---
title: "HvJ EU, 41/76, arrest van 15 december 1976 · EEG-Verdrag art. 115 en art. 30"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 december 1976, 41/76: EEG-Verdrag art. 115 en art. 30."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-41-76-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-41-76-arret"
---

# Arrest van het Hof van 15 december 1976, 41/76 · EEG-Verdrag art. 115 en art. 30

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

41/76

**ECLI**

ECLI:EU:C:1976:182

**Datum**

15 december 1976

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Cour d'appel de Douai, 4e chambre correctionnelle (Frankrijk) beslissing van 7 april 1976 244

**Zaak ingediend op**

13 mei 1976

**Advocaat-generaal**

Capotorti

**Opmerkingen**

Franse regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Cour d'appel de Douai, 4e chambre correctionnelle beslissing van 2 november 1977 1043

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1976, blz. 1921

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Pescatore

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Handelspolitiek](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-14) [Nationale beschermende maatregelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-14.03) 3 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02) [Maatregelen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02.02)

    - [Begrip](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02.02.01) 16 beslissingen
    - [In- en uitvoervergunningen, conformiteitscertificaten e.d.](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02.02.03) 12 beslissingen

## Tekst

117 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende 's Hofs Statuut (EEG) ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en de schriftelijke behandeling

De Belgische firma Sackin p.v.b.a., gevestigd te Ledeberg (België), waarvan Donckerwolcke bedrijfsleider is, heeft door tussenkomst van een expediteur in de periode van 23 januari tot 27 oktober 1970 acht partijen weefsels van synthetische vezels (vallende onder post 56.07 A II van het gemeenschappelijk douanetarief) en dertien partijen zakken, vervaardigd uit weefsels van synthetische vezels (vallende onder post 62.03 B II), in Frankrijk ingevoerd.

De Belgische firma Cototextil p.b.v.a., eveneens gevestigd te Ledeberg, waarvan H. Schou administrateur-generaal is, heeft in december 1969 vijf partijen zakken, vervaardigd uit weefsels van synthetische vezels, en in de periode van 1 januari tot 2 juni 1970 nogmaals vier partijen zakken in Frankrijk ingevoerd.

De totale waarde van de importen van de firma Cototextil bedroeg 152618 FF en van de firma Sackin 677491 FF.

Deze importen werden op het douanekantoor Halluin op 30 aangifteformulieren-D 3 ingeklaard voor gebruik in Frankrijk; op de aangifteformulieren werd verklaard dat de waren van oorsprong waren uit de BLEU. Bij de invoer in Frankrijk waren de produkten gedekt door certificaten inzake goederenverkeer volgens het model DD 1, opgesteld overeenkomstig de beschikking van de Commissie van 5 december 1960 betreffende de methoden van administratieve samenwerking inzake de toepassing van artikel 9, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1961, blz. 29).

Bij een onderzoek door de Franse douane, waarvan de resultaten zijn vervat in processen-verbaal van 24 november 1972, 3 en 18 mei 1973, bleek onder meer uit door de Belgische douane verstrekte stukken dat de op verzoek van de firma Sackin ingeklaarde weefsels van oorsprong waren uit Libanon, dat de in 1969 door de firma Cototextil ingeklaarde zakken van oorsprong waren uit Syrië en dat zowel de door Sackin als door Cototextil in 1970 ingeklaarde zakken in België waren vervaardigd van weefsels van oorsprong uit Libanon.

In België waren voor de goederen invoerrechten betaald, zodat zij zich in het vrije verkeer bevonden.

De Franse douane was van mening dat bij de litigieuze importen onjuiste aangifte omtrent de oorsprong was gedaan, zulks in strijd met artikel 95, lid 2, van de Code des douanes, volgens hetwelk de aangifte alle gegevens moet bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de douanebepalingen en de opstelling van douanestatistieken, en bij invoer met name het land van oorsprong en het land van herkomst moet vermelden, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 5, sub 10, van het besluit van de directeur-général des douanes van 1 december 1961, genomen krachtens artikel 95, lid 4, van de Code des douanes. Door deze onjuiste aangifte omtrent de oorsprong hadden betrokkenen de door de Franse douanewetgeving voorgeschreven invoervergunningenprocedure ontdoken (volgens welke procedure die vergunningen overigens automatisch worden afgegeven).

De directie der douane bracht de zaak voor het Tribunal correctionnel te Rijssel, dat bij vonnis van 19 juni 1975 Donckerwolcke en Schou veroordeelde tot één, respectievelijk drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en, hoofdelijk, tot betaling aan de administratie der douane van een bedrag gelijk aan de waarde van de goederen (470043 FF), in plaats van verbeurdverklaring van de niet meer te achterhalen goederen, alsmede tot een boete gelijk aan twee maal die waarde (940086 FF).

Donckerwolcke en Schou gingen van dit vonnis in beroep bij de Cour d'appel te Douai.

De Cour d'appel te Douai (vierde strafkamer) besloot bij interlocutoir arrest van 7 april 1976 het geding te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

1\. Vormt de eis van de invoerende Lid-Staat, dat op het invoerdocument de oorsprong moet worden vermeld van produkten in het vrije verkeer, waarvan het communautaire karakter blijkt uit het gemeenschapscertificaat, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking?

2\. Is een nationale regeling die, met het oog op eventuele toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag, voor de invoer van textielprodukten, afkomstig uit een Lid-Staat waar zij zich in het vrije verkeer bevinden, doch van oorsprong uit een derde land, het aanvragen van een vergunning voorschrift, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking: gedurende de overgangsperiode, na het einde van de overgangsperiode en met name tussen 1 januari en 2 juni 1970?

Het verwijzingsarrest is op 13 mei 1976 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende 's Hofs Statuut (EEG) zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de regering van de Franse Republiek op 13 juli 1976 en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen alsmede door appellanten in het hoofdgeding op 14 juli 1976.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

Donckerwolcke en Schou, appellanten in het hoofdgeding, merken in hoofdzaak het volgende op:

##### a) Ten aanzien van de eerste vraag

De Lid-Staten hebben het recht te verlangen dat importeurs in bepaalde gevallen aangifte ten invoer doen en inklaringsformaliteiten vervullen, doch zulks op voorwaarde dat het land van invoer niet het gebruik van nationale documenten voorschrijft wanneer de gevraagde gegevens ook reeds in de communautaire documenten zijn vermeld, en de nationale procedure in elk geval de invoer niet moeilijker maakt of met extra lasten bezwaart. In het bijzonder moet worden nagegaan of de vereiste vermelding van het land van oorsprong op het aangifteformulier wel in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, zulks gezien het doel dat daarmee wordt nagestreefd: toepassing van douanevoorschriften en opstelling van douanestatistieken.

De produkten waarop het hoofdgeding betrekking heeft, bevonden zich in de Gemeenschap, in het vrije verkeer en vielen derhalve onder de communautaire regeling van het goederenverkeer. Alle voor deze produkten geldende douanevoorschriften moeten dus in overeenstemming zijn met het EEG-Verdrag of althans zijn goedgekeurd door een bevoegd gemeenschapsorgaan. Aangezien het vrije verkeer regel is, moet iedere uitzondering daarop worden gerechtvaardigd en eng worden uitgelegd.

In de jaren 1969-1971 heeft de Commissie Frankrijk nimmer machtiging gegeven deze produkten met toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag van de communautaire regeling uit te zonderen; evenmin heeft Frankrijk eenzijdige maatregelen van deze aard aangemeld. Daar artikel 115 een uitzondering vormt op de algemene, restrictief uit te leggen en toe te passen regeling inzake het vrije goederenverkeer en Frankrijk niet om toepassing ervan heeft gevraagd noch het zelf heeft toegepast, had het niet het recht een douanemaatregel te nemen bestaande in preventief toezicht op het handelsverkeer door controle op de oorsprong der goederen met het oog op eventuele toepassing van bedoeld artikel 115. Een dergelijk controlestelsel kan slechts geoorloofd zijn na verkregen machtiging van de Commissie. Nu het invoerende land, zonder daartoe door de Commissie te zijn gemachtigd, douanevoorschriften heeft toegepast die in strijd zijn .met het beginsel van het vrije verkeer, is het vereiste van vermelding van het land van oorsprong een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking.

Uitoefening van het — onbetwiste — recht van de Lid-Staten om douanestatistieken op te stellen, mag evenwel niet leiden tot schending van de verdragsregels, met name die inzake het vrije goederenverkeer. De restrictieve gevolgen van nationale inklaringsvoorschriften zijn slechts verenigbaar met het Verdrag voor zover zij onmisbaar zijn voor de daarmee beoogde doelen. Wanneer dus een importeur een nationale bepaling betreffende de opstelling van douanestatistieken overtreedt, mag de daarop gestelde sanctie niet onevenredig zijn aan het beoogde doel. In casu evenwel is de in eerste instantie opgelegde boete absoluut onevenredig met de mogelijk begane overtreding. De buitensporige hoogte van deze boete vormt een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking.

De eerste vraag moet dus bevestigend worden beantwoord.

##### b) Ten aanzien van de tweede vraag

Ten aanzien van produkten in het vrije verkeer, die onder de gemeenschapsregeling vallen, blijkt uit 's Hofs arrest van 5 december 1971 (gevoegde zaken 51 tot 54-71, International Fruit Company, Jurispr. 1971, blz. 1107) dat, behoudens de in het gemeenschapsrecht zelf vervatte uitzonderingen, het EEG-Verdrag in de weg staat aan de toepassing, in de intracommunautaire betrekkingen, van een nationale wetgeving waarbij, zij het zuiver formeel, het vereiste van in- of uitvoervergunningen of enig ander soortgelijk middel zou worden gehandhaafd.

Zelfs een zuiver formeel vereiste van een invoervergunning vormt, althans voor wat het tijdvak na het verstrijken van de overgangsperiode betreft, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, het op dergelijke maatregelen betrekking hebbende verbod heeft rechtstreekse werking in de rechtsorde van de Lid-Staten. Wat de toepassing van zodanige maatregel gedurende de overgangsperiode betreft, dient de nationale rechter aan de hand van artikel 31, eerste alinea, EEG-Verdrag vast te stellen of de invoering van een vergunningenstelsel een nieuwe maatregel van gelijke werking is ten opzichte van de stand van de wettelijke regelingen per 1 januari 1958. Is dit het geval, dan is die nieuwe maatregel eveneens in strijd met het Verdrag.

Ook de tweede vraag dient derhalve bevestigend te worden beantwoord, eventueel met een voorbehoud voor wat de overgangsperiode betreft.

De regering van de Franse Republiek merkt in hoofdzaak het volgende op:

##### a) Ten aanzien van de eerste vraag

De nationale bepalingen betreffende de verplichting om bij de invoer van goederen een gedetailleerde aangifte te doen, onder meer met betrekking tot de oorsprong van die goederen, zijn verenigbaar met het EEG-Verdrag.

Het Verdrag bevat geen enkele bepaling inzake de afschaffing van schriftelijke aangiften in de intracommunautaire betrekkingen; evenmin bestaan er bepalingen van afgeleid gemeenschapsrecht, houdende invoering van een vereenvoudigde aangifte in de intracommunautaire betrekkingen; dergelijke bepalingen zouden moeten worden vastgesteld in het kader van een harmonisatiemaatregel als bedoeld in artikel 100 EEG-Verdrag. De nationale bepalingen betreffende douaneformulieren en wat daarop moet worden vermeld, gelden dus volledig voor de litigieuze invoeren. Niet kan worden staande gehouden dat zij maatregelen zijn van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag. Richtlijnen of aanbevelingen dienaangaande als bedoeld in de artikelen 33, lid 7, en 35 zijn er niet.

Het begrip oorsprong heeft in de intracommunautaire betrekkingen zijn betekenis niet verloren.

In het EEG-Verdrag zelf (artikel 9, lid 2) en in talrijke uitvoeringsbepalingen wordt gesproken van produkten welke van oorsprong zijn uit de Lid-Staten; het begrip produkten welke van oorsprong zijn uit andere landen, kan daarom niet in strijd met het Verdrag worden geacht.

Uit het gebruik van de woorden „produkten uit derde landen welke zich … in het vrije verkeer bevinden” in de artikelen 9 en 10 van het Verdrag, kan niet worden afgeleid dat het begrip oorsprong geen betekenis meer zou hebben in de intracommunautaire betrekkingen. Uit verordening nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip oorsprong van goederen (PB L 148 van 1968, blz. 1) blijkt het belang van dit begrip, ook in de intracommunautaire betrekkingen: de verordening wijst op de noodzaak de oorsprong vast te stellen of te controleren met het oog op toepassing van de kwantitatieve beperkingen waaraan goederen in het vrije verkeer op grond van artikel 115 EEG-Verdrag kunnen worden onderworpen.

De vermelding van de oorsprong op de aangifte wordt vereist voor andere doelen dan toepassing van het tariefstelsel; het dient met name om eventuele toepassing van artikel 115 mogelijk te maken. Daarop bepaalt beschikking nr. 71/202 van de Commissie van 12 mei 1971, waarbij de Lid-Staten worden gemachtigd beschermde maatregelen te treffen ten aanzien van de invoer van bepaalde produkten van oorsprong uit derde landen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer zijn gebracht (PB L 121 van 1971, blz. 26), dat „de Lid-Staat van de aanvrager van het invoerdocument kan eisen dat hij de nodige gegevens verstrekt, zoals de omschrijving van het produkt, de oorsprong …”. Het vereiste van vermelding van de oorsprong van het produkt met het oog op het onderzoek van de aanvraag van het invoerdocument brengt mee dat hetzelfde vereiste moet gelden voor de aangifte ten invoer, daar anders het stelsel niet kan werken.

Weliswaar is de beschikking van 12 mei 1971 van latere datum dan de litigieuze feiten, maar er blijkt uit dat de vermelding van oorsprong op de invoerdocu-menten niet in strijd is met het gemeenschapsrecht.

De vermelding van oorsprong is bovendien onmisbaar voor de opstelling van de statistieken betreffende de buitenlandse handel, voor de eventuele toepassing van een aantal bijzondere regelingen en met het oog op de controle van de douanewaarde. Zij behoort tot de door het Verdrag toegestane formaliteiten.

De verplichting om de oorsprong van de produkten op de aangifte — formulieren te vermelden, is dus feitelijk noodzakelijk en volledig in overeenstemming met het recht, inzonderheid wat de artikelen 30 en 115 EEG-Verdrag betreft.

##### b) Ten aanzien van de tweede vraag

Zowel uit de beschikking van de Commissie van 12 mei 1971 als uit 's Hofs arrest van 17 december 1971 (gevoegde zaken 51 tot 54-71, International Fruit Company) blijkt dat de verplichting om bij invoer in een Lid-Staat van produkten in het vrije verkeer, die van oorsprong zijn uit een derde land, een vergunning over te leggen, geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is wanneer dergelijke vergunningen onverwijld en voor alle gevraagde hoeveelheden worden afgegeven. De in Frankrijk uitgeoefende controle vormde dus tijdens noch na de overgangsperiode een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking.

Frankrijk was krachtens artikel 115, tweede alinea, EEG-Verdrag gemachtigd in december 1969 de „vrijwaringsclausule” toe te passen met behulp van nationale maatregelen en onder toezicht van de Commissie. Deze nationale maatregelen bestonden hoofdzakelijk in het vereisen van een vergunning, die werd afgewezen op een aanvraag waarin, voor produkten van oorsprong uit derde landen en afkomstig uit een Lid-Staat, het werkelijke land van oorsprong was vermeld. Voor toepassing van de vrijwaringsclausule was het voldoende dat de Direction générale des douanes et droits indirect de vergunningsaanvraag niet viseerde.

Niet-afgifte van de vergunning was onbetwistbaar gedekt door artikel 115, tweede alinea, mits de maatregel ter kennis was gebracht van de andere Lid-Staten en van de Commissie.

Ook de gevolgde methode was in overeenstemming met artikel 115. Deze methode maakte het mogelijk enerzijds van dag tot dag de ontwikkeling van de importen te volgen nog voordat zij tot stand waren gekomen, en zo de economische gevolgen ervan te voorzien, en anderzijds, waar nodig, op de eenvoudigst denkbare wijze, namelijk door de vergunning niet te viseren, het verbod toe te passen. De Commissie heeft nimmer kritiek op het stelsel uitgeoefend, integendeel, zij schijnt zich erdoor te hebben laten leiden bij de vaststelling van haar beschikking van 12 mei 1971. De toepassing ervan heeft in de praktijk nimmer geleid tot ontoelaatbare vertraging bij de afgifte van vergunningen.

Gedurende de overgangsperiode waren derhalve noch de bepalingen van het Franse stelsel, noch de praktische toepassing ervan vatbaar voor betwisting.

Sedert het einde van de overgangsperiode vinden maatregelen die een juiste uitvoering van de handelspolitiek moeten verzekeren, hun rechtsgrondslag in artikel 115, eerste alinea, EEG-Verdrag. De toepassing van deze bepaling vergde geenszins de voorafgaande publikatie van algemene interpretatieve of uitvoeringsvoorschriften. Beschikking nr. 71/202 van 12 mei 1971 is alleen genomen ter harmonisatie van de gebruiken der Lid-Staten en ter voorkoming van misbruik. Aangenomen moet worden dat de Lid-Staten tussen 1 januari 1970 en 12 mei 1971 door de Commissie waren gemachtigd een document te blijven eisen dat hen in staat stelde preventieve controle uit te oefenen op importen; zodanige controle was het enige middel om toepassing van artikel 115 mogelijk te maken, dankzij voorafgaande berekening van de invoer waarvoor zij gold.

Wanneer beschermende maatregelen geoorloofd waren — behoudens machtiging van de Commissie —, was ook preventieve controle door middel van vergunningen geoorloofd, evenals tijdens de overgangsperiode. Voor deze controlemethode door middel van automatische afgifte van vergunningen heeft de Commissie gekozen in haar beschikking van 12 mei 1971, gewijzigd en aangevuld bij beschikking van 9 maart 1973 (PB L 80 van 1973, blz. 22). Dit stelsel gold reeds voordat de beschikking van 12 mei 1971 werd genomen; het kan niet los worden gezien van de toepassing zowel van de eerste als van de tweede alinea van artikel 115. Bovendien wordt er in de beschikking van 12 mei 1971 op gewezen dat het in het licht van de opgedane ervaring noodzakelijk is gebleken voorafgaand toezicht op de invoer uit te oefenen; deze ervaring kon slechts worden opgedaan gedurende het tijdvak voorafgaande aan de beschikking.

De afgifte van vergunningen ging in feite zeer snel in haar werk opdat, gelet op de geest van de artikelen 30 en 115 EEG-Verdrag en de criteria neergelegd in de beschikking van 12 mei 1971 en in 's Hofs rechtspraak, niet kon worden gezegd dat het stelsel een maatregel was van gelijke werking als een kwantitatieve beperking.

c) Noch de verplichting om op de aangifteformulieren de oorsprong te vermelden, noch die om een invoervergunning aan te vragen voor weefsels van synthetische vezels en daarvan vervaardigde zakken, van oorsprong uit Syrië of Libanon en in België in het vrije verkeer gebracht, vormden dus een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking. Het met het oog op toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag ingestelde controlesysteem om verleggingen van het handelsverkeer vast te stellen en de Lid-Staten de mogelijkheid te bieden zo nodig en met machtiging van de Commissie de nodige beschermende maatregelen te nemen, is een onmisbare voorziening voor een goede werking van de gemeenschappelijke handelspolitiek; zou men eraan tornen, dan kan dit tot ernstige gevolgen leiden.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen wijst erop dat de bepalingen van het EEG-Verdrag inzake de afschaffing van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking tussen de Lid-Staten onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde rechtskracht evenzeer van toepassing zijn op produkten van oorsprong en van herkomst uit de Lid-Staten, als op produkten uit derde landen, die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden. Slechts wanneer afwijkingen van dit beginsel uitdrukkelijk in het gemeenschapsrecht zijn toegestaan, kan een uitzondering worden gemaakt op deze principiële gelijkstelling ten aanzien van het recht op vrij verkeer van enerzijds produkten van oorsprong uit derde landen die zich in het vrije verkeer bevinden, en anderzijds produkten van oorsprong uit de Gemeenschap. Behoudens machtiging van de Commissie overeenkomstig artikel 115 EEG-Verdrag, zijn de Lid-Staten in beginsel niet gerechtigd in het communautaire handelsverkeer afwijkende regelingen te treffen voor enerzijds produkten van oorsprong uit de Gemeenschap en anderzijds produkten van oorsprong of van herkomst uit derde landen, die zich in het vrije verkeer bevinden. Het verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking geldt gelijkelijk voor beide categorieën produkten.

##### a) Ten aanzien van de eerste vraag

Met betrekking tot de verhouding tussen het begrip maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen en de door de Lid-Staten in het intracommunautaire handelsverkeer voorgeschreven douaneformaliteiten voor de inklaring van produkten die tot het vrije verkeer moeten worden toegelaten, zij allereerst opgemerkt dat de communautaire voorschriften tot instelling van administratieve samenwerking met het oog op toepassing van artikel 9 EEG-Verdrag, op zichzelf niet in de weg staan aan de toepassing van andere douaneformaliteiten door de Lid-Staten. Volgens 's Hofs rechtspraak is iedere regeling die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, een door het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, tenzij zij kan worden gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 36 of een andere verdragsbepaling; het verbod van maatregelen van gelijke werking in deze zin leidt echter niet tot niet-toepasselijkheid van de inklaringsformaliteiten, voorzien bij de interne regelingen van elke Lid-Staat, op de invoer in die Staat van goederen in het vrije verkeer en afkomstig uit andere Lid-Staten. In de huidige fase van de totstandbrenging der gemeenschappelijke markt blijven deze formaliteiten en procedures noodzakelijk. Ondanks alle harmonisatiemaatregelen die door de instellingen van de Gemeenschap zijn voltooid of aangevat, gelden voor goederen die zich in elk der Lid-Staten in het verkeer bevinden, nog steeds de verschillende nationale wettelijke of administratieve regelingen, waarvan de toepassing door bepalingen van gemeenschapsrecht worden gerechtvaardigd. Goederen die vanuit een Lid-Staat in een andere worden ingevoerd, blijven, ook wanneer zij aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10, lid 1, EEG-Verdrag voldoen, onderworpen aan de douaneformaliteiten ter toepassing van die bepalingen. Uiteraard vallen inklaringsprocedures onder het verbod van maatregelen van gelijke werking indien hun restrictieve werking verder gaat dan strikt noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het beoogde doel.

Het verzamelen van statistische gegevens betreffende het intracommunautaire handelsverkeer, hetgeen in het algemeen geschiedt bij de vervulling van de voor grensoverschijding vereiste formaliteiten, is geen ingevolge artikel 30 en volgende EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking. Zulke statistieken hebben een rechtmatig doel en het verzamelen van de gegevens is zelfs een verplichting van de Lid-Staten.

Met betrekking tot de verenigbaarheid met het Verdrag van nationale voorschriften betreffende verplichte vermelding van het oorsprongsland op aangiften ten invoer van waren die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden en bestemd zijn voor verbruik in het invoerende land, blijkt — voor zover het de doelen van die voorschriften betreft — dat, afgezien van uitzonderlijke, uitdrukkelijk door het gemeenschapsrecht toegestane beschermende maatregelen, de oorsprong geen enkele rol kan spelen bij de toepassing van douanemaatregelen op goederen in het vrije verkeer. Een verplichte vermelding van oorsprong kan moeilijk anders worden gerechtvaardigd dan met statistische registratie; bovendien moet erop worden gewezen dat volgens verordening nr. 1736/75 van de Raad van 24 juni 1975 betreffende de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap en van de handel tussen de Lid-Staten (PB L 183 van 1975, blz. 3) de oorsprong thans niet meer behoeft te worden vermeld in het „statistisch grondmateriaal bij invoer van goederen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden.”

Ook al was het vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1736/75 de Lid-Staten niet verboden om, voor statistische doeleinden, bij de aangifte ten invoer van goederen uit andere Lid-Staten vermelding van het land van oorsprong te eisen, daarmee is niet gezegd dat dit vereiste in elk geval buiten het verbod van maatregelen van gelijke werking viel, met name mocht dit vereiste in verhouding tot het nagestreefde doel geen al te grote belemmering vormen voor het intracommunautaire handelsverkeer.

Daarbij moet men de verplichte vermelding van het oorsprongsland niet afzonderlijk bezien, doch tevens rekening houden met alle verplichtingen die direct of indirect voor de betrokkenen kunnen voortvloeien uit het al dan niet nakomen van die nationale voorschriften. Zo kan de vaststelling van de oorsprong van de goederen meer inspanning vergen van een de normale zorgvuldigheid betrachtende handelaar dan bij uitsluitend statistische doeleinden van hem mag worden geëist. Zou men degene die aangifte doet, direct of indirect volledig verantwoordelijk stellen voor de juistheid van de verstrekte inlichtingen en zelfs de invoer van de goederen daarvan doen afhangen, dan zou het recht van vrij verkeer daardoor worden gebonden aan een nieuwe, in het gemeenschapsrecht onbekende voorwaarde die een verboden maatregel van gelijke werking vormt. Dit is het geval wanneer de noodzaak om de juistheid van de oorsprongsvermelding te kunnen aantonen, de handelaars rechtens of feitelijk dwingt zich met het oog op de zwaarte der bedreigde straffen vrijwel systematisch en voor elke invoer te voorzien van certificaten van oorsprong. Dit is eveneens het geval wanneer het niet of niet juist vermelden van het land van oorsprong zou worden beschouwd als een „onjuiste aangifte die ten doel en ten gevolge heeft de toepassing van verbodsmaatregelen te ontduiken”, in de zin van artikel 426, lid 2, van de Franse Code des douanes, hetgeen strafrechtelijk gelijk is gesteld met sluikhandel.

In het intracommunautaire handelsverkeer in goederen die zich in het vrije verkeer bevinden, zijn zo zware vereisten eigenlijk alleen toelaatbaar in het uitzonderlijke geval dat de betrokken Lid-Staat, na een beroep op een afwijkingsbepaling van het Verdrag, gemachtigd is het voor ingevoerde produkten geldende regiem te laten afhangen van de oorsprong dier produkten.

##### b) Ten aanzien van de tweede vraag

Het antwoord op deze vraag vloeit duidelijk voort uit 's Hofs arrest van 15 december 1971 (gevoegde zaken 51 tot 54-71, International Fruit Company): behoudens de in het gemeenschapsrecht zelf vervatte uitzonderingen, staan de artikelen 30 en 34, lid 1, van het EEG-Verdrag in de weg aan de toepassing, in de intracommunautaire betrekkingen, van een nationale wettelijke regeling waarbij, zij het zuiver formeel, het vereiste van in- of uitvoervergunningen of enig ander soortgelijk middel zou worden gehandhaafd. De Franse douaneadministratie beroept zich voor haar opvatting tevergeefs op de meer genuanceerde regeling die volgens ditzelfde arrest bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht geldt voor het handelsverkeer met derde landen: het Hof heeft duidelijk onderscheid gemaakt tussen de regeling voor het externe en die voor het intracommunautaire handelsverkeer, waaronder goederen van oorsprong uit derde landen, die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden, evenzeer vallen als goederen van oorsprong uit de Gemeenschap zelf.

Ter rechtvaardiging van een stelsel van invoervergunningen voor produkten van oorsprong uit derde landen, die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden, kon een Lid-Staat op het tijdstip waarop de feiten in geding zich hebben voorgedaan, zich niet meer beroepen op beschikking nr. 71/202 van de Commissie van 12 mei 1971. Deze beschikking dateert van vóór het arrest van het Hof waarin de eraan ten grondslag liggende soepele opvatting van de term „maatregelen van gelijke werking” is afgewezen. In haar beschikking nr. 73/55 van 9 maart 1973 heeft de Commissie deze rechtspraak verwerkt. Toepassing door de Lid-Staten ook van automatisch verleende voorafgaande vergunningen of van iedere andere soortgelijke formaliteit is slechts toegestaan wanneer de Lid-Staten zijn gemachtigd tot het nemen van vrijwaringsmaatregelen krachtens de afwijkingsbepalingen van artikel 115 EEG-Verdrag.

c) Uit de verdragsbepalingen (en met name de artikelen 30, 32, 33, lid 7, en 8, lid 7) vloeit rechtstreeks voort dat het verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking ook in de directe betrekkingen tussen Lid-Staten en particulieren na het verstrijken van de overgangsperiode op 31 december 1969 in volle omvang in werking is getreden. Daarentegen gold in de voorafgaande periode ingevolge de artikelen 31 en 32 EEG-Verdrag het verbod slechts voor de invoering van nieuwe maatregelen van gelijke werking bij invoer en voor de verzwaring van bij de inwerkingtreding van het Verdrag bestaande maatregelen; de verplichting laatstgenoemde maatregelen af te schaffen, had toen nog geen rechtstreekse werking.

d) Volgens de Commissie moeten derhalve de vragen van de Cour d'appel te Douai worden beantwoord als volgt: Tot aan de inwerkingtreding van verordening nr. 1736/75 van de Raad van 24 juni 1975, betreffende de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap en van de handel tussen de Lid-Staten met het oog op de statistische registratie van goederenbewegingen, waren de Lid-Staten bevoegd te bepalen dat de aangifte ten invoer van produkten in het vrije verkeer, die binnen de Gemeenschap werden verhandeld, de vermelding van het land van oorsprong moest bevatten; deze voorwaarde viel evenwel slechts dan niet onder het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen, indien: zij betrekking had op de oorsprong van de produkten, voor zover de tot aangifte gehoudene deze kende of redelijkerwijs kon kennen; de betrokkene de formaliteit achterwege kon laten wanneer hij te goeder trouw onbekend was met de oorsprong der produkten; het in de handel brengen van de produkten in geen geval afhankelijk was gesteld van de vermelding van de oorsprong en de juistheid hiervan; deze vermelding niet meer dan een summier onderzoek naar de oorsprong van de produkten meebracht; de strafbedreiging bij niet-nakoming in redelijke verhouding stond met het zuiver statistische doel van de formaliteit. Verdergaande eisen inzake de controle van de oorsprong van goederen zijn in het intracommunautaire handelsverkeer van goederen in het vrije verkeer slechts toelaatbaar, voor zover zij bij krachtens het Verdrag genomen afwijkingsregelingen zijn toegestaan. Nationale bepalingen krachtens welke voor de invoer van goederen in het vrije verkeer een vergunning moet worden aangevraagd, vormen, ook indien de vergunningen aan elke aanvrager automatisch, kosteloos en onverwijld worden afgegeven, een bij het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, behoudens de in het gemeenschapsrecht zelf voorziene uitzonderingsgevallen. Het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in het intracommunautaire handelsverkeer, voortvloeiende uit de artikelen 30 en 32 EEG-Verdrag, heeft sedert het einde van de overgangsperiode volledige gelding. Deze bepalingen hebben rechtstreekse werking in de rechtsorde van de Lid-Staten en particulieren kunnen daaraan rechten ontlenen die zij vanaf bedoeld tijdstip voor de nationale rechter geldend kunnen maken.

#### III — Mondelinge behandeling

De appellanten in het hoofdgeding, Donckerwolcke en Schou, ten deze vertegenwoordigd door A. M. De Clercq, advocaat te Gent, de regering van de Franse Republiek, ten deze vertegenwoordigd door R. Crebassa, directeur adjoint des douanes et droits indirects, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Amphoux, hebben ter terechtzitting van 27 oktober 1976 mondelinge opmerkingen gemaakt.

Te dezer zitting heeft de regering van de Franse Republiek in het bijzonder de nadruk gelegd op de volgende punten: de beoordeling van nationale strafbepalingen behoort niet tot de taak van de gemeenschapsinstellingen; wat het vrij circuleren van goederen in het vrije verkeer betreft, zijn goederen van oorsprong uit landen van de Gemeenschap gelijkgesteld met goederen van oorsprong uit derde landen, maar dit wil niet zeggen dat zij geacht worden dezelfde oorsprong te hebben; blijkens artikel 42, lid 1, van verordening nr. 1736/75 van de Raad zijn de Lid-Staten bevoegd andere gegevens te verzamelen en uit te werken dan die welke uitdrukkelijk in de artikelen 7 en 11 zijn genoemd; de door de Franse autoriteiten vereiste invoervergunning is uitsluitend bedoeld voor produkten van oorsprong of herkomst uit landen waarvoor de liberalisatieregeling niet geldt, en ten aanzien waarvan men dus over de nodige gegevens moet beschikken om te beoordelen of een der in artikelen 115 EEG-Verdrag bedoelde situaties zich voordoet.

Overwegende dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 november 1976 conclusie heeft genomen;

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de Cour d'appel te Douai bij arrest van 7 april 1976, ingekomen ter griffie op 13 mei 1976, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van de artikelen 9, 30 en 115 EEG-Verdrag, voor zover betrekking hebbende op de afschaffing van de beperkingen van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap ten aanzien van produkten uit derde landen, die in één der Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht;

2. dat blijkens het verwijzingsarrest appellanten in het hoofdgeding, twee in België gevestigde handelaren, in 1969 en 1970 weefsels van synthetische vezels en zakken afkomstig uit Libanon en Syrië, welke produkten regelmatig in België in het vrije verkeer waren gebracht, in Frankrijk hebben ingevoerd onder overlegging van gemeenschapscertificaten volgens het model DD 1, afgegeven door de Belgische douane;

3. dat vaststaat dat deze certificaten, dienende als bewijs dat de waar op regelmatige wijze is toegelaten tot het vrije verkeer in de zin van artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag, geen vermelding bevatten van de eerste oorsprong dier waar;

4. dat de goederen bij invoer in Frankrijk op een Frans douaneformulier volgens het model D 3 zijn aangegeven als goederen afkomstig uit de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, waar zij in het vrije verkeer waren gebracht;

5. dat appellanten, nadat de eerste oorsprong van bedoelde goederen door de Franse autoriteiten was vastgesteld, bij vonnis van 19 juni 1975 van het Tribunal correctionnel te Rijssel wegens overtreding van douanevoorschriften zijn veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van respectievelijk één en drie maanden, een geldboete gelijk aan de waarde van de ingevoerde goederen, in plaats van verbeurdverklaring van deze goederen, die niet meer konden worden achterhaald, alsmede tot een verdere boete gelijk aan tweemaal de waarde van de goederen;

6. Overwegende dat naar uit het dossier blijkt, de Franse wettelijke regeling voor goederen die nog niet onder de gemeenschappelijke handelspolitiek vallen, maatregelen inzake douanecontrole voorziet, ingevolge waarvan de importeur verplicht is om ten aanzien van produkten die zich krachtens de verdragsbepalingen in het vrije verkeer bevinden, op het formulier D 3 niet slechts de Staat waarin zij in het verkeer zijn gebracht, doch ook het land van oorsprong te vermelden;

7. dat deze aangifte, waaraan de afgifte van invoervergunningen is gekoppeld, de nationale autoriteiten in staat stellen de ontwikkeling van de invoer van de goederen die aan die controle zijn onderworpen, te volgen en aldus eventuele verleggingen van het handelsverkeer vast te stellen, zulks met het oog op toepassing — met machtiging van de Commissie — van vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig artikel 115 van het Verdrag;

8.

Overwegende dat de Cour d'appel, gelet op deze feiten en wettelijke bepalingen, de navolgende vragen heeft gesteld:

> 1.„ Vormt de eis van de invoerende Lid-Staat, dat op het invoerdocument de oorsprong moet worden vermeld van produkten in het vrije verkeer, waarvan het communautaire karakter blijkt uit het gemeenschapscertificaat, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking?
>
> 2.Is een nationale regeling die, met het oog op eventuele toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag, voor de invoer van textielprodukten afkomstig uit een Lid-Staat waar zij zich in het vrije verkeer bevinden, doch van oorsprong uit een derde land, het aanvragen van een vergunning voorschrijft, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking:
>
> a) gedurende de overgangsperiode;
>
> b) na het einde van de overgangsperiode en met name tussen 1 januari en 2 juni 1970?”

9. dat deze vragen allereerst moeten worden onderzocht in het licht van de voorschriften die na het einde van de overgangsperiode golden;

#### Ten aanzien van de regeling na de overgangsperiode

10. Overwegende dat de gestelde vragen betrekking hebben op de regeling geldende voor produkten van oorsprong uit derde landen, die nog niet onder de bepalingen van de gemeenschappelijke handelspolitiek vallen en die, na in een Lid-Staat in het vrije verkeer te zijn gebracht, weer naar een andere Lid-Staat worden uitgevoerd;

11. dat met name wordt gevraagd of controlemaatregelen die door de invoerende Staat eenzijdig zijn vastgesteld voordat krachtens artikel 115, eerste alinea, EEG-Verdrag in een afwijking van de voorschriften betreffende het vrije intracommunautaire verkeer is bewilligd, verenigbaar zijn met het Verdrag;

12. dat de litigieuze controlemaatregelen bestaan in het verlenen van een invoervergunning op de aangifte van de importeur, die daarbij de eerste oorsprong van de ingevoerde goederen moet vermelden;

13. Overwegende dat het antwoord op deze vragen moet worden gevonden in de verdragsbepalingen inzake de douane-unie en de daarmee nauw verband houdende bepalingen inzake de gemeenschappelijke handelspolitiek;

14. Overwegende dat volgens artikel 9 EEG-Verdrag de Gemeenschap is gegrondvest op een douane-unie welke zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer tussen de Lid-Staten;

15. dat volgens het tweede lid van dit artikel de maatregelen ter liberalisatie van het intracommunautaire handelsverkeer evenzeer van toepassing zijn op produkten van oorsprong uit de Lid-Staten als op produkten uit derde landen welke zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden;

16. dat onder produkten in het vrije verkeer zijn te verstaan de produkten uit derde landen die, in overeenstemming met de in artikel 10 gestelde voorwaarden, regelmatig in één der Lid-Staten zijn ingevoerd;

17. dat blijkens artikel 9, voor wat het recht op vrij circuleren binnen de Gemeenschap betreft, produkten in het vrije verkeer definitief en volledig zijn gelijkgesteld met produkten van oorsprong uit de Lid-Staten;

18. dat deze gelijkstelling meebrengt dat de bepalingen van artikel 30 inzake de afschaffing van kwantitatieve beperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zonder onderscheid gelden voor produkten van oorsprong uit de Gemeenschap en voor produkten welke, ongeacht hun oorsprong, in één der Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht;

19. dat iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is te beschouwen;

20. dat deze bepaling in de weg staat aan de toepassing, in de intracommunautaire betrekkingen, van een nationale wetgeving waarbij, zij het zuiver formeel, het vereiste van in- of uitvoervergunningen of enig soortgelijk middel zou worden gehandhaafd;

21. dat artikel 9, lid 2, voorts iedere administratieve handelwijze verbiedt die leidt tot toepassing van verschillende regelingen voor het goederenverkeer, al naar gelang de produkten van oorsprong zij uit de Gemeenschap, dan wel uit derde landen en in één der Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht, daar de regeling betreffende het vrije verkeer zonder onderscheid voor beide groepen van produkten geldt;

22. dat bijgevolg het certificaat DD 1, ingesteld bij beschikking van de Commissie van 5 december 1960 (PB 1961, blz. 29) en af te geven voor goederen die voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van de verdragsbepalingen inzake de afschaffing van de douanerechten en kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking, geen vermelding bevat inzake de oorsprong van de produkten;

23. dat dit certificaat in het stelsel van het gemeenschapsrecht op zichzelf en zonder enige nadere nationale maatregel de betrokkene het recht van vrij verkeer van de goederen waarvoor het is afgegeven, moet waarborgen;

24. Overwegende evenwel dat blijkens het stelsel van het Verdrag de toepassing van bovengenoemde beginselen afhankelijk is van de invoering van een gemeenschappelijke handelspolitiek;

25. dat de gelijkstelling van goederen in het vrije verkeer met produkten van oorsprong uit de Lid-Staten haar volledige werking slechts kan hebben indien voor deze goederen, ongeacht in welke Staat zij in het vrije verkeer zijn gebracht, dezelfde douanerechtelijke en commerciële invoervoorwaarden gelden;

26. dat volgens artikel 113 van het EEG-Verdrag deze eenwording na afloop van de overgangsperiode had moeten zijn verwezenlijkt, in het belang van de totstandbrenging van een gemeenschappelijke handelspolitiek gegrond op eenvormige beginselen;

27. dat de onvolkomenheid van de gemeenschappelijke handelspolitiek na het einde van de overgangsperiode te zamen met andere omstandigheden ertoe leidt dat tussen de Lid-Staten dispariteiten op handelspolitiek gebied blijven bestaan, die oorzaak kunnen zijn van verkeersverleggingen en van economische moeilijkheden in sommige Lid-Staten;

28. dat dergelijke moeilijkheden kunnen worden overwonnen door toepassing van artikel 115, dat de Commissie bevoegd verklaart de Lid-Staten te machtigen beschermende maatregelen te nemen, met name in de vorm van afwijking van het beginsel van het vrije verkeer, binnen de Gemeenschap, van produkten van oorsprong uit derde landen, die in een der Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht;

29. dat evenwel de afwijkingen die ingevolge artikel 115 mogelijk zijn,-niet slechts een uitzondering vormen op de voor de werking van de gemeenschappelijke markt fundamentele bepalingen van de artikelen 9 en 30 EEG-Verdrag, doch ook een belemmering voor de totstandbrenging van de in artikel 113 bedoelde gemeenschappelijke handelspolitiek, en derhalve strikt moeten worden uitgelegd en toegepast;

30. dat in het licht van deze uitlegging moet worden nagegaan in hoeverre de hierboven gekenschetste controlemaatregelen verenigbaar zijn met de voorschriften betreffende het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap;

31. dat met betrekking tot het toepassingsgebied van deze bepalingen er vooreerst op dient gewezen dat ingevolge artikel 115 slechts op grond van overeenkomstig het Verdrag genomen handelspolitieke maatregelen van de Staat van invoer grenzen kunnen worden gesteld aan het vrij circuleren, binnen de Gemeenschap, van goederen in het vrije verkeer;

32. dat, waar krachtens artikel 113, lid 1, de bevoegdheid op het gebied van de handelspolitiek volledig is overgedragen aan de Gemeenschap, nationale handelspolitieke maatregelen na afloop van de overgangsperiode in feite slechts toelaatbaar zijn wanneer de Gemeenschap daartoe een bijzondere machtiging heeft verleend;

33. dat het de Lid-Staten binnen het aldus geschetste kader niet verboden is, zelfs met betrekking tot goederen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer zijn gebracht en die zijn gedekt door een communautair verkeerscertificaat, de importeur te verplichten de eerste oorsprong der goederen te vermelden;

34. dat daarbij moet worden erkend dat kennis van die oorsprong noodzakelijk is zowel voor de betrokken Lid-Staat, om de draagwijdte van eventuele handelspolitieke maatregelen die hij overeenkomstig het Verdrag mag nemen, te kunnen bepalen, als voor de Commissie, met het oog op de uitoefening van het haar bij artikel 115 voorbehouden controle- en beslissingsrecht;

35. dat evenwel de Lid-Staten van de importeur niet meer kunnen vergen dan vermelding van de oorsprong van de produkten, voor zover deze hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn;

36. dat voorts niet-nakoming door de importeur van zijn verplichting om de eerste oorsprong van een waar te vermelden, niet mag leiden tot toepassing van straffen die onevenredig zijn aan de ernst van zo een zuiver administratieve overtreding;

37. dat verbeurdverklaring van de goederen of oplegging van een boete waarvan de hoogte afhankelijk is van de waarde der goederen, stellig onverenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag, aangezien dat zou neerkomen op belemmering van het vrije goederenverkeer;

38. dat in het algemeen iedere administratieve of strafrechtelijke maatregel die verder gaat dan voor de invoerende Lid-Staat strikt noodzakelijk is ter verkrijging van redelijk volledige en juiste gegevens betreffende goederenbewegingen waarvoor bijzondere handelspolitieke maatregelen gelden, moet worden beschouwd als een bij het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking;

39. dat a fortiori het vereiste van een invoervergunning bij invoer in een Lid-Staat van goederen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer zijn gebracht, onverenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag, zolang de Commissie niet krachtens artikel 115, eerste alinea, tweede zin, een afwijkende regeling voor die goederen heeft toegestaan;

40. dat dienvolgens het bij wijze van conservatoire maatregel weigeren van een invoervergunning, zulks met het oog op eventuele toepassing van artikel 115, een beperking vormt die onverenigbaar is met artikel 30 EEG-Verdrag;

41. Overwegende dat derhalve op de eerste vraag dient te worden geantwoord, dat de eis van de invoerende Lid-Staat dat op het invoerdocument het land van oorsprong moet worden vermeld van produkten in het vrije verkeer, waarvan het communautaire karakter blijkt uit het gemeenschapscertificaat, op zichzelf geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt, mits het goederen betreft waarvoor die Staat overeenkomstig het Verdrag handelspolitieke maatregelen heeft genomen;

42. dat echter zodanige eis onder het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag valt indien van de importeur wordt verlangd met betrekking tot de oorsprong iets anders te vermelden dan hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn, of indien op het niet of niet juist vermelden van de oorsprong straffen zijn gesteld die onevenredig zijn aan een overtreding van zuiver administratieve aard;

43. dat op de tweede vraag dient te worden geantwoord, dat een nationale wettelijke regeling die, met het oog op eventuele toepassing in de toekomst van artikel 115 EEG-Verdrag, voor de invoer van produkten afkomstig uit een Lid-Staat waar zij zich in het vrije verkeer bevinden, doch van oorsprong uit een derde land, de afgifte van een vergunning vereist, onder alle omstandigheden een bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden kwantitatieve beperking vormt;

#### Ten aanzien van de regeling gedurende de overgangsperiode

44. Overwegende dat de nationale rechter in verband met het feit dat de importen die tot de veroordeling van appellanten hebben geleid, ten dele vóór het einde van de overgangsperiode op 1 januari 1970 hebben plaatsgevonden, voorts vraagt in hoeverre gedurende deze periode een nationale regeling die, met het oog op eventuele toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag, voor de invoer van produkten afkomstig uit een Lid-Staat waar zij zich in het vrije verkeer bevinden, doch van oorsprong uit een derde land, het aanvragen van een vergunning voorschrijft, een maatregel is van gelijke werking als een kwantitatieve beperking;

45. Overwegende dat ingevolge de artikelen 30 tot 35 juncto artikel 8, lid 7, EEG-Verdrag, de kwantitatieve beperkingen en alle maatregelen van gelijke werking in het intracommunautaire handelsverkeer gedurende de overgangsperiode geleidelijk moesten worden afgeschaft, dusdanig dat de afschaffing aan het einde van de overgangsperiode moest zijn voltooid;

46. dat de Lid-Staten tot het einde van die periode derhalve het recht hadden nog enkele beperkende maatregelen in het intracommunautaire handelsverkeer te handhaven;

47. dat het Verdrag voor diezelfde periode nog niet de totstandbrenging van een gemeenschappelijke handelspolitiek ten doel had gesteld, zodat dispariteiten in het beleid van de verschillende Lid-Staten op het gebied van de buitenlandse handel wettiglijk konden voortbestaan;

48. dat artikel 115, tweede alinea, in overeenstemming met de geest van genoemde bepalingen, de Lid-Staten toestond gedurende de overgangsperiode in dringende gevallen de noodzakelijke maatregelen te nemen om verlegging van het handelsverkeer te voorkomen, mits zij de overige Lid-Staten en de Commissie daarvan in kennis stelden en onverminderd het recht van de Commissie wijziging of opheffing van de eenzijdig genomen maatregelen te verlangen;

49. dat derhalve de verplichting voor de importeur van een in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer gebrachte waar om eventueel een invoervergunning aan te vragen, in beginsel verenigbaar lijkt te zijn met het gemeenschapsrecht in zijn toenmalige ontwikkelingsstadium;

50. Overwegende evenwel dat de Lid-Staten gedurende bedoeld tijdvak ten deze geen volledige vrijheid genoten;

51. dat ingevolge artikel 31 en 32 EEG-Verdrag zij zich immers ervan dienden te onthouden nieuwe kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking in te voeren of de op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Verdrag bestaande regelingen beperkender te maken;

52. dat het dus op de weg van de nationale rechter ligt na te gaan of de maatregelen golden op het tijdstip van de litigieuze importen — voor zover deze voor het einde van de overgangsperiode hebben plaatsgevonden —, eventueel beperkender waren dan die welke bij de inwerkingtreding van het Verdrag op 1 januari 1958 bestonden;

53. Overwegende dat derhalve op de gestelde vraag moet worden geantwoord dat gedurende de overgangsperiode een nationale regeling die, met het oog op eventuele toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag, voor de invoer van produkten afkomstig uit een Lid-Staat waar zij zich in het vrije verkeer bevonden, doch van oorsprong uit een derde land, het aanvragen van een vergunning voorschrijft, geen door het Verdrag verboden kwantitatieve beperking was, voor zover dit vereiste geen verzwaring vormde van de regeling die gold bij de inwerkingtreding van het Verdrag;

#### Ten aanzien van de kosten

54. Overwegende dat de kosten, door de regering van de Franse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

55. dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de Cour d'appel te Douai over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Cour d'appel te Douai bij arrest van 7 april 1976 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. De eis van de invoerende Lid-Staat dat op het invoerdocument het land van oorsprong moet worden vermeld van produkten in het vrije verkeer, waarvan het communautaire karakter blijkt uit het gemeenschapscertificaat, is op zichzelf geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, mits het goederen betreft waarvoor die Staat overeenkomstig het Verdrag handelspolitieke maatregelen heeft genomen. Zodanige eis valt echter onder het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag indien van de importeur wordt verlangd met betrekking tot de oorsprong iets anders te vermelden dan hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn, of indien op het niet of niet juist vermelden van de oorsprong straffen zijn gesteld die onevenredig zijn aan een overtreding van zuiver administratieve aard.

2\. Een nationale wettelijke regeling die, met het oog op eventuele toepassing in de toekomst van artikel 115 EEG-Verdrag, voor de invoer van produkten afkomstig uit een Lid-Staat waar zij zich in het vrije verkeer bevinden, doch van oorsprong uit een derde land, de afgifte van een vergunning vereist, vormt onder alle omstandigheden een bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden kwantitatieve beperking. Gedurende de overgangsperiode was een nationale regeling die, met het oog op eventuele toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag, voor de invoer van produkten afkomstig uit een Lid-Staat waar zij zich in het vrije verkeer bevonden, doch van oorsprong uit een derde land, het aanvragen van een vergunning voorschrijft, geen door het Verdrag verboden kwantitatieve beperking, voor zover dit vereiste geen verzwaring vormde van de regeling die gold bij de inwerkingtreding van het Verdrag.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

12

EEG-Verdrag art. 115 uitgelegd 20 voorkomens

EEG-Verdrag art. 30 uitgelegd 13 voorkomens

EEG-Verdrag art. 9 8 voorkomens

EEG-Verdrag art. 31 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 32 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 10 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 100 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 113 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 34 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 8 1 voorkomen

verordening 1736/75 art. 42 1 voorkomen

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Hof van Justitie C-525/14 22.09.2016

#### [Vrij verkeer van goederen, kwantitatieve invoerbeperkingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-525-14-arrest)

Conclusie van advocaat-generaal Jacobs C-312/91 22.04.1993

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 36](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-312-91-conclusie)

## Rechtsleer

2

Usher, John A.: National Non-Tariff Restrictions at the External Borders of the Community: Towards Community Control?, European Law Review 1977 p.304-307

Schmidt, Gerold: Europarecht 1977 p.263-271
