---
title: "HvJ EU, C-446/03, Marks &amp; Spencer plc, arrest van 13 december 2005 · Vennootschapsbelasting, vennootschapsgroepen"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 december 2005, C-446/03, Marks & Spencer plc: vennootschapsbelasting, vennootschapsgroepen."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-446-03-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-446-03-arret"
---

# Arrest van het Hof van 13 december 2005, C-446/03, Marks & Spencer plc · Vennootschapsbelasting, vennootschapsgroepen, belastingaftrek, winst van moedervennootschappen, aftrek van verlies van ingezeten dochtervennootschap, machtiging, aftrek van in andere lidstaat geleden verlies van niet-ingezeten dochtervennootschap, daarvan uitgesloten

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Grote kamer

**Zaak**

C-446/03

**ECLI**

ECLI:EU:C:2005:763

**Datum**

13 december 2005

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

High Court of Justice (Chancery Division), Chancery Division (Verenigd Koninkrijk) beslissing van 16 juli 2003 CH/2003/APP/181

**Zaak ingediend op**

22 oktober 2003

**Advocaat-generaal**

Poiares Maduro

**Nationale beslissing na het arrest**

High Court of Justice (England & Wales), Chancery Division beslissing van 10 april 2006 CH/2003/APP/0054 ; \[2006\] EWHC 811 (Ch) ; Court of Appeal (England & Wales), Civil Division beslissing van 20 februari 2007 \[2007\] EWCA Civ 117

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 2005, blz. I-10837

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Gulmann

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Vrij verkeer van personen en diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04%2C578-4.04) [Vrijheid van vestiging](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.03%2C578-4.04.02) 156 beslissingen

## Tekst

63 paragrafen

### Arrest

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 43 EG en 48 EG.

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Marks & Spencer plc (hierna: „Marks & Spencer”) en de Britse belastingadministratie over de afwijzing door deze laatste van een door Marks & Spencer ingediend verzoek om het verlies van haar in België, Duitsland en Frankrijk gevestigde dochtervennootschappen te mogen aftrekken van haar in het Verenigd Koninkrijk belastbare winst.

### Het nationale rechtskader

3. De in het hoofdgeding van toepassing zijnde bepalingen van nationaal recht zijn vervat in de Income and Corporation Tax Act 1988 (wet van 1988 inzake de inkomsten- en vennootschapsbelasting; hierna: „ICTA”). Ze worden hierna weergegeven op basis van de informatie die in de verwijzingsbeslissing is verstrekt.

#### Onderwerping aan de vennootschapsbelasting

4. Overeenkomstig sections 6(1) en 11(1) ICTA wordt vennootschapsbelasting geheven over de winst van vennootschappen die hetzij in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd, hetzij daar handelsactiviteiten uitoefenen via een filiaal of een agentschap.

5. Section 8(1) ICTA bepaalt dat ingezeten vennootschappen vennootschapsbelasting zijn verschuldigd over hun wereldwijde winst. Overeenkomstig section 11(1) zijn niet-ingezeten vennootschappen alleen over de winst van hun in het Verenigd Koninkrijk gevestigde filialen of agentschappen vennootschapsbelasting verschuldigd.

6. Krachtens de belastingverdragen die het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland onder meer met het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek heeft gesloten, zijn de buitenlandse dochtervennootschappen van ingezeten vennootschappen als niet-ingezeten vennootschappen alleen voor de handelsactiviteiten die in deze lidstaat worden uitgeoefend via een vaste inrichting in de zin van deze verdragen, onderworpen aan de vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk.

7. Ter voorkoming van dubbele belasting heeft het Verenigd Koninkrijk een systeem van belastingkrediet ingevoerd.

8. Dit systeem vertoont met name de volgende twee aspecten.

9. In de eerste plaats wordt een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap die in een andere lidstaat via een daar gevestigd filiaal handelsactiviteiten uitoefent, hetzij in het Verenigd Koninkrijk belast over de winst van dat filiaal en mag ze de in die andere lidstaat betaalde belasting aftrekken van de verschuldigde belasting, hetzij ertoe gemachtigd, de in de andere lidstaat betaalde belasting in mindering te brengen bij de berekening van het fiscale resultaat van het filiaal in het Verenigd Koninkrijk. De bedrijfswinst van het filiaal wordt vastgesteld volgens de fiscale regels van het Verenigd Koninkrijk. Een bedrijfsverlies kan worden verrekend met de winst van de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap. Het niet-verrekende verlies kan worden overgedragen naar latere boekjaren. Dat het verlies in de andere lidstaat kan worden verrekend met de toekomstige winst van het filiaal, staat niet eraan in de weg dat het wordt verrekend met de winst in het Verenigd Koninkrijk.

10. In de tweede plaats wordt een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap die in een andere lidstaat handelsactiviteiten uitoefent via een daar gevestigde dochtervennootschap, in het Verenigd Koninkrijk belast over de door deze dochtervennootschap uitgekeerde dividenden en geniet ze een belastingkrediet ten belope van het bedrag van de belasting die in de andere lidstaat is betaald over de winst waaruit de dividenden zijn uitgekeerd, alsmede, in voorkomend geval, ten belope van het bedrag van de bronbelasting. Wanneer de wettelijke regeling inzake de gecontroleerde buitenlandse vennootschappen niet van toepassing is, wordt de moedervennootschap niet belast over de winst van haar niet-ingezeten dochtervennootschap en kan ze het verlies van deze laatste niet met haar eigen winst verrekenen.

11. Krachtens section 208 ICTA worden de dividenden die een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde moedervennootschap ontvangt van een eveneens in die lidstaat gevestigde dochtervennootschap, niet belast, anders dan de dividenden die een in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap uitkeert.

#### Bijzondere regeling voor verlies binnen vennootschapsgroepen (groepsaftrek)

12. In het Verenigd Koninkrijk kunnen de ingezeten vennootschappen van een groep op grond van de regeling inzake de groepsaftrek onderling de winst en het verlies verrekenen.

13.

Section 402 ICTA bepaalt:

> (1)„ Onder voorbehoud van de bepalingen van dit hoofdstuk en van section 492(8) kan de aftrek voor bedrijfsverlies en andere in de vennootschapsbelasting aftrekbare bedragen in de in (2) en (3) \[...\] genoemde gevallen door een vennootschap (‚de overdragende vennootschap’) op verzoek van een andere vennootschap (‚de verzoekende vennootschap’) worden overgedragen aan de verzoekende vennootschap in de vorm van een vermindering in de vennootschapsbelasting, de zogenaamde ‚groepsaftrek’.
>
> (2) De groepsaftrek wordt toegekend indien de overdragende vennootschap en de verzoekende vennootschap lid zijn van dezelfde vennootschapsgroep \[...\]”

14.

Section 403 ICTA bepaalt:

> (1)„ Wanneer de overdragende vennootschap in een boekjaar (‚het referentieboekjaar’)
>
> (a) bedrijfsverlies lijdt \[...\] kan, onder voorbehoud van de bepalingen van dit hoofdstuk, dit verlies in de vennootschapsbelasting worden afgetrokken van de totale winst van de verzoekende vennootschap voor hetzelfde boekjaar.”

15.

Met betrekking tot de vóór 1 april 2000 afgesloten boekjaren preciseert section 413 (5) ICTA:

> „Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ‚vennootschap’ slechts verstaan de rechtspersonen die ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk zijn \[...\]”

16. Na een wetswijziging waartoe het arrest van het Hof van 16 juli 1998, ICI ([C-264/96](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-264-96-arrest), Jurispr. blz. I-4695), aanleiding had gegeven, werd de regeling van de groepsaftrek met ingang van het belastingjaar 2000 van toepassing op de winst en het verlies binnen de werkingssfeer van het fiscale recht van het Verenigd Koninkrijk.

17.

Als gevolg van deze wetswijziging is het mogelijk:

—het verlies van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd filiaal van een niet-ingezeten vennootschap over te dragen aan een andere vennootschap van de groep voor aftrek van haar in het Verenigd Koninkrijk belastbare winst;

—het verlies van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap van de groep over te dragen aan het filiaal voor aftrek van zijn winst in het Verenigd Koninkrijk.

### Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

18. De vennootschap Marks & Spencer is opgericht en geregistreerd in Engeland en Wales. Zij is de moedervennootschap van verschillende vennootschappen in het Verenigd Koninkrijk en in andere staten. Zij is een van de grootste detaillisten van het Verenigd Koninkrijk in de sectoren kleding, voeding, huishoudartikelen en financiële diensten.

19. Vanaf 1975 heeft zij in andere staten vestigingen opgericht, te beginnen met een winkel in Frankrijk. Tegen het einde van de jaren negentig had zij via een netwerk van dochtervennootschappen en franchisenemers verkooppunten in meer dan 36 landen.

20. Medio de jaren negentig werd er meer en meer verlies geleden.

21. In maart 2001 heeft Marks & Spencer de stopzetting van haar activiteiten op het Europese vasteland aangekondigd. Op 31 december 2001 werd de dochtervennootschap in Frankrijk aan derden verkocht, terwijl de andere dochtervennootschappen, waaronder die in België en in Duitsland, hun handelsactiviteiten volledig stopzetten.

22. In het Verenigd Koninkrijk heeft Marks & Spencer op grond van § 6 van schedule 17A ICTA verzocht om een groepsaftrek voor het verlies dat haar in België, Duitsland en Frankrijk gevestigde dochtervennootschappen hadden geleden tijdens de vier respectievelijk op 31 maart 1998, 31 maart 1999, 31 maart 2000 en 31 maart 2001 afgesloten boekjaren. Blijkens de aan het Hof overgelegde stukken is tussen de partijen in het hoofdgeding in confesso dat het verlies moet worden vastgesteld volgens de fiscale regels van het Verenigd Koninkrijk. Op verzoek van de belastingadministratie heeft Marks & Spencer het verlies dus volgens die regels herberekend.

23. Deze dochtervennootschappen hadden hun bedrijfsactiviteiten uitgeoefend in de lidstaat waar hun zetel was gevestigd. Zij hadden geen vaste inrichting in het Verenigd Koninkrijk, waar ze geen enkele bedrijfsactiviteit uitoefenden.

24. De verzoeken om belastingaftrek werden afgewezen op grond dat een groepsaftrek alleen voor het in het Verenigd Koninkrijk geleden verlies kon worden toegekend.

25. Marks & Spencer is tegen deze weigering opgekomen bij de Special Commissioners of Income Tax, die het beroep hebben verworpen.

26.

Marks & Spencer heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen heeft gesteld:

> 1)„ Is er sprake van een beperking in de zin van artikel 43 EG juncto artikel 48 EG, wanneer:
>
> —de nationale regeling van een lidstaat, zoals die van het Verenigd Koninkrijk inzake de groepsaftrek, eraan in de weg staat dat een fiscaal in deze lidstaat gevestigde moedervennootschap het verlies van fiscaal in andere lidstaten gevestigde dochtervennootschappen aftrekt van haar in deze lidstaat belastbare winst, terwijl een dergelijke verrekening wel mogelijk zou zijn indien dat verlies was geleden door in de lidstaat van de moedervennootschap gevestigde dochtervennootschappen;
>
> —de lidstaat van de moedervennootschap:
>
> —een op zijn grondgebied gevestigde vennootschap onderwerpt aan de vennootschapsbelasting over haar volledige winst, met inbegrip van de winst van filialen in andere lidstaten, met dien verstande dat overeenkomstig de verdragen tot voorkoming van dubbele belasting de in een andere lidstaat betaalde belasting mag worden verrekend en het verlies van deze filialen mag worden afgetrokken van de belastbare winst van deze vennootschap;
>
> —geen vennootschapsbelasting heft over de niet-uitgekeerde winst van in andere lidstaten gevestigde dochtervennootschappen;
>
> —vennootschapsbelasting heft over de dividenden die aan de moedervennootschap zijn uitgekeerd door in andere lidstaten gevestigde dochtervennootschappen, doch niet over de dividenden die aan de moedervennootschap zijn uitgekeerd door dochtervennootschappen die in dezelfde lidstaat als de moedervennootschap zijn gevestigd;
>
> —ter voorkoming van dubbele belasting de moedervennootschap een belastingkrediet toekent voor de bronbelasting over dividenden en voor de buitenlandse belasting over de winst waaruit de dividenden zijn uitgekeerd door in andere lidstaten gevestigde dochtervennootschappen?
>
> Zo ja, is deze beperking dan gerechtvaardigd naar gemeenschapsrecht?
>
> 2) a) Maakt het voor het antwoord op de eerste vraag verschil, en zo ja welk verschil, of het volgens de wettelijke regeling van de lidstaat van de dochtervennootschap mogelijk is om in bepaalde omstandigheden het verlies van de dochtervennootschap geheel of ten dele te verrekenen met de in de staat van de dochtervennootschap belastbare winst?
>
> b) Zo ja, in hoeverre is dan relevant dat:
>
> —een in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap haar handelsactiviteiten heeft stopgezet en, hoewel in die staat onder bepaalde voorwaarden het verlies verrekenbaar is, niet is aangetoond dat die verrekening in de betrokken omstandigheden is verkregen;
>
> —een in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap aan een derde is verkocht en, hoewel volgens de wettelijke regeling van die staat onder bepaalde voorwaarden het verlies door de derde koper mag worden verrekend, niet vaststaat dat die verrekening in de betrokken omstandigheden is verkregen;
>
> —de bepalingen volgens welke het verlies van in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschappen in de lidstaat van de moedervennootschap verrekenbaar is, gelden ongeacht of het verlies ook in een andere lidstaat is verrekend?
>
> c) Maakt het enig verschil of is bewezen dat het verlies is verrekend in de lidstaat waar de dochtervennootschap is gevestigd, en zo ja, is het dan relevant dat de belastingaftrek naderhand is verkregen door een andere vennootschapsgroep waaraan de dochtervennootschap was verkocht?”

### Beantwoording van de eerste vraag

27. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 43 EG en 48 EG in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke het voor een ingezeten moedervennootschap niet mogelijk is, het verlies van een in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap af te trekken van haar eigen belastbare winst, terwijl het voor deze moedervennootschap wel mogelijk is, het verlies van een ingezeten dochtervennootschap af te trekken.

28. Het gaat met andere woorden om de vraag of een dergelijke wettelijke regeling een met de artikelen 43 EG en 48 EG strijdige beperking van de vrijheid van vestiging vormt.

29. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de directe belastingen weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, doch dat deze niettemin verplicht zijn, die bevoegdheid in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te oefenen (zie met name arrest van 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a., [C-397/98](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-397-98-arrest) en [C-410/98](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-397-98-arrest), Jurispr. blz. I-1727, punt 37 en de aangehaalde rechtspraak).

30. De vrijheid van vestiging die in artikel 43 EG aan de gemeenschapsonderdanen wordt toegekend, en die voor hen de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst alsmede de oprichting en het bestuur van ondernemingen onder dezelfde voorwaarden als in de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld, omvat, brengt overeenkomstig artikel 48 EG voor de vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, het recht mee om in de betrokken lidstaat hun bedrijfsactiviteit uit te oefenen door middel van een filiaal of een agentschap (zie met name arrest van 21 september 1999, Saint-Gobain ZN, C-307/97, Jurispr. blz. I-6161, punt 35).

31. Hoewel de bepalingen betreffende de vrijheid van vestiging volgens de bewoordingen ervan het voordeel van de nationale behandeling in de lidstaat van ontvangst beogen te garanderen, verbieden zij de lidstaat van oorsprong ook de vestiging in een andere lidstaat van een van zijn onderdanen of van een naar zijn nationaal recht opgerichte vennootschap te bemoeilijken (zie met name arrest ICI, reeds aangehaald, punt 21).

32. Een groepsaftrek als die in het hoofdgeding vormt voor de betrokken vennootschappen een fiscaal voordeel. Doordat het verlies van de verliesgevende vennootschappen sneller wordt aangezuiverd wanneer het onmiddellijk wordt verrekend met winst van andere vennootschappen van de groep, is dit voor de vennootschapsgroep een cashflowvoordeel.

33. Wanneer de moedervennootschap van een dergelijk voordeel wordt uitgesloten voor het verlies van een in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap die in de lidstaat van de moedervennootschap geen enkele bedrijfsactiviteit uitoefent, wordt zij belemmerd in de uitoefening van haar vrijheid van vestiging doordat zij wordt afgeschrikt van de oprichting van dochtervennootschappen in andere lidstaten.

34. Deze uitsluiting vormt dus een beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van de artikelen 43 EG en 48 EG doordat het verlies van een ingezeten dochtervennootschap en het verlies van een niet-ingezeten dochtervennootschap fiscaal verschillend worden behandeld.

35. Een dergelijke beperking is slechts toelaatbaar wanneer er een rechtmatig doel mee wordt nagestreefd dat zich met het Verdrag verdraagt, en wanneer ze gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang. Daarenboven moet in een dergelijk geval de beperking geschikt zijn om het aldus nagestreefde doel te verwezenlijken en mag ze niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel (zie in die zin arresten van 15 mei 1997, Futura Participations en Singer, C-250/95, Jurispr. blz. I-2471, punt 26, en 11 maart 2004, de Lasteyrie du Saillant, C-9/02, Jurispr. blz. I-2409, punt 49).

36. Het Verenigd Koninkrijk en de andere lidstaten die in de onderhavige procedure opmerkingen hebben ingediend, stellen dat de fiscale situatie van de ingezeten dochtervennootschappen en die van de niet-ingezeten dochtervennootschappen niet vergelijkbaar zijn met betrekking tot een regeling van groepsaftrek als die in het hoofdgeding. Volgens het territorialiteitsbeginsel, dat zowel in het internationale recht als in het gemeenschapsrecht geldt, is de lidstaat van vestiging van de moedervennootschap fiscaal niet bevoegd voor niet-ingezeten dochtervennootschappen. Overeenkomstig de ter zake gebruikelijke bevoegdheidsverdeling vallen deze laatste in beginsel onder de fiscale bevoegdheid van de staten waar ze gevestigd zijn en bedrijfsactiviteiten uitoefenen.

37. Dienaangaande zij vastgesteld dat de woonplaats van de belastingplichtigen in het fiscale recht een rechtvaardigingsgrond kan zijn voor nationale regels waarbij ingezeten belastingplichtigen en niet-ingezeten belastingplichtigen verschillend worden behandeld. Toch is de woonplaats niet altijd een gerechtvaardigde onderscheidende factor. Indien de lidstaat van vestiging vrijelijk een andere behandeling zou mogen toepassen alleen omdat de zetel van de vennootschap in een andere lidstaat is gevestigd, zou daarmee immers aan artikel 43 EG elke inhoud worden ontnomen (zie arrest van 28 januari 1986, Commissie/Frankrijk, 270/83, Jurispr. blz. 273, punt 18).

38. In elke concrete situatie dient te worden nagegaan of er voor het feit dat een fiscaal voordeel alleen aan de ingezeten belastingplichtigen wordt toegekend, objectieve, ter zake dienende gronden bestaan die het verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen.

39. In een situatie als die in het hoofdgeding, moet worden aangenomen dat de lidstaat van vestiging van de moedervennootschap, door de ingezeten vennootschappen over hun wereldwijde winst en de niet-ingezeten vennootschappen alleen over de winst uit hun bedrijvigheid in deze staat te belasten, handelt in overeenstemming met het in het internationaal fiscaal recht vastgelegde en in het gemeenschapsrecht erkende territorialiteitsbeginsel (zie met name arrest Futura Participations en Singer, reeds aangehaald, punt 22).

40. Toch rechtvaardigt de omstandigheid dat deze lidstaat de winst van de niet-ingezeten dochtervennootschappen van een op zijn grondgebied gevestigde moedervennootschap niet belast, in se geen beperking van de groepsaftrek tot het verlies van de ingezeten vennootschappen.

41. Om uit te maken of een dergelijke beperking gerechtvaardigd is, dient te worden onderzocht welke gevolgen een onvoorwaardelijke uitbreiding van een voordeel als dat in het hoofdgeding zou hebben.

42. Dienaangaande beroepen het Verenigd Koninkrijk en de andere lidstaten die opmerkingen hebben ingediend, zich op drie rechtvaardigingsgronden.

43. In de eerste plaats vormen winst en verlies, fiscaal gezien, de twee zijden van eenzelfde medaille, die binnen eenzelfde belastingregeling symmetrisch moeten worden behandeld om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de verschillende betrokken lidstaten te waarborgen. In de tweede plaats zou, indien het verlies in de lidstaat van de moedervennootschap zou worden verrekend, het gevaar bestaan dat het verlies tweemaal wordt verrekend. In de derde plaats bestaat ten slotte een gevaar van belastingontwijking indien het verlies niet in de lidstaat van vestiging van de dochtervennootschap wordt verrekend.

44. Wat de eerste rechtvaardigingsgrond betreft, zij eraan herinnerd dat een derving van belastinginkomsten niet kan worden aangemerkt als een dwingende reden van algemeen belang die kan worden ingeroepen ter rechtvaardiging van een maatregel die in beginsel in strijd is met een fundamentele vrijheid (zie met name arrest van 7 september 2004, Manninen, [C-319/02](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-319-02-arrest), Jurispr. blz. I-7477, punt 49 en de aangehaalde rechtspraak).

45. Zoals het Verenigd Koninkrijk terecht heeft opgemerkt, kan de onverkorte handhaving van de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten het echter noodzakelijk maken, op de bedrijfsactiviteiten van de in een van deze lidstaten gevestigde vennootschappen zowel ter zake van winst als ter zake van verlies uitsluitend de fiscale regels van die lidstaat toe te passen.

46. Indien een vennootschap de mogelijkheid zou worden geboden, te opteren voor verrekening van haar verlies in de lidstaat waar ze gevestigd is, dan wel in een andere lidstaat, zou een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten groot gevaar lopen, aangezien de belastinggrondslag in de eerste staat zou worden vermeerderd en in de tweede zou worden verminderd met het bedrag van het overgedragen verlies.

47. Wat de tweede rechtvaardigingsgrond betreft, namelijk het gevaar van een dubbele verrekening van het verlies, dient te worden aangenomen dat de lidstaten dit moeten kunnen verhinderen.

48. Een dergelijk gevaar ontstaat daadwerkelijk wanneer de groepsaftrek wordt uitgebreid tot het verlies van niet-ingezeten dochtervennootschappen, doch verdwijnt door een regel die de aftrek voor dat verlies uitsluit.

49. Wat ten slotte de derde rechtvaardigingsgrond betreft, namelijk het gevaar van belastingontwijking, dient te worden aangenomen dat de mogelijkheid om het verlies van een niet-ingezeten dochtervennootschap over te dragen aan een ingezeten vennootschap, het gevaar inhoudt dat de verliesoverdracht binnen een vennootschapsgroep zo wordt georganiseerd dat het verlies wordt overgedragen aan vennootschappen in lidstaten waar het belastingtarief het hoogst is, en waar de fiscale waarde van een verlies dus het grootst is.

50. Een uitsluiting van de groepsaftrek voor het verlies van niet-ingezeten dochtervennootschappen verhindert dergelijke praktijken, die hun oorsprong kunnen vinden in de vaststelling dat er tussen de belastingtarieven in de verschillende lidstaten aanzienlijke verschillen bestaan.

51. Gelet op deze drie rechtvaardigingsgronden, samen beschouwd, dient te worden opgemerkt dat met een restrictieve regeling als die in het hoofdgeding, rechtmatige doelstellingen worden nagestreefd die zich met het Verdrag verdragen en gerechtvaardigd zijn uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang, en dat deze regeling daarenboven geschikt is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

52.

Aan deze analyse wordt niet afgedaan door de in het tweede deel van de eerste vraag genoemde aspecten van de in het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijnde regelingen inzake:

—de winst en het verlies van een buitenlands filiaal van een in deze lidstaat gevestigde vennootschap;

—de dividenden die aan een in deze lidstaat gevestigde vennootschap worden uitgekeerd door een in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap.

53. Toch dient te worden nagegaan of de restrictieve maatregel niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van de nagestreefde doelstellingen.

54. Marks & Spencer en de Commissie hebben immers aangevoerd dat er maatregelen mogelijk zijn die minder restrictief zijn dan een algemene uitsluiting van het voordeel van de groepsaftrek. Als voorbeeld geven zij de mogelijkheid om de belastingaftrek afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de buitenlandse dochtervennootschap alle in de lidstaat van vestiging bestaande mogelijkheden van verliesverrekening ten volle heeft benut, of aan de voorwaarde dat latere winst van de niet-ingezeten dochtervennootschap ten belope van haar vroeger verrekend verlies wordt opgenomen in de belastbare winst van de vennootschap waaraan de groepsaftrek is toegekend.

55.

Dienaangaande is het Hof van oordeel dat de in het hoofdgeding omstreden restrictieve maatregel verder gaat dan nodig is voor het bereiken van de belangrijkste nagestreefde doelstellingen in een situatie waarin:

—de niet-ingezeten dochtervennootschap de in haar vestigingsstaat bestaande mogelijkheden van verliesverrekening heeft uitgeput voor het belastingjaar waarvoor het verzoek om een belastingaftrek is ingediend, alsmede voor vroegere belastingjaren, in voorkomend geval via een overdracht van dat verlies aan een derde of via de verrekening ervan met de winst van de dochtervennootschap in vroegere belastingjaren, en

—er geen mogelijkheid bestaat dat het verlies van de buitenlandse dochtervennootschap in toekomstige belastingjaren in de vestigingsstaat wordt verrekend, hetzij door de dochtervennootschap zelf, hetzij door een derde, met name ingeval de dochtervennootschap aan een derde is verkocht.

56. Wanneer de in een lidstaat gevestigde moedervennootschap aan de belastingadministratie aantoont dat is voldaan aan deze voorwaarden, is de uitsluiting van de mogelijkheid voor de moedervennootschap om het verlies van haar niet-ingezeten dochtervennootschap af te trekken van haar in deze staat belastbare winst, in strijd met de artikelen 43 EG en 48 EG.

57. In deze context dient nog te worden gepreciseerd dat de lidstaten vrij blijven, regels in te voeren of te handhaven die specifiek tot doel hebben, volstrekt kunstmatige constructies die bedoeld zijn om de nationale fiscale wet te omzeilen of eraan te ontsnappen, van een belastingvoordeel uit te sluiten (zie in die zin reeds aangehaalde arresten ICI, punt 26, en de Lasteyrie du Saillant, punt 50).

58. Voorzover het mogelijk is, andere, minder restrictieve maatregelen aan te wijzen, is het voor dergelijke maatregelen bovendien in elk geval nodig dat de gemeenschapswetgever harmonisatieregels vaststelt.

59. Derhalve dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de artikelen 43 EG en 48 EG bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke het voor een ingezeten moedervennootschap algemeen niet mogelijk is, het verlies van een in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap af te trekken van haar belastbare winst, terwijl het voor deze moedervennootschap wel mogelijk is, het verlies van een ingezeten dochtervennootschap af te trekken. Het is evenwel strijdig met de artikelen 43 EG en 48 EG om de ingezeten moedervennootschap van een dergelijke mogelijkheid uit te sluiten in een situatie waarin de niet-ingezeten dochtervennootschap de in haar vestigingsstaat bestaande mogelijkheden van verliesverrekening heeft uitgeput voor het belastingjaar waarvoor het verzoek om een belastingaftrek is ingediend, alsmede voor vroegere belastingjaren, en er geen mogelijkheid bestaat dat het verlies van de buitenlandse dochtervennootschap in toekomstige belastingjaren in de vestigingsstaat wordt verrekend, hetzij door de dochtervennootschap zelf, hetzij door een derde, met name ingeval de dochtervennootschap aan een derde is verkocht.

### Beantwoording van de tweede vraag

60. Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

### Kosten

61. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

### Dictum

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 43 EG en 48 EG staan bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet in de weg aan een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens welke het voor een ingezeten moedervennootschap algemeen niet mogelijk is, het verlies van een in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap af te trekken van haar belastbare winst, terwijl het voor deze moedervennootschap wel mogelijk is, het verlies van een ingezeten dochtervennootschap af te trekken. Het is evenwel strijdig met de artikelen 43 EG en 48 EG om de ingezeten moedervennootschap van een dergelijke mogelijkheid uit te sluiten in een situatie waarin de niet-ingezeten dochtervennootschap de in haar vestigingsstaat bestaande mogelijkheden van verliesverrekening heeft uitgeput voor het belastingjaar waarvoor het verzoek om een belastingaftrek is ingediend, alsmede voor vroegere belastingjaren, en er geen mogelijkheid bestaat dat het verlies van de buitenlandse dochtervennootschap in toekomstige belastingjaren in de vestigingsstaat wordt verrekend, hetzij door de dochtervennootschap zelf, hetzij door een derde, met name ingeval de dochtervennootschap aan een derde is verkocht.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

5

EG-Verdrag art. 43 12 voorkomens

EG-Verdrag art. 48 2 voorkomens

[C-264/96, arrest van 16 juli 1998](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-264-96-arrest) 1 voorkomen

[C-319/02, arrest van 7 september 2004](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-319-02-arrest) 1 voorkomen

[C-397/98 en C-410/98, arrest van 8 maart 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-397-98-arrest) 1 voorkomen

## Rechtspraak

40

### Europese Unie

40

Hof van Justitie C-575/17 22.11.2018

#### [Vrij verkeer van kapitaal](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-575-17-arrest)

Hof van Justitie C-28/17 04.07.2018

#### [Vennootschapsbelasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-28-17-arrest)

Hof van Justitie C-650/16 12.06.2018

#### [Vennootschapsbelasting, vrijheid van vestiging](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-650-16-arrest)

## Rechtsleer

103

Meussen, Gerard: The Marks & Spencer Case: reaching the boundaries of the EC Treaty, EC Tax Review 2003 p.144-148 (EN)

Gutmann, Daniel: La fiscalité française des groupes de société à l'épreuve du droit communautaire. Réflexions sur l'affaire "Marks & Spencer" pendante devant la CJCE, Revue de droit fiscal 2004 p.681-685 (FR)

Doerr, Ingmar: A Step Forward in the Field of European Corporate Taxation and Cross-border Loss Relief: Some Comments on the Marks and Spencer Case, Intertax 2004 p.180-186 (EN)

Pappers, L.J.E.: Terechtzitting van Marks & Spencer-zaak, Weekblad voor fiscaal recht 2005 p.375-378 (NL)

Birkenfeld ; Kaminski ; Kessler ; Märkle ; Mössner ; Offerhaus ; Söffing: Grenzüberschreitende Verlustberücksichtigung im deutschen Steuerrecht, Betriebs-Berater 2005 p.754-755 (DE)

**Bekijk de 98 andere verwijzingen**

Balmes, Frank ; Brück, Michael J.J. ; Ribbrock, Martin: Der EuGH-Fall Marks & Spencer: Rückschlüsse für die deutsche Organschaftsbesteuerung, Betriebs-Berater 2005 p.966-970 (DE)

Nagler, Jürgen ; Kleinert, Jens: Das EuGH-Verfahren Marks & Spencer - Konsequenzen des Schlussantrags des Generalanwalts, Der Betrieb 2005 p.855-857 (DE)

Janssen, Helmut: Soll sich der EuGH ein Beispiel am Bundesverfassungsgericht nehmen? - "Marks & Spencer" und die Rückwirkung, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2005 p.257 (DE)

Meussen, Gerard T.K.: The Marks & Spencer Case: The Final Countdown Has Begun, European Taxation 2005 p.160-163 (EN)

Dahlberg, Mattias: Generaladvokatens förslag till avgörande i mål C-446/03 "Marks & Spencer", SkatteNytt 2005 nº 7-8 p.472-479 (SV)

Kleinert, Jens ; Nagler, Jürgen ; Rehm, Helmut: Gewinnbesteuerung nach "Art des Hauses" mittels grenzüberschreitender Organschaft, Der Betrieb 2005 p.1869-1875 (DE)

Bender, T. ; Douma, S.C.W. ; Engelen, F.A.: Werken aan winst? Werken aan de interne markt! (1), Weekblad voor fiscaal recht 2005 p.1029-1036 (NL)

Bender, T. ; Douma, S.C.W. ; Engelen, F.A.: Werken aan winst? Werken aan de interne markt! (2), Weekblad voor fiscaal recht 2005 p.1069-1078 (NL)

Martin, Philip: The Marks & Spencer EU group relief case - a rebuttal of the 'taxing jurisdiction' argument, EC Tax Review 2005 p. 61-68 (EN)

Lang, Michael: Marks and Spencer - more questions than answers: an analysis of the Opinion delivered by Advocate General Maduro, EC Tax Review 2005 p.95-100 (EN)

Meussen, Gerard T.K.: Cross-Border Loss Relief in the European Union following the Advocate General's Opinion in the Marks & Spencer Case, European Taxation 2005 p.282-286 (EN)

Gammie, Malcolm: The Impact of the Marks & Spencer Case on US-European Planning, Intertax 2005 p.485-489 (EN)

Kleinert, Jens ; Nagler, Jürgen: Konzernbesteuerung - Gewinne von Muttergesellschaften - Abzug der Verluste einer gebietsansässigen Tochtergesellschaft - Bewilligung - Abzug der Verluste einer gebietsfremden Tochtergesellschaft - Ausschluss, Der Betrieb 2005 p.2791-2793 (DE)

Helminen, Marjaana: The Esab Case (C-231/05) and the Future of Group Taxation Regimes in EU, Intertax 2005 p.595-602 (EN)

Werbrouck, Jan: Marks & Spencer, Euredia 2005 p.273-278 (EN)

Romano, Carlo: La deduzione transfrontaliera delle perdite: Marks & Spencer e oltre, Rivista di diritto tributario internazionale 2005 nº III p.191-198 (IT)

Romano, Carlo: Cross-border deductions of losses: Marks & Spencer and after, Rivista di diritto tributario internazionale 2005 nº III p.173-189 (EN)

Cloer, Adrian: Niederlassungsfreiheit: Grundsätzliche Versagung des Verlustabzugs von Tochtergesellschaften mit Sitz im Ausland? - Schlussanträge Rs. Marks & Spencer, Europäisches Wirtschafts- & Steuerrecht - EWS 2005 p.213-215 (DE)

Scheunemann, Marc P.: Marks & Spencer: Kein Ausschluss des Konzernabzugs für Verluste gebietsfremder Tochtergesellschaften, wenn diese im Staat des Sitzes der Tochtergesellschaften nachweislich nicht berücksichtigt werden, Recht der internationalen Wirtschaft 2006 p.79-80 (DE)

Giele, J.F.M.: Hoofdbrekens na arrest Marks & Spencer, Nederlandse staatscourant 2006 nº 7 p.4 (NL)

Balmes, Frank ; Brück, Michael J.J. ; Ribbrock, Martin: Das EuGH-Urteil Marks & Spencer: Grenzüberschreitende Verlustnutzung kommt voran!, Betriebs-Berater 2006 p.186-189 (DE)

Lang, Michael: The Marks & Spencer Case - The Open Issues Following the ECJ's Final Word, European Taxation 2006 p.54-67 (EN)

Wattel, P.J.: Beslissingen in belastingzaken 2006 nº 72 (NL)

Wernsmann, Rainer ; Nippert, Allit: Gemeinschaftsrechtliche Vorgaben für die grenzüberschreitende Verlustberücksichtigung im Konzern, Finanz-Rundschau Ertragsteuerrecht 2006 p.153-163 (DE)

Sutter, Franz Philipp: Pauschales Verbot grenzüberschreitenden Verlustabzugs - Verstoß gegen Niederlassungsfreiheit, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2006 p.87-88 (DE)

Sanna, Thomas: Grenzüberschreitende konzerninterne Verlustberücksichtigung - Das Urteil Marks & Spencer, European Law Reporter 2006 p.32-43 (DE)

Kemmeren, Eric: Marks & Spencer: balanceren op grenzeloze verliesverrekening, Weekblad voor fiscaal recht 2006 p.211-225 (NL)

Petritz, Michael: Marks & Spencer: EuGH zur grenzüberschreitenden Verlustverwertung im Konzern, Ecolex 2006 p.147-150 (DE)

Juusela, Janne ; Parkkola, Tommi: EY:n tuomioistuimen ratkaisu asiassa C-446/03 (Marks & Spencer), Verotus 2006 p.101-106 (FI)

Belluzzo, Luigi ; Lenti, Emiliano: I regimi domestici di consolidamento fiscale alla luce del caso Marks&Spencer, Il fisco : giornale tributario di legislazione e attualità 2006 p.1525-1528 (IT)

Saß, Gert: Nochmals: Zur Berücksichtigung von Verlusten ausländischer Tochtergesellschaften in der EU, Der Betrieb 2006 p.123-127 (DE)

Jungbluth, Jochen: Entscheidungen zum Wirtschaftsrecht 2006 p.205-206 (DE)

Boutemy, Bernard ; Meier, Eric: Limites de la compatibilité avec le droit communautaire du régime britannique de dégrèvement de groupe, La Semaine juridique - entreprise et affaires 2006 p.597-599 (FR)

Penttilä, Seppo: EY:n tuomioistuimen ratkaisu asiassa Marks & Spencer (C-446/03) - arvioita konserniavustusjärjestelmän kannalta, Verotus 2006 p.4-13 (FI)

Pihera, Vlastimil: Případ Marks&Spencer, Právní rozhledy : casopis pro vsechna právní odvetví 2006 p.251-254 (CS)

Kubicová, Jana: Zápočet daňovej straty zahraničnej pobočky na zisk materskej spoločnosti, Dane a úctovníctvo v praxi : mesacník plny informácií z oblasti daní, práva a úctovníctva 2006 p.20-24 (SK)

Calderón Carrero, José Manuel: Consolidación Fiscal e Importación de Pérdidas: el caso Marks & Spencer, Noticias de la Unión Europea 2006 nº 257 p.23-41 (ES)

Dürrschmidt, Daniel ; Schiller, Martin: Die Rechtssache Marks & Spencer und ihre Folgen, Europarecht 2006 p.275-284 (DE)

Zapf, Hervé ; Du Pasquier, James: L'arrêt Marks & Spencer: une victoire à la Pyrrhus?, Petites affiches. La Loi / Le Quotidien juridique 2006 nº 78 p.5-9 (FR)

Zwemmer, J.W.: Marks & Spencer, Internationale verliesverrekening, Ars aequi 2006 p.211-212 (NL)

Gammie, Malcolm: Pending Cases Filed by UK Courts II: The ACT, FII, and Thin Cap Group Litigations and the Marks & Spencer Case, ECJ : recent developments in direct taxation (Ed. Linde - Wien) 2006 p.323-348 (EN)

Cordewener, Axel ; Dörr, Ingmar: Case C-446/03, Marks & Spencer plc v. David Halsey (HM Inspector of Taxes), Judgment of the Court of Justice (Grand Chamber) of 13 December 2005, nyr., Common Market Law Review 2006, Volume 43, Issue 3, p. 855-884 (EN)

X: Revue de jurisprudence fiscale 2006 nº 227 p.176 (FR)

Mariatte, Flavien: Impôts directs, Europe 2006 Février Comm. nº 48 p.21-23 (FR)

Gulino, Anna Maria: Tassazione dei gruppi di società, riporto delle perdite incorse da controllate non residenti e diritto comunitario, Diritto pubblico comparato ed europeo 2006 p.856-870 (IT)

Jazottes, Gérard: Droit européen des affaires. Liberté d'établissement, Revue trimestrielle de droit commercial et de droit économique 2006 p.513-515 (FR)

Zalasiński, Adam: Przeciwdziałanie unikaniu opodatkowania a zasada proporcjonalności - glosa do wyroku ETS z 13.12.2005 r. w sprawie C-446/03, Marks & Spencer plc przeciwko David Halsey (Her Majesty's Inspector of Taxes), Europejski Przegląd Sądowy 2006 Vol.2 p.46-49 (PL)

Isenbaert, Mathieu ; Valjemark, Caroline: M&S judgment: the ECJ caught between a rock and a hard place, EC Tax Review 2006 p.10-17 (EN)

Thömmes, Otmar: Sieg der Vernunft - oder Kniefall vor den Mitgliedstaaten? Das EuGH-Urteil Marks & Spencer, Europäisches Wirtschafts- & Steuerrecht - EWS 2006 Heft 1 p.I (DE)

Dörr, Ingmar: Niederlassungsfreiheit: Kein Ausschluss des Konzernabzugs einer Muttergesellschaft für Verluste gebietsfremder Tochtergesellschaften, wenn diese im Staat des Sitzes der Tochtergesellschaften nachweislich nicht berücksichtigt werden - Marks & Spencer, Europäisches Wirtschafts- & Steuerrecht - EWS 2006 p.34-36 (DE)

Scheunemann, Marc P.: Decision in the Marks & Spencer Case: a Step Forward, but No Victory for Cross-Border Group Taxation in Europe, Intertax 2006 p.54-57 (EN)

Maublanc, Jean-Pierre: La compensation transfrontalière des pertes d'un groupe de sociétés devant la Cour de justice, Revue du marché commun et de l'Union européenne 2006 p.417-421 (FR)

Seer, Roman: The ECJ on the Verge of a Member State Friendly Judicature?, European Company and Financial Law Review 2006 Vol.3 nº 2 p.237-247 (EN)

O'Shea, Tom: Marks and Spencer v Halsey (HM Inspector of Taxes): restriction, justification and proportionality, EC Tax Review 2006 p.66-82 (EN)

Pelin, Lars: Marks & Spencer i ett svenskt perspektiv, SkatteNytt 2006 nº 7-8 p.441-452 (SV)

Lindström-Ihre, Lena ; Nilsson, Annelie: Gränsöverskridande koncernbidrag efter domen i Marks & Spencer - några synpunkter på Skatteverkets tolkningar av domen, SkatteNytt 2006 nº 7-8 p.462-466 (SV)

Wackerbarth, Ulrich: Niederlassungsfreiheit und nationales Gläubigerschutzsystem, Zivil- und Wirtschaftsrecht im europäischen und globalen Kontext : Festschrift für Norbert Horn zum 70. Geburtstag - Private and commercial law in a European and global context 2006 p.605-618 (DE)

Chatziioakeimidou, E.: Dikaio Epicheiriseon & Etairion 2006 p.109-110 (EL)

Vallée, Laurent: Heurts et malheurs de l'harmonisation fiscale européenne, Cahiers juridiques de l'électricité et du gaz 2006 p.201-208 (FR)

Christianos, V.: Epitheorisis tou Emporikou Dikaiou 2006 p.170-172 (EL)

Di Gregorio, Claudio: La questione del riporto transfrontaliero delle perdite nei grandi gruppi europei. Il caso Marks & Spencer, Il fisco : giornale tributario di legislazione e attualità 2006 p.487-497 (IT)

Ricci, Concetta: Il divieto di compensazione transfrontaliera delle perdite al test di proporzionalità. Nel caso Marks & Spencer rivalutate le cause che giustificano restrizioni alla libertà di stabilimento, Rivista di diritto finanziario e scienza delle finanze 2006 II p.58-77 (IT)

Rønfeldt, Thomas: Marks & Spencer. Community Law Extends a Helping Hand, European Business Law Review 2006 p.1715-1726 (EN)

Vossestein, Gert-Jan: Exit restrictions on Freedom of Establishment after Marks & Spencer, European Business Organization Law Review 2006 p.863-878 (EN)

Cavallini, Joël: Les libertés de circulation: marchandises, capitaux, prestation de services et établissement (juillet 2005 à juin 2006), Revue du marché commun et de l'Union européenne 2006 p.626-628 (FR)

Costaş, Cosmin Flavius: Art. 43 și art. 48 din Tratatul CE. Impozit pe profit. Grupuri de societăți. Reducere de impozit. Profitul societăților mamă. Deducerea pierderilor fiscale înregistrate de o filială rezidentă - permisă. Deducerea pierderilor fiscale înregistrate într-un alt stat membru de către o filială nerezidentă - nepermisă, Revista romana de drept al afacerilor 2006 nº 05 p.153-156 (RO)

Lang, Michael: Gemeinschaftsrechtliche Verpflichtung zur Rechtsformneutralität im Steuerrecht?, Internationales Steuerrecht 2006 p.397-402 (DE)

David, Cyrille: Droit communautaire et déductions des déficits étrangers, Revue des sociétés 2006 p.869-880 (FR)

Della Valle, Eugenio: L´utilizzazione cross-border delle perdite fiscali: il caso Marks & Spencer, Rassegna tributaria 2006 p.994-1015 (IT)

Winther-Sørensen, Niels: Marks & Spencer-dommen, Skat Udland 2006 nº 1 p.10-20 (DA)

Von Jessen, Morten: Marks & Spencer - konsekvenser i EU-medlemslandene, Skat Udland 2006 nº 3 p.181-190 (DA)

Kirkegaard Nielsen, Michael: Marks & Spencer-dommen - og hvad så?, Skat Udland 2006 nº 4 p.269-273 (DA)

Pantazopoulos, P.: Epicheirisi 2006 p.213-214 (EL)

Franch Fluxà, Juan: La resolución del caso Marks & Spencer: ¿conclusión o nueva orientación del debate sobre la regulación de las pérdidas en la Unión Europea?, Noticias de la Unión Europea 2007 nº 264 p.93-103 (ES)

Johansson, Linnéa: Skatterättsnämndens förhandsbesked den 29 september 2006 - Gränsöverskridande resultatutjämning och dess förenlighet med EG-fördraget, SkatteNytt 2007 nº 5 p.224-232 (SV)

Triantafyllou, Dimitrios: Auf dem Wege zur Koordinierung der direkten Steuern in der EG?, Europarecht 2007 p.671-682 (DE)

Scheffler, Wolfram ; Weber, Jana-Denise: Grenzüberschreitende Verlustverrechnung : Einführung der Nachversteuerungsmethode nach österreichischem Vorbild als Reaktion auf die EuGH-Rechtssache "Marks & Spencer", Hefte zur internationalen Besteuerung 2007 Nr. 155 66 p. (DE)

O'Shea, Tom: EU Cross-Border Loss Relief: Which View Will Prevail?, Tax Notes International 2008 p.104-108 (EN)

Perrotin, Frédérique: Actualité communautaire: la compensation transfrontalière des pertes fiscales, Petites affiches. La Loi / Le Quotidien juridique 2008 nº 211 p.3-5 (FR)

Perrotin, Frédérique: Intégration fiscale et liberté d'établissement, Petites affiches. La Loi / Le Quotidien juridique 2008 nº 200 p.3-5 (FR)

Fernandez-Maublanc, Lucienne-Victoire: Accroissement des restrictions nationales valablement apportées à la déduction transfrontalière des pertes et liberté d'établissement, Revue du marché commun et de l'Union européenne 2009 p.136-139 (FR)

Kessler, Wolfgang ; Jepp, Silvia: Tu felix Austria? Lehren aus der österreichischen Gruppenbesteuerung, Der Betrieb 2009 p.2737-2741 (DE)

Muscalu, Vasile: Libera circulație a capitalurilor. Libertatea de stabilire. Interdicția restricțiilor instituite prin legislațiile naționale. Circulația capitalurilor între statele membre ale Uniunii Europene şi țǎrile terțe. Impozitarea beneficiilor care se transmit între societǎți comerciale situate între state membre diferite sau între aceste state şi state terțe. Impozitarea dividendelor, Dreptul 2009 nº 9 p.244-247 (RO)

Baker, Philip: UK: Forthcoming UK Cases: Marks & spencer (Group Relief) II and Philips Electronics UK Limited, ECJ - Recent Developments in Direct Taxation (Ed. Linde - Wien) 2009 p.251-260 (EN)

Rublack, Carolin: Abzug grenzüberschreitender Konzernverluste nur mit Gewinnabführungsvertrag?, Finanz-Rundschau Ertragsteuerrecht 2010 p.791-796 (DE)

Milanesi, Elsa: La fiscalità diretta nelle sentenze della Corte di giustizia dell'Unione europea. Una riflessione sul principio di non restrizione delle libertà fondamentali, Studi sull'integrazione europea 2011 nº 1 p.133-161 (IT)

Zeitler, Franz- Christoph: Europäische Rechtsharmonisierung in der Praxis: Möglichkeiten und Grenzen einer europäischen Finanzaufsicht nach dem Europäischen Veträgen und Lissabon-Entscheidung des Bunderverfassungsgerichts, Steuerrecht im Rechtsstaat - Festschrift für Wolfgang Spindler (Ed. Dr. Otto Schmidt - Köln) 2011 p.363-375 (DE)

Musil, Andreas: Was sind finale Verluste?, Der Betrieb 2011 p.2451-2455 (DE)

Minutoli, Pasquale: Utilizzo transfrontaliero delle perdite d'impresa: l'orientamento della Corte di giustizia, Rassegna tributaria 2012 p.120-138 (IT)

Lazdiņš, Jānis ; Ketners, Kārlis: Tiesu nolēmumu ietekme uz Latvijas nodokļu tiesību dinamiku, Juridiskā zinātne : Latvijas Universitātes žurnāls 2012 no. 3 p.21-40 (LV)

Whitehead, Simon: M&S and the 'no possibilities' test, Tax Journal 2013 Issue 1170 p.10-11 (EN)

Pezzella, Domenico: Final Losses under EU Tax Law: Proposal for a Better Approach, European Taxation 2014 p.71-79 (EN)

Kostanjevec, Boris: Davčne zlorabe in dvomi o diskriminaciji, Denar - Revija o davkih 2014 nº 441 p.22-24 (SL)

Štager, Vesna: Davčna skladnost v korelaciji s Strategijo pametne specializacije, Davčno-finančna praksa : davki, finance, zavarovalnistvo 2015 n° 12 p.4-8 (SL)

Richelle, Isabelle: Marks & Spencer: A Landmark Decision?, Landmark Decisions of the ECJ in Direct Taxation (Ed. Kluwer - Alphen aan den Rijn) 2015 p. 93-116 (EN)

Kögel, Corina: Finale Verluste: Einige Verfahrensprobleme und ein Lösungsvorschlag, Nationale und internationale Unternehmensbesteurung in der Rechtsordnung (Ed. 2016 Verlag C.H.Beck oHG) 2016 p.205-220 (DE)

Kuzma, Dominik: Davčni vidik brexita, Pravna praksa 2016 nº 44 p.6-8 (SL)

Vermeulen, Hein ; Dafnomilis, Vassilis: ECJ Decision in Bevola (case C-650/16) : A missing piece in the Marks & Spencer (case C-446/03) puzzle, European Taxation 2019 Vol.59, Nº 2/3 p.89-98 (EN)
