---
title: "HvJ EU, C-530/20, „EUROAPTIEKA” SIA, arrest van 22 december 2022 · Geneesmiddelen voor menselijk gebruik"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2022, C-530/20, „EUROAPTIEKA” SIA: geneesmiddelen voor menselijk gebruik."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-530-20-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-530-20-arret"
---

# Arrest van het Hof van 22 december 2022, C-530/20, „EUROAPTIEKA” SIA · Geneesmiddelen voor menselijk gebruik, begrip ‚reclame voor geneesmiddelen’, rationeel gebruik van geneesmiddelen, verboden reclamegegevens, reclame voor receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen, prijsreclame, reclame voor speciale aanbiedingen, reclame voor gecombineerde verkoop

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Unie

**Samenstelling**

Grote kamer

**Zaak**

C-530/20

**ECLI**

ECLI:EU:C:2022:1014

**Datum**

22 december 2022

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Grondwettelijk hof (Letland) beslissing van 6 oktober 2020 2020-02-0306

**Zaak ingediend op**

20 oktober 2020

**Advocaat-generaal**

Szpunar

**Opmerkingen**

Griekse, Letse, Poolse regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Grondwettelijk hof beslissing van 2 maart 2023 2020-02-0306

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Lets

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Rossi

**Repertorium van het Hof**

- [Binnenlands beleid van de Europese Unie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-4) [Harmonisatie van wetgevingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-11%2C578-4.11) [Farmaceutische en cosmetische producten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-11.14%2C578-4.11.14) [Geneesmiddelen voor menselijk gebruik](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-11.14.01%2C578-4.11.14.01) [Verkoopvoorwaarden](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-4.11.14.01.05) 3 beslissingen

## Tekst

106 paragrafen

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

22 december 2022 ( \*1 )

„Prejudiciële verwijzing – Geneesmiddelen voor menselijk gebruik – Richtlijn 2001/83/EG – Artikel 86, lid 1 – Begrip ‚reclame voor geneesmiddelen’ – Artikel 87, lid 3 – Rationeel gebruik van geneesmiddelen – Artikel 90 – Verboden reclamegegevens – Reclame voor receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen – Prijsreclame – Reclame voor speciale aanbiedingen – Reclame voor gecombineerde verkoop – Verbod”

In zaak C‑530/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Latvijas Republikas Satversmes tiesa (grondwettelijk hof, Letland) bij beslissing van 6 oktober 2020, ingekomen bij het Hof op 20 oktober 2020, in de procedure

„EUROAPTIEKA” SIA

in tegenwoordigheid van:

Ministru kabinets,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, C. Lycourgos, E. Regan, P. G. Xuereb, L. S. Rossi (rapporteur), D. Gratsias en M. L. Arastey Sahún, kamerpresidenten, J.‑C. Bonichot, S. Rodin, F. Biltgen, M. Gavalec, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– „EUROAPTIEKA” SIA, vertegenwoordigd door M. Pētersons, advokāts,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Dimitrakopoulou en V. Karra als gemachtigden,

– de Letse regering, vertegenwoordigd door K. Pommere, I. Romanovska en V. Soņeca als gemachtigden,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Sauka en A. Sipos als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 december 2021,

gezien de beslissing van 2 maart 2022 tot heropening van de mondelinge behandeling en na de terechtzitting op 22 maart 2022,

gelet op de opmerkingen van:

– „EUROAPTIEKA” SIA, vertegenwoordigd door M. Pētersons, advokāts,

– de Letse regering, vertegenwoordigd door J. Davidoviča en I. Romanovska als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Sauka en A. Sipos als gemachtigden,

gehoord de aanvullende conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juni 2022,

het navolgende

### Arrest

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 86, lid 1, artikel 87, lid 3, en artikel 90 van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67), zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 (PB 2004, L 136, blz. 34) (hierna: „richtlijn 2001/83”).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die is ingeleid door „EUROAPTIEKA” SIA, een in Letland gevestigde vennootschap die in deze lidstaat farmaceutische activiteiten uitoefent, over de rechtmatigheid van een nationale bepaling die bepaalde vormen van reclame voor geneesmiddelen verbiedt.

### Toepasselijke bepalingen

#### Unierecht

3.

De overwegingen 2 en 45 van richtlijn 2001/83 luiden als volgt:

> „(2) Elke regeling op het gebied van de productie, distributie en gebruik van geneesmiddelen moet de bescherming van de volksgezondheid tot voornaamste doelstelling hebben.
>
> \[…\]
>
> (45) In een buitensporige en ondoordachte vorm gebrachte publieksreclame voor geneesmiddelen die zonder medisch recept kunnen worden afgeleverd, kan van invloed zijn op de volksgezondheid. Deze reclame, voor zover zij is toegestaan, moet bijgevolg voldoen aan bepaalde essentiële criteria die nader dienen te worden omschreven.”

4. Titel VIII van richtlijn 2001/83 heeft als opschrift „Reclame” en omvat de artikelen 86 tot en met 88. Titel VIII bis van deze richtlijn heeft als opschrift „Voorlichting en reclame” en omvat de artikelen 88 bis tot en met 100.

5.

Artikel 86 van deze richtlijn bepaalt:

> „1. Voor de doeleinden van deze titel wordt onder ‚reclame voor geneesmiddelen’ verstaan, alle vormen van colportage, marktverkenning of stimulering, die bedoeld zijn ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen. Deze reclame houdt met name in:
>
> – reclame voor geneesmiddelen, die gericht is op het publiek,
>
> \[…\]
>
> 2\. Niet onder deze titel begrepen zijn:
>
> – de etikettering en de bijsluiter, welke onder titel V vallen,
>
> – brieven, eventueel vergezeld van documentatie waarmee geen reclamedoeleinden worden nagestreefd, ter inwilliging van een specifiek verzoek om informatie over een bepaald geneesmiddel,
>
> – concrete informatie en de bijbehorende documentatie, bijvoorbeeld over wijziging van de verpakking, waarschuwingen voor ongewenste bijwerkingen in het kader van de geneesmiddelenbewaking, en over verkoopcatalogi en prijslijsten, voor zover daarin geen gegevens over het geneesmiddel staan,
>
> – informatie betreffende gezondheid of ziekten bij de mens \[voor zover die geen verwijzing, zelfs niet indirect, naar een geneesmiddel bevat\].”

6.

Artikel 87 van richtlijn 2001/83 luidt:

> „1. De lidstaten verbieden reclame voor een geneesmiddel waarvoor geen vergunning voor het in de handel brengen volgens de communautaire wetgeving is afgegeven.
>
> 2\. Alle aspecten van de reclame voor een geneesmiddel moeten in overeenstemming zijn met de gegevens die in de samenvatting van de kenmerken van het product worden verstrekt.
>
> 3\. Reclame voor een geneesmiddel:
>
> – moet het rationele gebruik van een geneesmiddel bevorderen door het objectief voor te stellen zonder de eigenschappen ervan te overdrijven,
>
> – mag niet misleidend zijn.”

7.

Artikel 88, leden 1 tot en met 3, van deze richtlijn bepaalt:

> „1. De lidstaten verbieden publieksreclame voor geneesmiddelen:
>
> a) die overeenkomstig titel VI uitsluitend op medisch recept mogen worden geleverd,
>
> b) die psychotrope stoffen of verdovende middelen in de zin van de internationale verdragen zoals die van de Verenigde Naties van 1961 en 1971, bevatten.
>
> 2\. Publieksreclame mag worden gemaakt voor geneesmiddelen die qua samenstelling en doel zijn bedoeld en ontwikkeld om zo nodig met het advies van de apotheker maar zonder diagnose, voorschrift of toezicht van een arts te worden gebruikt.
>
> 3\. De lidstaten kunnen verbieden dat op hun grondgebied publieksreclame wordt gemaakt voor geneesmiddelen die voor vergoeding in aanmerking komen.”

8.

Artikel 89, lid 1, van de richtlijn luidt als volgt:

> „Onverminderd artikel 88 moet publieksreclame voor een geneesmiddel:
>
> \[…\]
>
> b) ten minste de volgende gegevens bevatten:
>
> – de benaming van het geneesmiddel en de algemeen gebruikelijke benaming, indien het geneesmiddel slechts één werkzame stof bevat,
>
> \[…\]”

9.

Artikel 90 van deze richtlijn bepaalt:

> „Publieksreclame voor een geneesmiddel mag geen enkel gegeven bevatten:
>
> a) waaruit zou blijken dat een medisch onderzoek of chirurgische ingreep overbodig is, in het bijzonder door een diagnose aan te bieden of een behandeling per briefwisseling aan te bevelen;
>
> b) dat suggereert dat de werking van het geneesmiddel niet met bijwerking gepaard gaat en beter is dan of gelijk is aan de werking van een andere behandeling of van een ander geneesmiddel;
>
> c) dat suggereert dat de normale goede gezondheid van een persoon door gebruik van het geneesmiddel kan worden verbeterd;
>
> d) dat suggereert dat de normale goede gezondheid van een persoon kan worden aangetast wanneer het geneesmiddel niet wordt gebruikt; dit verbod geldt niet voor de in artikel 88, lid 4, bedoelde inentingscampagnes;
>
> e) dat uitsluitend of voornamelijk op kinderen is gericht;
>
> f) waarbij wordt verwezen naar een aanbeveling door wetenschappers, beroepsbeoefenaren uit de gezondheidssector of personen die weliswaar geen wetenschappers of beroepsbeoefenaren uit de sector gezondheidszorg zijn, maar toch door hun reputatie het gebruik van geneesmiddelen zouden kunnen stimuleren;
>
> g) dat het geneesmiddel gelijkstelt met een voedingsmiddel, een cosmetisch product of andere consumptiegoederen;
>
> h) dat suggereert dat de veiligheid of de werkzaamheid van het geneesmiddel te danken is aan het feit dat het om een natuurlijke stof gaat;
>
> i) dat door een beschrijving of een gedetailleerde uitbeelding van de anamnese tot een verkeerde autodiagnose kan leiden;
>
> j) waarin ten onrechte op afschrikwekkende of bedrieglijke wijze wordt verwezen naar genezenverklaringen;
>
> k) waarin ten onrechte op afschrikwekkende of bedrieglijke wijze gebruik wordt gemaakt van uitbeeldingen van veranderingen van het menselijk lichaam ten gevolge van ziekte of letsel of van de werking van een geneesmiddel in het menselijk lichaam of in delen daarvan.”

#### Lets recht

10.

Punt 18.12 van Ministru kabineta noteikumi Nr. 378 „Zāļu reklamēšanas kārtība un kārtība, kādā zāļu ražotājs ir tiesīgs nodot ārstiem bezmaksas zāļu paraugus” (decreet nr. 378 van de ministerraad van 17 mei 2011 houdende regelingen voor geneesmiddelenreclame en het aanbieden van gratis monsters van geneesmiddelen aan artsen door geneesmiddelenproducenten) (*Latvijas Vēstnesis*, 2011, nr. 78; hierna: „decreet nr. 378”) luidt als volgt:

> „Het is verboden om in publieksreclame voor een geneesmiddel informatie op te nemen die aanzet tot de aankoop van dit geneesmiddel door de noodzaak van die aankoop te rechtvaardigen op basis van de prijs van het geneesmiddel, door een speciale verkoop aan te kondigen of te vermelden dat het geneesmiddel samen met andere geneesmiddelen (ook tegen een verlaagde prijs) of samen met andere producten wordt verkocht.”

### Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11. EUROAPTIEKA maakt deel uit van een groep die eigenaar is van een netwerk van apotheken en detailhandelaren in geneesmiddelen in Letland. Volgens het Letse recht mogen apotheken ook andere soorten gezondheidsproducten dan geneesmiddelen leveren.

12. In maart 2016 kondigde EUROAPTIEKA op haar website en in haar maandblad een speciale aanbieding aan, namelijk een korting van 15 % op de aankoopprijs van om het even welk geneesmiddel bij aankoop van ten minste drie producten. Bij besluit van 1 april 2016 heeft de Veselības inspekcijas Zāļu kontroles nodaļa (afdeling geneesmiddelencontrole van de gezondheidsinspectie, Letland) EUROAPTIEKA op grond van punt 18.12 van decreet nr. 378 verboden om reclame voor die speciale aanbieding te verspreiden.

13. Op 8 januari 2020 heeft EUROAPTIEKA tegen deze bepaling grondwettelijk beroep ingesteld bij de Latvijas Republikas Satversmes tiesa (grondwettelijk hof, Letland), de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van dit beroep voert EUROAPTIEKA met name aan dat deze bepaling niet alleen geldt voor reclame voor een specifiek geneesmiddel, maar ook voor reclame voor geneesmiddelen in het algemeen. De bepalingen van richtlijn 2001/83, waaraan decreet nr. 378 uitvoering beoogt te geven, zijn daarentegen niet van toepassing op om het even welke reclame met betrekking tot de farmaceutische sector of geneesmiddelen in het algemeen, maar enkel op reclame voor specifieke geneesmiddelen. EUROAPTIEKA betoogt dat deze richtlijn een volledige harmonisatie op het gebied van reclame voor geneesmiddelen heeft doorgevoerd en dat zij de lidstaten bijgevolg belet om in hun wetgeving bijkomende regels vast te stellen die deze reclame beperken. De minsterraad heeft met de vaststelling van punt 18.12 van decreet nr. 378 de in artikel 90 van richtlijn 2001/83 opgenomen lijst van verboden reclamegegevens aangevuld en aldus artikel 288, derde alinea, VWEU geschonden.

14. De ministerraad is van mening dat het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 ruim moet worden uitgelegd en dat het verbod op reclame die niet voldoet aan het vereiste van artikel 87, lid 3, van deze richtlijn – dat reclame voor een geneesmiddel het rationele gebruik ervan moet bevorderen – niet alleen geldt voor een specifiek geneesmiddel, maar ook voor geneesmiddelen in het algemeen. Punt 18.12 van decreet nr. 378 is vastgesteld om het irrationele gebruik van receptvrije geneesmiddelen ten gevolge van prijsreclame voor dergelijke geneesmiddelen te beperken. De strengere eisen die deze nationale bepaling stelt, berusten aldus op de in overweging 45 van die richtlijn genoemde noodzaak om de volksgezondheid te beschermen tegen het risico van buitensporige en ondoordachte reclame. Deze nationale bepaling is dus in overeenstemming met richtlijn 2001/83.

15. De verwijzende rechter is van oordeel dat punt 18.12 van decreet nr. 378 een regeling inzake reclame voor geneesmiddelen in de zin van richtlijn 2001/83 is en dat op grond van deze richtlijn regels als die in deze nationale bepaling kunnen worden vastgesteld wanneer deze regels in overeenstemming zijn met de doelstellingen van deze richtlijn. Niettemin vraagt hij zich af hoe artikel 86, lid 1, artikel 87, lid 3, en artikel 90 van deze richtlijn moeten worden uitgelegd.

16. Deze rechter benadrukt om te beginnen dat volgens de rechtspraak van het Hof aan het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 een zeer ruime uitlegging moet worden gegeven, die is toegespitst op het verkoopbevorderende doel van de betrokken reclameboodschap. Uit de bewoordingen van artikel 89, lid 1, onder b), eerste streepje, van deze richtlijn, volgens welke publieksreclame voor een geneesmiddel de benaming ervan moet bevatten, zou echter kunnen volgen dat alleen reclame voor specifiek identificeerbare geneesmiddelen „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van deze richtlijn vormt. Indien dat het geval zou zijn, zouden de in punt 18.12 van decreet nr. 378 bedoelde activiteiten niet onder dat begrip kunnen vallen, aangezien deze bepaling geen betrekking heeft op informatie over specifieke geneesmiddelen, zoals de benaming ervan, maar verbiedt dat in reclame voor geneesmiddelen bepaalde informatie wordt gebruikt, zoals informatie die aanzet tot de aankoop van geneesmiddelen door de noodzaak van een dergelijke aankoop te rechtvaardigen op basis van de prijs.

17. Vervolgens merkt de verwijzende rechter op dat richtlijn 2001/83 een volledige harmonisatie op het gebied van reclame voor geneesmiddelen heeft doorgevoerd. In dit verband vraagt hij zich af of, gelet op het feit dat de in punt 18.12 van decreet nr. 378 genoemde verboden niet overeenstemmen met een van de door artikel 90 van deze richtlijn verboden reclamegegevens, en in de veronderstelling dat deze richtlijn van toepassing is, de lidstaten in hun nationale wetgeving andere reclamegegevens mogen verbieden dan die welke door dit artikel 90 zijn verboden.

18. In dit verband merkt de verwijzende rechter ten slotte op dat het Hof heeft geoordeeld dat de verenigbaarheid met richtlijn 2001/83 van andere dan de uitdrukkelijk in dat artikel 90 genoemde eisen kan worden beoordeeld in het licht van het door deze richtlijn nagestreefde doel, te weten het bevorderen van het rationele gebruik van geneesmiddelen, en van de noodzaak om elke buitensporige en ondoordachte reclame die van invloed zou kunnen zijn op de volksgezondheid, te voorkomen. Volgens deze rechter kan artikel 87, lid 3, van die richtlijn, gelezen in het licht van overweging 45 ervan, aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten toestaat alle kennelijk buitensporige en ondoordachte reclame voor geneesmiddelen die van invloed kan zijn op de volksgezondheid, te verbieden.

19.

Daarop heeft de Latvijas Republikas Satversmes tiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

> „1) Moeten de activiteiten waarop de regels in \[punt 18.12 van decreet nr. 378\] betrekking hebben, worden beschouwd als reclame voor geneesmiddelen in de zin van titel VIII (‚Reclame’) van richtlijn 2001/83?
>
> 2) Moet artikel 90 van richtlijn 2001/83 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die de lijst van verboden reclamemethoden uitbreidt en strengere beperkingen oplegt dan die waarin artikel 90 van deze richtlijn uitdrukkelijk voorziet?
>
> 3) Moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling worden beschouwd als een beperking van de reclame voor geneesmiddelen teneinde het rationele gebruik van geneesmiddelen te bevorderen in de zin van artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83?”

### Procedure bij het Hof

20. Op 13 juli 2021 heeft het Hof besloten de onderhavige zaak naar de Derde kamer te verwijzen. Diezelfde dag heeft het Hof de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden overeenkomstig artikel 61, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht bepaalde vragen schriftelijk te beantwoorden. Verzoekster in het hoofdgeding, de Griekse, de Letse en de Poolse regering en de Europese Commissie hebben op deze vragen geantwoord.

21. Na de gedeeltelijke vernieuwing van de leden van het Hof en de daaruit voortvloeiende nieuwe samenstelling van de kamers heeft het Hof deze zaak bij beslissing van 13 oktober 2021 naar de Vierde kamer verwezen.

22. De advocaat-generaal heeft op 9 december 2021 zijn conclusie genomen en vervolgens werd de mondelinge behandeling gesloten.

23. Daar de Vierde kamer van oordeel was dat de vraag welke gevolgen de arresten van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen) (C‑649/18, EU:C:2020:764), en 15 juli 2021, DocMorris (C‑190/20, EU:C:2021:609), hebben voor de beantwoording van de in de onderhavige zaak gestelde prejudiciële vragen, de aandacht van een grotere rechtsprekende formatie verdiende, heeft die kamer op 13 januari 2022 besloten om deze zaak overeenkomstig artikel 60, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering naar het Hof te verwijzen teneinde deze toe te wijzen aan een dergelijke rechtsprekende formatie.

24. Op 1 februari 2022 heeft het Hof besloten de zaak toe te wijzen aan de Grote kamer.

25. Bij beschikking van 2 maart 2022, EUROAPTIEKA (C‑530/20, niet gepubliceerd, EU:C:2022:146), heeft het Hof, de advocaat-generaal gehoord, overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge behandeling in de onderhavige zaak gelast.

26. Op 9 juni 2022 heeft de advocaat-generaal een aanvullende conclusie genomen.

### Beantwoording van de prejudiciële vragen

#### Eerste vraag

27. Uit de verwijzingsbeslissing en het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling door de Letse rechterlijke en administratieve autoriteiten aldus wordt uitgelegd dat zij zowel van toepassing is op publieksreclame voor een specifiek geneesmiddel als op publieksreclame voor ongespecificeerde geneesmiddelen, dat wil zeggen voor geneesmiddelen in het algemeen of voor een groep ongespecificeerde geneesmiddelen. Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het hoofdgeding juist betrekking heeft op de rechtmatigheid van deze nationale bepaling voor zover zij deze tweede categorie van reclame betreft.

28. In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat de verspreiding van informatie die aanzet tot de aankoop van geneesmiddelen door de noodzaak van een dergelijke aankoop te rechtvaardigen op basis van de prijs van die geneesmiddelen, door een speciale verkoop aan te kondigen of door te vermelden dat deze geneesmiddelen samen met andere geneesmiddelen, ook tegen een verlaagde prijs, of samen met andere producten worden verkocht, onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van die bepaling valt, zelfs wanneer deze informatie geen betrekking heeft op een specifiek geneesmiddel maar op ongespecificeerde geneesmiddelen.

29. Voor de beantwoording van deze vraag moet in de eerste plaats worden vastgesteld of het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 enkel betrekking heeft op reclame voor een specifiek geneesmiddel dan wel ook op reclame voor ongespecificeerde geneesmiddelen. Vervolgens moet worden beoordeeld of activiteiten waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling betrekking heeft, onder dit begrip kunnen vallen.

##### Reikwijdte van het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83

30. Artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 definieert het begrip „reclame voor geneesmiddelen” als „alle vormen van colportage, marktverkenning of stimulering, die bedoeld zijn ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen”.

31. Deze bepaling verwijst niet naar het nationale recht, zodat dit begrip moet worden beschouwd als een autonoom Unierechtelijk begrip dat uniform moet worden uitgelegd op het grondgebied van de Unie, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt \[zie in die zin arrest van 22 juni 2021, Venezuela/Raad (Geraaktheid van een derde staat), C‑872/19 P, EU:C:2021:507, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak\].

32. Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling systematisch verwijst naar „geneesmiddelen” in het meervoud. Bovendien wordt het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in die bepaling zeer ruim gedefinieerd als „elke vorm” van colportage, marktverkenning of stimulering – met inbegrip van met name „reclame voor geneesmiddelen, die gericht is op het publiek” – die niet uitdrukkelijk is uitgesloten door artikel 86, lid 2, van deze richtlijn (zie in die zin arrest van 5 mei 2011, MSD Sharp & Dohme, C‑316/09, EU:C:2011:275, punt 29).

33. In die omstandigheden kan uit de bewoordingen van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 niet worden afgeleid dat reclame voor ongespecificeerde geneesmiddelen is uitgesloten van het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van deze bepaling.

34. Wat in de tweede plaats de context van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 betreft, moet worden opgemerkt dat sommige van de bepalingen van de titels VIII en VIII bis van deze richtlijn verwijzen naar reclame voor „geneesmiddelen”, wat suggereert dat die reclame betrekking kan hebben op ongespecificeerde geneesmiddelen, terwijl andere verwijzen naar reclame voor „een geneesmiddel”.

35. Aangaande ten eerste de bepalingen van titel VIII van richtlijn 2001/83, te weten die van de artikelen 86 tot en met 88 van deze richtlijn, moet echter worden benadrukt dat deze bepalingen de algemene en fundamentele regels uiteenzetten met betrekking tot geneesmiddelenreclame (zie in die zin arrest van 5 mei 2011, Novo Nordisk, C‑249/09, EU:C:2011:272, punten 22, 24 en 25). Hieruit volgt, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft overwogen in punt 44 van zijn conclusie van 9 december 2021, dat deze bepalingen van toepassing zijn op elke handeling ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen.

36. Hoewel artikel 87 van deze richtlijn, anders dan artikel 88 ervan, dus letterlijk verwijst naar reclame voor „een geneesmiddel”, is artikel 87 door het Hof reeds aldus uitgelegd dat het algemene beginselen bevat die van toepassing zijn op alle soorten en aspecten van geneesmiddelenreclame (arrest van 5 mei 2011, Novo Nordisk,C‑249/09, EU:C:2011:272, punt 25; zie in die zin ook arrest van 8 november 2007, Gintec,C‑374/05, EU:C:2007:654, punten 51 en 55).

37. Aangaande ten tweede de bepalingen van titel VIII bis van richtlijn 2001/83 is het juist dat de artikelen 89 en 90 ervan – die specifieke regels bevatten voor publieksreclame – verwijzen naar „een geneesmiddel” in het enkelvoud en dat, zoals de verwijzende rechter opmerkt, artikel 89, lid 1, onder b), eerste streepje, van deze richtlijn bepaalt dat dergelijke reclame ten minste de benaming van het geneesmiddel moet bevatten.

38. Artikel 89, lid 1, van deze richtlijn bepaalt evenwel dat het van toepassing is onverminderd artikel 88 ervan. Bovendien doet, zoals de Poolse regering en de Commissie in essentie hebben betoogd, de omstandigheid dat de specifieke regels van de artikelen 89 en 90 van deze richtlijn betrekking hebben op reclame voor een specifiek geneesmiddel, niet af aan de zeer ruime definitie van het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83, noch aan de algemene strekking van de regels van de artikelen 86 tot en met 88 van deze richtlijn. Uit artikel 89 van deze richtlijn kan dus niet worden afgeleid dat het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van deze richtlijn aldus moet worden opgevat dat het alleen betrekking heeft op reclame voor een specifiek geneesmiddel.

39. Wat in de derde plaats de doelstellingen van richtlijn 2001/83 betreft, blijkt uit overweging 2 ervan dat deze richtlijn de bescherming van de volksgezondheid als voornaamste doelstelling heeft.

40. In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat reclame voor geneesmiddelen schade kan toebrengen aan de volksgezondheid (arrest van 5 mei 2011, Novo Nordisk,C‑249/09, EU:C:2011:272, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak), gelet op de ernstige gevolgen die een verkeerd of overmatig gebruik van receptplichtige geneesmiddelen voor de gezondheid kan hebben (arrest van 5 mei 2011, MSD Sharp & Dohme, C‑316/09, EU:C:2011:275, punt 30) en op de risico’s die ook verbonden kunnen zijn aan het overmatige en ondoordachte gebruik van receptvrije geneesmiddelen \[zie in die zin arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen), C‑649/18, EU:C:2020:764, punten 80 en 94\].

41. Er dient namelijk te worden gewezen op de zeer bijzondere aard van geneesmiddelen, die door hun therapeutische werking wezenlijk verschillen van andere goederen (zie in die zin arrest van 18 september 2019, VIPA,C‑222/18, EU:C:2019:751, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze therapeutische werking heeft tot gevolg dat onnodig of onjuist gebruik van geneesmiddelen ernstige schade kan berokkenen aan de gezondheid, zonder dat de patiënt zich daar rekenschap kan van geven bij de toediening ervan. Overconsumptie of onjuist gebruik van geneesmiddelen leidt bovendien tot risico’s voor het financiële evenwicht van de socialezekerheidsstelsels (zie in die zin arrest van 19 mei 2009, Apothekerkammer des Saarlandes e.a.,C‑171/07 en C‑172/07, EU:C:2009:316, punten 32 en 33).

42. Zo verbieden artikel 87, lid 1, en artikel 88, lid 1, onder a), van richtlijn 2001/83 zonder uitzondering respectievelijk reclame voor een geneesmiddel waarvoor geen vergunning voor het in de handel brengen volgens het Unierecht is afgegeven en publieksreclame voor geneesmiddelen die uitsluitend op medisch recept mogen worden geleverd. Voorts staat artikel 88, lid 3, van de richtlijn de lidstaten toe op hun grondgebied publieksreclame te verbieden voor geneesmiddelen die voor vergoeding in aanmerking komen.

43. Artikel 88, lid 2, van richtlijn 2001/83, gelezen in het licht van overweging 45 van deze richtlijn, volgens welke publieksreclame voor receptvrije geneesmiddelen is toegestaan, mits de voorwaarden en beperkingen van deze richtlijn in acht worden genomen (zie in die zin arresten van 11 december 2003, Deutscher Apothekerverband,[C‑322/01](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-322-01-arrest), EU:C:2003:664, punt [109](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-322-01-arrest#point-109), en 11 juni 2020, ratiopharm,C‑786/18, EU:C:2020:459, punt 40), beantwoordt eveneens aan de voornaamste doelstelling van bescherming van de volksgezondheid, aangezien deze reclame, zoals volgt uit die overweging 45, van invloed kan zijn op de volksgezondheid als zij in een buitensporige en ondoordachte vorm wordt gebracht.

44. Het hoofddoel van bescherming van de volksgezondheid zou ernstig worden ondermijnd indien artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 aldus zou worden uitgelegd dat een activiteit inzake colportage, marktverkenning of stimulering die bedoeld is ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen zonder dat daarbij naar een specifiek geneesmiddel wordt verwezen, niet onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van deze bepaling valt en dus evenmin onder de verboden, voorwaarden en beperkingen die in deze richtlijn met betrekking tot reclame zijn vastgesteld.

45. Aangezien reclame voor ongespecificeerde geneesmiddelen, zoals reclame voor een gehele klasse van geneesmiddelen voor de behandeling van dezelfde aandoening, ook betrekking kan hebben op receptplichtige geneesmiddelen of voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen, zou de uitsluiting van dergelijke reclame van de werkingssfeer van de bepalingen van richtlijn 2001/83 inzake reclame er immers op neerkomen dat de verboden van artikel 88, lid 1, onder a), en lid 3, van deze richtlijn, hun nuttige werking verliezen, aangezien alle reclame die niet specifiek op een geneesmiddel van deze klasse is gericht, buiten deze verboden zou komen te vallen.

46. Bovendien kan, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 41, 56 en 60 van zijn conclusie van 9 december 2021, reclame die is gemaakt voor een ongespecificeerde groep receptvrije geneesmiddelen, zoals reclame voor het gehele assortiment van geneesmiddelen die in een apotheek te koop worden aangeboden, net zoals reclame voor één enkel geneesmiddel buitensporig en ondoordacht zijn en derhalve de volksgezondheid schaden door de consumenten aan te sporen tot irrationeel of overmatig gebruik ervan.

47. Uit een letterlijke, systematische en teleologische uitlegging van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 volgt dus dat het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van deze bepaling alle vormen van colportage, marktverkenning of stimulering die bedoeld zijn ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van een specifiek geneesmiddel of van ongespecificeerde geneesmiddelen omvat.

48. De arresten van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen) (C‑649/18, EU:C:2020:764), en 15 juli 2021, DocMorris (C‑190/20, EU:C:2021:609), kunnen geen rechtvaardiging vormen voor een andere uitlegging van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83.

49. De zaak die heeft geleid tot het arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en verkoop online geneesmiddelen) (C‑649/18, EU:C:2020:764), had immers betrekking op de activiteit van een in een lidstaat gevestigde apotheek, die erin bestond voor consumenten in een andere lidstaat langs diverse kanalen een grootschalige reclamecampagne voor zijn onlineverkoopdiensten van geneesmiddelen te voeren. Het Hof heeft in wezen geoordeeld dat reclame voor onlineverkoopdiensten van geneesmiddelen niet binnen de werkingssfeer van de bepalingen van richtlijn 2001/83 inzake reclame voor geneesmiddelen valt, maar binnen die van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1) \[zie in die zin arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen), C‑649/18, EU:C:2020:764, punten 50 en 59\].

50. De zaak die heeft geleid tot het arrest van 15 juli 2021, DocMorris (C‑190/20, EU:C:2021:609), betrof de reclamecampagne van een apotheek in de vorm van een promotioneel kansspel waarbij de deelnemers andere gangbare voorwerpen dan geneesmiddelen konden winnen en waaraan slechts kon worden deelgenomen door een bestelling voor een receptplichtig geneesmiddel in te sturen. In deze bijzondere context heeft het Hof in de punten 21 en 22 van dat arrest geoordeeld dat deze reclamecampagne niet beoogt de klant bij zijn keuze voor een specifiek geneesmiddel te beïnvloeden, maar wel bij zijn – daaropvolgende – keuze van de apotheek waar hij dit geneesmiddel koopt, zodat een dergelijke reclamecampagne niet binnen de werkingssfeer van titel VIII van richtlijn 2001/83 valt.

51. Niettegenstaande hetgeen is vastgesteld in punt 50 van het arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen) (C‑649/18, EU:C:2020:764), en in punt 20 van het arrest van 15 juli 2021, DocMorris (C‑190/20, EU:C:2021:609), is de werkingssfeer van de bepalingen van richtlijn 2001/83 inzake reclame voor geneesmiddelen evenwel niet beperkt tot reclame voor een specifiek geneesmiddel.

##### Kwalificatie van activiteiten als die welke in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling worden genoemd, als „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83

52. Uit de bewoordingen van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 blijkt dat de doelstelling van de boodschap het wezenlijke kenmerk is van het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van deze bepaling en het beslissende element is om reclame van louter informatie te onderscheiden. Wanneer de boodschap is bedoeld ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen, vormt zij reclame in de zin van richtlijn 2001/83. Een zuiver informatieve mededeling zonder verkoopbevorderend doel valt daarentegen niet onder de bepalingen van deze richtlijn inzake reclame voor geneesmiddelen (arrest van 5 mei 2011, MSD Sharp & Dohme, C‑316/09, EU:C:2011:275, punten 31 en 32).

53. In de onderhavige zaak blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de activiteiten waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling van toepassing is, geen betrekking hebben op louter het verspreiden onder het publiek van zuiver informatieve gegevens over geneesmiddelen, zoals objectieve informatie over de prijs ervan, maar activiteiten zijn die de aankoop van geneesmiddelen stimuleren door de noodzaak om geneesmiddelen aan te schaffen te rechtvaardigen op basis van de prijs ervan, door een speciale verkoop aan te kondigen of door te vermelden dat de geneesmiddelen samen met andere geneesmiddelen, in voorkomend geval tegen een verlaagde prijs, of samen met andere door de betrokken apotheek aangeboden producten worden verkocht.

54. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijken dergelijke activiteiten een verkoopbevorderend doel te hebben en vallen zij bijgevolg onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83.

55. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat de verspreiding van informatie die aanzet tot de aankoop van geneesmiddelen door de noodzaak van een dergelijke aankoop te rechtvaardigen op basis van de prijs van die geneesmiddelen, door een speciale verkoop aan te kondigen of door te vermelden dat deze geneesmiddelen samen met andere geneesmiddelen, ook tegen een verlaagde prijs, of samen met andere producten worden verkocht, onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van die bepaling valt, zelfs wanneer deze informatie geen betrekking heeft op een specifiek geneesmiddel maar op ongespecificeerde geneesmiddelen.

#### Tweede en derde vraag

56. Met zijn tweede en zijn derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 87, lid 3, en artikel 90 van richtlijn 2001/83 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling die beperkingen oplegt waarin dat artikel 90 niet voorziet, door te verbieden dat in publieksreclame voor geneesmiddelen informatie wordt opgenomen die aanzet tot de aankoop van geneesmiddelen door de noodzaak van een dergelijke aankoop te rechtvaardigen op basis van de prijs van die geneesmiddelen, door een speciale verkoop aan te kondigen of door te vermelden dat die geneesmiddelen samen met andere geneesmiddelen, ook tegen een verlaagde prijs, of samen met andere producten worden verkocht. Voorts wenst hij te vernemen of een dergelijke nationale bepaling kan worden geacht het rationele gebruik van geneesmiddelen te bevorderen in de zin van artikel 87, lid 3, van deze richtlijn.

57. Vooraf zij opgemerkt dat volgens de door de Letse regering aan het Hof verstrekte gegevens, die de verwijzende rechter dient te verifiëren, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling uitsluitend betrekking heeft op publieksreclame voor geneesmiddelen waarvoor een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven en die noch receptplichtig zijn noch voor vergoeding in aanmerking komen. De Letse regering heeft in haar antwoord op de schriftelijke vragen van het Hof namelijk aangegeven dat reclame voor geneesmiddelen waarvoor geen vergunning is afgegeven, die receptplichtig zijn of voor vergoeding in aanmerking komen, in Letland is verboden overeenkomstig artikel 87, lid 1, en artikel 88, lid 1, onder a), en lid 3, van richtlijn 2001/83.

58. Na deze verduidelijking moet voor de beantwoording van de gestelde vragen allereerst worden vastgesteld of artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83 de lidstaten toestaat om, teneinde het rationele gebruik van geneesmiddelen te bevorderen, te verbieden dat andere dan de in artikel 90 van deze richtlijn bedoelde gegevens worden opgenomen in publieksreclame voor receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen, en vervolgens of verboden als die welke zijn vervat in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling, inderdaad betrekking hebben op gegevens die een dergelijk rationeel gebruik niet bevorderen.

##### Bevoegdheid van de lidstaten om te verbieden dat andere dan de in artikel 90 van richtlijn 2001/83 bedoelde gegevens worden opgenomen in publieksreclame voor receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen

59. Zoals in de punten 40 tot en met 43 van het onderhavige arrest is uiteengezet, gelden voor reclame voor geneesmiddelen die de volksgezondheid kunnen schaden, ook wanneer deze reclame betrekking heeft op receptvrije geneesmiddelen, de verboden, voorwaarden en beperkingen waarin richtlijn 2001/83 voorziet.

60. Bovendien heeft deze richtlijn een volledige harmonisatie op het gebied van reclame voor geneesmiddelen doorgevoerd. Wanneer niet uitdrukkelijk is bepaald dat de lidstaten afwijkende regels kunnen vaststellen, mogen zij reclame voor geneesmiddelen bijgevolg enkel onderwerpen aan de in deze richtlijn gestelde eisen (zie in die zin arrest van 8 november 2007, Gintec,C‑374/05, EU:C:2007:654, punten 20 en 25).

61. Voor publieksreclame voor receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen, zoals die welke bedoeld is in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling, behoren de in de artikelen 87, 89 en 90 van richtlijn 2001/83 geformuleerde voorwaarden en beperkingen tot die welke gelden voor de principiële toelaatbaarheid van deze reclame overeenkomstig artikel 88, lid 2, van deze richtlijn.

62. Wat met name het verband betreft tussen het in artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83 geformuleerde vereiste dat deze reclame het rationele gebruik van geneesmiddelen bevordert en de in artikel 90 van deze richtlijn vastgelegde beperkingen in de vorm van een lijst van verboden reclamegegevens, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het feit dat deze richtlijn, met name artikel 90 ervan, geen specifieke regels betreffende een bepaald reclamegegeven bevat, er niet aan in de weg staat dat de lidstaten, met het in overweging 45 van die richtlijn vermelde doel om elke in een buitensporige en ondoordachte vorm gebrachte reclame die van invloed kan zijn op de volksgezondheid te vermijden, op grond van artikel 87, lid 3, van die richtlijn een dergelijk gegeven verbieden, voor zover dit gegeven het irrationele gebruik van geneesmiddelen zou bevorderen (zie in die zin arrest van 8 november 2007, Gintec, C‑374/05, EU:C:2007:654, punten 51, 55 en 59).

63. Ook al volgt uit artikel 88, lid 2, van richtlijn 2001/83 dat reclame voor receptvrije geneesmiddelen is toegestaan, de lidstaten moeten – ter voorkoming van risico’s voor de volksgezondheid overeenkomstig het in de overwegingen 2 en 45 van deze richtlijn geformuleerde voornaamste doel van bescherming van de volksgezondheid – verbieden dat in publieksreclame voor receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen gegevens worden opgenomen die het irrationele gebruik van dergelijke geneesmiddelen kunnen stimuleren.

64. Uit het voorgaande volgt dat artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83, gelezen in het licht van overweging 45 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten dienen te verbieden dat andere dan de in artikel 90 van deze richtlijn bedoelde gegevens worden opgenomen in publieksreclame voor receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen wanneer dergelijke gegevens het irrationele gebruik van geneesmiddelen kunnen stimuleren.

##### Verboden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn

65. Met betrekking tot de vraag of verboden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, op dergelijke gegevens betrekking hebben, moet worden opgemerkt dat het, zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn aanvullende conclusie van 9 juni 2022 heeft opgemerkt, bij receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen vaak voorkomt dat de eindverbruiker zelf, zonder een arts te raadplegen, het nut of de noodzaak van de aankoop van dergelijke geneesmiddelen beoordeelt. Deze eindverbruiker beschikt echter niet noodzakelijkerwijs over specifieke en objectieve kennis op basis waarvan hij de therapeutische waarde ervan kan beoordelen. Reclame kan dan een bijzonder belangrijke invloed uitoefenen op de beoordeling en de keuze van die eindverbruiker, zowel wat de kwaliteit van het geneesmiddel als wat de aan te kopen hoeveelheid betreft.

66. Zoals de advocaat-generaal in de punten 87 en 88 van zijn conclusie van 9 december 2021 heeft opgemerkt, kunnen in deze context reclamegegevens als die waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling betrekking heeft, consumenten ertoe aanzetten receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen te kopen op basis van een economisch criterium dat verband houdt met de prijs van deze geneesmiddelen. Zij kunnen deze consumenten er dus toe brengen die geneesmiddelen te kopen en te gebruiken zonder dat objectieve beoordeling te verrichten op basis van de therapeutische eigenschappen van deze geneesmiddelen en hun concrete medische behoeften.

67. Reclame die de consument ertoe brengt om ervan af te zien om objectief te beoordelen of het gebruik van dit geneesmiddel noodzakelijk is, stimuleert het irrationele en buitensporige gebruik van dit geneesmiddel (zie in die zin arrest van 8 november 2007, Gintec,C‑374/05, EU:C:2007:654, punt 56).

68. Een dergelijk irrationeel en buitensporig gebruik van geneesmiddelen kan ook voortvloeien uit reclame die, zoals de in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling bedoelde reclame voor speciale aanbiedingen of voor de verkoop van geneesmiddelen samen met andere producten, geneesmiddelen gelijkstelt met andere consumptiegoederen, waarvoor in het algemeen kortingen en prijsverlagingen gelden bij overschrijding van een bepaald besteed bedrag.

69. In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat verboden als die in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepaling, beantwoorden aan het hoofddoel van bescherming van de volksgezondheid, voor zover zij de verspreiding verhinderen van reclamegegevens die aanzetten tot irrationeel en buitensporig gebruik van receptvrije geneesmiddelen en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen.

70. In dit verband zij eraan herinnerd dat deze verboden niet zien op de verspreiding van zuiver informatieve gegevens over dergelijke geneesmiddelen zonder enig verkoopbevorderend oogmerk, maar op de verspreiding van inhoud die bedoeld is om de aankoop van die geneesmiddelen te stimuleren, hetzij door verwijzing naar de prijs ervan, een speciale verkoop of een verkoop samen met andere geneesmiddelen, in voorkomend geval tegen een verlaagde prijs, of samen met andere producten.

71. Het klopt dat het Hof heeft geoordeeld dat de doeltreffende bescherming van de gezondheid en het leven van personen onder meer vereist dat geneesmiddelen tegen redelijke prijzen worden verkocht en dat prijsconcurrentie derhalve de patiënt ten goede zou kunnen komen, aangezien deze het in voorkomend geval mogelijk zou maken geneesmiddelen aan te bieden tegen voordeligere prijzen (zie in die zin arrest van 19 oktober 2016, Deutsche Parkinson Vereinigung,C‑148/15, EU:C:2016:776, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72. Uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt echter dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling enkel reclame voor speciale aanbiedingen of voor gecombineerde verkoop alsook prijsreclame verbiedt, maar daarbij de mogelijkheid die door het Letse recht wordt geboden aan entiteiten die geneesmiddelen in de handel brengen om bij de verkoop van geneesmiddelen en andere gezondheidsproducten kortingen en prijsverlagingen toe te kennen, onverlet laat.

73. Gelet op een en ander moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 87, lid 3, en artikel 90 van richtlijn 2001/83 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale bepaling die verbiedt dat in publieksreclame met betrekking tot receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen informatie wordt opgenomen die aanzet tot de aankoop van geneesmiddelen door de noodzaak van een dergelijke aankoop te rechtvaardigen op basis van de prijs van die geneesmiddelen, door een speciale verkoop aan te kondigen of door te vermelden dat de geneesmiddelen samen met andere geneesmiddelen, ook tegen een verlaagde prijs, of samen met andere producten worden verkocht.

### Kosten

74. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

### Dictum

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, moet aldus worden uitgelegd dat de verspreiding van informatie die aanzet tot de aankoop van geneesmiddelen door de noodzaak van een dergelijke aankoop te rechtvaardigen op basis van de prijs van die geneesmiddelen, door een speciale verkoop aan te kondigen of door te vermelden dat deze geneesmiddelen samen met andere geneesmiddelen, ook tegen een verlaagde prijs, of samen met andere producten worden verkocht, onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van die bepaling valt, zelfs wanneer deze informatie geen betrekking heeft op een specifiek geneesmiddel maar op ongespecificeerde geneesmiddelen.

2) Artikel 87, lid 3, en artikel 90 van richtlijn 2001/83, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale bepaling die verbiedt dat in publieksreclame met betrekking tot receptvrije en niet voor vergoeding in aanmerking komende geneesmiddelen informatie wordt opgenomen die aanzet tot de aankoop van geneesmiddelen door de noodzaak van een dergelijke aankoop te rechtvaardigen op basis van de prijs van die geneesmiddelen, door een speciale verkoop aan te kondigen of door te vermelden dat de geneesmiddelen samen met andere geneesmiddelen, ook tegen een verlaagde prijs, of samen met andere producten worden verkocht.

ondertekeningen

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

8

richtlijn 2001/83 art. 86 uitgelegd 22 voorkomens

richtlijn 2001/83 art. 90 uitgelegd 18 voorkomens

richtlijn 2001/83 art. 87 uitgelegd 11 voorkomens

richtlijn 2001/83 art. 88 10 voorkomens

richtlijn 2001/83 art. 89 8 voorkomens

VWEU art. 267 1 voorkomen

VWEU art. 288 1 voorkomen

[C-322/01, arrest van 11 december 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-322-01-arrest) 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Hof van Justitie C-620/21 11.05.2023

#### [Vrijstellingen voor diensten welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en de sociale zekerheid en zijn verricht door organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard zijn erkend](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-620-21-arrest)

## Rechtsleer

3

Rigaux, Anne: Circulation des marchandises - Publicité pour les médicaments, Europe 2023, n° 2 février, comm. 56 (FR)

Granet, Elijah Zachary: Getting Specific on Non-Specificities: Case C-530/20 SIA “EUROAPTIEKA”, European Journal of Risk Regulation 2023, Volume 14, Issue 3, p. 626-630 (EN)

Eskenazy, Déborah: Être ou ne pas être de la publicité pour des médicaments, Journal de droit européen 2024, nº 8, p. 382-386 (FR)
