Arrest van het Hof van 14 december 1971, 43/71 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 43/71 ECLI:EU:C:1971:122 14 december 1971

Zoeken

Arrest van het Hof van 14 december 1971, 43/71Verordening 121/67 art. 17 en art. 19

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-43-71-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
43/71
ECLI
ECLI:EU:C:1971:122
Datum
14 december 1971

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Tribunale di Torino (Italië) beslissing van 17 juli 1971 3266/71
Zaak ingediend op
23 juli 1971
Advocaat-generaal
Dutheillet de Lamothe
Nationale beslissing na het arrest
Tribunale di Torino beslissing van 7 juli 1972 1313 - RG 3266/71

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1971, blz. 1039
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Kutscher
Repertorium van het Hof

Tekst

67 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

I — Bepalingen geldende in het litigieuze tijdvak

Overwegende dat in het litigieuze tijdvak de navolgende bepalingen hebben gegolden:

1. Verordening nr. 20 was naar luid van artikel 1, lid 1, toepasselijk op de volgende produkten: Nr. van het gemeenschappelijk douanetariefOmschrijving01.03 A IILevende varkens, huisdieren, andere dan fokdieren van zuiver ras ongeacht hun leeftijd02.01 A IIIaVlees van varkens, van huisdierenex 02.01 B IISlachtafvallen van varkens, van huisdierenex 02.05Spek (met uitzondering van doorregen spek), geperst noch gesmolten varkensvet, vers, gekoeld, bevroren, ge-zouten, gepekeld, gedroogd of gerookt02.06 BVlees en eetbare slachtafvallen van varkens, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt15.01 A IIReuzel en ander geperst of gesmolten varkensvet, niet bestemd voor ander industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van produkten voor menselijke consumptieex 16.01Worst van alle soorten, van vlees, van slachtafvallen of van bloed, varkensvlees of slachtafvallen van varkens bevattendex 16.02 A IIAndere bereidingen en conserven, van vlees of van slachtafvallen, varkenslever bevattendex 16.02 B IIAndere bereidingen en conserven, van vlees of van slachtafvallen, overige, varkensvlees of slachtafvallen van varkens bevattend In artikel 14, lid 1, dezer verordening wordt „de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking” bij invoer uit Lid-Staten als „onverenigbaar met de toepassing van het stelsel van intracommunautaire heffingen” verboden, terwijl volgens artikel 18, lid 1, „de toepassing van het stelsel van heffingen ten opzichte van derde landen … de afschaffing mede [brengt] van ieder douanerecht of iedere heffing van gelijke werking op de uit derde landen afkomstige invoer”.

2. 's Raads verordening nr. 121/67/EEG is in de plaats getreden voor verordening nr. 20, Artikel 19, lid 1, en artikel 17, lid 2, verbieden in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap onderscheidenlijk in dat met derde landen „de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking”. Volgens artikel 32 is „de bij deze verordening ingestelde regeling … van toepassing met ingang van 1 juli 1967” en worden„verordening nr. 20 alsmede haar uitvoeringsbepalingen … met ingang van 1 juli 1967 ingetrokken”.

II — De feiten in het procesverloop

Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten en het procesverloop kunnen worden samengevat als volgt:

1. De vennootschap Politi heeft ingevoerd op 8 juli 1966 gekoeld varkensvlees uit Zweden; op 11 augustus 1966 bevroren varkensvlees en -ham uit België; op 16 september 1969 varkensvlees en eetbare slachtafvallen van varkens, vers en gekoeld, uit Frankrijk; op 29 oktober 1969 gekoeld varkensvlees uit Ierland. Over elk dezer ingevoerde partijen had zij te betalen: een recht wegens administratieve diensten ad 0,50 % van de waarde der ingevoerde produkten (dit recht is ingesteld bij de Italiaanse wet nr. 330 van 15 juni 1950); een statistiekrecht ad 10 lire per 100 kg ingevoerd produkt (vgl. met name de artikelen 42 van de decreten van de President van de Italiaanse Republiek nrs. 1339 van 21 december 1961 en 723 van 26 juni 1965). Omdat deze heffingen haars inziens niet verschuldigd waren heeft de vennootschap Politi, ten einde restitutie van de betaalde bedragen te verkrijgen, bij de President van de rechtbank te Turijn een dwangbevelprocedure tegen het Ministerie van Financiën van de Italiaanse Republiek aanhangig gemaakt. Zij stelt dat bedoelde nationale voorschriften — als onverenigbaar met de verordeningen nrs. 20 en 121/67 — op de partijen in Italië ingevoerd varkensvlees niet van toepassing waren.

2. Bij beschikking van 17 juli 1967 heeft de President van de rechtbank te Turijn besloten de navolgende vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen: Of rechten voor administratieve diensten en statistiekrechten, overeenkomstig onderscheidenlijk wet nr. 330 van 15 juni 1950 en presidentiële decreten nr. 723 van 26 juni 1965 en nr. 1339 van 21 december 1961, zijn te beschouwen als heffingen van gelijke werking als douanerechten in de zin van verordening nr. 20; Of het bepaalde in artikel 14, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 20 rechtstreeks toepasselijk is in de Italiaanse rechtsorde; Zo ja, of deze bepaling dan voor particulieren subjectieve rechten doet ontstaan, die de nationale rechter dient te handhaven; Of deze rechten zijn ontstaan op 21 april 1962, datum van inwerkingtreding van verordening nr. 20, dan wel op 1 juli 1962, datum waarop volgens artikel 23 dier verordening „het stelsel van heffingen van toepassing wordt”, dan wel op de datum van inwerkingtreding van de afzonderlijke verordeningen van de Raad, waarbij het bedrag der intracommunautaire heffingen voor het eerst werd vastgesteld, dat wil zeggen 1 juli 1962 voor de waren, bedoeld in artikel 1, sub a, van verordening nr. 20, op grond van verordening nr. 51, 30 juli 1962 voor de waren, bedoeld in artikel 1, sub b, van verordening nr. 20 en vermeld in verordening nr. 50, en 2 september 1963 voor de waren, bedoeld in artikel 1, sub b, van verordening nr. 20 en vermeld in verordening nr. 87/63, evenals voor de waren, bedoeld in artikel 1, sub c, van verordening nr. 20 en vermeld in verordening nr. 89/63; Of het bepaalde in artikel 18, lid 1, van verordening nr. 20 rechtstreeks toepasselijk is in de Italiaanse rechtsorde; Zo ja, of dan voor particulieren subjectieve rechten zijn ontstaan, die de nationale rechter dient te handhaven; Of deze rechten zijn ontstaan op 21 april 1962, datum van inwerkingtreding van verordening nr. 20, dan wel op 1 juli 1962, datum waarop volgens artikel 23 dier verordening „het stelsel van heffingen van toepassing wordt”, dan wel op de datum van inwerkingtreding van de afzonderlijke verordeningen van de Raad, waarbij het bedrag der heffingen op de invoer uit derde landen voor het eerst werd vastgesteld, dat wil zeggen 1 januari 1963 voor geslachte varkens en levende varkens op grond van verordening nr. 155, en 2 september 1963 voor de waren, bedoeld in artikel 1, sub b — andere produkten dan geslachte varkens —, op grond van verordening nr. 86/63, evenals voor de waren, bedoeld in artikel 1, sub c, van verordening nr. 20, op grond van verordening nr. 88/63; Of het bepaalde in artikel 19, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 121/67 rechtstreeks toepasselijk is in de Italiaanse rechtsorde; Zo ja, of deze bepaling dan voor particulieren subjectieve rechten doet ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven; Of deze rechten met name zijn ontstaan op 1 juli 1967, op grond van artikel 19 juncto artikel 32 van verordening nr. 121/67; Of het bepaalde in artikel 17, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 121/67 rechtstreeks toepasselijk is in de Italiaanse rechtsorde; Zo ja, of dan voor particulieren subjectieve rechten zijn ontstaan, die de nationale rechter dient te handhaven; Of deze rechten zijn ontstaan op 1 juli 1967, op grond van artikel 32 van verordening nr. 121/67, althans voor zover op die datum verordening nr. 205/67 — houdende de eerste vaststelling van de heffingen op de invoer uit derde landen op grond van verordening nr. 121/67 — in werking is getreden; Of de subjectieve rechten van particulieren, tegenover de verplichting der Lid-Staten om geen douanerechten of heffingen van gelijke werking toe te passen op de invoer van produkten die onder de gemeenschappelijke marktordening in de sector varkensvlees vallen, tot heden ononderbroken zijn blijven bestaan sinds de in antwoord op de vragen 2 en 3 vastgestelde data. De firma Politi heeft volgens de verwijzingsbeschikking in het geding voor de nationale rechter met name het volgende betoogd: Blijkens 's Hofs jurisprudentie zijn de litigieuze rechten heffingen van gelijke werking als douanerechten in de zin van de artikelen 9, 12, 13 en 16 van het Verdrag. Voor de sector varkensvlees wordt in de verordeningen nrs. 20 en 121/67 de toepassing van zulke heffingen zowel bij invoer uit Lid-Staten als uit derde landen verboden. Verwezen wordt naar 's Hofs arresten van 4 april 1968 (Kunstmühle Tivoli/Hauptzollamt Würzburg, 20-67, Jurisprudentie 1968, blz. 290), 1 juli 1969 (Commissie/Italiaanse Republiek, 24-68, Jurisprudentie 1969, blz. 194 e.v.), 18 november 1970 (zelfde partijen, 8-70, Jurisprudentie 1970, blz. 961 e.v.) en 17 december 1970 (S.p.a. SACE/Ministerie van Financiën van de Italiaanse Republiek, 33-70, Jurisprudentie 1970, blz. 1214 e.v.). Volgens artikel 189 van het Verdrag en de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en van de Italiaanse rechterlijke instanties doen voormelde verordenende bepalingen voor de importeurs rechten jegens de betrokken Lid-Staat ontstaan.

3. De verwijzingsbeschikking is ter griffie van het Hof ingeschreven op 23 juli 1971. De vennootschap Politi en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben overeenkomstig artikel 20 van het Statuut van het Hof der EEG schriftelijke opmerkingen ingediend. Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Ter terechtzitting van 17 november 1971 hebben de vennootschap Politi, de regering van de Italiaanse Republiek en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt. Ter terechtzitting van 30 november 1971 heeft de Advocaat-Generaal mondeling zijn met redenen omklede conclusie genomen. De vennootschap Politi werd ten deze vertegenwoordigd door professor M. Ubertazzi en F. Capelli, advocaten te Milaan, de Italiaanse Regering door A. Maresca, gevolmachtigd minister, en G. Zagari, Sostituto-Avvocato Generale dello Stato, de Commissie door haar juridisch adviseur C. Maestripieri.

III — Samenvatting van de opmerkingen gemaakt krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG

Overwegende dat deze opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

1. De ontvankelijkheid van de verwijzing

De vennootschap Politi betoogt, dat de ontvankelijkheid van de verwijzing boven twijfel staat. Voor een beroep op het Hof ingevolge artikel 177 behoeft het voor de nationale rechter niet tot een contradictoire behandeling te zijn gekomen. De verwijzende rechter kan zonder tevoren de wederpartij te hebben gehoord, een prejudiciële beslissing vragen in een summier geding als de „dwangbevel” -procedure van de artikelen 633 e.v. van de Codice di procedura civile.

De Italiaanse Regering is van mening, dat het dossier zonder beantwoording van de gestelde vragen naar de nationale rechter moet worden teruggezonden, en wel in hoofdzaak om twee redenen:

In de eerste plaats heeft de vennootschap Politi aan de President van de rechtbank te Turijn om een eenvoudig dwangbevel verzocht, dat wil zeggen om een beschikking in een summiere procedure, zoals die alleen op grond van de posita van de verzoekende partij en zonder voorafgaand partijdebat wordt gegeven. Volgens artikel 643 van de Codice di procedura civile is er dan pas een geding aanhangig vanaf het tijdstip waarop de beschikking („decreto”) van de rechter, houdende toewijzing van het verzoek, aan de wederpartij wordt betekend. Bovendien komt zodanige beschikking te vervallen zodra de wederpartij van zijn recht om in verzet te komen gebruik maakt. Uit een en ander volgt dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 177, tweede alinea, van het Verdrag in casu niet zijn vervuld.

In de tweede plaats heeft de Italiaanse Republiek op dezelfde dag waarop de verwijzingsbeschikking is genomen, wet nr. 447 tot afschaffing van de bepalingen betreffende het statistiekrecht en het recht van administratieve diensten, gepubliceerd. Dit heeft het juridisch kader van de onderhavige zaak volkomen gewijzigd, zodat de nationale rechter in de gelegenheid dient te worden gesteld de op te lossen problemen opnieuw in overweging te nemen en na te gaan of de aan het Hof gestelde vragen moeten worden gehandhaafd.

De Commissie meent dat het, ongeacht of de vragen na de nieuwe Italiaanse wet nog terzake dienend zijn, aan het Hof staat ze te beantwoorden en aan de nationale rechter te beslissen omtrent de wijze waarop 's Hofs arrest dient te worden toegepast. Naar aanleiding van het betoog van de Italiaanse Regering inzake de aard van het hoofdgeding, behoeft slechts te worden geconstateerd dat het Hof is geadieerd door een rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 177.

2. De hoofdzaak

De vennootschap Politi herhaalt haar in de verwijzingsbeschikking weergegeven betoog. Zij voegt daaraan met name toe, dat de door de nationale rechter genoemde verordenende voorschriften voldoen aan alle voorwaarden waaronder de justitiabelen volgens het Hof van Justitie aan een gemeenschapsrechtelijke bepaling rechten kunnen ontlenen. Het zijn duidelijke voorschriften, welker toepassing niet van nadere voorwaarden of maattegelen van de Lid-Staten of instellingen van de Gemeenschap afhankelijk is gesteld, terwijl aan de Lid-Staten geen discretionaire bevoegdheid toekomt.

De hierbedoelde individuele rechten zijn blijkens zorgvuldig onderzoek van de verordeningen voor de landbouwsector ontstaan:

op 30 juli 1962 voor de produkten bedoeld in artikel 1, lid 1, sub a), van verordening nr. 20 en voor geslachte varkens; vgl. verordeningen nrs. 50, 51, 52 en 53 van de Raad (PB van 1 juli 1962, blz. 1573 e.v.);

op 2 september 1963 voor de (andere) produkten genoemd in lid 1, sub b) en c), van verordening nr. 20; vgl. 's Raads verordeningen nrs. 86/63/ EEG, 87/63/EEG, 88/63/EEG en 89/ 63/EEG (PB van 9 augustus 1963, blz. 2182 e.v.).

Bij de inwerkingtreding van verordening nr. 121/67 (1 juli 1967) was het verbod heffingen van gelijke werking als een douanerecht toe te passen definitief vastgesteld; vgl. verordening nr. 205/67/EEG van de Commissie (PB van 30 juni 1967, blz. 2843) waarin het bedrag der heffingen met ingang van 1 juli 1967 werd vastgesteld.

In de door de Italiaanse Regering genoemde wet nr. 447 zijn het administratiefrecht en het statistiekrecht eerst met ingang van 1 juli 1968 onderscheidenlijk op de dag van inwerkingtreding (2 augustus 1971) afgeschaft. Door deze vertragingstaktiek heeft de nationale wetgever ernaar gestreefd de draagwijdte der uit te leggen communautaire bepalingen aanzienlijk te wijzigen. Dat voormelde wet van latere datum is dan genoemde bepalingen, zou bij de Italiaanse rechter de gedachte kunnen doen postvatten dat zij intrekking van genoemde bepalingen inhield; in sommige arresten van het Italiaanse Constitutionele Hof is namelijk ter oplossing van het probleem van de verhouding tussen het gemeenschapsrecht en het nationale recht verwezen naar het criterium van de prioriteit — ratione temporis —. Het is derhalve wenselijk, dat het Hof het primaat van het gemeenschapsrecht ook ten opzichte van latere nationale voorschriften opnieuw bevestigt.

De Italiaanse Regering beperkt zich in hoofdzaak tot de opmerking, dat de term „heffing van gelijke werking” haars inziens niet voor alle stadia van de geleidelijke verwezenlijking van de betrokken landbouwmarkt uniform kan worden gedefinieerd en dat van geval tot geval rekening moet worden gehouden met de historische samenhang waarin de onderscheiden bepalingen die met deze term werken, tot stand zijn gekomen.

De Commissie herinnert allereerst aan de ontwikkeling van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees. Vervolgens bepaalt zij haar standpunt inzake de vragen van de nationale rechter.

De eerste vraag

Ofschoon zij inhoudelijk de toepassing van het Verdrag op het onderhavige geval schijnt te betreffen, dient de vraag aldus te worden verstaan, dat aan het Hof wordt verzocht in algemene zin de criteria vast te stellen aan de hand waarvan moet worden bepaald of van een heffing van gelijke werking als een douanerecht sprake is. Er is wat die criteria betreft een constante rechtspraak van het Hof; behalve naar de arresten door de Italiaanse rechter genoemd, verwijst de Commissie naar het arrest van 1 juli 1969 (Sociaal Fonds voor de Diamantarbeiders/SA CH. Brachfeld & Sons en Chougol Diamond Co., gevoegde zaken 2 en 3-69, Jurisprudentie 1969, blz. 212 e.v.).

De vragen 2 a en b, 3 a en b, 4 a en b, 5 a en b

De argumenten van de Commissie zijn wezenlijk identiek aan die van de firma Politi.

De vragen 2 c en 3 c

De „dies a quo” kan niet zijn de dag van inwerkingtreding van verordening nr. 20; immers artikel 23 van deze verordening onderscheidt tussen de dag van haar inwerkingtreding en die waarop het stelsel van heffingen van toepassing wordt. Dit was nodig om de instellingen in staat te stellen inmiddels voor dit stelsel de nodige uitvoeringsverordeningen vast te stellen.

Opgemerkt zij, dat waar in de onderhavige vragen drie mogelijke oplossingen worden aangegeven, er in werkelijkheid slechts twee in aanmerking komen: immers, de „dag waarop het stelsel van heffingen van toepassing wordt” moest uiteraard samenvallen — en viel ook samen — met de dag van inwerkingtreding van de verschillende verordeningen waarin het bedrag van de communautaire heffing voor de eerste maal is vastgesteld. Deze datum was:

30 juli 1962 voor de produkten bedoeld in artikel 1, lid 1, sub a), van verordening nr. 20, te weten levende varkens, en voor geslachte varkens bedoeld in dit zelfde lid, sub b), (vgl. verordeningen nrs. 50 tot en met 53);

2 september 1963 voor de andere produkten als voormeld sub b) genoemd, alsook voor bereidingen en conserven van varkensvlees, in hetzelfde lid sub c), genoemd (vgl. verordeningen nrs. 86 tot en met 89/63).

Met ingang van die data mochten de Lid-Staten derhalve op bedoelde produkten geen heffingen van gelijke werking meer toepassen. Dit volgt uit:

de bewoordingen van de artikelen 14, lid 1, en 18, lid 1, van verordening nr. 20, waarin de nadruk valt op de gelijktijdigheid van de afschaffing der belemmeringen van de intracommunautaire handel en het handelsverkeer met derde landen enerzijds, en anderzijds de invoering van een stelsel van heffingen; van deze gelijktijdigheid was trouwens ook sprake in artikel 14, leden 2 en 3;

de derde tot en met de vijfde en de negende tot en met de elfde overweging van de considerans van verordening nr. 20, blijkens welke de tevoren door de Staten toegepaste beschermende maatregelen door een uniform heffingsstelsel moesten worden vervangen;

het feit dat de Raad, toen hij er zich rekenschap van gaf dat de toepassing der heffingen op de aanvankelijk voorziene datum (30 juli 1962; vgl. verordening nr. 49 van de Raad, PB van 1 juli 1962, blz. 1571) niet kon worden verwezenlijkt, die datum voor sommige produkten definitief op 2 september 1963 heeft gesteld (vgl. verordening nr. 54/63/EEG van de Raad, PB van 27 juni 1963, blz. 1785).

De vragen 4 c, 5 c en 6

Voor invoertransacties die onder het stelsel van verordening nr. 121/67 hebben plaatsgehad, zijn de verboden van de artikelen 17 en 19 op 1 juli 1967 ingegaan, naar blijkt uit artikel 32, tweede alinea, van de verordening en uit het feit dat eveneens op die datum verordening nr. 205/67, houdende vaststelling van het bedrag der heffingen, in werking is getreden.

Deze verbodsbepalingen hielden alleen maar een bevestiging in van de verboden die onder het stelsel van verordening nr. 20 hadden gegolden en die in werking bleven tot de dag waarop het stelsel van heffingen bedoeld in verordening nr. 121/67 van toepassing werd (vgl. artikel 32, derde alinea, dier verordening).

Conclusie

Resumerend stelt de Commissie voor de vragen als volgt te beantwoorden:

1) Een eenzijdig opgelegde geldelijke last, hoe gering ook, die wegens grensoverschrijding op nationale of buitenlandse goederen wordt gelegd en geen douanerecht is in eigenlijke zin, levert, ongeacht benaming en structuur, een heffing van gelijke werking in de zin van verordening nr. 20 op, zelfs wanneer deze last niet ten behoeve van de Staat wordt geheven, geen enkele discriminerende of beschermende werking heeft en het belaste produkt niet met enige nationale produktie concurreert.

2) De artikelen 14, lid 1, eerste streepje, en 18, lid 1, van verordening nr. 20, als ook de artikelen 19, lid 1, eerste streepje, en 17, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 121/67 zijn in de Italiaanse rechtsorde rechtstreeks toepasselijk en doen voor particulieren rechten ontstaan die de nationale rechter heeft te handhaven.

3) Wat betreft invoertransacties die voor 1 juli 1967 hebben plaatsgehad, zijn voormelde rechten ontstaan op het tijdstip waarop het in verordening nr. 20 voorziene stelsel van heffingen op bedoelde produkten van toepassing is geworden, te weten voor de produkten bedoeld in artikel 1, lid 1, sub a), van verordening nr. 20 en voor geslachte varkens op 30 juli 1962; voor de andere produkten omschreven in artikel 1, lid 1, sub b) en c), van verordening nr. 20 op 2 september 1963.

4) Voor invoertransacties die na 1 juli 1967 hebben plaatsgehad, zijn deze rechten ontstaan op het tijdstip waarop het in verordening nr. 121/67 voorziene stelsel van heffingen op de betrokken produkten van toepassing is geworden, dat wil zeggen op 1 juli 1967.

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat de Preisdent van de rechtbank te Turijn bij beschikking van 17 juli 1971, ingekomen ter griffie op 23 juli 1971, het Hof een aantal vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van met name 's Raads verordeningen nrs. 20 van 4 april 1962 en 121/67/EEG van 13 juni 1967 — beide betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees —;

dat deze vragen verband houden met het feit, dat de Italiaanse autoriteiten op invoer uit andere Lid-Staten en uit derde landen een recht wegens administratieve diensten en een statistiekrecht hebben toegepast, ingesteld bij de Italiaanse wet van 15 juni 1950 nr. 330, onderscheidenlijk bij decreten van de President van de Italiaanse Republiek nrs. 723 van 26 juni 1965 en 1339 van 21 december 1961;

I — De bevoegdheid van het Hof

2.

1)Overwegende dat de Italiaanse Regering meent dat de stukken zonder beantwoording van de gestelde vragen naar de nationale rechter dienen te worden teruggezonden, op grond dat bij de Italiaanse wet nr. 447, die is gepubliceerd op dezelfde dag waarop de verwijzingsbeschikking is genomen, de litigieuze rechten zijn afgeschaft, zodat aan de nationale rechter de gelegenheid moet worden geboden na te gaan of de aan het Hof gestelde vragen moeten worden gehandhaafd;

3.

Overwegende dat het Hof echter ingevolge artikel 177 van het Verdrag niet mag beoordelen of de gestelde vraag in het kader van het geding voor de nationale rechter nog van belang is, ook niet wanneer het desbetreffende nationale recht is gewijzigd;

dat in ieder geval intrekking van nationale bepalingen die met het gemeenschapsrecht onverenigbaar worden geacht, de vraag naar de aan zodanige tegenstrijdigheid rechtens verbonden gevolgen voor het aan die intrekking voorafgaande tijdvak niet ongedaan maakt;

4.

2)Overwegende dat de Italiaanse Regering voorts betoogt dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 177, tweede alinea, niet zouden zijn vervuld, omdat de President van de rechtbank te Turijn zijn beschikking („decreto”) na een speciale procedure, alleen op grond van de posita van de verzoekende partij en zonder voorafgaand partijdebat, heeft te geven;

5.

Overwegende dat kan worden volstaan met de vaststelling, dat de President van de rechtbank te Turijn met rechtspraak belast is in de zin van artikel 177, dat hij een uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk heeft geacht voor het geven van zijn beslissing en dat het Hof geen overwegingen behoeft te wijden aan de stand van de procedure waarin de vraag is gesteld;

II — De hoofdzaak

De eerste vraag
6.

Overwegende dat aan het Hof in de eerste plaats verzocht wordt uit te spreken, of het bij de Italiaanse wet ingestelde recht wegens administratieve diensten en statistiekrecht heffingen van gelijke werking als een douanerecht zijn in de zin van verordening nr. 20;

7.

Overwegende dat uit 's Hofs arresten van 1 juli 1969, gewezen in de zaak 24-68 (Jurisprudentie 1969, blz. 1964 e.v.), en van 18 november 1970, gewezen in de zaak 8-70 (Jurisprudentie 1970, blz. 961 e.v.), blijkt, dat deze rechten heffingen zijn van gelijke werking als een douanerecht in de zin van de artikelen 9, 12 en 13 van het EEG-Verdrag en van sommige verordeningen betreffende gemeenschappelijke landbouwmarktordeningen, met name ook in de zin van artikel 19, lid 1, van 's Raads verordening nr. 121/67/EEG;

dat de term „heffing van gelijke werking” in de artikelen 14, lid 1, en 18, lid 1, van verordening nr. 20 — waar toepassing van zulke heffingen bij invoer van varkensvlees uit Lid-Staten en derde landen wordt verboden — dezelfde draagwijdte heeft als in de artikelen 9 e.v. van het Verdrag en in de andere verordeningen tot ordening van de landbouwmarkt;

De vragen 2 a en b, 3 a en b, 4 a en b, 5 a en b
8.

Overwegende dat vervolgens aan het Hof wordt gevraagd, of de artikelen 14. lid 1, en 18, lid 1, van verordening nr. 20, alsook de artikelen 17, lid 2, eerste streepje, en 19, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 121/67 rechtstreeks toepasselijk zijn in de nationale rechtsorde en als zodanig voor particulieren subjectieve rechten hebben doen ontstaan, die de nationale rechter dient te handhaven;

9.

Overwegende dat een gemeenschapsverordening naar luid van artikel 189, tweede alinea, van het Verdrag, „een algemene strekking” heeft en „rechtstreeks toepasselijk [is] in elke Lid-Staat”;

dat de verordening derhalve naar haar aard en functie in het stelsel van de communautaire rechtsbronnen, rechtstreeks werkt en als zodanig aan particulieren rechten kan verlenen, die de nationale rechter verplicht is te beschermen;

dat dan ook de in artikel 189 voorziene werking der verordeningen zich verzet tegen de toepassing van alle — ook latere — wettelijke maatregelen die met haar bepalingen onverenigbaar zijn;

dat zulks geldt ten aanzien van voormelde bepalingen;

De vragen 2 c, 3 c, 4 c, 5 c en 6
10.

Overwegende dat ten slotte aan het Hof gevraagd wordt aan te geven op welke data de individuele rechten zijn ontstaan die uit de artikelen 14, lid 1, en 18, lid 1, van verordening nr. 20, alsook uit de artikelen 17, lid 1, en 19, lid 1, van verordening nr. 121/67, voortvloeien;

dat het Hof voorts wordt verzocht uit te spreken of deze rechten sedert hun ontstaan onder het stelsel van verordening nr. 20, in stand zijn gebleven;

dat derhalve dient te worden nagegaan met ingang van welke data genoemde bepalingen zijn begonnen te werken en of deze werking sindsdien in stand is gebleven;

11.

1)Overwegende dat naar luid van artikel 14 van de basisverordening nr. 20 de litigieuze heffingen „in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten … zowel bij invoer als bij uitvoer onverenigbaar met de toepassing van het stelsel van intracommunautaire heffingen zijn”, terwijl volgens artikel 18 „de toepassing van het stelsel van heffingen ten opzichte van derde landen … de afschaffing [van eerder genoemde heffingen] … op de uit derde landen afkomstige invoer [medebrengt]”;

dat hieruit volgt dat het aan de Lid-Staten opgelegde verbod deze heffingen toe te passen — en bijgevolg het recht van particulieren nakoming van dit verbod te verlangen — eerst bij de invoering van voormelde heffingsstelsels is ingegaan;

12.

Overwegende dat deze datum, die in artikel 23 van verordening nr. 20 aanvankelijk op 1 juli 1962 was bepaald, vervolgens in artikel 1, lid 1, sub b, van verordening nr. 49 is vervangen door 30 juli 1962;

dat het bedrag der intracommunautaire heffingen voor geslachte varkens voor de eerste maal is vastgesteld in de volgens haar artikel 2 op 30 juli 1962 in werking getreden verordening nr. 50;

dat in de artikelen 2 van verordening nr. 51 en 3 van de verordeningen nrs. 52 en 53 was bepaald dat deze voorschriften — waarin voor de eerste maal het bedrag van de heffingen voor geslachte varkens ten opzichte van derde landen (verordening nr. 51), alsook voor levende varkens ingevoerd uit andere Lid-Staten (verordening nr. 52) en derde landen (verordening nr. 53) was vastgesteld — in werking traden „op de datum waarop het stelsel van heffingen, voorzien in verordening nr. 20 van de Raad, op geslachte varkens van toepassing wordt”;

13.

dat derhalve in de verordeningen nrs. 51 tot en met 53 werd gerefereerd aan de inwerkingtreding van verordening nr. 50, die diezelfde dag was vastgesteld en in hetzelfde nummer van het Publikatieblad geplaatst;

dat dan ook bedoelde bepalingen, voor zover levende varkens en geslachte varkens betreft, op 30 juli 1962 zijn begonnen te werken;

14.

Overwegende dat de Raad voor de produkten bedoeld in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 20 — andere dan levende varkens en geslachte varkens —„de datum waarop het stelsel van heffingen, voorzien” in verordening nr. 20 van toepassing wordt meermalen heeft gewijzigd en tenslotte — in artikel 1 van verordening nr. 54/63/EEG — „uiterlijk op 2 september 1962” heeft vastgesteld ;

dat bij verordeningen nrs. 86/63/EEG tot en met 89/63/EEG — waarin deze produkten in twee groepen zijn verdeeld — het bedrag van de intracommunautaire heffingen (verordeningen nrs. 87/63 en 89/63) en van de heffingen ten opzichte van derde landen (verordeningen nrs. 86/63 en 88/63) voor de eerste maal zijn vastgesteld;

15.

dat uit de onderscheiden bijlagen dezer verordeningen blijkt, dat de heffingen moesten worden toegepast op de invoertransacties die plaatsvonden in telkens op 2 september 1963 beginnende tijdvakken;

dat bedoelde bepalingen aldus voor andere produkten dan levende varkens en geslachte varkens op 2 september 1963 zijn begonnen te werken;

16.

2)Overwegende dat bij artikel 32, derde alinea, van basisverordening nr. 121/67/EEG, verordening nr. 20 behoudens enkele uitzonderingen met ingang van 1 juli 1967 is ingetrokken;

dat in de tweede alinea van dit artikel wordt bepaald dat „de bij deze verordening ingestelde regeling” — met uitzondering van enkele thans niet terzake doende maatregelen — met ingang van genoemde datum „van toepassing” is;

dat dan ook het in de artikelen 17 en 19 van de nieuwe verordening herhaalde verbod van bedoelde heffingen — en dientengevolge de daarmede samenhangende rechten van particulieren — zijn ingegaan op 1 juli 1967;

dat derhalve, wat betreft het stelsel ingevoerd bij verordening nr. 121/67, bedoelde bepalingen zijn begonnen te werken op 1 juli 1967;

17.

3)Overwegende dat uit het hiervoor overwogene volgt dat onder het stelsel van verordening nr. 20 het aan de Lid-Staten opgelegde verbod de litigieuze heffingen toe te passen gepaard ging met de verplichting tot toepassing der in die verordening voorziene heffingen;

dat uit voorgaande overwegingen voorts v olgt, dat deze verplichting, al naar het geval, op 30 juli 1962 of op 2 september 1963 is ingegaan;

dat anderzijds bedoelde heffingen sinds genoemde data ononderbroken zijn toegepast tot aan 1 juli 1967, datum van inwerkingtreding van verordening nr. 121/67;

dat deze verordening nog steeds van kracht is;

18.

Overwegende dat derhalve aan de nationale rechter dient te worden geantwoord, dat bedoelde werking, al naar het geval, sedert 30 juli 1962 of 2 september 1963, in stand is gebleven;

III — De kosten

19.

Overwegende dat de kosten, door de regering van de Italiaanse Republiek en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen en dat de procedure als een in het hoofdgeding gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de President van de rechtbank te Turijn bij beschikking van 17 juli 1971 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Ten aanzien van de eerste vraag

1. In de artikelen 14, lid 1, en 18, lid 1, van verordening nr. 20 heeft de term „heffing van gelijke werking” dezelfde draagwijdte als in de artikelen 9 e.v. van het Verdrag en in de andere verordeningen tot ordening van de landbouwmarkt;

Ten aanzien van de vragen 2 a en b, 3 a en b, 4 a en b, 5 a en b

2. Een gemeenschapsverordening werkt rechtstreeks, zodat daaraan door particulieren rechten kunnen worden ontleend welke de nationale rechter verplicht is te beschermen; Zulks geldt ten aanzien van de artikelen 14, lid 1, en 18, lid 1, van verordening nr. 20 en de artikelen 17, lid 1, eerste streepje, en 19, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 121/67;

Ten aanzien van de vragen 2 c, 3 c, 4 c, 5 c en 6

3. De artikelen 14, lid 1, en 18, lid 1, van verordening nr. 20 zijn ten aanzien van levende varkens en geslachte varkens begonnen te werken op 30 juli 1962 en ten aanzien van de andere produkten in genoemde verordening bedoeld, op 2 september 1963;

4. De artikelen 17, lid 1, en 19, lid 1, van verordening nr. 121/67/EEG zijn begonnen te werken op 1 juli 1967;

5. Bedoelde werking is, al naar het geval, sedert 30 juli 1962 of 2 september 1962 in stand gebleven.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

10
verordening 121/67 art. 17uitgelegd6 voorkomens
verordening 121/67 art. 19uitgelegd6 voorkomens
EEG-Verdrag art. 9uitgelegd3 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1772 voorkomens
verordening 121/67 art. 322 voorkomens
EEG-Verdrag art. 12uitgelegd1 voorkomen
EEG-Verdrag art. 13uitgelegd1 voorkomen
EEG-Verdrag art. 189uitgelegd1 voorkomen
EG-Verdrag art. 1891 voorkomen
verordening 54/63 art. 11 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Hof van JustitieC-658/1816.07.2020

Ontvankelijkheid, begrip ‚rechterlijke instantie’

Conclusie van advocaat-generaal SaggioC-110/9807.10.1999

Zesde richtlijn 77/388 art. 4 en art. 17

Bekijk de 2 documenten

Rechtsleer

3
Muratori, Aldo: Conseguenze giuridiche dell'incompatibilità con la normativa comunitaria del diritto per servizi amministrativi e del diritto di statistica per il periodo anteriore alla loro abrogazione, Diritto e pratica tributaria 1972 II p.1268-1270 (IT)
Kovar, Robert: Note sous l'arrët de la Cour du 14.12.1971 (Af. 43/71), Journal du droit international 1973 p. 509-512 (FR)
Blanquet, Marc: 46. Règlement. CJCE, 14 déc. 1971, n° 43/71, Politi s.a.s. c/ Ministère des Finances de la République italienne, Les grands arrêts de la Cour de justice de l'Union européenne. Droit constitutionnel et institutionnel de l'Union européenne (Dalloz, 2e édition) 2023, p. 762-770 (FR)