---
title: "HvJ EU, C-475/24, Fashion TV RO SRL, beschikking van 12 november 2025 · Recht op aftrek van de voorbelasting"
description: "Beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 november 2025, C-475/24, Fashion TV RO SRL: recht op aftrek van de voorbelasting."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-475-24-beschikking"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-475-24-ordonnance"
---

# Beschikking van het Hof van 12 november 2025, C-475/24, Fashion TV RO SRL · Recht op aftrek van de voorbelasting, recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, ne‑bis‑in-idembeginsel, sepot van strafrechtelijke vervolging tegen natuurlijke personen, administratieve procedure met betrekking tot een vennootschap die de hoedanigheid van belastingplichtige heeft, onderzoek van bewijsmateriaal dat in het kader van een strafprocedure is verzameld

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Unie

**Samenstelling**

Zesde kamer

**Zaak**

C-475/24

**ECLI**

ECLI:EU:C:2025:898

**Datum**

12 november 2025

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Curtea de Apel Constanţa, Secţia a II-a civilă, de contencios administrativ şi fiscal (Roemenië) beslissing van 9 april 2024 3170

**Zaak ingediend op**

3 juli 2024

**Advocaat-generaal**

Spielmann

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Roemeens

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

von Danwitz

**Repertorium van het Hof**

- [Binnenlands beleid van de Europese Unie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-4) [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Harmonisatie van de belastingwetgevingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02%2C578-4.10.02) [Belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01%2C578-4.10.02.01) [Aftrek en teruggaaf](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.08%2C578-4.10.02.01.08) [Ontstaan en omvang van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.08.01%2C578-4.10.02.01.08.01) 128 beslissingen
- [De rechtsorde van de Europese Unie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1) [Grondrechten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1.04)

  - [Grondrechten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1.04.03)

    - [Ne bis in idem](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1.04.03.50) 17 beslissingen
    - [Recht op doeltreffende voorziening in rechte en op onpartijdig gerecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1.04.03.47) 78 beslissingen
  - [Handvest van de grondrechten van de Europese Unie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1.04.02) [Werkingssfeer van het Handvest (art. 51, leden 1 en 2, van het Handvest van de grondrechten)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-1.04.02.01) 40 beslissingen
- [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-3) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-3.04) [Bevoegdheid van het Hof van Justitie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=578-3.04.02) 214 beslissingen

## Tekst

92 paragrafen

Voorlopige editie

BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)

12 november 2025 (\*)

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 168 – Recht op aftrek van de voorbelasting – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 47 – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces – Artikel 50 – Ne‑bis‑in-idembeginsel – Sepot van strafrechtelijke vervolging tegen natuurlijke personen – Administratieve procedure met betrekking tot een vennootschap die de hoedanigheid van belastingplichtige heeft – Onderzoek van bewijsmateriaal dat in het kader van een strafprocedure is verzameld – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Antwoord dat duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid ”

In zaak C‑475/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Constanţa (rechter in tweede aanleg Constanţa, Roemenië) bij beslissing van 9 april 2024, ingekomen bij het Hof op 3 juli 2024, in de procedure

Fashion TV RO SRL,

Maestro SPRL

tegen

Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Galaţi – Serviciul Soluţionare Contestaţii – Administrația Județeană a Finanțelor Publice Constanța,

Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați – Administrația Județeană a Finanțelor Publice Constanța – Activitatea de Inspecţie Fiscală,

geeft

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: I. Ziemele, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Zesde kamer, en A. Kumin, rechter,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Fashion TV RO SRL, vertegenwoordigd door T. Chiuariu,

– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. Antonie, E. Gane, en L. Ghiţă als gemachtigden,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Březinová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Armenia en T. Isacu de Groot als gemachtigden,

advocaat-generaal D. Spielmann gehoord,

de navolgende

Beschikking

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”), de artikelen 47 en 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap Fashion TV RO SRL (hierna: „Fashion TV”) en de Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați – Serviciul Soluționare Contestații – Administrația Județeană a Finanțelor Publice Constanța (regionaal directoraat-generaal overheidsfinanciën Galați – afdeling bezwaar – districtsbestuur overheidsfinanciën Constanța, Roemenië) en de Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice Galați – Administrația Județeană a Finanțelor Publice Constanța – Activitatea de Inspecție Fiscală (regionaal directoraat-generaal overheidsfinanciën Galați – districtsbestuur overheidsfinanciën Constanța – afdeling belastingcontrole, Roemenië) over de weigering van het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die Fashion TV stelt als voorbelasting te hebben betaald bij de verwerving van goederen.

### Toepasselijke bepalingen · Unierecht

3. [Artikel 167 van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-167) bepaalt dat het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt.

4. [Artikel 168](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168) van deze richtlijn luidt als volgt:

„Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:

a) de btw die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;

\[...\]”

5. [Artikel 178, onder a), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-178) bepaalt dat de belastingplichtige ter uitoefening van zijn in [artikel 168, onder a)](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168), van deze richtlijn bedoelde recht op aftrek in het bezit moet zijn van een overeenkomstig de vereisten van diezelfde richtlijn opgestelde factuur.

### Roemeens recht

6. Artikel 6 („Ne bis in idem”) van de Cod de procedură penală (wetboek van strafvordering) bepaalt:

„Niemand kan worden vervolgd of berecht voor strafbare feiten wanneer tegen hem reeds een onherroepelijk vonnis is uitgesproken ten aanzien van dezelfde feiten, zelfs als die juridisch anders worden gekwalificeerd.”

7. Artikel 335 („Hervatting van de strafvervolging”) van dit wetboek luidt:

„(1) Indien de hiërarchisch hogere openbaar aanklager dan degene die het besluit heeft genomen, naderhand vaststelt dat de aan het sepot ten grondslag liggende omstandigheid niet heeft bestaan, maakt hij het sepotbesluit ongedaan en gelast hij de hervatting van de strafvervolging. Artikel 317 is van overeenkomstige toepassing.

(2) Indien er nieuwe feiten of omstandigheden aan het licht zijn gekomen waaruit blijkt dat de aan het sepot ten grondslag liggende omstandigheid niet langer bestaat, trekt de openbaar aanklager het sepotbesluit in en gelast hij de hervatting van de strafvervolging.

\[...\]”

### Hoofdgeding en prejudiciële vraag

8. Fashion TV houdt zich bezig met de productie van films, video’s en televisieprogramma’s. In de periode 2014‑2015 is deze vennootschap aan een belastingcontrole onderworpen, waarna haar een naheffingsaanslag voor met name de btw werd opgelegd, vermeerderd met rente, toeslagen en vertragingsboeten, ten belope van, wat de btw-navordering betreft, 416 360 Roemeense leu (RON) (ongeveer 81 340 EUR).

9. De belastingdienst was van mening dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor aftrek van de btw die Fashion TV als voorbelasting zou hebben betaald voor de verwerving van goederen, aangezien de btw was afgetrokken op basis van facturen die waren opgesteld door leveranciers die nooit of op de factuurdatum niet voor btw-doeleinden waren geregistreerd, op basis van facturen die waren uitgeschreven door leveranciers met een identificatienummer dat noch overeenstemde met enige onderneming in de gegevensbanken van de Roemeense belastingdienst noch met een andere onderneming, op basis van facturen die waren uitgeschreven door leveranciers die op de betrokken datum inactief waren verklaard, en op basis van facturen voor transacties die door de betrokken leveranciers niet waren erkend.

10. Op 11 augustus 2015, na de vaststelling van de belastingaanslag, heeft de Roemeense belastingdienst zich tot de Parchet de pe lângă Curtea de Apel Constanța (openbaar ministerie bij de rechter in tweede aanleg Constanța, Roemenië) gewend om vast te stellen of de in het vorige punt van deze beschikking uiteengezette feiten strafbare feiten vormden. In dit kader werd tegen twee natuurlijke personen, DX en JC – respectievelijk bedrijfsleider en accountant van Fashion TV – strafvervolging ingesteld op basis van aanwijzingen dat deze natuurlijke personen zich schuldig hadden gemaakt aan belastingfraude door in de btw-rekeningen en -aangiften van deze vennootschap fictieve transacties en facturen op te nemen. Deze strafvervolging is echter bij beschikking van 31 januari 2023 geseponeerd, in essentie op grond dat er geen strafbaar feit was aangetoond en de verjaringstermijn was verstreken.

11. Tegelijkertijd heeft Fashion TV in haar hoedanigheid van belastingplichtige de belastingaanslag betwist bij de Tribunal Constanţa (rechter in eerste aanleg Constanţa, Roemenië), die haar beroep heeft verworpen. Deze rechter heeft met name vastgesteld dat de beoordeling van de Roemeense belastingdienst was gebaseerd op objectieve gegevens over de fictieve aard van de aangevoerde economische transacties en dat Fashion TV geen tegenbewijs had geleverd.

12. Fashion TV heeft tegen het vonnis in eerste aanleg hoger beroep ingesteld bij de Curte de Apel Constanța (rechter in tweede aanleg Constanța, Roemenië), de verwijzende rechter. Om uitspraak te kunnen doen op dit hoger beroep, wil deze rechter de in het belastingdossier opgenomen bewijzen aanvullen door daaraan de bewijzen toe te voegen die in het kader van de strafprocedure zijn verzameld. Fashion TV verzet zich tegen deze handelwijze op grond dat een onderzoek van de tijdens de strafprocedure verzamelde bewijzen afbreuk zou doen aan het aan het sepotbesluit verbonden gezag van gewijsde, het ne-bis-in-idembeginsel, het recht op een eerlijk proces en het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

13. In dit verband wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in belastingzaken bevoegde rechter kan of zelfs moet nagaan of is voldaan aan de materiële en formele voorwaarden van de btw-richtlijn voor de uitoefening van het recht op aftrek door de met name in het kader van eerdere strafrechtelijke procedures verzamelde bewijzen te onderzoeken, dan wel of daarentegen de artikelen 47 en 50 van het Handvest, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen zich tegen een dergelijk onderzoek verzetten, met als gevolg dat de gerechtelijke procedure in belastingzaken ten gunste van de belastingplichtige moet worden beëindigd.

14. Daarop heeft de Curte de Apel Constanța de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moet in omstandigheden waarin in een strafprocedure wegens belastingontwijking een sepotbesluit is genomen ten aanzien van de wettelijke vertegenwoordiger van de belastingplichtige omdat het ten laste gelegde feit niet is bewezen, omdat er geen bewijs is dat de wettelijke vertegenwoordiger van de belastingplichtige het strafbare feit heeft gepleegd en omdat de strafrechtelijke aansprakelijkheid bovendien verjaard blijkt te zijn, op grond van de artikelen 47 en 50 van het \[Handvest\], het algemene rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, toepassing worden gegeven aan het ne-bis-in-idembeginsel met als gevolg dat de fiscale procedures ten aanzien van de belastingplichtige worden stopgezet, of mag – dan wel moet – de civiele rechter bij wie een verzoek is ingediend om de naheffingsaanslag ten aanzien van die belastingplichtige nietig te verklaren, gelet op het doel om fiscale fraude, belastingontwijking en eventueel misbruik te bestrijden, zoals erkend in \[de btw-richtlijn\], nagaan of is voldaan aan de materiële en formele voorwaarden van \[de btw-richtlijn\] om het recht op aftrek uit te oefenen, onder meer door de bewijsstukken te onderzoeken die in het kader van de strafprocedure zijn overgelegd?”

### Beantwoording van de prejudiciële vraag

15. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of [artikel 168 van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168), gelezen in het licht van de artikelen 47 en 50 van het Handvest, alsook van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over de uitoefening van het recht op btw-aftrek, moet toetsen of de betrokken belastingplichtige heeft voldaan aan de in deze richtlijn neergelegde materiële en formele voorwaarden door met name de bewijzen te onderzoeken die in het kader van eerdere strafrechtelijke procedures tegen anderen dan deze belastingplichtige zijn verzameld, of in die zin dat deze artikelen en beginselen zich juist tegen een dergelijk onderzoek verzetten, in het bijzonder wanneer die strafvervolging heeft geleid tot een sepot.

### Ontvankelijkheid

16. De Roemeense regering betwist de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag voor zover de verwijzende rechter niet precies uiteenzet waarom de uitlegging van bepaalde in de prejudiciële vraag genoemde beginselen en bepalingen volgens hem noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding.

17. Bovendien betogen deze regering, de Tsjechische regering en de Europese Commissie dat artikel 50 van het Handvest niet van toepassing is op de omstandigheden van het hoofdgeding.

18. In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak kan weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 3 april 2025, Swiftair, [C‑701/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-701-23-arrest), EU:C:2025:237, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19. Bovendien moet worden opgemerkt dat de inhoudelijke eisen waaraan het verzoek om een prejudiciële beslissing moet voldoen uitdrukkelijk staan vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat de verwijzende rechter in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking wordt geacht te kennen en nauwgezet dient na te leven. Volgens deze eisen, die ook zijn vermeld in punt 15 van de Aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1), bevat ieder verzoek om een prejudiciële beslissing „een summier overzicht van het voorwerp van het hoofdgeding en de relevante feiten zoals die door de verwijzende rechterlijke instantie zijn vastgesteld, of ten minste een uiteenzetting van de feitelijke gegevens waarop de prejudiciële vragen berusten”, „de inhoud van de nationale bepalingen die op de zaak van toepassing kunnen zijn en, in voorkomend geval, de relevante nationale rechtspraak”, en „de uiteenzetting van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich vragen te stellen over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie, alsook het verband tussen deze bepalingen en nationale regelgeving die op het hoofdgeding van toepassing is” (arrest van 3 april 2025, Swiftair, [C‑701/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-701-23-arrest), EU:C:2025:237, punt 22).

### Artikel 50 van het Handvest

20. Over artikel 50 van het Handvest moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat met procedures betreffende inbreuken op btw-gebied zoals die in het hoofdgeding, die ertoe strekken de juiste inning van deze belasting te waarborgen en fraude te voorkomen, de btw-richtlijn ten uitvoer wordt gebracht en dus ook het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest. De bepalingen van nationaal recht die dergelijke procedures regelen, vallen dus binnen de werkingssfeer van het Handvest (zie in die zin arrest van 5 april 2017, Orsi en Baldetti, [C‑217/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-217-15-arrest) en [C‑350/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-217-15-arrest), EU:C:2017:264, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21. Niettemin moet ook worden herinnerd aan de rechtspraak van het Hof volgens welke de toepassing van het door artikel 50 van het Handvest gewaarborgde ne-bis-in-idembeginsel in de eerste plaats veronderstelt dat de betrokken sancties of strafvervolgingen dezelfde persoon betreffen. Uit de bewoordingen van dit artikel volgt dat dit artikel verbiedt dat een en dezelfde persoon voor hetzelfde strafbaar feit meer dan één keer strafrechtelijk wordt vervolgd of bestraft (zie in die zin arrest van 5 april 2017, Orsi en Baldetti, [C‑217/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-217-15-arrest) en [C‑350/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-217-15-arrest), EU:C:2017:264, punten 17 en 18).

22. In casu staat vast dat de strafvervolging is ingesteld tegen twee natuurlijke personen, DX en JC, die juridisch losstaan van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingplichtige, namelijk Fashion TV. Zoals de Tsjechische en de Roemeense regering en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen terecht hebben opgemerkt, lijkt dus niet te zijn voldaan aan de voorwaarde voor toepassing van het ne-bis-in-idembeginsel dat de betrokken sancties en vervolgingen tegen „dezelfde persoon” zijn gericht. De omstandigheid dat DX en JC zijn vervolgd voor feiten die zij in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van Fashion TV hebben gepleegd, doet geen afbreuk aan deze gevolgtrekking. Tegen deze achtergrond lijkt artikel 50 van het Handvest niet van toepassing te zijn op het hoofdgeding (zie naar analogie arrest van 5 april 2017, Orsi en Baldetti, [C‑217/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-217-15-arrest) en [C‑350/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-217-15-arrest), EU:C:2017:264, punten 22, 23 en 26).

23. In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer Unierechtelijke bepalingen waarop een prejudiciële vraag betrekking heeft niet van toepassing zijn op het hoofdgeding en dus irrelevant zijn voor de beslechting daarvan, volgens de rechtspraak moet worden vastgesteld dat de gevraagde prejudiciële beslissing niet noodzakelijk is om de verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen uitspraak te doen en dat die vraag dus niet-ontvankelijk is (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Swiftair, [C‑701/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-701-23-arrest), EU:C:2025:237, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24. Hieruit volgt dat de in het onderhavige geval door de verwijzende rechter gestelde vraag om die reden niet-ontvankelijk is voor zover zij betrekking heeft op artikel 50 van het Handvest.

### Rechtszekerheidsbeginsel en beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen

25. In herinnering moet worden gebracht dat het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen het rechtstreekse uitvloeisel is, vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn, alsook dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben. Dit beginsel eist met name dat de regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen \[zie in die zin arresten van 27 juni 2024, Prysmian Cabluri şi Sisteme, C‑168/23, EU:C:2024:557, punt 40, en 4 oktober 2024, Litouwen e.a./Parlement en Raad (Mobiliteitspakket), C‑541/20–C‑555/20, EU:C:2024:818, punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak\].

26. Een justitiabele kan zich alleen op het vertrouwensbeginsel beroepen indien een bestuurlijke autoriteit bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt door precieze, onvoorwaardelijke en overeenstemmende toezeggingen te doen die uitgaan van bevoegde en betrouwbare bronnen (arrest van 27 juni 2024, Prysmian Cabluri şi Sisteme, C‑168/23, EU:C:2024:557, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27. Deze beginselen moeten door de lidstaten worden geëerbiedigd op de gebieden die onder het Unierecht vallen. In dit verband moeten de rechtsregels van de lidstaten ondubbelzinnig zijn geformuleerd, zodat belanghebbenden op duidelijke en nauwkeurige wijze in kennis worden gesteld van hun rechten en plichten en de nationale rechter in staat is deze te handhaven (zie in die zin arrest van 11 januari 2024, Global Ink Trade, [C‑537/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-537-22-arrest), EU:C:2024:6, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28. In het onderhavige geval verwijst de verwijzende rechter naar het betoog waarmee Fashion TV aanvoerde dat het onderzoek dat in het kader van de bij deze rechter aanhangige fiscale procedure werd verricht naar bewijzen die waren verzameld in de strafprocedure tegen DX en JC, afbreuk zou kunnen doen aan het gezag van gewijsde van het sepotbesluit ten aanzien van die natuurlijke personen.

29. De verwijzende rechter legt echter niet uit in welk opzicht een dergelijk onderzoek ertoe zou leiden dat ten aanzien van Fashion TV, in haar hoedanigheid van belastingplichtige, het rechtszekerheidsbeginsel of het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen zouden worden geschonden. Bovendien geeft de verwijzende rechter niet aan in welk opzicht de relevante bepalingen van Roemeens recht onduidelijk, onnauwkeurig of onvoorzienbaar zijn, en maakt hij geen melding van enige toezegging over het recht op aftrek van de Roemeense belastingdienst aan Fashion TV in verband met het sepotbesluit. Dienaangaande zet deze rechter niet uiteen welk verband hij meent te leggen tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen enerzijds en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling anderzijds.

30. Wat deze beginselen betreft, voldoet de vraag van de verwijzende rechter dus niet aan de in punt 19 van de onderhavige beschikking genoemde vereisten. Hieruit volgt dat deze vraag eveneens niet-ontvankelijk is voor zover zij betrekking heeft op die beginselen.

31. Bijgevolg dient deze vraag enkel te worden beantwoord voor zover zij betrekking heeft op [artikel 168 van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168), gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest.

### Ten gronde

32. Overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of wanneer over het antwoord op die vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan.

33. Aan dit artikel dient in het onderhavige geval toepassing te worden gegeven.

34. Volgens vaste rechtspraak is het recht van belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verleende diensten, een basisbeginsel van het gemeenschappelijke btw-stelsel. Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, is het recht op aftrek waarin de artikelen [167 en volgende](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-167) van de btw-richtlijn voorzien, een integrerend deel van de btw-regeling en kan het, in beginsel, niet worden beperkt wanneer zowel de materiële als de formele voorwaarden of vereisten waarvan dit recht afhankelijk is gesteld, worden nageleefd door de belastingplichtigen die het wensen uit te oefenen (arrest van 11 januari 2024, Global Ink Trade, [C‑537/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-537-22-arrest), EU:C:2024:6, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35. Wat betreft de materiële voorwaarden of vereisten die gelden voor het recht op btw-aftrek, blijkt uit [artikel 168, onder a), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168) dat de betrokkene slechts recht op btw-aftrek kan genieten indien, ten eerste, hij een „belastingplichtige” in de zin van deze richtlijn is en, ten tweede, de goederen of diensten waarvoor op dat recht aanspraak wordt gemaakt, door de belastingplichtige in een later stadium worden gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en in een eerder stadium door een andere belastingplichtige zijn geleverd of verricht. Aangaande de wijze van uitoefening van het recht op btw-aftrek, dat wil zeggen de formele voorwaarden of vereisten, bepaalt [artikel 178, onder a)](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-178), van deze richtlijn dat de belastingplichtige in het bezit moet zijn van een factuur die is opgesteld overeenkomstig de door deze richtlijn vermelde vereisten (arrest van 11 januari 2024, Global Ink Trade, [C‑537/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-537-22-arrest), EU:C:2024:6, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36. Aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is slechts voldaan indien de goederenlevering of de dienstverlening waarop de factuur betrekking heeft, daadwerkelijk is verricht. Wat de bewijslast betreft, is het in dit verband vaste rechtspraak dat de belastingplichtige die aanspraak maakt op aftrek van de btw, moet bewijzen dat hij aan de voorwaarden daarvoor voldoet. De belastingdienst kan dus van de belastingplichtige alle bewijzen verlangen die volgens deze dienst noodzakelijk zijn om te beoordelen of de gevraagde aftrek al dan niet moet worden toegestaan. De beoordeling van dit bewijs moet door de nationale rechter worden verricht overeenkomstig de nationale bewijsregels door alle gegevens en feiten van het concrete geval globaal te beoordelen (zie in die zin arresten van 11 januari 2024, Global Ink Trade, [C‑537/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-537-22-arrest), EU:C:2024:6, punt 34, en 12 december 2024, Weatherford Atlas Gip, [C‑527/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-527-23-arrest), EU:C:2024:1024, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37. In deze context kan het recht op aftrek aan de belastingplichtige worden geweigerd indien op basis van objectieve gegevens vaststaat dat hierop aanspraak wordt gemaakt door fraude of misbruik. De bestrijding van fraude, belastingontwijking en eventueel misbruik vormt immers een doel dat door de btw-richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd, en het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat justitiabelen zich in geval van fraude of misbruik niet op het Unierecht kunnen beroepen. Dus zelfs wanneer is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek, moeten de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties dit recht weigeren wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat aanspraak op dit recht wordt gemaakt door fraude of misbruik (arrest van 11 januari 2024, Global Ink Trade, [C‑537/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-537-22-arrest), EU:C:2024:6, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38. Aangezien de weigering van het recht op aftrek een uitzondering is op de toepassing van het fundamentele beginsel dat dit recht is, staat het aan de belastingdienst om aan de hand van objectieve gegevens rechtens genoegzaam te bewijzen dat de belastingplichtige btw-fraude heeft gepleegd of wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op het recht op aftrek wordt gemaakt, onderdeel was van een dergelijke fraude. De nationale rechter moet vervolgens nagaan of de betrokken belastingautoriteiten het bestaan van dergelijke objectieve gegevens hebben aangetoond (arrest van 11 januari 2024, Global Ink Trade, [C‑537/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-537-22-arrest), EU:C:2024:6, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39. Daar het Unierecht in dit verband niet voorziet in regels voor de bewijsvoering in geval van btw-fraude, dienen deze objectieve gegevens door de belastingdienst te worden vastgesteld overeenkomstig de nationaalrechtelijke regels. Deze regels mogen evenwel de doeltreffendheid van het Unierecht niet aantasten en moeten de door dat recht, en met name het Handvest, gewaarborgde rechten eerbiedigen (arresten van 24 februari 2022, SC Cridar Cons, [C‑582/20](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-582-20-arrest), EU:C:2022:114, punt 36, en 11 januari 2024, Global Ink Trade, [C‑537/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-537-22-arrest), EU:C:2024:6, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40. Aldus en onder deze voorwaarden heeft het Hof vastgesteld dat het Unierecht er zich met name niet tegen verzet dat de belastingdienst, teneinde vast te stellen dat er sprake is van btw-misbruik, in een administratieve procedure gebruikmaakt van bewijzen die zijn verkregen in een parallelle, nog niet afgesloten strafprocedure met betrekking tot de belastingplichtige, mits de door het Unierecht en inzonderheid het Handvest gewaarborgde rechten worden geëerbiedigd. Evenzo heeft het Hof geoordeeld dat de belastingdienst zich met het oog op de vaststelling van btw-fraude onder datzelfde voorbehoud moet kunnen baseren op bewijzen die zijn verkregen in het kader van nog niet afgesloten procedures die de belastingplichtige niet betreffen of die zijn verzameld in het kader van gerelateerde procedures waarbij de belastingplichtige geen partij was (zie in die zin arrest van 24 februari 2022, SC Cridar Cons, [C‑582/20](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-582-20-arrest), EU:C:2022:114, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41. Onder de door het Unierecht gewaarborgde rechten valt met name ten eerste de eerbiediging van de rechten van de verdediging. De eerbiediging daarvan vormt volgens vaste rechtspraak een algemeen beginsel van het Unierecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Deze verplichting rust op de administratieve overheden van de lidstaten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, ook al voorziet de toepasselijke Uniewetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit \[zie in die zin arresten van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, [C‑189/18](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-189-18-arrest), EU:C:2019:861, punt 39, en 13 juni 2024, C (Bewindvoerders en curatoren), [C‑696/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-696-22-arrest), EU:C:2024:499, punten 104‑106 en aldaar aangehaalde rechtspraak\].

42. Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is van toepassing in omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin een lidstaat, teneinde te voldoen aan de uit de toepassing van het Unierecht voortvloeiende verplichting om alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden, een belastingplichtige aan een belastingcontrole onderwerpt \[zie in die zin arrest van 13 juni 2024, C (Bewindvoerders en curatoren), [C‑696/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-696-22-arrest), EU:C:2024:499, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak\].

43. Het recht om te worden gehoord, dat integraal deel uitmaakt van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, waarborgt dat eenieder in het kader van een administratieve procedure, voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen kan schaden, in staat wordt gesteld zijn standpunt naar behoren en effectief kenbaar te maken. Dit recht impliceert met name dat de overheid met de nodige aandacht kennisneemt van de opmerkingen van de betrokkene door alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken en het besluit omstandig te motiveren. De verplichting om een besluit op voldoende specifieke en concrete wijze te motiveren zodat betrokkene in staat is te begrijpen waarom zijn verzoek is geweigerd, vormt dus het uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging (zie in die zin arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, [C‑189/18](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-189-18-arrest), EU:C:2019:861, punten 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44. Ten tweede moet ook rekening worden gehouden met artikel 47 van het Handvest, dat de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing waarborgt. Krachtens dit artikel heeft eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden. In het bijzonder heeft eenieder recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak (zie in die zin arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, [C‑254/18](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-189-18-arrest), EU:C:2019:861, punt 60).

45. Het beginsel van processuele gelijkheid, dat integraal deel uitmaakt van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan het Unierecht, houdt in – doordat het, net zoals onder meer het beginsel van hoor en wederhoor, een logisch uitvloeisel is van het begrip eerlijk proces – dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om haar zaak, daaronder begrepen haar bewijzen, onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij tegenover de tegenpartij niet wezenlijk wordt benadeeld (arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, [C‑189/18](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-189-18-arrest), EU:C:2019:861, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46. Dit beginsel strekt ertoe te zorgen voor een procedureel evenwicht tussen de partijen in een gerechtelijke procedure, door te waarborgen dat zij dezelfde rechten en verplichtingen hebben ten aanzien van met name de regels inzake de bewijsvoering en het contradictoire karakter van het debat voor de rechter, alsook ten aanzien van de voor hen openstaande rechtsmiddelen. Om aan de vereisten van het recht op een eerlijk proces te voldoen, is het van belang dat de partijen kennis hebben van, en op tegenspraak hun standpunt kenbaar kunnen maken over, zowel de feitelijke als de juridische aspecten die beslissend zijn voor de uitkomst van de procedure (arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, [C‑189/18](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-189-18-arrest), EU:C:2019:861, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47. In dit verband vereist de doeltreffendheid van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing dat de rechterlijke instantie die de rechtmatigheid toetst van een beslissing waarbij het Unierecht wordt uitgevoerd, kan controleren of bij de verkrijging en het gebruik van de bewijzen waarop die beslissing steunt, de door dit recht en in het bijzonder het Handvest gewaarborgde rechten niet zijn geschonden (zie in die zin arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, [C‑189/18](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-189-18-arrest), EU:C:2019:861, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48. De doeltreffendheid van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing vereist derhalve ook dat de rechterlijke instantie waarbij beroep is ingesteld tegen het besluit van de belastingdienst om btw na te vorderen, gemachtigd is om na te gaan of bij het verzamelen van bewijzen in het kader van een gerelateerde procedure waarbij de belastingplichtige geen partij was, en bij het gebruiken van die bewijzen tot staving van dat besluit, geen door het Unierecht, en in het bijzonder door het Handvest, gewaarborgde rechten zijn geschonden (zie in die zin arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, [C‑189/18](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-189-18-arrest), EU:C:2019:861, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49. In het onderhavige geval moet de in belastingzaken bevoegde rechter die zich moet buigen over het recht op aftrek van de voorbelasting die Fashion TV zou hebben betaald, gelet op de in de punten 34 tot en met 38 van deze beschikking in herinnering gebrachte vaste rechtspraak, dus nagaan of aan de voorwaarden voor uitoefening van dat recht is voldaan door de hem overgelegde bewijzen overeenkomstig de relevante regels van het nationale recht te onderzoeken en in dat verband alle gegevens en feiten van het concrete geval globaal te beoordelen.

50. In deze context moet een dergelijke rechter ter vaststelling of er sprake is van btw-fraude nagaan of de belastingdienst aan de hand van objectieve gegevens rechtens genoegzaam heeft bewezen dat de belastingplichtige een dergelijke fraude heeft gepleegd dan wel wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op het recht op aftrek wordt gemaakt, onderdeel was van de btw-fraude. Dergelijke objectieve gegevens kunnen onder meer zijn verzameld in het kader van gerelateerde procedures waarbij de belastingplichtige geen partij was.

51. Bijgevolg kan deze rechter, in het licht van de in de punten 39 en 40 van deze beschikking aangehaalde vaste rechtspraak, bewijzen onderzoeken die zijn verzameld in het kader van een gerelateerde procedure waarbij de belastingplichtige geen partij was, zoals in het onderhavige geval de strafprocedure tegen DX en JC. De omstandigheid dat deze gerelateerde procedure heeft geleid tot een sepotbesluit ten aanzien van deze natuurlijke personen, is in dit verband irrelevant en kan niet rechtvaardigen dat die rechter zich onttrekt aan de verplichting om na te gaan of de belastingplichtige voldoet aan de voorwaarden voor uitoefening van het recht op aftrek. Bovendien kan een dergelijke omstandigheid niet rechtvaardigen dat de gerechtelijke procedure in belastingzaken ten gunste van de belastingplichtige wordt beëindigd en dat hem dit recht op aftrek wordt toegekend zonder dat de aangezochte rechter heeft kunnen nagaan of aan die voorwaarden is voldaan.

52. Niettemin moeten bij het onderzoek van bewijs dat afkomstig is van een gerelateerde strafprocedure die heeft geleid tot een sepotbesluit en waarbij de belastingplichtige geen partij was, de door het Unierecht en in het bijzonder door het Handvest gewaarborgde rechten worden geëerbiedigd.

53. Gelet op de vaste rechtspraak en de beginselen die in de punten 41 tot en met 52 van deze beschikking in herinnering zijn gebracht, moet de verwijzende rechter zich er met name van vergewissen dat de Roemeense belastingdienst de betrokken belastingplichtige in de loop van de administratieve procedure en vóór de vaststelling van het besluit tot weigering van het recht op aftrek, de mogelijkheid heeft geboden om zijn standpunt naar behoren effectief kenbaar te maken.

54. Bijgevolg moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat [artikel 168 van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168), gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over de uitoefening van het recht op btw-aftrek, moet toetsen of de betrokken belastingplichtige heeft voldaan aan de in deze richtlijn neergelegde materiële en formele voorwaarden en daartoe de bewijzen mag onderzoeken die in het kader van eerdere strafrechtelijke procedures tegen anderen dan deze belastingplichtige zijn verzameld, op voorwaarde dat dit onderzoek in overeenstemming is met de rechten die worden gewaarborgd door het Unierecht en in het bijzonder het Handvest, met inbegrip van het beginsel van processuele gelijkheid en de rechten van de verdediging.

### Kosten

55. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

### Dictum

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

[Artikel 168 van richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over de uitoefening van het recht op aftrek van belasting over de toegevoegde waarde, moet toetsen of de betrokken belastingplichtige heeft voldaan aan de in deze richtlijn neergelegde materiële en formele voorwaarden en daartoe de bewijzen mag onderzoeken die in het kader van eerdere strafrechtelijke procedures tegen anderen dan deze belastingplichtige zijn verzameld, op voorwaarde dat dit onderzoek in overeenstemming is met de rechten die worden gewaarborgd door het Unierecht en in het bijzonder het Handvest, met inbegrip van het beginsel van processuele gelijkheid en de rechten van de verdediging.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

11

[btw-richtlijn 2006/112 art. 168](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168) 7 voorkomens

VWEU art. 267 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 167](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-167) 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 178](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-178) 2 voorkomens

[C-189/18, arrest van 16 oktober 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-189-18-arrest) 7 voorkomens

[C-537/22, arrest van 11 januari 2024](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-537-22-arrest) 7 voorkomens

[C-217/15 en C-350/15, arrest van 5 april 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-217-15-arrest) 3 voorkomens

[C-701/23, arrest van 3 april 2025](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-701-23-arrest) 3 voorkomens

[C-582/20, arrest van 24 februari 2022](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-582-20-arrest) 2 voorkomens

[C-696/22, arrest van 13 juni 2024](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-696-22-arrest) 2 voorkomens

[C-527/23, arrest van 12 december 2024](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-527-23-arrest) 1 voorkomen
