ARREST
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN
I — De aan het Hof voorgelegde vragen
Overwegende dat de President van de Eerste Civiele Kamer van het Gerechtshof te Colmar bij brief van 1 juni 1965 het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen een beschikking van genoemde Kamer deed toekomen van diezelfde dag, blijkens welke het Hof wordt verzocht, bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen :
of artikel 52 van verordening no. 3 uitsluitend van toepassing is op migrerende werknemers die ten tijde van het schadeveroorzakend feit in één der zes landen van de Gemeenschap werkzaam zijn of geweest zijn, dan wel of deze tekst — zulks overeenkomstig de strekking van het rondschrijven van de minister van Arbeid en Sociale Zekerheid der Bonds-republiek Duitsland d.d. 15 februari 1963 — van toepassing is op iedere werknemer, aangesloten bij een stelsel van sociale zekerheid in één der zes Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap ook indien hij niet is migrerend werknemer en het hem overkomen ongeval, naar aanleiding waarvan uitkeringen van sociale zekerheid zijn gedaan, plaatsvond, noch gedurende zijn arbeid, noch in verband daarmede;
2. of (indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord) nu volgens de voorschriften van artikel 52 van verordening no. 3 iedere Lid-Staat der E.E.G. gehouden is na het in werking treden van bedoelde verordening, dat wil zeggen nà1 januari 1959 (zie artikel 56 van verordening no. 3 in de daarvan bij artikel 88 van verordening no. 4 gegeven lezing) iedere intredende of reeds ingetreden overgang van rechten te erkennen, als volgden deze subrogaties uit zijn wetgeving voort, de organen van sociale verzekering van de afzonderlijke Lid-Staten met ingang van 1 januari 1959 — zijnde het tijdstip van inwerkingtreding der verordening no. 3 — in iedere andere Lid-Staat aanspraak kunnen maken op vergoeding der prestaties welke zij aan een verzekerde hebben voldaan, die op het gebied van deze andere Staat vóór 1 januari 1959 door een ongeval werd getroffen en die naar het burgerlijk recht van deze Staat schadevergoeding van een derde kan vorderen”;
blijkens de processtukken liggen aan deze beschikking de volgende feiten ten grondslag :
op 24 september 1957 werd de heer Gassner, een Duits onderdaan die met vacantie in Frankrijk vertoefde, gedood bij een aanrijding tussen zijn motorrijwiel en een aan de Firma Singer & Zoon toebehorende veetransportwagen, welke door de heer Stadelwieser, die toen bij genoemde firma in dienst was, werd bestuurd;
als orgaan van sociale zekerheid deed de Hessische Knappschaft aan de rechtverkrijgenden van het slachtoffer zekere uitkeringen; het vorderde daarvan restitutie — met name van de Firma Singer — op grond van de overwegingen dat het, zowel naar Duits recht als volgens artikel 52 van verordening no. 3 in de aanspraken van deze rechtverkrijgenden getreden was;
bij vonnis van 4 oktober 1963 heeft de Civiele Kamer van de Rechtbank te Straatsburg de vordering tegen de Firma Singer & Zoon afgewezen op grond van de volgende overwegingen :
dat verordening no. 3 ziet op migrerende werknemers, terwijl net slachtoffer volgens de beweringen van de Hessische Knappschaft zelve op excursie in Frankrijk was toen hem het ongeluk trof;
dat in ieder geval genoemde verordening, nu zij eerst op 1 januari 1959 van kracht was geworden, dat wil zeggen na het litigieuze ongeval, in casu niet van toepassing kan zijn;
dat de Hessische Knappschaft tegen dit vonnis in appel is gegaan bij het Gerechtshof te Colmar;
II — Procesverloop voor het Hof
Overwegende dat de Hessische Knappschaft, de Firma Singer & Zoon en de Commissie van de E.E.G. overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G., hun schriftelijke opmerkingen hebben ingezonden;
dat de mondelinge behandeling plaatsvond ter terechtzitting van 12 oktober 1965;
dat de Advocaat-Generaal op 4 november 1965 in de onderhavige zaak heeft geconcludeerd;
III — De krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G. voorgelegde opmerkingen
Overwegende dat deze opmerkingen als volgt kunnen worden samengevat:
1. De opmerkingen van de Hessische Knappschaft
A — Met betrekking tot de eerste vraag
Uit de door het Hof in' de zaken Bertholet (31-64) en Van Dijk (33-64) gewezen arresten blijkt dat artikel 52 van verordening no. 3 op gevallen als het onderhavige van toepassing is.
B — Ten aanzien van de tweede vraag
Genoemd artikel 52 bepaalt nader dat elke Lid-Staat de bewuste subrogaties „erkent”; het zegt niet dat het die „zal erkennen”. Bovendien bepaalt artikel 53, derde lid, van verordening no. 3 uitdrukkelijk dat onverminderd de bepalingen van het eerste lid „krachtens deze verordening een uitkering verschuldigd is, zelfs indien deze in verband staat met een gebeurtenis welke vóór de datum van inwerkingtreding dezer verordening heeft plaatsgevonden”.
Aangenomen zou dus moeten worden dat in de gevallen bedoeld bij artikel 52, de uit de subrogatie voortvloeiende vordering „erkend moet worden in de toestand waarin zij (zich) bevond op 1 januari 1959”.
In ieder geval zou de Hessische Knappschaft recht hebben op restitutie der door haar sinds 1 januari 1959 verstrekte uitkeringen.
2. Opmerkingen van de Firma Singer & Zoon
A — Ten aanzien van de eerste vraag
De Firma Singer geeft toe dat uit voormelde jurisprudentie van het Hof blijkt, dat artikel 52 van verordening no. 3 toepasselijk is op gevallen als het onderhavige; zij beroept zich echter op artikel 184 E.E.G.-Verdrag om te betogen dat het artikel 52 — aldus verstaan — niet-toepasselijk is.
a) Dit middel zou krachtens artikel 184 ontvankelijk zijn, met name daar de Firma Singer „partij” zou zijn bij een „geschil waarbij een verordening van de Raad of van de Commissie in het geding is”.
b) Het middel zou eveneens gegrond zijn; immers door het litigieuze voorschrift uit te vaardigen, zou de Raad van de E.E.G. de hem bij artikel 51 E.E.G.-Verdrag toegekende bevoegdheden overschreden en derhalve een excès de pouvoir begaan hebben : Aan alle elementen van de definitie van het „vrije verkeer der werknemers”, gelijk die in artikel 48 van het Verdrag zijn opgenomen, ligt de gedachte ten grondslag van een verkeer dat met hun arbeid verband houdt, dan wel bepaald wordt door een, zelfs niet onmiddellijk causaal verband met die arbeid. Het begrip „migrerende werknemer” doelt op de werknemer die zich „uit hoofde van zijn arbeid” moet verplaatsen. Mitsdien vormt artikel 52 van verordening no. 3, voor zover van toepassing op gevallen als het onderhavige, niet een „noodzakelijke maatregel” voor de totstandkoming van het „vrije verkeer der werknemers”.
Bovendien zou verordening no. 3 aan innerlijke tegenspraak lijden, nu zowel haar opschrift als het merendeel harer bepalingen zien op migrerende werknemers stricto sensu, terwijl enkele andere harer voorschriften buiten dit gebied vallen.
Bijgevolg zou het verzoek om interpretatie van het Hof van Appel te Colmar zonder voorwerp zijn geraakt.
B — Ten aanzien van de tweede vraag
Gezien het hierboven sub a) uiteengezette middel, wordt deze vraag slechts subsidiair behandeld.
De verordeningen nos. 3 en 4 van de Raad van de E.E.G. bevatten geen enkele overgangsbepalingen met betrekking tot de gelding in de tijd van artikel 52 van eerstgenoemde verordening. Met name mag haar artikel 53, hetwelk slechts ziet op de betrekkingen tussen het orgaan en zijn verzekerde, als een zodanige bepaling worden beschouwd.
Onder deze omstandigheden moet wel een beroep gedaan worden op de algemene rechtsbeginselen. Op grond daarvan moet een onderscheid gemaakt worden tussen de betrekkingen van de organen van sociale zekerheid enerzijds met zijn verzekerde en anderzijds met degene die het ongeval veroorzaakte. Eerstgenoemde betrekkingen „zijn wat de prestaties bij een ingetreden sociaal ongeval betreft te beschouwen als een situatie welke voortduurt sinds de aanspraak uit het ongeval ontstond” en inderdaad wordt algemeen aangenomen dat de nieuwe wet
dit is het geval met verordening no. 3 — ten aanzien van zodanige situaties onmiddellijk effect sorteert.
De tweede groep betrekkingen daarentegen houdt verband met de civiele aansprakelijkheid van de veroorzakers van het ongeval : „het betreft hier niet meer een ingetreden verzekerd ongeval, … maar een feit waaruit verplichtingen voortvloeien”. Doch, het opleggen aan de veroorzaker van het ongeval (hetwelk dus heeft plaatsgevonden vóór de nieuwe wet) van een veroordeling welke verkregen kan worden bij een actie krachtens een wet welke na het ongeval tot stand kwam, zou betekenen dat men aan de nieuwe wet een retroactieve werking toekende, zulks terwijl toch „hij die voor het ongeval aansprakelijk is, een verkregen recht heeft om de gevolgen van dit ongeval beoordeeld te zien naar de wetten welke ten tijde daarvan golden”. Bijgevolg is bedoeld artikel 52 niet van toepassing op een ongeval hetwelk vóór de eerste januari 1959 plaatsvond.
C. — Conclusies van partijen
De Firma Singer & Zoon concludeert dat het den Hove behage :
Singer ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, gegrond op de artikelen 173 en 184 van het Verdrag tot oprichting van de E.E.G. en strekkende tot niet-toepasselijkverklaring van artikel 52 van verordening no. 3 betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers;
2. dit middel gegrond te oordelen en bijgevolg voornoemd artikel 52 van verordening no. 3 niet-toepasselijk te verklaren;
3. te verstaan dat bijgevolg het verzoek om interpretatie vervat in de beschikking van het Hof van Appel te Colmar van 1 juni 1965 — wat beide vragen betreft — zonder voorwerp is geraakt;
4. subsidiair, ten aanzien van de tweede vraag, artikel 52 van verordening no. 3 niet van toepassing te verklaren op een ongeval hetwelk vóór 1 januari 1959 plaatsvond;
5. de wederpartij in de kosten te veroordelen.”
3. De opmerking van de Commissie van de E.E. G.
A — Ten aanzien van de eerste vraag
Deze bestaat in werkelijkheid uit twee onderdelen :
Is meergenoemd artikel 52 eveneens van toepassing op werknemers die niet zijn migrerende werknemers?
Vindt deze bepaling toepassing ook indien het bewuste ongeval niet heeft plaatsgevonden gedurende de arbeid, noch in verband daarmede?
Na 's Hofs rechtspraak in de zaken 75-63 (Unger) 31-64 (Bertholet) en 33-64 (Van Dijk), te hebben geciteerd en toegelicht, concludeert de Commissie dat het Hof deze vraag in haar beide onderdelen reeds bevestigend heeft beantwoord.
B — Ten aanzien van de tweede vraag
Artikel 52 is ook van toepassing op een ongeval hetwelk vóór de inwerkingtreding van verordening no. 3 plaatsvond.
Immers, op grond van de redactie van dit artikel kan geen enkele beperking ratione temporis worden aangenomen; met name bevatten de bewoordingen waarin het is gesteld geen enkele voorwaarde ten aanzien van het tijdstip waarop de „prestaties” plaatsvonden.
Bovendien zou uit artikel 53 (3) van verordening no. 3 volgen dat in gevallen als het onderhavige, de organen uiterlijk met ingang van 1 januari 1959 gehouden waren, het slachtoffer in het genot van bedoelde prestaties te stellen. „Het ware onlogisch deze organen niet bij wijze van compensatie het recht toe te kennen om, krachtens subrogatie in de rechten van het slachtoffer, van een derde vergoeding der schade te vorderen.”;
TEN AANZIEN VAN HET RECHT
I — Ten aanzien van de eerste vraag
Overwegende dat bij de eerste vraag aan het Hof wordt verzocht te beslissen of artikel 52 van verordening no. 3 alléén van toepassing is op migrerende werknemers, die ten tijde van het ongeval in één der zes landen van de Gemeenschap werkzaam waren, of geweest waren, dan wel of bedoelde tekst van toepassing is op iedere werknemer die in één der Lid-Staten bij een stelsel van sociale zekerheid is aangesloten, ook indien hij niet is migrerend werknemer en het ongeval waarvan hij het slachtoffer werd en op grond waarvan uitkeringen van sociale zekerheid werden gedaan, plaatsvond noch gedurende de arbeid, noch in verband daarmede;
Overwegende dat het Hof, de bepalingen van artikel 52, eerste lid, interpreterende in zijn arrest 33-64 van 11 maart 1965 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Arrondissementsrechtbank te Assen, Jurisprudentie, Deel XI, blz. 128 e.v.), voor recht heeft verklaard :
„Deze bepalingen zijn van toepassing wanneer een werknemer, die naar aanleiding van een op het grondgebied van een andere Lid-Staat al dan niet in verband met zijn arbeid ontstane schade krachtens wettelijke regeling van een Lid-Staat prestaties als bedoeld bij artikel 2 der verordening no. 3 geniet of heeft genoten, het recht heeft op het grondgebied van die tweede Lid-Staat tegen een derde een eis tot schadevergoeding in te stellen”;
dat er, gelet op de in de onderhavige zaak verstrekte gegevens, aan dient te worden herinnerd dat artikel 52 van toepassing is op allen die krachtens de wetgeving van een Lid-Staat prestaties genieten en ongeacht de vraag of het de werknemer zelf dan wel zijn rechtverkrijgenden betreft;
Overwegende dat verweerster ten principale, hoewel de juistheid der interpretatie erkennende, meent dat de aldus uitgelegde verordening no. 3 onverenigbaar is met artikel 51 van het E.E.G.-Verdrag, met name uit hoofde van het feit dat de Raad krachtens deze bepaling slechts bevoegd zou zijn tot regeling van de situatie van migrerende werknemers stricto sensu:
dat zij bijgevolg voor het Hof op grond van de artikelen 173 en 184 van genoemd Verdrag, de niet-toepasselijkheid inroept van artikel 52 van verordening no. 3 en concludeert dat het verzoek om interpretatie van het Gerechtshof te Colmar geacht zal worden zonder voorwerp te zijn geraakt;
Overwegende dat het blijkens artikel 177 van het Verdrag aan de nationale rechter en niet aan de partijen ten principale staat om zich tot het Hof te wenden;
dat, waar de bevoegdheid om de aan het Hof voor te leggen vragen vast te stellen alleen aan de nationale rechter toekomt, partijen de inhoud daarvan niet kunnen wijzigen, noch ook vorderen dat zij geacht zullen worden zonder voorwerp te zijn geraakt;
dat het Hoi van Justitie derhalve niet op het verzoek van een der partijen gedwongen zou kunnen worden tot kennisneming van een vraag waartoe het initiatief niet van partijen doch slechts van de nationale rechter uit mag gaan, noch ook van een vordering welke, hoewel binnen het bijzondere kader van artikel 177 ingesteld, niettemin hoofdzakelijk gegrond is op artikel 184;
dat de tegengestelde opvatting bovendien een miskenning inhoudt van de bedoeling der auteurs van artikel 177, namelijk om een directe samenwerking te vestigen tussen het Hof van Justitie en de nationale rechterlijke instanties in de vorm van een niet-contentieuze procedure, waaraan ieder initiatief van partijen vreemd is en in de loop waarvan laatstgenoemden slechts worden uitgenodigd om te worden gehoord;
dat derhalve de vordering van de Firma Singer & Zoon om het verzoek om interpretatie, door het Gerechtshof te Colmar gedaan zonder oorzaak te verklaren, moet worden verworpen;
Overwegende voorts dat de stelling van verzoekster ten principale, dat verordening no. 3 en met name haar artikel 52, in strijd zou zijn met de in artikel 51 van het Verdrag neergelegde beperkingen niet kan worden aanvaard;
dat volgens artikel 51 van het Verdrag de Raad „de maatregelen vaststelt welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers”;
dat artikel 51 is opgenomen in het hoofdstuk getiteld „De werknemers” hetwelk is geplaatst in titel III „Het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal”) van het tweede deel van het Verdrag („De grondslagen van de Gemeenschap”);
dat nu de totstandkoming van een zo volledig mogelijke vrijheid van het verkeer der werknemers is opgenomen in de „grondslagen” van de Gemeenschap, zij het uiteindelijke doel van artikel 51 vormt en mede bepalend is voor de uitoefening van de bevoegdheid welke bij die bepaling aan de Raad wordt toegekend;
dat het dan ook niet in overeenstemming met deze gedachtengang zou zijn het begrip „werknemer” te beperken tot de migrerende werknemers stricto sensu of tot de enkele veranderingen van woon- of verblijfplaats in verband met hun arbeid;
dat immers artikel 51 geen enkele zodanige onderscheiding oplegt, welke er trouwens toe zou kunnen leiden dat de toepassing der onderhavige regels praktisch onmogelijk wordt;
dat daarentegen het in verordening no. 3 neergelegde stelsel, ten doel hebbende — voor zoveel mogelijk — de territoriale begrenzing bij de toepassing der verschillende stelsels van sociale zekerheid te elimineren, met de doelstelling van artikel 51 van het Verdrag in overeenstemming is;
II — Ten aanzien van de tweede vraag
Overwegende dat het Gerechtshof van Colmar bij zijn tweede vraag het Hof verzoekt te beslissen of de organen van sociale zekerheid van een Lid-Staat krachtens artikel 52 van verordening no. 3 gerechtigd zijn om in de bij dat artikel genoemde gevallen de restitutie te vorderen van de prestaties door deze organen naar aanleiding van een vóór 1 januari 1959 plaatsgevonden hebbend ongeval, gedaan;
Overwegende dat blijkens artikel 88 (1) van verordening no. 4 van de Raad van de E.E.G., de verordening no. 3 op 1 januari 1959 in werking is getreden;
dat bedoelde verordening no. 3 niet voor 1 januari 1959 de daarin geregelde rechten en verplichtingen kon doen ontstaan;
dat daarentegen gebeurtenissen aan die dag voorafgaande, met ingang van de inwerkingtreding van bedoelde verordening, deze rechten en verplichtingen wèl in het leven konden roepen;
dat nu het tegengestelde niet uitdrukkelijk werd bepaald, haar rechtsregels geacht moeten worden op het tijdstip waarop zij van kracht worden voor het heden de rechtsgevolgen van vroegere gebeurtenissen vast te leggen;
dat artikel 52 van verordening no. 3 geen enkele wijziging brengt hetzij in de voorwaarden waaronder de niet-contractuele aansprakelijkheid ontstaat, hetzij in de grenzen dier aansprakelijkheid, welke materie uitsluitend beheerst blijft door het nationale recht;
dat bedoelde bepaling zich ertoe beperkt het tot uitkering gehouden orgaan te subrogeren in eventuele rechten van de verzekerde jegens de derde aansprakelijke en, met andere woorden, slechts een nieuwe schuldeiser stelt in de plaats van de oude;
Overwegende voorts, dat de in artkel 52 ten behoeve der nationale organen van sociale zekerheid voorziene subrogatie de logische en ook billijke tegenhanger vormt van de uitbreiding hunner verplichtingen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap;
dat artikel 53 (3) van verordening no. 3 daartoe bepaalt dat een uitkering verschuldigd is, zelfs indien deze in verband staat met een gebeurtenis welke vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening heeft plaatsgevonden;
dat derhalve moet worden aangenomen dat ook artikel 52 gelijke werking heeft in de tijd;
dat derhalve de tweede vraag van het Gerechtshof te Colmar bevestigend moet worden beantwoord;
III — Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten gemaakt door de Commissie van de E.E.G., die haar opmerkingen aan het Hof heeft voorgelegd, niet voor vergoeding in aanmerking komen;
dat de onderhavige procedure ten aanzien van de betrokken partijen het karakter draagt van een incident in het tussen hen aanhangige geding voor het Gerechtshof te Colmar, zodat de beslissingen over de gemaakte kosten bij genoemd Gerechtshof moet verblijven;
Dictum
Gezien de processtukken;
heeft
HET HOF VAN. JUSTITIE,
uitspraak doende op de prejudiciële vragen door de Eerste Civiele Kamer van het Gerechtshof te Colmar, bij haar beschikking van 1 juni 1965 aan-het Hof voorgelegd,
1. Beslist: 's Hofs arrest van 11 maart 1965 in de zaak 33-64 bevat het antwoord op de eerste vraag van het'Gerechtshof te Colmar;
2. Beslist: artikel 52 van verordening no. 3 van de Raad van de E.E.G,. inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers kent aan de organen van sociale zekerheid van iedere Lid-Staat de bevoegdheid toe om in de bij die bepaling genoemde gevallen, de terugvordering te eisen van de uitkeringen welke deze organen hebben gedaan naar aanleiding van een ongeval, hetwelk vóór 1 januari 1959 plaatsvond;
3. Verstaan: dat de beslissing ten aanzien van de kosten der onderhavige instantie bij het Gerechtshof te Colmar verblijft.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Rechtspraak
3Europese Unie
3Hof van JustitieC-508/1406.10.2015
Berekening van de kosten van de universeledienstverplichtingen
Conclusie van advocaat-generaal GeelhoedC-62/0024.01.2002
Zesde richtlijn 77/388 art. 11, EG-Verdrag art. 95
Conclusie van de advocaat-generaalC-85/9511.07.1996