Arrest van het Hof van 13 december 2001, C-481/99 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Zesde kamer C-481/99 ECLI:EU:C:2001:684 13 december 2001

Zoeken

Arrest van het Hof van 13 december 2001, C-481/99Consumentenbescherming, huis-aan-huisverkoop, recht van opzegging, kredietovereenkomst gewaarborgd door zakelijke zekerheid

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-481-99-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Zesde kamer
Zaak
C-481/99
ECLI
ECLI:EU:C:2001:684
Datum
13 december 2001

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof (Duitsland) XI ZR 91/99
Zaak ingediend op
20 december 1999
Advocaat-generaal
Léger
Opmerkingen
Duitse, Spaanse, Franse, Italiaanse, Oostenrijkse regering Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Bundesgerichtshof beslissing van 9 april 2002 XI ZR 91/99 ; Oberlandesgericht München beslissing van 29 juli 2002

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 2001, blz. I-9945
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Gulmann
Repertorium van het Hof

Tekst

59 paragrafen

Arrest

1.

Bij beschikking van 29 november 1999, ingekomen bij het Hof op 20 december daaraanvolgend, heeft het Bundesgerichtshof krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB L 372, blz. 31; hierna: „richtlijn huis-aanhuisverkoop”), en van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48), zoals gewijzigd bij richtlijn 90/88/EEG van de Raad van 22 februari 1990 (PB L 61, blz. 14; hierna: „richtlijn consumentenkrediet”).

2.

Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de echtgenoten Heininger en de Bayerische Hypo- und Vereinsbank AG (hierna: „bank”) over de opzegging van een door een zakelijke zekerheid gewaarborgde kredietovereenkomst.

Het gemeenschapsrecht

3.

Artikel 1, lid 1, van de richtlijn huis-aanhuisverkoop bepaalt:

„Deze richtlijn is van toepassing op overeenkomsten die tussen een handelaar die goederen levert of diensten verricht, en een consument worden gesloten:

—tijdens een door de handelaar buiten zijn verkoopruimten georganiseerde excursie,

ofwel

—tijdens een bezoek van de handelaar:

i)ten huize van deze consument of van een andere consument;

[...]

indien het bezoek niet op uitdrukkelijk verzoek van de consument plaatsvindt.”

4.

Artikel 3, lid 2, sub a, van deze richtlijn bepaalt:

„Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)overeenkomsten betreffende de bouw, de verkoop en de verhuur van onroerend goed, alsmede overeenkomsten betreffende andere rechten op onroerend goed.

[...]”

5.

Artikel 4 van deze richtlijn luidt als volgt:

„De handelaar is verplicht de consument, in het geval van transacties als bedoeld in artikel 1, schriftelijk mededeling te doen van het feit dat hij het recht heeft de overeenkomst binnen de in artikel 5 gestelde termijnen op te zeggen, alsmede van de naam en het adres van degene tegen wie dit recht kan worden uitgeoefend.

[...]

De lidstaten zien erop toe dat in hun nationale wetgeving passende bepalingen zijn opgenomen ter bescherming van de consument indien de in dit artikel bedoelde mededeling niet wordt gedaan.”

6.

Volgens artikel 5, lid 1, van deze richtlijn heeft de consument „het recht om, door middel van een kennisgeving binnen een termijn van ten minste zeven dagen na het tijdstip waarop de consument de in artikel 4 bedoelde informatie heeft ontvangen, op de door de nationale wetgeving voorgeschreven wijze en voorwaarden, afstand te doen van de gevolgen van zijn verbintenis”.

7.

Artikel 8 van deze richtlijn bepaalt dat deze „niet belet dat de lidstaten gunstiger bepalingen vaststellen of handhaven met het oog op de bescherming van de consument op het gebied dat door deze richtlijn wordt bestreken”.

8.

Artikel 1, lid 1 en lid 2, sub c, van de richtlijn consumentenkrediet bepaalt:

1.„ Deze richtlijn is van toepassing op kredietovereenkomsten.

2.In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

c)‚kredietovereenkomst’ een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent of toezegt.

[...]”

9.

Artikel 2 van deze richtlijn luidt als volgt:

1.„ Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)kredietovereenkomsten of krediettoezeggingen:

—die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de verwerving of het behoud van eigendomsrechten op grond of een bestaand of nog op te trekken gebouw;

[...]

[...]

3.De bepalingen van artikel Ibis en van de artikelen 4 tot en met 12 zijn niet van toepassing op kredietovereenkomsten of krediettoezeggingen die worden gedekt door een hypotheek op onroerend goed, voorzover deze niet reeds krachtens lid 1, onder a, van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten.

[...]”

10.

Volgens artikel 15 van deze richtlijn „belet deze de lidstaten niet om, met inachtneming van hun verplichtingen voortvloeiend uit het Verdrag, verderreikende voorschriften ter bescherming van de consument te handhaven of aan te nemen”.

Het nationale recht

11.

In § 1 van het Gesetz über den Widerruf von Haustürgeschäften und ähnlichen Geschäften van 16 januari 1986 (BGBl. I, blz. 122; hierna: „HWiG”) wordt de consument een intrekkingsrecht toegekend, zodat een buiten de verkoopruimten van de handelaar gesloten overeenkomst pas tot stand komt wanneer de consument zijn wilsverklaring niet binnen een termijn van een week schriftelijk heeft ingetrokken. Volgens § 2, lid 1, HWiG gaat die termijn pas in op het tijdstip waarop de consument een schriftelijke mededeling heeft ontvangen die aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Zonder een dergelijke mededeling vervalt het intrekkingsrecht van de consument pas één maand nadat beide partijen hun prestatie volledig hebben verricht.

12.

In § 5, lid 2, HWiG, dat een uitzondering op de werkingssfeer van deze wet bevat, is bepaald dat wanneer een transactie in de zin van § 1, lid 1, HWiG ook valt onder het Verbraucherkreditgesetz van 17 december 1990 (BGBl. I, blz. 2840; hierna: „VerbrKrG”), enkel de bepalingen van deze laatste wet moeten worden toegepast.

13.

In § 1 VerbrKrG wordt de werkingssfeer van deze wet gedefinieerd als volgt:

1)„ Deze wet is van toepassing op kredietovereenkomsten en kredietbemiddelingsovereenkomsten tussen een persoon die in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep krediet verleent (kredietgever) of krediet bemiddelt of toezegt (kredietbemiddelaar), en een natuurlijk persoon, tenzij dit krediet volgens de bepalingen van de overeenkomst bestemd is voor een door hem reeds uitgeoefend bedrijf of beroep (consument).

2)De kredietovereenkomst is een overeenkomst waarbij een kredietgever onder bezwarende titel aan een consument in de vorm van een lening, van uitstel van betaling of van een financieringsregeling, krediet verleent of toezegt.

[...]”

14.

§ 3, lid 2, VerbrKrG, dat in een aantal uitzonderingen op de toepassing van deze wet voorziet, bepaalt:

„Verder zijn niet van toepassing

[...]

2.§ 4, lid 1, vierde zin, punt 1, sub b, en de §§ 7, 9 en 11 tot en met 13 op kredietovereenkomsten waarbij het krediet van het stellen van een zakelijke zekerheid afhankelijk wordt gemaakt en onder de gebruikelijke voorwaarden van door zakelijke zekerheden gewaarborgde kredieten en van de tussenfinanciering daarvan wordt verleend [...]”

15.

Volgens § 7 VerbrKrG heeft de consument een recht op intrekking van zijn wilsverklaring; zij luidt als volgt:

1)„ De wilsverklaring van de consument die is gericht op het sluiten van een kredietovereenkomst, verkrijgt haar werking eerst wanneer hij deze niet binnen een termijn van een week heeft ingetrokken.

2)Voor de inachtneming van de termijn volstaat het, dat de intrekking tijdig wordt verstuurd. Die termijn gaat eerst in op het tijdstip waarop de consument een druktechnisch duidelijk opgestelde, door de consument te ondertekenen mededeling heeft ontvangen omtrent de bepaling van de eerste zin van deze paragraaf, zijn recht op intrekking, het tenietgaan van dit recht overeenkomstig lid 3, alsmede de naam en het adres van de persoon aan wie de kennisgeving van de intrekking moet worden verstuurd. Ontvangt de consument niet de in de tweede zin van deze paragraaf bedoelde mededeling, dan vervalt het recht op intrekking pas nadat beide partijen hun prestatie volledig hebben verricht, doch uiterlijk één jaar nadat de consument zijn op het sluiten van de kredietovereenkomst gerichte wilsverklaring heeft gedaan.”

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

16.

Voor de financiering van de aankoop van een appartement zijn de echtgenoten Heininger bij de bank een lening ten belope van 150000 DEM aangegaan bij overeenkomst van 28 april en 7 mei 1993 (hierna: „leningsovereenkomst”). De lening werd door een Grundschuld (zakelijke zekerheid) ten belope van hetzelfde bedrag gewaarborgd.

17.

Bij in januari 1998 ingestelde vordering hebben de echtgenoten Heininger hun op het sluiten van de leningsovereenkomst gerichte wilsverklaring overeenkomstig § 1 HWiG ingetrokken. Zij beweren dat een hun bekende zelfstandige makelaar die ook voor de bank werkt, hen verschillende keren thuis heeft bezocht, zonder dat zij hem hierom hadden verzocht. Volgens hen heeft deze makelaar hen overgehaald om het betrokken appartement te kopen en de leningsovereenkomst te sluiten, zonder hen te informeren over het intrekkingsrecht.

18.

De echtgenoten Heininger vorderen van de bank terugbetaling van het kapitaal en interesten die zijn betaald, en van de met de uitvoering van de leningsovereenkomst samenhangende kosten: in totaal 118443,81 DEM. Voorts vorderen zij dat voor recht wordt verklaard dat de bank aan de leningsovereenkomst geen aanspraken kan ontlenen.

19.

Op 26 mei 1998 heeft het Landgericht München (Duitsland) de vordering van de echtgenoten Heininger afgewezen. Op 1 februari 1999 heeft het Oberlandesgericht München (Duitsland) het hoger beroep tegen dit vonnis afgewezen. Vervolgens hebben de echtgenoten Heininger bij het Bundesgerichtshof „Revision” ingesteld.

20.

In zijn verwijzingsbeschikking acht het Bundesgerichtshof het voor de uitspraak in het geding van wezenlijk belang te weten of een intrekkingsrecht als bedoeld in § 1 HWiG, uitgesloten is op grond dat het VerbrKrG, dat van toepassing is op kredietovereenkomsten waarbij tegen een zakelijke zekerheid een lening wordt verstrekt (hierna: „overeenkomst betreffende zakelijk krediet”), voorrang heeft boven de regeling van het HWiG. Het antwoord op deze vraag hangt af van het antwoord op de vraag of de richtlijn huis-aanhuisverkoop ook voor een overeenkomst betreffende zakelijk krediet geldt en of deze richtlijn, wat het in artikel 5 bedoelde recht van opzegging betreft, voorrang heeft boven de richtlijn consumentenkrediet.

21.

Om te beginnen meent het Bundesgerichtshof dat de echtgenoten Heininger geen intrekkingsrecht krachtens § 7 VerbrKrG hebben, aangezien deze paragraaf volgens § 3, lid 2, punt 2, van deze wet niet van toepassing is op overeenkomsten betreffende zakelijk krediet. Voorts meent het dat een intrekkingsrecht krachtens § 1 HWiG principieel uitgesloten is, aangezien § 5, lid 2, van deze wet bepaalt, dat wanneer een transactie in de zin van § 1, lid 1, daarvan onder toepassing van het VerbrKrG valt, wat in casu het geval is, enkel de bepalingen van het VerbrKrG van toepassing zijn.

22.

Het Bundesgerichtshof meent dat uit het gemeenschapsrecht inzake de consumentenbescherming geen andere uitlegging van § 5, lid 2, HWiG volgt, maar het vraagt het Hof om een uitspraak hierover, aangezien twijfel mogelijk is.

23.

Indien de echtgenoten Heininger op grond van de richtlijn huis-aanhuisverkoop een intrekkingsrecht hebben, hangt volgens de verwijzende rechter de uitspraak in het geding af van de vraag of dit recht overeenkomstig § 7, lid 2, derde zin, VerbrKrG één jaar na de op het sluiten van een overeenkomst betreffende zakelijk krediet gerichte wilsverklaring van de consument vervalt, dan wel of de bepalingen van het HWiG moeten worden toegepast, die overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de richtlijn huis-aanhuisverkoop dit recht bij het uitblijven van de vereiste mededeling niet in de tijd beperken.

24.

Gelet op een en ander heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1)„ Is richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten [...] ook van toepassing op overeenkomsten betreffende zakelijk krediet (§ 3, lid 2, sub 2, van het Verbraucherkreditgesetz) en heeft zij, wat het in artikel 5 bedoelde opzeggingsrecht betreft, voorrang boven richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet [...]?

2)Indien het Hof deze vraag bevestigend beantwoordt, verzet deze richtlijn zich er dan tegen, dat de nationale wetgever de in § 7, lid 2, derde zin, van het Verbraucherkreditgesetz geregelde termijn voor de uitoefening van het intrekkingsrecht ook toepast, wanneer een huis-aanhuisverkoop de verlening van een zakelijk krediet in de zin van § 3, lid 2, sub 2, van het Verbraucherkreditgesetz tot voorwerp had en de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde mededeling is uitgebleven?”

De eerste vraag

25.

Aangezien de bank in haar opmerkingen stelt dat de overeenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn huis-aanhuisverkoop valt, zoals gedefinieerd in artikel 1 daarvan, dient om te beginnen te worden beklemtoond dat de door het Bundesgerichtshof aan het Hof voorgelegde vraag ervan uitgaat dat de overeenkomst betreffende zakelijk krediet tussen de echtgenoten Heininger en de bank is gesloten in de omstandigheden bedoeld in artikel 1 van deze richtlijn.

26.

De eerste vraag dient derhalve op basis van dit uitgangspunt te worden beantwoord. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de richtlijn huis-aanhuisverkoop aldus moet worden uitgelegd, dat zij van toepassing is op een overeenkomst betreffende zakelijk krediet als bedoeld in het hoofdgeding, zodat de consument die een dergelijke overeenkomst in één van de in artikel 1 van de richtlijn bedoelde gevallen heeft gesloten, het bij artikel 5 daarvan ingevoerde recht van opzegging heeft.

27.

De richtlijn huis-aanhuisverkoop is volgens artikel 1 daarvan in beginsel van toepassing op elke overeenkomst die is gesloten in één van de in dit artikel bedoelde gevallen, in het bijzonder tijdens een bezoek van de handelaar ten huize van de consument. Voorts staat in de vierde en de vijfde overweging van de considerans te lezen:

„[...] dat overeenkomsten die buiten de verkoopruimten van de handelaar worden gesloten, worden gekenmerkt door het feit dat het initiatief tot de besprekingen in de regel van de handelaar uitgaat en de consument zich op generlei wijze op deze besprekingen heeft voorbereid en wordt overvallen; dat de consument dikwijls niet in staat is kwaliteit en prijs van het aanbod met andere aanbiedingen te vergelijken; dat dit verrassingselement niet alleen bestaat bij via huis-aanhuisverkoop gesloten overeenkomsten, doch ook bij andere typen van overeenkomsten waartoe de handelaar buiten zijn verkoopruimten het initiatief neemt;

[...] dat aan de consument een recht moet worden verleend tot opzegging van de overeenkomst binnen een termijn van ten minste zeven dagen, ten einde hem in staat te stellen zich te beraden over de verplichtingen die voor hem uit de overeenkomst voortvloeien”.

28.

Verder somt artikel 3 van de richtlijn huis-aanhuisverkoop op limitatieve wijze een aantal typen van overeenkomsten op waarop de richtlijn niet van toepassing is.

29.

In de zaak in het hoofdgeding rijst de vraag of een overeenkomst betreffende zakelijk krediet als bedoeld in het hoofdgeding, valt onder artikel 3, lid 2, sub a, van de richtlijn huis-aanhuisverkoop, die „overeenkomsten betreffende de bouw, de verkoop en de verhuur van onroerend goed, alsmede overeenkomsten betreffende andere rechten op onroerend goed” van de werkingssfeer van de richtlijn uitsluit.

30.

Volgens de echtgenoten Heininger, de Franse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering en de Commissie is de hierboven vermelde bepaling niet van toepassing op overeenkomsten betreffende zakelijk krediet; de bank en de Duitse en de Spaanse regering betogen in wezen dat een overeenkomst betreffende zakelijk krediet als een overeenkomst betreffende andere rechten op onroerend goed moet worden aangemerkt, aangezien met deze overeenkomst een zakelijk recht wordt gevestigd op het onroerend goed dat de grondslag vormt voor de zekerheid die het krediet waarborgt.

31.

In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt, dat het vaste rechtspraak is dat afwijkingen van de gemeenschapsregels inzake consumentenbescherming eng dienen te worden uitgelegd (zie met name arrest van 10 mei 2001, Veedfald, C-203/99, Jurispr. blz. I-3569, punt 15).

32.

In de tweede plaats houdt een overeenkomst betreffende zakelijk krediet, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, weliswaar verband met een recht op een onroerend goed, voorzover de verstrekte lening door een zakelijke zekerheid moet worden gewaarborgd, doch dit aspect van de overeenkomst volstaat niet om deze als een overeenkomst betreffende onroerende goederen in de zin van artikel 3, lid 2, sub a, van de richtlijn huis-aanhuisverkoop aan te merken.

33.

Zowel voor de consumenten, wier bescherming door de richtlijn huis-aanhuisverkoop wordt beoogd, als voor de kredietgevers is het voorwerp van een kredietovereenkomst als bedoeld in het hoofdgeding, dat in ruil voor de verplichting tot terugbetaling en de betaling van interesten kapitaal ter beschikking wordt gesteld.

34.

Het feit dat de kredietovereenkomst door een zakelijke zekerheid wordt gewaarborgd, maakt de bescherming van de consument die een dergelijke overeenkomst buiten de verkoopruimten van de handelaar heeft gesloten, niet minder noodzakelijk.

35.

Ten overvloede zij nog opgemerkt dat zo een kredietovereenkomst als bedoeld in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, de gevolgen van een eventuele opzegging van deze overeenkomst in overeenstemming met de regels van de richtlijn voor de overeenkomst tot aankoop van het onroerend goed en het stellen van de zakelijke zekerheid door het nationale recht worden geregeld.

36.

Ten slotte moet worden onderzocht of de richtlijn consumentenkrediet, die na de richtlijn huis-aanhuisverkoop is vastgesteld, de werkingssfeer van deze laatste richtlijn, wat de overeenkomsten betreffende zakelijk krediet betreft, heeft beperkt.

37.

Volgens de Duitse regering heeft de richtlijn consumentenkrediet op grond van het beginsel „lex specialis derogat legi generali” voorrang boven de richtlijn huis-aanhuisverkoop. Uit het feit dat de richtlijn consumentenkrediet enkel aanbeveelt dat voor kredietovereenkomsten een recht op opzegging wordt ingevoerd, doch anders dan de richtlijn huis-aanhuisverkoop ter zake geen verplichting bevat, blijkt volgens haar dat de richtlijn consumentenkrediet met betrekking tot overeenkomsten betreffende zakelijk krediet een meer specifieke gemeenschapsrechtelijke handeling is. Aldus is er bij de vaststelling van de richtlijn consumentenkrediet rekening mee gehouden, dat de invoering van een recht op opzegging voor bepaalde kredietovereenkomsten, en in het bijzonder overeenkomsten van zakelijk krediet, problematisch zou kunnen blijken.

38.

In dit verband volstaat het erop te wijzen dat de richtlijn huis-aanhuisverkoop, zoals zojuist verklaard, de consument beoogt te beschermen tegen het risico dat voortvloeit uit de specifieke omstandigheid dat een overeenkomst buiten de verkoopruimten van de handelaar wordt gesloten, en deze bescherming realiseert door een recht van opzegging in te voeren.

39.

De considerans noch de bepalingen van de richtlijn consumentenkrediet bevatten aanknopingspunten die de conclusie rechtvaardigen dat de gemeenschapswetgever door de vaststelling van deze richtlijn de werkingssfeer van de richtlijn huis-aanhuisverkoop zodanig heeft willen beperken, dat de specifieke bescherming van deze laatste richtlijn niet geldt voor overeenkomsten van zakelijk krediet.

40.

Derhalve dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de richtlijn huis-aanhuisverkoop aldus moet worden uitgelegd, dat zij van toepassing is op een overeenkomst betreffende zakelijk krediet als bedoeld in het hoofdgeding, zodat de consument die een dergelijke overeenkomst in één van de in artikel 1 van de richtlijn bedoelde gevallen heeft gesloten, het bij artikel 5 van de richtlijn ingevoerde recht van opzegging heeft.

De tweede vraag

41.

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de richtlijn huis-aanhuisverkoop er zich tegen verzet dat de nationale wetgever voor de uitoefening van het bij artikel 5 van deze richtlijn ingevoerde recht van opzegging een termijn van één jaar te rekenen vanaf het sluiten van de overeenkomst toepast, wanneer de consument niet de in artikel 4 van deze richtlijn voorgeschreven informatie heeft ontvangen.

42.

De echtgenoten Heininger, de Franse regering en de Commissie betogen dat wanneer geen informatie over het recht van opzegging is verstrekt, de richtlijn huis-aanhuisverkoop de uitoefening van dit recht niet in de tijd beperkt. Volgens hen verzet artikel 5 van deze richtlijn zich tegen een nationale maatregel die de termijn voor de uitoefening van het recht van opzegging door een consument die niet over dit recht is geïnformeerd, beperkt tot één jaar te rekenen vanaf het sluiten van de overeenkomst. De in deze bepaling voorgeschreven minimumtermijn van zeven dagen voor de opzegging moet worden berekend vanaf het tijdstip waarop de consument schriftelijk van dit recht in kennis is gesteld.

43.

Volgens de bank en de Duitse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering mag de nationale wetgever, gelet op artikel 4 van de richtlijn huis-aanhuisverkoop, volgens hetwelk de lidstaten erop toezien dat in hun nationale wetgeving passende bepalingen zijn opgenomen ter bescherming van de consument aan wie niet is meegedeeld dat hij het recht heeft de overeenkomst op te zeggen, de termijn voor de uitoefening van dit recht, bedoeld in artikel 5 van deze richtlijn, tot één jaar beperken. Daarenboven gebiedt het rechtszekerheidsbeginsel dat voor de uitoefening van dit recht een termijn wordt bepaald, zelfs indien deze richtlijn niet uitdrukkelijk in een beperking in de tijd voorziet.

44.

Artikel 4, eerste alinea, van de richtlijn huis-aanhuisverkoop bepaalt dat „de handelaar verplicht is de consument [...] schriftelijk mededeling te doen van het feit dat hij het recht heeft de overeenkomst binnen de in artikel 5 gestelde termijnen op te zeggen”; artikel 4, derde alinea, bepaalt dat „de lidstaten erop toezien dat in hun nationale wetgeving passende bepalingen zijn opgenomen ter bescherming van de consument indien de in dit artikel bedoelde mededeling niet wordt gedaan”. Artikel 5, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dat „de consument het recht heeft om, door middel van een kennisgeving binnen een termijn van ten minste zeven dagen vanaf het tijdstip waarop de consument de in artikel 4 bedoelde informatie heeft ontvangen, op de door de nationale wetgeving voorgeschreven wijze en voorwaarden, afstand te doen van de gevolgen van zijn verbintenis”.

45.

Aldus bepaalt de richtlijn huis-aanhuisverkoop uitdrukkelijk dat de minimumtermijn van zeven dagen voor de opzegging moet worden berekend vanaf „het tijdstip waarop de consument de informatie over zijn recht van opzegging heeft ontvangen”, en dat het de handelaar is die deze informatie moet geven. Deze bepalingen zijn ingegeven door de overweging dat een consument die niet van zijn recht van opzegging op de hoogte is, dit recht onmogelijk kan uitoefenen.

46.

Gelet op de formulering en de doelstelling van artikel 5 van de richtlijn huis-aanhuisverkoop, kan artikel 4, derde alinea, van deze richtlijn niet aldus worden uitgelegd dat de nationale wetgever op basis van dit artikel mag bepalen dat de consument zijn recht van opzegging in ieder geval binnen een termijn van één jaar moet uitoefenen, ook al heeft de handelaar de consument niet van het bestaan van dit recht in kennis gesteld.

47.

Het argument dat de termijn voor de uitoefening van het recht van opzegging moet worden beperkt om redenen van rechtszekerheid, moet worden afgewezen omdat dergelijke redenen niet kunnen gelden voorzover als gevolg hiervan rechten worden beperkt die door de richtlijn huis-aanhuisverkoop uitdrukkelijk aan de consument worden toegekend om hem te beschermen tegen het risico dat voortvloeit uit het feit dat de kredietinstellingen hebben besloten buiten hun verkoopruimten overeenkomsten betreffende zakelijk krediet te sluiten. Indien deze instellingen dit soort methoden kiezen om hun diensten aan de man te brengen, kunnen zij zonder problemen zowel de belangen van de consument als hun eigen rechtszekerheid beschermen door te voldoen aan hun verplichting om de consument te informeren.

48.

Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de richtlijn huis-aanhuisverkoop er zich tegen verzet dat de nationale wetgever voor de uitoefening van het bij artikel 5 van deze richtlijn ingevoerde recht van opzegging een termijn van één jaar te rekenen vanaf het sluiten van de overeenkomst toepast, wanneer de consument niet de in artikel 4 van deze richtlijn voorgeschreven informatie heeft ontvangen.

De werking in de tijd van het onderhavige arrest

49.

In haar opmerkingen heeft de bank gewezen op de mogelijkheid voor het Hof om, zo het de Duitse wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, met het gemeenschapsrecht onverenigbaar verklaart, de werking van het onderhavige arrest in de tijd te beperken.

50.

Tot staving van dit verzoek betoogt de bank met name dat de toepassing van het recht van opzegging als bedoeld in de richtlijn huis-aanhuisverkoop, op overeenkomsten betreffende zakelijk krediet een aanzienlijk financieel risico voor de kredietinstellingen meebrengt.

51.

De uitlegging die het Hof aan een voorschrift van gemeenschapsrecht geeft, blijft beperkt tot het verklaren en preciseren van de betekenis en de strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding had moeten worden verstaan en toegepast (arrest van 24 september 1998, Commissie/Frankrijk, C-35/97, Jurispr. blz. I-5325, punt 46).

52.

Overeenkomstig vaste rechtspraak, volgens welke het Hof, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, bij wijze van uitzondering en gelet op de ernstige verstoringen die zijn arrest zou kunnen meebrengen voor rechtsbetrekkingen die in het verleden te goeder trouw tot stand zijn gekomen, voor alle betrokkenen de mogelijkheid kan beperken om met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling die rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen, heeft het Hof getoetst of is voldaan aan de twee criteria die essentieel zijn om tot een dergelijke beperking te kunnen besluiten, te weten de goede trouw van de belanghebbende kringen en het aanzienlijk financieel risico (zie in die zin arrest van 28 september 1994, Fisscher, C-128/93, Jurispr. blz. I-4583, punt 18).

53.

In dit verband volstaat de vaststelling dat de bank geen enkel specifiek bewijs aanvoert tot staving van haar argument dat het onderhavige arrest indien de werking ervan niet in de tijd wordt beperkt, voor de kredietinstellingen die in de in artikel 1 van de richtlijn huis-aanhuisverkoop bedoelde omstandigheden overeenkomsten betreffende zakelijk krediet hebben gesloten, aanzienlijke financiële gevolgen teweeg kan brengen.

54.

Bijgevolg behoeft de werking van het onderhavige arrest niet in de tijd te worden beperkt.

Kosten

55.

De kosten door de Duitse, de Spaanse, de Franse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering alsmede de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Bundesgerichtshof bij beschikking van 29 november 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, moet aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is op een kredietovereenkomst waarbij een lening wordt toegekend onder voorwaarde dat een zakelijke zekerheid wordt gesteld, als bedoeld in het hoofdgeding, zodat de consument die een dergelijke overeenkomst in één van de in artikel 1 van deze richtlijn bedoelde gevallen heeft gesloten, het bij artikel 5 van de richtlijn ingevoerde recht van opzegging heeft.

2) Richtlijn 85/577 verzet er zich tegen dat de nationale wetgever voor de uitoefening van het bij artikel 5 van deze richtlijn ingevoerde recht van opzegging een termijn van één jaar te rekenen vanaf het sluiten van de overeenkomst toepast, wanneer de consument niet de in artikel 4 van deze richtlijn voorgeschreven informatie heeft ontvangen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

12
richtlijn 85/577 art. 512 voorkomens
richtlijn 85/577 art. 18 voorkomens
richtlijn 85/577 art. 47 voorkomens
richtlijn 85/577 art. 34 voorkomens
EG-Verdrag art. 2341 voorkomen
richtlijn 85/577 art. 81 voorkomen
richtlijn 87/102 art. 11 voorkomen
richtlijn 87/102 art. 151 voorkomen
richtlijn 87/102 art. 21 voorkomen
richtlijn 87/102 art. 41 voorkomen

Rechtspraak

5

Europese Unie

5

Hof van JustitieC-209/1219.12.2013

Direct levensverzekeringsbedrijf

Hof van JustitieC-166/1101.03.2012

Bescherming van consument

Hof van JustitieC-215/0815.04.2010

Consumentenbescherming

Bekijk alle 5

Bekijk de 5 documenten

Rechtsleer

47
Van den Haute, Eric: Droit de rétractation du consommateur et services financiers: quel sort réserver aux contrats de crédit foncier?, Euredia 2001-02 p.487-498 (FR)
Hoffmann, Jochen: Realkredite im Europäischen Verbraucherschutzrecht, Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2002 p.145-152 (DE)
Palmieri, A.: Il Foro italiano 2002 IV Col.57-60 (IT)
Westermann, Harm Peter: Gesellschaftsbeitritt als Verbraucherkreditgeschäft?, Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2002 p.189-200 (DE)
Felke, Klaus: Widerrufsrecht für als Haustürgeschäft geschlossene Realkreditverträge, Monatsschrift für deutsches Recht 2002 p.225-228 (DE)
Bekijk de 42 andere verwijzingen
Reich, Norbert ; Rörig, Ursula: EuGH: Realkreditvertrag als Haustürgeschäft widerrufbar, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2002 p.87-89 (DE)
Rott, Peter: "Heininger" und die Folgen für das Widerrufsrecht, Verbraucher und Recht 2002 p.49-55 (DE)
Strube, Hartmut: Die Auswirkungen des Urteils des EuGH vom 13.12.2001, Rs. C-481/99 (Heininger/Bayerische Hypo- und Vereinsbank AG), Verbraucher und Recht 2002 p.55-57 (DE)
Habersack, Mathias ; Mayer, Christian: Der Widerruf von Haustürgeschäften nach der "Heininger"-Entscheidung des EuGH, Wertpapier-Mitteilungen 2002 p.253-259 (DE)
Sauer, Stefan: Verbraucher verfügt auch bei grundpfandrechtlich gesichertem Realkredit über ein Widerrufsrecht, Betriebs-Berater 2002 p.431-432 (DE)
Reiter, Julius F. ; Methner, Olaf: Anwendbarkeit des Haustürwiderrufsgesetzes auf Kreditverträge - Stärkung des Verbraucherschutzes oder Rechtstheorie?, Reise-Recht aktuell 2002 p.90-93 (DE)
Piekenbrock, Andreas ; Schulze, Götz: Die Grenzen richtlinienkonformer Auslegung - autonomes Richterrecht oder horizontale Direktwirkung, Wertpapier-Mitteilungen 2002 p.521-529 (DE)
Hochleitner, Wolf-Dieter ; Wolf, Manfred ; Großerichter, Helge: Teleologische Reduktion auf Null? - Zur Unzulässigkeit einer richtlinienkonformen "Auslgegung" des Par. 5 Abs. 2 HWiG in der Folge der "Heininger"-Entscheidung des EuGH -, Wertpapier-Mitteilungen 2002 p.529-535 (DE)
Fischer, Nikolaj: Die Gemeinschaftsrechtswidrigkeit der Befristung des Widerrufsrechts gemäß § 355 Abs. 3 Satz 1 BGB bei "Haustürgeschäften", Der Betrieb 2002 p.727-731 (DE)
Loßack, Dieter: Il y a des juges à l'Europe! - Anmerkung zur EuGH-Entscheidung zur EU-Haustürgeschäfterichtlinie, Reise-Recht aktuell 2002 p.124-128 (DE)
Schmidt-Räntsch, Jürgen: Gesetzliche Neuregelung des Widerrufsrechts bei Verbraucherverträgen, Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2002 p.1100-1108 (DE)
Pfeiffer, Thomas: Heininger und die schnellen Folgen, Neue juristische Wochenschrift 2002 p.III (DE)
Meinhof, Alexander: Neuerungen im modernisierten Verbrauchervertragsrecht durch das OLG-Vertretungsänderungsgesetz, Neue juristische Wochenschrift 2002 p.2273-2275 (DE)
Hök, Götz-Sebastian: Immobilienfinanzierung - Die europäische Entwicklung des Verbraucherschutzes bei der Vergabe wohnungswirtschaftlicher Darlehen, Monatsschrift für deutsches Recht 2002 p.925-928 (DE)
Bernardeau, Ludovic: Le droit de rétractation du consommateur un pas de plus vers une doctrine d'ensemble. A propos de l'arrêt CJCE, 13 décembre 2001, Heininger, aff. C-481/99, La Semaine juridique - édition générale 2002 I 168 (FR)
Savy, Daniela: L'incoerenza della Corte comunitaria penalizza il consumatore, Diritto pubblico comparato ed europeo 2002 p.875-879 (IT)
Koutsouflianioti, Athanasia: Elliniki Epitheorisi Evropaïkou Dikaiou 2002 p.151-154 (EL)
Rudisch, Bernhard: Das "Heininger"-Urteil des EuGH vom 13. 12. 2001, Rs C-481/99: Meilenstein oder Stolperstein für den Verbraucherschutz bei Realkrediten?, Verbraucherschutz in Europa : Festgabe für Heinrich Mayrhofer 2002 p.189-205 (DE)
Calliess, Gralf-Peter: The Limits of Eclecticism in Consumer Law: National Struggles and the Hope for a coherent European Contract Law. A Comment on the ECJ's and the FCJ's "Heininger"- decisions, German Law Journal 2002, Vol. 3, n° 8, p. 1-6 (EN)
Peters, Bernd ; Ivanova, Radostina: "Heininger" und die Personalkredite, Wertpapier-Mitteilungen 2003 p.55-59 (DE)
Reich, Norbert: Wie ist das vom EuGH bestätigte Widerrufsrecht von an der "Haustür" angebahnten Realkreditverträgen umzusetzen - oder: Schwierigkeiten im Umgang mit dem Europarecht, Verbraucher und Recht 2003 p.64-65 (DE)
Franzen, Martin: "Heininger" und die Folgen: ein Lehrstück zum Gemeinschaftsprivatrecht, Juristenzeitung 2003 p.321-332 (DE)
Nagy, Éva: A fogyasztói hitelszerzödés és a házaló kereskedelem viszonyának értelmezése : a "Heiniger"-ügy, Európai jog 2003 p.42-46 (HU)
D'Avis, Rita: Quo vadis? - Die Widerrufsbelehrung, Franchising im Wandel : Gedächtnisschrift für Walther Skaupy 2003 p.29-40 (DE)
Ujvári, Edit: A "Heininger-ügy" avagy a fogyasztói elállási jogokkal kapcsolatos problémák az európai és a német jogban, Magyar jog 2003 p.629-639 (HU)
Pallaro, Paolo: Note a margine di alcune recenti sentenze della Corte di giustizia su tutela dei consumatori e applicabilità di direttive non (correttamente) trasposte in controversie tra privati, Diritto comunitario e degli scambi internazionali 2003 p.35-59 (IT)
Schwintowski, Hans-Peter: Heininger und die Folgen, Bankrecht und Kapitalmarktrecht in der Entwicklung : Festschrift für Siegfried Kümpel zum 70. Geburtstag 2003 p.501-518 (DE)
Wildemann, Andree: "Heininger" und das vergessene FernUSG - Immer noch gemeinschaftswidrige Erlöschensfrist bei Haustürgeschäften nach der Änderung des BGB durch das OLG-Vertretungsänderungsgesetz, Verbraucher und Recht 2003 p.90-93 (DE)
Van Huffel, Michel: Droit de la consommation 2003 p.39-47 (FR)
Van Huffel, Michel: La condition procédurale des règles de protection des consommateurs: les enseignements des arrêts Océano, Heininger et Cofidis de la Cour de justice, Revue européenne de droit de la consommation 2003 p.79-105 (FR)
Basler, Mareen: Verbraucherschutz, Haustürgeschäft, Widerrufsrecht - Grundpfandrechtlich abgesicherter Kreditvertrag, UTB Recht und Wirtschaft ; 2618 ; Betriebs-Berater Studium 2004 p.65-92 (DE)
Stamm, Jürgen: Umfang und Grenzen der Gestaltungsspielräume von Gesetzgebung und Rechtsprechung bei der Umsetzung der Haustürgeschäfterichtlinie - Der Fall "Heininger" und die Folgerechtsprechung im Grenzbereich zwischen richtlinienkonformer Auslegung und Staatshaftung, Photocopies 2005 40 p. (DE)
Drexl, Josef: Die gemeinschaftsrechtliche Pflicht zur einheitlichen richtlinienkonformen Auslegung hybrider Rechtsnormen und deren Grenzen, Festschrift für Andreas Heldrich zum 70. Geburtstag 2005 p.67-86 (DE)
Herdegen, Matthias: Richtlinienkonforme Auslegung im Bankrecht: Schranken nach Europa- und Verfassungsrecht, Wertpapier-Mitteilungen 2005 p.1921-1932 (DE)
Reich, Norbert: Heininger und das Europäische Privatrecht, Zivilrecht im Sozialstaat : Festschrift für Professor Dr. Peter Derleder 2005 p.127-143 (DE)
Nettesheim, Martin: Ersatzansprüche nach "Heininger"? Die Aufarbeitung mitgliedstaatlicher Vertragsverstöße im EU-Privatrecht, Wertpapier-Mitteilungen 2006 p.457-466 (DE)
Piekenbrock, Andreas: Haustürwiderruf und Vertragsreue, Wertpapier-Mitteilungen 2006 p.466-478 (DE)
Reich, Norbert: Auf der Suche nach dem europäischen Privatrecht? : "Heininger" - Eine Fortsetzungsgeschichte mit hoffentlich "Happy End", Europäisches Privatrecht im wissenschaftlichen Diskurs 2006 p. 371-390 (DE)
Ebers, Martin ; Arroyo Amayuelas, Esther: "Heininger" y las sanciones a la infracción del deber de información sobre el derecho de desistimiento ad nutum (Sentencia TJCE de 13 diciembre de 2001, Asunto C-481/99), Evolución y tendencias del derecho europeo 2006 p.407-442 (ES)
Brkan, Maja: Neskladnost slovenske potrošniške zakonodaje z evropsko?, Pravna praksa 2010, nº 47, p. 11-13 (SL)
Brand, Oliver: Heininger Revisited - Zur Europarechtskonformität von § 5a VVG a.F., Versicherungsrecht 2013p.1-12 (DE)
Hölldampf, Tilman: Rechtsmissbräuchliche Ausübung des Verbraucherwiderrufsrechts durch den Darlehensnehmer, Wertpapier-Mitteilungen 2014 p.1659-1666 (DE)