---
title: "HvJ EU, 49/79, arrest van 4 maart 1980 · EEG-Verdrag art. 40 en art. 215"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 1980, 49/79: EEG-Verdrag art. 40 en art. 215."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-49-79-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-49-79-arret"
---

# Arrest van het Hof van 4 maart 1980, 49/79 · EEG-Verdrag art. 40 en art. 215

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

49/79

**ECLI**

ECLI:EU:C:1980:64

**Datum**

4 maart 1980

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens aansprakelijkheid ongegrond

**Zaak ingediend op**

28 maart 1979

**Advocaat-generaal**

Reischl

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1980, blz. 569

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Pescatore

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [Gemeenschappelijke marktordeningen: beginselen en instrumenten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03) [Landbouwprijzen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03.04) 2 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Beroep tot schadevergoeding](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05) [Leerstuk van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05.02) 15 beslissingen

## Tekst

55 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten

Volgens verordening nr. 129 van de Raad van 23 oktober 1962 inzake de waarde van de rekeneenheid en de wisselkoersen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten worden toegepast (PB 1962, blz. 2553), was het noodzakelijk om, enerzijds, ten aanzien van een aantal besluiten van gemeenschappelijk landbouwbeleid bedragen in een zelfde rekeneenheid uit te drukken en, anderzijds, de wisselkoers vast te stellen die moet worden gebruikt voor de verrichtingen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten plaatsvinden en die met zich brengen dat in een bepaalde munteenheid aangegeven bedragen in een andere munteenheid moeten worden uitgedrukt. In artikel 1 van deze verordening is derhalve de waarde van de rekeneenheid vastgesteld op 0,88867088 gram fijn goud; volgens artikel 2, lid 1, diende de wisselkoers te worden gebruikt die overeenkwam met de bij het Internationale Monetaire Fonds opgegeven en door deze instelling erkende pariteit.

Krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 129, dat afwijkingen mogelijk maakt van het beginsel dat voor de omrekening van de ene munteenheid in de andere de officiële pariteit wordt gebruikt, heeft de Raad bij verordening nr.222/73 van 31 januari 1973 betreffende de omrekeningskoersen die in de landbouwsector moeten worden aangehouden voor de munteenheden van de nieuwe Lid-Staten (PB L 27 van 1973, blz. 4), in afwijking van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 129, voor wat Ierland en het Verenigd Koninkrijk betreft, een wisselkoers voor de omrekening van prijzen en andere bedragen vastgesteld die overeenkomt met de representatieve koersen van de munteenheden van de Lid-Staten. Deze representatieve koersen bedroegen: 1 Engels pond = 1 Iers pond = 2,3499 US dollar = 2,1644 r.e.

In verordening nr. 2498/74 van 2 oktober 1974 tot vaststelling van de in de landbouwsector toe te passen representatieve omrekeningskoers voor de munteenheden van de nieuwe Lid-Staten (PB L 286 van 1974, blz. 6), overwoog de Raad dat de in de landbouwsector toe te passen omrekeningskoersen waren vastgesteld met de bedoeling ze zo dicht mogelijk op de economische realiteit te doen aansluiten, doch dat dit doel op dat moment voor de Engelse en de Ierse munteenheid niet meer werd bereikt, aangezien de voor de beide munteenheden op de wisselmarkten werkelijk geconstateerde omrekeningskoersen een aanzienlijke waardedaling te zien hadden gegeven. Derhalve werd in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2498/74 bepaald dat „wanneer verrichtingen ter uitvoering van de besluiten betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid of op grond van artikel 235 van het Verdrag vastgestelde specifieke regelingen meebrengen dat de munteenheden van de nieuwe Lid-Staten moeten worden uitgedrukt in een andere munteenheid of in rekeneenheden, in afwijking van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 129 als wisselkoers voor de omrekening van prijzen en andere bedragen (geldt) de koers die overeenkomt met de representatieve koers van de munteenheden van deze Lid-Staten”; in artikel 1, lid 2, werden de volgende representatieve koersen vastgesteld :

voor het Ierse pond: 1 pond = 1,9485 r.e.

voor het Engelse pond: 1 pond = 2,0053 r.e.

Bij verordening nr. 475/75 van de Raad van 27 februari 1975 betreffende de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen (PB L 52 van 1975, blz. 28), is de representatieve koers voor het Ierse pond vastgesteld op 1,86151 r.e. en voor het Engelse pond op 1,96178 r.e.

R. Pool, een veefokker te Higher Trayne, Ilfracombe (Devonshire), Engeland, fokt kalveren om deze als volwassen runderen te verkopen.

Hij is van mening dat de Raad, door met ingang van 7 oktober 1974 de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toe te passen representatieve wisselkoersen voor het Engelse en het Ierse pond op verschillend niveau vast te stellen, het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag bedoelde discriminatieverbod heeft geschonden en hem schade heeft veroorzaakt, waarvan hij vergoeding vraagt.

#### II — Schriftelijke behandeling

Pool heeft op 28 maart 1979 overeenkomstig artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep tot schadevergoeding ingesteld tegen de Raad van de Europese Gemeenschappen.

In zijn verweerschrift heeft de Raad uitsluitend de vraag behandeld of in het onderhavige geval voldaan is aan de eerste voorwaarde voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap wegens een regelgevende handeling welke een keuze van economisch beleid impliceert, namelijk een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel. De Raad stelt voor om eventueel pas daarna in het kader van een afzonderlijke procedure te onderzoeken of de andere voorwaarden voor een beroep tot schadevergoeding zijn vervuld.

Verzoeker heeft om die reden afgezien van repliek.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft verzoeker echter gevraagd om de bepalingen van verordening nr. 2498/74 die hij onrechtmatig acht, nader aan te duiden en de aan zijn beroep ten grondslag liggende overwegingen te verduidelijken, met name de redenen op grond waarvan hij meent dat de representatieve koers van het Engelse pond op zich in strijd met het Verdrag is vastgesteld. Aan dit verzoek is binnen de gestelde termijn gevolg gegeven. De Raad heeft op verzoek van het Hof schriftelijk stelling genomen ten aanzien van verzoekers antwoorden.

#### III — Conclusies van partijen

Verzoeker concludeert dat het den Hove behage:

a) de Europese Gemeenschap, in de persoon van de Raad, te veroordelen tot betaling van een bedrag van 9504 pond sterling als schadevergoeding;

b) de Raad te verwijzen in de kosten van het geding.

De Raad concludeert dat het den Hove behage:

a) het beroep te verwerpen;

b) verzoeker te verwijzen in de kosten van het geding.

#### IV — Middelen en argumenten van partijen

Verzoeker wijst erop, dat bij verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148 van 1968, blz. 24), een stelsel van eenvormige rundvleesprijzen voor de Gemeenschap is ingevoerd.

a) Volgens artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag evenwel dient een gemeenschappelijke marktordening elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap uit te sluiten en een gemeenschappelijk prijsbeleid dient volgens artikel 40, lid 3, derde alinea, op gemeenschappelijke criteria en op eenvormige berekeningswijzen te berusten. De omrekeningskoersen van alle Lid-Staten moeten dus objectief zijn en zoveel mogelijk de monetaire werkelijkheid weergeven. Aangezien het Ierse en het Engelse pond converteerbaar zijn, moeten zij ten opzichte van andere munteenheden en onderling dezelfde omrekeningskoers hebben. De huidige regelingen, waaronder de regering van het Verenigd Koninkrijk om politieke redenen op korte termijn de verbruiker en de Ierse regering de producent kan bevoordelen, zijn onrechtmatig- Het huidige stelsel van prijsvaststelling is willekeurig — omdat het tot gevolg heeft dat de prijzen zuiver nationaal worden vastgesteld — en kennelijk onwettig; het duidelijkste bewijs hiervan is dat het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet meer, zoals voorheen, een vrijhandelsstelsel toepassen, ofschoon ze nog steeds een gemeenschappelijke munteenheid hebben. De Raad kan zich op grond van artikel 3 van verordening nr. 129 ontslagen achten van de verplichting om te proberen een wisselkoers vast te stellen die een relatie vertoont met een valutamarkt; nog minder mag hij het omgekeerde doen en beslissen wat een landbouwer in nationale munteenheid mag ontvangen en wat een verbruiker in nationale munteenheid moet betalen. Wanneer een monetaire praktijk van buitengewone aard ten aanzien van twee munteenheden in alle opzichten identiek is, staat artikel 3 van verordening nr. 129 niet toe deze verschillend te behandelen. Dit artikel verleent de Gemeenschap met name geen discretionaire bevoegdheid om per land de prijs vast te stellen die een landbouwer volgens haar op een bepaalde markt zou moeten krijgen. Verordening nr. 129 schrijft de neutrale omrekening in nationale munteenheid voor van in rekeneenheden uitgedrukte bedragen. Zij verleent de Raad geen absolute discretionaire bevoegdheid om maar elke wisselkoers vast te stellen die hij dienstig acht; de rekeneenheid was bedoeld als objectief en politiek neutraal instrument om de gemeenschappelijke prijzen uit te drukken.

b) Volgens de rechtspraak van het Hof is de Gemeenschap voor handelingen van wetgevende aard aansprakelijk indien zij een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel op voldoende gekwalificeerde wijze heeft geschonden. De in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag gestelde regels zijn kennelijk bedoeld ter bescherming van de belangen van de individuele landbouwers en verbruikers. Zij verplichten de Raad duidelijk en ondubbelzinnig om de prijzen niet per land te manipuleren. Artikel 40, lid 3, bevat een fundamentele constitutionele waarborg: het vormt de tegenhanger van de aan de Gemeenschap toegekende bevoegdheid om de landbouwmarkten te ordenen. Op deze fundamentele constitutionele waarborg van artikel 40, lid 3, heeft de Raad echter op flagrante wijze inbreuk gemaakt door het vaststellen van verordening nr. 2498/74 en latere verordeningen, voor zover daarin geen eenvormige berekeningsmethoden en gemeenschappelijke maatstaven zijn toegepast, of tenminste voor zover verschillende omrekeningskoersen voor het pond sterling en het Ierse pond zijn vastgesteld. Artikel 40, lid 3, stelt grenzen aan elke discretionaire bevoegdheid van de Gemeenschap. De ruime beoordelingsvrijheid die de gemeenschapswetgever ongetwijfeld geniet, wordt beperkt door het vereiste om bij het differentiëren van feitelijke gegevens objectieve en objectief gerechtvaardigde criteria toe te passen. Zonder dergelijke criteria werkt de differentiatie discriminerend. Artikel 39 EEG-Verdrag, waarin de doelstellingen van het gemeenschappelijke landbouwbeleid zijn neergelegd, machtigt de Gemeenschap weliswaar rekening te houden met verschillende gegevens, doch het staat haar geenszins toe te differentiëren uit hoofde van nationaal grondgebied.

c) Het verschil tussen de representatieve koersen van het Ierse en het Engelse pond wordt in verordening nr. 2498/74 og geen enkele wijze gerechtvaardigd. De Raad heeft geen discretionaire bevoegdheid om twee identieke monetaire situaties verschillend te behandelen. De redenen die door de Raad zijn aangevoerd ter verklaring van de verschillende behandeling van de twee betrokken munteenheden, rechtvaardigen de differentiatie niet: de verschillen tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk hebben altijd bestaan en zullen altijd blijven bestaan. Het is nauwelijks verenigbaar met de waarborgen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dat een landbouwer in het Verenigd Koninkrijk, die in alle opzichten vergelijkbaar is met een landbouwer in Ierland, verschillend wordt behandeld op de enkele grond dat hij zijn werkzaamheden uitoefent in Engeland en niet in Ierland. Wisselkoersen moeten zo neutraal mogelijk zijn; het politieke element speelt enkel mee bij de beraadslagingen over de vaststelling van de gemeenschappelijke prijs in rekeneenheden. Zo de door verordening nr. 2498/74 teweeggebrachte differentiatie tussen het Ierse en het Engelse pond niet onrechtmatig was op het moment dat die verordening werd vastgesteld, is zij in elk geval onrechtmatig geworden toen zij in latere verordeningen werd gehandhaafd en vergroot.

d) De Raad voert zelfs niet aan dat de zogenaamde representatieve koersen representatief waren voor iets; zodoende kan verzoeker moeilijk aantonen dat de voor het pond sterling gekozen wisselkoers op zich op onjuiste wijze is vastgesteld; hij kan alleen aanvoeren dat deze koers niet representatief was voor een reële monetaire verhouding met de munteenheid van een ander land, hetgeen het duidelijkst blijkt uit het ontbreken van enige gelijkenis met het Ierse pond. Verzoeker heeft ter vergelijking liet Ierse pond gekozen, enkel omdat de discriminatie daar liet duidelijkst is.

e) Volgens de rechtspraak van het Hof moet een particulier die zich in geval van schending van het gemeenschapsrecht door een Lid-Staat, voor een nationale rechter beroept op een non-discrimina-tie-bepaling, door deze rechter in een zodanige positie wordt geplaatst, dat de schending van het gemeenschapsrecht door de Lid-Staat in zijn geval ongedaan wordt gemaakt. Het Verdrag kan niet alsdus worden uitgelegd, dat het particulieren een betere bescherming biedt wanneer een Lid-Staat inbreuk maakt op het gemeenschapsrecht, dan wanneer de Gemeenschap zelf het gemeenschapsrecht schendt. De enige rechter die het gemeenschapsrecht in een dergelijke situatie kan doen eerbiedigen, is de gemeenschapsrechter. Een beroep tot nietigverklaring, zelfs indien mogelijk, zou daarvoor niet de juiste weg zijn; de passende procedure in dit verband is het beroep tot schadevergoeding. Door verzoeker schadevergoeding te verlenen, kan het Hof de bescherming van diens aan het Verdrag ontleende rechten waarborgen.

f) Verzoeker heeft weliswaar nooit produkten verkocht in Ierland of aan Ierse interventiebureaus. Beslissend is dat hij in termen van in ponden uitgedrukte interventieprijzen of marktprijzen altijd meer zou hebben ontvangen, indien hij zijn produkten in Ierland zou hebben verkocht. Hij heeft dus schade geleden door de discriminerende handelingen van de Raad, die op flagrante wijze inbreuk maken op het Verdrag.

Een juiste beoordeling van de geleden schade moet ertoe leiden dat verzoeker in de positie wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de Gemeenschap aan haar verplichtingen had voldaan. Als schadevergoeding moet hem het bedrag worden uitgekeerd, dat hem in dezelfde positie brengt als wanneer hij zijn produkten in de Republiek Ierland zou hebben verkocht. De schade is het verschil tussen de prijs die hij bij de verkoop van zijn runderen zou hebben gekregen, en de prijs die hij zou hebben ontvangen indien de representatieve koers van het Ierse pond was toegepast in plaats van die van het pond sterling. Voor het tijdvak van 11 oktober 1976, vanaf welke datum het koersverschil tussen het Engelse en het Ierse pond groter was dan 10%, tot eind februari 1979 kan de door verzoeker geleden schade aldus op 9504 pond sterling worden geschat.

De Raad betoogt dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, de Gemeenschap slechts aansprakelijk is voor de gevolgen van een regelgevende handeling die een keuze van economisch beleid impliceert, wanneer er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel.

Het in artikel 40, tweede alinea, EEG-Verdrag bedoelde discriminatieverbod dient ongetwijfeld ter bescherming van particulieren. Doch om een verzoek om schadevergoeding te rechtvaardigen moet er bovendien schade zijn geleden en moet er een oorzakelijk verband bestaan tussen de beweerde schade en de schending van de rechtsregel.

In casu heeft de Raad niet het discriminatieverbod geschonden, en in elk geval heeft hij dit niet op voldoende gekwalificeerde wijze gedaan; hij heeft niet twee identieke feitelijke situaties op ongerechtvaardigde wijze verschillend behandeld: het gewraakte verschil in behandeling was voldoende gerechtvaardigd.

a) Ingevolge verordening nr. 805/68 stelt de Raad voor elk verkoopseizoen een oriëntatieprijs en een interventieprijs voor volwassen runderen vast; deze in rekeneenheden uitgedrukte prijs vormt de gemeenschappelijke prijs in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; hij wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 40, lid 3, derde alinea, van het Verdrag. Aangezien de Europese landbouwers voor hun produkten niet in rekeneenheden, maar in hun respectieve nationale munteenheden worden betaald, moet een omrekeningscoëfficiënt worden vastgesteld tussen de rekeneenheid en de nationale munteenheden. Dit was het doel van verordening nr. 129/62 waarin de waarde van de rekeneenheid in fijn goud is uitgedrukt. Later zijn het bij de overeenkomsten van Bretton Woods ingevoerde internationale monetaire stelsel en de waarde van de verschillende munteenheden sterk gewijzigd: er bestaat geen vaste omrekeningskoers meer tussen de nationale munteenheden en het goud; voor de omrekening van de rekeneenheid in nationale valuta is de specifieke hoeveelheid fijn goud vervangen door de representatieve of „groene” koers van elke nationale munteenheid en voor het handelsverkeer tussen de meeste Lid-Staten zijn vanaf 1971 monetaire compenserende bedragen vastgesteld.

b) Wat inzonderheid de representatieve koersen van het Engelse en het Ierse pond betreft, deze zijn, na de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de nieuwe Lid-Staten, aanvankelijk op hetzelfde niveau bepaald. Bij verordening nr. 2498/74 werd het Ierse pond met ingang van 7 oktober 1974 gesteld op 1,9485 r.e. en het Engelse pond op 2,0053 r.e. Deze ontwikkeling heeft zich voortgezet. Zo is ingevolge verordening nr. 643/79 van de Raad van 29 maart 1979 (PB L 83 van 1979, blz. 1) de thans geldende koers voor het Engelse pond 1,49794 r.e. en voor het Ierse pond 1,26702 r.e. De representatieve koersen van de verschillende nationale munteenheden worden vastgesteld op voorstel van de Commissie, die op haar beurt tot handelen wordt uitgenodigd door de betrokken Lidstaat of Lid-Staten: zo eerbiedigt de Raad het discriminatieverbod. Het feit dat de koers van het Ierse en het Engelse pond buiten de landbouwsector gelijk was, speelt in deze zaak geen enkele rol, omdat het hier gaat om omrekening met het oog op de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

c) Er waren objectieve redenen voor het Engelse en het Ierse pond verschillende representatieve koersen vast te stellen. De Gemeenschap is in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ontegenzeglijk bevoegd, representatieve koersen vast te stellen voor de verschillende nationale munteenheden. Het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag bedoelde discriminatieverbod vormt ongetwijfeld een van de beginselen van het gemeenschapsrecht; doch om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te verwezenlijken, moet tevens rekening worden gehouden met de noodzaak de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard (artikel 39, lid 1, sub b) en de verbruiker redelijke prijzen bij de levering te verzekeren (sub e). Aan bepaalde doelstellingen kan tijdelijk voorrang worden verleend. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat de landbouwsector in de Lid-Staten nauw verweven is met de gehele economie (artikel 39, lid 2, sub c). De Raad is dus gehouden de verschillende aan haar besluiten ten grondslag liggende elementen tegen elkaar af te wegen. Dit betekent dat de bestaande situatie moet worden beoordeeld op grond van economisch gerechtvaardigde criteria, dat wil zeggen dat de betrokken bedragen moeten worden vastgesteld op een economisch gerechtvaardigd niveau. Het is algemeen bekend dat de landbouw in de economie van het Verenigd Koninkrijk niet dezelfde plaats inneemt als in die van Ierland; dit geldt met name voor de sector rundvlees. Ierland voert landbouwprodukten uit, het Verenigd Koninkrijk voert ze in. Devaluatie van de representatieve koersen betekent dat de landbouwer hogere winsten maakt in zijn nationale munteenheid en dat de consument hogere prijzen moet betalen voor landbouwprodukten. Bij de bepaling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten de belangen van de consumenten en van de gehele economie in aanmerking worden genomen. In het geval van het Verenigd Koninkrijk besloten de betrokken Lid-Staten, vervolgens de Commissie in haar voorstel en de Raad in zijn besluit, de representatieve koers van het pond sterling minder te devalueren dan die van het Ierse pond en, bijgevolg, de door de consument te betalen voedselprijzen minder te verhogen dan in Ierland. Bij de vaststelling van de representatieve koersen op grond van verordening nr. 129/62 en van verordening nr. 2543/73 van de Raad van 19 september 1973 houdende wijziging van verordening nr. 129/62 inzake de waarde van de rekeneenheid en de wisselkoersen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten worden toegepast (PB L 263 van 1973, blz. 1), beschikt de Raad over een ruime beoordelingsbevoegdheid; hiervan heeft hij geenszins misbruik gemaakt, doch ze integendeel op redelijke wijze uitgeoefend. De door verzoeker bestreden maatregel vormt een maatregel van economisch beleid, „die wordt gekenmerkt door de uitoefening van een ruime discretionaire bevoegdheid welke noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.” Met de minder snelle verlaging van de representatieve koersen in het Verenigd Koninkrijk, waar de verbruikersprijzen van veel groter belang zijn dan in Ierland, wordt beoogd deze prijzen langzamer te laten stijgen. Dit was een economisch gerechtvaardigd criterium, zodat er geen sprake was van discriminatie. De landbouw speelt een geheel andere rol in de gehele economie van het Verenigd Koninkrijk dan in die van Ierland; het is dus logisch dat de representatieve koersen ook verschillend zijn.

d) De vaststelling van verschillende representatieve koersen voor het Engelse en het Ierse pond is dus een- besluit dat binnen de discretionaire bevoegdheid van de Raad valt. Het is genomen op grond van economisch gerechtvaardigde criteria en het maakt volstrekt geen inbreuk op het discriminatieverbod. Het uit dien hoofde door verzoeker ingestelde beroep tot schadevergoeding is ongegrond. In elk geval heeft de Raad de aan de uitoefening van zijn bevoegdheden gestelde grenzen niet op „duidelijke” en „ernstige” wijze overschreden.

e) Waar geen onrechtmatige daad is, kan men zich niet op schade beroepen. In elk geval moet worden opgemerkt dat de marktprijs van rundvlees in Ierland gedurende het betrokken tijdvak lager was dan die van het Verenigd Koninkrijk. Zou verzoeker zijn produkten dus in Ierland hebben verkocht, dan had hij een lagere prijs gekregen dan in het Verenigd Koninkrijk. Door zijn produkten in laatstgenoemde Lid-Staat te verkopen, heeft hij dus geen schade geleden.

#### V — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 4 december 1979 hebben verzoeker en de Raad, te dezen vertegenwoordigd door A. Durand, resp. door B. Schloh, mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 17 januari 1980 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij verzoekschrift van 28 maart 1979 heeft verzoeker, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd veefokker, krachtens artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, een vordering ingesteld tot een bedrag van £ 9504, wegens schade die de Raad hem zou hebben veroorzaakt door de vaststelling van de omrekeningskoers van het Engelse pond bij verordening nr. 2498/74 van de Raad van 2 oktober 1974 tot vaststelling van de in de landbouwsector toe te passen representatieve omrekeningskoers (PB L 268 van 1974, blz. 6), en de daaropvolgende verordeningen ter zake van dezelfde materie.

2. Verzoeker meent dat de Raad de omrekeningskoers van het Engelse pond ten behoeve van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna te noemen: „groene koers”) op onjuiste wijze heeft vastgesteld, waardoor hij bij de verkoop van zijn produkten niet de prijs heeft ontvangen die hij krachtens de bepalingen van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (verordening nr. 805/68 van 27 juni 1968, PB L 148 van 1968, blz. 24) had moeten krijgen, indien de Raad de „groene koers” van het Engelse pond, welke dient ter omrekening van de in Europese rekeneenheden vastgestelde landbouwprijzen in de nationale munteenheid van het Verenigd Koninkrijk, op de juiste wijze had vastgesteld. Hij is van mening dat de Raad, door deze omrekeningskoers vast te stellen, duidelijk inbreuk heeft gemaakt op de bepalingen van artikel 40, lid 3, van het Verdrag, dat verlangt dat de gemeenschappelijke marktordeningen elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap uitsluiten en dat een eventueel gemeenschappelijk prijsbeleid op gemeenschappelijke criteria en op eenvormige berekeningswijzen berust.

3. Bij de bepaling van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor het Engelse pond geldende omrekeningskoers heeft de Raad deze munteenheid volgens verzoeker aanzienlijk overgewaardeerd, met het gevolg dat de landbouwprijzen in het Verenigd Koninkrijk op een aanzienlijk lager niveau werden vastgesteld dan de prijzen die voor de landbouw in de andere Lid-Staten werden gegarandeerd. Zich baserend op de toentertijd geldende monetaire omrekeningskoersen, komt hij tot de conclusie dat de landbouwprijzen in het Verenigd Koninkrijk 30 % onder het hoogste prijsniveau binnen de Gemeenschap lagen, 23 % onder het gemiddelde van de in de Lid-Staten toegepaste prijzen en 21 % onder de aan Ierse landbouwers gegarandeerde prijzen. De ongelijkheid lijkt hem in dit laatste geval bijzonder flagrant, aangezien het Verenigd Koninkrijk en Ierland toenterijd één monetair stelsel hadden.

4. Verzoeker is kennelijk van mening dat de voor Ierland geldende omrekeningskoers op bevredigende wijze was vastgesteld, want hij zet uiteen dat een passende schadevergoeding hierin zou bestaan, dat hij in dezelfde positie wordt gebracht als wanneer hij zijn produkten in de Republiek Ierland had verkocht. Op grond van een vergelijking tussen de prijzen die hij gedurende het tijdvak van 7 oktober 1974 tot 1 maart 1979 heeft ontvangen, en die welke hij gedurende hetzelfde tijdvak in Ierland had kunnen krijgen, schat hij zijn totale verlies op £ 9504, welk bedrag hij als schadevergoeding van de Gemeenschap vordert.

5. Het Hof heeft verzoeker aan het einde van de schriftelijke procedure gevraagd, nader uiteen te zetten waarom hij meent dat de omrekeningskoers van het Engelse pond op onjuiste wijze is vastgesteld ten opzichte van de waarde niet alleen van het Ierse pond, maar ook van de munteenheden van de andere Lid-Staten. Verzoeker heeft zich ertoe beperkt, de in zijn verzoekschrift voorgedragen stellingen te herhalen, en verklaard enkel een vergelijking te willen maken tussen het Engelse en het Ierse groene pond, omdat hij de voor het Ierse pond vastgestelde wisselkoers als meer „representatief voor de werkelijke monetaire verhoudingen beschouwt” dan de voor het Engelse pond vastgestelde koers, en omdat zijns inziens in dit geval de discriminatie het duidelijkst aan de dag treedt.

6. Het beroep brengt verscheidene regelgevende handelingen van de Raad in geding, die betrekking hebben op tamelijk fundamentele vragen van economisch en monetair beleid op landbouwgebied. De aansprakelijkheid van de Raad jegens verzoeker zou immers zijn gebaseerd op de keuzen die de Raad bij de vaststelling van de omrekeningskoers van het Engelse pond ten opzichte van de Europese rekeneenheid heeft gemaakt.

7. Om recht te doen aan deze vordering, dient te worden herinnerd aan de voorwaarden waaronder de Gemeenschap aansprakelijk kan worden gesteld krachtens artikel 215, tweede alinea. Zoals het Hof reeds heeft overwogen in zijn arrest van 2 juli 1974 (Holtz en Willemsen, zaak 153/73, Jurispr. 1974, blz. 675), moet voor de aansprakelijkstelling van de Gemeenschap een aantal voorwaarden zijn vervuld betreffende de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade.

8. Het is in het licht van deze criteria dat de gegrondheid van het beroep moet worden onderzocht. Verzoeker heeft zich voornamelijk beijverd om, gelet op het bepaalde bij artikel 40, lid 2, van het Verdrag, de onwettigheid aan te tonen van 's Raads verordeningen betreffende de vaststelling van de omrekeningskoers van het Engelse pond in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Alvorens echter op deze argumenten in te gaan, dient men zich af te vragen of verzoeker voorshands aannemelijk heeft weten te maken dat hij werkelijk de schade heeft geleden waarvan hij de vergoeding vordert.

9. Om te bewijzen dat hij de beweerde schade daadwerkelijk heeft geleden, heeft verzoeker voor het Hof statistieken overgelegd waaruit de relatieve ontwikkeling van de verkoopprijzen van runderen in de verschillende Lid-Staten moet blijken; daarbij maakt hij, volgens een eigen systeem, gebruik zowel van de monetaire wisselkoersen als van de bij de bestreden verordeningen vastgestelde landbouwkoersen. Hij erkent zelf, dat deze berekeningen slechts illustratieve waarde hebben, aangezien het bewijs van de realiteit en de omvang van de gestelde schade uiteindelijk enkel steunt op de verhouding tussen het prijsniveau in het Verenigd Koninkrijk en dat in Ierland. Deze poging tot bewijsvoering kan om twee redenen niet overtuigen.

10. In de eerste plaats miskent verzoeker het rechtskarakter van de in het kader van de gemeenschappelijke ordening der rundvleesmarkten vastgestelde prijzen. Hij zou zich alleen op het bestaan van schade kunnen beroepen, indien de vaststelling van bepaalde prijsniveaus in het kader van de gemeenschappelijke marktordening tot gevolg had dat de producenten een recht op afzet van hun produkten tegen gegarandeerde prijzen werd toegekend. Alleen in dat geval immers zou een producent het bestaan van een schade kunnen aanvoeren, waarvan de omvang ware af te leiden uit de hoogte van een in het kader van de gemeenschappelijke marktordening vastgestelde prijs en de hoogte van de prijs tot stand gekomen ten gevolge van de monetaire maatregelen van de Raad. Zo werkt het door de geldende regeling ingevoerde prijsstelsel echter niet. Deze prijzen dienen enderzijds voor de tenuitvoerlegging van de verschillende interventiemaatregelen op de markt, en anderzijds voor de aanpassing van het peil van de in het handelsverkeer met derde landen toe te passen heffingen en restituties. Met behulp van deze mechanismen garandeert de gemeenschappelijke marktordening de producenten van de Gemeenschap een prijsniveau dat veel hoger ligt dan dat op de wereldmarkt. Weliswaar worden de door de individuele producenten ontvangen prijzen indirect bepaald door het samenspel van de interventievoorzieningen en de regeling van het externe handelsverkeer van de Gemeenschap, doch daarom kan men nog niet zeggen dat dit prijsstelsel de individuele producenten de garantie biedt dat zij hun produkten precies tegen de door de gemeenschapsregeling vastgestelde prijs kunnen afzetten. Hieruit volgt dat deze in rekeneenheden uitgedrukte prijs geen grootheid vormt die als vergelijkingsgrondslag zou kunnen dienen met de door een producent op de markt verkregen prijs, teneinde aldus het bestaan van schade aan te tonen.

11. Daarenboven moet worden opgemerkt, dat verzoekers bewijsvoering om aan te tonen dat hij werkelijk schade heeft geleden, op een fictieve vergelijking is gebaseerd. Hij vraagt immers, in dezelfde positie te worden gebracht als wanneer hij zijn produkten op de Ierse markt zou hebben verkocht. Het is echter een feit dat hij zijn werkzaamheid als veefokker in het Verenigd Koninkrijk uitoefent en dat hij zijn produkten op de markt van dat land heeft verkocht. Had hij zijn produkten op de Ierse markt verkocht, dan zou hij bij invoer in Ierland compenserende bedragen hebben moeten betalen, zodat de door hem ontvangen prijs in beginsel niet zou hebben verschild van die welke hij heeft verkregen bij de verkoop van zijn produkten op de markt van het Verenigd Koninkrijk. Zo hij in Ierland had gewoond, zou zijn produktie afhankelijk zijn geweest van de in die staat heersende economische omstandigheden.

12. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker niet erin is geslaagd het bestaan van de schade die hij zegt te hebben geleden, te bewijzen. Dit volstaat om zijn beroep te verwerpen, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de vraag betreffende de rechtmatigheid van de door verzoeker bestreden monetaire maatregelen.

#### Kosten

13. Luidens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen.

14. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende,

1\. Verwerpt het beroep.

2\. Verwijst verzoeker in de kosten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

4

EEG-Verdrag art. 40 8 voorkomens

EEG-Verdrag art. 215 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 39 1 voorkomen

verordening 2498/74 art. 1 1 voorkomen

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Hof van Justitie 253/84 15.01.1987

#### [EEG-Verdrag art. 178 en art. 215](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-253-84-arrest)
