---
title: "HvJ EU, 5/67, arrest van 13 maart 1968 · Verordening 99/65 art. 1, verordening 144/65 art. 2"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 1968, 5/67: verordening 99/65 art. 1, verordening 144/65 art. 2."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-5-67-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-5-67-arret"
---

# Arrest van het Hof van 13 maart 1968, 5/67 · Verordening 99/65 art. 1, verordening 144/65 art. 2

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

5/67

**ECLI**

ECLI:EU:C:1968:13

**Datum**

13 maart 1968

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Finanzgericht München (Duitsland) beslissing van 25 januari 1967 FG III 160/65

**Zaak ingediend op**

8 februari 1967

**Advocaat-generaal**

Gand

**Nationale beslissing na het arrest**

Finanzgericht München beslissing van 25 april 1968 III Z 160/65

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Strauss

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Handelingen van de instellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20) [Motivering](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.05) 48 beslissingen
  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03)

    - [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Groenten en fruit](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.05) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.05.02) 2 beslissingen
    - [Doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.01) 8 beslissingen

## Tekst

116 paragrafen

### ARREST

### TEN AANZIEN VAN DE FEITEN EN HET RECHT

#### I — Ten aanzien van de feiten

##### 1. Voorgeschiedenis

a) Op 4 april 1962 is door de Raad van de E.E.G., gelet op de bepalingen van het Verdrag — met name op de artikelen 42 en 43 — , Verordening no. 23 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 20 april 1962, blz. 965, hierna te noemen „Verordening no. 23”), uitgevaardigd.

b) Bij artikel 1 van 's Raads Verordening no. 65/65/EEG van 13 mei 1965 (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1965, blz. 1458, hierna te noemen „Verordening no. 65/65”) werd artikel 11, lid 2, van Verordening no. 23 gewijzigd, volgens dé considerans „ten einde de uit de toepassing van het Verdrag voortvloeiende preferentie ten gunste van de Lid-Staten te kunnen handhaven”. De nieuwe regeling — welke wij hierna als „artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23” zullen aanduiden — kan in hoofdzaak als volgt worden samengevat: Voor produkten uit de gemeenschapslanden worden jaarlijks „referentieprijzen” vastgesteld, „die gelden voor de gehele Gemeenschap”. Daartoe „kan elk jaar worden verdeeld in verschillende perioden”; „de referentieprijs is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de produktieprijzen van elke Lid-Staat”, verhoogd met een forfaitair bedrag ten einde met de commercialisatiekosten rekening te kunnen houden. Nadere bepalingen regelen de berekening van deze produktieprijzen. Voor uit derde landen ingevoerde produkten worden invoerprijzen vastgesteld „op de grondslag van de laagste prijzen, waargenomen op de representatieve invoermarkten, verminderd met de douanerechten die voortvloeien, uit de toepassing van artikel 23 van het Verdrag en andere bij de invoer geheven rechten, alsmede met de kosten van het vervoer van die markten naar de plaatsen van grensovergang van de Gemeenschap”. Is de invoerprijs van een bepaald produkt lager dan de refetentieprijs, dan wordt bij de invoer een compenserende heffing toegepast ter hoogte van het verschil tussen beide prijzen; zij is voor alle Lid-Staten gelijk.

c) Bij Verordening no. 99/65/EEG (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 8 juli 1965, blz. 2109, hierna te noemen „Veiordening no. 99/65”), gaf de Commissie nadere voorschriften betreffende de berekening van de referentieprijs en de invoerprijs; met name is bepaald : dat voor ieder produkt uit derde landen „elke marktdag en voor elk land van herkomst”„een invoerprijs berekend” wordt, uitgaande van de „op de representatieve groothandelsmarkten genoteerde … prijzen”, verminderd met douanerechten, „andere bij de invoer geheven rechten” en kosten van vervoer (vergelijk hierboven b); als „representatieve groothandelsmarkten” zijn voor wat de Bondsrepubliek Duitsland betreft aangewezen: Hamburg, München, Frankfurt en Düssel dorf.

d) Bij Verordening no. 104/65/EEG (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 8 juli 1965, blz. 2116, hierna te noemen „Verordening no. 104/65”) stelde de Commissie voor tafeldruiven van de open grond (hierna te noemen „tafeldruiven”) per kalendermaand berekende referentieprijzen vast; de referentieprijs voor oktober 1965 bedroeg 15,9rekeneenheden.

e) In haar van 9 tot 16 oktober geldende Verordening no. 138/65 (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 1965, blz. 2650, hierna te noemen „Verordening no. 138/65”) stelde de Commissie vast, dat de invoerprijs voor tafeldruiven uit Bulgarije, Roemenië en Joegoslavië 12,9 rekeneenheden beliep en dat op deze invoer een compenserende heffing van (15,9 — 12,9 =) 3 rekeneenheden zou worden toegepast.

f) In Verordening no. 144/65/EEG (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 18 oktober 1965, blz. 2720, hierna te noemen „Verordening no. 144/65”) stelde de Commissie voor tafeldruiven uit Bulgarije en Roemenië wederom een compenserende heffing — thans van 2 rekeneenheden — vast, te weten voor de periode van 21 tot 31 oktober 1965. Deze heffingen werden voor zoveel ten deze van belang als volgt gemotiveerd : de referentieprijs voor oktober bedraagt 15,9 rekeneenheden; de volgens artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 gecorrigeerde prijsnoteringen bevonden zich „gedurende verscheidene dagen op bepaalde markten op een niveau beneden dat van de referentieprijzen”; „de prijs bij invoer, waarvan forfaitair wordt uitgegaan bij de vaststelling van een compenserende heffing, berekend over de laagste prijzen en verminderd met douanerechten, andere heffingen en vervoerkosten wordt vastgesteld op 13,9 rekeneenheden…” Vermelde prijzen betroffen in hoofdzaak het tijdvak van 11 tot 15 oktober. Zij waren waargenomen op de markten van Hamburg, Düsseldorf, Frankfurt en München; op de overige representatieve markten van de Gemeenschap kwamen in deze periode voor bedoelde produkten geen noteringen tot stand. In Verordening no. 144/65 werd voorts bepaald, dat de Commissie haar vóór 31 oktober zou herzien, indien de vastgestelde heffing van 2 rekeneenheden „niet meer in overeenstemming zou zijn met het in artikel 11, lid 2, nieuw bepaalde”.

g) De firma Beus voerde op 25 en 27 oktober 1965verse tafeldruiven uit Bulgarije in en liet deze bij het douanekantoor München-Grossmarkthalle inklaren. Ingevolge Verordening no. 144/65 belastte het Zollamt de druiven met een compenserende heffing van 8,— DM (=2 rekeneenheden in de zin van Verordening no. 144/65) per 100 kg. De firma Beus achtte deze beschikking van het Zollamt op de hierna (III 1) te vermelden gronden ongeldig en verzocht het Finanzgericht haar te vernietigen.

##### 2. Inhoud en motivering van de verwijzingsbeschikking

Het Finanzgericht München besloot op 25 januari 1967 het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken nopens de vraag „of Verordening no. 144/65 van de Commissie der E.E.G. rechtsgeldig is”.

In de beschikking tot verwijzing wordt een samenvatting gegeven van hetgeen door partijen is betoogd en voorts onder meer overwogen, dat het Finanzgericht — hoewel daartoe als niet in hoogste ressort rechtsprekende instantie ingevolge artikel 177 van het E.E.G.-Verdrag niet verplicht — nochtans termen aanwezig heeft geacht het Hof te adiëren:

„Nu de vraag aan het Hof van Justitie is voorgelegd, kan verzoekster de verordening op haar geldigheid doen toetsen, mogelijkheid welke haar anders in verband met de beperkte mate, waarin een beroep op artikel 173, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag kan worden gedaan, niet zou zijn gegeven. De door verzoekster geuite twijfel aan de rechtsgeldigheid der verordening komt niet a priori ongegrond voor. Een goede procesvoering is ermede gebaat, wanneer het Hof in een zo vroeg mogelijk processueel stadium de vraag naar de geldigheid der verordening kan beantwoorden.”

#### II — Procedure

De beschikking van het Finanzgericht is op 8 februari 1967 ter griffie van het Hof ingekomen.

1.

De firma Beus en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben ingevolge artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G. schriftelijke opmerkingen ingediend, waarna de zaak ter terechtzitting van 1 juni 1967 mondeling is behandeld.

De Advocaat-Generaal heeft ter zitting van 22 juni 1967 mondeling zijn met redenen omklede conclusie genomen.

2.

Bij beschikking van 6 juli 1967 heeft het Hof van Justitie de mondelinge behandeling heropend en de Commissie tot 31 augustus 1967 in de gelegenheid gesteld op bepaalde punten, namelijk voor wat betreft de berekening van de referentieprijs enerzijds en vaststelling van de prijs bij invoer en de „overige bij de invoer geheven rechten” anderzijds, haar betoog nader schriftelijk toe te lichten en de firma Beus uitgenodigd zich nopens de door de Commissie te geven toelichting vóór september 1967 schriftelijk uit te laten.

De Commissie en de firma Beus hebben binnen voormelde termijnen nader schriftelijk hun standpunt bepaald en dit ter terechtzitting van 8 november 1967 nogmaals mondeling uiteen gezet.

Ter zitting van 30 november 1967 heeft de Advocaat-Generaal wederom een met redenen omklede conclusie genomen.

3. De firma Beus werd ten processe vertegenwoordigd door Dr. O. Möhring, Dr. R. Beisswingert, Dr. D. Reimer, Dr. D. Wunderlich, Dr. W. Pohle en Dr. K. Zimmermann, advocaten te München, de Commissie van de Europese Gemeenschappen door haar juridisch adviseur Dr. Ehlermann.

#### III — Samenvatting van het standpunt van partijen

##### 1. Argumenten door partijen vóór de heropening der mondelinge behandeling gebezigd

De Commissie en de firma Beus zijn het er over eens, dat de verwijzingsbeschikking aldus moet worden verstaan, dat zij slechts de invoer uit Bulgarije — niet ook die uit Roemenië — betreft.

###### A — Onvoldoende motivering van Verordening no. 144/65

De firma Beus betoogt, dat uit de considerans van Verordening no. 144/65 niet blijkt, welke prijzen voor Bulgaarse tafeldruiven zijn gemaakt — noch ook op welke dagen en op welke markten —, zodat niet kan worden nagegaan of de verordening op juiste feitelijke grondslagen berust, hetgeen met name geldt voor de stelling, dat de invoerprijzen in het hierbedoelde tijdvak onder de referentieprijs zouden hebben gelegen.

In 's Hofs jurisprudentie wordt ervan uitgegaan, dat de motivering te uitvoeriger moet zijn naarmate de desbetreffende rechtshandeling een meer individueel karakter draagt. Deze opvatting verleent steun aan verzoeksters grief, nu Verordening no. 144/65 een compenserende heffing mogelijk maakt om een bijzondere verstoring van de markt het hoofd te bieden; in de beschikking moet derhalve van zodanige verstoring blijken op een wijze welke zich voor verificatie leent.

De Commissie antwoordt, dat een verordening minder uitvoerig behoeft te worden gemotiveerd dan een beschikking.

Krachtens artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 moet de compenserende heffing „gelijk” zijn „aan het verschil tussen de referentieprijs en de invoerprijs”. Er kon derhalve in Verordening no. 144 met verwijzing naar deze bepaling en vermelding van referentieprijs en invoerprijs worden volstaan. Hoe de invoerprijs werd berekend behoeft niet te worden uiteengezet; de juistheid dier berekening kan ten processe worden bewezen en vastgesteld.

De importeurs zijn op de hoogte met de gegevens op grond waarvan in Verordening no. 144/65 werd vastgesteld, dat de invoerprijzen beneden het niveau der referentieprijzen waren gedaald, te weten: de markten welker noteringen in aanmerking worden genomen; deze noteringen zelve; de hierop in mindering te brengen douanerechten en verdere bij de invoer geheven rechten; de kosten van vervoer van de grensplaatsen der Gemeenschap naar genoemde markten.

In de considerans behoefde niet te worden vermeld op grond van welke overwegingen de Commissie tot een invoerprijs van 12,9 rekeneenheden was gekomen; de Commissie kon deze overwegingen tot gelding brengen in het ruime kader harer — behoudens misbruik onaantastbare — discretionnaire bevoegdheden,

###### B — De berekening van de invoerprijs

###### a) Het in mindering brengen van de Duitse compenserende omzetheffing (Umsatzausgleichsteuer) en van de voor het in werking treden van Verordening no. 144/65 toegepaste communautaire compenserende heffing

De firma Beus maakt er bezwaar tegen, dat de Commissie voor wat betreft de dagen welke aan de inwerkingtreding van Verordening no. 144/65 (zie hierboven I, 1, c) voorafgingen bij de berekening van de invoerprijs, de UASt en de toen geldende compenserende heffing van 3 rekeneenheden als „verdere bij de invoer geheven rechten” in de zin van artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 heeft beschouwd en derhalve in mindering heeft gebracht op de noteringen, waargenomen op de representatieve markten; hierdoor heeft zij de invoerprijs kunstmatig gedrukt.

De UASt heeft uitsluitend ten doel compensatie te bieden voor benadeling van binnenlandse produkten door heffing van omzetbelasting. Van een „heffing van gelijke werking” — namelijk: als douanerechten — in de zin van artikel 12 van het E.E.G.-Verdrag is derhalve geen sprake. In voormelde bepaling kunnen evenwel met „verdere bij de invoer geheven rechten” slechts deze „heffingen van gelijke werking” zijn bedoeld.

Een vroegere compenserende heffing kan niet tot „verdere bij de invoer geheven rechten” worden gerekend, omdat deze term slechts op heffingen ingevolge nationale rechtsvoorschriften betrekking heeft. Dit volgt a contrario uit het feit, dat in de — in artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 gegeven — opsomming der op de prijzen in mindering te brengen lasten met betrekking tot douanerechten met zoveel woorden wordt gezegd, dat zij moeten „voortvloeien uit de toepassing van artikel 23 van het Verdrag”. Van de opvatting der Commissie zou bovendien een „cumulatieve werking” uitgaan: door aftrek van de vroegere compenserende heffing worden de noteringen sterk gedrukt, hetgeen dan weer een nieuwe compenserende heffing zou kunnen rechtvaardigen.

De Commissie antwoordt, dat opzettelijk de ruime — en van „heffingen van gelijke werking” duidelijk onderscheiden — term „verdere bij de invoer geheven rechten” is gebezigd, ten einde mede belastingen als de UASt, welke volgens het E.E.G.-Verdrag moeilijk kunnen worden gekwalificeerd, te omvatten.

Voor zoveel de communautaire compenserende heffing betreft zou de opvatting van de firma Beus tot onhoudbare consequenties leiden. Zo zou bij voorbeeld, gezien de in casu gebezigde richtbedragen, alleen reeds handhaving van een invoerprijs van 13,9 rekeneenheden tot afschaffing van de compenserende heffing van 2 rekeneenheden moeten leiden; immers de invoerprijs, verhoogd met de compenserende heffing, is dan niet lager dan de referentieprijs (15,9 rekeneenheden). De heffing zou vervolgens echter terstond weer moeten worden ingevoerd, omdat zij thans onder de referentieprijs komt te liggen. Bij gelijk blijvende aanbodsprijzen in derde landen zou zo voortdurend tot vaststelling en intrekking van de compenserende heffing van 2 rekeneenheden moeten worden overgegaan.

###### b) De op de representatieve markten vastgestelde noteringen

De firma Beus meent, dat de Commissie aan de hand van de op de representatieve markten vastgestelde laagste prijzen een „gewogen gemiddelde” moet berekenen, waarbij telkens op de omzetten moet worden gelet. Had de Commissie dit gedaan, dan zou zij tot de conclusie zijn gekomen, dat de noteringen vóór 18 oktober 1965 nimmer beneden de referentieprijs hebben gelegen. Zou men nochtans het verloop op ieder der representatieve markten afzonderlijk bezien, dan nog zou de Verordening no. 144/65 feitelijk ongegrond zijn, immers een daling beneden de referentieprijs heeft zich gedurende de hier bedoelde dagen slechts op één markt, die te München, voorgedaan.

De Commissie antwoordt, dat vaststelling van een „gewogen gemiddelde” met letter en strekking der desbetreffende voorschriften — waarin van „de laagste prijzen” sprake is en waarmede beoogd wordt de producenten in de Gemeenschap overal tegen invoer beneden de referentieprijs in bescherming te nemen — in strijd ware.

Uit deze bepalingen blijkt trouwens ook, dat de Commissie bij berekening van de invoerprijs over vergaande discretionnaire bevoegdheden beschikt. Met name moet zij nagaan, welke verwachtingen ten aanzien van het prijsverloop kunnen worden gekoesterd en op het relatief belang der betrokken markten letten; daarom heeft zij dan ook in het bijzonder aandacht geschonken aan de voor de invoer uit Zuidoost-Europa zo belangrijke markt te München.

Zij heeft dan ook terecht de invoerprijs op 13,9 tekeneenheden vastgesteld; zou zij uitsluitend van de laagste noteringen zijn uitgegaan, dan had zij zelfs een nog lagere prijs mogen vaststellen. De Commissie heeft haar btoog met cijfermateriaal gestaafd.

###### c) Het achterwege laten van intrekking of herziening van Verordening no. 144/65

De firma Beus meent, dat Verordening no. 144/65 ook ongeldig moet worden geacht omdat de Commissie, hoewel daartoe volgens de verordening zelve verplicht, haar niet heeft ingetrokken of herzien. De prijs bij invoer is noch tussen afkondiging en inwerkingtreding der verordening noch zolang zij is toegepast op een der hierbedoelde markten beneden de referentieprijs gedaald. Daardoor is ook artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 — volgens hetwelk de prijs bij invoer onder de referentieprijs moet liggen, wil van een heffing als voormeld sprake zijn — geschonden.

De Commissie betoogt hiertegenover aan de hand van cijfers, dat tijdens de geldigheidsduur van Verordening no. 144/65 de prijs bij invoer wel degelijk beneden de referentieprijs is gedaald.

###### d) Onwettigheid der aan Verordening no. 144 ten grondslag liggende Verordening no. 23

De firma Beus betoogt, dat het aan Verordening no. 144/65 ten grondslag liggende artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 met de artikelen 39 en 110 van het E.E.G.-Verdrag in strijd is; immers wordt daarin de in artikel 39, lid 1, e), genoemde doelstelling volgens welke redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers moeten worden verzekerd, uit het oog verloren. Wanneer zonder meer tot een compenserende heffing wordt overgegaan zodra de prijs bij invoer beneden de vastgestelde referentieprijs daalt, betekent zulks dat alleen met de belangen van de landbouw rekening wordt gehouden. Daarentegen worden aan het handelsverkeer nieuwe beperkingen in de weg gelegd en een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel belemmerd, terwijl — ingevolge artikel 110 van het E.E.G. -Verdrag waarnaar in artikel 16 a) van Verordening no. 23 met zoveel woorden wordt gewezen — juist naar „geleidelijke afschaffing van de beperkingen in het internationale handelsverkeer en verlaging van de tariefmuren” moet worden gestreefd.

De Commissie wijst hiertegenover op de voorgeschiedenis van artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23: in de vroegere regeling, volgens welke een compenserende heffing slechts bij dreigende verstoring van de markt mocht worden toegepast, werd onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de producenten in de Gemeenschap, zodat men haar heeft moeten intrekken; anderzijds heeft men in het nieuwe voorschrift de tot nu toe bestaande mogelijkheid om de invoer uic derde landen te schorsen niet willen handhaven.

De doelstellingen van de artikelen 39 en 110 van het E.E.G.-Verdrag wijzen niet steeds in dezelfde richting. Volgens 's Hofs jurisprudentie moet er in zulke gevallen door de desbetreffende organen naar worden gestreefd de onderscheiden doelstellingen zoveel mogelijk recht te doen wedervaren, waarbij naar gelang van de omstandigheden deze of gene doelstelling voorrang verdient De door zodanig orgaan te nemen beschikking draagt een. discretionnair karakter en kan derhalve slechts onwettig zijn wanneer — anders dan in casu — van misbruik van discretionnaire bevoegdheden sprake is.

##### 2. Argumenten door partijen na heropening der mondelinge behandeling gebezigd

###### A — De berekening van de referentieprijs

De Commissie zet aan de hand van gedetailleerd cijfermateriaal uiteen, hoe zij ingevolge artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 is gekomen tot vaststelling der voor de referentieperiode waargenomen prijs van 15,9 rekeneenheden. Uit haar betoog blijkt met name, dat zij ter berekening van de Italiaanse „produktieprijs” gelijkelijk rekening heeft gehouden met de druivenvariëteiten Regina en Ohanez.

De firma Beus vindt hierin aanleiding om voor wat de rechtsgeldigheid van Verordening no. 144 betreft alsnog een nieuwe grief voor te dragen, en wel dat in Verordening no. 104/65 de aan de litigieuze compenserende heffing ten grondslag liggende referentieprijs onjuist is vastgesteld. Aan de hand van cijfers tracht zij te bewijzen, dat het marktquantum van de variëteit Ohanez slechts 1/135 van dat van de — goedkopere — variëteit Regina beloopt. Door ook Ohanez als „aanzienlijk deel van de … in de handel gebrachte produktie” (artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23) te beschouwen en de Italiaanse „produktieprijs” op het gemiddelde van de prijzen dezer beide variëteiten te stellen, heeft de Commissie volgens Beus de referentieprijs willekeurig verhoogd.

De firma Beus meent, dat in verband hiermede haar overige grieven nog te meer gewicht krijgen, immers met name blijkt nu, dat:

ook Verordening no. 104/65 onvoldoende met redenen omkleed is, aangezien daarin niet valt te lezen, dat met soorten van zo verschillende betekenis gelijkelijk rekening is gehouden;

bij juiste berekening van de referentieprijs terstond weer tot intrekking van Verordening no. 144/65 had moeten zijn overgegaan.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Commissie betoogd, dat de firma Beus in haar nieuwe — ten onrechte niet reeds voor het Finanzgericht München voorgedragen — grieven niet kan worden ontvangen. Zij zijn bovendien onjuist: in de considerans van Verordening no. 104/65 wordt de soort Ohanez genoemd, omdat de teelt van deze kwalitatief hoogwaardige variëteit in het bijzonder verdient te worden bevorderd en beschermd.

De firma Beus heeft in antwoord hierop — ook tijdens de mondelinge behandeling — er vooral op gewezen, dat de thans voorgedragen bezwaren eerst naar aanleiding van de nieuwe uiteenzetting der Commissie rezen en voorts, dat zij slechts heeft bedoeld het Hof van Justitie aanleiding te geven ten deze ambtshalve tot onderzoek over te gaan.

###### B — De berekening van de prijs bij invoer en de vergelijkbaarheid van referentie- en invoerprijs

De Commissie wijdt gedetailleerde becijferingen aan de factoren — laagste prijzen op de representatieve markten, percentages der douanerechten en „andere bij de invoer geheven rechten”, kosten van vervoer tussen de plaatsen van grensovergang der Gemeenschap en bedoelde markten —, welke ter berekening van de „franco-grensprijzen” op de marktdagen van 11 tot 29 oktober 1965 zijn aangehouden; zij meent, dat uit haar berekeningen blijkt dat de gecorrigeerde laagste prijzen alleen op 20 oktober boven de referentieprijs hebben gelegen.

Wat betreft de vergelijkbaarheid merkt de Commissie op :

De referentieprijs is de inkoopprijs van de groothandel in de teeltgebieden met de laagste prijzen, de invoerprijs de inkoopprijs van de groothandel aan de grenzen der Gemeenschap. Referentie- en invoerprijs betreffen derhalve niet één en dezelfde markt.

In de referentieprijs zijn bepaalde bedragen begrepen, welke in alle Lid-Staten op de litigieuze produkten worden geheven, doch niet overal even hoog zijn. Een heffing ter compensatie van eerstgenoemde heffingen wordt echter alleen in Duitsland (de Umsatzausgleichsteuer, UASt) en Italië toegepast. Zou de referentieprijs alleen voor Duitsland en Italië moeten worden berekend, dan zou de firma Beus met haar opvatting, dat de UASt. bij de berekening van de invoerprijs niet in mindering mag worden gebracht, het gelijk aan haat zijde kunnen hebben; in feite wordt de referentieprijs echter veelal — zo ook in casu — op grond van de produktieprijzen van andere Lid-Staten dan Duitsland berekend.

Aangezien heffingen als de UASt in velschillende Lid-Staten onbekend zijn, zou het niet in mindering brengen van de UASt ertoe leiden, dat de noteringen dier staten bij de betekening van de prijs bij invoer buiten beschouwing moeten blijven. Immers :

een met behulp van deze noteringen berekende prijs bij invoer zou niet met de referentieprijs kunnen worden vergeleken;

zij zou ook niet met een op grond van Duitse of Italiaanse noteringen berekende prijs bij invoer kunnen worden vergeleken.

De firma Beus betoogt dan, dat in casu ter berekening van de prijs bij invoer alleen op de noteringen op Duitse markten is gelet, zodat de vraag hoe met de noteringen in andere Lid-Staten rekening zou kunnen worden gehouden een zuiver hypothetisch karakter draagt. Voor. zoveel sommige staten geen compenserende omzetheffing hebben ingevoerd kan zulk een heffing bij de berekening van de invoerprijs uiteraard niet worden afgetrokken; zulks rechtvaardigt evenwel het in mindering brengen van de Duitse UASt geenszins.

Het nadere betoog der Commissie bevestigt haars inziens voorts de opvatting, dat ook de communautaire compenserende heffing ter berekening van de prijs bij invoer niet mag worden afgetrokken. Uit de overgelegde cijfers blijkt, dat de prijzen op de Duitse markt juist gestegen zijn op de dagen, waarop geen compenserende heffing plaatsvond hetgeen bewijst dat alleen de markt — en niet het al dan niet bestaan van een heffing c.q. de hoogte dier heffing — de prijs bepaalt.

In het algemeen zou volgens het gedetailleerde betoog van de firma Beus de opvatting der Commissie tot kunstmatige verhoging van de referentieprijs en tot kunstmatige verlaging van de prijs bij invoer leiden.

En mocht de door de Commissie bepleite uitlegging van artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 (hiervoor onder A en B) juist zijn, dan zou zulks te meer aanleiding geven tot de conclusie, dat het voorschrift dan niet met het Verdrag in overeenstemming kan zijn;

### TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende dat het Finanzgericht te München bij beschikking van 25 januari 1967 — ingekomen ter griffie op 8 februari 1967 — ingevolge artikel 177 van het Verdrag tot oplichting van de E.E.G. aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag heeft voorgelegd betreffende de geldigheid van Verordening no. 144/65 van de Commissie, houdende instelling van een compenserende heffing bij invoer van tafeldruiven van de open grond uit Bulgarije en Roemenië;

Overwegende dat allereerst dient te worden nagegaan of aan de verordening zelve — als berustende op onjuiste berekening van de invoerprijs dan wel omdat zij onvoldoende met redenen omkleed is — de rechtsgeldigheid moet worden ontzegd;

dat vervolgens een onderzoek moet worden ingesteld naar de geldigheid van sommige aan Verordening no. 144/65 ten grondslag liggende bepalingen — te weten Verordening no. 104/65 van de Commissie en artikel 11, lid 2 nieuw, van 's Raads Verordening no. 23 —;

dat ten slotte moet worden onderzocht of de Commissie Verordening no. 144/65 voor haar expiratiedatum, 31 oktober 1965, had moeten intrekken of herzien;

#### I — De rechtsgeldigheid van Verordeningno. 144/65

##### 1. De berekening van de prijs bij invoer

###### A — De aftrek van de Duitse „Umsatzausgleichsteuer” en van de communautaire compenserende heffing

Overwegende dar de Commissie volgens de firma Beus artikel 11, lid 2 nieuw, alinea 6, van Verordening no. 23 onjuist heeft uitgelegd door onder „andere bij de invoer geheven rechten” in de zin van deze bepaling mede de Duitse compenserende omzetheffing (UASt) en de vóór inwerkingtreding van Verordening no. 144/65 geldende communautaire compenserende heffing van 3 rekeneenheden begrepen te achten;

a) Overwegende dat naar luid van voormelde alinea 6 de invoerprijs voor produkten uit derde landen wordt vastgesteld „op de grondslag van de laagste prijzen, waargenomen op de … representatieve invoermarkten (der Lid-Staten), verminderd met de douanerechten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 23 van het Verdrag en andere bij de invoer geheven rechten, alsmede met de kosten van het vervoer van die markten naar de plaatsen van grensovergang van de Gemeenschap”; dat de term „andere bij de invoer geheven rechten” in de verdragsvoorschriften betreffende op of bij invoer toegepaste heffingen, waarin wél van douanerechten, heffingen van gelijke werking, douanerechten van fiscale aard en binnenlandse belastingen sprake is (artikelen 9, 12 en volgende, 18 en volgende, 95 en volgende), niet voorkomt; dat de auteurs der verordening zich kennelijk van deze woordkeus hebben bediend om aan deze term een ruimere betekenis te kunnen toekennen, en wel aldus dat daaronder behalve de in het litigieuze voorschrift speciaal vermelde douanerechten zouden zijn te verstaan alle heffingen, welke bij overschrijding van de grenzen van de Gemeenschap op een uit derde landen afkomstig produkt worden toegepast, onverschillig of tot zodanige heffing door de Gemeenschap dan wel door een Lid-Staat wordt overgegaan en of zij onder het Verdrag valt en voorts ongeacht hoe zij — indien dit laatste het geval is — moet worden gekwalificeerd; dat deze uitlegging steun vindt in de term „invoerprijs”, waaronder is te verstaan de aankoopprijs van het produkt op het tijdstip waarop het de grens van de Gemeenschap bereikt, prijs welke nog niet is belast met de bij of op invoer toepasselijke heffing;

b) Overwegende dat is betoogd, dat de referentieprijs mede bepaalde op de nationale handel in communautaire produkten geheven belastingen omvat, belastingen voor welke een heffing als de UASt nu juist compensatie zou moeten bieden; dat derhalve, wil vergelijkbaarheid tussen de referentieprijs en de prijs bij invoer verzekerd zijn, deze laatste mede de UASt zou moeten omvatten; Overwegende dat volgens artikel 11, lid 2 nieuw, alinea 1, van Verordening no. 23 met vaststelling van een referentieprijs wordt beoogd „verstoringen als gevolg van aanbiedingen uit derde landen tegen abnormale prijzen te voorkomen”; dat deze bescherming van de produkten der Gemeenschap kennelijk moet worden geboden op iedere markt waar zij de concurrentie van produkten uit derde landen ondergaan; dat deze overweging met name van belang is voor de waren, de markten en het tijdvak, waarvan ten deze sprake is; dat immers in de maand oktober aanzienlijke hoeveelheden tafeldruiven uit andere Lid-Staten op de Duitse markten worden aangeboden; dat echter weliswaar op deze waren geregeld de UASt wordt toegepast, doch dat andetzijds deze laatste belasting niet begrepen kan worden geacht in de referentieprijs, vastgesteld op grondslag van de in de producerende Lid-Staten waargenomen prijzen; dat derhalve toelating van deze heffing als factor ter bepaling van de prijs bij invoer zou medebrengen dat produkten uit derde landen op de Duitse markten in een gunstiger positie komen te verkeren dan waren uit andere Lid-Staten, hetgeen lijnrecht tegen de doelstelling van Verordening no. 23 zou indruisen; dat aftrek van de UASt derhalve met de Verordeningen nos. 23 en 65/65 in overeenstemming is;

c) Overwegende dat anderzijds het bezwaar is gemaakt, dat van het in mindering brengen van de vroeger geheven communautaire compenserende heffing een „cumulatief effect” zou uitgaan; dat zij de invoerprijs kunstmatig laag zou houden en daardoor juist weer zou kunnen dienen om een nieuwe compenserende heffing te rechtvaardigen; Overwegende dat uit de bepalingen van artikel 11, lid 2 nieuw, alinea's 5 tot en met 7, van Verordening no. 23, juncto artikel 2, lid 1, van genoemde Verordening no. 99/65 der Commissie volgt, dat de Commissie alvorens in beginsel haar standpunt te bepalen nopens een gedurende een bepaalde tijd in te voeren of te handhaven compenserende heffing en alvorens zich omtrent het bedrag dier heffing uit te spreken, gehouden is het verloop op de representatieve markten te volgen en dagelijks een invoerprijs moet berekenen; dat derhalve de in het waarnemingstijdvak verzamelde gegevens de Commissie in staat moeten stellen tot een zo nauwkeurig mogelijke prognose betreffende het in de naaste toekomst te verwachten prijsverloop; dat anderzijds in deze prognose een compenserende heffing uiteraard buiten beschouwing moet blijven, aangezien zij juist dient om na te gaan of — c.q. in hoeverre — invoering of handhaving van zulk een heffing in de komende periode noodzakelijk moet worden geacht; dat derhalve bij vaststelling der op de grondslag van gegevens betreffende het waarnemingstijdvak berekende prijzen daarop de in dat tijdvak geldende compenserende heffing in mindering moet worden gebracht;

###### B — De op de representatieve markten waargenomen prijzen

Overwegende dat de verordening niet rechtsgeldig wordt geacht gezien de wijze waarop de Commissie bij vaststelling van de litigieuze compenserende heffing rekening heeft gehouden met de prijzen, op de marktdagen voor haar inwerkingtreding op de representatieve markten waargenomen;

dat met name aan de Commissie wordt verweten, dat zij vooral op de markt te München heeft gelet, waar de prijzen bijzonder laag waren, en niet is uitgegaan van de op de onderscheiden representatieve markten verkochte hoeveelheden Bulgaarse tafeldruiven — dat wil zeggen niet met een „gewogen gemiddelde” heeft gewerkt;

Overwegende dat naar luid van artikel 11, lid 2 nieuw, alinea 6, van Verordening no. 23 de invoerprijs wordt vastgesteld „op de grondslag van de laagste prijzen, waargenomen op de … representatieve invoermarkten”, verminderd met de som van douanerechten, andere bij de invoer geheven rechten en vervoerkosten;

dat de Commissie derhalve de laagste prijzen, gedurende de waarnemingsperiode op iedere markt genoteerd, in aanmerking moet nemen;

Overwegende dat vaststaat, dat gedurende het tijdvak van 11 tot 15 oktober 1965 op slechts 4 representatieve markten van de Gemeenschap, te weten die te Düsseldorf, Frankfurt, Hamburg en München noteringen voor Bulgaarse tafeldruiven konden worden waargenomen;

dat in dit tijdvak de in voege als voormeld verminderde laagste prijzen voor ieder dezer markten onderscheidenlijk 12,4, 14,815,6 en 10,7 rekeneenheden hebben bedragen;

dat al deze noteringen derhalve lager waren dan de referentieprijs van 15,9 rekeneenheden en dat met name op de markten te Düsseldorf en te München het verschil onderscheidenlijk 3,5 en 5,2 rekeneenheden heeft bedragen, derhalve aanmerkelijk meer dan het bedrag van 2 rekeneenheden waarop de litigieuze compenserende heffing is vastgesteld;

dat voorts opmerking verdient, dat in het gehele tijdvak van 11 tot 15 oktober de prijzen op de markt te München, welke voor de handel in dit produkt onbetwist van bijzonder belang is, ten minste 4,8 rekeneenheden beneden de referentieprijs lagen;

dat aan de Commissie derhalve niet kan worden verweten de grenzen harer discretionnaire bevoegdheid niet in acht te hebben genomen door, gezien de gegevens betreffende het tijdvak van 11 tot 15 oktober 1965, voor het komend tijdvak de prijs bij invoer op 13,9 rekeneenheden vast te stellen en mitsdien voor die periode een compenserende heffing van 15,9 — 13,9 = 2 rekeneenheden in te voeren;

##### 2. De motivering van Verordening no. 144/65

Overwegende dat is betoogd, dat uit de litigieuze verordening niet blijkt volgens welke maatstaven de Commissie te werk is gegaan en op grond van welke feiten zij tot vaststelling van een invoerprijs van 13,9 rekeneenheden is gekomen;

dat de Commissie niet met zoveel woorden heeft gezegd, dat zij zowel de Duitse UASt als de communautaire compenserende heffing als „andere bij de invoer geheven rechten” in de zin van artikel 11, lid 2 nieuw, alinea 6, van Verordening no. 23 beschouwt;

dat voorts in de redengeving der litigieuze verordening de dagen en markten niet zijn vermeld, waarop noteringen beneden de referentieprijs zouden zijn waargenomen;

dat daaruit al evenmin blijkt, in hoeverre met betrekking tot het litigieuze tijdvak van „verstotingen als gevolg van aanbiedingen uit derde landen tegen abnormale prijzen” (artikel 11, lid 2 nieuw, alinea 1, van Verordening no. 23) sprake is geweest;

Overwegende dat de omvang van de motiveringsplicht, in artikel 190 van het Verdrag omschreven, van de aard der handeling afhangt;

dat ten deze van een verordening sprake is, dat wil zeggen van een handeling welke algemeen toepassing moet vinden en in welker motivering kan worden volstaan met vermelding van het geheel der omstandigheden welke tot haar uitvaatdiging hebben geleid enerzijds en van haar algemene doelstellingen anderzijds;

dat derhalve geen specifieke opsomming mag worden verlangd van de soms ralrijke en ingewikkelde feiten met het oog waarop zij werd uitgevaardigd en zeker niet een min of meer volledige beoordeling dier feiten mag worden verwacht;

dat men er zich bovendien niet over kan beklagen, dat uit de verordening niet blijkt in hoeverre, voor zoveel het litigieuze tijdvak betreft, van „verstoringen als gevolg van aanbiedingen uit derde landen tegen abnormale prijzen” (artikel 11, lid 2 nieuw, alinea 1, van Verordening no. 23) sprake is geweest;

dat immers zulke „verstoringen” in het systeem van dit lid niet als afzonderlijke voorwaarden voor de toepassing van een compenserende heffing zijn te beschouwen, doch geacht moeten worden zich voor te doen telkens wanneer de met inachtneming der voorschriften berekende prijs bij invoer lager is dan de referentieprijs;

#### II — De rechtsgeldigheid van Verordening no. 104/6 5

##### 1. De bevoegdheid van het Hof van \]ustitie

Overwegende dat de firma Beus voor het Hof heeft betoogd, dat door Verordening no. 104/65 de bepalingen van artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 zijn geschonden, alsook dat zij onvoldoende met redenen is omkleed;

dat de Commissie meent, dat de firma Beus in deze grieven niet kan worden ontvangen, aangezien zij dezelve niet voor het Finanzgericht te München heeft voorgedragen, zodat daarnaar in dit geding geen onderzoek kan worden ingesteld;

Overwegende dat in het dispositief van de vetwijzingsbeschikking aan het Hof van Justitie alleen wordt verzocht te beslissen „of Verordening no. 144/65 … rechtsgeldig is”;

dat het Hof de grief derhalve kan behandelen;

##### 2. Ten principale

A — Overwegende dat is gesteld, dat de Commissie bij de berekening van de referentieprijs ten onrechte de noteringen voor de Italiaanse variëteit Ohanez in aanmerking heeft genomen; dat deze variëteit, vergeleken met de enige andere variëteit waarop de Commissie ter berekening van de referentieprijs acht heeft geslagen, te weten de variëteit Regina, van zeer geringe betekenis is; Overwegende dat volgens artikel 11, lid 2 nieuw, alinea 2, van Verordening no. 23 de referentieprijs wordt vastgesteld op grondslag van de produktieprijzen van elke Lid-Staat; dat krachtens dit voorschrift laatsrbedoelde prijzen worden berekend op grondslag van de „laagste prijzen … waargenomen voor de produkten of variëteiten die een aanzienlijk deel vertegenwoordigen van de in het gehele jaar of gedurende een deel daarvan in de handel gebrachte produktie”; Overwegende dat de Commissie blijkens de term „aanzienlijk deel … van de … produktie” voor wat de keuze der in aanmerking te nemen variëteiten betreft over een zekere vrijheid van appreciatie beschikt; dat het Hof zich er derhalve toe moet beperken te onderzoeken, of de Commissie bij haar keuze niet willekeurig te werk ging; Overwegende dat allereerst opmerking verdient, dat de referentieptijs op grondslag waarvan de compenserende heffing is berekend — en ook deze heffing zelve — slechts golden voor de maand oktober, zodat het onderzoek alleen de gegevens betreffende die maand behoeft te betreffen; Overwegende dat volgens genoemde bepaling van Verordening no. 23 de prijzen welke in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening der produktieprijzen (belangrijkste factor bij de vaststelling van de referentieprijzen) zijn die welke „tijdens de drie jaar voorafgaande aan de datum van vaststelling van de referentieprijs” — derhalve in casu in 1962, 1963 en 1964 — zijn waargenomen; dat de produktie van Ohanez in genoemde jaren weliswaar niet meer dan onderscheidenlijk 1,2 %, 1,4 % en 1,3 % van de totale Italiaanse produktie heeft bedragen; dat de variëteit Ohanez evenwel in aanmerking is genomen als representatief voor de produktie van late druiven, waartoe — hoewel zij ten hoogste 4,5 % van de totale Italiaanse produktie beloopt — niettemin variëteiten behoren welke van vroege druiven en van de zogenaamde druiven van de tweede en derde periode — derhalve van veruit de meeste andere. druiven — verschillen; dat men derhalve om kwalitatieve redenen een late variëteit als „aanzienlijk deel van de produktie mag beschouwen” althans voor zoveel betreft de maanden oktober en november gedurende welke deze variëteiten op de markt komen — en daar een niet onaanzienlijke rol spelen —; dat blijkt dat de Ohanez-druiven behoren tot de belangrijkste late variëteiten en tegen bettekkelijk lage prijzen worden verkocht; dat het daarom niet van willekeur lijkt te getuigen, dat voor de vaststelling van de referentieprijs voor de maand oktober de variëteit Ohanez in aanmerking is genomen; Overwegende dat volgens voormeld voorschrift van Verordening no. 23 de produktieprijs van elke Lid-Staat overeenstemt „met het gemiddelde van de waargenomen prijzen” der in aanmerking genomen variëteiten; dat de niet verder gepreciseerde term „gemiddelde” normaliter wordt gebezigd ter aanduiding van een rekenkundig gemiddelde en dat niets in de bepaling erop wijst, dat men zich van deze woordkeus ter aanduiding van een gewogen gemiddelde heeft willen bedienen; dat derhalve de onderscheiden marktquanta van bedoelde variëteiten op de berekening van het litigieuze „gemiddelde” niet van invloed kunnen zijn; dat zulks weliswaar medebrengt, dat de Commissie bij de keuze der variëteiten, welke volgens haar een aanzienlijk deel van de in de handel gebrachte produktie vertegenwoordigen, voorzichtig moet te werk gaan, doch dat haar wegens voormelde omstandigheden niet een zodanige mate van onzorgvuldigheid mag worden verweten, dat haar verordening niet langer als rechtsgeldig zou zijn te beschouwen;

B — Overwegende dat is gesteld, dat in de redengeving van Verordening no. 104/65 ten onrechte niet werd vermeld dar ter berekening van de referentieprijs op de variëteit Ohanez in dezelfde mate acht is geslagen als op veel belangrijker variëteiten zoals Chasselas du Midi, Gros vert en Regina; Overwegende dat zulks echter niet juist is, immers in de tweede overweging van de considerans van Verordening no. 104/65 worden deze variëteiten zonder onderscheid genoemd als „behoren(de) tot de voornaamste in de Gemeenschap geteelde variëteiten”, terwijl voorts wordt gezegd, dat „het rekenkundig gemiddelde van de produktieprijzen kan worden berekend overeenkomstig de criteria van artikel 11, lid 2, van Verordening no. 23 en van artikel 1, van Verordening no. 99/65 aan de hand van de (desbetreffende) gegevens”;

#### III — De rechtsgeldigheid van artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23

Overwegende dat is betoogd, dat Verordening no. 144/65 niet rechtsgeldig is, aangezien de bepalingen van artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 met het Verdrag in strijd zijn;

dat daarin namelijk de invoering van een compenserende heffing niet langer wordt gebonden aan de voorwaarde dat „op de markten van de Gemeenschap ernstige verstoringen optreden of dreigen op te treden als gevolg van invoer van produkten uit derde landen tegen prijzen die beneden een referentieprijs liggen” en slechts verlangd wordt, dat „de invoerprijs van een uit derde landen ingevoerd produkt lager is dan de referentieprijs”;

dat de nieuwe redactie derhalve automatisch tot invoering der heffing kan leiden en daarmede eenzijdig voor de belangen van de telers van groenten en fruit in de Gemeenschap opkomt, hetgeen schending van de artikelen 39, sub d) en e), en 110 van het Verdrag oplevert;

Overwegende dat Verordening no. 23 blijkens haar opschrift een der regelingen is, welke ten doel heeft te komen tot vestiging van een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten;

dat anderzijds uit artikel 40, leden 2 en 3, van het Verdrag volgt, dat met deze regelingen moet worden beoogd „de in artikel 39 gestelde doeleinden te bereiken” en dat zij „alle maatregelen” kunnen „medebrengen welke (daartoe) nodig zijn”;

dat daartoe het verzekeren van de belangen van de landbouwers en dat van de verbruikers behoort, zodat deze doeleinden niet alle tegelijkertijd volledig kunnen worden verwezenlijkt;

dat de Raad bij afweging dezer belangen ten behoeve van de landbouwers eventueel het beginsel, dat aan de gemeenschapsbelangen de voorkeur toekomt — beginsel dat aan het Verdrag ten grondslag ligt en op landbouwgebied in artikel 44, lid 2, tot uitdrukking is gebracht — tot gelding moet brengen;

Overwegende dat artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23, in het licht dezer overwegingen bezien, niet met de verdragsvoorschriften in strijd voorkomt;

dat immers uit deze bepaling als geheel de zorg spreekt bij de bescherming der producenten in de Gemeenschap redelijke grenzen in acht te nemen;

dat er in dit verband slechts op behoeft te worden gewezen, dat de referentieprijs zich richt naar de markten der producerende landen „met de laagste prijzen” en in de regel lager zal zijn dan de prijzen waartegen de produkten van een Lid-Staat in de andere Lid-Staten worden verkocht, immers in deze laatste prijzen zijn mede de kosten van het vervoer van de ene Lid-Staat naar de andere en eventueel door de Lid-Staten geheven invoerrechten begrepen;

dat, ofschoon lid 2 nieuw, de invoering van een compenserende heffing niet langer van dreigende ernstige verstoring afhankelijk stelt, nochtans dient te worden bedacht, dat dit criterium op zeer verschillende wijzen kan worden toegepast, terwijl in de nieuwe regeling meer objectieve maatstaven zijn voorzien;

#### IV — De grief, dat de Commissie Verordening no. 144/65 niet heeft herzien of ingetrokken

Overwegende dat de Commissie wordt verweten Verordening no. 144/65 niet vóór 31 oktober 1965 te hebben herzien of ingetrokken in voege als in artikel 2 dier verordening voorzien voor hét geval dat de invoering van een compenserende heffing van 2 rekeneenheden niet meer met het bepaalde in artikel 11, lid 2 nieuw, van Verordening no. 23 in overeenstemming zou zijn;

dat deze voorwaarde — gezien het laatstelijk op de representatieve markten waargenomen prijsverloop — vervuld was;

Overwegende dat naar luid van artikel 2, van Verordening no. 144/65 juncto artikel 13 van Verordening no. 23 de Commissie slechts tot wijziging of intrekking van eerstgenoemde verordening kon overgaan na het Comité van Beheer voor groenten en fruit te hebben gehoord;

dat de met Verordening no. 144/65 opgedane ervaring leert, dat het tijdsverloop tussen raadpleging van het Comité en inwerkingtreding ener verordening tot herziening of intrekking van eerstgenoemde verordening op minstens drie dagen moet worden begroot;

dat de grief impliceert, dat de Commissie uiterlijk op 24 oktober 1965 de procedure tot consultatie van het Comité van Beheer had moeten inleiden;

dat derhalve, in aanmerking genomen het feit, dat de markten op 23 en 24 oktober gesloten waren, moet worden onderzocht of de situatie op de representatieve markten zoals zij zich van 18 tot en met 22 oktober voordeed — dat wil zeggen in het tijdvak, dat onmiddellijk volgde op de aan Verordening no. 144/65 voorafgegane waarnemingsperiode — medebracht, dat de eerder genomen maatregelen moesten worden herzien;

Overwegende dat in het litigieuze tijdvak de op de representatieve markten waargenomen en volgens artikel 11, lid 2 nieuw, alinea 6, van Verordening no. 23 gecorrigeerde prijzen, vergeleken met de tevoren bestane marktsituatie, vrij duidelijk op een hausse wezen, terwijl zelfs de laagste dier noteringen minder dan 2 rekeneenheden beneden de referentieprijs lagen;

dat echter, zoals hiervoor reeds werd geconstateerd, de compenserende heffing haar effect niet moet sorteren tijdens de waarnemingsperiode welke aan het uitvaardigen der heffingsverordeningen voorafgaat, doch in het daarop volgend tijdvak;

dat de Commissie derhalve bevoegd was de litigieuze heffing te handhaven, nu zij redelijkerwijze mocht vermoeden, dat de heffing voor de komende dagen juist zou zijn;

dat men in dit verband kan constateren, dat na 24 oktober 1965 het verschil tussen de gerectificeerde noteringen en de referentieprijs op de representatieve markt te München tussen 2,2 en 1,9 rekeneenheden heeft geschommeld;

dat de voorzieningen der Commissie derhalve niet door de latere ontwikkeling zijn gelogenstraft;

Overwegende dat, waar in een systeem als het onderhavige tussen de waarnemingstijdvakken en de toepassingsperioden steeds enige tijd verloopt, zulks er in de regel toe moet leiden, dat de dagelijks voor iedere representatieve markt waargenomen invoerprijzen, vermeerderd met de compenserende heffing, ten opzichte van de referentieprijs afwisselend naar boven en naar beneden geringe afwijkingen vertonen;

dat derhalve niet is gebleken, dat de Commissie in casu haar verplichtingen niet is nagekomen;

Overwegende dat, gezien het hiervoor onder I tot en met IV overwogene, aan het Hof van Justitie bij onderzoek van de door het Finanzgericht te München gestelde vraag niet is gebleken van omstandigheden welke medebrengen, dat Verordening no. 144/65 als niet rechtsgeldig is te beschouwen;

#### V — Ten aanzien van de kosten

Overwegende dat ter zake van de door de Commissie van de E.E.G. wegens indiening harer opmerkingen gemaakte kosten geen last tot terugbetaling kan worden gegeven;

dat de procedure voor zoveel partijen betreft als een in de loop van het geding voor het Finanzgericht te München opgeworpen incident moet worden beschouwd, zodat deze laatste instantie over de kosten zal hebben te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende naar aanleiding van de bij beschikking van het Finanzgericht te München van 25 januari 1967 gestelde prejudiciële vraag,

1\. Verklaart voor recht, dat bij onderzoek van de door het Finanzgericht te München aan het Hof voorgelegde vraag niet is gebleken van omstandigheden welke medebrengen, dat Verordening no. 144/65 van de Commissie van 18 oktober 1965 houdende instelling van een compenserende heffing bij invoer van tafeldruiven van de open grond uit Bulgarije en Roemenië als niet rechtsgeldig is te beschouwen;

2\. Verstaat dat het Finanzgericht te München over de kosten van dit geding uitspraak zal hebben te doen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

2

verordening 99/65 art. 1 1 voorkomen

verordening 144/65 art. 2 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Tesauro C-408/95 27.05.1997

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 28duodecies, richtlijn 92/12 art. 28](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-408-95-conclusie)

## Rechtsleer

4

Catalano, Nicola: Il principio della preferenza comunitaria dei prodotti agricoli, Il Foro italiano 1968 IV Col.56-58

Fuß, Ernst-Werner: Europarecht 1968 p.295-305

X: Rechtsprechung im Dienst der EWG-Agrarpolitik. Zu einem Fragwürdigen Urteil des Europäischen Gerichtshofes, Verbraucher politische Korrespondenz 1969 nº 2 p.6-8

Булюи, Жан ; Шевалие, Роже-Мишел: Принципи, изведени от характера на Oбщностите, Най-важни решения на Cьда на Eвропейските общности (Ed. Институт по Европейско право - Sofia) 2007 р.57-59
