Arrest van het Hof van 10 december 1975, 53/75 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 53/75 ECLI:EU:C:1975:173 10 december 1975

Zoeken

Arrest van het Hof van 10 december 1975, 53/75EEG-Verdrag art. 177, verordening 495/69 art. 3

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-53-75-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
53/75
ECLI
ECLI:EU:C:1975:173
Datum
10 december 1975

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Hof van Cassatie (België) beslissing van 20 mei 1975 2069
Zaak ingediend op
12 juni 1975
Advocaat-generaal
Reischl
Nationale beslissing na het arrest
Hof van Cassatie beslissing van 24 februari 1976 2069 ; Hof van beroep Gent, 3e kamer beslissing van 2 februari 1977 513/76 35.517

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Nederlands
Jurisprudentie
Jurispr. 1975, blz. 1647
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Donner
Repertorium van het Hof

Tekst

69 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het proscesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — Feiten en Procesverloop

Tussen 6 december 1968 en 5 maart 1969 werd bij een der douanekantoren te Antwerpen een uit een derde land afkomstig produkt ten invoer aangegeven onder de benaming „chocolate flavoured consumable ice” („cacaohoudend consumptie-ijs”), onder dekking van een invoervergunning voor cacao-consumptie-ijs, vallende onder post 18.06, onderverdeling B II b van het gemeenschappelijk douanetarief.

De importeurs werden vervolgd ter zake van de invoer onder deze benaming. Vastgesteld werd dat een invoervergunning geldig voor onderverdeling F VII b, 1, van post 21.07 had moeten worden overgelegd, daar de betrokken goederen niet alleen niet als consumptie-ijs konden worden aangemerkt maar bovendien, volgens de door het Rijkslaboratorium van het bestuur der douane en accijnzen verrichte analyses, geen cacao bevatten. Volgens deze analyse bestond het produkt uit ongeveer 14 % water, 66 % vetstof en 20 % saccharose en voor de rest uit kleurstoffen; in deze samenstelling vertoonde het produkt bij een temperatuur van 20o C na 24 uur geen enkel spoor van smelten.

Uit de vaststellingen van de rechter in eerste aanleg, die verweerders veroordeeld heeft, blijkt dat de goederen werden verwerkt en als boterolie aan buitenlandse kopers werden doorverkocht.

Het Hof van beroep te Brussel, afdeling Antwerpen, aanvaardde de bevindingen van het laboratorium weliswaar als juist, maar oordeelde dat de overtredingen van de douanewetgeving niet waren bewezen, op de volgende gronden: ten tijde van de feiten bestond er geen wettelijke omschrijving van het begrip „consumptie-ijs”, en uitgemaakt dient te worden of het produkt klaarblijkelijk en voor iedereen duidelijk de benaming „consumptie-ijs” in generlei mate verdient, zodat verweerders het in hun aangifte met opzet onder een gunstiger tariefpost hebben doen vallen. Volgens het arrest zijn noch het vetgehalte, noch het smeltpunt in dit opzicht doorslaggevende kenmerken en niet wordt aangetoond dat het produkt, hetzij in zijn oorspronkelijke vorm, hetzij geëxpandeerd, niet zou kunnen worden verbruikt als een bevroren voedingsprodukt met hoog vetgehalte, dat als „consumptie-ijs” zou kunnen worden beschouwd.

Het Hof van cassatie overweegt dat de wettigheid van het arrest van het Hof van beroep afhangt van een uitlegging van het Gemeenschapsrecht, daar het begrip „consumptie-ijs” van de posten 18.06 B en 21.07 C van het gemeenschappelijk douanetarief, niet door dit tarief wordt omschreven.

Bij arrest van 20 mei 1975, ingeschreven ter griffie van het Hof op 12 juni 1975, besloot het Hof van cassatie van België het geding te schorsen en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag te verzoeken bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de navolgende vragen:

1. of de verordening nr. 495/69 van 18 maart 1969 van de Commissie van de Europese Economische Gemeenschap van toepassing is voor de indeling van goederen ingevoerd vóór haar inwerkingtreding, met name voor de indeling van goederen ingevoerd tijdens de periode van 6 december 1968 tot en met 5 maart 1969:

2. welke de omschrijving was van het begrip „consumptie-ijs” voor de toepassing van de posten 18.06 B en 21.07 C van het gemeenschappelijk douanetarief vóór de inwerkingtreding van de verordening nr. 495/69, met name tijdens de periode van 6 december 1968 tot en met 5 maart 1969, en meer bepaald of dit begrip kon slaan op produkten met een betrekkelijk hoog gehalte aan vetstoffen, waarvan de van melk afkomstige vetstoffen 45 of meer, doch minder dan 65 gewichtspercenten van het totale gewicht van deze produkten uitmaken, die in het bijzonder saccharose en water bevatten, in een omgeving met een temperatuur van ongeveer 0 graad Celsius niet smelten en zelfs bij een omgevingstemperatuur van 20o C na 24 uren geen enkel spoor van smelten vertonen, ook al zijn die produkten door inblazen van lucht geëxpandeerd en worden zij gekoeld of bevroren aangeboden.

Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn door J. N. Vandertaelen, ten deze vertegenwoordigd door A. d'Hondt, advocaat te Brussel, door D. L. Maes, door de regering van het koninkrijk België, ten deze vertegenwoordigd door de minister van Financiën, bijgestaan door H. Bocken, advocaat van het ministerie van Financiën, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridische adviseurs J. Bourgeois en A. Abate, als gemachtigden, schriftelijke opmerkingen ingediend.

Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

Ten aanzien van de eerste vraag verwijst Vandertaelen naar artikel 3 van verordening nr. 495/69, van 18 maart 1969, waarin haar inwerkingtreding wordt vastgesteld op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking.

In casu kan de verordening ook niet toepasselijk worden verklaard daar zij toekomstige en steeds voortdurende gevolgen van een voordien ontstane toestand zou beheersen; de door de betrokken invoer tot stand gebrachte rechtstoestand heeft na 5 maart 1969 namelijk geen uitwerking meer gehad.

De prejudiciële vraag is dus of de betrokken verordening met terugwerkende kracht van toepassing kan worden verklaard.

Terugwerkende kracht van wetten is in het algemeen zowel in het Europese recht als in het recht der Lid-Staten een uitzondering. Wat met name verordening nr. 495/69 betreft, wordt de retroactiviteit zelfs formeel uitgesloten (artikel 3) en kan zij evenmin worden gerechtvaardigd door andere bepalingen dezer verordening. Ten slotte verzet de aard der verordening zich tegen een toepassing met terugwerkende kracht, daar in het douanerecht de rechtszekerheid van bijzonder belang is. In dit verband beroept Vandertaelen zich op het arrest van het Hof van Justitie van 24 november 1971 in de zaak 30-71 (Siemers t. Hauptzollamt Bad Reichenhall, Jurispr. 1971, blz. 919).

Met betrekking tot de tweede vraag dwingt het beginsel van de rechtszekerheid ertoe, alleen af te gaan op de rechtstoestand die gold tijdens de toepassing van de tekst waarvan uitlegging wordt gevraagd. Ten tijde van de betrokken importen kon het begrip „consumptie-ijs” ij ontbreken van een objectief criterium niet worden omschreven. Immers, uit een meer dan zes maanden na de laatste import bekendgemaakt voorstel voor een richtlijn betreffende de aanpassing van de wetgevingen inzake consumptie-ijs, blijkt duidelijk dat het algemeen begrip consumptie-ijs per Lid-Staat aanzienlijk verschilt, zonder dat daarin een maximumgehalte aan vetstoffen doorslaggevend is. Alleen kan worden verwezen naar de eigenschappen en de fabricagemethode van het in te delen produkt, en de nationale rechter, die hier alleen bevoegd is, zal slechts moeten bezien of het gewichtspercent aan vetstoffen al dan niet het karakter van consumptie aan het produkt kan ontnemen.

Bij het onderhavige geval werd deze vraag reeds opgelost door het Hof van Beroep in het arrest van 13 juni 1973, waaruit blijkt dat niet is uitgesloten dat het produkt in de aangegeven vorm, afgezien van zijn gehalte aan vet, kan worden aangeduid als „consumptie-ijs”.

Ten slotte dient te worden opgemerkt dat het beheer der douane, ongeacht verordening nr. 495/69, verder steeds toestaat dat produkten die volledig identiek zijn met het betrokken produkt, onder de benaming „consumptie-ijs” en onder post 18.06 B II b van het gemeenschappelijk douanetarief, worden uitgevoerd. Het gaat niet aan, aan het begrip „consumptie-ijs” een andere betekenis te geven naargelang het een verrichting van invoer of van uitvoer betreft.

Maes sluit zich volledig aan bij de opmerkingen van Vandertaelen.

De regering van het koninkrijk België is van mening dat het litigieuze produkt, gelet op de samenstelling ervan, nooit kon worden beschouwd als „consumptie-ijs” in identiek zin van de tariefposten 18.06 B II b en 21.07 C van het gemeenschappelijk douanetarief, ook niet ten tijde van de invoer.

De Commissie merkt in de eerste plaats op dat verordening (EEG nr. 495/69 van de Commissie, gegrond op 's Raads verordening (EEG) nr. 97/69 van 16 januari 1969 betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (PB nr. L 14 van 21.1.1969, blz. 1), een definitie beoogt te geven van de produkten die vallen onder de onderverdelingen D II C van post 18.06 en F VII van post 21.07, en dus niet de omschrijving van consumptie-ijs ten doel heeft.

De definitie van laatstgenoemd produkt kan echter gemakkelijk worden afgeleid uit de derde overweging van genoemde verordening;

hierin wordt gezegd:

„dat het in de onderverdeling B van post 18.06 en in de onderverdeling C van post 21.07 genoemde „consumptie-ijs” alleen betreft het als zodanig voor consumptie te gebruiken ijs; dat dit ijs, zoals dit in de handel wordt verkocht, niet altijd van melk afkomstige vetstoffen bevat, doch dat ingeval het ijs deze vetstoffen wel bevat het gehalte aan de van melk afkomstige vetstoffen gewoonlijk niet hoger is dan 15 gewichtspercenten, terwijl het de kenmerkende eigenschap bezit te smelten indien dit ijs in een omgeving met een temperatuur van ongeveer 0 graad Celsius wordt geplaatst”.

Wat de strekking van de betrokken verordening betreft, merkt de Commissie op dat haar bepalingen constitutief van aard zijn. Door haar rechtsvorm bindt de verordening de rechterlijke en bestuursinstanties in de Lid-Staten vanaf het moment van inwerkingtreding als een authentiek interpretatievoorschrift van het gemeenschappelijk douanetarief en beheerst zij dus de indeling van produkten die vanaf 22 maart 1969 zijn ingevoerd.

Maar de Commissie meent dat, afgezien van de datum van inwerkingtreding, men aan genoemde verordening het gezag van een waardevol hulpmiddel bij de interpretatie van het gemeenschappelijk douanetarief moet toekennen voor de periode voorafgaand aan haar vaststelling.

In casu kan echter reeds op grond van de ten tijde van de betreffende invoerperiode van kracht zijnde bepalingen op de uitleggingsvraag een volledig antwoord worden gegeven.

Voor de tweede vraag verwijst de Commissie naar verordening nr. 83/67/EEG van de Raad, van 18 april 1967 (PB nr. 81 van 24. 4. 1967, blz. 1957). Deze verordening heeft immers voor de eerste maal het begrip „consumptie-ijs” in het Gemeenschapsrecht geïntroduceerd en bevat voldoende elementen die een juiste indeling toelaten van produkten die in deze categorie vallen.

Ter uitvoering van een handelsregeling voor bepaalde verwerkte landbouwpro-dukten, ingevoerd bij's Raads verordening nr. 160/66/EEG van 27 oktober 1966 (PB nr. 195 van 28.10.1966, blz. 3361), is het noodzakelijk gebleken specifieke onderverdelingen voor consumptie-ijs te creëren, namelijk onderverdeling B I van post 18.06 en onderverdeling C van post 21.07 (Bijlage I verordening nr. 83/67). In het bijzonder voor de berekening van de „variabele elementen” zijn de hoeveelheden basislandbouwprodukten, die geacht worden te zijn verwerkt bij de vervaardiging van consumptie-ijs, namelijk suiker en melkpoeder, forfaitair vastgesteld. (Bijlage II van verordening nr. 83/67).

Verordening nr. 950/68 van de Raad betreffende het gemeenschappelijk douanetarief heeft geen wijziging gebracht in de nomenclatuur die door verordening nr. 83/67 ter zake is geïntroduceerd. De aangebrachte wijzigingen betreffen uitsluitend de nummering van de verschillende categorieën ijs.

In het onderhavige geval moet verordening nr. 83/67 worden onderzocht, daar het gaat om het bedrag van het variabele element. Immers, het bedrag van het invoerrecht is identiek voor beide betrokken onderverdelingen (hier: post 18.06 B II b en post 18.06 D II c) terwijl het bedrag van het variabele element voor beide onderverdelingen aanzienlijk verschilt. Deze redenering geldt zowel voor hoofdstuk 18 als voor hoofdstuk 21 van het gemeenschappelijk douanetarief.

Het moeilijkste probleem is de vaststelling van het percentage aan van melk afkomstige vetstoffen die in consumptie-ijs zijn verwerkt: bijlage I van verordening nr. 83/67 legt slechts het minimum van deze stoffen vast („… 7 of meer gewichtspercenten”). Post 18.06 B II b die betrekking heeft op ijs met het hoogste percentage aan vetstoffen, noemt geen grens boven dit percentage.

Bijlage II van dezelfde verordening geeft echter aan, dat 35 kg volle melkpoeder verwerkt wordt bij de vervaardiging van 100 kg ijs als bedoeld in onderverdeling B II b van post 18.06. Volgens wetenschappelijke regels komt een hoeveelheid van 35 kg volle melkpoeder op 100 kg overeen met een gewichtspercentage van 9,1 % aan van melk afkomstige vetstoffen. Dit gehalte wordt dus door de wetgever als normaal voor consumptie-ijs beschouwd. Zelfs met inachtneming van een uiterst ruime veiligheidsmarge (door het percentage te verdubbelen) kan worden gesteld, dat volgens het gemeenschappelijk douanetarief het percentage van die in het consumptie-ijs verwerkte vetstoffen het plafond van ±18 gewichtspercenten niet overschrijdt.

Bijlage II bij verordening nr. 83/67 geeft bovendien eveneens als forfait de in dat ijs verwerkte hoeveelheid suiker aan. Volgens het gemeenschappelijk douanetarief wordt consumptie-ijs dus gekenmerkt door de combinatie van beide genoemde componenten, elk met een hoeveelheid binnen de aangegeven grenzen. Daaruit valt op te maken dat een produkt niet onder consumptie-ijs kan worden ingedeeld als deze grenzen worden overschreden.

Om consumptie-ijs te onderscheiden van andere voedingsmiddelen met dezelfde samenstelling, kan men teruggrijpen op de gebruikelijke betekenis van het begrip „consumptie-ijs”. In dit licht bezien heeft de term „consumptie” duidelijk betrekking op produkten die gereed zijn voor consumptie als ijs, met dien verstande dat zij geen nadere bewerking behoeven te ondergaan of dat geen andere bestanddelen eraan behoeven te worden toegevoegd.

IJs, aangeboden in vaste of pasta-achtige toestand, heeft de eigenschap bij een temperatuur van 0o C te smelten, hetgeen verklaarbaar is omdat het voor een belangrijk deel en zelfs overwegend uit water bestaat. Bij verhoging van het gewichtsgehalte aan vetstoffen — bij voorbeeld tot 65 % — zou het produkt bij een temperatuur van ongeveer 0o C nooit in een vloeibare toestand kunnen overgaan, daar het percentage aan water te laag is.

Bovengenoemde overwegingen maken reeds een antwoord op de tweede prejudiciële vraag mogelijk, maar volledigheidshalve noemt de Commissie nog een aantal na de invoerperiode van het litigieuze produkt vastgestelde teksten als eventuele aanvullende interpretatiemiddelen.

In dit verband wijst de Commissie op de derde overweging van verordening nr. 495/69 van de Commissie, reeds genoemd, op de Toelichting bij de hoofdstukken 18 en 21 van het gemeenschappelijk douanetarief, vastgesteld op 20 maart 1970 door het Comité voor de nomenclatuur en ten slotte op een op 10 september 1970 bij de Raad ingediend voorstel voor een richtlijn betreffende de aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake consumptie-ijs (PB nr. C 125 van 13.10.1970, blz. 8).

De Commissie is van mening dat de betrokken produkten niet beantwoorden aan de criteria voor indeling in de onderverdelingen B van post 18.06 en C van post 21.07, maar wèl aan de criteria voor indeling in de onderverdelingen D van post 18.06 en F VII van post 21.07, zulks overeenkomstig de Algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, punten 1 en 5.

Deze conclusie komt overeen met het doel van de wettelijke regeling betreffende de handelsregeling voor bepaalde verwerkte landbouwprodukten. De vastgelegde forfaitaire hoeveelheden dienen immers als grondslag voor de berekening van het variabele element, dat drukt op de landbouwprodukten die daadwerkelijk bij de vervaardiging van een industrieel produkt zijn gebruikt, en zodoende de landbouwheffing vervangt.

De Commissie stelt voor de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

1. Verordening nr. 495/69 van 18 maart 1969 van de Commissie is als bindende rechtshandeling constitutief van aard en kan geen terugwerkende kracht hebben;

2. Onder „consumptie-ijs” in de zin van onderverdeling B van post 18.06, en van onderverdeling C van post 21.07, zijn te verstaan voedingsmiddelen waarvan de vaste of pasta-achtige toestand door bevriezing wordt verkre gen, welke als zodanig gereed zijn voor consumptie; zij kenmerken zich door de eigenschap dat zij overgaan in vloeibare of half-vloeibare toestand wanneer zij in een omgeving worden geplaatst met een temperatuur van ongeveer 0o C en dat zij een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen hebben dat 15, en in bijzondere gevallen 20 gewichtspercenten, niet overschrijdt.

III — Mondelinge behandeling

De regering van het koninkrijk België, ten deze vertegenwoordigd door de minister van Financiën, bijgestaan door H. Boeken, advocaat van het ministerie van Financiën, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridische adviseurs J. Bourgeois en A. Abate, als gemachtigden, hebben ter terechtzitting van 11 november 1975 mondelinge opmerkingen gemaakt.

De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 2 december 1975 conclusie genomen.

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat het Hof van cassatie van België bij arrest van 20 mei 1975, ingekomen ter griffie van het Hof op 12 juni 1975, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag twee vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van enige bepalingen betreffende de indeling van goederen in het gemeenschappelijk douanetarief;

2.

dat in de eerste plaats wordt gevraagd of verordening nr. 495/69 van 18 maart 1969 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing is voor de indeling van goederen ingevoerd vóór haar inwerkingtreding, met name voor de indeling van goederen ingevoerd tijdens de periode van 6 december 1968 tot en met 5 maart 1969;

3.

dat in de tweede plaats wordt gevraagd welke de omschrijving was van het begrip „consumptie-ijs” voor de toepassing van de posten 18.06 B en 21.07 C van het gemeenschappelijk douanetarief vóór de inwerkingtreding van de verordening nr. 495/69, met name tijdens de periode van 6 december 1968 tot en met 5 maart 1969, en meer bepaald of dit begrip kon slaan op produkten met een betrekkelijk hoog gehalte aan vetstoffen, waarvan de van melk afkomstige vetstoffen 45 of meer, doch minder dan 65 gewichtspercenten van het totale gewicht van deze produkten uitmaken, die in het bijzonder saccharose en water bevatten, in een omgeving met een temperatuur van ongeveer 0 graad Celsius niet smelten en zelfs bij een omgevingstemperatuur van 20o C na 24 uren geen enkel spoor van smelten vertonen, ook al zijn die produkten door inblazen van lucht geëxpandeerd en worden zij gekoeld of bevroren aangeboden;

4.

Overwegende dat uit het laatste gedeelte van deze tweede vraag volgt, dat de eventuele toepasselijkheid van verordening nr. 495/69 slechts van belang zou zijn, indien het in het gemeenschappelijk douanetarief voorkomende begrip „consumptie-ijs” niet de in deze vraag gespecificeerde produkten zou omvatten en indien de indeling dezer produkten niet zou kunnen plaatsvinden volgens de ten tijde van de invoer geldende bepalingen;

5.

dat derhalve in de eerste plaats de bewoordingen van de betrokken postonderverdelingen moeten worden bezien;

6.

Overwegende dat onderverdeling B van post 18.06 luidt als volgt:

Consumptie-ijs:

I.geen of minder dan 3 gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen bevattend;

II.met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen;

a)van 3 of meer, doch minder dan 7 gewichtspercenten

b)van 7 of meer gewichtspercenten;

7.

dat onderverdeling C van post 21.07, betreffende consumptie-ijs dat geen cacao bevat, gelijkluidend is geformuleerd;

8.

Overwegende dat het feit dat het begrip consumptie-ijs niet in het gemeenschappelijk douanetarief wordt omschreven, doet veronderstellen dat dit produkt wordt geacht door de benaming zelf voldoende te zijn gekenmerkt;

9.

Overwegende dat het beslissend criterium voor de indeling van waren onder het douanetarief in de regel in de kenmerken en objectieve eigenschappen dier waren moet worden gezocht;

10.

dat niet valt te miskennen dat consumptie-ijs als hoofdkenmerk heeft dat het bij een temperatuur van ongeveer 0o C smelt, welk kenmerk wordt verklaard doordat dit produkt een grote hoeveelheid water bevat, zodat het bij een hoog gehalte aan vetstoffen zou verdwijnen;

11.

Overwegende dat mitsdien de posten 18.06 B en 21.07 C voor consumptie-ijs slechts betrekkelijk lage percentages aan vetstoffen aangeven, terwijl produkten met een hoog gehalte aan vetstoffen in de latere postonderverdelingen dezer hoofdstukken worden genoemd;

12.

dat het enkele feit dat deze laatste produkten gekoeld of bevroren worden aangeboden, hen niet kan kenmerken als „consumptie-ijs” en de indeling ervan onder de posten 18.06 B en 21.07 C niet kan rechtvaardigen;

13.

Overwegende dat het gemeenschappelijk douanetarief weliswaar geen nadere bijzonderheden over de samenstelling van consumptie-ijs bevat, maar dat in dit verband toch aanknopingspunten zijn te vinden in 's Raads verordening nr. 83/67/EEG van 18 april 1967, houdende vaststelling van de tariefspecificaties voor de goederen waarop verordening nr. 160/66/EEG van de Raad van toepassing is, alsmede van de vaste elementen die daarop van toepassing zijn en van de hoeveelheden basisprodukten die worden geacht bij de vervaardiging daarvan te zijn verwerkt (PB van 26.4. 1967, nr. 81, blz. 1597);

14.

dat in dit verband de verordening in bijlage II voor 100 kilogram consumptie-ijs met het hoogste in bijlage I genoemde gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen (… van 7 of meer gewichtspercenten), 20 kg suiker en 35 kg melk in poedervorm aangeeft;

15.

dat de bij deze verordening ingevoerde nomenclatuur is overgenomen in 's Raads verordening nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief, zodat het mogelijk is, genoemde basisprodukten slechts binnen de grenzen der aangegeven hoeveelheden als eventuele componenten van consumptie-ijs in de zin van het gemeenschappelijk douanetarief toe te laten;

16.

Overwegende dat, zoals de Commissie heeft opgemerkt, volgens algemeen geldende wetenschappelijke regels een hoeveelheid van 35 kg volle melkpoeder op 100 kg consumptie-ijs overeenkomt met 9,1 gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen;

17.

dat, zelfs indien deze laatste hoeveelheid forfaitair is bepaald, deze vaststelling door de Gemeenschapswetgever op ondubbelzinnige wijze uitsluit dat produkten die meer dan 15 gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen bevatten, als consumptie-ijs in de zin van het gemeenschappelijk douanetarief kunnen worden beschouwd;

18.

dat hieruit volgt dat voor de toepassing van de posten 18.06 B en 21.07 C van het gemeenschappelijk douanetarief het begrip „consumptie-ijs” slaat op produkten gekenmerkt door het feit dat zij bij een temperatuur van ongeveer 0o C smelten, en dat dit begrip geen toepassing kan vinden op produkten met een gehalte aan vetstoffen van meer dan 15 gewichtspercenten;

19.

Overwegende dat gezien deze conclusie de eerste vraag zonder voorwerp is geraakt en geen antwoord behoeft;

Ten aanzien van de kosten

20.

Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

21.

dat procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Hof van cassatie van België bij arrest van 20 mei 1975 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Voor de toepassing van de posten 18.06 B en 21.07 C van het gemeenschappelijk douanetarief slaat het begrip „consumptie-ijs” op produkten gekenmerkt door het feit dat zij bij een temperatuur van ongeveer 0o C smelten. Dit begrip kan geen toepassing vinden op produkten met een gehalte aan vetstoffen van meer dan 15 gewichtspercenten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

2
EEG-Verdrag art. 1772 voorkomens
verordening 495/69 art. 31 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Bekijk het document

Rechtsleer

1
Cardyn, Charles: Journal de droit fiscal 1976 p.255-256