---
title: "HvJ EU, 46/80, SpA Vinal, arrest van 14 januari 1981 · EEG-Verdrag art. 95 en art. 177"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 1981, 46/80, SpA Vinal: EEG-Verdrag art. 95 en art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-46-80-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-46-80-arret"
---

# Arrest van het Hof van 14 januari 1981, 46/80, SpA Vinal · EEG-Verdrag art. 95 en art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

46/80

**ECLI**

ECLI:EU:C:1981:4

**Datum**

14 januari 1981

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Pretura di Casteggio (Italië) beslissing van 30 januari 1980

**Zaak ingediend op**

4 februari 1980

**Advocaat-generaal**

Reischl

**Opmerkingen**

Italiaanse regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Pretura di Casteggio beslissing van 15 januari 1987

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1981, blz. 77

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Pescatore

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Binnenlandse belastingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01%2C578-4.10.01)

  - [Verbod ingevoerde producten zwaarder te belasten dan gelijksoortige nationale producten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01.02%2C578-4.10.01.02) 75 beslissingen
  - [Verbod van belastingen die concurrerende nationale producten zijdelings kunnen beschermen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01.03) 16 beslissingen

## Tekst

70 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de opmerkingen gemaakt krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Feiten en procesverloop

Op 5 januari 1980 heeft de naamloze vennootschap Vinal, gevestigd te Casteggio, naar aanleiding van een mondeling gedane bestelling de naamloze vennootschap Orbat, gevestigd te Milaan, een „verkoopbevestiging” doen toekomen voor 10 hectoliter uit een andere Lid-Staat van de EEG geïmporteerde, gedenatureerde synthetische en watervrije alcohol. De verkoopsprijs bedroeg LIT 62000/hl.

In een brief van 9 januari 1980 stelde Orbat dat in de prijs ten onrechte de bijzondere accijns op gedenatureerde ethylalcohol, ingesteld bij wetsdecreet nr. 1200 van 6 oktober 1948 (Gazz. Uff. nr. 233 van 6 oktober 1948), zoals gewijzigd bij wetsdecreet nr. 836 van 16 september 1955 (Gazz. Uff. nr. 215 van 17 september 1955) en bij artikel 3 van wet nr. 506 van 18 augustus 1978 tot wijziging van de belastingregeling voor alcohol (Gazz. Uff. nr. 247 van 4 september 1978) bepaald op LIT 12000/hl watervrije alcohol, was opgenomen.

Bij op 16/21 januari 1980 betekend exploit heeft Vinal Orbat voor de pretura te Casteggio gedagvaard teneinde te worden veroordeeld tot nakoming van het tussen partijen gesloten contract, en wel met name tot afneming van de gekochte waar en tot betaling van de prijs, de bijzondere accijns van LIT 12000/hl watervrije alcohol en de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) daaronder begrepen.

Ter op 29 januari 1980 gehouden terechtzitting heeft Orbat niet betwist de basisprijs van LIT 50000 hl/watervrije alcohol plus BTW verschuldigd te zijn; zij heeft evenwel bezwaar gemaakt tegen betaling van de bijzondere accijns, die haars inziens niet verenigbaar is met het in artikel 95 van het EEG-Verdrag vastgelegde fiscale non-discriminatiebeginsel.

Bij beschikking van 30 januari 1980 heeft de pretore te Casteggio krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag het geding geschorst totdat het Hof van Justitie zich bij wege van prejudiciële beslissing zou hebben uitgesproken over de navolgende vragen:

a) Moet artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd dat als „gelijksoortig” zijn te beschouwen twee produkten die uit verschillende grondstoffen zijn vervaardigd maar die voor dezelfde gebruiksdoeleinden geschikt zijn en dezelfde bruikbaarheid hebben?

b) Zo ja, moet artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag dan worden opgevat in die zin, dat als verboden is te beschouwen de heffing van belastingen die formeel gelijkelijk op het communautaire en het gelijksoortige nationale produkt drukken, maar in feite een fiscale discriminatie meebrengen ten nadele van gelijksoortige produkten van de andere Lid-Staten, omdat het zwaarder belaste produkt uitsluitend wordt ingevoerd en het minder zwaar belaste produkt hoofdzakelijk van binnenlandse herkomst is?

c) Ingeval één van de voorgaande vragen ontkennend zou worden beantwoord, moet dan artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag in casu aldus worden uitgelegd dat het verboden is een hoofdzakelijk uit andere Lid-Staten afkomstig produkt zwaarder te belasten, waardoor een concurrerend nationaal produkt wordt beschermd?

De beschikking van de pretore te Casteggio is op 4 februari 1980 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG zijn er op 2 april 1980 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Abate, en op 18 april door de vennootschap Vinal, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G. Marchesini, advocaat te Milaan, alsook door de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door A. Squillante, hoofd van de afdeling diplomatieke geschillen, verdragen en legislatieve zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, bijgestaan door M. Conti, „avvocato dello Stato”.

Op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft evenwel aan de vennootschap Vinal en aan de Commissie verzocht vóór de aanvang van de mondelinge behandeling een aantal vragen te beantwoorden. Aan dat verzoek is gevolg gegeven.

#### II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

De vennootschap Vinal, verzoekster in het hoofdgeding, is van mening dat de heffing van de bijzondere accijns op gedenatureerde ethylalcohol geen fiscale discriminatie inhoudt.

##### De stelling dat er naar de oorsprong der produkten zou worden gediscrimineerd

a) Voor gedenatureerde synthetische alcohol van Italiaanse of buitenlandse herkomst geldt dezelfde accijns van LIT 12000/hl watervrije alcohol; ook voor gedenatureerde gistingsalcohol van Italiaanse of andere communautaire herkomst geldt één en dezelfde accijns van LIT 1000/hl watervrije alcohol. In de tekst der wet ligt dus geen discriminatie besloten.

b) Van feitelijke discriminatie is al evenmin sprake. Weliswaar brengt de Italiaanse industrie toevallig geen of vrijwel geen synthetische alcohol in de handel; dat wil evenwel niet zeggen dat het de nationale ondernemingen technisch of materieel niet mogelijk is dit soort alcohol te produceren. De Italiaanse ethylproduktie, waaruit de synthetische alcohol goeddeels wordt verkregen, is aanzienlijk en de petrochemische industrie vertoont er een ontwikkelde en efficiënte structuur. Dat men zich niet op andere produkties oriënteert, heeft met technische of objectieve onmogelijkheden niets uitstaande; het is een kwestie van keuze, en die wisselt naar tijd en omstandigheden. In zijn jurisprudentie op het specifieke gebied van de intracommunautaire mededinging en handel heeft het Hof terecht met potentiële marktsituaties rekening gehouden. Bovendien wordt de in de Gemeenschap geproduceerde gedenatureerde synthetische alcohol inderdaad in Italië gevraagd en geïmporteerd. De stelling dat voor in het buitenland door gisting verkregen alcohol niet dezelfde fiscale behandeling is weggelegd als voor Italiaanse alcohol, om de enkele reden dat het technisch vrijwel ondoenlijk is de oorsprong (gisting of synthese) van het buitenlandse produkt na te gaan wanneer het als eindprodukt ter behandeling aan de Italiaanse administratie wordt aangeboden, is ongegrond. In artikel 20 van wetsbesluit nr. 46 van 18 maart 1976 (Gazz. Uff. nr. 73 van 18 maart 1976), omgezet in wet nr. 249 van 10 mei 1976 (Gazz. Uff. nr. 129 van 17 mei 1976), in werking getreden krachtens ministerieel besluit van 24 augustus 1977 (Gazz. Uff. nr. 243 van 7 september 1977), wordt aan het door de staat van oorsprong afgegeven certificaat van oorsprong officiële bewijskracht toegekend.

##### De stelling dat er naar gelang van de gebruikte grondstoffen zou worden gediscrimineerd

a) Het voordeel bestaande in de betaling van een verlaagde accijns, zou niet zijn toegekend op grondslag van de „nationale” oorsprong der produkten — en alleen dan zou men met artikel 95 in strijd kunnen komen —, maar in verband met objectieve, voor Italiaanse en andere communautaire produkten gelijkelijk geldende omstandigheden. Blijkens 's Hofs jurisprudentie houdt artikel 95 geen beperking in van de vrijheid der onderscheiden Lid-Staten het voor ieder produkt meest passend belastingstelsel te kiezen; met name in het op 8 januari 1980 in de zaak 21/79 (Commissie t. Italiaanse Republiek; geregenereerde aardolieprodukten, Jurispr. 1979, blz. 1) gewezen arrest zou zijn uitgemaakt dat de Lid-Staten volgens artikel 95, eerste alinea, verplicht zijn belastingvoordelen die voor nationale produkten zijn weggelegd, ook toe te kennen aan uit andere Lid-Staten ingevoerde soortgelijke produkten, die voldoen aan de voorwaarden waarvan een beperkt tarief c.q. vrijstelling afhankelijk zijn gesteld; mocht er in de nationale wetgeving evenwel om objectief gerechtvaardigde redenen worden gedifferentieerd tussen binnenlandse belastingen, op produkten uit het land zelf gelegd, dan behoeft daaraan geen einde te worden gemaakt. In die jurisprudentie vindt de neutraliteit van de omstreden accijns, welker heffing uitsluitend afhankelijk is gesteld van de objectieve vaststelling der gebruikte grondstof, bevestiging. Wil men voor een verlaagde accijns in aanmerking komen, dan moet voldaan zijn aan een objectieve voorwaarde, die zowel door de producenten uit het land zelf als door producenten uit de Gemeenschap kan worden vervuld.

b) Voor een gedifferentieerde fiscale behandeling bestaat in casu een speciale rechtvaardiging. Men is er geenszins op uit produkten uit de Gemeenschap harder aan te pakken; men wil slechts produkties die voor een bijzondere bescherming in aanmerking komen, aanmoedigen, terwijl ook de steeds klemmender behoefte het verbruik van aardolieprodukten te beperken, een rol speelt. Het omstreden belastingvoordeel strekt ertoe de producenten van de desbetreffende grondstoffen (wijn, vruchten, suikerbieten, sorgho) een passend werkgelegenheidsniveau en een passend inkomen te verzekeren en het voortbestaan van agrarische distilleerderijen veilig te stellen. Voorts zit de bedoeling voor te komen tot een beperking van het gebruik van ethyleen ten behoeve van een produktie waarvoor, in het. algemeen belang, ook nationale en communautaire landbouwprodukten kunnen worden ingezet.

##### Conclusie

Artikel 95 van het EEG-Verdrag verbiedt volgens de vennootschap Vinal geenszins een belastingsysteem als de Italiaanse accijns op gedenatureerde ethylalcohol.

De regering van de Italiaanse Republiek acht het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk en spreekt ten principale als zijn opvatting uit dat het omstreden fiscale stelsel met artikel 95 van het EEG-Verdrag in overeenstemming is.

##### De ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

Van tweeën één: ofwel de overeenkomsten van Vinal en Orbat betreffende de levering van uitsluitend synthetische alcohol (met uitsluiting van gedenatureerde gistingsalcohol) zijn serieus te nemen en beantwoorden aan aannemelijke belangen van de koper, waarmede dan evenwel de stelling van de verwijzingsbeschikking betreffende de identieke of gelijksoortige aard van beide soorten produkten kennelijk en ten duidelijkste zou worden weersproken, zodat de beschikking geen zin meer zou hebben, dan wel men heeft, wat deze overeenkomsten betreft, te maken met een „foefje” om het Italiaanse belastingstelsel voor gedenatureerde alcohol voor het Hof van Justitie te kunnen aanvechten op de wankele basis van een volkomen fictief „hoofdgeding”; de niet-ontvankelijkheid van het verzoek zou dan zonder meer volgen uit 's Hofs jurisprudentie, met name uit het arrest van 11 maart 1980, gewezen in de zaak 104/79 (Foglia).

De gestelde discriminatie

a) Er zij op gewezen dat synthetische alcohol in het Italiaanse belastingstelsel voor gedenatureerde alcohol niet als een afzonderlijke belastingcategorie wordt beschouwd, waarvoor een speciale behandeling is weggelegd; er wordt in werkelijkheid een „bijzondere accijns” met één enkel gewoon tarief, thans: LIT 12000/hl watervrije alcohol, voorzien. Dit gewone percentage geldt voor synthetische alcohol, maar ook voor alle gedenatureerde alcohol in het algemeen, met inbegrip van alcohol, door gisting verkregen uit andere grondstoffen dan in speciale voorschriften bedoeld. Naast deze gewone regeling zouden er voor drie bepaalde groepen gedenatureerde alcohol gedifferentieerde regelingen gelden. De belasting van synthetische alcohol wordt in Italië niet in speciale voorschriften geregeld; zij valt onder een algemeen stelsel dat een onbepaalde reeks produkten volgens hetzelfde tarief treft, zonder tot ongeoorloofde discriminatie tussen produkten uit het eigen land en ingevoerde produkten te leiden.

b) Als geheel houdt het Italiaanse belastingstelsel voor gedenatureerde alcohol geen enkele schending in van de beginselen van artikel 95 van het EEG-Verdrag, ook niet wanneer men bij wege van hypothese aanneemt dat alle soorten gedenatureerde ethylalcohol identiek, althans gelijksoortig zijn. Uit 's Hofs jurisprudentie blijkt ten duidelijkste dat artikel 95 van het Verdrag aan de vrijheid der onderscheiden Lid-Staten het belastingstelsel te kiezen dat zij voor ieder afzonderlijk produkt het meest geschikt achten, geen beperkingen stelt, dat het gemeenschapsrecht de Lid-Staten niet verbiedt ten behoeve van bepaalde soorten alcohol of bepaalde categorieën producenten fiscale voordelen — in de vorm van vrijstelling of verlaging van accijns — in uitzicht te stellen en dat het Verdrag niet verbiedt om, in het kader van nationale belastingregelingen, produkten die ter verwezenlijking van dezelfde economische doeleinden kunnen worden gebruikt, verschillend te belasten. Er is niets tegen dat de Lid-Staten fiscale voorzieningen treffen, gebaseerd op een gedifferentieerde belasting van één en hetzelfde produkt, naar gelang van de aanwezigheid van objectieve, voor verschillende situaties karakteristieke elementen, waarbij met name aan de gebruikte grondstoffen te denken valt. Discriminerende of beschermende belastingdifferentiaties zijn verboden.

c) Een gedifferentieerd belastingstelsel voor één en hetzelfde produkt of voor soortgelijke produkten kan slechts in twee gevallen met artikel 95 onverenigbaar worden verklaard: niet-toepassing van de onderscheiden subcategorieën die bij de nationale wettelijke regeling zijn vastgesteld, op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten, die aan de objectieve voorwaarden om in de betrokken subcategorie te worden ondergebracht, voldoen; ongeoorloofde discriminatie bij de afbakening — in abstracto — der fiscale subcategorieën, in die zin dat voor de afbakening van een groep aan een bepaalde belasting onderworpen produkten niet wordt gewerkt met objectieve kenmerken, die zowel bij nationale produkten als bij ingevoerde produkten kunnen worden aangetroffen, maar met kenmerken die, min of meer expliciet, met hun herkomst te maken hebben. Geen van deze beide gevallen doet zich bij de Italiaanse belastingregeling voor gedenatureerde alcohol voor. Om met artikel 95 verenigbaar te zijn, behoeft een gedifferentieerd belastingstelsel voor een en hetzelfde produkt het ingevoerde produkt niet per se te brengen onder de fiscale behandeling die de meest gunstige is van meerdere, voor het overeenkomstige nationale produkt voorziene regimes. Dat ware onaanvaardbaar en zou in de praktijk op een volkomen ontkenning van de belastingautonomie der Lid-Staten neerkomen, immers de enige vrijheid welke hun zou worden gelaten zou de absurde bevoegdheid zijn om uitsluitend ten laste van bepaalde nationale produkties te discrimineren.

d) De voorschriften van artikel 95 moeten in verband worden gebracht met de concrete fiscale categorieën, waarmede de onderscheiden nationale wettelijke regelingen werken; dat het non-discriminatiebeginsel is geëerbiedigd, dient derhalve voor de onderscheiden belastingcategorieën apart te worden vastgesteld, zonder overbodige vergelijkingen tussen produkten die tot verschillende categorieën behoren. De behandeling welke voor de onderscheiden, objectief afgebakende, groepen van produkten is weggelegd, behoort zowel op nationale als op ingevoerde produkten te worden toegepast; die eenheid van behandeling wordt in de Italiaanse wettelijke regeling betreffende gedenatureerde ethylalcohol volledig geëerbiedigd: binnen de drie verschillende groepen waarin de alcohol is ondergebracht, wordt nergens tussen nationale en ingevoerde produkten gediscrimineerd. Volgens 's Hofs jurisprudentie hebben importeurs die in aanmerking wensen te komen voor het beperkte tarief dat voor het overeenkomstige nationale produkt is voorzien, te bewijzen dat het ingevoerde produkt aan de gestelde voorwaarden voldoet; in de Italiaanse wettelijke regeling wordt aan uit andere Lid-Staten ingevoerde alcohol dezelfde behandeling verzekerd die aan de overeenkomstige nationale produkten ten deel valt, met dien verstande dat uit een door de Italiaanse overheid erkend speciaal certificaat moet blijken dat zij op volkomen dezelfde wijze worden vervaardigd — en, met name wat de gebruikte grondstoffen betreft, dezelfde eigenschappen vertonen — als die welke bij nationale produkten aanspraak geven op vrijstellingen c.q. toepassing van een verlaagd belastingtarief.

e) Noch in de behandeling welke, binnen de verschillende subcategorieën van de Italiaanse belastingwetgeving, aan ingevoerde en aan nationale produkten in uitzicht gesteld wordt, noch in de afbakening en spreiding dier subcategorieën, vertoont het Italiaanse fiscale stelsel discriminerende trekken. Met name mag geen discriminatie gelegen worden geacht in het feit dat het gewone, niet-verlaagde tarief geldt voor synthetische alcohol, die in Italië maar in geringe omvang wordt aangemaakt. Synthetische alcohol kan in alle geïndustrialiseerde landen, dus ook in Italië, gemakkelijk worden vervaardigd: Italië produceert veel ethyleen, grondstof van synthetische alcohol, en het bezit de noodzakelijke industriële structuur om met behulp van ethyleen synthetische alcohol te vervaardigen: de petrochemische industrie behoort er tot de meest ontwikkelde uit de hele Gemeenschap. De ontwikkeling van de produktie van synthetische alcohol behoeft er op geen enkel obstakel, van natuurlijke aard dan wel inherent aan de bestaande industriële structuren, af te stuiten. Dat die produktie tot nu toe niet op gang kwam, moet uitsluitend worden toegeschreven aan legitieme economische beleidskeuzen — en bij die keuzen is ook van het fiscale instrument gebruik gemaakt —; dat in Italië synthetische alcohol niet in noemenswaardige omvang wordt geproduceerd, is het gevolg van een willens en wetens aanvaard belastingstelsel. Artikel 95 stelt geen beperkingen aan de fiscale autonomie der Lid-Staten, die gerechtigd zijn aan als identiek of onderling gelijksoortig te beschouwen produkten, die binnenslands worden of kunnen worden vervaardigd, een verschillende fiscale behandeling in uitzicht te stellen; een gedifferentieerde belasting staat in zulke gevallen in hoofdzaak aan een mogelijke nationale produktie in de weg; het probleem of deze produkten wel op voet van gelijkheid worden behandeld met de produktie van andere communautaire landen is dan niet aan de orde: bij hun pogingen met zulke produkten in Italië aan de markt te komen, zouden die landen zich geplaatst zien voor dezelfde hinderpaal die — en niet voor grotere of ernstiger hinderpalen dan — de overeenkomstige nationale produktie op haar weg vindt. Voor synthetische alcohol geldt in Italië geen verlaagd tarief, doch het gewone tarief van LIT 12000/hl watervrije alcohol; door toepassing van het normale tarief heeft men willen zorgen voor condities welke de agrarische producenten van bepaalde grondstoffen een behoorlijk werkgelegenheidsniveau en een behoorlijk inkomen verzekeren, waarbij met name valt te denken aan de producenten van wijn, vruchten, suikerbieten, sorgho en suikerriet, en de agrarische distilleerderijen in staat willen stellen te overleven. De Italiaanse fiscale regeling past zeer wel in het kader van de gedifferentieerde belastingstelsels die op behoud van bepaalde produkties gericht zijn en in 's Hofs rechtspraak volkomen legaal zijn bevonden. Ook in economisch en sociaal opzicht zou een fiscale gelijkstelling van synthetische alcohol en alcohol van agrarische oorsprong misplaatst zijn: de petroleumcrisis noopt tot een drastische beperking van het verbruik en tot verstandige keuzen met betrekking tot het gebruik der hulpmiddelen. Een fiscale politiek die de produktie van alcohol uit aardolie zou begunstigen, ware onredelijk. De Italiaanse keuze: een geleidelijke beperking van het gebruik van ethyleen voor een produktie als die van alcohol waaraan de Gemeenschap, zelfs uit een oogpunt van energetische economie bezien, veel voordeliger kan komen voor gebruikmaking van andere hulpmiddelen, is alleszins logisch en legitiem. Die keuze houdt geen discriminatie in tussen produkten uit het land zelf en ingevoerde produkten. De belasting van LIT 12000/hl watervrije alcohol treft vooral de nationale produktie; in het feit dat zij, zonder enige discriminatie, ook de produktie van andere landen der Gemeenschap belemmert, is geen schending van artikel 95 gelegen. In artikel 95 wordt het bevorderen of tegengaan van een produktie geenszins verboden; het verlangt slechts dat de desbetreffende maatregelen gelijkelijk voor produkten uit eigen land en voor produkten uit de Gemeenschap gelden. Dit is het geval met de Italiaanse fiscale regeling voor gedenatureerde alcohol.

f) Met betrekking tot de vraag of men in het hoofdgeding met dezelfde of soortgelijke produkten te doen heeft, zij vastgesteld dat de verschillende soorten gedenatureerde alcohol, ook al is er dezelfde chemische formule op van toepassing, niet in allen dele economisch fungibel zijn in die zin dat de gebruikte grondstof en het vervaardigingsprocédé voor het handelsverkeer ieder belang verliest. Synthetische alcohol vertoont, met alcohol van agrarische oorsprong vergeleken, belangrijke objectieve verschillen en een op industriële schaal toegepaste chemische synthese is heel iets anders dan het distilleren van produkten van de bodem. De verschillende produktiecondities leiden voor beide soorten produkten tot zo zeer verschillende prijsstructuren dat zij, ook al bestaat er tussen de eindprodukten wellicht een concurrentieverhouding, in fiscaal opzicht niet zonder meer met elkaar kunnen worden vergeleken. Volgens het arrest, door het Hof op 27 februari 1980 gewezen in de zaak 170/78 (Commissie t. Verenigd Koninkrijk) ontkomt men bij twee concurrerende produkten, waarvoor verschillende produktiecondities gelden, niet aan een precisering van de als juist te beschouwen belastingverhouding. Een belastingrechtelijke egalisatie van alle gedenatureerde alcohol wordt in ieder geval niet verlangd.

##### Voorgestelde beantwoording

Mocht het Hof geen termen aanwezig achten het verzoek or een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk te verklaren, dan zou het de gestelde vragen als volgt kunnen beantwoorden:

1\. Een fiscaal stelsel dat tussen gelijke of soortgelijke produkten naar de gebruikte grondstof differentieert, is niet in strijd met artikel 95 van het EEG-Verdrag, zolang zulke gedifferentieerde fiscale behandelingen in dezelfde omstandigheden ook op produkten uit andere Lid-Staten worden toegepast;

2\. Zulk een belastingstelsel, dat tussen gelijke of soortgelijke produkten differentieert, is ook niet met artikel 95 in strijd te achten op de enkele grond dat men door toepassing van het hoogste tarief het doel de overeenkomstige produktie binnenslands af te remmen, heeft bereikt;

3\. Van strijd met artikel 95 kan in zodanig geval slechts sprake zijn wanneer met de vaststelling van gedifferentieerde percentages uitsluitend wordt beoogd produkties welke, om objectieve redenen, op het nationale grondgebied niet mogelijk zijn, tegen te gaan.

De Commissie is van oordeel dat in casu voldaan is aan de voorwaarden, waaronder volgens artikel 177 van het EEG-Verdrag het Hof van Justitie kan worden geadieerd en acht de Italiaanse regeling betreffende de speciale accijns met artikel 95 in strijd.

##### Het processueel aspect van de zaak

a) Tussen partijen in het hoofdgeding wordt in feite een geding gevoerd over de vraag of Vinal gerechtigd was van Orbat het bedrag terug te vorderen van de speciale accijns die zij bij invoer van een partij gedenatureerde ethylalcohol van synthetische oorsprong had betaald. De in de verwijzingsbeschikking gestelde vragen betreffende de uitlegging van artikel 95 schijnen dus geheel ter zake.dienende te zijn.

b) Ook tegen het feit dat de nationale rechter zich, met het oog op de in het hoofdgeding te nemen beslissing, genoodzaakt heeft geacht het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing te verzoeken, kan geen bezwaar worden gemaakt

c) Waar importeur Vinal niet rechtstreeks tegen het bevoegde Italiaanse gezagsorgaan heeft geageerd ter betwisting van de rechtmatigheid van de bij inklaring der waar betaalde speciale accijns, zij vastgesteld dat alle burgers, ongeacht de aard hunner werkzaamheden, aan artikel 95 subjectieve rechten ontlenen. Wie in het bezit is van een subjectief recht, mag zich ook tot de rechter wenden, en dat recht oefent hij, geheel zelfstandig en naar eigen verkiezing, uit zodra hij er belang bij heeft zijn subjectieve recht, bedreigd door vorderingen van een derde, particulier of overheidsorgaan, te zien beschermd. Gooit een importeur het hoofd in de schoot, dan wordt daardoor geen beperking gesteld of afbreuk gedaan aan het behoud c.q. de mogelijkheid tot uitoefening van het subjectieve recht van economische subjecten, optredende in een latere fase van het proces van voortbrenging en verhandeling, c.q. aan hun recht zich tot de rechter te wenden. Orbat is volkomen gerechtigd om zelfstandig en onvoorwaardelijk gebruik te maken van de prerogatieven welke het Verdrag hem toekent; zij heeft er een werkelijk belang bij het geding voort te zetten en bij het Hof een prejudiciële beslissing uit te lokken, waarvan de bescherming van het in artikel 95 van het Verdrag besloten liggende subjectieve recht — en de zekerheid te kunnen ontkomen aan de fiscale discriminatie welke de speciale accijnsregeling kenmerkt — afhankelijk zijn. Dat de nationale rechter er belang bij heeft het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, is eveneens buiten kijf: hij heeft te beoordelen of de vordering van eiseres in het hoofdgeding rechtens gegrond is.

d) Ook op het feit dat het bodembeschil in het kader van de uitvoering van een contract tussen twee particuliere vennootschappen en niet tussen een particulier en een overheidslichaam is ontstaan, kan een tot het Hof gericht prejudicieel verzoek niet afstuiten. De nationale rechterlijke instanties zijn gehouden in alle bij hen aanhangig gemaakte zaken uitspraak te doen, ook in „principiële” zaken over geschillen waarin, economisch gezien, weinig op het spel staat. Zou artikel 177 er niet zijn, dan zouden zij ambtshalve het gemeenschapsrecht volgens nationale uitleggingscriteria toepassen; men zou dan beleven, hoe het van staat tot staat, ja zelfs binnen één en dezelfde staat, tot een verschillende jurisprudentie kwam. In gevallen van conflict tussen de uitspraken van verschillende, nationale en communautaire, rechterlijke instanties, die allen gelijkelijk soeverein en onafhankelijk zouden zijn en met eenzelfde materiële bevoegdheid bekleed, zou de eenheid van het gemeenschapsrecht, de uniformiteit van de uitlegging van dat recht, de toepasselijkheid ervan en zijn voorrang jegens het nationale recht, onherstelbaar worden verstoord. Alleen door artikel 177 kan aan justitiabelen die wensen op te komen voor hun rechten die door verzuimen der Lid-Staten worden aangetast, een juiste en uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht worden verzekerd. Het inperken van de in artikel 177 gegeven processuele mogelijkheden zou neerkomen op een inperking, in dezelfde mate, van de subjectieve rechten der justitiabelen. Zou het Hof zich in deze zaak onbevoegd verklaren, dan zou die uitspraak terstond afbreuk doen aan het gezag van de arresten welke het tot nu toe in zulke procedures heeft gewezen. Het precedent, door het Hof geschapen in het op 11 maart 1980 in zaak 104/79 (Foglia) gewezen arrest, mist dus in casu toepassing.

e) Ook tussen de onderhavige zaak en het geding dat leidde tot het arrest, door het Hof op 22 november 1978 gewezen in de zaak 93/78 (Mattheus; Jurispr. blz. 2203) bestaat geen analogie: in casu wordt het Hof verzocht om uitlegging van een verdragsbepaling waaraan subjectieve rechten worden ontleend, in verband met bestaande nationale voorschriften van welker rechtmatigheid de afloop van het hoofdgeding afhankelijk is, terwijl men in de zaak 93/78 te maken had met een geding van volkomen abstracte, theoretische aard, waarvan de verenigbaarheid van enigerlei nationaal rechtsvoorschrift met het gemeenschapsrecht niet de inzet vormde; bovendien is artikel 237 geschreven voor internationale verhoudingen en ontlenen particulieren er geen subjectieve rechten aan; in zaak 93/78 was dan ook geen enkel probleem, de rechtsbescherming van particulieren betreffende, gerezen.

##### De gelijkheid der betrokken produkten

a) De Commissie herinnert eraan dat zuivere ethylalcohol door distillatie van bodemprodukten (granen, wijn, druivenmoer, vruchten, aardappelen, suikerriet, suikerbieten, melasse van suikerriet of suikerbieten, hout enz.) dan wel door synthese van delfstoffen e.d. (aardolie of steenkool) wordt verkregen. Ondanks deze tweeledige, agrarische dan wel minerale oorsprong, zijn deze verschillende alcoholsoorten, chemisch gezien, identiek (C2H 5OH); aan het eindprodukt kan de oorsprong slechts met behulp van hachelijke en gecompliceerde chemische analyses, uitgaande van de mate van radioactiviteit, worden afgelezen. Vertonen beide produkten na distillatie of synthese dus dezelfde zuiverheidsgraad, dan kunnen de verschillende soorten ethylalcohol ook voor elkander in de plaats treden en zonder onderscheid voor alle doeleinden worden gebruikt. Ethylalcohol wordt vooral gebruikt voor menselijke consumptie (alcoholhoudende dranken, voedings- en pharmaceutische preparaten) en voor industrieel verbruik (vernissen, emails, oplosmiddelen, cosmetische en parfumerieartikelen, essences, plastisch materiaal, enz.). Om puur economische redenen is in twee Lid-Staten, waaronder Italië, bij de wet het gebruik van synthetische ethylalcohol in voor menselijke consumptie bestemde preparaten verboden. Uit een en ander blijkt wel dat synthetische alcohol en agrarische alcohol, in aanmerking genomen de behoeften waarin door deze produkten moet worden voorzien, niet slechts op elkander gelijken, doch werkelijk identiek zijn. Beide soorten alcohol zijn dan ook in dezelfde onderverdeling (22.08 A) van het douanetarief ondergebracht.

b) Gedenatureerde alcohol is niets anders dan ethylalcohol, die door een denaturerend produkt is gecorrigeerd in die zin dat de smaak ervan is gewijzigd en wordt voorkomen dat men het produkt voor menselijke voeding gebruikt. De denaturering geschiedt in hoofdzaak om fiscale redenen: voor gedenatureerde alcohol die voor de industrie bestemd is, gelden de belastingen op alcohol bestemd voor menselijke consumptie, niet. Tussen de onderscheiden soorten gedenatureerde alcohol bestaat, evenals tussen de onderscheiden soorten pure alcohol waaruit zij worden verkregen, niet slechts gelijkenis, maar identiteit. Zij zijn in dezelfde onderverdeling (22.08 A: gedenatureerde ethylalcohol, ongeacht de sterkte) van het douanetarief ondergebracht.

De schending van artikel 95

a) Gedenatureerde alcohol valt volgens de Italiaanse fiscale regeling noch onder de op fabricage van het produkt geheven belasting noch onder de normale accijns; wel wordt er een bijzondere accijns geheven, te weten LIT 1000/hl watervrije alcohol, wanneer de alcohol uit melasse of soortgelijke stoffen, uit sorgho en uit suikerriet wordt gewonnen, en LIT 12000/hl als het gaat om andere, onder meer synthetische, alcohol. Deze gedifferentieerde fiscale behandeling zou haar verklaring vinden in het feit dat alle in Italië verbruikte gedenatureerde ethylalcohol (655038 hl watervrije alcohol in 1977) van in het land zelf gefabriceerde alcohol afkomstig is, en wel goeddeels van melasse van suikerbieten; synthetische alcohol wordt evenwel in Italië niet vervaardigd en van de ingevoerde partijen wordt het volledige tarief van LIT 12000/hl geheven. In werkelijkheid zijn de importen van synthetische alcohol zeer beperkt: de fiscale last is ruimschoots voldoende om het belang der importeurs te neutraliseren en de in het land zelf gefabriceerde alcohol aan een gepriviligieerde concurrentiepositie te helpen. Het lagere percentage van de bijzondere accijns begunstigt rechtstreeks de Italiaanse produktie van gedenatureerde ethylalcohol, afkomstig uit alcohol getrokken uit melasse van suikerbieten en indirect de Italiaanse produktie van suikerbieten en melasse van suikerbieten.

b) De Commissie heeft de Italiaanse Republiek op 31 juli 1978 een met redenen omkleed advies als bedoeld in artikel 169 van het EEG-Verdrag doen toekomen, waarin de Italiaanse regering werd uitgenodigd om binnen twee maanden de bepalingen betreffende de bijzondere accijns zodanig te wijzigen dat de strijd met artikel 95 van het Verdrag werd opgeheven. Toen aan dit met redenen omklede advies geen gevolg werd gegeven, was de Commissie voornemens zich op korte termijn tot het Hof van Justitie te wenden. In haar met redenen omkleed advies had de Commissie verklaard dat er haars inziens, voor een juiste toepassing van artikel 95, geen acht behoefde te worden geslagen op factoren verband houdende met de grondstoffen die bij de vervaardiging van de verschillende soorten gedenatureerde ethylalcohol waren gebruikt dan wel met het fabricageprocédé. Voorts mocht er haars inziens in casu, ter rechtvaardiging van het feit dat er alleen voor gedenatureerde alcohol van suikerbietenmelasse een verlaagd tarief geldt, niet met economische of sociale argúmenten worden gewerkt: zij vermogen de niet-inachtneming van artikel 95 niet te rechtvaardigen en het nemen van eventuele steunmaatregelen ten behoeve van de produktie van suikerbieten of melasse van suikerbieten zou thans, nu er bij verordening nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974 (PB L 359, biz. 1) een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker is gekomen, uitsluitend op de weg liggen van de instellingen van de Gemeenschap. In het Italiaanse belastingregime voor gedenatureerde alcohol zouden energetische of ecologische doeleinden geen rol spelen; met de beginselen die het Hof deed gelden in zijn op 8 januari 1980 gewezen arrest in de zaak 21/79 (Commissie t. Italiaanse Republiek; geregenereerde aardolieprodukten) zou in casu niet kunnen worden gewerkt.

c) De fiscale regeling waartoe de omstreden bijzondere accijns behoort, zou slechts met artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag verenigbaar kunnen worden geacht, wanneer er eenzelfde belastingpercentage geldt voor in het land zelf gefabriceerde produkten en soortgelijke, uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten, waaronder gedenatureerde ethylalcohol van synthetische oorsprong. Deze conclusie lijkt in de lijn te liggen van de beginselen, die het Hof in zijn arresten van 27 februari 1980 betreffende de fiscale regeling voor alcoholhoudende dranken heeft ontwikkeld.

d) De beide aan het Hof gestelde vragen zouden als volgt moeten worden beantwoord: Artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag verlangt voor het geval dat een nationale fiscale regeling met behulp van vrijstellingen of toepassing van een lager tarief, de produktie begunstigt van bepaalde soorten gedenatureerde ethylalcohol, bijvoorbeeld die van gedenatureerde ethylalcohol getrokken van alcohol van melasse, dat die voordelen ook gelden voor soortgelijke gedenatureerde ethylalcohol, bijvoorbeeld gedenatureerde ethylalcohol getrokken uit synthetische alcohol ingevoerd uit andere Lid-Staten, en wel zulks ongeacht de gebruikte grondstoffen en de procédés, gebruikt ter vervaardiging van de verschillende soorten gedenatureerde ethylalcohol. Beantwoording van de beide eerste vragen in de voorgestelde zin zou medebrengen dat de derde vraag zonder voorwerp raakt.

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 30 september 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en door het Hof gestelde vragen beantwoord door de vennootschap Vinal, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G. Marchesini, de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door M. Conti, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Abate.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 11 november 1980 zijn conclusie genomen.

### In rechte

1. De pretore te Casteggio heeft bij op 4 februari 1980 ingekomen beschikking van 30 januari 1980 het Hof drie vragen gesteld, de uitlegging van artikel 95 van het EEG-Verdrag betreffende, welke uitlegging genoemde rechter in staat moet stellen de verenigbaarheid met het Verdrag te beoordelen van de gedifferentieerde belastingregeling welke, krachtens wetsbesluit nr. 1200 van 6 oktober 1948, zoals gewijzigd bij wetsbesluit nr. 836 van 16 september 1955, en artikel 3 van wet nr. 506 van 18 augustus 1978, wordt toegepast op gedenatureerde synthetische ethylalcohol en door gisting verkregen, gedenatureerde ethylalcohol.

2. Deze vragen zijn gesteld in een burgerlijk geding, waarin de uitlegging in geschil was van een overeenkomst, in januari 1980 aangegaan tussen verzoekster in het hoofdgeding, de alcohol producerende en importerende naamloze vennootschap Vinal, en de naamloze vennootschap Orbat, betreffende de levering van een partij gedenatureerde synthetische alcohol van oorsprong uit Frankrijk.

3. Blijkens de verwijzingsbeschikking betwist de vennootschap Orbat, verweerster in het hoofdgeding, niet, dat zij de overeengekomen prijs heeft te betalen, maar maakt zij er bezwaar tegen dat in casu de bijzondere accijns van LIT 12000 per hectoliter watervrije alcohol is geheven, zodat zij zich alleen bereid verklaart aan verzoekster de bijzondere accijns van LIT 1000/hl — voor door gisting verkregen, gedenatureerde alcohol — terug te betalen. Zij stelt de heffing van bedoelde belasting van LIT 12000/hl gedenatureerde synthetische alcohol, gezien artikel 95 van het EEG-Verdrag, ongeoorloofd te achten, omdat er een in genoemd artikel verboden fiscale discriminatie in besloten zou liggen.

4.

Teneinde het geschil tot oplossing te kunnen brengen, heeft de pretore het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:

a) Moet artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd dat als „gelijksoortig” zijn te beschouwen twee produkten die uit verschillende grondstoffen zijn vervaardigd maar die voor dezelfde gebruiksdoeleinden geschikt zijn en dezelfde bruikbaarheid hebben?

b) Zo ja, moet artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag dan worden opgevat in die zin, dat als verboden is te beschouwen de heffing van belastingen die formeel gelijkelijk op het communautaire en het gelijksoortige natio-. naie produkt drukken, maar in feite een fiscale discriminatie meebrengen ten nadele van gelijksoortige produkten van de andere Lid-Staten, omdat het zwaarder belaste produkt uitsluitend wordt ingevoerd en het minder zwaar belaste produkt hoofdzakelijk van binnenlandse herkomst is?

c) Ingeval één van de voorgaande vragen ontkennend zou worden beantwoord, moet dan artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag in casu aldus worden uitgelegd dat het verboden is een hoofdzakelijk uit andere Lid-Staten afkomstig produkt zwaarder te belasten, waardoor een concurrerend nationaal produkt wordt beschermd?

#### 's Hofs bevoegdheid

5. De Italiaanse regering heeft de toelaatbaarheid van de prejudiciële vraag van de pretore te Casteggio in twijfel getrokken. Hij vraagt zich af of het voor de nationale rechter aangespannen geding geen fictief karakter draagt, of er in casu van de procedure van artikel 177 geen gebruik wordt gemaakt om, zonder dat er sprake is van een werkelijk geding waarin tussen partijen vragen van gemeenschapsrecht zijn gerezen, de Italiaanse staat in rechte te betrekken en of de onderhavige situatie niet moet worden gelijkgesteld met die welke zich heeft voorgedaan in zaak 104/69 *(Foglia en Novello),* waarin het Hof zich op 11 maart 1980 onbevoegd verklaarde over de vragen van de nationale rechter uitspraak te doen.

6. In deze tegenspraak, zoals die in de schriftelijke opmerkingen van de Italiaanse regering te vinden is, vond het Hof aanleiding bij partijen nadere inlichtingen in te winnen.

7. Kennis genomen hebbende van de op zijn vragen gegeven antwoorden, meent het Hof evenwel, zonder in te gaan op de punten van twijfel die door de Italiaanse regering werden voorgedragen, aanstonds te kunnen overgaan tot behandeling van de zaak ten principale.

#### Ten principale

8. Blijkens de verwijzingsbeschikking acht verweerster in het hoofdgeding het Italiaanse belastingstelsel om twee redenen niet met artikel 95 van het Verdrag verenigbaar: gedenatureerde synthetische alcohol zou soortgelijk zijn aan, ja identiek met, door gisting verkregen, gedenatureerde alcohol, en synthetische alcohol zou in Italië uitsluitend worden geïmporteerd, terwijl de in die staat verhandelde niet-synthetische en gedenatureerde alcohol, uitsluitend in het land zelf zou worden geproduceerd. Ondanks de in formele zin gelijke fiscale behandeling, zou het uit andere Lid-Staten herkomstige, gelijksoortige produkt in feite zwaarder worden belast dan het nationale produkt.

9. De Commissie is het hiermede in beginsel eens: ondanks de tweeledige oorsprong der beide betrokken produkten — de voornamelijk uit aardolie gewonnen synthetische alcohol en gistingsalcohol, door distilleren van bodemprodukten (granen, wijn, vruchten, aardappelen, suikerbieten, melasse) verkregen — zou men hier te doen hebben met twee chemisch identieke produkten, die elkander, wat de gebruiksmogelijkheden betreft, volkomen kunnen substitueren. De twee produkten zouden niet slechts gelijkenis met elkander vertonen, doch, in aanmerking genomen de behoeften waarin zij moeten voorzien, werkelijk identiek zijn. Zij zouden ook onder dezelfde onderverdeling — 22.08 A — van het douanetarief vallen: „gedenatureerde ethylalcohol, ongeacht de sterkte.” Dat de Italiaanse wet voor gedenatureerde synthetische alcohol enerzijds en voor gedenatureerde gistingsalcohol anderzijds een verschillend belastingpercentage voorziet, zou er, nu Italië geen synthetische alcohol produceert, toe leiden dat de invoer van dit produkt uit andere Lid-Staten praktisch onmogelijk wordt, met rechtstreekse begunstiging van de nationale produktie van gistingsalcohol. De Commissie is dan ook van mening dat voor gedenatureerde synthetische alcohol, als een met gedenatureerde gistingsalcohol gelijk te stellen produkt, bij invoer uit andere Lid-Staten hetzelfde belastingpercentage behoort te gelden.

10. Verzoekster in het hoofdgeding is evenwel van mening dat het Italiaanse belastingstelsel zich met artikel 95 verdraagt. Zij wijst erop dat Italië beschikt over een aanzienlijke produktie van ethyleen, een derivaat van aardolie, dienende voor de vervaardiging van synthetische alcohol; bij een in ieder geval potentiële produktie van deze waar, mag het er niet voor worden gehouden dat er ten nadele van ingevoerde synthetische alcohol wordt gediscrimineerd. De vennootschap Vinal tracht te bewijzen dat er tussen Italiaanse en ingevoerde alcohol in het geheel niet wordt gediscrimineerd. Kennelijk zou er, bij de toepassing van het Italiaanse belastingstelsel, tewerk worden gegaan volgens objectieve criteria, gelijkelijk geldende voor Italiaanse produkten en produkten van de andere Lid-Staten. Het gedifferentieerde belastingstelsel zou in casu met name een rechtvaardiging vinden in de omstandigheid dat het bedoeld is om produkties die bijzondere bescherming verdienen, te weten de verwerking van een aantal landbouwprodukten, aan te moedigen en het verbruik van aardolieprodukten naar evenredigheid te beperken.

11. Het betoog van de vennootschap Vinal is door de Italiaanse regering nader ontwikkeld. Zij herinnert eraan dat het Hof in een aantal arresten aan de Lid-Staten, zelfs voor identieke produkten, de mogelijkheid heeft ingeruimd om bij de belastingheffing te differentiëren volgens objectieve criteria, zoals de produktieomstandigheden en de gebezigde grondstoffen (arrest, op 22 juni 1976 gewezen in de zaak 127/75, *Bobie,* Jurispr. blz. 1079; arrest, op 10 oktober 1978 gewezen in de zaak 148/77, *Hansen,* Jurispr. blz. 1787; arrest, op 8 januari 1980 gewezen in de zaak 21/79, *Commissie* t. *Italië,* Jurispr. blz. 8). Het Hof zou zulke regelingen met het Verdrag verenigbaar achten, wanneer er met objectieve factoren wordt gewerkt en er geen discriminatie of protectie in besloten ligt.

12. Het litigieuze stelsel zou evenwel aan deze eisen voldoen. Dat er bij de belasting van synthetische en gistingsalcohol in Italië wordt gedifferentieerd, zou moeten worden toegeschreven aan een economische beleidskeuze, daarin gelegen dat men de produktie van uit landbouwprodukten gewonnen alcohol zou willen begunstigen en, naar evenredigheid, de verwerking van alcohol, gewonnen uit ethyleen, een derivaat van aardolie, zou hebben willen afremmen, teneinde bedoelde grondstof voor andere, in economisch opzicht prioritaire gebruiksmogelijkheden te reserveren: rechtmatige economische beleidskeuze, langs fiscale weg verwezenlijkt. De uitvoering van dit beleid zou niet tot discriminatie leiden: gaat zij de invoer van synthetische alcohol in Italië tegen, tevens belet zij dat er een, technisch alleszins mogelijke, produktie van alcohol op basis van ethyleen tot ontwikkeling komt.

13. Zoals het Hof, onder meer in de door de Italiaanse regering genoemde arresten, meermalen heeft overwogen, staat het gemeenschapsrecht in de huidige stand zijner ontwikkeling niet in de weg aan de vrijheid der onderscheiden Lid-Staten om, met behulp van objectieve criteria, zoals de aard van de grondstoffen of de toegepaste produktieprocédés, voor bepaalde produkten een systeem van gedifferentieerde belastingen vast te stellen. Zulke differentiaties verdragen zich met het gemeenschapsrecht, wanneer zij gericht zijn op de verwezenlijking van economische beleidsoogmerken die, op hun beurt, met de in het Verdrag en in het afgeleide recht gestelde eisen verenigbaar zijn en wanneer in de uitvoeringsbepalingen alle mogelijke, rechtstreekse of indirecte, discriminatie jegens importen uit derde landen en/of iedere vorm van bescherming van concurrerende nationale produkten, wordt vermeden.

14. Een gedifferentieerde belasting van gedenatureerde synthetische alcohol enerzijds, gedenatureerde gistingsalcohol anderzijds, zoals die in Italië bestaat, voldoet aan genoemde eisen. Met deze belastingregeling blijkt een rechtmatig industrieel beleidsdoel te worden nagestreefd in die zin dat zij het distilleren van landbouwprodukten, vergeleken met de vervaardiging van alcohol op grondslag van aardoliederivaten, begunstigt. Van strijd tussen zulk een beleidskeuze en de regelen van het gemeenschapsrecht of de eisen van een in communautair kader vastgesteld beleid, is geen sprake.

15. In de uitvoeringsbepalingen der voor de nationale rechter aangevochten regeling is geen discriminatie besloten te achten, wanneer enerzijds voor de invoer van gistingsalcohol uit andere Lid-Staten dezelfde fiscale behandeling is weggelegd als voor Italiaanse gistingsalcohol, en anderzijds het voor synthetische alcohol voorziene belastingpercentage de invoer van dit produkt uit andere Lid-Staten weliswaar afremt, doch op het nationale grondgebied een vergelijkbaar economisch effect sorteert, immers een rendabele produktie van hetzelfde produkt door de Italiaanse industrie niet van de grond laat komen.

16. Op grond van een en ander dienen de vragen van de pretore te Casteggio als volgt te worden beantwoord.

17. In antwoord op de eerste en tweede vraag tezamen dient te worden uitgesproken dat een belastingsysteem niet met artikel 95, eerste alinea, van het EEG-Verdrag in strijd komt, wanneer het medebrengt dat de gebruikte grondstof en de ter vervaardiging van elk van beide produkten toegepaste procédés in aanmerking genomen, gedenatureerde synthetische alcohol zwaarder wordt belast dan gedenatureerde gistingsalcohol, zolang bedoelde bepalingen op elk van beide categorieën van alcohol, indien van oorsprong uit de andere Lid-Staten, gelijkelijk worden toegepast. Zulk een belastingstelsel is zelfs gerechtvaardigd, wanneer de betrokken produkten, ofschoon uit verschillende grondstoffen verkregen, voor hetzelfde gebruik kunnen dienen en zich voor dat gebruik ook gelijkelijk lenen.

18. In antwoord op de derde vraag dient te worden uitgesproken dat de toepassing van zulk een belastingstelsel niet op de enkele grond dat zij in feite leidt tot een zwaardere belasting van het produkt dat uitsluitend uit de andere Lid-Staten van de Gemeenschap wordt ingevoerd, kan worden geacht een indirecte bescherming van de nationale produktie van gistingsalcohol in te houden, wanneer door de belasting van synthetische alcohol op het nationale grondgebied een rendabele produktie van die soort alcohol niet tot ontwikkeling heeft kunnen komen.

#### De kosten

19. De kosten, door de regering van de Italiaanse Republiek en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Waar de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, staat het aan de nationale rechter over de kosten te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de vragen, door de pretore te Casteggio bij beschikking van 30 januari 1980 gesteld,

verklaart voor recht:

1\. Een belastingsysteem komt niet met artikel 95, eerste alinea, van het EEG-Verdrag ín strijd, wanneer het medebrengt dat de gebruikte grondstof en de ter vervaardiging van elk van beide produkten toegepaste procédés in aanmerking genomen, gedenatureerde synthetische alcohol zwaarder wordt belast dan gedenatureerde gistingsalcohol, zolang bedoelde bepalingen op elk van beide categorieën van alcohol, indien van oorsprong uit de andere Lid-Staten, gelijkelijk worden toegepast. Zulk een belastingstelsel is zelfs gerechtvaardigd, wanneer de betrokken produkten, ofschoon uit verschillende grondstoffen verkregen, voor hetzelfde gebruik kunnen dienen en zich voor dat gebruik ook gelijkelijk lenen.

2\. De toepassing van zulk een belastingstelsel kan niet op de enkele grond dat zij in feite leidt tot een zwaardere belasting van het produkt dat uitsluitend uit de andere Lid-Staten van de Gemeenschap wordt ingevoerd, worden geacht een indirecte bescherming van de nationale produktie van gistingsalcohol — in de zin van artikel 95, tweede alinea, van het EEG-Verdrag — in te houden, wanneer door de belasting van synthetische alcohol op het nationale grondgebied een rendabele produktie van die soort alcohol niet tot ontwikkeling heeft kunnen komen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

3

EEG-Verdrag art. 95 uitgelegd 22 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 1 voorkomen

## Rechtspraak

5

### Europese Unie

5

Conclusie van advocaat-generaal Cruz Vilaça 356/85 26.02.1987

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-356-85-conclusie)

Conclusie van advocaat-generaal Mischo 200/85 01.10.1986

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 169](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-200-85-conclusie)

Conclusie van advocaat-generaal Slynn 278/83 06.03.1985

#### [EEG-Verdrag art. 95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-278-83-conclusie)

## Rechtsleer

5

Barents, René: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1981 p.748-751 (NL)

Wyatt, Derrick: Following up Foglia: Why the Court is Right to Stick, European Law Review 1981 p.447-451 (EN)

Kellermann, Alfred E.: Cahiers de droit européen 1981 p. 582-587 (FR)

Gormley, Laurence: Taxation of Denatured Alcohol in Italy, European Law Review 1982 p.49-52 (EN)

Barents, René: Annotaties Hof van Justitie EG (Ed. W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle) 1995 p.497-500 (NL)
