---
title: "HvJ EU, 52/75, arrest van 26 februari 1976 · EEG-Verdrag art. 169, richtlijn 70/458 art. 43"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 februari 1976, 52/75: EEG-Verdrag art. 169, richtlijn 70/458 art. 43."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-52-75-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-52-75-arret"
---

# Arrest van het Hof van 26 februari 1976, 52/75 · EEG-Verdrag art. 169, richtlijn 70/458 art. 43

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

52/75

**ECLI**

ECLI:EU:C:1976:29

**Datum**

26 februari 1976

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming gegrond

**Zaak ingediend op**

10 juni 1975

**Advocaat-generaal**

Mayras

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1976, blz. 277

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Pescatore

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Gemeenschapsrecht en nationaal recht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03) 136 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Handelingen van de instellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20) [Richtlijnen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.02) [Dwingende aard van de uitvoeringstermijnen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.02.02) 2 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Beroep wegens niet-nakoming](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.01) [Verweermiddelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.01.03) 48 beslissingen

## Tekst

56 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het procesverloop, alsmede de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Uiteenzetting der feiten

Naarmate het handelsverkeer in landbouwprodukten binnen de Gemeenschap met het op gang komen van de gemeenschappelijke markt en het gemeenschappelijk landbouwbeleid meer en meer van de traditionele belemmeringen werd vrijgemaakt, kwam het de instellingen der Gemeenschap voor dat van de ongelijke wijze waarop deze materie in de regelingen der verschillende Lid-Staten was geregeld een ongustig effect uitging op de concurrentiepostitie der producenten, met name wat betreft de zo belangrijke produktiefactor welke de zaden in de moderne landbouw vormen.

De Raad heeft dan ook op 14 juni 1966 de eerste richtlijnen op dit gebied doen uitgaan; zij betroffen de handel in de belangrijkste landbouwzaden en -gewassen: bietenzaad, zaad van voedergewassen, zaad van granen en aardappelplanten. Zij waren er in hoofdzaak op gericht de handel binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken met betrekking tot de zaden welke de beste waarborgen bieden voor een kwantitatief en kwalitatief bevredigende oogst; zij berusten op het beginsel dat slechts zaden verkregen bij systematische selectie — zodat ze welomschreven eigenschappen bezitten — aan de behoeften van de moderne landbouw kunnen voldoen. Gezien de diversiteit van de nationale stelsels op het stuk van de certificaten en waarborgen voor de identiteit, zuiverheid en gezondheid der variëteiten, ging het vooral om de organisatie van de sector zaden en gewassen en om de verwezenlijking van het vrije verkeer in die zaden en gewassen — door veralgemening en harmonisatie van de verschillende certificatenstelsels —.

Door dezelfde beginselen heeft men zich laten leiden op het terrein van de groenteteelt, die in de landbouw van de Gemeenschap een belangrijke plaats inneemt. Bevredigende resultaten bij de groenteteelt hangen grotendeels af van het gebruik van geschikt zaad, zodat men heeft gemeend dat een grotere produktiviteit bij de groenteteelt in de Gemeenschap alleen kon worden bereikt wanneer de Lid-Staten uniforme en zo streng mogelijke regels zouden toepassen bij de keuze van de rassen die worden toegelaten tot de goedkeuring, de controle en de handel.

De Raad heeft dan ook op grondslag van de artikelen 43 en 100 van het EEG-Verdrag op 29 september 1970 richtlijn nr. 70/458 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (PB L 225, blz. 7 voor een gecoördineerde tekst waarin de latere wijzigingen zijn verwerkt zie men PB 1974, C 66, van 8. 6. 1974, blz. 62) doen uitgaan.

In die richtlijn wórdt met name gewezen op de noodzaak om op basis van de rassenlijsten der Lid-Staten een gemeenschappelijke rassenlijst voor groenterassen op te stellen. Alle Lid-Staten dienden derhalve één of meer nationale lijsten op te stellen van de rassen die op hun grondgebied tot de goedkeuring, de controle en de handel zijn toegelaten. De opstelling van deze lijsten diende volgens uniforme voorschriften te geschieden, opdat de toegelaten rassen onderscheidbaar, bestendig en voldoende homogeen zouden zijn. Voor de uitvoering van het onderzoek met het oog op de toelating van een ras moesten uniforme criteria en minimumeisen worden vastgesteld.

De uniforme voorschriften nopens de goedkeuring der verschillende groentezaden door de gezagsorganen der Lid-Staten houden een omschrijving in van de voorwaarden waaraan de zaden moeten voldoen om hetzij te worden goedgekeurd als onder verantwoordelijkheid van de verkrijger of teler volgens stringente selectievoorschriften geproduceerd basiszaad dan wel als — in de regel uit basiszaad verkregen — gecertificeerd zaad. Gedurende een overgangsperiode zou de handel in gecontroleerd standaardzaad worden toegelaten; ook dit standaardzaad moet aan minimum eisen van echtheid en zuiverheid, voldoen, doch daarnaar vindt slechts een achteraf steeksproefsgewijze en te velde uitgevoerde officiële controle plaats.

In richtlijn nr. 70/458 wordt voorts nog bepaald dat zaad dat aan de gestelde voorwaarden voldoet — met name wat betreft de goedkeuring, de verpakking en de aanduiding — onverminderd de toepassing van artikel 36 van het Verdrag slechts onderworpen mag worden aan beperkingen ten aanzien van het in de handel brengen die in de communautaire bepalingen zijn voorgeschreven.

In artikel 43 zijn de Lid-Staten verplicht om uiterlijk op 1 juli 1972 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om deze richtlijn ten uitvoer te leggen — waarvan de Commissie onverwijld in kennis moet worden gesteld —.

Op 21 december 1973 heeft de Commissie er de aandacht van de regering van de Italiaanse Republiek op gevestigd dat wijzigingen welke in de nationale wetgeving moesten worden aangebracht om haar met de richtlijn in overeenstemming te doen zijn, blijkbaar noch waren aangenomen, noch ook werden toegepast; omdat de Italiaanse Republiek daarmede haars inziens één harer verplichtingen niet nakwam, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 169 van het EEG-Verdrag de Italiaanse Regering gevraagd binnen een maand haar opmerkingen te dier zake kenbaar te maken.

Op 12 maart 1974 heeft de permanente vertegenwoordiging van de Italiaanse Regering de Commissie medegedeeld dat de algemene bepalingen van richtlijn nr. 70/458, en wel met name die betreffende de verpakking der produkten, de handelskenmerken welke de waren minimaal moesten vertonen om in de handel te kunnen worden gebracht en de fytosanitaire voorschriften, in de Italiaanse wet waren opgenomen, dat er een rassenregister voor groentegewassen was ingesteld en dat een wetsontwerp waarbij de bepalingen van de richtlijn betreffende tuinbouwzaden in de wet zullen worden opgenomen, aan de Raad van ministers ter goedkeuring was voorgelegd.

Op 13 november 1974 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies betreffende de niet-toepassing van richüijn nr. 70/458 opgesteld —. en aan de regering van de Italiaanse Republiek betekend —.

Zij stelde daarin vast dat de termijn van artikel 43 van de richtlijn was verstreken zonder dat zij was geïnformeerd nopens de inwerkingtreding van alle bepalingen nodig om het Italiaanse recht met de richtlijn in overeenstemming te brengen. Met name waren niet te harer kennis gebracht de wezenlijke gegevens betreffende:

a) het opstellen van nationale lijsten van groenterassen en de vaststelling der voorwaarden waaronder de rassen op die lijsten konden worden geplaatst (artikelen 3-15 van de richtlijn);

b) de goedkeuring van groentezaad (artikelen 2 en 20 van de richtlijn);

c) de voorwaarden voor het in de handel brengen van standaardzaad (artikelen 24-26 van de richtlijn);

d) het opheffen van de beperkingen, gesteld aan het in de handel brengen van zaad overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn (artikel 16, lid 1 en artikel 30).

Bij het met redenen omklede advies werd de Italiaanse Republiek uitgenodigd de nodige maatregelen te nemen binnen een termijn van 60 dagen.

Bij op 10 juni 1975 ingediend verzoekschrift heeft de Commissie zich krachtens artikel 169, lid 2, van het EEG-Verdrag tot het Hof van Justitie gewend ter zake van het feit dat de Italiaanse Republiek zou hebben nagelaten uitvoering te geven aan richtlijn nr. 70/458.

#### II — Schriftelijke procedure

De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad.

Het Hof heeft op rapport van de Rechter-Rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

De Commissie heeft evenwel schriftelijk geantwoord op een haar door het Hof gestelde vraag.

#### III — Conclusies van partijen

De Commissie concludeert dat het aan den Hove behage

te verstaan dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen welke op haar rustten krachtens artikel 43 van 's Raads richtlijn van 29 september 1970 betreffende het in de handel brengen van groentezaad;

de Italiaanse Regenng in de kosten te veroordelen.

De regering van de Italiaanse Républiek heeft geen conclusie in formele zin genomen.

#### IV — Middelen en argumenten van partijen

De Commissie wijst er op dat de juiste toepassing van de richtlijnen volgens 's Hofs jurisprudentie te meer belangrijk is wanneer de uitvoeringsmaatregelen aan de discretie der Lid-Staten zijn overgelaten en dat die richtlijnen van hun effect worden beroofd wanneer de gestelde doeleinden niet binnen de daartoe bepaalde termijnen worden bereikt; het effect dat ten opzichte van de desbetreffende Lid-Staten met name moet worden toegekend aan de bepalingen van een richtlijn inzake de termijnen binnen welke de voorziene maatregelen in werking moeten zijn getreden, is niet minder dringend dan dat van enige andere communautaire rechtsregel.

Ofschoon de bepalingen van algemene strekking van richtlijn nr. 70/458 in de Italiaanse rechtsorde zijn opgenomen, heeft de Italiaanse Republiek nog niet de maatregelen genomen welke nodig zouden zijn geweest, indien zij zich had willen gedragen naar de bepalingen der richtlijn betreffende de opstelling van nationale rassenlijsten voor groenten en de modaliteiten volgens welke de rassen tot die lijsten kunnen worden toegelaten, de klassifikatie der zaden, de criteria voor het in de handel brengen van standaardzaden en de afschaffing van de beperkingen van de verhandeling van zaden overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn.

De argumenten welke ten deze door de regering van de Italiaanse Republiek zijn voorgedragen stuiten af op 's Hofs jurisprudentie. Daaruit blijkt met name dat een Lid-Staat ex artikel 169 verantwoordelijk kan worden gesteld, ongeacht welk staatsorgaan door handelen of stilzitten het verzuim heeft teweeg gebracht, dat een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van de niet-eerbiediging van de verplichtingen en termijnen welke in de verordeningen van de Gemeenschap besloten liggen niet ten exceptieve mag beroepen op nationale rechtsvoorschriften of praktijken en dat het op de weg ligt van iedere Lid-Staat om overeenkomstig de algemene verplichtingen welke in artikel 5 van het Verdrag aan de staten worden gesteld, binnen zijn eigen nationale rechtsorde de consequenties te trekken uit het feit dat hij tot de Gemeenschap behoort.

's Raads richtlijn nr. 70/458 is op 29 september 1970 vastgesteld en krachtens artikel 43 hadden de Lid-Staten de ter naleving der richtlijn nodige maatregelen uiterlijk op 1 juli 1972 dienen te nemen. Die termijn is kennelijk niet door de Italiaanse Republiek geëerbiedigd terwijl alle andere Lid-Staten, daartoe door de Commissie aangespoord, de richtlijn hebben toegepast, zij het met zekere vertraging. De Italiaanse Republiek is haar verplichtingen nu al meer dan drie jaar niet nagekomen; die niet-nakoming kan niet langer worden getolereerd, omdat zij medebrengt dat er binnen de Gemeenschap dispariteiten blijven voortbestaan welke een belemmering vormen voor het intra-communautair handelsverkeer. Doch de Italiaanse verzekeringen betreffende een aan te nemen ontwerp van wet houden slechts een nadere bevestiging in van het feit dat de Italiaanse Republiek in gebreke is — hetgeen door het Hof zal moeten worden vastgesteld —.

De regering van de Italiaanse Republiek wijst er op dat de regelen van algemene strekking, vervat in richtlijn nr. 70/458, in de Italiaanse rechtsorde zijn opgenomen bij wet nr. 1096 van 25 november 1971, houdende regelen nopens de produktie en de verhandeling van zaden (Gazetta Ufficiale nr. 322 van 22. 12. 1971) en een verordening tot uitvoering van die wet, goedgekeurd bij decreet van de president van de Republiek nr. 1065 van 8 oktober 1973 (Gazzetta Ufficiale, nr. 95 van 10. 4. 1974); voorts is er bij decreet van de president van de Republiek van 26 april 1973 (Gazzetta Ufficiale, nr. 179 van 14. 7 1973) een lijst met verschillende tuinbouwrassen opgesteld. Het opnemen van de richtlijn in het nationale recht heeft geen bijzondere moeilijkheden opgeleverd; maar dit geldt niet voor haar meer specifieke en bijzondere bepalingen. De desbetreffende materies bleken van meer ingewikkelde aard te zijn dan aanvankelijk het geval scheen; ter harmonisatie van de nationale rechtsvoorschriften met de desbetreffende bepalingen van de richtlijn zijn diepgaande studiën nodig geweest alsmede veelvuldig overleg tussen de betrokken landbouwsectoren en talrijke interministeriële vergaderingen. Ter oplossing van de moeilijkheden verbonden aan de receptie en de coördinatie dezer rechtsbepalingen is een veel langere termijn nodig gebleken dan in artikel 43 van de richtlijn was voorzien. Trouwens, geen enkele Lid-Staat heeft die termijn geëerbiedigd; zij is ontegenzeggelijk te kort gebleken. Gelet op de achterstand waarmede de richtlijn in de andere Lid-Staten is uitgevoerd, wordt de vertraging waarmede de Italiaanse Republiek haar verplichtingen is nagekomen van veel bescheidener omvang — ja, zij is als gerechtvaardigd te beschouwen —; dat de Italiaanse Republiek in verzuim is kan niet wel worden staande gehouden.

Er zij voorts op gewezen dat de opgetreden moeilijkheden inmiddels zijn opgelost en dat het ontwerp van wet tot wijzigingen aanvulling van wet nr. 1096, zoals dat op 28 mei 1975 door de Raad van ministers is goedgekeurd en aan de Kamer van afgevaardigden ter behandeling is voorgelegd, medebrengt dat het beroep van de Commissie zonder voorwerp is geraakt.

#### V — Mondelinge behandeling

Partijen zijn gehoord ter zitting van 20 januari 1976.

De Commissie heeft nader gesteld dat de Italiaanse Republiek weliswaar — in haar wet nr. 1096 en in de uitvoeringsverordening van die wet, goedgekeurd bij decreet van de president van de Republiek nr. 1065 — bepaalde voorschriften heeft vastgesteld inzake de inwerkingtreding van de artikelen 3 tot 15 van de richtlijn nr. 70/458, te weten voorschriften betreffende nationale lijsten van groenterassen —, doch dat die bepalingen slechts rechtsgevolgen kunnen sorteren nadat het bij de wetgevende instanties ingediende ontwerp zal zijn goedgekeurd.

De regering van de Italiaanse Republiek heeft er op gewezen dat het ontwerp van wet waarbij de richtlijn als geheel in de Italiaanse rechtsorde zal worden opgenomen, op 3 december 1975 door de Kamer van afgevaardigden is goedgekeurd en op 12 januari 1976 door de landbouwcommissie van de Senaat is onderzocht, terwijl haar goedkeuring blijkens de agenda van de Senaat van 15 januari 1976, alsdan zou worden behandeld; alleen heeft de regeringscrisis ertoe geleid dat het ontwerp die dag niet kon worden aangenomen.

De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 4 januari 1976 zijn conclusie genomen.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de Commissie zich in een op 10 juni 1975 ingediend verzoekschrift krachtens artikel 169 van het EEG-Verdrag tot het Hof heeft gewend met het verzoek te verstaan dat de Italiaanse Republiek de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die noodzakelijk waren ten einde zich te voegen naar 's Raads richtlijn van 29 september 1970 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (70/458/EEG) (PB L 225, blz. 7; latere wijzigingen zijn verwerkt in de tekst die verschenen is in PB van 8. 6. 1974, blz. 62) niet binnen de in artikel 43 dier richtlijn gestelde termijn heeft vastgesteld en daarmede de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

2. Overwegende dat de Raad, beseffende dat de dispariteiten tussen de nationale regelingen inzake het gebruik van groentezaad aan het handelsverkeer der Lid-Staten in de weg zou kunnen staan, in zijn richtlijn van 29 september 1970 gemeenschappelijke voorschriften heeft willen geven, waarin op het stuk van de handel in groentezaad — tussen de Lid-Staten en op de nationale markten — uniforme eisen worden gesteld;

3. dat de nationale maatregelen ingevolge deze richtlijn uiterlijk op 1 juli 1972 in werking moesten zijn getreden;

4.

Overwegende dat de Commissie betoogt dat de Italiaanse Republiek nog niet de nodige maatregelen heeft genomen om zich te gedragen naar de bepalingen van de richtlijn betreffende

a) het opstellen van nationale lijsten van groenterassen en de vaststelling der voorwaarden waaronder de rassen op die lijsten konden worden geplaatst (artikelen 3 — 15 van de richtlijn);

b) de goedkeuring van groentezaad (artikelen 2 en 20 van de richtlijn);

c) de voorwaarden voor het in de handel brengen van standaardzaad (artikelen 24 — 26 van de richtlijn);

d) het opheffen van de beperkingen, gesteld aan het in de handel brengen van zaad overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn (artikel 16, lid 1 en artikel 30);

5. Overwegende dat de Italiaanse Republiek erop heeft gewezen dat de regelen van algemene strekking, vervat in richtlijn nr. 70/458, in de Italiaanse rechtsorde zijn opgenomen bij wet nr. 1096 van 25 november 1971, houdende regelen nopens de produktie en de verhandeling van zaden en een verordening tot uitvoering van die wet, goedgekeurd bij decreet van de president van de Republiek nr. 1065 van 8 oktober 1973, terwijl er voorts bij decreet van de president van de Republiek van 26 april 1973 een lijst van verschillende tuinbouwrassen opgesteld is;

6. dat zij weliswaar erkent dat de termijn binnen welke er aan de in het verzoekschrift der Commissie genoemde bepalingen der richtlijn uitvoering had moeten zijn gegeven niet in acht is genomen, doch betoogt dat die vertraging als gerechtvaardigd zou zijn te beschouwen;

7. Overwegende dat de Italiaanse Republiek met name stelt dat de in artikel 43 van de richtlijn gestelde termijn te kort zou zijn geweest; dat het in werking doen treden der in de richtlijn bedoelde specifieke bepalingen der richtlijn een ingewikkelde aangelegenheid zou zijn gebleken en dat ter harmonisatie van de nationale rechtsvoorschriften met de desbetreffende bepalingen van de richtlijn diepgaande studiën nodig zouden zijn geweest alsmede veelvuldig overleg met de betrokken landbouwsectoren en talrijke interministeriële vergaderingen;

8. dat de ontoereikendheid van bedoelde termijn ook zou worden bewezen door het feit dat geen enkele Lid-Staat zich heeft kunnen houden aan de datum — 1 juli 1972 — vóór welke er aan de richtlijn uitvoering moest worden gegeven — hetgeen in sommige staten pas in juni en oktober 1973 zou zijn geschied —;

9. dat er in ieder geval op 3 december 1975 door de Kamer van afgevaardigden een ontwerp van wet zou zijn goedgekeurd waarbij de richtlijn volledig in de Italiaanse rechtsorde zou worden opgenomen, welk ontwerp ook ter goedkeuring zou hebben gestaan op de agenda van de Senaat van. 15 januari 1976 en alleen als gevolg van de regeringscrisis niet kon worden afgehandeld;

10. Overwegende dat stipte naleving van een richtlijn van te meer belang is waar de uitvoeringsmaatregelen ter discretie van de Lid-Staten zijn gelaten en dat zulke handelingen niet het beoogde effect kunnen sorteren wanneer de beoogde doelen niet binnen de gestelde termijnen worden bereikt; dat de werking der voorschriften van een richtlijn ten aanzien van de Lid-Staten tot welke zij zijn gericht niet minder dwingend is dan die welke aan andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht is verbonden, hetgeen te meer geldt voor voorschriften betreffende de termijnen binnen welke de daarin voorziene maatregelen in werking moeten zijn getreden, en wel zulks met name in verband met het feit dat wanneer er na het verstrijken dier termijnen in de Lid-Staten nog steeds verschillende regelingen zouden blijven toegepast, discriminatie het gevolg zou kunnen zijn;

11. Overwegende voorts dat door een Lid-Staat ter rechtvaardiging van het feit dat hij, zij het slechts gedurende enige tijd, met de nakoming der op hem rustende verplichtingen in gebreke is gebleven geen beroep mag worden gedaan op de vertraging waarmede mogelijkerwijs andere Lid-Staten aan een richtlijn uitvoering hebben gegeven; dat immers het Verdrag niet slechts tussen de verschillende rechtssubjecten waarop het toepasselijk is wederkerige verplichtingen heeft geschapen, doch een nieuwe rechtsorde heeft gevestigd waarin de bevoegdheden, rechten en verplichtingen dier subjecten — alsmede de procedures welke ter vaststelling en bestraffing van schendingen moeten worden gevolgd — zijn geregeld;

12. dat wanneer de termijn binnen welke er aan een richtlijn uitvoering moet zijn gegeven te kort blijkt te zijn, de enige mogelijkheid welke, gemeenschapsrechtelijk gezien, de betrokken Lid-Staat openblijft daarin bestaat dat hij op communautair niveau passende stappen neemt ten einde de bevoegde instelling der Gemeenschap tot de nodige verlenging van de termijn te bewegen;

13. dat er in dit verband op kan worden gewezen dat de Raad in casu inderdaad tot verlenging van de termijn ter uitvoering van sommige bepalingen van de richtlijn heeft besloten, te weten bij richtlijn nr. 72/418 van 6 december 1972 (PB L 287, blz. 22) en bij richtlijn nr. 73/438 van 11 december 1973 (PB L 356, blz. 79);

14. Overwegende ten slotte dat met betrekking tot artikel 169 van het Verdrag dient te worden opgemerkt dat de Lid-Staten zich hebben vastgelegd — zodat in het midden kan blijven welk staatsorgaan het verzuim heeft veroorzaakt — en dat een Lid-Staat zich, ter rechtvaardiging van de niet-eerbiediging van verplichtingen en termijnen die in de richtlijnen van de Gemeenschap besloten liggen, niet ten exceptieve op nationaalrechtelijke bepalingen, praktijken of toestanden kan beroepen;

15. Overwegende dat hieruit volgt dat de Italiaanse Republiek door niet tijdig alle nodige bepalingen vast te stellen ten einde zich naar 's Raads richtlijn nr. 70/458 betreffende het in de handel brengen van groentezaad te gedragen, een krachtens het Verdrag op haar rustende verplichting niet is nagekomen;

#### Ten aanzien van de kosten

16.

Overwegende dat volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet worden verwezen;

dat verweerster in het ongelijk is gesteld;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende,

1\. Verstaat dat de Italiaanse Republiek door niet tijdig alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen ten einde zich naar 's Raads richtlijn nr. 70/458 van 29 september 1970 betreffende het in de handel brengen van groentezaad te gedragen, een krachtens het Verdrag op haar rustende verplichting niet is nagekomen;

2\. Verwijst verweerster in de proceskosten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

12

EEG-Verdrag art. 169 4 voorkomens

richtlijn 70/458 art. 43 3 voorkomens

richtlijn 70/458 art. 2 2 voorkomens

richtlijn 70/458 art. 20 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 100 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 36 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 43 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 5 1 voorkomen

richtlijn 70/458 art. 15 1 voorkomen

richtlijn 70/458 art. 24-26 1 voorkomen

richtlijn 70/458 art. 3 1 voorkomen

richtlijn 70/458 art. 3-15 1 voorkomen

## Rechtspraak

3

### Europese Unie

3

Conclusie van advocaat-generaal Alber C-83/99 28.09.2000

#### [Toepassing van verlaagt tarief op tolgenden autosnelwegen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-83-99-conclusie)

Conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat 70/83 13.12.1983

#### [EEG-Verdrag art. 191, Zesde richtlijn 77/388 art. 1](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-70-83-conclusie)

Conclusie van advocaat-generaal Slynn 255/81 06.05.1982

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 13](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-255-81-conclusie)
