---
title: "HvJ EU, 52/77, arrest van 30 november 1977 · EEG-Verdrag art. 115 en art. 30"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 1977, 52/77: EEG-Verdrag art. 115 en art. 30."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-52-77-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-52-77-arret"
---

# Arrest van het Hof van 30 november 1977, 52/77 · EEG-Verdrag art. 115 en art. 30

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

52/77

**ECLI**

ECLI:EU:C:1977:196

**Datum**

30 november 1977

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Tribunale di Saluzzo (Italië) beslissing van 15 april 1977

**Zaak ingediend op**

19 april 1977

**Advocaat-generaal**

Warner

**Opmerkingen**

Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Tribunale di Saluzzo

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1977, blz. 2261

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Donner

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Handelspolitiek](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-14) [Nationale beschermende maatregelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-14.03) 3 beslissingen
  - [Internationale overeenkomsten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-25%2C578-6.07) [De verschillende door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-25.05) 23 beslissingen
  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Groenten en fruit](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.05)

    - [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.05.02) 2 beslissingen
    - Kwaliteitsnormen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Bevoegdheid van Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.02) 167 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02) [Maatregelen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02.02) [In- en uitvoervergunningen, conformiteitscertificaten e.d.](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02.02.03) 12 beslissingen

## Tekst

138 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten van de zaak, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG) ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

In december 1970 en december 1971 importeerde Cayrol in Frankrijk verscheidene partijen tafeldruiven van oorsprong uit Spanje, die vanuit Italië (waar zij in het vrije verkeer waren gebracht) waren verzonden door de firma G. Rivoira & Figli. De druiven waren voorzien van het Italiaanse exportmerk en gingen vergezeld van een certificaat van het Istituto Nazionale per il Commercio Estero (ICE), inhoudende dat de waar aan de kwaliteitsnormen voldeed en van Italiaanse oorsprong was.

Als gevolg van een onderzoek door de Franse douane op 9 augustus 1972 werden Cayrol en Rivoira gedagvaard wegens invoer van verboden waren (het Franse invoercontingent voor Spaanse druiven was uitgeput) met gebruikmaking van een valse verklaring van oorsprong en valse of onjuiste documenten.

Op de grondslag van bedoelde dagvaarding werden Cayrol en Rivoira bij vonnis van het Tribunal de Grande Instance de Montpellier van 26 januari 1976 hoofdelijk veroordeeld tot — onder meer — een boete van FF 532435 in stede van verbeurdverklaring van in beslag genomen waren alsmede een boete ter waarde van tweemaal de waarde van voor verbeurdverklaring in aanmerking komende voorwerpen, te weten FF 1064870. De Franse rechter verwierp met name Cayrols verweer dat de druiven door de in Italië ondergane bewerking Italiaanse oorsprong hadden verkregen overeenkomstig artikel 5 van verordening (EEG) nr. 802/68 van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB L 148 van 28. 6. 1968, blz 1).

Na dit vonnis accepteerde Cayrol een hem door de Franse douane aangeboden schikking waarbij de boete tot FF 175000 was verlaagd, en wendde zich vervolgens tot het Tribunale di Saluzzo met het verzoek om conservatoire beslaglegging op de bezittingen van Rivoira met het oog op de schadevergoeding waarop hij aanspraak meent te hebben — te weten een gedeelte van het door hem aan de douane betaalde schikkingsbedrag —, zulks op grond dat de door de Franse instanties opgelegde strafmaatregelen een gevolg waren van de handelwijze van Rivoira, die de administratie middels het ICE-certificaat valse gegevens had verstrekt over de oorsprong van de waar.

Rivoira deed verzet tegen de beslaglegging, daartoe met name stellende dat het Frankrijk ingevolge de overeenkomst tussen de EEG en Spanje verboden was de invoer van Spaanse tafeldruiven te contingenteren.

Bij beschikking van 15 april 1977 besloot de president van het Tribunale di Saluzzo de behandeling van de zaak te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:

1\. Kan artikel 115 EEG-Verdrag — dat uitzonderingen toelaat op het in artikel 30 vervatte verbod van kwantitatieve beperkingen — door de Lid-Staten worden ingeroepen met betrekking tot produkten van oorsprong uit een derde land, die zijn onderworpen aan een communautaire invoerregeling krachtens een handelsovereenkomst van de EEG met dit derde land?

2\. Moet artikel 1 van bijlage I bij de overeenkomst tussen de EEG en Spanje (verordening nr. 1524/70 aldus worden begrepen dat de Lid-Staten sedert de inwerkingtreding dier overeenkomst op 1 oktober 1970 niet meer bevoegd zijn rechtstreeks (op grond van tevoren met Spanje gesloten bilaterale handelsakkoorden) kwantitatieve beperkingen van welke aard ook — daaronder begrepen invoercontingenten — voor produkten van Spaanse oorsprong (en met name die bedoeld in artikel 11 van bijlage I bij de overeenkomst EEG — Spanje, onder post 08.04, druiven) tijdens enige maand van het jaar in te stellen?

3\. Is er sprake van een bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen, wanneer de invoer van zich in het vrije verkeer bevindende produkten afhankelijk wordt gesteld van de overlegging van certificaten van oorsprong of van andere middelen om de oorsprong van de betrokken produkten te bepalen?

4\. Zo ja, mogen de Lid-Maten dan afwijken van het verbod van artikel 30 door voor alle waren uit andere Lid-Staten (waaronder die in het vrije verkeer) certificaten van oorsprong te verlangen voordat die Commissie daartoe machtiging heeft verleend in de zin van artikel 115 EEG-Verdrag?

5\. Zijn de bepalingen van verordening nr. 58/62 der Commissie van 7 juli 1962 inzake gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor groenten en fruit (PB 1962, blz. 1606) en in het bijzonder van bijlage I/7 (betreffende de aanduiding van het produktiegebied en de produktieaanduiding „tafeldruiven”) — welke bepalingen alleen verplichtingen ter bescherming van de eindverbruiker bevatten en waarvan de nakoming derhalve alleen in de verhandelingsfase kan worden verzekerd — te beschouwen als douanevoorschriften, dat wil zeggen voorschriften welke de Lid-Staten veroorloven het intracommunautaire handelsverkeer aan voorwaarden te binden door bij grensoverschrijding overlegging van documenten over de oorsprong van zich in het vrije verkeer bevindende produkten uit andere Lid-Staten te eisen?

6\. Is er althans sprake van een bij artikel 30 verboden maatregel van gelijke werking, wanneer — in geval van niet-inachtneming van de in verordening nr. 58/62 voorgeschreven kwaliteitsnormen — een Lid-Staat ten aanzien van ingevoerde produkten de op overtreding van de douanebepalingen gestelde straffen en ten aanzien van inheemse produkten de op overtreding van de handelsregeling gestelde (lichtere) straffen toepast?

De verwijzingsbeschikking is op 19 april 1977 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG) zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Rivoira, ten deze vertegenwoordigd door G. M. Ubertazzi en F. Capelli, advocaten te Milaan, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Marenco als gemachtigde.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

Rivoira bespreekt vooreerst de problemen in verband met de tweede prejudiciële vraag, die haars inziens van fundamenteel belang zijn.

Artikel 1 van bijlage I bij de overeenkomst EEG — Spanje luidt als volgt:

„Bij invoer in de Gemeenschap van produkten van oorsprong uit Spanje gelden geen kwantitatieve beperkingen voor de onder deze bijlage vallende produkten, met inbegrip van de produkten vermeld in de lijsten A en B, behalve echter voor de in de artikelen 3 en 10 bedoelde produkten.”

Artikel 11 van dezelfde bijlage bepaalt nader:

„Voor de hierna volgende produkten van oorsprong uit Spanje gelden bij invoer in de Gemeenschap de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, verlaagd met het naast elk produkt vermelde percentage:

…

van 1 januari tot en met 31 maart 50 %”.

Krachtens deze twee bepalingen, in hun onderling verband gelezen, kan de invoer van Spaanse tafeldruiven in de Gemeenschap op geen enkel tijdstip van het jaar aan kwantitatieve beperkingen worden onderworpen.

Artikel 1 van bijlage I bevat een algemeen en absoluut verbod van kwantitatieve invoerbeperkingen voor een hele reeks produkten, die in andere artikelen en onderdelen van de overeenkomst worden genoemd. Voor wat druiven betreft, noemt artikel 11 het nummer van de tariefpost en het produkt; tevens geeft het aan in welke periode van het jaar de tariefverlaging van toepassing is. Daarbij gaat het uitsluitend om een verlaging van het invoerrecht voor het produkt.

Volgens Rivoira is geen twijfel mogelijk over de uitlegging van de betrokken bepalingen. Haar hiervoor weergegeven opvatting — die op een letterlijke interpretatie is gebaseerd — vindt trouwens steun in de regel van het nuttig effect. In de vierde alinea van de preambule van de overeenkomst wordt uitdrukkelijk gesproken over het „streven” van de EEG om haar economische en handelsbetrekkingen met de aan de Middellandse Zee gelegen landen te ontwikkelen. In twijfelgevallen moet de regel van het nuttig effect dus leiden tot een interpretatie die de handelsvrijheid tussen de EEG en Spanje niet aan banden legt, maar integendeel zo veel verruimt als de wettelijke regelingen maar toelaten.

De voorgestelde uitlegging is bovendien in overeenstemming met de aard van artikel 1 van de bijlage, gezien in het kader van de overeenkomst. Omdat dit artikel een grondprincipe bevat, kan het niet op restrictieve wijze worden uitgelegd. Inzonderheid laat het geen interpretatie toe die het verbod van kwantitatieve invoerbeperkingen voor tafeldruiven in het tijdvak 1 januari tot en met 31 maart zijn absoluut karakter zou ontnemen.

De eerste bepaling van de overeenkomst beoogt de „geleidelijke opheffing der belemmeringen van het handelsverkeer tussen de EEG en Spanje”. Deze doelstelling blijkt ook uit het sluitende geheel van bepalingen, die alle tot doel hebben de vrijheid van de handel in de richting Spanje — EEG te verwezenlijken en te vervolmaken. Ook de bijlage is een instrument voor de algehele afbouw van de douanebelemmeringen. Zij voorziet niet slechts de verlaging of afschaffing van de invoerrechten, maar ook de onverwijlde afschaffing van kwantitatieve beperkingen en heffingen van gelijke werking.

Het principiële karakter van artikel 1 van bijlage I is ook bepalend voor de uitlegging van artikel 11. Dit laat in geen enkel opzicht afwijkingen of beperkingen van het algemene beginsel van de vrijheid toe. Als hierover nog twijfel zou kunnen bestaan, dan ruimt artikel 11 elke onduidelijkheid uit de weg. Immers, als de partijen bij de overeenkomst de draagwijdte van de beginselverklaring (artikel 1) met betrekking tot de in artikel 11 genoemde produkten hadden willen beperken, dan zouden zij dat uitdrukkelijk hebben gedaan door aan het artikel eenvoudig een zin toe te voegen die het verbod van kwantitatieve beperkingen beperkte tot de periode van het jaar waarin de verlaagde rechten golden.

Hoe ongerijmd het is om een kwantitatieve invoerbeperking voor Spaanse tafeldruiven toelaatbaar te achten, blijkt ook uit een vergelijking van de onderhavige regeling met die van 's Raads verordening (EEG) nr. 2513/69 van 9 december 1969 betreffende de coördinatie en de eenmaking van de invoerregelingen voor groenten en fruit die door elke Lid-Staat ten opzichte van derde landen toegepast (PB L 318 van 18. 12. 1969, blz. 6). Artikel 1 dezer verordening — volgens het welk alle kwantitatieve invoerbeperkingen voor de betrokken produkten uit derde landen moeten worden afgeschaft — maakt een uitzondering voor tafeldruiven in de periode 1 juli tot en met 31 januari, maar tegelijkertijd is in lid 2, tweede alinea, een „stand-still”-bepaling opgenomen. Het is derhalve uitgesloten de overeenkomst met Spanje zo uit te leggen, dat belemmeringen geoorloofd zouden zijn die verordening nr. 2513/69 reeds verbood met betrekking tot de invoer uit onverschillig welk derde land, hoe zwak de economische banden ervan met de Gemeenschap ook waren. Verordening nr. 2513/69 vormt voorts een bevestiging van de stelling dat afwijkingen van algemene beginselen enkel mogelijk zijn wanneer zij uitdrukkelijk zijn toegestaan, en niet op een beperkende of extensieve uitlegging van de betrokken bepalingen mogen steunen. Immers, artikel 1, eerste alinea, van verordening nr. 2513/69 bepaalt uitdrukkelijk dat van het verbod van kwantitatieve beperkingen kan worden afgeweken.

Samenvattend kan worden gezegd dat kwantitatieve beperkingen, en mitsdien contingenteringen, van de invoer van Spaanse tafeldruiven in de Lid-Staten na 1 oktober 1970 niet mochten worden ingesteld of gehandhaafd. Toegestaan was alleen de beperking die het gevolg is van de toepassing van het volledige invoerrecht buiten de periode januari-maart. Het voornaamste middel om de markt te beschermen, is immers niet het contingent, maar het invoerrecht. En wanneer de Gemeenschap in bepaalde perioden verlaging van rechten toestaat, dan betekent dit dat zij haar grenzen in de andere perioden van het jaar genoegzaam beschermd acht door de toepassing van het volledige tarief.

Met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag betoogt Rivoira dat artikel 115 EEG-Verdrag niet van toepassing is wanneer er een gemeenschappelijke marktordening bestaat waarbij in het kader van een gemeenschappelijk landbouwbeleid één enkele markt is ingesteld, of wanneer er een handelsovereenkomst zoals die tussen de EEG en Spanje bestaat.

Na de instelling van een gemeenschappelijke marktordening voor de produkten van de sector groenten en fruit mag geen gebruik meer worden gemaakt van artikel 115 EEG-Verdrag. Met die ordening is immers één enkele markt tot stand gebracht en is het stadium van de enkele uniformering der nationale markten, waarop de regels betreffende de handelspolitiek betrekking hebben, duidelijk voorbij. De beste kenners van het gemeenschapsrecht zijn het er al lang over eens dat er op gebieden die door een gemeenschappelijke marktordening worden bestreken, geen plaats meer is voor toepassing van artikel 115. Dit wordt in de eerste plaats bevestigd door het feit dat verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit in de 25e overweging weliswaar verwijst naar artikel 110 van het Verdrag, maar daarbij uitdrukkelijk alleen spreekt van de in dat artikel gestelde „doeleinden”. Bovendien wordt wel artikel 110 genoemd, maar niet artikel 115. In de gemeenschappelijke marktordeningen — en inzonderheid in die voor groenten en fruit — zijn voorts aangepaste vrijwaringsmaatregelen opgenomen (zie artikel 2 van verordening nr. 2513/69 en artikel 29 van verordening nr. 1035/72). Het probleem dat zulke maatregelen eventueel nodig kunnen zijn, is dus niet over het hoofd gezien: het is met andere middelen geregeld, welke vanwege hun bijzondere aard het gebruik van de vrijwaringsmaatregelen van artikel 115, voor zover deze nog van toepassing zouden zijn, uitsluiten. In het arrest van 15 december 1971 (gevoegde zaken 51-54/71, International Fruit Company, Jurispr. 1971, blz. 1107) heeft het Hof weliswaar erkend dat de instelling van kwantitatieve invoerbeperkingen voor groenten en fruit uit derde landen niet absoluut verboden is, maar duidelijk te verstaan gegeven dat alleen vrijwaringsmaatregelen op basis van verordening nr. 2513/69 toelaatbaar zijn, dus ingeval de markt door de invoer uit derde landen dreigt te worden verstoord.

Ook als er geen handelsovereenkomst tussen Spanje en de EEG bestond, zou de Franse regering de contingentering van Spaanse tafeldruiven dus niet kunnen rechtvaardigen met een beroep op artikel 115. Nu er wel zo een overeenkomst is, valt de toepasselijkheid van artikel 115 nog moeilijker te aanvaarden. In de eerste plaats zijn de maatregelen van dit artikel bedoeld voor het geval van verkeersverleggingen als gevolg van handelspolitieke maatregelen van de afzonderlijke Lid-Staten in het kader van en met het oog op de totstandbrenging van de gemeenschappelijke handelspolitiek. Door deze gemeenschappelijke politiek wordt enkel een uniformering van de handelwijze van elk der Lid-Staten op basis van „gemeenschappelijke beginselen” nagestreefd. Daarentegen bevat de onderhavige overeenkomst een geheel van nauwkeurige en zeer gedetailleerde regels die, omdat zij bij een verordening van algemene strekking zijn ingevoerd, de Lid-Staten, de instellingen en ook de particulieren binden.

Voorts kan niet worden aangenomen dat Spanje bij het sluiten van een op wederzijdse concessies gebaseerde handelsovereenkomst de Gemeenschap het recht zou hebben toegekend zich met een beroep op haar internrechtelijke bepalingen aan de aangegane verplichtingen te onttrekken. Deze conclusie vloeit trouwens voort uit de eisen van gezond verstand en goede trouw, waardoor men zich bij de uitlegging van internationale overeenkomsten moet laten leiden.

Artikel 11, leden 1 en 2, van de overeenkomst met Spanje ten slotte bevat bijzondere en wederzijdse vrijwaringsclausules. Dit is een rechtstreekse bevestiging van de stelling dat andere beschermingsmechanismen in casu niet meer toelaatbaar zijn. Vergelijkt men de bepalingen van artikel 11 met die van artikel 115 (EEG-Verdrag, dan blijkt ook welke bijzonder strenge voorwaarden de overeenkomst aan die vrijwaringsmaatregelen stelt. Het is duidelijk dat de overeenkomst bepaalde „noodzakelijke” vrijwaringsmaatregelen ter beschikking van partijen heeft willen stellen om het hoofd te kunnen bieden aan onverwachte en onvoorzienbare situaties.

Na de inwerkingtreding van de overeenkomst EEG — Spanje kon een eventueel bilateraal contingent ten opzichte van Spanje alleen gerechtvaardigd worden met een beroep op de vrijwaringsclausules van die overeenkomst. Als men bedenkt dat die clausules enkel van toepassing zijn bij „ernstige verstoringen”, waarvan in casu voor wat Frankrijk betreft, absoluut geen sprake was, dan is het duidelijk dat de vaststelling van een contingent voor Spaanse druiven niet met aan de overeenkomst ontleende argumenten kan worden verdedigd.

Bij de derde en vierde prejudiciële vraag merkt Rivoira op dat men hier volledig moet abstraheren van het probleem van de wettigheid van het betrokken contingent. Aangezien immers dit contingent ingevolge de overeenkomst onwettig is, hadden de Franse autoriteiten uiteraard ook de rechtstreekse invoer uit Spanje niet kunnen verbieden, zodat het verbod van indirecte invoer van druiven die zich in Italië in het vrije verkeer bevinden, evenmin aanleiding tot problemen kan geven. Rivoira gaat er dus zuiver hypothetisch van uit dat Frankrijk over het betrokken contingent beschikte en dat dit ondanks de overeenkomst EEG-Spanje wettig was.

Een analyse van 's Hofs arrest van 15 december 1976 (zaak 41/76, Doncker-wolcke, Jurispr. 1976, blz. 1921) levert alle elementen op die nodig zijn voor de beantwoording van de overige prejudiciële vragen, en bevestigt bovendien de opvatting dat het betrokken contingent onwettig is. In dit arrest (r.o. 22-23) wordt verklaard dat het certificaat DD 1 „geen vermelding bevat inzake de oorsprong van de produkten” en „op zichzelf en zonder enige nadere nationale maatregel de betrokkene het recht van vrij verkeer van de goederen waarvoor het is afgegeven, moet waarborgen”. Het Hof vervolgt dan dat „… de toepassing van bovengenoemde beginselen afhankelijk is van de invoering van een gemeenschappelijke handelspolitiek” (r.o. 24). Vóór de sluiting van de overeenkomst EEG — Spanje was er allereerst een gemeenschappelijke handelspolitiek in de zin van artikel 113 EEG-Verdrag ingevoerd, krachtens welke uit Spanje afkomstige en in de Gemeenschap geïmporteerde waren volledig op één lijn stonden met communautaire produkten. Zelfs indien die overeenkomst de instelling van bilaterale contingenten zou veroorloven, kan de Lid-Staat die deze contingenten toepast, zich in geen geval verzetten tegen invoer van de betrokken produkten vanuit andere Lid-Staten waar zij zich in het vrije verkeer bevinden.

Ook met betrekking tot de verplichting om de oorsprong van waren in het vrije verkeer aan te geven, bevat 's Hofs rechtspraak een duidelijk antwoord. Wanneer er een gemeenschappelijke handelspolitiek bestaat, is voor het handelsverkeer tussen Lid-Staten het communautaire douanecertificaat (DD 1 of T 2) voldoende.

De douane mag geen andere gegevens of documenten verlangen, tenzij het om zaken van geheel andere aard gaat, bij voorbeeld controle op de naleving van kwaliteitsvoorschriften. Maar in dit geval mag het niet of onjuist vermelden van de oorsprong van de waar geen douanerechtelijke gevolgen hebben.

Bij haar bespreking van de vierde prejudiciële vraag gaat Rivoira uit van de hypothese dat Frankrijk zich ter verdediging van het betrokken contingent op artikel 115 EEG-Verdrag zou kunnen beroepen, en verwijst dan naar het eerder genoemde arrest-Donckerwolcke, waarin het Hof voor recht heeft verklaard:

„…

Een nationale wettelijke regeling die, met het oog op eventuele toepassing in de toekomst van artikel 115 EEG-Verdrag, voor de invoer van produkten afkomstig uit een Lid-Staat waar zij zich in het vrije verkeer bevinden, doch van oorsprong uit een derde land, de afgifte van een vergunning vereist, vormt onder alle omstandigheden een bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden kwantitatieve beperking.

…”

De Franse autoriteiten mochten dus voor een invoer in 1970 geen vergunningstelsel opleggen met het oog op toekomstige toepassing van artikel 115 en de in dit artikel bedoelde machtiging moest vóór het tijdstip van de invoer zijn verleend. De eis van de Franse autoriteiten met betrekking tot invoerverrichtingen in 1971 was derhalve even onwettig, en zulks ondanks het bestaan van beschikking nr. 71/202 van de Commissie van 12 mei 1971 (PB L 121 van 3. 6. 1971, blz. 26), waarvan artikel 1 immers bepaalt dat de Lid-Staat eerst een gemeenschapsmachtiging tot handhaving van het contingent kan verkrijgen wanneer de benuttingsgraad ervan 80 % heeft bereikt. Hiervan was in werkelijkheid geen sprake.

Met betrekking tot de vijfde en zesde prejudiciële vraag zet Rivoira uiteen dat uit de bepalingen van verordening nr. 58/62 van de Commissie (bijlage I/7, punt VI) junctis de bepalingen van basisverordening nr. 23 betreffende de groenten- en fruitsector (PB 1962, blz. 965) valt af te leiden dat de aanduidingen betreffende de oorsprong van de druiven ter bescherming van de consument zijn bedoeld.

Deze aanduidingen hebben derhalve geen douanerechtelijke betekenis. Ontbrekende of onjuiste oorsprongvermeldingen in strijd met verordening nr. 58/62 kunnen eventueel dus leiden tot administratieve sancties of een geldboete, maar zij kunnen nooit grond geven voor de toepassing van douanerechtelijke strafsancties.

In casu hebben de Franse autoriteiten een oorsprongaanduiding verlangd en de onjuistheid daarvan bestraft uitsluitend om de handhaving van het contingent te verzekeren, dat wil zeggen om redenen van douanerechtelijke aard. Dat deze handelwijze onwettig is, volgt duidelijk uit het arrest-Donckerwolcke (met name r.o. 36-39).

De Commissie onderzoekt de verenigbaarheid van kwantitatieve beperkingen met het gemeenschapsrecht in het licht van de communautaire voorschriften op het gebied van de handelspolitiek en het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Met betrekking tot de onderhavige zaak geeft artikel 1 van verordening nr. 2513/69 — die op het tijdstip van de feiten van toepassing was — een voorschrift van algemene strekking. Weliswaar bevat deze bepaling een algemeen verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking ten opzichte van derde landen, maar tevens een uitzondering daarop in de vorm van een machtiging aan de Lid-Staten om zodanige beperkingen en maatregelen toe te passen ten aanzien van in de bijlage vermelde produkten (waaronder tafeldruiven) gedurende de in dezelfde bijlage genoemde perioden.

De Franse Republiek heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt en met betrekking tot de jaren 1970 en 1971 de Commissie in kennis gesteld van een kwantitatieve beperking en een maatregel van gelijke werking ten aanzien van Spaanse tafeldruiven.

Ten opzichte van bovenbedoelde algemene bepaling vormen de bepalingen van de overeenkomst EEG — Spanje een lex specialis, welke de vrijheid der Lid-Staten nog meer beperkt.

Spaanse tafeldruiven — waarvoor ingevolge artikel 11 van bijlage I bij de overeenkomst gedurende de eerste drie maanden van het jaar een verlaagd invoerrecht geldt — zijn met tomaten de enige der in artikel 11 vermelde produkten ten aanzien waarvan de verlaging van de rechten tot een gedeelte van het jaar is beperkt. Zonder deze beperking zou in de rest van het jaar de overeenkomstige gemeenschapsproduktie aan een te sterke concurrentie blootstaan.

Gezien de nauwe relatie die artikel 1 van bijlage I legt tussen de verlaging van de invoerrechten en de afschaffing van de kwantitatieve beperkingen, meent de Commissie de betrokken bepaling aldus te moeten uitleggen, dat de kwantitatieve beperkingen voor tomaten en tafeldruiven slechts buiten werking zijn gesteld gedurende de periode waarin het verlaagde invoerrecht geldt. In overeenstemming met deze interpretatie is Frankrijk ook na de inwerkingtreding van de overeenkomst met Spanje gedurende een bepaalde periode van het jaar kwantitatieve beperkingen ten aanzien van Spaanse tafeldruiven blijven toepassen. Ook de grenzen van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie zijn van 1 juli tot 31 december voor Spaanse tafeldruiven geslóten. Genoemde interpretatie ligt voorts ten grondslag aan verscheidene beschikkingen op basis van artikel 115 EEG-Verdrag, waarbij België en Luxemburg zijn gemachtigd Spaanse druiven en tomaten gedurende de laatste maanden van het jaar van de communautaire behandeling uit te sluiten.

De door de Commissie voorgestane uitlegging wordt trouwens ook door Spanje aanvaard, getuige met name de mondelinge nota van de Spaanse missie bij de Europese Gemeenschappen van 16 maart 1972 (in bijlage van de memorie), waarin Spanje zich erover beklaagt dat een Lid-Staat tussen 15 april en 14 mei kwantitatieve beperkingen voor Spaanse tomaten toepast.

In de eerste plaats verwijst Spanje voor de opheffing van beperkingen in de periode 15 april tot en met 14 mei niet naar de overeenkomst EEG — Spanje, maar naar verordening nr. 2513/69, volgens welke de Lid-Staten reeds bestaande kwantitatieve beperkingen slechts mogen handhaven voor de periode 15 mei tot en met 31 december (artikel 1 en bijlage). In de tweede plaats protesteert het niet tegen de invoerbeperkingen voor Spaanse tomaten, die dezelfde Lid-Staten tussen 15 mei en 30 november toepast.

Kortom ingevolge artikel 1 van verordening nr. 2513/69 (thans artikel 22 van verordening nr. 1035/72) juncto artikel 1 van bijlage I bij de overeenkomst EEG — Spanje kunnen de Lid-Staten de kwantitatieve beperkingen voor Spaanse tafeldruiven, die vóór de vaststelling van verordening nr. 2513/69 bestonden, gedurende het tijdvak van 1 juli tot 31 december van elk jaar blijven toepassen.

Aangezien sommige Lid-Staten deze mogelijkheid daadwerkelijk hebben aangegrepen, vallen verschillen te constateren tussen de door de Lid-Staten toegepaste handelspolitieke maatregelen, hetgeen de eerste voorwaarde is voor toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag. Aan deze toepassing staat het bestaan van een „communautaire invoerregeling krachtens een handelsovereenkomst van de EEG” niet in de weg. Immers, een communautaire regeling op basis van zo een overeenkomst houdt niet noodzakelijk een uniforme regeling voor het handelsverkeer met de derde landen in. In afwachting van de geleidelijke totstandbrenging van zo een uniforme regeling, kan een door de Gemeenschap gesloten overeenkomst de Lid-Staten de mogelijkheid laten of zelfs de verplichting opleggen op bepaalde importen onderling afwijkende maatregelen toe te passen. Het is dus niet het bestaan van een communautaire overeenkomst, maar de inhoud hiervan en, in laatste instantie, het bestaan van een uniforme regeling, waarvan het uiteindelijk afhangt of artikel 115 van het Verdrag nog toepassing kan vinden.

Met betrekking tot de prejudiciële vragen inzake de verplichte overlegging van een certificaat van oorsprong voor goederen in het vrije verkeer, merkt de Commissie op dat niet bekend is welke documenten bij de invoer van de betrokken waar in Frankrijk zijn gevraagd. Maar aangezien de derde vraag niet alleen gewaagt van certificaten van oorsprong, doch ook van andere middelen ter bepaling van de oorsprong der produkten, lijkt het gewenst dat het Hof het antwoord herhaalt dat het in het arrest-Donckerwolcke heeft gegeven op de vraag of de verplichting om bij de aangifte ten invoer het oorsprongsland te vermelden, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.

Ook wat de toetsing aan de artikelen 30 en 115 betreft, verwijst de Commissie naar het arrest-Donckerwolcke, waarin het Hof de maatregelen die een Lid-Staat met het oog op de toepassing van artikel 115 mag nemen ter vaststelling van de oorsprong van goederen in het vrije verkeer, heeft omschreven. Het Hof achtte de verplichte oorsprongvermelding toegestaan, maar de invoer van de betrokken waar mocht niet afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat ook het bewijs van de oorsprong werd geleverd: vermelding van de oorsprong mag slechts worden verlangd wanneer deze redelijkerwijze bekend kan zijn, en het niet of onjuist vermelden van de oorsprong kan enkel grond opleveren voor een administratieve sanctie, dus stellig niet voor een invoerverbod. Het eisen van een certificaat van oorsprong komt echter neer op het eisen van het bewijs inzake de oorsprong. De verplichting om, met het oog op de toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag, een certificaat van oorsprong over te leggen, is mitsdien in strijd met artikel 30.

Bij importen die in december 1971 hebben plaatsgevonden, dient men bovendien rekening te houden met de op artikel 115 gebaseerde beschikking van de Commissie van 12 mei 1971. Hierbij werden de Lid-Staten gemachtigd conservatoire maatregelen te nemen tot zou zijn beslist op het verzoek om goederen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer waren gebracht, van de communautaire behandeling te mogen uitsluiten. Volgens artikel 1, lid 2, van deze beschikking kan „de Lid-Staat (…) van de aanvrager van het invoerdocument eisen dat hij de nodige gegevens verstrekt, zoals de omschrijving van het produkt, de oorsprong …” Deze bepaling laat echter niet toe dat overlegging van een certificaat van oorsprong wordt geëist. Het eisen van gegevens kan immers niet betekenen het eisen van een certificaat, laat staan dat dat certificaat een voorwaarde voor de invoer zou kunnen zijn.

In december 1971 bestond er in Frankrijk een kwantitatieve beperking voor Spaanse druiven in de vorm van een contingent. Ingevolge artikel 1, tweede alinea, van de beschikking van 12 mei 1971 kon deze Lid-Staat dus eerst van de in de eerste alinea bedoelde machtiging gebruik maken nadat het contingent voor 80 % was benut.

Tot dat tijdstip mocht Frankrijk de importeur zelfs niet vragen de oorsprong van de waar aan te geven.

Vervolgens gaat de Commissie na of de verplichting om een certificaat, van oorsprong over te leggen, verenigbaar is met de gemeenschapsregeling inzake kwaliteitsnormen voor groenten en fruit en eventueel met artikel 30 EEG-Verdrag. Voor tafeldruiven bepalen die normen (bijlage 1/7 bij verordening nr. 58, punt VI, sub c) dat op de buitenzijde van iedere verpakkingseenheid in duidelijk leesbare en onuitwisbare letters de oorsprong van het produkt — produktiegebied of aanduiding van land, streek of plaats — moet zijn vermeld.

Het is duidelijk dat een oorsprongvermelding in het kader van deze regeling geen rol speelt voor de tarifering, de contingentbewaking enzovoort. De in de kwaliteitsnormen bedoelde oorsprong heeft betrekking op de industriële en commerciële eigendomsrechten, nauwkeuriger gezegd de geografische namen die als benaming van oorsprong of herkomstaanduiding beschermd kunnen zijn. De door de kwaliteitsnormen voorgeschreven vermelding van geografische namen dient ter voorlichting van de consument en om de marktwaarde van het produkt te vergroten.

Spaanse druiven die in Italië zijn ingeklaard en vandaar naar Frankrijk worden verzonden, moeten, aldus de Commissie, op de plaats van inklaring aan een eerste verplichte keuring worden onderworpen (vgl. artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 80/63/EEG, PB 1963, blz. 2137).

Omdat Spanje is aangesloten bij de OESO-regeling inzake de toepassing van internationale normen voor groenten en fruit, gaan de druiven vergezeld van een OESO-controlebewijs (waarop onder meer het land van oorsprong is vermeld), zodat artikel 3, lid 2, van verordening nr. 80/63/EEG toepassing kan vinden.

Na deze keuring vallen de Spaanse druiven onder de bepalingen voor communautaire produkten. Volgens artikel 5 van verordening nr. 158/66/EEG (PB 1966, blz. 3282) wordt de conformiteitscontrole steekproefsgewijs verricht in alle verhandelingsstadia en tijdens het vervoer.

Ingevolge deze laatste bepaling kan ook een controle worden uitgevoerd op het moment waarop de druiven vanuit Italië Frankrijk binnenkomen. In beginsel kan niet worden ontkend dat de Franse autoriteiten daarbij een bewijs van oorsprong mogen verlangen. In dat geval moet de controlerende instantie echter wel een goede reden hebben om de juistheid van de oorsprongaanduiding op de verpakking en het controlebewijs te betwijfelen. Bovendien moet die reden verband houden met het vermoeden dat men misbruik heeft willen maken van een bepaalde geografische naam teneinde de handelswaarde van het produkt te vergroten. Als de controlerende instantie dan overtuigd raakt van de onjuistheid van de oorsprongaanduiding, dient zij in de eerste plaats te eisen dat de waar in overeenstemming wordt gebracht met de voorschriften (vgl. artikel 3 van verordening nr. 93/67/EEG, PB 1967, blz. 1766). Deze minimum verplichting wordt opgelegd, aldus genoemd artikel, „onverminderd de bij artikel 8 van verordening nr. 158/66/EEG voorziene sancties”. De aard en omvang van die sancties is aan de beoordeling van de Lid-Staten overgelaten, zij het dat deze zich hebben te houden aan het verbod van maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking. Zou een Lid-Staat dus weigeren de invoer van de betrokken waar op zijn grondgebied toe te staan, dan handelt hij in strijd met dat verbod, aangezien een dergelijke sanctie enkel de geïmporteerde produkten zou treffen. Als een Lid-Staat de invoer van druiven met een onjuist gebleken oorsprongaanduiding niet mag weigeren, dan kan hij a fortiori die invoer ook niet afhankelijk stellen van de juistheid van die aanduiding, dat wil zeggen van de overlegging van een certificaat van oorsprong, zonder in strijd te komen met artikel 30 EEG-Verdrag.

Zou een Lid-Staat de niet-naleving van de kwaliteitsnormen met betrekking tot ingevoerde druiven zwaarder bestraffen dan met betrekking tot binnenlandse druiven, dan maakt hij zich volgens de Commissie schuldig aan een duidelijk niet met artikel 30 te rijmen vorm van discriminatie. Het lijkt echter weinig waarschijnlijk dat het in de zesde prejudiciële vraag veronderstelde geval zich in die vorm zal voordoen.

Wat daarentegen wel kan voorkomen, is dat hetzelfde feit onder twee verschillende verbodsbepalingen valt. Wanneer bij voorbeeld de onjuiste oorsprongaanduiding zowel op het aangifteformulier als op de verpakking is vermeld, kan men de onjuiste aangifte sanctioneren overeenkomstig de criteria van het arrest-Donckerwolcke en daarnaast een straf opleggen wegens niet-nakoming van de kwaliteitsnormen. Het is duidelijk dat voor een onjuiste vermelding bij nationale produkten enkel deze tweede sanctie kan worden opgelegd.

De Commissie stelt voor de vragen van het Tribunale di Saluzzo te beantwoorden als volgt:

1\. De eerste voorwaarde voor de toepasselijkheid van artikel 115 EEG-Verdrag is het ontbreken van een eenvormige gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer met een bepaald derde land, ongeacht het feit of de Gemeenschap met dat land een overeenkomst heeft gesloten.

2\. Ingevolge het bepaalde bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2513/69 juncto artikel 1 van bijlage I bij de overeenkomst EEG — Spanje mochten de Lid-Staten in 1970 en 1971 de vóór de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 2513/69 bestaande kwantitatieve beperkingen voor tafeldruiven van oorsprong uit Spanje blijven toepassen gedurende de periode van 1 juli tot 31 december van elk jaar.

3\. De eis van de invoerende Lid-Staat dat bij de aangifte ten invoer het land van oorsprong moet worden vermeld van goederen in het vrije verkeer, waarvan het communautaire karakter blijkt uit het gemeenschapscertificaat, is op zich geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, mits het goederen betreft waarvoor die staat in overeenstemming met het Verdrag handelspolitieke maatregelen heeft getroffen. Zodanige eis valt evenwel onder het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag indien van de importeur wordt verlangd met betrekking tot de oorsprong meer te vermelden dan hij weet of redelijkerwijze kan weten, of indien op het niet of niet juist vermelden van de oorsprong straffen zijn gesteld die onevenredig zijn aan een overtreding van zuiver administratieve aard.

4\. Wanneer een Lid-Staat de invoer op zijn grondgebied van produkten die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden, afhankelijk stelt van de overlegging van een certificaat van oorsprong, is er sprake van een bij artikel 30 verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, om het even of die maatregel is genomen met het oog op de toepassing van artikel 115 van het Verdrag dan wel in het kader van de controles bedoeld in de gemeenschapsregeling betreffende de kwaliteitsnormen in de sector groenten en fruit.

5\. Wanneer het niet naleven van de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen voor groenten en fruit met betrekking tot produkten uit de andere Lid-Staten zwaarder wordt bestraft dan met betrekking tot binnenlandse produkten, is er sprake van een bij artikel 30 verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking.

#### III — Mondelinge behandeling

Overwegende dat ter terechtzitting van 11 oktober 1977 verweerster in het hoofdgeding en de Commissie van de Europese Gemeenschappen mondelinge opmerkingen hebben gemaakt;

dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 november 1977 conclusie heeft genomen;

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de president van het Tribunale di Saluzzo bij beschikking van 15 april 1977, ingekomen ten Hove op 19 april daaropvolgende, het Hof van Justitie zes prejudiciële vragen heeft gesteld betreffende de uitlegging van de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Spanje van 29 juni 1970, opgenomen in verordening nr. 1524/70 van de Raad van 20 juli 1970 (PB L 132 van 20. 7. 1970, blz. 1), en van verordening nr. 58/62 van de Commissie van 15 juni 1962 met betrekking tot de vaststelling van bepaalde kwaliteitsnormen voor de produkten van bijlage I B van verordening nr. 23, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB 1962, blz. 1606);

2. Overwegende dat de vragen zijn gesteld in het kader van een procedure ter verkrijging van verlof tot het leggen van conservatoir beslag, ingeleid door de firma L. Cayrol (na te noemen: Cayrol) tegen de firma G. Rivoira & Figli snc (na te noemen: Rivoira);

3. dat blijkens de processtukken Cayrol in december 1970 en december 1971 in Frankrijk heeft geïmporteerd verscheidene partijen tafeldruiven van oorsprong uit Spanje en vandaar verzonden naar Italië, waar zij door Rivoira in het vrije verkeer waren gebracht, welke partijen vergezeld gingen van een door het Istituto Nazionale per il Commercio Estero (ICE) afgegeven certificaat, inhoudende dat de waar aan de kwaliteitsnormen voldeed en van Italiaanse oorsprong was;

4. dat na een onderzoek door de Franse douane op 9 augustus 1972 (dus na het in de handel brengen van de druiven) Cayrol en Rivoira zijn gedagvaard wegens invoer van verboden waren met gebruikmaking van een valse verklaring van oorsprong en valse of onjuiste documenten, nadat het door Frankrijk vastgestelde invoercontingent voor Spaanse druiven was uitgeput;

5. dat op de grondslag van deze dagvaarding het Tribunal de Grande Instance de Montpellier, met verwerping van het verweer van verdachten dat de druiven door de in Italië ondergane bewerking Italiaanse oorsprong hadden verkregen, Cayrol en Rivoira hoofdelijk heeft veroordeeld tot, onder meer, een boete in stede van verbeurdverklaring alsmede een boete gelijk aan tweemaal de waarde van de voor verbeurdverklaring in aanmerking komende voorwerpen;

6. dat Cayrol, na door betaling van het hem voorgestelde schikkingsbedrag de boete te hebben voldaan, bij het Tribunale di Saluzzo een beslagleggingsprocedure tegen Rivoira heeft ingeleid op grond dat de opgelegde sancties een gevolg waren van de handelwijze van Rivoira, die de Franse instanties middels het ICE-certificaat valse gegevens over de oorsprong van de waar had verstrekt, welke motivering de president van het Tribunale ertoe heeft gebracht te onderzoeken of die instanties in overeenstemming met de bepalingen van het gemeenschapsrecht hadden gehandeld;

7. Overwegende dat het bij de eerste twee vragen gaat om de betekenis die de op 29 juni 1970 gesloten handelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Spanje voor de zaak heeft;

8. dat vooreerst wordt gevraagd of artikel 115 EEG-Verdrag door de Lid-Staten kan worden ingeroepen met betrekking tot produkten van oorsprong uit een derde land, die zijn onderworpen „aan een communautaire invoerregeling krachtens een handelsovereenkomst van de EEG met dit derde land”;

9. dat vervolgens wordt gevraagd of artikel 1 van bijlage I bij de betrokken overeenkomst aldus moet worden uitgelegd, „dat de Lid-Staten sedert de inwerkingtreding dier overeenkomst op 1 oktober 1970 niet meer bevoegd zijn rechtstreeks (op grond van tevoren met Spanje gesloten bilaterale handelsakkoorden) kwantitatieve beperkingen van welke aard ook — daaronder begrepen invoercontingenten — voor produkten van Spaanse oorsprong (en met name die bedoeld in artikel 11 van bijlage I bij de overeenkomst EEG — Spanje, onder post 08.04, druiven) tijdens enige maand van het jaar in te stellen”;

10. dat het raadzaam voorkomt deze twee vragen tezamen te bespreken;

11. Overwegende ten aanzien van de uitlegging van de overeenkomst, dat Rivoira, uitgaande van artikel 1 juncto artikel 11, sub tariefpost 08.04, van bijlage I bij de overeenkomst, in haar opmerkingen betoogt dat deze bepalingen een verbod van kwantitatieve invoerbeperkingen voor druiven inhouden;

12. dat immers artikel 11 bepaalt dat voor het produkt bij invoer in de Gemeenschap in de periode van 1 januari tot 31 maart een met 50 % verlaagd invoerrecht geldt, terwijl artikel 1, volgens hetwelk „bij invoer in de Gemeenschap van produkten van oorsprong uit Spanje (…) geen kwantitatieve beperkingen voor de onder deze bijlage vallende produkten (gelden)”, contingenteringsmaatregelen als door de Franse instanties ingeroepen, zou verbieden;

13. dat evenwel de Commissie in haar opmerkingen heeft betoogd dat artikel 1 aldus moet worden uitgelegd, dat kwantitatieve beperkingen enkel verboden zijn *voor zover* de bepalingen van de bijlage op de betrokken produkten van toepassing zijn, weshalve dat verbod ten aanzien van tafeldruiven slechts zou gelden in de periode van 1 januari tot 31 maart van elk jaar;

14. Overwegende dat al moge de ruimere interpretatie van Rivoira op het eerste gezicht plausibel lijken, de door de Commissie verdedigde uitlegging meer in overeenstemming is met zowel de structuur als de doelstellingen van de overeenkomst;

15. dat deze immers in sommige bepalingen van de bijlage contingenteringen — dat wil zeggen kwantitatieve beperkingen — voorziet, onder meer ten aanzien van druiven in artikel 9, lid 2, zodat men moet concluderen dat artikel 1 niet alle kwantitatieve beperkingen beoogt te verbieden;

16. dat wanneer evenwel de overeenkomst voor bepaalde perioden invoer tegen een lager tarief toestaat, het normaal is te bedingen dat dit voordeel niet door kwantitatieve beperkingen ongedaan kan worden gemaakt;

17. dat daarentegen niet kan worden geconcludeerd dat zodanige beperkingen ook voor de rest van het jaar, in casu de periode van 1 april tot 31 december, zouden zijn verboden, aangezien reeds de omstandigheid dat het verlaagde tarief slechts voor drie maanden geldt, erop wijst dat buiten dat tijdvak andere overwegingen de overhand kunnen hebben;

18. dat deze uitlegging bovendien wordt bevestigd door de vaste praktijk van partijen bij de overeenkomst, zoals die uit door de Commissie overgelegde documenten blijkt;

19.

Overwegende daarenboven dat artikel 1 van verordening nr. 2513/69 van de Raad van 9 december 1969 betreffende de coördinatie en de eenmaking van de invoerregelingen voor groenten en fruit die door elke Lid-Staat ten opzichte van derde landen worden toegepast (PB L 318 van 10. 12. 1969, blz. 6), bepaalt als volgt:

> 1.„ Behoudens andersluidende communautaire bepalingen of afwijkingen, waartoe door de Raad, op voorstel van de Commissie en volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag, is besloten, is het verboden om bij invoer uit derde landen van produkten vallende onder post 07.01, niet inbegrepen de onderverdeling 07.01 A, en onder de posten 08.02 tot en met 08.09 van het gemeenschappelijk douanetarief:
>
> —enige heffing van gelijke werking als een douanerecht toe te passen,
>
> —enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking toe te passen.
>
> Voor de in de bijlage genoemde produkten echter en onverminderd het bepaalde in lid 2, tweede alinea, zijn de bepalingen van voorgaande alinea, tweede streepje, niet van toepassing gedurende de in deze zelfde bijlage vastgestelde perioden.
>
> 2.De Raad beslist op voorstel van de Commissie volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag vóór 1 januari 1973, onder welke omstandigheden het in lid 1, tweede streepje, genoemde verbod wordt uitgebreid tot de in de bijlage genoemde produkten gedurende de in deze zelfde bijlage vastgestelde tijdvakken.
>
> Tot de inwerkingtreding van de maatregelen waartoe krachtens de voorgaande alinea is besloten, kunnen de Lid-Staten geen andere kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking toepassen dan die welke zij tijdens het aan de datum van inwerkingtreding van deze verordening voorafgaand verkoopseizoen toepasten, zonder dat zij hieraan evenwel een meer beperkend karakter mogen geven.
>
> De Lid-Staten die voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de in de voorgaande alinea bedoelde maatregelen en die voornemens zijn deze maatregelen toe te passen, stellen de Commissie daarvan vóór de aanvang van het invoerseizoen in kennis.
>
> Met betrekking tot het invoerseizoen 1969/1970 vindt deze kennisgeving echter uiterlijk op 15 januari 1970 plaats”;

20. dat blijkens dit artikel de Lid-Staten bevoegd waren voor de in de bijlage van verordening nr. 2513/69 vermelde produkten, waaronder tafeldruiven, kwantitatieve beperkingen toe te passen gedurende de in diezelfde bijlage genoemde periode, dat wil zeggen voor tafeldruiven de periode van 1 juli tot 31 januari;

21. dat vaststaat dat de Franse Republiek, die gebruik heeft gemaakt van de bij de aangehaalde bepaling aan de Lid-Staten gelaten mogelijkheid, de Commissie in kennis heeft gesteld van een kwantitatieve invoerbeperking voor Spaanse tafeldruiven voor de jaren 1970 en 1971, in de vorm van een contingent ter waarde van FF 5 miljoen voor het tijdvak van medio november tot 31 januari;

22. dat door de overeenkomst tussen de Gemeenschap en Spanje de vrijheid van de Lid-Staten nog meer werd beperkt en dus ook de bevoegdheid van de Franse Republiek om de aangemelde beperking tot de maand januari uit te breiden;

23. dat daarentegen uit het voorgaande volgt dat de Lid-Staten, gelet op het bepaalde bij artikel 1 van verordening nr. 2513/69 junctis de artikelen 1 en 11 van bijlage I bij de overeenkomst EEG — Spanje, de kwantitatieve beperkingen voor tafeldruiven van Spaanse oorsprong, welke vóór verordening nr. 2513/69 bestonden, tussen 1 juli en 31 december van elk jaar mochten blijven toepassen;

24. Overwegende ten slotte ten aanzien van de gevraagde uitlegging van artikel 115 EEG-Verdrag, dat waar sommige Lid-Staten, waaronder de Franse Republiek, daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid kwantitatieve invoerbeperkingen voor tafeldruiven van Spaanse oorsprong te blijven toepassen, zich toentertijd dispariteiten hebben voorgedaan in de handelspolitieke maatregelen van de Lid-Staten, hetgeen een basisvoorwaarde is voor toepassing van artikel 115;

25. dat blijkens het voorgaande tafeldruiven in de periode van 1 juli tot 31 december van elk jaar niet onderworpen waren aan een communautaire invoerregeling die artikel 115 terzake buiten toepassing had kunnen stellen;

26. dat vaststaat dat twee Lid-Staten de in de eerste alinea, tweede zin, van dat artikel bedoelde machtiging van de Commissie hadden verkregen om Spaanse tafeldruiven gedurende de laatste maanden van het jaar van de communautaire behandeling uit te sluiten, zodat zij bevoegd waren om in afwijking van artikel 30 EEG-Verdrag de oorsprong van produkten in het intracommunautaire handelsverkeer te controleren;

27. dat het van belang is erop te wijzen dat, naar de Commissie heeft meegedeeld, de Franse Republiek zodanige machtiging heeft aangevraagd noch verkregen;

28. dat, wat hiervan ook zij, moet worden geantwoord dat het bestaan van de handelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Spanje in 1970 en 1971 niet in de weg stond aan de toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag op de invoer van tafeldruiven;

29. Overwegende dat de vragen 3 tot en met 6 van de president van het Tribunale di Saluzzo ertoe strekken te vernemen welke controles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap nog met het gemeenschapsrecht verenigbaar zijn;

30. dat in de derde en vierde plaats wordt gevraagd of er sprake is van een bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, wanneer de invoer van produkten in het vrije verkeer afhankelijk wordt gesteld van de overlegging van certificaten van oorsprong of van andere middelen om de oorsprong van de betrokken produkten te bepalen, en zo ja, of de Lid-Staten mogen afwijken van het verbod van artikel 30 door voor alle waren uit andere Lid-Staten certificaten van oorsprong te verlangen voordat de Commissie daartoe machtiging heeft verleend in de zin van artikel 115 EEG-Verdrag;

31. Overwegende dat de Commissie betoogt dat uit de processtukken niet blijkt dat in casu de overlegging van certificaten van oorsprong is geëist, en derhalve de vraag opwerpt of de vragen wel relevant zijn voor een beslissing van de aan de rechter voorgelegde zaak;

32. dat het evenwel niet aan het Hof staat te beoordelen of de krachtens artikel 177 door de nationale rechter gestelde vragen relevant zijn voor de aard en het voorwerp van het voor deze aanhangige geding, aangezien het de nationale rechter is die in overeenstemming met de structuur van de prejudiciële procedure daarover heeft te beslissen;

33. Overwegende dat juist in gevallen waarin vanwege de onvolkomenheid van de gemeenschappelijke handelspolitiek er dispariteiten blijven bestaan tussen de handelspolitieke maatregelen der Lid-Staten en eventueel verkeersverleggingen of economische moeilijkheden te duchten zijn, de Lid-Staten niet onverschillig kunnen blijven ten aanzien van de oorsprong van ten invoer aangegeven goederen uit andere Lid-Staten, die zich daar in het vrije verkeer bevinden;

34. dat zoals het Hof in zijn arrest van 16 december 1976 (zaak 41/76, Doncker-wolcke, Jurispr. 1976, blz. 1921) reeds heeft verklaard, het de Lid-Staten in die omstandigheden niet verboden is, zelfs met betrekking tot goederen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer zijn gebracht en door een communautair verkeerscertificaat zijn gedekt, de importeur te verplichten de eerste oorsprong der goederen te vermelden;

35. dat daarbij moet worden erkend dat kennis van die oorsprong noodzakelijk is zowel voor de betrokken Lid-Staat, om de draagwijdte van eventuele handelspolitieke maatregelen die hij overeenkomstig het Verdrag mag nemen, te kunnen bepalen, als voor de Commissie, met het oog op de uitoefening van het haar bij artikel 115 voorbehouden controle- en beslissingsrecht;

36. dat evenwel de Lid-Staten van de importeur niet meer kunnen vergen dan vermelding van de oorsprong van de produkten, voor zover deze hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn;

37. dat voorts niet-nakoming door de importeur van zijn verplichting om de eerste oorsprong van een waar te vermelden, niet mag leiden tot toepassing van straffen die onevenredig zijn aan de ernst van zo een zuiver administratieve overtreding;

38. dat verbeurdverklaring van de goederen of oplegging van een boete waarvan de hoogte afhankelijk is van de waarde der goederen, stellig onverenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag, aangezien dat zou neerkomen op belemmering van het vrije goederenverkeer;

39. dat in het algemeen iedere administratieve of strafrechtelijke maatregel die verder gaat dan voor de invoerende Lid-Staat strikt noodzakelijk is ter verkrijging van redelijk volledige en juiste gegevens betreffende goederenbewegingen waarvoor bijzondere handelspolitieke maatregelen gelden, moet worden beschouwd als een bij het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking;

40. dat a fortiori het vereiste van een invoervergunning bij invoer in een Lid-Staat van goederen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer zijn gebracht, onverenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag, zolang de Commissie niet krachtens artikel 115, eerste alinea, tweede zin, een afwijkende regeling voor die goederen heeft toegestaan;

41. Overwegende dat in de vijfde en zesde plaats wordt gevraagd of de gemeenschapsregeling inzake kwaliteitsnormen voor groenten en fruit — met name het bepaalde bij verordening nr. 58/62 — de Lid-Staat veroorlooft het intracommunautaire handelsverkeer aan voorwaarden te binden door bij grensoverschrijding overlegging van documenten betreffende de oorsprong van zich in het vrije verkeer bevindende produkten uit andere Lid-Staten te eisen, en of er sprake is van een bij artikel 30 verboden maatregel van gelijke werking, wanneer in geval van niet-inachtneming van die kwaliteitsnormen ten aanzien van ingevoerde produkten de op overtreding van de douanebepalingen gestelde straffen worden toegepast, en ten aanzien van binnenlandse produkten de op overtreding van de handelsregeling gestelde (lichtere) straffen;

42. Overwegende dat de kwaliteitsnormen voor groenten en fruit en dus voor tafeldruiven weliswaar voor het eerst bij verordening nr. 58/62 zijn vastgesteld, doch deze materie op het tijdstip van de betrokken importen werd beheerst door verordening nr. 158/66 van de Raad van 25 oktober 1966 betreffende de toepassing van de kwaliteitsnormen voor groenten en fruit die binnen de Gemeenschap in de handel worden gebracht (PB 1966, blz. 3282), welke luidens haar eerste overweging beoogt „de produkten van onbevredigende kwaliteit van de markt te doen verdwijnen, de produktie zodanig te richten dat aan de eisen van de consument wordt voldaan, en de handelsbetrekkingen op basis van een eerlijke mededinging en van gemeenschappelijke regels te vergemakkelijken”;

43. dat verordening nr. 80/63 van de Commissie van 31 juli 1963 betreffende de controle op de kwaliteit van uit derde landen ingevoerd fruit (PB 1963, blz. 2137) in artikel 1 bepaalt dat „alvorens tot invoer in de Lid-Staten te worden toegelaten, (produkten) uit derde landen, aan een kwaliteitscontrole worden onderworpen, die ten doel heeft … na te gaan of de produkten voldoen aan de … gemeenschappelijke kwaliteitsnormen of aan ten minste gelijkwaardige normen”;

44. dat verordening nr. 93/67 van de Commissie van 3 mei 1967 houdende eerste maatregelen ten aanzien van de kwaliteitscontrole van groenten en fruit die binnen de Gemeenschap in de handel worden gebracht (PB 1967, blz. 1766) en verordening nr. 2638/69 van de Commissie van 24 december 1969 houdende aanvullende maatregelen ten aanzien van de kwaliteitscontrole van groenten en fruit die binnen de Gemeenschap in de handel worden gebracht (PB L 327 van 30. 12. 1969, blz. 33) voorschriften ter zake van de kwaliteitscontrole bevatten;

45. Overwegende dat volgens artikel 3 van verordening nr. 158/66 de in de kwaliteitsnormen voorgeschreven gegevens — waaronder een aanduiding van de oorsprong van de waar — in duidelijk leesbare en onuitwisbare letters op één van de zijkanten van de verpakking moeten worden aangebracht door directe. opdruk of door middel van een stevig aan de verpakkingseenheid bevestigd etiket, terwijl in het tweede lid van het artikel wordt bepaald dat voor onverpakte produkten deze gegevens moeten voorkomen op een document dat de goederen vergezelt, of op een kaartje dat zich zichtbaar in het vervoermiddel bevindt;

46. dat met betrekking tot de controle artikel 3 van verordening nr. 93/67 bepaalt dat „indien de gecontroleerde partijen niet aan de van kracht zijnde voorschriften beantwoorden”, de controledienst moet eisen dat zij met die voorschriften in overeenstemming worden gebracht, of anders een bestemming krijgen waarvoor de kwaliteitsnormen niet gelden;

47. dat dienvolgens de regeling van de kwaliteitscontrole van de betrokken produkten op zichzelf de eis om documenten betreffende de oorsprong van de produkten over te leggen, niet kan rechtvaardigen, met dien verstande evenwel dat de controledienst bij de controle het bewijs kan verlangen dat de voorgeschreven gegevens met de werkelijkheid overeenstemmen;

48. Overwegende dat artikel 8, tweede alinea, van verordening nr. 158/66 bepaalt dat „de Lid-Staten passende maatregelen nemen ten einde op inbreuken op de bepalingen dezer verordening sancties te stellen”;

49. dat dit artikel in zijn algemeenheid geen onderscheid maakt tussen inbreuken met betrekking tot binnenlandse produkten en die met betrekking tot produkten uit de andere Lid-Staten, noch tussen inbreuken met betrekking tot communautaire dan wel niet-communautaire produkten;

50. dat hieruit moet worden geconcludeerd dat artikel 8 alle inbreuken ongeacht de herkomst van het produkt op gelijke voet bestraft wenst te zien en dat nationale maatregelen die te dien aanzien differentiëren, in voorkomend geval beschouwd kunnen worden als discriminerend en mitsdien als onverenigbaar met het Verdrag, inzonderheid met artikel 30;

#### Ten aanzien van de kosten

51. Overwegende dat de kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

52. dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de president van het Tribunale di Saluzzo bij diens beschikking van 15 april 1977 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Het bestaan van de handelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Spanje stond in 1970 en 1971 niet in de weg aan de toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag op de invoer van tafeldruiven.

2\. Gelet op het bepaalde bij artikel 1 van verordening nr. 2513/69 junctis de artikelen 1 en 11 van bijlage I bij de overeenkomst EEG — Spanje, mochten de Lid-Staten de kwantitatieve beperkingen voor tafeldruiven van Spaanse oorsprong, welke vóór verordening nr. 2513/69 bestonden, tussen 1 juli en 31 december van elk jaar blijven toepassen.

3\. Iedere administratieve of strafrechtelijke maatregel die verder gaat dan voor de invoerende Lid-Staat strikt noodzakelijk is ter verkrijging van redelijk volledige en juiste gegevens betreffende goederenbewegingen waarvoor bijzondere handelspolitieke maatregelen gelden, moet worden beschouwd als een bij het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking; het vereiste van een invoervergunning bij invoer in een Lid-Staat van goederen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer zijn gebracht, is onverenigbaar met de bepalingen van het Verdrag, zolang de Commissie niet krachtens artikel 115, eerste alinea, tweede zin, een afwijkende regeling voor die goederen heeft toegestaan.

4\. De regeling van de kwaliteitscontrole van produkten kan op zichzelf de eis om documenten betreffende de oorsprong der produkten over te leggen, niet rechtvaardigen, met dien verstande evenwel dat de controledienst bij de controle het bewijs kan verlangen dat de voorgeschreven gegevens met de werkelijkheid overeenstemmen.

5\. Artikel 8 wenst alle inbreuken ongeacht de herkomst van het produkt op gelijke voet bestraft te zien; nationale maatregelen die te dien aanzien differentiëren, kunnen in voorkomend geval worden beschouwd als discriminerend en mitsdien als onverenigbaar met het Verdrag, inzonderheid met artikel 30.

### Voetnoten

- 1 Verordening (EEG) nr. 1524/70 van de Raad van 20 juli 1970, PB L 182 van 20. 7. 1970, blz. 1.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

16

EEG-Verdrag art. 115 uitgelegd 17 voorkomens

EEG-Verdrag art. 30 uitgelegd 7 voorkomens

verordening 2513/69 art. 1 uitgelegd 7 voorkomens

EEG-Verdrag art. 43 2 voorkomens

verordening 80/63 art. 3 2 voorkomens

verordening 158/66 art. 8 uitgelegd 2 voorkomens

verordening 93/67 art. 3 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 110 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 113 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

verordening 158/66 art. 3 1 voorkomen

verordening 158/66 art. 5 1 voorkomen

verordening 802/68 art. 5 1 voorkomen

verordening 2513/69 art. 2 1 voorkomen

verordening 1035/72 art. 22 1 voorkomen

verordening 1035/72 art. 29 1 voorkomen

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Hof van Justitie C-246/04 12.01.2006

#### [Vrijstellingen voor verhuur en verpachting van onroerende goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-246-04-arrest)

Conclusie van advocaat-generaal Jacobs C-312/91 22.04.1993

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 36](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-312-91-conclusie)
