87 1 voorkomen

verordening 17/62 art. 14 1 voorkomen

verordening 17/62 art. 3 1 voorkomen

## Rechtspraak

7

### Europese Unie

7

Hof van Justitie C-276/97 12.09.2000

#### [Terbeschikkingstelling van wegen tegen betaling van tol](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-276-97-arrest)

Hof van Justitie C-358/97 12.09.2000

#### [Terbeschikkingstelling van wegen tegen betaling van tol](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-358-97-arrest)

Hof van Justitie C-359/97 12.09.2000

#### [Terbeschikkingstelling van wegen tegen betaling van tol](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-359-97-arrest)

## Rechtsleer

14

Duk, R.A.A. ; Mulder, A.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1972 p.689-695 (NL)

Steindorff, Ernst: Annotation on the Decisions of the European Court in the Dyestuff Cases of July 14, 1972, Common Market Law Review 1972, Volume 9, Issue 4, p. 502-510 (EN)

Mayras, Henri: La théorie de l'effet dans le droit des ententes, Jus Gentium 1972 p.41-61 (FR)

Albach, Horst ; Kloten, Norbert: Gutachtliche Stellungnahme zu der Preispolitik auf dem Farbstoffmarkt in der EWG in der Zeit von 1964 bis 1967, Recht und Staat in Geschichte und Gegenwart (Ed. J.C.B. Mohr - Tübingen) 1973 nº 418-419 51 p. (DE)

Aronow, Stephen A. ; Sauer, Edward: Price Fixing in the European Economic Community - Litmus Test for International Cartels - The Dyestuffs Decision, Law and Policy in International Business 1973 p.971-998 (EN)

**Bekijk de 9 andere verwijzingen**

Bailly, Jean Ullmer: Harvard International Law Journal 1973 p.621-630 (EN)

Colmant, Eric: 14 juillet 1972, une date pour le droit de la concurrence: neuf arrêts règlent trois grandes questions. Affaires des matières colorantes, Revue du Marché Commun 1973 p.15-22 (FR)

Goldman, Berthold: Journal du droit international 1973 p.925-941 (FR)

Howell III, Joel W.: Extraterritorial Application of Antitrust Legislation in the Common Market: The Dyestuffs Cases, Columbia Journal of Transnational Law 1973 p.169-181 (EN)

Korah, Valentine: Concerted Practices - The EEC Dyestuffs Case, The Modern Law Review 1973 p.220-226 (EN)

Meessen, Karl Matthias: Der räumliche Anwendungsbereich des EWG-Kartellrechts und das allgemeine Völkerrecht - Zugleich eine Stellungnahme zu den international-kartellrechtlichen Aspekten der Farbstoffe-Urteile des EuGH, Europarecht 1973 p.18-38 (DE)

Piriou, Marie-Pierre: L'affaire des colorants, Cahiers de droit européen 1973 p. 50-63 (FR)

Mestmäcker, Ernst-Joachim: Die Farbstoff-Urteile des GH, Europäisches Wettbewerbsrecht 1974 p.214-218 (DE)

Duk, R.A.A. ; Mulder, A.: Annotaties Hof van Justitie EG (Ed. W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle) 1995 p.56-61 (NL)
