---
title: "HvJ EU, 42/59 en 49/59, arrest van 22 maart 1961"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 maart 1961, 42/59 en 49/59."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-42-59-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-42-59-arret"
---

# Arrest van het Hof van 22 maart 1961, 42/59 en 49/59

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaken**

42/59, 49/59

**ECLI**

ECLI:EU:C:1961:5

**Datum**

22 maart 1961

## De zaak

**Zaak ingediend op**

7 september 1959

**Advocaat-generaal**

Lagrange

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Riese

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Bronnen van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01) [Algemene rechtsbeginselen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02)

  - [Rechten van de verdediging en procedurele waarborgen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.06) 14 beslissingen
  - [Verkregen rechten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.03) 4 beslissingen
- [Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-C)

  - [Algemene en slotbepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-C-14) 2 beslissingen
  - Financiële bepalingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-C-04)

    - [Beroep tot nietigverklaring](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-C-04.02) 2 beslissingen
    - Beroep tot schadevergoeding Vordering tot vaststelling van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap
    - Beroep wegens nalaten
    - [Overige procedures en beroepswegen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-C-04.07) 2 beslissingen

## Tekst

232 paragrafen

### ARREST

### TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

#### I. — Historisch overzicht

Overwegende dat de feiten als volgt kunnen worden samengevat:

1\. Bij een aantal opeenvolgende beschikkingen heeft de Hoge Autoriteit een vereveningsstelsel voor importschroot ingevoerd, waarbij de ijzer- en staalondernemingen van de E.G.K.S. aan een heffing werden onderworpen naargelang van hun verbruik van „aankoopschroot”, terwijl het „eigen omloopschroot” niet werd belast. Verzoekster, die — in het bijzonder in financieel en economisch opzicht — ten nauwste verbonden is met de Régie Nationale des Usines Renault, was van oordeel, dat het haar door laatstgenoemde onderneming geleverde schroot met eigen omloopschroot diende te worden gelijkgesteld en mitsdien van de heffing vrijgesteld. Tevergeefs verdedigde zij deze stelling bij de Hoge Autoriteit; in zijn arrest in de gevoegde zaken 32 en 33-58 (Jurisprudentie V, blz. 295 v.) bekrachtigde het Hof de opvatting van de Hoge Autoriteit dat het zg. concernschroot als aankoopschroot moet worden beschouwd.

2\. Daarentegen hadden de Raden respectievelijk van het Gemeenschappelijk Bureau van Schrootverbruikers (nader te noemen het G.B.S.V.) en van het Vereveningsfonds voor Ingevoerd Schroot (nader te noemen het Fonds) besloten, het schroot dat interveniënten ontvangen van bepaalde, plaatselijk met hen geïntegreerde bedrijven als eigen omloopschroot te beschouwen. Deze besluiten werden op 6 juli en 14 september 1956 genomen ten aanzien van Breda en op 13 en 14 december ten aanzien van Hoogovens; de vertegenwoordiger van de Hoge Autoriteit bij het G.B.S.V. verklaarde evenwel, ter zake een voorbehoud te maken. Bij brief van 18 december 1957, gericht tot het G.B.S.V. en opgenomen in het Publikatieblad van 1 februari 1958, hief de Hoge Autoriteit dit voorbehoud op, zulks „met het oog op de uitzonderlijke omstandigheden in deze beide gevallen”. In haar brief van 17 april 1958 aan het G.B.S.V., opgenomen in het Publikatieblad van 13 mei 1958, zette zij nader de omstandigheden uiteen op grond waarvan de onderhavige vrijstellingen waren verleend, te weten dat de interveniënten met enkele van hun schrootleveranciers, respectievelijk te Sesto San Giovanni/Milaan en IJmuiden, „één enkel industrieel complex” vormen; de Hoge Autoriteit voegde hieraan toe, dat iedere andere onderneming, welke zich in een analoge situatie — aan te duiden met de naam „plaatselijke integratie” — bevindt, eveneens op vrijstelling aanspraak zou kunnen maken.

3\. Verzoekster, die volgens het Fonds 228.430,75 dollar aan heffing schuldig is, meende dat dit bedrag naar een onjuiste grondslag was berekend. Immers, dit bedrag zou lager geweest zijn indien aan interveniënten geen vrijstellingen waren verleend; deze vrijstellingen nu, aldus verzoekster, waren onwettig daar zij impliciet bij het arrest 32 en 33-58 waren veroordeeld. Mitsdien was de Hoge Autoriteit, aldus nog steeds verzoekster, gehouden deze vrijstellingen in te trekken, waartoe zij overigens ook bevoegd was op grond van haar beschikking 13-58 d.d. 24 juli 1958, waarbij de mogelijkheid was voorzien, ieder besluit van het G.B.S.V. of het Fonds in te trekken. Bijgevolg verzocht verzoekster de Hoge Autoriteit bij brieven van 29 en 30 juli 1959, alle uitdrukkelijke of stilzwijgende beschikkingen, waarbij aan andere ondernemingen een „afwijking” was toegestaan, met terugwerkende kracht in te trekken; opnieuw het tarief vast te stellen, daarbij rekening houdende zowel met de intrekking dier beschikkingen als met „de heffingsgrondslag zoals die door het arrest van het Hof werd gewijzigd” en verzoekster van dit nieuwe tarief mededeling te doen; zich in beginsel jegens verzoekster tot schadevergoeding gehouden te verklaren ter zake van de door de diensten der Hoge Autoriteit genomen en, volgens verzoekster, een dienstfout opleverende „discriminatoire maatregelen”. Verzoekster gaf in overweging deze vergoeding „voorlopig op één frank te bepalen en het definitieve bedrag door deskundigen te doen vaststellen”.

4\. Op deze brieven antwoordde de Directeur van de Afdeling Markt van de Hoge Autoriteit bij brief van 7 augustus 1959: dat de juiste betekenis der bedoelde arresten en hun invloed op de vereveningsbijdragen „door de diensten van de Hoge Autoriteit zullen worden onderzocht”, waarna laatstgenoemde „de nodige beschikkingen” zal uitvaardigen aan de hand der op 6 augustus 1959 aan verzoekster en een aantal andere ondernemingen verzochte inlichtingen; dat naar het oordeel van de Afdeling Markt het verzoek om schadevergoeding wegen dienstfout „van iedere grond is ontbloot”.

Tegen de afwijzing van laatstgenoemd verzoek richt zich het „beroep wegens excès de pouvoir”, hetwelk op 7 september 1959 ter griffie van het Hof werd geregistreerd (zaak 42-59).

Voorts bestrijdt verzoekster met een beroep „wegens nalaten” d.d. 28 oktober 1959 (zaak 49-59), ter griffie geregistreerd op 31 oktober 1959, de stilzwijgende weigering, welke naar haar oordeel besloten ligt in de omstandigheid dat verweerster gedurende meer dan twee maanden de in verzoeksters hierboven sub 3 a en b gereleveerde brieven van 29 en 30 juli 1959 geformuleerde verzoeken onbeantwoord heeft gelaten.

#### II. — Conclusies van partijen

##### 1) Zaak 42-59; geding in de hoofdzaak

Overwegende dat verzoekster bij verzoekschrift concludeert, dat het den Hove behage:

„Nietig te verklaren — met alle gevolgen rechtens — als zijnde onwettig, de individuele beschikking van de Hoge Autoriteit van 7 augustus 1959 houdende afwijzing van verzoeksters vordering tot schadevergoeding, geldend gemaakt naar aanleiding van de — op een extensieve interpretatie van het begrip eigen omloopschroot gegronde — uitdrukkelijke of stilzwijgende beschikkingen waarbij vrijstelling van de vereveningsheffing werd verleend;

Aan verzoekster akte te verlenen van haar verklaring, dat zij zich voorbehoudt, bij het Hof een nieuwe vordering in te stellen tegen de Hoge Autoriteit wegens dienstfout, tot vergoeding der schade welke verzoekster als gevolg van bovenvermelde vrijstellingen heeft geleden;

De Hoge Autoriteit in de kosten van het geding te veroordelen”;

dat verzoekster bij repliek concludeert, dat het den Hove behage:

„Aan verzoekster akte te verlenen van haar referte aan 's Hofs oordeel ten aanzien van de door de Hoge Autoriteit voorgedragen middelen en in het bijzonder aangaande de vraag of de brief van 7 augustus 1959 een individuele beschikking vormt;

Bij bevestigende beantwoording van deze vraag de conclusies van het beroep toe te wijzen;

Aan verzoekster akte te verlenen van haar verklaring, dat zij volhardt bij haar voorbehoud, bij het Hof een beroep in volle omvang in te stellen tegen de Hoge Autoriteit wegens dienstfout, tot vergoeding der schade welke verzoekster als gevolg van bovenvermelde vrijstellingen heeft geleden;

Haar voorts akte te verlenen van haar verklaring, dat zij voornemens is de voeging te verzoeken van dit nieuwe beroep met het thans aanhangige, ter griffie onder nummer 42-59 geregistreerde, beroep;

De Hoge Autoriteit in de kosten van het geding te veroordelen”;

dat verweerster bij antwoord concludeert, dat het den Hove behage:

„Het beroep van SNUPAT primair als niet-ontvankelijk en subsidiair als ongegrond te verwerpen met veroordeling van verzoekster in de kosten van het geding”;

dat verweerster bij dupliek concludeert tot persistit;

##### 2) Zaak 49-59; geding in de hoofdzaak

Overwegende dat verzoekster concludeert, dat het den Hove behage:

„Nietig te verklaren wegens schending van het Verdrag en détournement de pouvoir met alle gevolgen rechtens, de stilzwijgende beschikking van de Hoge Autoriteit, waarbij deze weigert, niet alleen om — zulks met terugwerkende kracht tot de datum waarop zij werden genomen — in te trekken de beschikkingen waarbij zij stilzwijgend of uitdrukkelijk afwijkingen heeft toegestaan of ten behoeve van andere ondernemingen ingewilligd of zelfs geduld, doch ook om, gelet op enerzijds de intrekking dezer be-beschikkingen en anderzijds de wijziging van de heffing op de in het arrest van het Hof bedoelde wijze, een nieuw heffingstarief vast te stellen en aan verzoekster mede te delen, onder toevoeging van alle gegevens die haar in staat kunnen stellen een behoorlijke controle uit te oefenen op de vaststelling van de heffing;

De Hoge Autoriteit te veroordelen in de kosten van het geding”;

dat verweerster concludeert, dat het den Hove behage:

Als niet-ontvankelijk te verwerpen het beroep wegens nalaten voor zover daarbij nietigverklaring wordt gevorderd van de weigering een nieuw heffingstarief vast te stellen en aan SNUPAT mededeling te doen van de gegevens waardoor zij een behoorlijke controle kan uitoefenen op het bedrag van de heffing;

b) Voor het overige het door SNUPAT ingestelde beroep als ongegrond te verwerpen;

Zulks met alle gevolgen rechtens, in het bijzonder ten aanzien van de kosten”;

##### 3) Zaken 42 en 49-59; gedingen tot tussenkomst

Overwegende dat de interveniënte Hoogovens concludeert, dat het den Hove behage:

Te verwerpen wegens niet-ontvankelijkheid de beide beroepen van ververzoekster in de zaken 42 en 49-59;

2) Voor het overige, bedoelde beroepen als ongegrond te verwerpen;

Zulks met alle gevolgen rechtens, in het bijzonder ten aanzien van de kosten”;

dat de interveniënte Breda Siderurgica in gelijke zin concludeert;

dat verzoekster concludeert tot verwerping van de beroepen tot interventie als ongegrond, met veroordeling van de interveniënten in de kosten;

dat verweerster persisteert bij hare in de hoofdzaak genomen conclusies;

#### III. — Middelen en argumenten van partijen

Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen als volgt kunnen worden samengevat:

##### 1) Beroep 42-59

###### TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Verweerster acht het beroep op de twee volgende gronden nietontvankelijk:

a) De aangevallen brief is geen beschikking van de Hoge Autoriteit, immers dit geschrift is ondertekend door de Directeur van de Afdeling Markt uit eigen naam en niet namens en vanwege de Hoge Autoriteit; bovendien beantwoordt de inhoud niet aan de voorwaarden, waaraan — volgens de rechtspraak van het Hof — een handeling moet voldoen om het karakter van een beschikking te verkrijgen.

b) Uit de brief van verzoekster d.d. 29 juli 1959 en het antwoord daarop van de Afdeling Markt d.d. 7 augustus 1959 blijkt, dat het geschil uitsluitend handelt over het bestaan van een dienstfout. Een beroep ter verkrijging van geldelijke schadevergoeding ter zake van een dienstfout kan evenwel slechts op artikel 40 van het Verdrag worden gegrond en niet op artikel 33, hetwelk ziet op de nietigverklaring van beschikkingen van de Hoge Autoriteit.

Interveniënten voeren vrijwel gelijke argumenten aan.

In haar repliek refereert verzoekster zich ten aanzien van deze middelen aan 's Hofs oordeel, in het bijzonder aangaande de vraag of de brief van 7 augustus 1959 een individuele beschikking vormt. Zij verklaart zich het recht voor te behouden, op korte termijn een beroep tot schadevergoeding in volle omvang in te stellen tegen de Hoge Autoriteit wegens dienstfout en geeft reeds thans haar voornemen te kennen, het Hof de voeging te verzoeken van dit beroep met het beroep in de zaak 49-59.

In haar dupliek en in haar opmerkingen betreffende de nadere conclusies der interveniënten stelt verweerster vast, dat verzoekster impliciet de gegrondheid der voorgedragen middelen van niet-ont-vankelijkheid heeft erkend; gelijke opmerking wordt gemaakt door de interveniënte Breda Siderurgica.

Verweerster, hoewel zich ter zake refererende aan 's Hofs oordeel, acht de vordering van verzoekster dat haar „akte zal worden verleend van haar verklaring, dat zij zich voorbehoudt op korte termijn een derde beroep bij het Hof in te stellen” van ieder belang ontbloot en mitsdien niet-ontvankelijk. Voorts verzet verweerster zich tegen de voeging van dit beroep met het nog in te stellen beroep.

###### TEN PRINCIPALE

a) Verzoekster meent, dat de bestreden „beschikking” onregelmatig is, daar zij niet met redenen is omkleed. Immers zij beperkt zich tot de mededeling, dat naar het oordeel van de Hoge Autoriteit „Uw verzoek om schadevergoeding wegens dienstfout van iedere grond is ontbloot”; deze mededeling geeft geen inzicht in de wezenlijke bestanddelen der feitelijke bevindingen welke de maatregel zouden kunnen rechtvaardigen. Verweerster wijst er op dat de brief van een ambtenaar, die niet namens de Hoge Autoriteit handelt, geen motivering behoeft, daar zodanige brief geen beschikking vormt (zie hierboven bij ontvankelijkheid).

b) Naar de mening van verzoekster volgt uit het arrest van het Hof in de gevoegde zaken 32 en 33-58, dat de vrijstelling van „concernschroot” in strijd is met het Verdrag en dat de vrijstelling, gebaseerd op het in wezen toevallige geografische begrip „plaatselijke integratie”, eveneens behoort te worden verworpen. Wanneer dus de Hoge Autoriteit goedkeurt of dult, dat van de verplichting tot betaling van de vereveningsheffing wordt afgeweken, handelt zij in strijd met het Verdrag en maakt zij zich schuldig aan een door het Verdrag verboden discriminatie. Dit optreden van de Hoge Autoriteit, dat het gevolg is van een rechtsdwaling bij haar beleid, is een ernstige fout en wijst op détournement de pouvoir. Door deze dienstfout heeft verzoekster schade geleden, daar de verschillen tussen de produktiekosten belangrijk zijn vergroot. Verweerster voert allereerst aan dat, zelfs indien zij in casu onwettig zou hebben gehandeld — hetgeen niet is bewezen — deze onwettigheid niet als een dienstfout kan worden beschouwd, daar, aangenomen dat het begrip eigen omloopschroot verkeerd zou zijn geïnterpreteerd, dit te verontschuldigen zou zijn in verband met de ingewikkeldheid van het vraagstuk. Wat het détournement de pouvoir betreft: daarvoor is geen enkel bewijs geleverd. Noch het bestaan noch het bedrag van de gestelde schade is bewezen; nu elk bewijs omtrent een werkelijke schade ontbreekt, kan bij het onderzoek ten principale slechts de verwerping van het beroep volgen. De interveniënte Hoogovens stelt dat er geen sprake is van dienstfout, daar de weigering van de Hoge Autoriteit tot intrekking der vrijstellingen niet onwettig is noch détournement de pouvoir inhoudt. De interveniënte Breda Siderurgica laat zich over de zaak 42-59 ten principale niet uit.

##### 2) Beroep 49-59

###### TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID

###### A — De door verweerster opgeworpen middelen

Verweerster voert de volgende stellingen aan:

a) Met betrekking tot de vraag of de Hoge Autoriteit het stilzwijgen heeft bewaard op het verzoek van requestrante tot intrekking van de vrijstellingen refereert verweerster zich aan het oordeel van het Hof. Zij geeft toe, dat volgens de rechtspraak van het Hof de in artikel 35 van het Verdrag E.G.K.S. bedoelde termijn niet wordt onderbroken door een brief waarin wordt verklaard dat een vraag in studie is genomen.

b) Wat betreft het verzoek van requestrante tot vaststelling van een nieuw heffingstarief en tot mededeling aan verzoekster van alle gegevens waardoor zij ter zake een behoorlijke controle kan uitoefenen: sedert het wijzen van het arrest van het Hof in de zaak 32 en 33-58 is een aantal maatregelen getroffen teneinde de beginselen daarvan in praktijk te brengen en het nieuwe tarief in overeenstemming daarmede vast te stellen; er is dus geen sprake van enig nalaten. Bovendien kan er van enig nalaten ook geen sprake zijn, daar de diensten van de Hoge Autoriteit een redelijke tijdsruimte te hunner beschikking moeten hebben om deze werkzaamheden te beëindigen, hetgeen eerst mogelijk zal zijn wanneer zij alle nodige inlichtingen zullen hebben ontvangen. Zodra de tijd rijp is zal de Hoge Autoriteit een met redenen omklede beschikking geven, doch zij weigert aan de leiband van een onderneming te lopen. Dit gedeelte van het verzoekschrift is derhalve niet ontvankelijk.

Verzoekster antwoordt als volgt:

Ad a): In het arrest 42-58 (SAFE tegen Hoge Autoriteit) heeft het Hof beslist dat een beroep wegens nalaten ontvankelijk is, wanneer binnen de voorgeschreven termijn geen uitdrukkelijke beschikking is genomen, zulks onafhankelijk van de omstandigheid dat de Hoge Autoriteit betrokkene heeft geantwoord, dat de vraag „in studie was genomen”.

Ad b): Het verzoek tot wijziging van het heffingstarief is een normaal gevolg van het verzoek tot intrekking van de vrijstellingen en vormt daarmede een geheel. De stilzwijgende afwijzing van het eerste verzoek omvat ook die van het tweede. Wilde zij zich geen beroep op verjaring tegengeworpen zien, zo moest verzoekster haar beroep indienen binnen de in artikel 35 lid 3 voorgeschreven termijn. Ten slotte heeft het arrest 9-56 (Meroni contra Hoge Autoriteit) de Hoge Autoriteit er aan herinnerd, dat de artikelen 5 en 47 van het Verdrag haar verplichten, de beweegredenen voor haar handelingen en de gegevens die voor belanghebbenden van nut kunnen zijn openbaar te maken. Verzoekster verlangt niet anders dan dat deze beginselen worden toegepast; het woord „leiband” is dus misplaatst.

Verweerster antwoordt bij dupliek, dat er geen verband bestaat tussen deze overwegingen uit het arrest Meroni en „de bedoeling van verzoekster, de werkzaamheden van de diensten van de Hoge Autoriteit bij voorbaat te controleren nog voordat deze zich hebben omgezet in een beschikking die op verzoekster kan worden toegepast en die handelt over het bedrag van de premie dat van haar wordt gevorderd”.

###### B — De door interveniënten opgeworpen middelen

Interveniënte Hoogovens herhaalt enige van de door verweerster voorgedragen weren van niet-ontvankelijkheid en voegt hier de volgende middelen en argumenten aan toe:

###### 1. Voorafgaande opmerkingen

Hoogovens constateert dat het geschil niet draait om „afwijkingen” van de basisbeschikkingen, doch om de uitlegging en toepassing van de beschikking 2-57 ten aanzien van de vraag, wat dient te worden verstaan onder „eigen omloopschroot” en „aankoopschroot”.

Verweerster sluit zich bij dit betoog aan. Weliswaar heeft de Hoge Autoriteit zelf vroeger de term „afwijking” gebruikt, terwijl zij in feite doelde op de verleende vrijstellingen. Indien er geen sprake is van een afwijking, is evenwel een beroep wegens nalaten, zoals dit is geformuleerd, niet denkbaar.

Verzoekster wijst er in haar antwoord op, dat de Hoge Autoriteit het woord „afwijkingen” in haar brieven van 18 december 1957 en en 17 april 1958 heeft gebruikt.

###### 2. Middelen gebaseerd op de veronderstelling dat de aangevallen beschikking een algemene beschikking is

Hoogovens stelt in de eerste plaats, dat de bestreden beschikking van algemene aard is, daar

verzoekster, door de Hoge Autoriteit te vragen, „alle beschikkingen, waarbij … een afwijking was toegestaan, met terugwerkende kracht in te trekken”, een beschikking heeft gevorderd, die van algemene aard zou zijn geweest, niet alleen wegens de bewoordingen waarin bedoeld verzoek was gekleed, doch ook wegens het doel en de gevolgen van deze beschikking, welke, zonder aanwijzing van een destinataris, „regelen zou afkondigen die zowel in het verleden als in de toekomst van toepassing zouden zijn op ieder rechtssubject dat door de bepalingen, welke daarin waren vervat, zou worden getroffen” (vgl. arrest 36 tot 38, 40 en 41-58, SIMET en anderen contra Hoge Autoriteit);

een nauwe samenhang bestaat tussen het verzoek van requestrante tot wijziging van het heffingstarief en bovenvermeld verzoek; een dergelijke wijziging zou bovendien kennelijk een algemene beschikking van normatieve aard vormen.

Uitgaande van deze opmerkingen werpt Hoogovens drie weren van niet-ontvankelijkheid op:

a) De bestreden beschikking is slechts een bevestiging van vroegere beschikkingen.

b) Verzoekster draagt niet het middel détournement de pouvoir voor, het enige middel dat bij een beroep van een onderneming tegen een algemene beschikking in aanmerking komt.

c) Een détournement de pouvoir is in casu juridisch onmogelijk.

Ad a): De bestreden beschikking beperkt zich tot een bevestiging van het standpunt, dat de Hoge Autoriteit reeds tevoren in haar brieven van 18 december 1957 en 17 april 1958 had ingenomen. Een van tweeën: of wel verzoekster kon een beroep tot nietigverklaring instellen tegen de vroegere beschikking, heeft dit binnen de voorgeschreven termijn niet gedaan en is daarom niet meer ontvankelijk in haar vordering tot nietigverklaring van de handeling die de eerste beschikking bevestigt, vermits anders de termijn van het beroep tot nietigverklaring voor onbepaalde tijd zou worden verlengd; of wel verzoekster had geen beroep kunnen instellen tegen de beschikkingen waarbij vrijstelling werd verleend en is daarom a priori niet ontvankelijk in een vordering welke zich richt tegen de weigering tot intrekking van deze beschikkingen.

Ad b): Al kan desnoods worden toegegeven, dat verzoekster ter zake van de verlening der vrijstellingen een détournement de pouvoir heeft aangevoerd, zij heeft geen enkele grond aangegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de weigering tot intrekking een détournement de pouvoir bevat; dit had zij echter behoren te doen daar, zelfs indien de vrijstellingen een détournement de pouvoir zou aankleven, hieruit niet noodzakelijkerwijs zou volgen dat dit ook het geval is met de weigering tot intrekking.

Ad c): Indien het beroep op het eerste lid van artikel 35 berust, behoort verzoekster te bewijzen dat de Hoge Autoriteit gehouden is de vrijstellingen in te trekken, doch zij heeft daarvoor zelfs geen bewijs aangeboden: Een dergelijke verplichting valt niet af te leiden uit het arrest van het Hof in de zaken 32 en 33-58 en vloeit evenmin voort uit artikel 34 van het Verdrag, daar genoemd arrest geen beslissing tot vernietiging bevatte. Overigens zou het beroep ook dan niet ontvankelijk zijn, indien deze verplichting van de Hoge Autoriteit was bewezen. Immers verzoekster kan alleen het middel détournement de pouvoir aanvoeren, doch bij het ontbreken van discretionaire bevoegdheid is een détournement de pouvoir ondenkbaar. Indien het beroep op het tweede lid van artikel 35 berust, is het eveneens niet-ontvankelijk, daar de Hoge Autoriteit niet bevoegd is de gevraagde intrekking te bevelen; immers, indien de vrijstellingen volgens haar opvatting omtrent de basisbeschikkingen wettig waren, was zij tot intrekking alleen bevoegd door de procedure bedoeld in artikel 53, lid 1 sub b, te volgen, dat wil zeggen door de eenstemmige goedkeuring van de Raad van Ministers te vragen.

De interveniënte Breda Siderurgica werpt eveneens de hierboven sub a) en c) weergegeven middelen op en voert een soortgelijk betoog. Zij voegt aan punt a) toe, dat de vrijstellingen geen beschikkingen zijn, doch slechts toepassingen van de basisbeschikkingen; bijgevolg kan de stilzwijgende weigering tot intrekking evenmin als een beschikking worden beschouwd, immers „wanneer er geen beschikking bestaat die stilzwijgend kan worden bevestigd, kan er ook geen bevestigende beschikking bestaan”.

Verzoekster ontkent dat de gevraagde beschikking van algemene aard is. De intrekking der vrijstellingen zou tot gevolg hebben dat het door verzoekster verschuldigde bedrag zou worden verminderd en betreft haar dus persoonlijk; bovendien had zij in haar brief van 29 juli gevraagd, dat het nieuwe heffingstarief haar zou worden medegedeeld, waartoe een individuele beschikking nodig is. Derhalve heeft de stilzwijgende weigering, althans ten dele, het karakter van een individuele beschikking. Verzoekster voert meer in het bijzonder het volgende aan:

Ad a): De bestreden beschikking is meer dan alleen een bevestigende beschikking, daar zich sedert het verlenen der vrijstellingen twee nieuwe feiten hebben voorgedaan, namelijk enerzijds de beschikking 13-58 van de Hoge Autoriteit van 24 juli 1958 (Publikatieblad van 30 juli 1958) die, ingevolge het arrest Meroni (9-56), de Hoge Autoriteit in staat stelde de door het G.B.S.V. en het Fonds genomen beschikkingen te herzien, en anderzijds het arrest van het Hof in de zaken 32 en 33-58, dat een omschrijving bevat van hetgeen onder „eigen omloopschroot” dient te worden verstaan. Het middel ontleend aan het verstrijken van de termijn kan dus niet slagen. Voorts heeft de Hoge Autoriteit, gelijk zij zelf toegeeft, in haar brieven van 18 december 1957 en 17 april 1958 een interpretatie gegeven van de beschikking 2-57; de weigering tot wijziging van deze interpretatie vormt een stilzwijgende beschikking.

A):d b Reeds in het verzoekschrift is het middel détournement de pouvoir aangevoerd en voldoende gemotiveerd.

Ad c): De verplichting tot intrekking der vrijstellingen vloeit voort uit het arrest 32 en 33-58. Ten gevolge van dit arrest was de Hoge Autoriteit gehouden, terstond maatregelen te nemen met terugwerkende kracht. Bijgevolg is een beroep, gegrond op het eerste lid van artikel 35, ontvankelijk. In een geval van gebonden bevoegdheid is een détournement de pouvoir geenszins uitgesloten, daar de gebonden bevoegdheid betrekking heeft op het „voorwerp” en het détournement de pouvoir op het „doel” van een beschikking.

Overigens kan het beroep ook op het tweede lid van artikel 35 zijn gegrond; de Hoge Autoriteit had het recht, op grond van haar beschikking 13-58 zo nodig alle besluiten van het Vereveningsfonds en het Gemeenschappelijk Bureau in te trekken en de daaruit voortvloeiende maatregelen te treffen. Bovendien behoefde zij slechts de procedure van artikel 53, lid 1 sub b, te volgen en een verzoek in te dienen tot het verkrijgen van de eenstemmige goedkeuring van de Raad, hetgeen zij niet heeft gedaan.

Interveniënte Hoogovens ontkent dat het arrest van het Hof en de beschikking 13-58 nieuwe feiten vormen, waardoor de rechtsgrondslag van de aanvankelijke beschikkingen houdende vrijstelling kan worden gewijzigd.

###### 3. Middelen gebaseerd op de veronderstelling dat de aangevallen beschikking een individuele beschikking is

Subsidiar stelt interveniënte Hoogovens, dat het beroep eveneens niet ontvankelijk zou zijn indien de bestreden beschikking van individuele aard was. Zelfs in dat geval zou deze slechts een bevestiging bevatten van de vroegere beschikkingen welke verzoekster, op straffe van verjaring, had behoren aan te vallen binnen de termijn van een maand na de openbaarmaking van de brieven van 18 december 1957 en 17 april 1958 in het Publicatieblad van 1 februari en 13 mei 1958.

Voor zover verzoekster haar beroep op het tweede lid van artikel 35 baseert, is alleen het middel détournement de pouvoir ontvankelijk, zelfs indien de bestreden beschikking van individuele aard is; doch het beroep voldoet niet aan dit vereiste (vgl. boven sub 2o, b).

Verzoekster antwoordt op deze stellingen met de boven weergegeven argumenten (sub 2o, a en b).

###### 4. Middel ontleend aan de terugwerkende kracht van de gevraagde beschikking

Interveniënte Hoogovens wijst er op, dat de organen van Brussel sedert 1956 het van Breedband afkomstige schroot als eigen afval van Hoogovens hebben beschouwd; de Hoge Autoriteit heeft zich aangesloten bij deze opvatting, die eveneens geldt voor het verleden, dat wil zeggen voor de sedert 1 april 1954 bestaande toestand.

Volgens de rechtspraak van het Hof kan een administratieve handeling waarbij subjectieve rechten in het leven worden geroepen uitsluitend binnen een redelijke termijn worden herroepen, en zeker niet na enige jaren te zijn toegepast. Sedert 1954 is Hoogovens bij het beheer harer zaken volmaakt te goeder trouw ervan uitgegaan, dat zij over het schroot dat zij gebruikt geen bijdrage behoeft te betalen.

Intrekking van de vrijstelling voor het verleden zou betekenen, dat Hoogovens meer dan ƒ 4,5 miljoen zou moeten betalen. Dit zou in strijd zijn met beginselen van behoorlijk bestuur en met het beginsel van de rechtszekerheid.

Bovendien zou het door Hoogovens te lijden nadeel naar verhouding oneindig veel groter zijn dan het voordeel dat de andere ondernemingen zouden hebben; wat met name verzoekster betreft, zou deze ten hoogste ƒ 10.000,— besparen. Het bijzondere belang van Hoogovens zou dus, bij intrekking ook voor het verleden, in een veel groter mate worden geschaad dan het gemeenschapsbelang bij handhaving van de vrijstelling.

Op al deze gronden is de Hoge Autoriteit niet bevoegd, de gevraagde intrekking met terugwerkende kracht tot stand te brengen. Het beroep wegens nalaten is dus niet ontvankelijk.

Interveniënte Breda Siderurgica werpt hetzelfde middel op.

Verweerster sluit zich bij dit betoog aan en refereert zich aan 's Hofs oordeel met betrekking tot de vraag of het hier een exceptie van niet-ontvankelijkheid of een middel ten gronde betreft. Zij voegt hieraan toe dat verzoekster in de vorige zaak (32-58), in stede van kritiek te oefenen op de „oplossing Hoogovens”, verlangde dat deze ook voor haar zou gelden. Deze omstandigheid alleen reeds is voldoende om verzoekster het recht te ontzeggen, thans de intrekking te vorderen.

Verzoekster wijst er op dat de Hoge Autoriteit volgens de beschikking 13-58 bevoegd en volgens het arrest van het Hof zelfs verplicht was, de vrijstellingen met terugwerkende kracht in te trekken. Het staat Hoogovens vrij een beroep tot schadevergoeding wegens dienstfout tegen de Hoge Autoriteit aanhangig te maken. Intussen heeft verweerster, door er zich op te beroepen dat de onderhavige handelingen niet kunnen worden ingetrokken, hun onwettigheid stilzwijgend erkend. Het criterium van de redelijke termijn kan geen rol spelen indien er derden bij betrokken zijn; overigens zou een dergelijke termijn eerst beginnen te lopen op de datum van het arrest van het Hof (17 juli 1959), daar de onwettigheid der vrijstellingen eerst op die datum is komen vast te staan. Het verzoek van 29 juli 1959 is dus binnen een redelijke termijn ingediend.

Verweerster verzet zich tegen dit betoog en ontkent uitdrukkelijk, te hebben toegegeven dat de vrijstellingen onwettig zijn. Zij voegt hieraan toe dat verzoekster geenszins in haar rechten is beperkt, daar „zij steeds, op de gronden die haar goeddunken, bij het Hof het bedrag van haar aanslag in de vereveningsheffing zal kunnen bestrijden wanneer dit bedrag officieel van haar zal worden opgeëist”.

Interveniënte Hoogovens meent dat het niet zozeer aankomt op de vraag of verzoekster tijdig de intrekking der vrijstellingen heeft gevorderd, doch of de termijn, gedurende welke de Hoge Autoriteit de vrijstelling redelijkerwijs kon intrekken, op dat tijdstip was verstreken. Ten slotte bestrijdt Hoogovens de stelling van verzoekster, dat het beginsel dat eenmaal verleende subjectieve rechten niet mogen worden ingetrokken niet van toepassing is indien de administratieve handeling gevolgen heeft voor de situatie van derden. Overigens verzet de theorie der belangenafweging zich, zelfs indien de belangen van derden er bij betrokken zijn, tegen een intrekking en vooral tegen een intrekking met terugwerkende kracht.

###### TEN PRINCIPALE

In het verzoekschrift worden de middelen schending van wezenlijke vormvoorschriften, onbevoegdheid, schending van het Verdrag en détournement de pouvoir opgeworpen.

###### 1. Eerste middel: onbevoegdheid en schending van wezenlijke vormvoorschriften

Verzoekster is van mening dat de Hoge Autoriteit, door de litigieuze vrijstellingen toe te kennen, de bepalingen waarbij de vereveningsinstelling is ingevoerd heeft gewijzigd, „in het bijzonder artikel 5 lid 2 van de beschikking 2-57, dat het begrip „eigen omloopschroot” omschrijft volgens de „letterlijke betekenis welke daaraan moet worden gehecht”, gelijk door de brief van 18 december 1957 wordt bevestigd”. De beschikking waarbij deze wijziging tot stand is gekomen is evenwel niet genomen op de voorgeschreven wijze, dat wil zeggen met algemene stemmen van de Raad van Ministers (artikel 53 lid 1 sub b van het Verdrag).

Volgens verweerster is er geen sprake van, dat zij de beschikking 2-57 heeft gewijzigd, doch heeft zij zich beperkt tot een interpretatie van de in deze beschikking neergelegde begrippen „aankoopschroot” en „eigen omloopschroot”. In het arrest van het Hof worden trouwens de brieven van 18 december 1957 en 17 april 1958, waarin deze uitleg is vastgelegd, „richtlijnen van interne aard”, niet beschikkingen genoemd.

Verzoekster antwoordt dat bij een verruimende of beperkende interpretatie van een bepaling daaraan een betekenis wordt toegekend, die afwijkt van de bedoeling der auteurs.

Interveniënte Hoogovens herhaalt in de eerste plaats, dat verzoekster alleen het middel détournement de pouvoir kan aanvoeren.

Overigens sluit Hoogovens zich bij de stellingen van verweerster aan en voegt zij daaraan toe, dat deze haar bevoegdheid zou hebben overschreden indien zij het verzoek van requestrante had toegewezen en aldus wijziging had gebracht in de „rechtstoestand, die door een constante uitleg en toepassing der basisbeschikking is geschapen”.

Ook interveniënte Breda Siderurgica gebruikt de door verweerster en door Hoogovens aangevoerde argumenten; zij legt er de nadruk op, dat zij nimmer een „afwijking” heeft verzocht van de beschikking 2-57, doch uitsluitend een vrijstelling, die volkomen gerechtvaardigd was daar het schroot dat binnen de fabrieken te Sesto San Giovanni wordt ingezameld kennelijk eigen omloopschroot is (interveniënte verwijst ter zake naar haar brief van 15 juni 1956 aan het G.B.S.V.).

Verzoekster antwoordt dat indien, gelijk zij stelt, de vrijstellingen onwettig zijn, de erkenning van het beginsel dat alle ondernemingen die zich in een soortgelijke toestand bevinden als Hoogovens en Breda worden vrijgesteld, een wijziging betekent van de grondbeginselen van het vereveningsstelsel, zodat tevoren het advies van de Raad van Ministers had behoren te worden ingewonnen.

Bij dupliek stelt verweerster dat zij, door te bepalen dat alle ondernemingen die in soortgelijke omstandigheden verkeerden als Hoogovens en Breda zouden worden vrijgesteld, slechts de regel van het discriminatieverbod heeft willen eerbiedigen; deze bepaling, wellicht in juridisch opzicht overbodig, is niet een „bepaling die het karakter ener algemeen geldende regel draagt, doch individuele rechtsgevolgen heeft”, gelijk verzoekster meent.

Interveniënte Hoogovens merkt op, dat bij de beraadslagingen over de basisbeschikking 2-57 (van 27 januari 1957) de in december 1956 door de organen van Brussel aan Hoogovens toegekende vrijstelling volkomen bekend was. Nu de „wetgever” van de Gemeenschap (Raad van Ministers en Hoge Autoriteit) de tekst van de beschikking 2-57 van dien aard heeft geacht, dat deze vrijstelling gehandhaafd kon blijven, is hij dus van oordeel geweest dat de vrijstellingen overeenstemden met de in de basisbeschikkingen neergelegde beginselen.

###### 2. Tweede middel: schending van het Verdrag

Verzoekster is van oordeel dat de bestreden beschikking de artikelen 4 en 67 van het Verdrag en de bepalingen waarbij de vereveningsinstelling in het leven is geroepen schendt. Voorts is zij in strijd met bovengenoemd arrest 32 en 33-58. Weliswaar bevat dit arrest geen uitdrukkelijke uitspraak over de geldigheid der betrokken vrijstellingen, daar de nietigverklaring niet was gevorderd. Doch wel heeft dit arrest zich uitgesproken tegen iedere vrijstelling van „concernschroot”, waartoe het litigieuze schroot juist behoort (vgl. nader hieronder sub 4). Voorts heeft het Hof iedere vrijstelling, gegrond op het in wezen toevallige geografische criterium „plaatselijke integratie”, veroordeeld. Verzoekster beroept zich op de volgende overweging uit hetzelfde arrest:

„dat het feit dat de Hoge Autoriteit of haar organen in zekere gevallen mogelijkerwijs aan het begrip „eigen afval” een te ruime uitleg hebben gegeven, nog niet het verlenen van een vrijstelling van de heffing in andere min of meer vergelijkbare gevallen rechtvaardigt, daar een dergelijke vrijstelling met de grondbeginselen van het vereveningssysteem in strijd is.”

Verweerster verklaart dat in het bedoelde arrest geen partij wordt gekozen met betrekking tot de wettigheid van de onderhavige vrijstellingen. Nadat het Hof de vrijstelling van eigen omloopschroot als wettig had erkend en iedere vrijstelling van concernschroot had veroordeeld, diende de praktijk zich bezig te houden met het onderscheid tussen deze beide categorieën. Ten aanzien van de ondernemingen Breda en Hoogovens heeft verweerster gemeend, dat het schroot, dat deze ontvangen van enkele ondernemingen waarmede zij plaatselijk zijn geïntegreerd, dient te worden gelijkgesteld met schroot dat een onderneming inzamelt in fabrieken die tot die onderneming behoren en die dezelfde handelsnaam voeren. De door verzoekster aangehaalde overweging is in de Franse tekst in de aanvoegende wijs gesteld en draagt een voorwaardelijk karakter; het Hof heeft dus noch zijn afkeuring noch zijn goedkeuring uitgesproken.

De interveniënten delen deze zienswijze.

Op laatstgenoemd argument antwoordt verzoekster dat het Hof wel de aanvoegende wijs heeft gebruikt, doch dat bedoelde overweging geen voorwaardelijk karakter draagt. „Het Hof zegt dat de „te ruime” uitleg (het bijwoord „te” wijst op de door de Hoge Autoriteit begane vergissing) op geen enkele wijze het verlenen van andere vrijstellingen rechtvaardigt, daar een dergelijke verlening met de grondbeginselen van het systeem en met het Verdrag in strijd is.”

Na opnieuw te hebben herhaald dat verzoekster alleen het middel détournement de pouvoir kan aanvoeren, meent interveniënte Hoogovens dat verzoekster, door uit de onwettigheid der vrijstellingen af te leiden dat de weigering tot intrekking eveneens onwettig is, een soort exceptie van onwettigheid heeft opgeworpen waarin zij niet kan worden ontvangen, daar aan geen der voorwaarden voor het opwerpen van de exceptie van onwettigheid is voldaan.

Verzoekster herhaalt dat de bestreden beschikking naar haar mening van individuele aard is. Doch ook al was het een algemene beschikking, dan zou verzoekster toch het recht hebben te bewijzen dat deze onwettig is wegens schending van het Verdrag, teneinde beter te kunnen aantonen dat het beoogde doel onwettig is, dat wil zeggen dat te haren opzichte détournement de pouvoir is gepleegd.

###### 3. Derde middel: détournement de pouvoir

Verzoekster wijst er op, dat volgens het arrest 32 en 33-58 „elke bemoeiing waarvan het doel of het gevolg is, dat de concurrentie op kunstmatige wijze … wordt vervalst, als discriminatoir en strijdig met het Verdrag moet worden beschouwd”. Uit dit en andere gedeelten van het arrest leidt verzoekster af, dat elke vrijstelling een discriminatie betekent en dus tevens een détournement de pouvoir ten opzichte van verzoekster, omdat sommige ondernemingen daardoor systematisch ten nadele van verzoekster worden bevoordeeld en omdat de gronden voor het verlenen van dergelijke vrijstellingen tegen het doel van het Verdrag indruisen. In casu is niet betwist dat de grond voor het verlenen der vrijstellingen de plaatselijke integratie is geweest, het geografische criterium dat door het arrest 32 en 33-58 is veroordeeld.

Het détournement de pouvoir blijkt eveneens hieruit, dat de vrijstellingen zijn verleend in het volle bewustzijn van de discriminerende geldelijke gevolgen die zij voor de aan de vereveningsheffing onderworpen ondernemingen medebrengen. Een détournement de pouvoir kleeft ook aan de bestreden beschikking, waarbij de Hoge Autoriteit heeft geweigerd deze vrijstellingen in te trekken.

Ten slotte maakt verzoekster verweerster er een verwijt van, dat zij zich in haar beschikkingen onnauwkeurig uitdrukt.

Verweerster ontkent dat er van discriminatie sprake is, daar het door Hoogovens en Breda gebruikte schroot niet als concernschroot is beschouwd, doch is geacht gelijk te staan met eigen afvalschroot, waarvan de vrijstelling door het Hof als wettig was aangemerkt.

Bovendien had de Hoge Autoriteit in haar brieven van 18 december 1957 en 17 april 1958 verklaard, dat eenzelfde vrijstelling zou worden toegekend aan de ondernemingen die aantoonden dat zij zich in dezelfde situatie bevonden; er is dus geen sprake van discriminatie. Overigens valt deze door verzoekster opgeworpen grief niet onder het middel détournement de pouvoir, doch onder schending van het Verdrag.

Volgens verzoekster gaat het juist om de vraag of deze gelijkstelling met eigen afval wettig is; uit het arrest van het Hof blijkt, dat dit niet het geval is. Overigens had de Hoge Autoriteit, gelijk in het arrest Meroni (9-56) wordt onderstreept, krachtens artikel 5 van het Verdrag de beweegredenen voor haar handelingen openbaar behoren te maken, en met name de overwegingen dienen aan te geven, op grond waarvan zij het onderhavige schroot met eigen afvalschroot heeft gelijkgesteld.

Wat het verwijt van détournement de pouvoir betreft, wijst verweerster er op, dat de vrijstellingen niet zijn toegekend om bepaalde ondernemingen te bevoordelen, maar omdat de Hoge Autoriteit van oordeel was dat er sprake was van eigen omloopschroot. De „plaatselijke integratie” is een objectief en tevens een technisch criterium, dat niet op toevallige factoren berust.

Verweerster ontkent dat haar beschikkingen onnauwkeurig zijn geformuleerd en verklaart dat zij niet in staat is, de bestreden vrijstellingen in te trekken.

Bij repliek handhaaft verzoekster haar vroegere standpunt; zij voegt hier aan toe, dat de Hoge Autoriteit het criterium van de plaatselijke integratie heeft gekozen teneinde de door haar diensten uitgeoefende controle te vergemakkelijken, gelijk zij in haar verweerschrift in de zaak 32-58 heeft erkend; dit wordt echter uitdrukkelijk ontkend door verweerster, die verzoekster verwijt dat zij oorzaak en gevolg met elkander verwart.

De interveniënte Hoogovens geeft een herhaling van en een aanvulling op het betoog van verweerster. Het verwijt van discriminatie faalt omdat verzoekster niet plaatselijk is geïntegreerd met de Régie Renault en zich dus in een volkomen andere situatie bevindt dan Hoogovens. De Hoge Autoriteit behoorde rekening te houden met de bijzondere aspecten van de plaatselijke integratie en van de tussen Hoogovens en Breedband bestaande betrekkingen, voor zover zij daarbij het vereveningssysteem niet in gevaar bracht en geen omstandigheden schiep waardoor de normale concurrentie werd geschaad. Dit is echter niet het geval, daar de vrijstellingen slechts een zeer gering bedrag vormen ten opzichte van het totale bedrag der vereveningspremies en de invloed daarvan op de staalprijs zelfs nog niet een procent bedraagt.

Interveniënte Breda Siderurgica herhaalt gedeeltelijk dezelfde argumenten.

Volgens interveniënte Hoogovens moet verzoekster bewijzen, niet dat de verlening der litigieuze vrijstellingen een détournement de pouvoir opleverde, doch de weigerende beschikking die zij bestrijdt. Voorts mag voor het bewijs van een détournement de pouvoir geen rekening worden gehouden met de invloed van een vrijstelling op de situatie van de andere ondernemingen van de Gemeenschap.

Verzoekster wijst er op dat het Hof duidelijk heeft beslist, dat de gelijkstelling van concernschroot met eigen afvalschroot een voordeel betekent dat discriminerend is ten opzichte van de andere ondernemingen. Hoogovens en Breedband vormen een concern als hier bedoeld.

###### 4. De omstandigheden van Hoogovens en Breda Siderurgica in het bijzonder

###### A — Hoogovens

Interveniënte Hoogovens betoogt allereerst, dat op haar niet de bewijslast rust van de wettigheid der vrijstellingen. Voorts verklaart zij, dat haar betrekkingen met Breedband zijn geregeld in een in 1950 gesloten en nadien verschillende malen gewijzigd contract. Dit contract bevat een aantal bepalingen van „uiterst vertrouwelijke” aard. Interveniënte verklaart dat zij zich zal onderwerpen aan elke instructiemaatregel die het Hof noodzakelijk mocht achten, mits rekening wordt gehouden met de voor Hoogovens bestaande noodzaak, dat inlichtingen, die voor haar concurrenten verborgen moeten blijven, geheim worden gehouden. Zij verklaart zich bereid, het contract over te leggen aan ieder die door beroepsgeheim is gebonden — desnoods in tegenwoordigheid van de rechter-rapporteur — zulks ter fine van het onderzoek hetwelk het Hof nodig mocht achten, dan wel aan de Hoge Autoriteit zelve.

Verzoekster antwoordt hierop, dat „het beroepsgeheim niet in de weg mag staan aan de rechten van de verdediging en aan het contradictoire karakter van een instructiemaatregel”.

Interveniënte Hoogovens poneert en verdedigt vooral de beide volgende stellingen:

a) het onderhavige afvalschroot is haar eigendom; er is dus geen sprake van koop of overdracht van eigendom;

b) althans kan dit afvalschroot met eigen omloopschroot van Hoogovens worden gelijkgesteld omdat, gelet op de tussen Hoogovens en Breedband bestaande rechtsbetrekkingen, deze beide naamloze vennootschappen in werkelijkheid één enkele onderneming vormen.

Ad a): Volgens interveniënte vertonen haar betrekkingen met Breedband alle kenmerken van een maatschap in de zin van de artikelen 1655 e.v. B.W. en van de artikelen 1832 e.v. van de Franse en Belgische Code Civil. Bijgevolg zijn de door Hoogovens en Breedband in gemeenschap gefabriceerde produkten hun onverdeelde medeëigendom.

Hoogovens en Breedband produceren gezamenlijk metaalprodukten. De eerste fase van de fabrikage van deze produkten vindt plaats bij Hoogovens, de tweede bij Breedband, waarvoor ieder van deze ondernemingen een gedeelte (Hoogovens) of het geheel (Breedband) van zijn produktievermogen ter beschikking stelt. Bijgevolg hebben zij ieder het uitsluitende recht, dit produktievermogen te gebruiken en daarover te beschikken; tijdens de fabrikage hebben zij de onverdeelde zeggenschap en beschikking over de gemeenschappelijk vervaardigde produkten. In overeenstemming met deze maatschapsstructuur is de verkoop der produkten toevertrouwd aan een gemeenschappelijk verkoopkantoor, waarvan de beide vennoten aandeelhouders zijn. De produktie van beide vennootschappen geschiedt voor gemene rekening; elk verlies, onverschillig of dit in de bedrijven van Hoogovens of in die van Breedband wordt geleden, wordt door beide vennoten gedragen volgens de regels die gelden voor de verdeling van het gemeenschappelijk behaalde jaarlijkse resultaat. Volgens dezelfde regels wordt alle winst door de beide venoten gezamenlijk gemaakt en vervolgens tussen hen verdeeld. Vóór de verdeling van de winst worden de produktiekosten van beide vennoten in rekening gebracht.

Volgens Nederlands burgerlijk recht zijn de vennoten van een dergelijke maatschap medeëigenaar van de in gemeenschap geproduceerde goederen. Wanneer Breedband schroot ter beschikking stelt van Hoogovens, vindt „levering plaats van de ene medeeigenaar aan de andere van bestanddelen van hetgeen onverdeelde medeëigendom was toch vatbaar voor verdeling geworden”. Het betreft hier de verdeling van medeëigendom, doch er is geen sprake van een verkoopovereenkomst. Daar de verdeling tussen medeëigenaren volgens de artikelen 1129 en 1689 B.W. een zuiver declaratoir karakter heeft, wordt Hoogovens geacht steeds eigenaar te zijn geweest van het schroot dat zij van Breedband ontvangt.

Dat dit schroot tegen marktprijs aan Hoogovens in rekening wordt gebracht doet aan deze conclusie niets af; dit geschiedt uitsluitend teneinde een juiste berekening te kunnen maken van de kostprijs der in gemeenschap gefabriceerde goederen.

Zelfs indien er tussen Hoogovens en Breedband geen maatschap (of andere vorm van samenwerking) bestond, zou er geen sprake zijn van aankoop van afvalschroot door Hoogovens en Breedband, daar er geen prijs wordt betaald. „De zogenaamde prijs waarvoor Hoogovens wordt gedebiteerd en Breedband gecrediteerd, wordt door laatstgenoemde in mindering gebracht op haar produktiekosten bij de verdeling van het jaarresultaat”. Zonder bestaan van een prijs is een koop-overeenkomst niet denkbaar.

Verzoekster antwoordt hierop als volgt:

1\. Indien twee vennootschappen te zamen een maatschap vormen, zijn de geproduceerde goederen eigendom van deze derde maatschap en niet de onverdeelde medeëigendom van de vennoten. Anders hadden de Régie Renault en verzoekster zonder moeite een dergelijk contract kunnen opstellen, zodat het afvalschroot van de Régie Renault aan beide ondernemingen in onverdeelde eigendom zou hebben toebehoord.

2\. Aangenomen dat Hoogovens en Breedband te zamen een dergelijke maatschap vormen, heeft deze alleen interne werking en valt dus niet onder de rechtsmacht van de Hoge Autoriteit, die de vrijstelling aan beide ondernemingen Hoogovens en Breedband heeft toegekend. Het toelaten van dergelijke maatschappen met interne werking zou de controle, die de Hoge Autoriteit op grond van de artikelen 65 e.v. van het Verdrag moet uitoefenen, onmogelijk maken en tevens in strijd zijn met de rechtspraak van het Hof omtrent het begrip „rendement”.

3\. De stelling van interveniënte, dat de prijs die haar in rekening wordt gebracht in het onverdeelde vermogen van de maatschap wordt gestort, is niet juist. Wanneer een maatschap bestaat, valt de prijs die deze in ruil voor een bepaald goed ontvangt niet in de onverdeeldheid, doch wordt eigendom van de maatschap.

De financiële en administratieve rechtsbetrekkingen tussen interveniënte en Breedband zijn volkomen gelijk aan die tussen verzoekster en de Régie Renault. Toen laatstgenoemden aanvoerden dat de marktprijs, die in rekening werd gebracht, slechts de betekenis had van een fictieve prijs, antwoordde de Hoge Autoriteit dat niettemin moest worden gesproken van aan de verevening onderworpen koopovereenkomsten; het Hof is in zijn arrest met deze stelling meegegaan.

Breedband en Hoogovens zijn twee verschillende ondernemingen en dragen afzonderlijke handelsnamen. Volgens de door de Hoge Autoriteit opgestelde en door het Hof erkende beginselen kan het door Breedband aan de interveniënte geleverde afvalschroot derhalve niet als eigen omloopschroot van deze laatste worden beschouwd.

Interveniënte Hoogovens antwoordt dat de rechtsverhouding tussen Breedband en haar niet een derde afzonderlijke rechtspersoon in het leven heeft geroepen doch een vorm van samenwerking naar Nederlands burgerlijk recht, waarbij tussen de medecontractanten een verhouding van medeëigendom bestaat. Ten onrechte stelt verzoekster dat deze maatschap alleen interne werking heeft, daar naar Nederlands recht de onverdeelde medeëigendom van in gemeenschap geproduceerde goederen aan derden kan worden tegengeworpen zonder dat hiertoe bijzondere publikatievoorschriften zijn gesteld. Interveniënte verwijst in dit verband naar de memorie van toelichting op het wetsontwerp dat voorafging aan de Nederlandse wet van 8 mei 1952, welke de oprichting van het complex Hoogovens/Breedband mogelijk heeft gemaakt; dit stuk is bij het dossier gevoegd.

Ad b): Volgens interveniënten zijn de overwegingen van het Hof in het arrest 32 en 33-58 niet van toepassing op het complex Hoogovens/Breedband, omdat

1\. deze beide ondernemingen niet een concern vormen dat de normale concurrentie op kunstmatige wijze kan beïnvloeden;

2\. „de samenvoeging van hun bedrijven tot één geheel tot rendementsverbeteringen leidt, welk niet het gevolg zijn van de toevallige banden waarop het begrip concern rust, doch zijn te beschouwen als binnen een onderneming tot stand gebrachte wijzigingen in het rendement der produktiefactoren.”

Ad 1): De oprichting der fabrieken van Breedband in de loop van de jaren 1950 tot 1953 heeft uitsluitend plaatsgehad met het oog op de uitbreiding van Hoogovens.

Voor deze uitbreiding waren ƒ 200 miljoen gulden nodig, een bedrag dat kort na de oorlog op de Nederlandse markt niet kon worden opgebracht. Dank zij de steun van de Nederlandse regering en de gelden van de Marshall-hulp konden de nodige middelen worden bijeengebracht; deze werden ten dele besteed aan de uitbreiding van Hoogovens en het restant ad ƒ 135 miljoen werd gebruikt voor de bouw van de walserijen van Breedband; hierbij stond voorop, dat het ging om de „uitbreiding van de Nederlandse ijzeren staalindustrie te IJmuiden”. Teneinde de belangen van de regering veilig te stellen en anderzijds te verhinderen, dat de Staat in Hoogovens de meerderheid der aandelen zou verkrijgen (waardoor deze haar vroegere karakter van particuliere onderneming zou hebben verloren), werd een afzonderlijke naamloze vennootschap opgericht, de N.V. Breedband, waarin de Staat voor 97 % en Hoogovens voor 3 % van het aandelenkapitaal heeft deelgenomen. De oprichting van deze afzonderlijke naamloze vennootschap is dus onder de drang der omstandigheden tot stand gekomen en heeft geenszins tot gevolg, dat de normale concurrentieverhoudingen worden vervalst; ten slotte zijn „de oprichting van de vennootschap Breedband en de rechtsbetrekkingen tussen haar en Hoogovens van een geheel andere orde dan de rechtsbetrekkingen welke de oprichting van industriële of financiële concerns beheersen”.

Verzoekster antwoordt hierop, dat de scheiding tussen Snupat en de Régie Renault op een niet minder toevallige grond berust, welke van fiscale aard is. Al hetgeen Hoogovens stelt, geldt eveneens voor deze beide ondernemingen en is door verzoekster in haar vorige beroepen zonder succes aangevoerd.

Ad 2): Interveniënte Hoogovens betoogt dat haar bedrijven en die van Breedband, welke tot een geheel zijn samengevoegd in zodanige mate, dat de grootst denkbare plaatselijke integratie is bereikt, één enkele onderneming vormen. De bedrijven bevinden zich op hetzelfde terrein zonder door enig uiterlijk kenmerk gescheiden te zijn; de blokwalserij die de plakken produceert bevindt zich in hetzelfde gebouw als de walserijen van Breedband; de technische en commerciële leiding is gemeen, evenals de afdeling voor onderzoek; er zijn gewichtige diensten voor planning en produktie, die voor beide maatschappijen te zamen werken.

De hieruit voortvloeiende verbeteringen van het rendement zijn niet een gevolg van de toevallige banden waardoor concerns gewoonlijk worden gekenmerkt, doch van het feit dat Hoogovens en Breedband één enkele onderneming vormen.

Ten gevolge van deze integratie wordt een verbetering van het rendement bereikt, zoals deze binnen concerns van ondernemingen niet voorkomt; transportkosten zijn overbodig geworden en Hoogovens kan aan Breedband een hele reeks grondstoffen (zoals gas, water, stoom, zuurstof) en diensten leveren. Een van deze rendementsverbeteringen is het gevolg van de levering van afvalschroot door Breedband aan Hoogovens. Dat het afvalschroot van Breedband opnieuw wordt gebruikt, „betekent dat een van de bijprodukten van de gemene produktie opnieuw in de gemeenschappelijke produktiecyclus wordt opgenomen”. Daardoor wordt „in de zin van artikel 67 van het Verdrag een verbetering van het rendement verkregen, welke volgens het arrest 32 en 33-58 verschillen in de produktiekosten rechtvaardigt”. Interveniënte legt dit arrest zo uit, dat eenheid van plaats een voorafgaande voorwaarde is om het gebruik van afvalschroot als een verbetering van het rendement te kunnen beschouwen.

De vereveningsbijdrage welke interveniënte betaalt over het aankoopschroot bestemd voor de produktie van het staal, hetwelk in de walserijen van Breedband wordt verwerkt, wordt ten laste van het gemeenschappelijk jaarresultaat gebracht en komt derhalve eveneens ten laste van Breedband. Werd het afvalschroot van Breedband opnieuw belast, dan zou deze nieuwe bijdrage eveneens ten laste van de beide ondernemingen komen, hetgeen tot gevolg zou hebben dat dezelfde ondernemingen tweemaal voor dezelfde hoeveelheid schroot zouden worden aangeslagen. Het Hof heeft beslist dat een zodanig resultaat kennelijk onjuist zou zijn. Voorts zou deze dubbele belasting neerkomen op een bij het Verdrag verboden discriminatie.

Verzoekster antwoordt hierop, dat het enige verschil tussen het concern Hoogovens — Breedband en het concern Régie Renault — Snupat, welke beide kunstmatig van elkaar zijn gescheiden, hierin bestaat dat het eerste concern geen, het tweede zeer hoge transportkosten heeft. Dit is echter geen reden om het eerste een vrijstelling te verlenen en het tweede de heffing op te leggen.

Het enige criterium voor het begrip eigen omloopschroot, dat het Hof heeft aangelegd, is de handelsnaam van de onderneming; met de verbetering van het rendement kan alleen binnen een aldus bepaalde onderneming rekening worden gehouden. Door geen vrijstellingen toe te laten in geval van toevallige omstandigheden, geografische verhoudingen daaronder begrepen, heeft het Hof de eenheid van plaats als criterium uitgesloten. Hoogovens en Breedband zijn twee verschillende ondernemingen. Indien de bedrijven van de Regie Renault en Snupat, die in administratief, commercieel en financieel evenals in industrieel opzicht even nauw met elkaar zijn verbonden als Breedband en Hoogovens, op hetzelfde terrein zouden liggen, zou dit naar de opvatting van interveniënte voldoende zijn om het afvalschroot van de Régie Renault en Snupat van de vereveningsheffing vrij te stellen; de omstandigheid, dat hun bedrijven enige honderden kilometers van elkaar zijn verwijderd, zou evenwel voldoende grond zijn om hun schroot aan de heffing te onderwerpen.

Hierop antwoordt interveniënte Hoogovens, dat het criterium van de handelsnaam in de basisbeschikkingen niet wordt genoemd en evenmin door het Hof is aanvaard. Zij gaat uitvoerig in op de verschillen, welke bestaan tussen de juridische structuur en de feitelijke omstandigheden van Snupat en Hoogovens en constateert in het bijzonder,

dat de rechtsbetrekkingen, voortvloeiende uit de tussen Breedband en haar bestaande maatschap, tot gevolg hebben dat het afvalschroot van Breedband „volgens de letterlijke betekenis welke daaraan moet worden gehecht” eigen omloopschroot van Hoogovens is, en

„dat de volledige plaatselijke integratie, welke tussen haar bedrijven en die van Breedband bestaat, tot gevolg heeft dat het gebruik hetwelk zij van het van Breedband afkomstige afvalschroot maakt een verbetering van het rendement binnen eenzelfde onderneming betekent en dat dit schroot mitsdien terecht met eigen omloopschroot is gelijkgesteld.”

Verweerster sluit zich volkomen aan bij de stellingen van interveniënte. Zij voegt hier aan toe dat, in stede van alleen te letten op het criterium van identiteit van handelsnaam, „de werkelijkheid de voorrang moest hebben boven de te weinig genuanceerde formele juridische criteria, opdat de geldende beschikkingen niet alleen naar de letter doch ook naar de geest zouden worden nageleefd”.

###### B — Breda Siderurgica

Interveniënte Breda Siderurgica verklaart dat het door haar gebruikte schroot afkomstig is van de andere bedrijven, die tot hetzelfde industriële complex behoren en te Sesto San Giovanni/ Milaan op hetzelfde fabrieksterrein zijn gelegen. Dit alles vormt één gebouwencomplex, dat door een muur is omgeven, met een hoofdingang en twee neveningangen, aan alle afdelingen gemeen, en dat één enkele aansluiting op het spoorwegnet heeft.

In dit industriële complex zijn alle algemene diensten gemeen:

verkrijging, transformatie en verdeling van elektriciteit

verkrijging en verdeling van grondstoffen in het buizennet

leidingnet voor industrie- en drinkwater

afvoerleidingen

bewaking binnen de gebouwen en daarbuiten

medische verzorging en ziekenzaal

telefooncentrale en telefoonnet

sociale bijstand, ziekenfonds, dienstwoning, recreatieruimten, opleidingsscholen

laboratorium voor onderzoek en studie.

Er kan derhalve geen twijfel aan bestaan, dat het binnen de fabrieken te Sesto San Giovanni ingezamelde schroot als „eigen omloopschroot” van interveniënte is te beschouwen.

Verzoekster antwoordt hierop, dat de door interveniënte aangevoerde feiten „volkomen toevallig en empirisch zijn. De wijze waarop Breda zich tracht te rechtvaardigen, bewijst duidelijk dat de Hoge Autoriteit, door haar een vrijstelling toe te kennen, de door het Hof vastgestelde beginselen niet in acht heeft genomen.”

Verweerster is van oordeel, dat de door interveniënte aangevoerde feiten „bijkomende gronden zijn voor de juistheid van de interpretatie van de Hoge Autoriteit”. Evenals interveniënte is zij van mening, dat er grote verschillen bestaan tussen de omstandigheden van deze onderneming en die van verzoekster.

###### 5. De terugwerkende kracht van de gevraagde intrekking in het bijzonder

Interveniënte Hoogovens concludeert dat het den Hove behage vast te stellen „dat de Hoge Autoriteit grondbeginselen van het recht zou hebben geschonden, indien zij de verleende vrijstellingen met terugwerkende kracht had ingetrokken”. Zij verwijst in dit verband naar haar bestrijding van de ontvankelijkheid van het beroep.

Interveniënte Breda Siderurgica voert hetzelfde betoog als Hoogovens en verzoekt het Hof „vast te stellen, dat de Hoge Autoriteit grondbeginselen van het recht zou hebben geschonden, indien zij de aan enkele ondernemingen, onder meer aan Breda Siderurgica, verleende vrijstellingen met terugwerkende kracht had ingetrokken”.

Verzoekster antwoordt dat de beslissing van het Hof zonder terugwerkende kracht geen effect zou sorteren, daar het vereveningsstelsel niet meer in werking is.

#### IV. — Procedure

Overwegende dat de procedure een regelmatig verloop heeft gehad;

dat in haar verzoek tot interventie aan de zijde van verweerster ontvankelijk zijn verklaard:

a) de Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken N.V., gevestigd te Velsen, bij twee beschikkingen van het Hof van 20 januari 1960;

b) de Breda Siderurgica Società per Azioni, gevestigd te Milaan, bij beschikking van het Hof van 6 mei 1960;

dat het Hof bij beschikking van 29 januari 1960 de voeging van de zaken 42 en 49-59 voor de schriftelijke en de mondelinge procedure heeft bevolen;

dat, nadat de schriftelijke procedure was afgesloten, het Hof, de Advocaat-Generaal gehoord, heeft besloten een gerechtelijke plaatsopneming te verrichten in de fabrieken van interveniënte Breda Siderurgica te Sesto San Giovanni/Milaan en van interveniënte Hoogovens te IJmuiden; dat deze plaatsopnemingen onderscheidenlijk op 23 september en 7 oktober 1960 zijn verricht;

### TEN AANZIEN VAN HET RECHT

#### Zaak 42-59

##### I. TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE PRIMAIRE CONCLUSIES VAN VERZOEKSTER

Overwegende dat verweerster stelt, dat het beroep niet ontvankelijk is omdat de brief van de Afdeling Markt van 7 augustus 1959 geen beschikking van de Hoge Autoriteit vormt en subsidiair omdat in casu geen beroep tot nietigverklaring mogelijk is;

Overwegende dat deze beide excepties van niet-ontvankelijkheid gegrond zijn;

a) Overwegende dat de betrokken brief noch naar de vorm noch naar de inhoud een beschikking van de Hoge Autoriteit is; dat — wat de vorm betreft — deze brief slechts is ondertekend door de directeur van de Afdeling Markt en wel uit eigen naam en niet namens en vanwege de Hoge Autoriteit, zodat de brief niet als een beschikking van de Hoge Autoriteit kan worden aangemerkt; dat — wat de inhoud betreft — de brief volstaat met de verklaring dat de arresten van het Hof van Justitie van 17 juli 1959 zullen worden bestudeerd door de diensten van de Hoge Autoriteit, die ter zake de nodige beschikkingen zal nemen, en dat de Afdeling Markt geen grond aanwezig acht voor het verzoek tot schadevergoeding wegens dientsfout; dat een dergelijke verklaring geen algemene regel opstelt en evenmin een definitieve uitspraak bevat, waardoor enig individueel belang wordt getroffen;

b) Overwegende dat het onderhavige beroep in werkelijkheid ten doel heeft, door het Hof te doen vaststellen, dat de Hoge Autoriteit aansprakelijk is wegens dienstfout; dat een dergelijke vaststelling niet past in het kader van een beroep tot nietigverklaring als geregeld in artikel 33 van het Verdrag E.G.K.S. — hetwelk handelt over de nietigverklaring van de beschikkingen van de Hoge Autoriteit — op welke bepaling dit beroep is gegrond, doch slechts kan berusten op artikel 40 of eventueel artikel 34; dat geen argument voor het tegendeel kan worden ontleend aan de derde zinsnede van artikel 40 van het Statuut van het Hof van Justitie van de E.G.K.S.; dat toch deze bepaling weliswaar handelt over het geval waarin degene die zich door een dienstfout van de Gemeenschap benadeeld acht een voorafgaand verzoek richt tot de bevoegde instelling van de Gemeenschap, doch slechts strekt tot het vaststellen van een vervaltermijn, zonder daardoor wijziging te brengen in de aard van het te dier zake voorziene beroep; Overwegende dat op deze beide gronden het beroep niet ontvankelijk is;

##### II. TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE AANVULLENDE CONCLUSIES VAN VERZOEKSTER

Overwegende dat verzoekster het Hof voorts vraagt, haar „akte te verlenen van haar verklaring, dat zij zich voorbehoudt, bij het Hof een nieuwe vordering in te stellen tegen de Hoge Autoriteit wegens dienstfout, tot vergoeding der schade welke verzoekster als gevolg van bovenvermelde vrijstellingen heeft geleden” en „haar voorts akte te verlenen van haar verklaring, dat zij voornemens is de voeging te verzoeken van dit nieuwe beroep” met de onderhavige zaak;

Overwegende dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij een wettig belang heeft bij het nemen van dergelijke conclusies en dat het Hof een zodanig belang evenmin aanwezig acht;

dat toch het recht van beroep van verzoekster in geen geval afhankelijk kan zijn van een uitspraak van het Hof, waarbij haar akte wordt verleend van haar voornemen, van dit recht gebruik te maken;

dat de voeging van een toekomstig geding met de onderhavige zaak, waarover in dit arrest uitspraak wordt gedaan, ondenkbaar is;

dat bijgevolg deze beide conclusies niet-ontvankelijk zijn wegens het ontbreken van een genoegzaam belang;

#### Zaak 49-59

##### TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID

###### I. De door verweerster opgeworpen middelen

1.

Overwegende met bertekking tot de vordering tot intrekking van de vrijstellingen, dat verweerster zich aan het oordeel van het Hof refereert ten aanzien van de vraag of er sprake is van een nalaten van de Hoge Autoriteit niettegenstaande de omstandigheid dat de Afdeling Markt binnen de termijn van twee maanden voorzien in artikel 35, lid 3, verzoekster heeft geantwoord, dat de opgeworpen vragen in studie waren genomen;

Overwegende evenwel dat een dergelijk antwoord zich niet verzet tegen de ontvankelijkheid van een beroep wegens nalaten, daar dit antwoord geen beschikking vormt in de zin van het Verdrag;

dat er dus, ondanks deze brief, sprake is van een stilzwijgende weigering als bedoeld in artikel 35 van het Verdrag E.G.K.S., zodat het beroep wegens nalaten op dit punt ontvankelijk is;

2.

Overwegende dat verweerster, met betrekking tot de vordering tot vaststelling van een nieuw heffingstarief en tot mededeling hiervan aan verzoekster met alle gegevens die haar in staat kunnen stellen een behoorlijke controle uit te oefenen op de vaststelling van dit tarief, aanvoert dat er van enig nalaten sprake is noch zijn kan;

Overwegende dat verweerster, teneinde aan te tonen dat er geen sprake is van enig nalaten, aanvoert dat sedert het wijzen van het arrest 32 en 33-58 een aantal maatregelen is getroffen teneinde de consequenties uit dit arrest te trekken en een nieuw tarief voor de heffing vast te stellen;

Overwegende dat deze opmerkingen geen doel treffen;

dat toch het nalaten, waarop artikel 35 van het Verdrag doelt, wordt gekenmerkt door het ontbreken van een uitdrukkelijke beschikking; dat werkzaamheden, die bestemd zijn een dergelijke beschikking voor te bereiden, met deze laatste niet kunnen worden gelijkgesteld;

Overwegende dat verweerster, teneinde aan te tonen dat er van enig nalaten zelfs geen sprake kan zijn, aanvoert dat de diensten van de Hoge Autoriteit voldoende tijdsruimte te hunner beschikking moesten hebben om ingevolge het arrest 32 en 33-58 een nieuw vereveningstarief te kunnen vaststellen;

dat naar de mening van verweerster de Hoge Autoriteit niet kan worden „gedwongen, binnen een bepaalde termijn en op verzoek van een onderneming wijziging te brengen in” de bestaande regeling;

Overwegende dat dit betoog niet voldoende onderscheid maakt tussen de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep;

dat volgens artikel 35, lid 3, van het Verdrag E.G.K.S. een beroep wegens nalaten kan worden ingesteld, indien de Hoge Autoriteit twee maanden na een ingebrekestelling nog geen beschikking heeft genomen;

Overwegende dat uit het voorafgaande volgt, dat de door verweerster opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid behoren te worden verworpen;

###### II. De door de interveniënten opgeworpen middelen

Overwegende dat de interveniënten enige excepties van niet-ontvankelijkheid voordragen, die niet zijn opgeworpen door verweerster;

dat dit recht in casu aan interveniënten niet kan worden ontzegd, daar deze excepties of argumenten strekken tot verwerping van de conclusies van verzoekster;

1\. Overwegende dat interveniënten een exceptie van niet-ontvankelijkheid voordragen gegrond op de stelling dat de stilzwijgende weigerende beschikking, voor zover deze betrekking heeft op de intrekking der vrijstellingen, slechts een bevestiging bevat van vroegere beschikkingen en dat verzoekster bijgevolg in haar vordering tot nietigverklaring niet kan worden ontvangen, nu de termijn die volgens het Verdrag behoort te worden in acht genomen bij de indiening van een beroep tegen de vroegere overeenstemmende beschikkingen is verstreken; dat interveniënte Breda Siderurgica hieraan toevoegt dat de vrijstellingen niet de betekenis hebben van beschikkingen, daar de Hoge Autoriteit bij de verlening slechts uitvoering heeft gegeven aan haar basisbeschikkingen 22-54, 14-55 en 2-57, zodat de weigering om deze vrijstellingen in te trekken evenmin een beschikking vormt in de zin van het Verdrag, immers „wanneer er geen beschikking bestaat die stilzwijgend kan worden bevestigd, kan er ook geen bevestigende beschikking bestaan”; dat voorts verweerster in haar opmerkingen betreffende de nadere conclusie van de interveniënte Breda Siderurgica aanvoert, dat de bestreden handeling slechts een interpretatie vormt van een bestaande regeling, en hieraan toevoegt dat een interpretatie, „ook al wordt daarmede onbetwistbaar stelling gekozen, daarom nog geen „beschikking” vormt” en „noch tot een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring noch tot een beroep wegens nalaten aanleiding kan geven”; Overwegende dat het Hof dit betoog niet kan aanvaarden; Overwegende dat in de stellingen van interveniënte Breda Siderurgica en in het aanvullende betoog van verweerster wordt miskend, dat de toepassing van de algemene beschikking 2-57 op een concreet geval gelijk staat met een beschikking, zulks onafhankelijk van het rechtskarakter dat aan de brief van 18 december 1957 dient te worden toegekend; dat aldus de Hoge Autoriteit door het vroeger met betrekking tot de litigieuze vrijstellingen door haar vertegenwoordiger gemaakte voorbehoud te laten varen, een beschikking uitvaardigde; dat de aan de interveniënte verleende vrijstellingen derhalve beschikkingen vormen; Overwegende dat met betrekking tot het argument, dat de weigering tot intrekking van de aan Breda en Hoogovens verleende vrijstellingen slechts een handeling was waarbij vroegere beschikkingen werden bevestigd, kan worden toegegeven dat een handeling, die zich beperkt tot de bevestiging van een vroegere handeling, belanghebbenden niet de mogelijkheid biedt opnieuw de discussie te openen over de rechtsgeldigheid van die vroegere handeling; dat deze algemene regel evenwel niet geldt, indien zich een nieuw feit voordoet hetwelk wijziging brengt in de belangrijkste omstandigheden en voorwaarden, waaronder de oorspronkelijke handeling tot stand kwam; dat verzoekster op grond van artikel 35 van het Verdrag een vordering heeft ingesteld en de Hoge Autoriteit heeft verzocht de consequenties te trekken uit het arrest van het Hof 32 en 33-58, daartoe stellende dat, gezien in het licht van de motivering van dit arrest, de aan de plaatselijk geïntegreerde ondernemingen verleende vrijstellingen niet meer gegrond waren en dienden te worden ingetrokken; dat evenwel de vraag, of de bestreden stilzwijgende weigering met genoemd arrest in strijd is, behoort tot het onderzoek van de zaak ten gronde; dat bijgevolg de stelling, dat de bestreden beschikking slechts een bevestiging inhoudt van vroegere beschikkingen, niet als exceptie van niet-ontvankelijkheid kan worden aanvaard; Overwegende dat uit het voorafgaande volgt dat de aangevoerde excepties van niet-ontvankelijkheid behoren te worden verworpen;

2\. Overwegende dat interveniënten Hoogovens een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt, daartoe stellende, dat verzoekster het middel détournement de pouvoir niet heeft aangevoerd; dat deze stelling feitelijk onjuist is, daar verzoekster het middel détournement de pouvoir in haar verzoekschrift heeft voorgedragen en op rechtens relevante wijze de gronden heeft uiteengezet waaruit naar haar mening het détournement de pouvoir voortvloeit; dat bijgevolg deze exceptie behoort te worden verworpen, wat er ook zij van de vraag of de ontvankelijkheid van het beroep al dan niet afhangt van het voordragen van het middel détournement de pouvoir;

3\. Overwegende dat interveniënten nog twee andere excepties van niet-ontvankelijkheid opwerpen; dat zij in de eerste plaats aanvoeren dat de bestreden beschikking van algemene aard is en dus alleen met het middel détournement de pouvoir kan worden bestreden, terwijl een détournement de pouvoir, juridisch gezien, in casu onmogelijk is, daar de Hoge Autoriteit niet heeft gehandeld op grond van een discretionaire bevoegdheid; dat zij voorts stellen dat, indien de beschikking van individuele aard was, verzoekster het middel détournement de pouvoir slechts zou kunnen aanvoeren voor zover het beroep op het tweede lid van artikel 35 is gebaseerd; Overwegende dat de aard van de bestreden beschikking moet worden beoordeeld in het licht van de bewoordingen van het verzoek hetwelk requestrante aanvankelijk tot de Hoge Autoriteit richtte; dat requestrante bij dit verzoek in het bijzonder aandrong op de uitvaardiging van een aantal individuele intrekkende beschikkingen; dat dit naar het oordeel van het Hof inderdaad het voornaamste bestanddeel was van het verzoek, daar zich op het tijdstip waarop dit werd geformuleerd nog geen geval analoog aan dat van beide interveniënten had voorgedaan, zodat het verzoek in feite doelde op de intrekking van de aan Hoogovens en Breda Siderurgica verleende vrijstellingen; dat aldus de weigering om gevolg te geven aan het verzoek van requestrante het karakter heeft van een individuele beschikking; dat voor de andere onderdelen van de gevraagde beschikking, te weten de vaststelling van een nieuw vereveningstarief en de mededeling daarvan aan verzoekster, soortgelijke overwegingen gelden; dat toch uit de context en uit de omstandigheden voortvloeit dat verzoekster, ofschoon zij zich wellicht niet van de juiste woorden bediende, in wezen verlangde dat de heffing, die zij zelf verschuldigd was, zou worden berekend met inachtneming van de intrekking van bedoelde vrijstellingen en dat haar daarvan mededeling zou worden gedaan; dat de bestreden beschikking bijgevolg ook in dit opzicht het karakter heeft van een individuele handeling; Overwegende dat de individuele beschikking verzoekster betreft, daar de bijdrage, die zij verschuldigd is, ten gevolge van deze vrijstellingen is verhoogd en deze omstandigheid ongetwijfeld van invloed is op de tussen verzoekster en interveniënten bestaande concurrentieverhoudingen; Overwegende dat, nu de bestreden beschikking van individuele aard is, verzoekster in beginsel alle middelen voorzien in artikel 33, lid 1, van het Verdrag geldend kan maken, niet alleen het middel détournement de pouvoir; dat bijgevolg geen antwoord behoeft te worden gegeven op de vraag of een détournement de pouvoir denkbaar is in geval van gebonden bevoegdheid; dat evenwel dient te worden onderzocht of, gelijk interveniënte Hoogovens stelt, deze regeling in casu niet van toepassing is omdat een beroep wegens nalaten, gebaseerd op het tweede lid van artikel 35, blijkens de bewoordingen van deze bepaling zelf, slechts kan worden ingesteld op grond van misbruik van bevoegdheid; dat interveniënte hierbij miskent, dat het beroep in feite is gebaseerd op het eerste lid van genoemd artikel; dat verzoekster immers duidelijk als haar mening te kennen heeft gegeven, dat de Hoge Autoriteit is „gehouden” te beslissen in de zin van het verzoek dat requestrante aanvankelijk tot haar had gericht; Overwegende dat uit bovenstaande overwegingen voortvloeit, dat de opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid niet gegrond zijn;

4\. Overwegende dat verweerster en interveniënten ten slotte een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpen, daartoe stellende dat de verlangde intrekking met terugwerkende kracht de bevoegdheden van de Hoge Autoriteit zou overschrijden, daar een administratieve handeling waarbij subjectieve rechten worden toegekend slechts binnen een redelijke termijn kan worden herroepen, welke termijn in casu ruim zou zijn overschreden; dat voorts het beginsel der belangenafweging zich tegen de gevraagde intrekking verzet; dat, gelijk boven is gezegd, de vraag of de Hoge Autoriteit het recht had de verlangde beschikking te geven behoort tot het onderzoek van de zaak ten gronde, zodat deze vraag eerst in dat verband ter sprake zal kunnen komen; Overwegende dat op deze gronden het beroep ontvankelijk is;

##### TEN PRINCIPALE

###### I. Het beroep wegens nalaten, ingesteld tegen de stilzwijgende weigering tot intrekking van de litigieuze vrijstellingen

Overwegende dat de wettigheid van de weigering, de onderhavige vrijstellingen met terugwerkende kracht in te trekken, in de eerste plaats afhangt van de wettigheid dier vrijstellingen zelf;

dat toch, indien deze geldig zijn, hieruit volgt dat de Hoge Autoriteit de intrekking terecht heeft geweigerd, daar de intrekking met terugwerkende kracht van een rechtsgeldige handeling, waarbij subjectieve rechten of soortgelijke voordelen worden toegekend, met de algemene beginselen van het recht in strijd is;

dat dus in de eerste plaats behoort te worden onderzocht of de litigieuze vrijstellingen onwettig zijn;

###### A. Zijn de litigieuze vrijstellingen onwettig?

1.

Overwegende dat het litigieuze, door Hoogovens en Breda Siderurgica gebruikte schroot, dat afkomstig is van hun zusterondernemingen, in de jaren 1956-1957 van de verevening werd vrijgesteld op grond van de plaatselijke integratie der betrokken fabrieken, hoewel dit schroot mogelijk onder het begrip concernschroot kon vallen;

dat het Hof in zijn op 17 juli 1959 in de zaken 32 en 33-58 (SNUPAT contra Hoge Autoriteit) gewezen arrest heeft beslist, dat vrijstelling van concernschroot door het Verdrag wordt verboden;

dat derhalve bedoeld arrest de vrijstellingen in een nieuw licht plaatste, hetgeen medebracht dat, na een nieuw onderzoek omtrent de rechtsgrondslag dezer vrijstellingen, een beschikking behoorde te worden genomen omtrent hun wettigheid;

dat genoemd arrest voor de Hoge Autoriteit dus aanleiding behoorde te zijn, haar vroegere standpunt opnieuw in overweging te nemen en na te gaan of de litigieuze vrijstellingen met het oog op de in bedoeld arrest neergelegde regels konden worden gehandhaafd, nu zij immers voortaan gehouden was deze regels te eerbiedigen op straffe van een discriminatie te dulden waardoor de normale concurrentie — een der grondbeginselen van het Verdrag — zou worden vervalst;

dat op het tijdstip waarop de brieven van 18 december 1957 en 17 april 1958 werden opgesteld en in het Publikatieblad openbaargemaakt, de Hoge Autoriteit zich nog gesteld zag voor het probleem van de verduidelijking der beginselen, vervat in de basisbeschikking 2-57, welke geen definitie bevat van de begrippen „eigen omloopschroot” en „aankoopschroot”;

dat dit anders was geworden op het tijdstip waarop verzoekster, na het uitspreken van vorengenoemd arrest van het Hof, zich tot de Hoge Autoriteit wendde;

dat toch op dat tijdstip het Hof van Justitie het moeilijke vraagstuk van de interpretatie van de beschikking 2-57 had aangevat en op verschillende punten opgelost;

dat dit arrest in het bijzonder een uiteenzetting bevat van de redenen waarom vrijstelling van eigen omloopschroot als wettig moet worden beschouwd, terwijl die van het zogenaamde concernschroot dit niet is;

dat de weigering van de Hoge Autoriteit om de vrijstellingen in te trekken niet slechts een bevestiging van haar vroegere standpunt vormt, doch ook de stilzwijgende beslissing bevat dat het arrest van het Hof geen aanleiding was tot het volgen van een andere gedragslijn en dat de overwegingen die zich naar de mening van het Hof tegen vrijstelling van concernschroot verzetten niet golden voor het geval van plaatselijke integratie;

dat derhalve het stilzwijgen van de Hoge Autoriteit op het verzoek tot intrekking van de litigieuze vrijstellingen, in stede van een eenvoudige bevestiging te zijn van haar vroegere gedragslijn, een nieuwe beschikking inhoudt, in die zin dat de in het arrest van het Hof in de zaken 32 en 33-58 neergelegde beginselen de Hoge Autoriteit niet verplichten deze houding te herzien;

dat de weigering tot intrekking van de litigieuze vrijstellingen aldus een nieuwe beschikking van de Hoge Autoriteit bevat, welke verzoekster in rechte mocht bestrijden, hetgeen zij met het onderhavige beroep binnen de gestelde termijn heeft gedaan;

2.

Overwegende dat vervolgens een onderzoek dient te worden ingesteld naar de vraag van de wettigheid der litigieuze vrijstellingen, zulks met inachtneming van de door het Hof in zijn vorige arrest (32 en 33-58) neergelegde beginselen;

Overwegende dat de Hoge Autoriteit, door de vrijstellingen toe te kennen in verband met de plaatselijke integratie der fabrieken, bij haar beslissing een zuiver geografisch, derhalve toevallig criterium heeft aangelegd, hetgeen het Hof in zijn vroegere arrest ongeoorloofd heeft geacht;

Overwegende dat het Hof voorts in voornoemd arrest als beginsel heeft aangenomen dat de vrijstelling van concernschroot, als zijnde een bron van de bij artikel 4 van het Verdrag verboden discriminaties, met het Verdrag in strijd is;

Overwegende dat het uit de fabrieken van Breedband afkomstige en door Hoogovens gebruikte schroot, evenals het door Breda Siderurgica gebruikte schroot dat zij van haar zusterondernemingen betrekt, concernschroot is;

dat toch noch Hoogovens noch Breda één enkele onderneming vormen met die waarvan het onderhavige schroot afkomstig is;

dat het begrip onderneming in de zin van het Verdrag samenvalt met het begrip natuurlijke of rechtspersoon, daar het Verdrag eerstgenoemd begrip in het bijzonder gebruikt ter aanduiding van de dragers van de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende rechten en verplichtingen;

dat, indien de mogelijkheid bestond dat verschillende afzonderlijke bedrijven één enkele onderneming kunnen vormen in de zin van artikel 80 van het Verdrag, in het Verdrag een duidelijke bepaling van die strekking zou moeten zijn te vinden;

dat bij gebreke van een dergelijke bepaling niet mag worden aangenomen, dat twee gescheiden en afzonderlijke bedrijven in de zin van het Verdrag één enkele onderneming kunnen vormen, te minder omdat zij met betrekking tot hun nationale recht een eigen rechtspersoonlijkheid bezitten; dat voorts, indien het tegendeel zou worden aangenomen, identificering van de in artikel 80 bedoelde ondernemingen in veel gevallen onmogelijk zou zijn;

dat bovendien, wat het industriële complex Breda betreft, alleen de vennootschap Breda Siderurgica staal produceert, terwijl in de andere bedrijven uitsluitend staal wordt verwerkt;

dat bijgevolg de vennootschap Breda Siderurgica en de andere daarmede verbonden vennootschappen niet één enkele onderneming kunnen vormen in de zin van artikel 80 van het Verdrag, dat alleen doelt op ondernemingen „welke zich bezighouden met de produktie van kolen en staal”;

dat zelfs een tot het uiterste doorgevoerde plaatselijke integratie en het feit, dat de ondernemingen die het concern vormen bij hun produktie in economisch opzicht van elkaar afhankelijk zijn, niet mag doen vergeten, dat de fabrieken waar het schroot wordt ingezameld toebehoren aan andere rechtspersonen dan interveniënten;

dat, indien de belanghebbende partijen bij het vormen van hun concern opzettelijk een bepaalde rechtsvorm kiezen waarmede zij bepaalde voordelen beogen, zij niet kunnen eisen dat, telkens wanneer de toepassing voor hen nadelig kan zijn, deze rechtsvorm niet in aanmerking zal worden genomen;

dat het overigens onrechtvaardig zou zijn, op schroot dat tussen twee afzonderlijke ondernemingen rouleert verschillende regels toe te passen naargelang deze ondernemingen aan elkander grenzen dan wel al dan niet ver van elkaar zijn verwijderd;

dat een dergelijk systeem ertoe zou leiden dat de bijzondere last, die het gevolg is van de onvermijdelijk te maken transportkosten, wordt verzwaard en bijgevolg de verschillen in produktiekosten kunstmatig worden verhoogd, hetgeen zowel met het Verdrag als met de grondbeginselen van het vereveningsstelsel in strijd is;

Overwegende ten slotte dat de stelling van Hoogovens, dat door het gebruik dat zij van het uit de fabrieken van Breedband afkomstige afvalschroot maakt, het rendement binnen een en dezelfde onderneming wordt verbeterd en dat de beide ondernemingen niet een concern vormen hetwelk de vrije concurrentie kunstmatig kan beïnvloeden, afstuit op de omstandigheid dat in feite niet sprake is van één enkele onderneming, doch van twee juridisch gescheiden venootschappen welke ieder rechtspersoonlijkheid bezitten;

dat het in gemeenschap brengen van winst en verlies, voorzien in het contract regelende de verhouding tussen Hoogovens en Breedband, slechts de tussen deze beide ondernemingen bestaande samenwerking tot uitdrukking brengt;

dat de beide ondernemingen op grond van deze samenwerking — onverschillig of deze de betekenis heeft van een afspraak of concentratie — een concern vormen;

dat derhalve door de vrijstelling, die op grond van het bestaan van het concern Hoogovens — Breedband aan Hoogovens is verleend, de concurrentie, d.w.z. in casu de concurrentieverhouding tussen Hoogovens en andere ondernemingen, die niet met een schrootleverancier in een concern zijn verbonden, wordt vervalst;

Overwegende dat op deze gronden de regels neergelegd in het arrest 32 en 33-58, bepalende dat het zogenaamde concernschroot aan de verevening behoort te worden onderworpen, eveneens van toepassing zijn op de interveniënten;

3.

Overwegende dat Hoogovens aanvoert dat de litigieuze vrijstellingen behoren te worden gehandhaafd teneinde te voorkomen dat dezelfde ondernemingen voor dezelfde hoeveelheid schroot tweemaal worden belast, welke mogelijkheid door het Hof in zijn vorig arrest zou zijn veroordeeld;

Overwegende dat het Hof dit betoog niet aanvaardt;

dat het Hof in zijn arrest 32 en 33-58 een dubbele heffing alleen heeft afgekeurd indien daardoor een en dezelfde onderneming wordt getroffen, niet indien deze wordt verdeeld tussen een aantal rechtens van elkander te onderscheiden ondernemingen;

dat derhalve niet de technische identiteit van het materiaal, doch de vraag of de koper van het schroot identiek is met degene die het inzamelt, het beslissende criterium vormt;

dat immers in talrijke gevallen een technische identiteit bestaat tussen het schroot bij de vervaardiging van eindprodukten ingezameld en het schroot gebezigd bij de produktie van het voor die vervaardiging bestemde staal;

dat het voor de praktische uitvoerbaarheid van het vereveningssysteem en in verband met de voortdurende kringloop van brutoschroot of verwerkt schroot in de verschillende produktiestadia, niet valt te vermijden, dat „dezelfde hoeveelheid schroot” tweemaal en zelfs vaker aan de heffing wordt onderworpen;

Overwegende dat uit het voorgaande volgt, dat de beschikkingen waarbij aan Hoogovens en Breda Siderurgica vrijstellingen zijn toegekend, onwettig zijn, daar een vrijstelling op grond van het criterium van de plaatselijke integratie in strijd is met de interpretatie van het Verdrag door het Hof in zijn arrest 32 en 33-58 gegeven;

4.

Overwegende dat nog dient te worden onderzocht of de vaststelling, dat de litigieuze vrijstellingen onwettig zijn, niet in strijd is met de basisbeschikking 2-57;

dat het Hof van oordeel is dat zulks niet het geval is;

a) Overwegende dat uit artikel 2 van de beschikking 2-57 soortvloeit, dat de in artikel 4 van de beschikking gebruikte uitdrukking „eigen omloopschroot” verwijst naar de „in Artikel 80 van het Verdrag bedoelde ondernemingen”, met dien verstande, dat het hier de schrootverbruikende ondernemingen betreft en derhalve in casu Hoogovens en Breda Siderurgica.

dat allereerst dient te worden vastgesteld, dat de beschikking 2-57 met „eigen omloopschroot” doelt op het schroot dat van den beginne aan eigendom is van een onderneming in de zin van het Verdrag;

dat deze interpretatie, in stede van in strijd te zijn met het gevoelen van de auteur dezer beschikking, door deze zelf is gevolgd in zijn brief van 18 december 1957 (Publikatieblad van 1 februari 1958, blz. 45/58), waar wordt gesteld dat het begrip „eigen omloopschroot” behoort te worden uitgelegd „volgens de letterlijke betekenis welke daaraan moet worden gehecht”;'

dat het begrip „onderneming”, zoals neergelegd in artikel 80 van het Verdrag, overeenkomt met het begrip natuurlijke of rechtspersoon, gelijk hierboven onder A sub 2 is uiteengezet;

dat bijgevolg, indien een beschikking van de Hoge Autoriteit eenvoudig verwijst naar de „in artikel 80 van het Verdrag bedoelde ondernemingen”, dient te worden aangenomen dat daarmede wordt gedoeld op de natuurlijke of rechtspersonen, uit wier naam de in dit artikel genoemde takken van bedrijf worden uitgeoefend;

dat in casu overigens vaststaat dat een dergelijke uitleg beantwoordt aan de bedoeling van de auteur der beschikking 2-57, daar immers volgens de brief van de Hoge Autoriteit van 18 december 1957 een „onderneming. … in elk geval door haar handelsnaam wordt bepaald”;

dat voorts de verwijzing naar het „eigen” omloopschroot van een onderneming het begrip „eigenaar”, dat een strikt juridische betekenis heeft, insluit;

Overwegende dat uit vorenstaande overwegingen voortvloeit, dat krachtens beschikking 2-57 slechts dat schroot als eigen omloopschroot mag worden beschouwd en derhalve van verevening is vrijgesteld, hetwelk tussen het tijdstip van „produktie” en van verbruik niet van eigenaar is veranderd, waarbij het begrip „eigenaar” in strikt juridische zin wordt opgevat;

dat dit niet het geval is met het litigieuze schroot;

b) Overwegende dat interveniënte Hoogovens heeft getracht aan te tonen, dat het schroot hetwelk zij van de vennootschap Breedband ontvangt nooit heeft opgehouden eigendom van Hoogovens te zijn;

dat zij in dit verband in het bijzonder heeft aangevoerd:

—dat op grond van het tussen Breedband en haar bestaande contract deze beide vennootschappen een maatschap vormen in de zin van de artikelen 1655 e.v. van het Nederlands Burgerlijk Wetboek;

—dat naar Nederlands burgerlijk recht de deelgenoten in een maatschap medeëigenaar zijn van de in gemeenschap verkregen goederen;

Overwegende dat deze stellingen voornamelijk berusten op het tussen Hoogovens en Breedband bestaande contract, hetwelk interveniënte gemeend heeft niet bij het procesdossier te moeten voegen;

dat interveniënte heeft gewezen op het „uiterst vertrouwelijk” karakter van dit contract en heeft verklaard, dat zij er ernstig bezwaar tegen zou hebben, de inhoud kenbaar te maken aan verzoekster en aan interveniënte Breda Siderurgica, die haar concurrenten zijn;

dat zij zich echter bereid heeft verklaard het contract over te leggen aan ieder die door beroepsgeheim is gebonden — desnoods in tegenwoordigheid van de rechter-rapporteur — dan wel aan de Hoge Autoriteit zelve, zulks ter fine van het onderzoek hetwelk het Hof nodig mocht achten;

Overwegende dat een elementair rechtsbeginsel zou worden geschonden indien een rechterlijke beslissing zou worden gegrond op feiten en documenten waarvan partijen zelf, of een van partijen, geen kennis hebben kunnen nemen en ten aanzien waarvan zij derhalve niet in staat zijn geweest hun standpunt te bepalen;

Overwegende dat bij de gerechtelijke plaatsopneming door het Hof te IJmuiden de vertegenwoordiger van interveniënte op een desbetreffende vraag heeft geantwoord, dat dit contract niet uitdrukkelijk melding maakt van de wijze waarop de eigendom is geregeld, doch dat naar de mening van interveniënte het bewijs van de medeëigendom door verschillende bepalingen van het contract wordt geleverd;

dat het niet doenlijk is deze bepalingen uit te leggen en te beoordelen zonder onderzoek van de volledige inhoud van het contract;

dat, nu interveniënte dit contract zelf heeft aangevoerd als bewijs voor haar bewering dat het van Breedband afkomstige schroot met eigen omloopschroot van Hoogovens is gelijk te stellen, op haar de bewijslast voor haar beweringen rustte;

dat het niet tot de taak van het Hof behoort, zich door middel van instructiemaatregelen gegevens te verschaffen voor het bewijs van de gegrondheid van het door interveniënte aangevoerde argument, nu deze zelf over bedoelde gegevens beschikt;

dat het Hof op deze gronden en gelet op het voorbehoud en de aarzeling van Hoogovens, de overlegging van het contract niet heeft bevolen;

dat, nu interveniënte geen bewijs voor haar beweringen heeft bijgebracht, er geen aanleiding bestaat, een oordeel uit te spreken over de waarde van bedoeld argument;

Overwegende dat mitsdien niet is komen vast te staan, dat het schroot hetwelk Hoogovens van de vennootschap Breedband ontvangt naar de werkelijke betekenis van het woord „eigen omloopschroot” is;

c) Overwegende dat in gelijke zin dient te worden beslist ten aanzien van de interveniënte Breda Siderurgica, die het ontbreken van een eigendomsoverdracht van het onderhavige schroot zelfs niet heeft gesteld;

5.

Overwegende dat bijgevolg de aan interveniënten toegekende vrijstellingen inderdaad „afwijkingen” zijn;

Overwegende dat de beschikking 2-57 noch in het algemeen noch voor bijzondere gevallen afwijkingen van het begrip eigen omloopschroot kent;

dat overigens, indien een bepaald financieel stelsel een verevening van lasten met zich brengt, de bevoegdheid tot het toekennen van afwijkingen niet mag worden vermoed, zulks te minder omdat elke afwijking ten gunste van een dergenen die de heffing verschuldigd zijn noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat de op de anderen rustende lasten worden verhoogd;

Overwegende dat de litigieuze afwijkingen derhalve zijn verleend op grond van een onjuiste interpretatie van de beschikking 2-57;

6.

Overwegende dat voorts nog dient te worden onderzocht of deze overwegingen wellicht worden ontzenuwd door het feit, dat het onderhavige schroot evenmin „aankoopschroot” is volgens de betekenis die bij een redelijke interpretatie van de beschikking 2-57 aan dit woord dient te worden gegeven;

a) Overwegende dat interveniënte Breda Siderurgica bij de plaatsopneming heeft verklaard, dat voor de leveranties die zij van haar zusterondernemingen ontvangt een prijs wordt vastgesteld, waarover zelfs dikwijls „een ernstige discussie” wordt gevoerd;

dat er bijgevolg geen twijfel aan kan bestaan, dat bij deze leveringen sprake is van koop, nu wilsovereenstemming bestaat over een overdracht van eigendom tegen betaling van een prijs;

b) Overwegende dat interveniënte Hoogovens bij de plaatsopneming heeft verklaard, dat „voor de ontvangst van schroot afkomstig van Breedband, deze laatste van Hoogovens een creditnota ontvangt, waarbij de schrootprijs op de binnenlandse markt wordt aangehouden”; dat zij hier echter aan heeft toegevoegd, dat „deze prijs van geen belang is, daar hij alleen wordt vastgesteld om de produktiekosten in de verschillende stadia van de fabricage nauwkeurig te kunnen berekenen” en dat deze „prijs” in ieder geval uiteindelijk ten laste komt van beide vennootschappen op grond van een overeenkomst krachtens welke hun winsten en verliezen in gemeenschap worden gebracht;

dat de gestelde feiten door verzoekster niet zijn bestreden;

Overwegende evenwel dat naar de mening van het Hof uit de opzet en de doelstelling van de beschikking 2-57 voortvloeit, dat het begrip „aankoopschroot” ook de onderhavige leveranties omvat;

dat, gelijk het Hof reeds in zijn arrest 32 en 33-58 heeft vastgesteld, uit de doeleinden en grondbeginselen van de vereveningsinstelling volgt, dat de vrijstelling van eigen omloopschroot een uitzondering vormt op de regel, dat alle schrootverbruikers als zodanig tot betaling van vereveningsbijdragen zijn gehouden;

dat bijgevolg in geval van twijfel niet het begrip „eigen omloopschroot”, doch het begrip „aankoopschroot” extensief behoort te worden geïnterpreteerd;

dat derhalve als „aankoopschroot” behoort te worden beschouwd al dat schroot waarvan eigendomsoverdracht plaatsvindt tegen een bepaalde prijs, onverschillig of deze overdracht tot stand komt op grond van een koopcontract in de eigenlijke zin van het woord of op grond van een soortgelijk contract en onverschillig of tussen koper en verkoper een overeenkomst bestaat, krachtens welke zij gelijkelijk delen in winst en verlies;

dat zulks met het litigieuze schroot het geval is;

Overwegende dat uit bovenstaande overwegingen voortvloeit, dat de aan de interveniënten verleende vrijstellingen zowel met het Verdrag als met de beschikking 2-57 in strijd zijn;

###### B. Kunnen de litigieuze onwettige vrijstellingen worden ingetrokken?

Overwegende dat interveniënten hebben aangevoerd dat de Hoge Autoriteit terecht heeft geweigerd de vrijstellingen in te trekken, omdat een eventuele intrekking geen praktische betekenis zou hebben;

dat zij erop wijzen dat het vereveningsstelsel niet meer van kracht is en wordt geliquideerd, zodat de nietigverklaring ex nunc van de bestreden beschikking geen praktische gevolgen kunnen hebben, terwijl intrekking met terugwerkende kracht en correctie van de bedragen die zij in het verleden hebben betaald af zou stuiten op het beginsel, dat verkregen voordelen niet ongedaan mogen worden gemaakt;

dat dit betoog miskent, dat het beginsel der rechtszekerheid, hoe belangrijk ook, geen absolute gelding heeft, doch dat de toepassing van dit beginsel behoort te worden gecombineerd met die van het wettigheidsbeginsel; dat voor de beantwoording van de vraag, welk van deze beginselen in een bepaald geval de voorkeur verdient, tegen elkander moeten worden afgewogen het algemeen belang en de particuliere belangen die in geding zijn, namelijk:

enerzijds het belang van interveniënten, in het bijzonder de omstandigheid, dat zij te goeder trouw mochten aannemen, over het onderhavige schroot geen bijdragen verschuldigd te zijn en dat zij bij het beheer van hun zaken erop konden vertrouwen dat deze toestand zou worden bestendigd;

anderzijds het belang van de Gemeenschap, dat het vereveningssysteem — gegrond op de solidariteit van alle schrootverbruikende ondernemingen — behoorlijk functioneert, waarbij dient te worden vermeden dat de andere heffingplichtigen per saldo de geldelijke gevolgen hebben te dragen van een ten onrechte aan hun concurrenten toegekende vrijstelling;

dat eveneens in aanmerking dient te worden genomen, dat de afrekeningen steeds een voorlopig karakter dragen en dat betaling der achterstallige bijdragen eventueel in gedeelten kan plaatsvinden;

dat overigens volgens het recht van alle Lid-Staten intrekking met terugwerkende kracht algemeen wordt aanvaard, indien de betreffende administratieve handeling op onjuiste of onvolledige aanwijzingen van de betrokkenen berust;

dat het Hof niet wil uitsluiten dat dit beginsel in casu van toepassing is;

dat namelijk zowel uit een verklaring van de vertegenwoordiger van de interveniënte Hoogovens bij de gerechtelijke plaatsopneming door het Hof te IJmuiden als uit het Jaarverslag van Breedband N.V. over 1959 blijkt, dat Breedband ook schroot heeft geleverd aan Hoogovens, dat afviel bij het walsen van staalplakken die niet van Hoogovens afkomstig waren;

dat voorts uit de verklaringen van de vertegenwoordiger van de vennootschap Breda Siderurgica bij de gerechtelijke plaatsopneming door het Hof te Sesto San Giovanni volgt, dat de zusterondernemingen van interveniënte Breda Siderurgica vrij zijn in de keuze van hun staalleveranciers, zodat het schroot dat zij aan Breda Siderurgica leveren niet uitsluitend van het door deze geleverde staal afkomstig is;

Overwegende dat een oordeel over deze feiten alsmede over de afweging der betrokken belangen en bijgevolg de beslissing over het al dan niet met terugwerkende kracht intrekken van de onregelmatige vrijstellingen in de eerste plaats aan de Hoge Autoriteit toekomt;

dat het Hof zich niet in d plaats kan stellen van de Hoge Autoriteit en bijgevolg moet volstaan met de zaak naar de Hoge Autoriteit terug te wijzen opdat zij zich, overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag, van haar taak zal kwijten;

Overwegende dat uit bovenstaande overwegingen voortvloeit dat de bestreden beschikking onwettig is, daar zij berust op de rechtens onjuiste opvatting dat de litigieuze vrijstellingen wettig waren en dat de Hoge Autoriteit niet tot intrekking daarvan bevoegd was;

dat mitsdien deze beschikking behoort te worden nietig verklaard met terugwijzing van de zaak naar de Hoge Autoriteit;

###### II. Het begrip wegens nalaten ingesteld tegen de stilzwijgende weigering tot vaststelling van een nieuw tarief en tot mededeling daarvan aan verzoekster, onder toevoeging van alle noodzakelijke gegevens

Overwegende dat de eventuele intrekking van de litigieuze vrijstellingen voor verweerster de verplichting met zich brengt, het nieuwe basistarief voor de vereveningsheffing vast te stellen, de beschikkingen waarbij verzoekster aanslagen zijn opgelegd te vervangen door nieuwe, op juiste wijze berekende en behoorlijk gemotiveerde beschikkingen, en deze beschikkingen aan verzoekster mede te delen;

dat de diensten van de Hoge Autoriteit echter over een redelijke termijn moeten kunnen beschikken om deze werkzaamheden te verrichten, zodat niet kan worden gesteld dat verweerster gehouden was de gevraagde beschikkingen te geven uiterlijk op de datum, waarop zij geacht wordt de bestreden stilzwijgende beschikking te hebben uitgevaardigd;

dat evenwel de nietigverklaring van de weigering om tot intrekking over te gaan noodzakelijkerwijs de weigering tot correctie van de verschuldigde heffing mede omvat;

dat bijgevolg ook dit deel van de bestreden beschikking behoort te worden nietig verklaard;

Overwegende dat onder deze omstandigheden geen onderzoek behoeft te worden ingesteld naar de andere middelen die verzoekster tegen de bestreden beschikking heeft aangevoerd, te weten détournement de pouvoir, onbevoegdheid en schending van wezenlijke vormvoorschriften;

### KOSTEN

Overwegende dat krachtens artikel 69 paragraaf 2 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de partij, die in het ongelijk is gesteld, in de kosten dient te worden veroordeeld;

dat in casu in de zaak 42-59 verzoekster en in de zaak 49-59 verweerster en interveniënten in het ongelijk zijn gesteld;

dat mitsdien, wat de zaak 42-59 betreft, verzoekster in de kosten behoort te worden verwezen, met inbegrip van de op de interventie gevallen kosten.

dat, wat de zaak 49-59 betreft, verweerster en interveniënten haar eigen kosten behoren te dragen, terwijl verweerster dient te worden veroordeeld in de kosten van verzoekster, met uitzondering van die welke door de interventie zijn ontstaan, en interveniënten in de kosten die voor verzoekster door haar beider interventie zijn ontstaan;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE

Rechtdoende,

In de zaak 42-59:

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt verzoekster in de proceskosten, met inbegrip van die op de interventie gevallen;

In de zaak 49-59:

Vernietigt de stilzwijgende beschikking van de Hoge Autoriteit, waarbij deze geweigerd heeft de aan de interveniënten toegestane vrijstellingen met terugwerkende kracht in te trekken en op grond daarvan de door verzoekster verschuldigde bijdrage vast te stellen en aan haar mede te delen, onder toevoeging van alle gegevens die haar in staat kunnen stellen een behoorlijke controle uit te oefenen op de vaststelling van deze bijdrage;

Wijst de zaak terug naar de Hoge Autoriteit;

Bepaalt dat verweerster en interveniënten haar eigen kosten dragen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van verzoekster met uitzondering van die welke door de interventie zijn ontstaan;

Veroordeelt de interveniënten in de kosten die door haar beider interventie voor verzoekster zijn ontstaan.

Ontzegt het meer of anders gevorderde.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Hof van Justitie C-580/12 12.11.2014

#### [Mededingingsregelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-580-12-arrest)

Conclusie van advocaat-generaal Mazák C-2/08 24.03.2009

#### [Voorrang van gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-2-08-conclusie)

## Rechtsleer

2

Potter Van Loon, J. ; Blaser, P.M.: Influence d'un arrêt de la Cour de justice des Communautés européennes sur la jurisprudence de la Cour de cassation d'un Etat membre, Arbitrale Rechtspraak 1965 p.155-158 (FR)

Blanquet, Marc: 45. Sécurité juridique - Principe de légalité - Principe général du droit - Retrait. CJCE, 22 mars 1961, n° 42 et 49/59 (aff. jtes), Société nouvelle des usines de Pontlieue - Aciéries du Temple (SNUPAT) c/ Haute Autorité de la Communauté européenne du charbon et de l'acier, Les grands arrêts de la Cour de justice de l'Union européenne. Droit constitutionnel et institutionnel de l'Union européenne (Dalloz, 2e édition) 2023, p. 752-759 (FR)
