---
title: "HvJ EU, 53/79, arrest van 14 februari 1980 · Verordening 574/72 art. 45, EEG-Verdrag art. 177"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 februari 1980, 53/79: verordening 574/72 art. 45, EEG-Verdrag art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-53-79-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-53-79-arret"
---

# Arrest van het Hof van 14 februari 1980, 53/79 · Verordening 574/72 art. 45, EEG-Verdrag art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Derde kamer

**Zaak**

53/79

**ECLI**

ECLI:EU:C:1980:44

**Datum**

14 februari 1980

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Cour de cassation, 3e chambre (België) beslissing van 19 maart 1979 5879

**Zaak ingediend op**

9 april 1979

**Advocaat-generaal**

Reischl

**Opmerkingen**

Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Cour de cassation, 3e chambre beslissing van 19 mei 1980

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1980, blz. 273

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Mackenzie Stuart

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Bevoegdheid van Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.02) 167 beslissingen
  - [Vrij verkeer van personen en diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04%2C578-4.04) [Sociale Zekerheid van werknemers](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06) [Ouderdom en overlijden](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06.04) Voorlopige uitkeringen

## Tekst

26 paragrafen

### ARREST

### De feiten

Het verwijzingsarrest en de krachtens artikel 20 van's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

1.

De leden 1 en 4 van artikel 45 van verordening nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972, (PB L 74 van 1972, blz. 1) luiden als volgt:

> 1.„ Indien het behandelende orgaan vaststelt dat de aanvrager krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling recht heeft op uitkeringen zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met de tijdvakken van verzekering of wonen die zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van andere Lid-Staten, betaalt het deze onmiddellijk als voorlopige uitkering ...
>
> ...
>
> 4.Het orgaan dat krachtens lid 1, 2 of 3 uitkeringen dient te betalen, stelt de aanvrager hiervan onmiddellijk in kennis waarbij het uitdrukkelijk zijn aandacht vestigt op de voorlopige aard van de hiertoe genomen maatregel waartegen geen beroep kan worden aangetekend.”

2. Fioravantc Damiani, die in België mijnwerker is geweest, heeft op 10 februari 1975 bij de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (RWP) een aanvraag om rustpensioen ingediend. Na behandeling van het dossier en na ontvangst van alle nodige gegevens voor de vaststelling van het pensioen, heeft de RWP het recht van betrokkene op een volledig mijnwerkerspensioen erkend. Hij heeft hem echter meegedeeld dat dit pensioen hem slechts zou kunnen worden betaald na aftrek van zijn Italiaans invaliditeitspensioen, en dat een beslissing zou worden genomen zodra het bedrag van laatstgenoemd pensioen bekend zou zijn ingevolge een daartoe strekkend verzoek om inlichtingen van de RWP aan het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale.

3.

Daar de RWP naliet te zijnen opzichte een formele beslissing te nemen, heeft Damiani zich op 25 maart 1976 tot de Arbeidsrechtbank te Bergen gewend om zijn recht op een rustpensioen te doen erkennen. De Arbeidsrechtbank te Bergen heeft erkend dat betrokkene recht had op het aangevraagde pensioen, maar dat dit slechts kon worden betaald na aftrek van het Italiaanse pensioen, en heeft, bij vonnis van 26 november 1976, de vordering ongegrond verklaard.

Betrokkene is op 28 januari 1977 tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het Arbeidshof te Bergen.

Na dit beroep heeft de RWP op 16 mei 1977 aan Damiani een beslissing meegedeeld, waarbij hem voorlopig een pensioen van BFR 159420 werd toegekend vanaf 1 maart 1975. Daarin werd gepreciseerd dat tegen die beslissing, gezien haar voorlopig karakter, krachtens artikel 45, lid 4, van's Raads voornoemde verordening geen beroep kon worden aangetekend.

Naar aanleiding van deze beslissing heeft Damiani voor het Arbeidshof een incidentele vordering ingesteld tot betaling van gerechtelijke interessen over de verschuldigde bedragen vanaf de datum waarop zijn pensioenrechten waren erkend.

4.

Bij arrest van 13 januari 1978 heeft het Arbeidshof te Bergen beslist dat ingevolge de op 16 mei 1977 door de RWP genomen beslissing om voorlopige uitkeringen toe te kennen, de eis van appellant strekkende tot het doen vaststellen van een dergelijke maatregel, zijn belang had verloren. Het heeft echter de incidentele vordering toegewezen en de RWP veroordeeld tot betaling van gerechtelijke interessen vanaf 25 maart 1976, de datum van de dagvaarding, over de aan Damiani voorlopig toegekende bedragen.

Het arrest berust op artikel 45, lid 1, van verordening nr. 574/72, luidens hetwelk het behandelende orgaan, indien het vaststelt dat de aanvrager krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling recht heeft op uitkeringen zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met de tijdvakken van verzekering of wonen die zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van andere Lid-Staten, verplicht is deze onmiddellijk als voorlopige uitkering te betalen. Volgens het arrest is de bevoegde instantie ingevolge deze bepaling verplicht, krachtens haar gebonden bevoegdheid een besluit te nemen waarbij het recht wordt erkend. Bijgevolg mag de rechter zich in de plaats stellen van de administratie en is de belanghebbende gerechtigd beroep in te stellen krachtens de artikelen 92 en 93 van de Belgische Grondwet, waarin aan de rechterlijke macht de taak wordt opgelegd, de burger tegen administratieve willekeur te beschermen. Weliswaar kan volgens artikel 45, lid 4, van verordening nr. 574/72 tegen de inhoud van de maatregel geen beroep worden aangetekend, maar het ligt anders wanneer een maatregel uitblijft. De betrokkene heeft het recht zich in rechte over een dergelijk uitblijven te beklagen. Het arrest leidt daaruit de bevoegdheid af om uitspraak te doen volgens artikel 45, lid 1, van verordening nr. 574/72 en, met toepassing van de Belgische rechtsregels, gerechtelijke interessen toe te kennen over het bedrag der voorlopig toegekende uitkeringen.

5.

De RWP heeft beroep tot cassatie van dit arrest ingesteld en daartoe de volgende drie middelen aangevoerd:

1) Artikel *45,* lid 4, van verordening nr. 574/72 bepaalt dat tegen de beslissing van het behandelende orgaan om onmiddellijk op grond van artikel 45, lid 1, van dezelfde verordening voorlopige sociale zekerheidsuitkeringen te betalen, geen beroep kan worden aangetekend. Bijgevolg kan de arbeidsrechter het orgaan niet veroordelen tot betaling van een voorlopig pensioen krachtens diezelfde bepaling, en het dus evenmin veroordelen tot betaling van wetelijke en gerechtelijke interessen over het bedrag van een dergelijk pensioen.

2) De RWP betwist dat artikel 45, lid 1, van verordening nr. 574/72, in casu toepasselijk was. De in die bepaling bedoelde onmiddellijke voorlopige betaling door het behandelende orgaan vooronderstelt dat de betrokkene recht heeft op uitkeringen krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. In casu is aan deze voorwaarde niet voldaan. Wegens zijn Italiaans invaliditeitspensioen had Damiani geen recht op uitkeringen krachtens de Belgische wettelijke regeling. De RWP beroept zich daartoe op artikel 25 van het Belgisch koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, luidens hetwelk

> „uitgezonderd in de gevallen en onder de voorwaarden door de Koning bepaald, het rust- en overlevingspensioen slechts uitbetaalbaar zijn zo de gerechtigde geen beroepsarbeid uitoefent en zo hij geen vergoeding geniet wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid bij toepassing van een Belgische of van een buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid.”

Het is slechts „door eenvoudig administratief gedogen, niet uitgedrukt in de wetteksten” dat de R WP op 16 mei 1977 erin heeft toegestemd voorlopig een pensioen toe te kennen, gelijk aan het verschil tussen het volledige mijnwerkerspensioen en het Italiaanse invaliditeitspensioen.

3) Het recht op betaling van een rust- en overlevingspensioen is een „politiek recht” in de zin van artikel 93 van de Belgische Grondwet, zodat de bepalingen van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, over de in geval van vertraging verschuldigde wettelijke interessen, niet van toepassing zijn.

6.

Onder verwijzing naar het eerste cassatiemiddel van de RWP heeft het Hof van Cassatie vastgesteld dat het aanhangige geschil een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht opwerpt en dat het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag bij uitsluiting bevoegd is bij wcge van prejudiciële beslissing daarover uitspraak te doen.

Bij arrest van 19 maart 1979 heeft het Hof van Cassatie (Derde kamer) derhalve elke beslissing aangehouden en het Hof de navolgende vraag gesteld:

> „Wanneer het behandelende orgaan, bedoeld in artikel 45, lid 1, van;s Raads verordening nr. 574/72 van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, vaststelt dat de aanvrager krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling recht heeft op uitkeringen zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van andere Lid-Staten, en het deze niet onmiddellijk als voorlopige uitkeringen betaalt, en wanneer het behandelende orgaan, nadat de aanvrager het voor de bevoegde nationale rechter heeft gedagvaard om een voorlopige uitspraak te verkrijgen, besluit de voorlopige uitkeringen toe te kennen vanaf een aan de dagvaarding voorafgaande datum: verzetten de bepalingen van artikel 45, leden 1 en 4, van die verordening zich dan ertegen, dat de aangezochte rechter op verzoek van de aanvrager en krachtens nationaal recht gerechtelijke interessen toekent over de voorlopig verschuldigde uitkeringen sinds de datum van de dagvaarding?”

7.

De verwijzingsbeschikking is op 9 april 1979 ter griffie van het Hof ingekomen.

Krachtens artikel 20 van's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door F. Damiani, te dezen vertegenwoordigd door D. Rassini, vakbondsafgevaardigde; door de RWP, te dezen vertegenwoordigd door zijn administrateurgeneraal R. Masyn; en dooide Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Amphoux als gemachtigde.

Bij beschikking van 19 september 1979 is de zaak naar de Tweede kamer verwezen. Krachtens de overgangsbepalingen inzake de toewijzing van de zaken aan de kamers, door het Hof vastgesteld in zijn vergadering van 9 oktober 1979, is de zaak toegewezen aan de Derde kamer.

Het Hof (Derde kamer) heeft, op rapport van de rechtcr-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van's Hofs Statuut-EEG

A — Damiani merkt in de eerste plaats op, dat de Belgische wetgeving, anders dan bijvoorbeeld de Italiaanse, niet uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt, beroep in te stellen wegens nalatigheid van de administratie in het nemen van een beslissing. In de artikelen 92 en 93 van de Belgische Grondwet is echter aan de rechterlijke macht de taak opgelegd, de burgers tegen administratieve willekeur te beschermen. Ofschoon de ter zake dienende gemeenschapsverordeningen geen enkele bepaling bevatten krachtens welke kan worden opgetreden tegen nalatige organen, zijn de bevoegde organen niettemin ingevolge de artikelen 41, 45, lid 1, en 50 van verordening nr. 574/72 verplicht, alles in het werk te stellen om de behandeling van pensioenaanvragen en de vaststelling van uitkeringen te bespoedigen. Ook al kunnen volgens artikel 45, lid 4, van verordening nr. 574/72 voorlopige beslissingen niet worden betwist, toch verzet niets zich ertegen dat een pensioenaanvrager, geconfronteerd met de traagheid van de administratie, een rechtsvordering instelt om zijn rechten geldend te maken. Wat de gerechtelijke interessen betreft: voor zover zij zijn bestemd om de sociaal verzekerde schadeloos te stellen voor het nadeel, hem toegebracht dooide late betaling van de uitkering (welk nadeel onder meer voortvloeit uit de aanzienlijke koopkrachtvermindering van de munt sinds de dag waarop de gevraagde uitkering had moeten worden betaald), en om de traagheid van de administratie te sanctioneren, zijn zij onscheidbaar verbonden met de krachtens de gemeenschapsverordeningen verschuldigde prestaties. Concluderend geeft Damiani in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt: „Artikel 45, lid 4, van verordening nr. 574/72 verzet zich er niet tegen, dat een migrerend werknemer die een pensioen aanvraagt, zich tot de rechter wendt om zijn pensioenrechten geldend te maken ingeval het bevoegde orgaan het bepaalde in lid 1 van hetzelfde artikel niet zou toepassen. Dezelfde bepaling verzet zich er niet tegen, dat de aangezochte rechter over de voorlopig betaalde uitkeringen gerechtelijke interessen toekent indien deze krachtens het nationale recht zijn verschuldigd.”

Β — Volgens de RWP is de vraag van het Hof van Cassatie inopportuun. De RWP herinnert eraan, dat hij voor het Hof van Cassatie drie middelen heeft aangevoerd. Hij acht de verwijzing, die door het eerste middel is geïnspireerd, overbodig ingeval het tweede of het derde middel zou worden aanvaard. Het Hof van Cassatie heeft die laatste middelen echter niet onderzocht. Bovendien gaat de gestelde vraag uit van onjuiste rechtsfeiten en geeft zij de indruk dat men in casu verplicht is artikel 45, lid 1, van de verordening toe te passen en dat krachtens het nationale recht gerechtelijke interessen zijn verschuldigd, hetgeen niet het geval is. Hoe het ook zij, artikel 45, leden 1 en 4, van de verordening heeft niets te maken met het verschuldigd zijn van gerechtelijke interessen. In lid 4 wordt immers bepaald dat tegen de voorlopige maatregel geen beroep kan worden aangetekend. Daaruit volgt dat de aanvrager zich niet tot een rechter kan wenden om wijziging te verkrijgen van het bedrag dat het bevoegde orgaan hem voorlopig heeft toegekend. Gezien deze onmogelijkheid, treedt derhalve ipso facto geen schade op gedurende een gerechtelijke procedure en is het toekennen van gerechtelijke interessen uitgesloten. Bovendien biedt geen enkele bepaling van ge-meenschaps- of nationaal recht de aanvrager de mogelijkheid, het behandelende orgaan rechtstreeks voor de rechter te dagen met het oog op de toetsing van een definitieve beslissing of een voorlopige maatregel. De RWP concludeert dan ook dat het Hof „verklare voor recht dat het verschuldigd zijn van gerechtelijke interessen aan de sociaal verzekerden een vraagstuk is dat valt onder het nationale recht en waarover alleen de nationale rechter uitspraak kan doen. Bijgevolg hebben de bepalingen van artikel 45, leden 1 en 4, van verordening nr. 574/72 met deze vraag niets te maken.”

C — In haar schriftelijke opmerkingen onderzoekt de Commissie achtereenvolgens deze twee vragen: Verzet artikel 45, lid 4, van verordening nr. 574/72 zich ertegen, dat bij een nationale rechter een beroep aanhangig wordt gemaakt tegen de weigering van een sociale-zekerheidsinstelling om de in artikel 45, lid 1, bedoelde voorlopige uitkering te betalen, of tegen de vertraging bij het betalen ervan? Zo een dergelijk beroep mogelijk is, kan het dan leiden tot de toekenning aan de verzekerde van gerechtelijke interessen over de verschuldigde bedragen? Wat de eerste vraag betreft, voert de Commissie aan dat artikel 45, lid 4, op zichzelf beschouwd, aldus zou kunnen worden opgevat, dat geen gerechtelijke betwisting mogelijk is van de beslissingen die de sociale-zekerheidsinstellingen moeten nemen om uitvoering te geven aan de bepalingen van artikel 45. Volgens de Commissie is deze uitlegging echter niet aanvaardbaar. De uitdrukking „geen beroep kan worden aangetekend” moet veeleer worden gelezen in samenhang met die welke de voorlopige aard van de maatregel betreft. Artikel 45, lid 4, betekent enkel dat de beslissing omtrent voorlopige toekenning van uitkeringen niet kan leiden tot tussenkomst van de rechter met betrekking tot de vaststelling van de definitieve situatie van betrokkene voor wat zijn rechten op uitkering betreft. Die bepaling verhindert echter niet dat beroep wordt ingesteld in geval van slechte toepassing van artikel 45, bijvoorbeeld wanneer de uitkeringen niet of te laat worden betaald, of wanneer de voorlopig betaalde bedragen in geen verhouding staan tot de verschuldigde uitkeringen. Elke andere opvatting betekent een miskenning van de verbindende aard van de bepalingen van artikel 45, en van de vereisten die krachtens artikel 189 EEG-Verdrag uit hun verordenend karakter voortvloeien, en met name de rechtstreekse werking die zij moeten hebben in de interne rechtsorde van de Lid-Staten. Met betrekking tot de vraag of het door de verzekerde bij de bevoegde nationale rechter ingestelde beroep wegens niet of te late betaling van krachtens artikel 45 van verordening nr. 574/72 verschuldigde uitkeringen, kan strekken tot toekenning van gerechtelijke interessen over de verschuldigde bedragen, is de Commissie van mening dat de nationale rechter bij de huidige stand van het recht moet nagaan of zijn nationale rechtsregels het mogelijk maken die vordering toe te wijzen. De toekenning van gerechtelijke interessen kan een middel zijn om de toepassing van de communautaire bepalingen doeltreffend te waarborgen. Hoe dan ook, niets in artikel 45, lid 4, van verordening nr. 574/72 verhindert een veroordeling tot betaling van dergelijke interessen, wanneer deze krachtens het nationale recht kunnen worden toegekend. Concluderend geeft de Commissie in overweging, de gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt: „Artikel 45, lid 4, van verordening nr. 574/72 verzet zich er niet tegen, dat de nationale rechter bij wie een geschil aanhangig is inzake de miskenning, door een sociale-zekerheidsinstelling, van haar verplichtingen krachtens de leden 1, 2 of 3 van hetzelfde artikel betreffende de voorlopige betaling van uitkeringen, aan de rechthebbende op die uitkeringen, op diens verzoek en met toepassing van het nationale recht, gerechtelijke interessen toekent over de verschuldigde uitkeringen.”

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 29 november 1979 heeft de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 17 januari 1980 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij arrest van 19 maart 1979, ingekomen ter griffie van het Hof op 9 april 1979, heeft het Belgische Hof van Cassatie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag gesteld over de uitlegging van artikel 45, leden 1 en 4, van verordening nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74 van 1972, blz. 1).

2. Die vraag is gerezen in een geschil tussen een werknemer die pensioenuitkeringen heeft aangevraagd, en de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (RWP), over de kwestie of krachtens nationaal recht gerechtelijke interessen mogen worden toegekend over het bedrag van voorlopige uitkeringen die ingevolge artikel 45, leden 1 en 4, van genoemde verordening zijn verschuldigd.

3.

Artikel 45, lid 1, van verordening nr. 574/72 bepaalt:

> „Indien het behandelende orgaan vaststelt dat de aanvrager krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling recht heeft op uitkeringen zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van andere Lid-Staten, betaalt het deze onmiddellijk als voorlopige uitkering.”

Lid 4 van dit artikel preciseert dat het orgaan dat krachtens lid 1 uitkeringen dient te betalen, „de aanvrager hiervan onmiddellijk in kennis (stelt) waarbij het uitdrukkelijk zijn aandacht vestigt op de voorlopige aard van de hiertoe genomen maatregel waartegen geen beroep kan worden aangetekend.”

4.

De vraag van het Hof van Cassatie luidt als volgt:

> „Wanneer het behandelende orgaan, bedoeld in artikel 45, lid 1, van's Raads verordening nr. 574/72 van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, vaststelt dat de aanvrager krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling recht heeft op uitkeringen zonder dat rekening behoeft te worden gehouden met de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens de wettelijke regeling van andere Lid-Staten, en het deze niet onmiddellijk als voorlopige uitkeringen betaalt, en wanneer het behandelende orgaan, nadat de aanvrager het voor de bevoegde nationale rechter heeft gedagvaard om een voorlopige uitspraak te verkrijgen, besluit de voorlopige uitkeringen toe te kennen vanaf een aan de dagvaarding voorafgaande datum: verzetten de bepalingen van artikel 45, leden 1 en 4, van die verordening zich dan ertegen, dat de aangezochte rechter op verzoek van de aanvrager en krachtens nationaal recht gerechtelijke interessen toekent over de voorlopig verschuldigde uitkeringen sinds de datum van de dagvaarding?”

5. De RWP acht het verzoek om een prejudiciële beslissing niet ontvankelijk omdat de gestelde vraag, gezien de verschillende, voor de verwijzende rechter aangevoerde middelen, „inopportuun” zou zijn. Opgemerkt zij evenwel, dat het niet aan het Hof staat, zich uit te spreken over de opportuniteit van het verzoek om een prejudiciële beslissing. In het kader van de taakveredeling tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag is het immers de nationale rechter — de enige die de feiten en de door partijen aangevoerde argumenten rechtstreeks kent en verantwoordelijk is voor de te geven beslissing — die met volle kennis heeft te beoordelen of de in het voor hem aanhangige geschil opgeworpen rechtsvragen relevant zijn en of een prejudiciële uitspraak noodzakelijk is om vonis te kunnen wijzen.

6. Vervolgens stelt de RWP dat de uitdrukking „waartegen geen beroep kan worden aangetekend” in artikel 45, lid 4, elke mogelijkheid uitsluit om de beslissingen die door de bevoegde organen in het kader van artikel 45 kunnen worden genomen, in rechte te betwisten. Daaruit zou met name volgen dat de nationale rechterlijke instanties — op straffe van inbreuk op artikel 45 — aan de uitkeringsgerechtigde geen gerechtelijke interessen krachtens nationaal recht over de verschuldigde uitkeringen kunnen toekennen.

7. Het Hof kan met die uitlegging niet instemmen. Zij is onverenigbaar met het verplichte karakter der in artikel 45 bedoelde voorlopige uitkeringen. Artikel 45, lid 1, legt immers het bevoegde orgaan de verplichting op om, indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan, de voorlopig verschuldigde uitkeringen „onmiddellijk” te betalen. Dit verplichte karakter van de betaling der uitkeringen wordt bevestigd door artikel 45, lid 4, waarin wordt gesproken van „het orgaan dat krachtens lid 1, 2 of 3 uitkeringen *dient te* betalen.” Tegenover deze door artikel 45 aan de bevoegde organen opgelegde verplichting staat een recht van de sociaal verzekerde, dat de nationale rechterlijke instanties hebben te handhaven.

8. Artikel 45, lid 4, mag bijgevolg niet aldus worden uitgelegd, dat het ten doel heeft elke mogelijkheid van rechterlijke bescherming van het recht op voorlopige uitkeringen uit te sluiten. De uitdrukking „waartegen geen beroep kan worden aangetekend” in artikel 45, lid 4, gelezen in verband met de eraan voorafgaande woorden „voorlopige aard”, betekent enkel dat tegen de maatregelen, door de bevoegde organen krachtens artikel 45, lid 1, genomen, geen beroep strekkende tot definitieve vaststelling van betrokkenes rechten op uitkering mogelijk is. Artikel 45, lid 4, verzet zich er echter niet tegen, dat bij de bevoegde nationale rechterlijke instanties beroep wordt ingesteld tegen het niet of te laat nakomen door het bevoegde orgaan, van de krachtens artikel 45, lid 1, op hem rustende verplichtingen, en dat aan verzoeker vervolgens krachtens nationaal recht gerechtelijke interessen over de verschuldigde bedragen worden toegekend.

9. Op de gestelde vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 45, lid 4, van verordening nr. 574/72 zich niet ertegen verzet dat de nationale rechterlijke instantie waarbij beroep is ingesteld tegen de schending door het bevoegde orgaan van de krachtens artikel 45, lid 1, van die verordening op hem rustende verplichtingen, aan verzoeker desgevraagd krachtens nationaal recht gerechtelijke interessen toekent over de voorlopig verschuldigde uitkeringen.

#### Kosten

10. De kosten door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

uitspraak doende op de door het Belgische Hof van Cassatie bij arrest van 19 maart 1979 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 45, lid 4, van verordening nr. 574/72 verzet zich niet ertegen, dat de nationale rechterlijke instantie waarbij beroep is ingesteld tegen de schending door het bevoegde orgaan van de krachtens artikel 45, lid 1, van die verordening op hem rustende verplichtingen, aan verzoeker desgevraagd krachtens nationaal recht gerechtelijke interessen toekent over de voorlopig verschuldigde uitkeringen.

### Voetnoten

- 1 Zie hiervóór, sub I, 5.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

5

verordening 574/72 art. 45 uitgelegd 20 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 189 1 voorkomen

verordening 574/72 art. 41 1 voorkomen

verordening 574/72 art. 50 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer C-284/03 04.05.2004

#### [Vrijgestelde handelingen, verhuur van onroerende goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-284-03-conclusie)
