---
title: "HvJ EU, 40/73 e.a., arrest van 16 december 1975 · Verordening 99/63 art. 4, verordening 1009/67 art. 34"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 december 1975, 40/73 e.a.: verordening 99/63 art. 4, verordening 1009/67 art. 34."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-40-73-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-40-73-arret"
---

# Arrest van het Hof van 16 december 1975, 40/73 e.a. · Verordening 99/63 art. 4, verordening 1009/67 art. 34

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaken**

40/73, 50/73, 111/73, 113/73, 114/73

**ECLI**

ECLI:EU:C:1975:174

**Datum**

16 december 1975

## De zaak

**Zaak ingediend op**

12 maart 1973

**Advocaat-generaal**

Mayras

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits, Frans, Italiaans, Nederlands

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1975, blz. 1663

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Kutscher

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Algemene en slotbepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-28) 14 beslissingen
  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03)

    - [Algemeen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.00) [Mededingingsregels](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.00.03) 4 beslissingen
    - [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Suiker](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.11)

      - [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.11.02) Uitvoerregeling
      - [Intracommunautaire markt](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.11.01)

        - [Denaturering voor voederdoeleinden](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.11.01.05) 2 beslissingen
        - [Prijzenstelsel](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.11.01.01) 2 beslissingen
  - [Mededinging](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07%2C578-4.08)

    - [Algemeen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.00) [Begrip onderneming](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.00.06) 19 beslissingen
    - [Machtspositie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.02%2C578-4.08.02)

      - [Bepaling van de relevante markt](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.02.02%2C578-4.08.02.02) [Geografische markt](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.02.02.02%2C578-4.08.02.02.02) 3 beslissingen
      - [Misbruik](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.02.04%2C578-4.08.02.04) [Misbruik: voorbeelden](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.02.04.02) 11 beslissingen
    - [Mededingingsregelingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.01%2C578-4.08.01) [Verbod van mededingingsregelingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.01.01) [Overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen \* Overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.01.01.01) 12 beslissingen
    - [Toepassing van de mededingingsregels](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.03%2C578-4.08.03) [Procedure voor de toepassing van de mededingingsregels door de Commissie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.03.02%2C578-4.08.03.02)

      - [Beschikking van de Commissie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.03.02.08%2C578-4.08.03.02.08) 5 beslissingen
      - [Boeten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.03.02.09) [Vaststelling van het boetebedrag](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-07.03.02.09.02) 6 beslissingen

## Tekst

2334 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

##### 1. De verordeningen van de Gemeenschap in het algemeen

A — Op 18 december 1967 heeft de Raad verordening nr. 1009/67 vastge steld, die op 1 juli 1968 van kracht is geworden; zij is met name van toepassing op witte en ruwe beetwortelsuiker en rietsuiker alsook op suikerbieten en suikerriet (artikel 1). Volgens de negende overweging van de considerans was de suikerproduktie in de Gemeenschap herhaaldelijk groter geweest dan het verbruik, weshalve voor een overgangsperiode in maatregelen tot beperking dier produktie diende te worden voorzien. In de artikelen 2 en 3 worden voor het gebied van de Gemeenschap met het grootste overschot onderscheidenlijk voor andere gebieden de vaststelling van een richtprijs en een interventieprijs voor witte suiker onderscheidenlijk de vaststelling van afgeleide interventieprijzen voorzien. In de uitvoeringsverordeningen (vgl. bij voorbeeld artikel 1 en de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 430/68; artikel 2 van verordening nr. 432/68) worden bepaalde departementen in Noord-Frankrijk als het gebied met het grootste overschot beschouwd; wordt voor dit gebied een 5 % beneden de richtprijs gelegen interventieprijs vastgesteld; worden voor de overige gebieden van de Gemeenschap afgeleide interventieprijzen vastgesteld die alleen voor Italië en de Franse overzeese departementen van voormelde interventieprijs verschillen. Volgens artikel 9, lid 1, zijn de nationale interventiebureaus in beginsel verplicht de hun aangeboden suiker tegen de interventieprijs te kopen. Blijkens artikel 10 mogen zij deze suiker, behoudens in bepaalde in dit artikel met. name genoemde gevallen, slechts vekopen tegen prijzen die hoger zijn dan de interventieprijs. Krachtens artikel 4 juncto artikel 5 wordt er jaarlijks voor ieder produktiegebied van bietsuiker waarvoor een interventieprijs is bepaald, een minimumprijs voor suikerbieten vastgesteld; de fabrikanten zijn dan verplicht ten minste die prijs te betalen. In artikel 12 is de jaarlijkse vaststelling van een drempelprijs voorzien. Volgens artikel 14 wordt er bij invoer van suiker een heffing toegepast gelijk aan de drempelprijs, verminderd met de cif-prijs; deze laatste wordt berekend naar de gunstigste wereldmarktprijs (artikel 13, lid 1). In de tot 1 juli 1975 geldende artikelen 23 en 24 worden de basishoeveelheden voor iedere Lid-Staat vastgesteld, met bepaling dat de onderscheiden Lid-Staten op basis daarvan voor iedere op hun grondgebied gevestigde suikerproducerende fabriek of onderneming een basisquotum en, naar gelang van dit basisquotum, een maximumquotum vaststellen. Op de hoeveelheid geproduceerde suiker welke tussen het basisquotum en het maximumquotum ligt, heffen de Lidstaten ten laste van de betrokken fabrikant een produktieheffing (artikel 27). De gedurende een bepaald verkoopseizoen geproduceerde hoeveelheid suiker die het maximumquotum overschrijdt mag in beginsel niet op de markt van de Gemeenschap worden afgezet (artikel 25). Volgens artikel 9, lid 2, kunnen de interventiebureaus denatureringspremies verlenen voor suiker die ongeschikt gemaakt is voor menselijke consumptie. Naar luid van artikel 17 kan bij uitvoer naar derde landen het verschil tussen de noteringen of prijzen op de wereldmarkt en de prijzen van de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie (vgl. voor de ter uitvoering van deze bepaling genomen maatregelen: infra, C). Er wordt echter geen restitutie verleend wegens de afzet van de hoeveelheid die het maximumquotum overschrijdt (artikel 25, lid 2). Om te voorkomen dat de suikergebruikende chemische industrie in de Gemeenschap ten opzichte van haar concurrenten in derde landen wordt benadeeld of de voorkeur geeft aan uit die landen geïmporteerde suiker (vgl. vijfde overweging van de considerans), heeft men in artikel 9, lid 6, voor de door die industrie gebruikte suiker de toekenning van een „restitutie bij de produktie” voorzien; aan deze bepaling is in dier voege uitvoering gegeven dat de chemische industrie een premie ontvangt welke de prijs van de door haar gekochte suiker terugbrengt tot het niveau van de wereldmarkt (vgl. verordening nr. 765/68 van de Raad, PB nr. L 143, blz. 1). Artikel 35, lid 1, verbiedt in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap de toepassing van douanerechten, kwantitatie ve beperkingen en heffingen van gelijke werking alsook een beroep op artikel 44 van het Verdrag. Artikel 36 verklaart, behoudens in de verordening voorkomende andersluidende bepalingen, de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag — waarin aan de Lid-Staten het nemen van bepaalde steunmaatregelen wordt verboden — van toepassing.

B — Krachtens artikel 17 van verordening nr. 1009/67 zijn bij de eveneens op 1 juli 1968 in werking getreden verordening nr. 766/68 algemene voorschriften inzake de restitutie bij de uitvoer van suiker vastgesteld. Volgens die verordening worden ter bepaling van de restitutie twee systemen toegepast, periodieke vaststelling (elke twee weken; artikel 2) en vaststelling door openbare inschrijving (artikel 4); het eerste heeft onmiddellijk toepassing gevonden, het tweede pas sedert het verkoopseizoen 1969/1970 — en bovendien alleen gelijktijdig met het eerste —. De restituties waartoe toepassing van het eerste systeem leidde, waren in de regel lager. Volgens genoemd artikel 4 heeft de openbare inschrijving betrekking op het bedrag van de restitutie en gaan de bevoegde instanties der Lid-Staten ertoe over „krachtens een alle Lid-Staten bindend besluit”, waarbij de voorwaarden der inschrijving worden vastgesteld. Die voorwaarden moeten alle in de Gemeenschap gevestigde personen gelijkelijk toegang waarborgen en behelzen een termijn voor de indiening van de aanbiedingen. Binnen drie werkdagen na afloop daarvan wordt door de Commissie, het Comité van beheer gehoord, op basis van de binnengekomen aanbiedingen een maximumbedrag voor de restitutie vastgesteld. Wanneer het in de aanbieding genoemde bedrag hoger is dan het vastgestelde maximumbedrag, wordt de aanbieding door de nationale instanties afgewezen; zo niet, dan is de restitutie de in de aanbieding genoemde. Voor de berekening van het maximumbedrag wordt rekening gehouden met de voorzienings en prijssituatie in de Gemeenschap, de prijzen en de afzetmogelijkheden op de wereldmarkt en de kosten van de uitvoer van suiker. Krachtens artikel 5 van verordening nr. 839/68, vastgesteld op grondslag van — en in werking getreden op dezelfde dag als — de verordeningen nrs. 1009/67 en 766/68, wordt de toewijzing gegund aan iedere aanbieder wiens bod het maximumbedrag niet overschrijdt; er wordt echter een ander systeem toegepast wanneer er voor de inschrijving een maximumhoeveelheid is vastgesteld. Volgens artikel 6 van deze verordening geeft de toewijzing recht op de afgifte van een uitvoercertificaat waarin de hoeveelheid en het bedrag der restitutie worden vermeld. Sedert het verkoopseizoen 1969/1970 zijn er bij verordeningen van de Commissie met name voor witte suiker permanente openbare inschrijvingen opengesteld. In het kader van deze inschrijvingen konden de ondernemingen wekelijks aanbiedingen doen met vermelding van het restitutiebedrag en de gewenste hoeveelheid; een gedeeltelijke toewijzing vond eenmaal per week plaats. Per 5 maart 1970 is verordening nr. 839/68 door verordening nr. 394/70 vervangen. Volgens artikel 6, lid 1, dezer verordening kan in plaats van vaststelling van een maximumbedrag worden besloten aan een inschrijving geen gevolg te geven (vgl. achtste overweging van de considerans). In de overige bepalingen van het artikel wordt artikel 5 van verordening nr. 839/68 in hoofdzaak overgenomen.

##### 2. De communautaire en nationale regeling welke inzonderheid de Italiaanse suikertnarkt betreft

###### A — Inhoud van de communautaire regeling

Krachtens artikel 3 van verordening nr. 1009/67 zijn er voor Italië afgeleide interventieprijzen vastgesteld welke de interventieprijs geldende in de overige Lid-Staten ongeveer 5 % te boven gaan (verordening nr. 432/68).

In artikel 34 van verordening nr. 1009/67 wordt Italië, in afwijking van artikel 36, gemachtigd om tot en met 1974/1975, aan haar suikerbietenproducenten en aan haar bietenverwerkende industrie (hetgeen wil zeggen: aan de suikerindustrie) een aanpassingssteun toe te kennen. Deze steun mag niet meer bedragen dan een bepaald bedrag per ton suikerbieten of per 100 kg witte suiker; zij mag slechts worden verleend voor binnen het basisquotum blijvende hoeveelheden. In de veertiende overweging van de considerans wordt dienaangaande gesteld „dat … de produktie van suikerbieten en van suiker in Italië benadeeld wordt door klimatologische factoren en wat de suikerbietenproduktiebetrefteveneens door de moeilijkheden welke het toepassen van moderne produktiemethoden met zich brengt” en „dat voor deze produktie de mogelijkheid dient te worden geschapen tijdelijke steun te verlenen”.

In artikel 1 van verordening (EEG) nr. 457/68 van de Commissie van 11 april 1968 (PB nr. L 91, blz 23) betreffende de uitvoer van de excedentaire hoeveelheid suiker in Italië is bepaald dat Italië vóór 1 juli 1969 een bepaalde hoeveelheid suiker zonder restitutie naar derde landen zou uitvoeren en daarvoor volgens nationale voorschriften steun kon toekennen.

###### B — Inhoud van de Italiaanse regeling

a) Vóór 1 juli 1968, dag van inwerkingtreding van verordening nr. 1009/67, had het „Comitato interministeriale dei prezzi” (Interministerieel comité voor de prijzen, hierna te noemen „CIP”): meermalen, laatstelijk bij beschikking („provvedimento”) nr. 1119 van 6 augustus 1965 (Gazzetta Ufficiale nr. 197 van 7 augustus 1965, blz. 3762), voor tot voeding bestemde suiker maximumprijzen zowel voor de verkopen franco fabriek door de producent als voor verkoop voor consumptie vastgesteld; bij besluiten van 1948, 1957 en 1963 drie „egalisatiekassen” ingesteld voor onderscheidenlijk vervoer van suiker „passieve suikerbelangen” en de prijs van ingevoerde suiker.

b) Op 22 juni 1968 nam het CIP beschikking nr. 1195 (Gazzetta Ufficiale nr. 162 van 27 juni 1968, blz. 4057, waarin (c.q. waarbij) onder meer wordt verwezen naar 's Raads verordeningen nrs. 1009/67 en 432/68; met name wordt overwogen: dat van de drie hiervoor sub a) genoemde egalisatiekassen de beide eerste op 30 juni 1968 buiten werking zouden moeten worden gesteld, terwijl de laatste, ingesteld om in het belang van de consument de suikerprijs in Italië ongewijzigd te kunnen handhaven, een tekort vertoonde dat door de consument moest worden gedragen; dat de vroeger door het CIP vastgestelde prijzen franco fabriek hoger zijn dan de prijzen voorzien in de communautaire verordeningen; dat men om het hoofd te kunnen bieden aan de hogere kosten der Italiaanse suiker en de nodige aanpassingen mogelijk te maken, in artikel 34 van verordening nr. 1009/67 Italië heeft gemachtigd tot toekenning van bepaalde steunbedragen; dat tot de kosten aan vervaardiging van Italiaanse suiker verbonden mede behoort de „imposta generale sull'entrata” (IGE) op de aankoop van suikerbieten en de wegens vervoer van suikerbieten geheven belasting, welke lasten niet zijn begrepen in de prijzen voorzien in de verordeningen van de Gemeenschap; dat men aan de noodzaak der gezamenlijke hiermede samenhangende „vereveningen” het hoofd zou kunnen bieden „door gebruik te maken van het verschil tussen de in Italië geldende koersen (quotazioni) en de nieuwe koersen van de Gemeenschap en wel in dier voege dat het door middel van bedoeld bedrag tot een op suiker toe te passen toeslag („sovrapprezzo”) zou kunnen komen”; dat de Italiaanse wet het CIP toestond „die vereveningen met behulp van een egalisatiekas te doen geschieden”; „dat vorenbedoelde egalisatieen vereveningshandelingen met het oog op een geleidelijke integratie van de Italiaanse suikereconomie in die van de Gemeenschap onontbeerlijk zijn”; beschikking nr. 1119 is ingetrokken met vermelding van de door de Gemeenschap vastgestelde interventieprijzen (dispositief, nr. 1); de „Cassa conguaglio zucchero” (Egalisatiekas voor suiker, hierna te noemen „Ccz”) is ingesteld en met na te melden vereveningshandelingen belast (dispositief, nr. 3); is bepaald dat de. Ccz zou worden gefinancierd door een toeslag („sovrapprezzo”) van 23 lire per kg op „nationale” en ingevoerde witte suiker, ongeacht kwaliteit en type; wat „nationale” suiker betreft moest die toeslag „door de suikerproducenten worden toegepast bij de handeling waardoor de waar voor consumptie beschikbaar wordt gesteld …” (eveneens bij vetkoop aan het interventiebureau) en door de producent worden afgedragen; op ingevoerde suiker zou de „sovrapprezzo” door de douane worden geheven (dispositief nr. 9, letters a) en b)); is bepaald (dispositief, nr. 6) dat de inkomsten van de kas zouden worden bestemd voor: steun („integrazione”) aan producenten en verwerkers van suikerbieten „op grondslag van artikel 34 van verordening nr. 1009/67”; steun aan de gezamenlijke verwerkers van suikerbieten langs de weg van teruggave van de IGE op de aankoop voor suikerbieten en de wegens vervoer van suikerbieten geheven belasting; steun met betrekking tot de kosten van opslag van het produktieoverschot van het seizoen 1967/1968 en de „verliezen bij uitvoer \[van het produktie-overschot aan witte suiker van het seizoen 1967/1968\], te verlenen tot 1 juli 1969 (verordening nr. 457/68 van 11 april 1968)”; steun aan de suikerproducenten wegens een betaling die zij krachtens een vroeger Italiaans decreet aan de producenten van suikerbieten hadden te voldoen; steun bij de financiële sanering (ripianamento) van de handelingen der egalisatiekas ten aanzien van de prijs van ingevoerde suiker (vgl. supra, a)); steun aan de exporteurs ten belope van voormelde „sovrapprezzo”; passieve belangen, verband houdende met de uitgestelde betalingen van steunbedragen betreffende het produktieoverschot (vgl. supra, 3e streepje); dekking van de kosten van de Ccz.

c) Op 20 februari 1969 heeft het CIP beschikking nr. 1210 (Gazzetta Ufficiale nr. 56 van 1 maart 1969, blz. 1381) genomen, waarin met name wordt overwogen dat de Italiaanse suikerproduktie in 1968/1969 ruim 40000000 kg beneden het Italiaanse quotum lag, doch dat het verbruik was gestegen en dat het tekort aan kristalsuiker voor de industrie op 65000000 kg moest worden geschat; dat aan deze situatie het hoofd ware te bieden door invoer uit de overige Lid-Staten; dat „de aanvoer van de hoeveelheden import-kristalsuiker voor industrieel gebruik thans evenwel slechts mogelijk zou zijn tegen boven de nationale prijs gelegen prijzen”, hetgeen tegen de doelstellingen van beschikking nr. 1195 zou indruisen; „dat de voorwaarden voor de verevening bedoeld in beschikking nr. 1195 kunnen worden verwezenlijkt via de Ccz, en wel door de sovrapprezzo verschuldigd wegens invoer van kristalsuiker gedeeltelijk te bestemmen tot dekking van de hogere kosten van de invoer zelve”; „dat het wegens het uitzonderlijk karakter en de urgentie van de invoer van kristalsuiker noodzakelijk is de belasting … forfaitair en tijdelijk vast te stellen met voorbehoud van de mogelijkheid tot verlenging”; wordt bepaald dat tot 30 juni 1969„voor tot 30 april 1969 met voorbehoud van de mogelijkheid tot verlenging bij de Ccz aangemelde verbintenissen tot koop van uit de EEG herkomstige ingevoerde suiker de sovraprezzo \[bedoeld in beschikking nr. 1195\] zal worden toegepast tot een bedrag dat forfaitair wordt verlaagd (… forfettariamente ridotta …) tot 8 lire per kg netto”; die verlaging zal alleen gelden voor andere kristalsuiker dan van de eerste soort die uitsluitend voor industrieel gebruik bestemd is (dispositief, nr. 1).

d) Op 21 mei 1969 nam de CIP beschikking nr. 1215 (Gazzetta Ufficiale nr. 130 van 23 mei 1969, blz. 3080). Zij behelst met name: soortgelijke overwegingen als beschikking nr. 1210, terwijl voorts wordt gewezen op de noodzaak de heffingen tot financiering van de Ccz vast te stellen enerzijds op een bedrag dat volgens de geldende regeling hoog genoeg is en anderzijds „rekening houdende met de huidige marktomstandigheden in de EEG-landen”; de bepaling dat de Ccz „gerechtigd is openbare inschrijvingen voor alle belanghebbende ondernemers te houden voor de bieding van het bij wege van sovrapprezzo verschuldigde bedrag bedoeld onder nr. 4b) \[van beschikking nr. 1195\], en wei voor een eerste hoeveelheid van 50000000 kg netto witte griessuiker en/of ruwe te raffineren suiker, die door degenen aan wie de inschrijving zal worden gegund definitief uit de EEG-landen zal worden ingevoerd …”; „de inschrijving betreft het bedrag van de sovrapprezzo waarvoor belanghebbende bereid is zich jegens de kas te debiteren …” (dispositief, nr. 1); de bepaling dat ieder aanbod ten minste 1000000 kg moet betreffen, terwijl men voorts bepaalde verbintenissen moet aangaan, met name die om „de suiker te verhandelen voor verbruik (immettere al consumo lo zucchero), in welke plaats op het nationaal grondgebied ook, tegen prijzen die niet hoger zijn \[dan in de beschikking is aangegeven\]” en „zich met betrekking tot de plaats van bestemming van de ingevoerde suiker te gedragen naar de voorschriften die … door het Ministerie van Landbouw mochten worden gegeven (dispositief, nr. 2); machtiging aan de Ccz om met name de toeslag (quota parte) vast te stellen die passend voorkomt („prezzo congruo”) en de importen naar gelang van de geboden hoeveelheid en het geboden bedrag toe te wijzen (dispositief, nr. 3); de bepaling dat bijaldien belanghebbende zijn voormelde verbintenissen niet nakomt, de ingevoerde suiker met de gehele sovrapprezzo zal worden belast (dispositief, nr. 7; in latere beschikkingen komt dezelfde clausule voor).

e) Bij beschikking nr. 1234 van 24 oktober 1969 (Gazzetta Ufficiale nr. 273 van 27 oktober 1969, blz. 6722) heeft het CIP soortgelijke bepalingen vastgesteld voor witte suiker van de tweede en derde soort, bestemd voor industrieel gebruik. Voor toewijzing kwam in aanmerking een totale hoeveelheid van 125000000 kg; de inschrijving stond open aan de belanghebbende bedrijven en aan iedere ondernemer die voornemens was de toegewezen suiker uitsluitend aan de verbruikende industrieën te doen toekomen; ieder bod moest ten minste 1100000 kg betreffen (dispositief, nrs. 1 en 2). Op grond van de overweging dat „niet alle ondernemers kunnen beschikken over een organisatie welke het hun mogelijk maakt aan openbare inschrijvingen deel te nemen” werd in de beschikking aan de Ccz toegestaan ook ondernemers die niet aan de inschrijving hadden deelgenomen toe te laten tot invoer en wel van een totale hoeveelheid van 10000000 kg, in hoeveelheden van ten hoogste 1000000 kg per verbruikende onderneming. Mocht de uit dien hoofde aangevraagde totale hoeveelheid 10000000 kg te boven gaan, dan werden de door iedere belanghebbende aangevraagde hoeveelheden naar evenredigheid verminderd. De aldus toegelaten hoeveelheden dienden „op dezelfde wijze te worden behandeld als het bod behelzende de laagste gegunde „sovrapprezzo” (dispositief, nr. 4).

f) Op 13 november 1969 heeft het CIP beschikking nr. 1236 (Gazzetta Ufficiale van 17 november 1969, blz. 7106) vastgesteld, waarin met name wordt overwogen dat de verordeningen van de Gemeenschap geen voorschriften behelzen nopens de vaststelling van de prijsverschillen voor sommige bijzondere suikersoorten, voor de verpakking van het produkt en voor de handelsmarges waarmede bij de verkoop van suiker voor consumptie rekening moet worden gehouden; dat ten einde de Italiaanse consument prijsverhogingen te besparen die niet uit wijzigingen van de prijzen in de Gemeenschap voortvloeien, het tevoren voor bedoelde prijsverschillen vastgestelde maximum ware aan te houden; wordt bepaald dat dit maximum blijft bepaald door vergelijking van de prijzen die in de ingetrokken beschikking nr. 1119 (vgl. supra, a) en b)) enerzijds voor verkoop door de producent en anderzijds voor verkoop aan de consument zijn vastgesteld. In zijn rondschrijven nr. 1237 van 14 november 1969 heeft het CIP beschikking nr. 1236 verduidelijkt met de cijfers (betreffende voormelde prijsverschillen, consumentenprijzen) van beschikking nr. 1119. Beschikking nr. 1236 en het rondschrijven nr. 1237 zijn ten verzoeke van de Italiaanse suikerindustrie door de Raad van State op formele gronden nietigverklaard (arrest van 29 februari 1972); evenwel heeft dat rechtscollege de Italiaanse maatregelen op zichzelf, ondanks de verordeningen der Gemeenschap, rechtsgeldig geacht.

g) Latere beschikkingen van het CIP (nr. 5/1970 van 23 maart 1970 nr. 10/1970 van 30 juni 1970, nr. 19/70 van 22 oktober 1970, nr. 21/1971 van 23 juli 1971, opgenomen in de „Gazzette Ufficiali” nr. 78 van 27 maart 1970, blz. 1980, nr. 171 van 9 juli 1970, blz. 4502, nr. 270 van 24 oktober 1970, nr. 188 van 26 juli 1971, blz. 4697), waarin steeds wordt gewaagd van de noodzaak de invoer uit de overige Lid-Staten te begunstigen, bevatten bepalingen welke met die van beschikkingen nrs. 1215 en 1234 kunnen worden vergeleken, met dien verstande dat de in totaal toe te wijzen hoeveelheden van geval tot geval verschillen. Voor het eerst is bij beschikking nr. 10/1970 (dispositief, nr. 6) het stellen van een waarborg (fidejussione) voorzien. Hij moet worden gesteld tot een bedrag overeenkomend met de verschuldigde „sovrapprezzo”, vermeerderd met 5 %. De belanghebbende handelaar is gehouden de waarborgsom te storten zodra hij bericht heeft ontvangen dat zijn inschrijving is toegewezen. De waarborgsom wordt terugbetaald zodra hij de „sovrapprezzo” heeft gestort. In genoemde beschikking nr. 10/1970 wordt de Ccz opnieuw gemachtigd (vgl. supra, e)) importen waarvoor geen inschrijving heeft plaatsgehad toe te laten, met dien verstande dat de desbetreffende hoeveelheden uitsluitend voor industrieel gebruik dienen te zijn bestemd en „per verbruikende onderneming 1000000 kg niet te boven mogen gaan noch ook te zamen groter mogen zijn dan 20 % van de maximaal in te voeren hoeveelheid die de Ccz bij de verschillende inschrijvingen zal verdelen (dispositief, nr. 4)”. In beschikking nr. 21/1971 wordt met betrekking tot buiten inschrijving om „toegestane” importen verklaard dat zij zijn voorbehouden aan „industriële ondernemers die rechtstreekse verbruikers zijn” en dat „deze partijen per verbruikende ondernemer 6000000 kg … niet mogen te boven gaan, noch ook te zamen groter mogen zijn dan 25 % van de hoeveelheid die de Ccz voor iedere afzonderlijke inschrijving zal vaststellen”.

##### 3. Historisch overzicht van de onderhavige zaken

###### A — Aan de beschikking voorafgegane feiten

Op 31 mei 1972 besloot de Commissie op grond van artikel 3 van verordening nr. 17 tegen een aantal ondernemingen, waaronder verzoeksters, een procedure in te leiden.

Krachtens artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 en verordening nr. 99/63 heeft de Commissie zich bij brief van 24 juli 1972, genaamd „mededeling van de punten van bezwaar”, tot voormelde ondernemingen gewend en

vastgesteld dat zij de artikelen 85 en 86 van het Verdrag hadden geschonden;

haar voornemen te kennen gegeven die ondernemingen bij beschikking te verplichten die inbreuken te be eindigen en hun geldboeten op te leggen;

belanghebbenden de gelegenheid gegeven hun standpunt nopens de tegen hen ingeroepen punten van bezwaar kenbaar te maken, en wel zulks binnen een termijn van twee maanden.

Belanghebbenden hebben van de hun aldus geboden mogelijkheid gebruik gemaakt.

###### B — De beschikking

De beschikking is genomen op 2 januari 1973. Zij was volgens haar artikel 4 gericht tegen de zestien verzoeksters alsook tegen Franken, Lebaudy-Sommier, Romana, Sermide, Société générale de Sucreries, Sucre-Union, WZV en Lebaudy-SUC.

###### a) Samenvatting van de inhoud van het dispositief

Volgens artikel 1 van de beschikking zouden de navolgende negen inbreuken zijn gepleegd:

1\. Eridania, Société générale de Sucreries, Cavarzere, Industria degli zuccheri, Romana, Volano, Emiliana, Sadam en Sermide enerzijds en Sucres et Denrées, Béghin, Sucre-Union, Say, Générale sucrière, Lebaudy-SUC, RT en SZAG anderzijds „hebben vanaf het einde van het verkoopseizoen 1968/1969 inbreuk gepleegd op artikel 85, lid 1, door aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging deel te nemen die ertoe strekt en ten gevolge heeft de leveranties op de Italiaanse suikermarkt te controleren en deze markt bijgevolg af te schermen”;

2\. De SU en de CSM enerzijds en de RT en Pfeifer & Langen anderzijds „hebben sedert het verkoopseizoen 1968/1969 (Pfeifer & Langen sinds 1970/1971) inbreuk gepleegd op artikel 85, lid 1, door aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging deel te nemen die ertoe strekt en ten gevolge heeft de leveranties op de Nederlandse suikermarkt van suiker uit België en het westelijk deel van Duitsland te controle ren en deze markt bijgevolg af te schermen”;

3\. Pfeifer & Langen enerzijds en RT anderzijds „hebben sedert het verkoopseizoen 1968/1969 inbreuk gepleegd op artikel 85, lid 1, door aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging deel te nemen die ertoe strekt en ten gevolge heeft de leveranties van Belgische suiker op de suikermarkt van het westelijk deel van Duitsland te controleren en bijgevolg deze markt af te schermen”;

4\. De SZAG en Franken enerzijds en Béghin en Sucre-Union anderzijds „hebben sinds het verkoopseizoen 1970/1971 inbreuk gepleegd op artikel 85, lid 1, door aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging deel te nemen die ertoe strekt en ten gevolge heeft de leveranties Franse suiker op de suikermarkt van het zuidelijk deel van Duitsland te controleren en bijgevolg deze markt af te schermen”;

5\. RT „heeft sinds het verkoopseizoen 1968/1969 inbreuk gepleegd op artikel 86 door Belgische uitvoerhandelaren door economische druk ertoe te brengen hun uitvoer te beperken”;

6\. SU en CSM „hebben in het verkoopseizoen 1969/1970 inbreuk gepleegd op artikel 86, door de Nederlandse importeurs door economische druk ertoe te brengen hun invoeren te beperken”;

7\. De SZV „heeft sinds het verkoopseizoen 1968/1969 inbreuk gepleegd op artikel 86, door haar tussenpersonen te verhinderen suiker van andere herkomst te verkopen en door middel van een getrouwheidskorting de klanten aan zich te binden”;

8\. De WZV en Pfeifer & Langen „hebben sinds het verkoopseizoen 1968/1969 inbreuk gepleegd op artikel 85, lid 1, door met de tussenpersonen overeenkomsten te sluiten die de mogelijkheden van in- en uitvoer binnen de Gemeenschap beperken”;

9\. De RT, Say, Béghin, Générale sucrière, Lebaudy-SUC, Sucre-Union en Sucres et Denrées in 1970 „hebben inbreuk gepleegd op artikel 85, lid 1, doordat zij bij de inschrijvingen van de Commissie betreffende de restitutie voor uitvoer naar derde landen de aan te bieden hoeveelheden en het bedrag der restituties onderling hebben afgestemd”.

Artikel 2 verklaart „de bovengenoemde ondernemingen … verplicht aan de vastgestelde inbreuken onmiddellijk een einde te maken”.

Blijkens artikel 3 zijn aan verzoeksters de volgende geldboeten opgelegd:

rekeneenheden aan RT:1500000 aan Sucres et Denrées:1000000 aan Say:500000 aan Béghin:700000 aan Générale sucrière:400000 aan Eridania:1000000 aan Industria degli zuccheri:300000 aan Cavarzere:200000 aan Emiliana:100000 aan Volano:100000 aan Sadam:100000 aan SU:800000 aan CSM:600000 aan Pfeifer & Langen:800000 aan SZAG:700000 aan SZV:200000

###### b) Overzicht van de motivering

De Commissie:

stelt vast dat de betrokken ondernemingen de voornaamste producenten en verkopers van suiker in de Gemeenschap zijn;

overweegt met name dat de in de beschikking bedoelde suiker ruwe en witte suiker is, vallende onder post nr. 17.01 van het gemeenschappelijk douanetarief van de EEG, alsook dat ruwe suiker een halffabrikaat is en als zodanig niet geschikt voor menselijke consumptie en witte suiker een eindprodukt;

betoogt aan de hand van cijfers dat de produktie van witte suiker in de Gemeenschap in de ten deze relevante verkoopseizoenen 1968/1969 tot en met 1971/1972 overschotten heeft opgeleverd;

stelt een onderzoek in naar de Franse, Belgische, Italiaanse, Nederlandse en Duitse suikermarkten, waarin met name de economische positie der in de beschikking genoemde ondernemingen het aandeel van ieder hunner in produktie en afzet en de betrekkingen welke zij dan wel sommigen hunner met derden onderhouden, worden besproken;

overweegt „dat op de Italiaanse markt een bijzondere situatie bestaat zowel ten gevolge van de communautaire ordening als van door de nationale autoriteiten getroffen bijzondere bepalingen” en beschrijft die situatie (vgl. supra, 2);

zet uiteen „dat de gemeenschappelijke ordening de eigenlijke prijsvorming op de markten van de verschillende Lid-Staten niet bepaalt; dat de mogelijkheid, binnen de maximumquota elke hoeveelheid suiker tegen de interventieprijs aan de interventieorganismen te verkopen, alleen verhindert dat de verkoopprijzen binnen de Gemeenschap gedurende een lange periode en merkbaar onder de interventieprijs komen te liggen”; dat deze in het algemeen onder de richtprijs liggende prijzen in Nederland en Duitsland de richtprijs soms benaderden en in de andere Lid-Staten veeleer met de interventieprijs overeenkwamen.

De Commissie geeft vervolgens een algemene omschrijving van de pogingen die de ondernemers in de EEG hebben ondernomen om tot een algemene regeling voor de afzet op de markten van de Lid-Staten en van de derde landen te komen; zij releveert met name:

dat de belangrijkste suikerfabrikanten en suikerverkooporganisaties op 30 mei 1968 te München zijn bijeengekomen, welke bijeenkomst de verdeling van de beschikbare hoeveelheden op de overschottenmarkt en de markt voor menselijke consumptie tot onderwerp had;

dat de Franse fabrikanten in juli 1968 een (alleen in 1968/1969 toegepaste) overeenkomst hebben gesloten die bij de Commissie is aangemeld en welker beoordeling op grond van artikel 85 „aan een andere procedure” was „voorbehouden”; dat de deelnemers krachtens die overeenkomst suiker voor uitvoer naar derde landen, voor denaturering of voor gebruik in de chemische industrie bestemd, alleen verkochten indien de suiker daartoe werkelijk zou worden gebruikt — tenzij er een prijssupplement werd betaald —;

dat de EEG-fabrikanten in de campagne 1969/1970 hun samenwerking meer in het algemeen regelden, waarbij zij zich lieten leiden door het destijds door RT geformuleerde beginsel „geen goederenbeweging van land tot land tenzij bij overeenstemming tussen de fabrikanten” en dat door Export in telexberichten aan RT en aan Sucre-Union is weergegeven in de formule „chacun chez soi”;

dat volgens dit beginsel de leveringen van suiker bestemd voor andere verkoopzones in de gemeenschappelijke markt zijn geschied hetzij aan concurrenten, hetzij aan derden met toestemming der concurrenten of tegen een verhoogde prijs, berekend aan de hand van de door de concurrenten toegepaste prijs, waarbij aan de handelaren de verplichting was opgelegd dit beleid te volgen; dat deze verschillende methoden afzonderlijk of tegelijkertijd naar gelang de kenmerken der verschillende markten en campagnes zijn toegepast;

dat er derhalve aanleiding bestond om deze gedragingen in detail te onderzoeken (vgl. infra).

###### 1. De grief behelzende een onderling afgestemde, op afscherming van de Italiaanse markt gerichte gedraging van Eridania, Cavarzere, Industria degli zuccheri, Volano, Emiliana, Sadam, Sucres et Denrées, Béghin, Say, Générale sucrière, RT en SZAG (artikel 85)

aa) De Commissie zet uiteen dat bepaalde Italiaanse verwerkende industrieën gedurende de campagne 1968/1969 hebben geklaagd over het ontbreken van interessante offertes van leveranciers uit andere Lid-Staten, terwijl met name de Franse en Belgische producenten over aanzienlijke hoeveelheden suiker beschikten. Reeds voor die campagne hebben deze producenten volgens de Commissie hun leveranties naar Italië onderling verdeeld, met uniformering van hun verkoopwaarden en met de garantie aan de kopers-producenten dat zij elders slechts tegen een hogere prijs zouden verkopen. Aan het begin van de campagne 1969/1970 zijn belanghebbenden bij het sluiten van nieuwe verkoopcontracten voor aanzienlijke hoeveelheden tussen de Franse en Belgische leveranciers enerzijds en Eridania namens de Italiaanse kopers anderzijds op 29 juli 1969 te Parijs en op 11 september 1969 te Genua in vergadering bijeengekomen. Op de eerste vergadering is gesproken over de middelen om het aanbod van „outsiders” op de Italiaanse markt tegen lagere prijzen te beletten. Op de tweede vergadering zijn de grondslagen voor de. leveranties vastgesteld. Aan deze praktijken zou zijn deelgenomen door een „leveranciersgroep” (suikerfabrikanten en raffinadeurs), die met name Béghin, Say, Générale sucrière, Lebaudy-SUC en RT en soms ook Sucre-Union, SZAG (alleen in 1969/1970) en Sucres et Denrées omvatte, welke laatste vennootschap zich voornamelijk bezighoudt met de groothandel en belast was met het centraliseren van het aanbod en de organisatie van de leveringen, uitgezonderd die van SZAG; een „importeursgroep” die oorspronkelijk de op de vergadering te Genua aanwezige Italiaanse producenten omvatte, te weten Eridania (belast met de coördinatie van de groep), Industria degli zuccheri, Romana, Volano, Cavarzere, Emiliana, Sermide, Sadam en enige andere ondernemingen, waarvan er nadien twee door Eridania zijn overgenomen en een andere is overgegaan in de Société générale des sucreries; deze laatste heeft nadien met Cavarzere de controle over Industria degli zuccheri verworven, Emiliana die over Romana en Volano. De ingevoerde suiker is vervolgens aan de gebruikers en aan de verwerkende industrieën in Italië geleverd tegen dezelfde prijzen en onder dezelfde verkoopvoorwaarden als de suiker van nationale produktie. De „importeursgroep” heeft in de praktijk ongeveer 75 % van het totale bedrag van de bij inschrijving toegewezen invoer voor zijn rekening genomen welke hoeveelheid geheel door de „leveranciersgroep” was geleverd. Gedurende de campagne 1969/1970 was 15 % van de door de leveranciers te leveren hoeveelheden aan SZAG voorbehouden en door deze geleverd; zij heeft nadien verder overleg met de Italiaanse fabrikanten gepleegd om hun het grootste deel van haar uitvoer naar Italië te leveren. Bovendien hebben de niet-Italiaanse producenten zich verplicht om aan andere Italiaanse kopers slechts tegen verhoogde prijzen te verkopen; de opslag bedroeg voor 1968/1969, 1969/1970 en 1970/1971 per 100 kg onderscheidenlijk 1,25, 1,65 en 1,75 Ffr. De leveringen aan zelfstandige kopers zijn dan ook tot kleine hoeveelheden beperkt gebleven. Op een door de leden van beide groepen op 22 september te Genua gehouden vergadering zijn de bestaande verplichtingen „bevestigd”. Ook in 1970/1971 en 1971/1972 werd in het grootste gedeelte van de Italiaanse invoerbehoeften voor zien door — omvangrijke — leveringen van fabrikant aan fabrikant.

bb) Vorenbedoelde handelingen zouden neerkomen op onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag. De Commissie doet haar oordeel behalve op overneming van de hiervoor (aa) weergegeven uiteenzettingen, met name berusten op het volgend betoog: De hierbedoelde handelingen hebben voor de betrokken hoeveelheden tussen de deelnemers elke mededinging op de Italiaanse markt uitgesloten. Zonder verkopen tussen producenten zouden de fabrikanten van de overschotlanden individueel op de Italiaanse markt hebben verkocht en zelf de hoeveelheden, prijzen en verdelingskanalen hebben bepaald. De door oprichting van een „importeursgroep” tot stand komende verkopen gaven de fabrikanten-kopers de mogelijkheid over grotere hoeveelheden suiker te beschikken en dit zeer homogene produkt tegen dezelfde prijzen en op dezelfde voorwaarden te verhandelen als de door henzelf geproduceerde suiker. Betrokkenen hebben weliswaar gesteld dat dit gedrag noodzakelijk was geworden als gevolg van het door de Italiaanse autoriteiten ingevoerde stelsel van inschrijvingen (vgl. supra, 2), dat het zou hebben geleid tot rationalisatie der kosten en niet alle verkopen in Italië zou hebben betroffen. De buitenlandse leveranciers zouden er, gezien de zeer grote hoeveelheden waarop in één keer ingeschreven moest worden, toe gebracht zijn de hun toegewezen hoeveelheden suiker naar hun leveringscapaciteiten te verdelen; alleen de grote Italiaanse suikerondernemingen beschikten over een afzetapparaat dat in staat was de afzet van grote hoeveelheden ingevoerde suiker te kanaliseren en de leveranciersgroep zou bij de Franse spoorwegen bijzonder lage tarieven hebben bedongen; ten slotte zouden er ook leveringen aan onafhankelijke Italiaanse afnemers zijn uitge voerd, met name door Sucre-Union en Générale sucrière. Deze omstandigheden nemen echter volgens de Commissie het bestaan van concurrentiebeperkingen niet weg. De Italiaanse regeling brengt niet de noodzaak van een dusdanige groepering van vraag en aanbod mede; alhoewel de meeste leveringen in Italië in het kader van de invoerinschrijvingen hebben plaatsgevonden, zijn deze leveranties „via het in gezamenlijk overleg door de betrokken producenten … opgezette afzetsysteem verhandeld”. In de regel heeft een fabrikant er geen belang bij grote hoeveelheden aan zijn concurrenten te leveren en kan hij door rechtstreeks aan handelaren en gebruikers te leveren een grotere winst halen. Het hierbedoelde gedrag is slechts te verklaren uit de wens de mededinging te beperken en de Italiaanse gebruikers te verhinderen de benodigde suiker vrij bij de buitenlandse leveranciers te betrekken. De prijsverhoging waartoe door de twee betrokken groepen in gemeenschappelijk overleg werd besloten met betrekking tot de verkopen aan zelfstandige kopers, omvatte een verkoopmarge alsook een meermalen verhoogde veiligheidsmarge ten voordele van de Italiaanse fabrikanten. Deze ongerechtvaardigde verhoging was discriminerend van aard. Gevoegd bij bepaalde andere nadelen, heeft zij elke rechtstreekse levering aan genoemde kopers moeilijk, zo niet onmogelijk gemaakt; na een aantal vruchteloze pogingen hebben zij er dan ook in berust hun bestellingen te doen bij de Italiaanse fabrikanten.

###### 2. De grief behelzende een onderling afgestemde, op afscherming van de Nederlandse markt gerichte gedraging van SU, CSM, RT en Pfeifer & Langen (artikel 85)

aa) De Commissie betoogt dat SU en CSM gedurende de campagnes 1968/1969 tot en met 1971/1972 in toenemende hoeveelheden witte suiker heb ben gekocht van hun concurrenten RT en Pfeifer & Langen, waarvan zij het grootste gedeelte tegen dezelfde prijs en voorwaarden als binnenlandse suiker in de handel hebben gebracht. In het algemeen deden RT en Pfeifer & Langen in Nederland geen leveranties van noemenswaarde omvang. In een brief aan Export schreef RT: „Wat Nederland betreft is het grondbeginsel dat wij niets willen doen dat de SU of CSM schadelijk kan zijn, evenmin deze niets willen doen dat ons zou verstoren.” Ondanks het feit dat er, vooral in België, grote suikeroverschotten bestonden, hebben RT, SU en CSM bij de inwerkingtreding van verordening nr. 1009/67 geweigerd suiker te leveren aan niet-fabrikanten in andere landen omdat de beschikbare hoeveelheden voor de nationale markt zouden moeten worden gereserveerd. In 1968/1969 en 1969/1970 heeft RT slechts enkele honderden tonnen suiker naar Nederland uitgevoerd onder de voorwaarde dat deze suiker alleen voor denaturering zou worden bestemd. Gedurende deze campagnes heeft zij de Belgische exporteurs er meermalen aan herinnerd dat zij niet wenste dat er anders dan via CSM en SU suiker naar Nederland zou worden uitgevoerd. Vanaf de campagne 1970/1971 heeft RT, behoudens haar rechtstreekse leveranties aan CSM en SU het alleenverkooprecht voor Nederland gegeven aan Export en Hottlet, op voorwaarde dat deze ondernemingen alleen zouden leveren aan afnemers waarvoor CSM en SU hun „instemming” hadden verleend en naar Nederland geen suiker zouden uitvoeren die afkomstig was van niet tot de RT-groep behorende Belgische producenten; de eerste voorwaarde werd door de producenten gemotiveerd met het streven de structuur van de Nederlandse markt niet te verstoren. Bedoelde instemming werd slechts verleend op voorwaarde dat de suiker zou worden geleverd aan de Nederlandse melkindustrie die aanzienlijke hoeveelheden suiker verwerkt. Voorts zouden er in 1970/1971 zeer geringe hoeveelheden Belgische suiker aan de Nederlandse chemische industrie zijn geleverd. Deze handelwijze is in 1971/1972 voortgezet en tijdens die campagne heeft zich een aanzienlijke toename van de verkoop aan de melkindustrie voorgedaan. SU en CSM nemen de gehele Nederlandse suikerproduktie voor hun rekening. De invoer in Nederland bedraagt ongeveer 10 tot 15 % van de nationale produktie. Genoemde producenten controleerden de suikerinvoer vrijwel volledig. Gedurende de campagne 1968/1969 hebben de Nederlandse handelaren in Frankrijk ongeveer 90000 ton suiker gekocht, waarvan de levering over meerdere campagnes is gespreid. De Nederlandse producenten en handelaren zijn overeengekomen: dat laatstgenoemden de ingevoerde suiker zouden verkopen tegen een prijs die ten opzichte van die der Nederlandse producenten niet te concurrerend zou zijn; dat de laatst ingevoerde hoeveelheden suiker zouden worden verpakt in zakken van 50 kg en in pakken van 1 kg met het merk van SU; dat de aldus verpakte suiker vervolgens zou worden doorverkocht aan de Nederlandse producenten opdat zij deze zelf in de handel zouden kunnen brengen. Zo is er in de loop van de campagnes 1969/1970 en 1970/1971 meer dan 14000 ton suiker door deze producenten opgekocht tegen prijzen die iets lager waren dan die waartegen zij zijn doorverkocht; deze laatste prijzen waren dezelfde als die welke voor de verkoop van suiker van Nederlandse produktie werden toegepast. De handelaren hebben deze overeenkomst moeten accepteren wegens bepaalde met name door SU geuite bedreigingen. Met ingang van 1970/1971 hebben SU en CSM de Nederlandse handelaren betrokken bij de overeenkomst die zij met RT hadden gesloten; sindsdien vinden de Belgische suikerleveranties in overeenstemming met CSM en SU plaats door tussenkomst van Belgische en Nederlandse handelaren. Vgl. ook infra, 5 en 6.

bb) De Commissie qualificeert deze handelwijze — en beschrijft de gevolgen ervan — op overeenkomstige wijze als het gedrag op de Italiaanse markt (vgl. supra, 2 bb)). Met betrekking tot de thans besproken grief worden in hoofdzaak de volgende bijzondere overwegingen in het midden gebracht: De hierbedoelde gedragingen sloten alle mededinging tussen de vier betrokken producenten op de Nederlandse markt uit. Zonder de verkopen tussen fabrikanten hadden RT en Pfeifer & Langen, wier bedrijven geografisch gezien het gunstigst zijn gelegen, hun suiker individueel op de Nederlandse markt verkocht, zelf de prijs en verkoopvoorwaarde vastgesteld en hun eigen merken gebruikt. Weliswaar hebben betrokkenen aangevoerd dat een deel van RT's leveranties aan CSM snel oplosbare suikerklontjes betrof en zou hebben plaatsgevonden ingevolge nader overleg dat zijn oorzaak vond in het feit dat CSM niet de voor vervaardiging daarvan vereiste installaties heeft. Andere verkopen hadden ten doel het assortiment door CSM verkochte suikerkwaliteiten aan te vullen. Deze argumenten houden echter geen steek: de leveranties van RT aan CSM blijven niet tot deze kwaliteiten beperkt en Nederlandse verbruikers hebben in het algemeen geen mogelijkheid hun leveranciers te kiezen. Belanghebbenden hebben voorts betoogd dat een deel van RT's leveranties aan SU op voor denaturering bestemde suiker betrekking heeft. Dat neemt echter niet weg dat de verbruikers van suiker op de veevoedermarkt een geringer aantal offertes ontvangen; bovendien heeft slechts een zeer gering deel van RT's verkopen aan SU op bedoelde suiker betrekking. SU en CSM hebben hun toestemming in beginsel slechts gegeven voor leveranties aan de melkindustrie, omdat die leveranties meestal op de verkoop van suiker van SU en CSM geen enkel concurrentieel effect uitoefenen.

###### 3. De grief behelzende een onderling afgestemde op afscherming van de markt in het westelijk deel van de Bondsrepubliek Duitsland gerichte gedraging van Pfeifer & Langen en RT (artikel 85)

aa) De Commissie betoogt dat Pfeifer & Langen sedert 1968/1969 in toenemende omvang ruwe suiker van Belgische en Franse concurrenten heeft betrokken, terwijl de overeenkomsten over de leveranties van die ruwe suiker met RT werden afgesloten. In 1971/1972 heeft zij nog aanzienlijker hoeveelheden ruwe suiker betrokken van fabrieken in het noorden van Duitsland. In dat jaar heeft zij niet onaanzienlijke hoeveelheden verkocht aan concurrenten in andere Lid-Staten, onder meer aan SU, WZV en haar belangrijkste lid, Pfeifer & Langen, hebben, eventueel na verwerking, de betrokken suiker tegen dezelfde prijzen en onder dezelfde voorwaarden en merken verkocht als binnenlandse suiker. De hoeveelheid in het westen van de Bondsrepubliek Duitsland niet van fabrikant aan fabrikant geleverde geïmporteerde suiker was van geringe omvang. Voor zover deze importen afkomstig waren van Belgische producenten en de suiker ter denaturering of voor uitvoer naar derde landen werd geïmporteerd, placht voor de ingeschakelde handelaren de verplichting te bestaan — en op nakoming daarvan werd scherp gelet — de daartoe bestemde suiker niet voor menselijke consumptie in de Gemeenschap door te verkopen, welke gedragslijn te verklaren viel door het feit dat bedoelde suiker in beginsel tegen de interventieprijs werd verkocht, dat wil zeggen goedkoper dan suiker voor menselijke consumptie in de Lid-Staten. Vrije wederverkoop werd alleen „op aanvraag en met een prijsverhoging” toegestaan. Toen na het vervallen van de denatureringspremie in 1969 suiker die oorspron kelijk voor denaturering bestemd was, in Duitsland voor menselijke consumptie werd doorverkocht tegen lagere prijzen dan binnenslands gebruikelijk waren, heeft RT, naar aanleiding van de Duitse protesten, Export op 24 juli van dat jaar opgedragen deze operaties in Duitsland en in Nederland te staken. Van enige handelaren die zonder toestemming denatureringssuiker tegen lagere prijzen hadden doorverkocht, is schadevergoeding verlangd. Wederverkoop van voor denaturering geleverde suiker is nadien op de intracommunautaire markt voor suiker bestemd voor menselijke consumptie, niet meer vastgesteld. In 1968/1969 zijn gevallen vastgesteld waarin levering werd geweigerd indien buitenlandse suiker voor menselijke consumptie naar Duitsland zou worden doorgeleverd; zo heeft een Saarlandse handelaar aan een Duitse koper verklaard dat de Duitse suikerindustrie aan zijn Franse leverancier had gelast terughouding ten aanzien van de Duitse markt in acht te nemen. In 1969/1970 vonden verkopen van Belgische suiker door handelaren plaats waarbij voor het geval van wederverkoop voor menselijke consumptie in Duitsland werd bepaald dat de toestemming van Pfeifer & Langen moest worden verkregen of dat een prijsverhoging van 10 Bfr moest worden berekend. In 1970/1971 zijn er veel grotere hoeveelheden uit België in Duitsland ingevoerd, doch voor drie vierde via leveranties van fabrikant aan fabrikant. Na raadpleging van RT heeft Export meermalen aanvragen van Duitse importeurs afgewezen op grond dat RT voor het ogenblik voor een dergelijke bestemming niet in de markt was dan wel, na nauw contact tussen RT en Pfeifer & Langen, een hogere prijs „aangepast aan de door Pfeifer & Langen medegedeelde binnenlandse prijs” verlangt. Deze handelwijze had ten doel de Duitse markt niet te verstoren. RT verlangde van Export dat deze prijs ook bij uitvoer van andere Belgische herkomst zou worden toegepast. De oorspronkelijk geïnteresseerde Duitse handelaren deelden Export in november 1970 mede dat zij intussen voor hun gehele behoefte jaarcontracten met de binnenlandse industrie hadden afgesloten.

bb) De Commissie kwalificeert deze handelwijze — en beschrijft de gevolgen ervan — op overeenkomstige wijze als het gedrag op de Italiaanse en Nederlandse markten (vgl. supra 1 bb), 2 bb)). Met betrekking tot de thans besproken grief worden in hoofdzaak de navolgende bijzondere overwegingen in het midden gebracht: Sedert 1968/1969 bestaat er volgens de Commissie een onderling afgestemde feitelijke gedraging van RT en Pfeifer & Langen waarbij Belgische suiker in het afzetgebied van Pfeifer & Langen of van WZV is geleverd op een wijze die de mededingingsdruk welke van vrije verhandeling van deze suiker zou zijn uitgegaan, aanzienlijk heeft verminderd. De Commissie zet zich tot weerlegging van het betoog van belanghebbenden volgens hetwelk: er sprake zou zijn geweest van een autonoom optreden van RT; de door Export voorgedragen grief, een afstemming van gedrag behelzende, zou berusten op misverstanden die aan meningsverschillen en persoonlijke spanningen tussen RT en Export moesten worden toegeschreven; het bewijsmateriaal der Commissie door derden zou zijn aangedragen en niet ten laste van Pfeifer & Langen zou mogen worden gebruikt; deze firma nooit zou hebben gestreefd naar beperking van de invoer in Duitsland of naar prijsaanpassing; er buiten het kader van de leveranties van fabrikant aan fabrikant een aanzienlijke invoer zou hebben plaatsgevonden. Zij betoogt met name dat: de verklaringen van Export overeenstemmen met die van RT; de voorwaarde van toestemming van Pfeifer & Langen is vastgelegd in een verkoopcontract van de onderneming Moerbeke-Waes, die tot de RT-groep behoort; er juist in de campagne 1970/1971, waarin de meeste door de Commissie bedoelde documenten zijn opgesteld, een gunstige uitvoer naar Duitsland mogelijk zou zijn geweest, alwaar een stijging van de verkoopprijzen samenviel met een door een slechte oogst veroorzaakte grotere invoerbehoefte en het alleen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging te wijten is dat RT's leveranties aan andere Duitse kopers desondanks zeer gering zijn gebleven, terwijl die aan Pfeifer & Langen plotseling zijn vermeerderd. Verdere indicaties voor een onderling afgestemde gedraging zouden zijn: de herhaalde verwijzingen naar het beginsel „chacun chez soi”; de wijze waarop RT er bij Export op heeftaangedrongen ook suiker van andere Belgische herkomst uit te voeren, tegen prijzen die aan de Duitse prijzen waren aangepast; de omstandigheid dat de Duitse suikerindustrie de belangrijkste handelaren aldaar heeft verboden zonder haar toestemming buitenlandse suiker te verkopen (vgl. infra, 8). Zonder zodanige afstemming zouden al deze maatregelen niet begrijpelijk zijn, immers: Pfeifer & Langen had RT in haar eigen gebied — met name in de aangrenzende delen van België — kunnen beconcurreren en hogere prijzen kunnen maken dan bij uitvoer naar derde landen; een normaal gedrag van RT zou zijn geweest het verkopen van haar overschotsuiker in het nabijgelegen afzetgebied van WZV. Ook uit de verklaringen der belanghebbenden zou blijken dat Pfeifer & Langen „gepoogd heeft zich tegen elke penetratie van haar cliëntèle te verzetten”. De Commissie zet zich tot weerlegging van het betoog van belanghebbenden volgens hetwelk: de leveranties van fabrikant aan fabrikant economisch verantwoord zouden zijn; de voordelen bij levering van ruwe suiker duidelijk zouden zijn, aangezien Pfeifer & Langen in staat is geweest haar overcapaciteit te benutten en zich daartoe te wenden tot fabrieken van ruwe suiker, gelegen op kortere afstand dan de naastbij zijnde ruwsuikerfabriek in Noord-Duitsland; de leverancier in het land van bestemming geen eigen afzetorganisatie zou behoeven op te bouwen; de concurrentie niet zou worden beperkt omdat de leveringen van fabrikant aan fabrikant niet exclusief zouden zijn. Zij antwoordt hierop dat een concurrentiebeperkend effect slechts niet optreedt in gevallen waarin een fabrikant die niet over raffinage-installaties beschikt, hoeveelheden ruwe suiker aan een raffinaderij verkoopt — beide ondernemingen verkeren dan niet op voet van concurrentie —; deze situatie zich in casu niet voordoet, aangezien RT over een aanzienlijke raffinagecapaciteit beschikt en dus, zowel voor ruwe als voor geraffineerde suiker, als concurrente van Pfeifer & Langen moet worden beschouwd. RT's mogelijkheden om in de verkoopzone van Pfeifer & Langen aan andere kopers te leveren zijn beperkt doordat RT niet alleen geregeld grote hoeveelheden aan Pfeifer & Langen levert, maar bovendien slechts met haar toestemming dan wel tegen aan de prijzen van Pfeifer & Langen dan wel van de WZV aangepaste prijzen aan derden mag verkopen. Aan zulke verkopen is dus geen enkel concurrentieel effect verbonden. In dit verband is het voorts van wezenlijk belang te wijzen op de maatregelen die door RT en Pfeifer & Langen tegen handelaren in hun onderscheiden landen zijn genomen ten einde de uitvoer dan wel de invoer te beletten of te beperken (vgl. infra, 5 en 8). Kortom, de gewraakte handelwijzen strekten tot bescherming van de Belgische markt en van de markt van het westelijk deel van Duitsland.

###### 4. De grief behelzende een onderling afgestemde, op afscherming van de markt in het zuidelijk deel van de Bondsrepubliek Duitsland gerichte gedraging van SZAG en Béghin (artikel 85)

aa) De Commissie zet uiteen dat SZAG en Franken sedert 1970/1971 in toenemende mate ruwe suiker van Béghin en witte suiker van Béghin en Sucre-Union hebben betrokken, welke suiker, eventueel na verwerking, tegen dezelfde prijzen en onder dezelfde voorwaarden en hetzelfde merk is verkocht als Duitse suiker. De — voornamelijk uit Frankrijk afkomstige — niet van fabrikant tot fabrikant lopende leveringen op het afzetgebied van de SZV — van welk verkoopkantoor SZAG en Franken de voornaamste leden zijn — vertegenwoordigden slechts een gering percentage van de totale afzet in dit gebied; qua hoeveelheid raakt deze invoer steeds meer bij de invoer van de Zuidduitse fabrikanten ten achter. Vgl. ook infra, 7.

bb) De Commissie qualificeert deze stand van zaken — en beschrijft de gevolgen ervan — op overeenkomstige wijze als het gedrag op de Italiaanse en Nederlandse markten en de markt van het westelijk deel van Duitsland (vgl. supra, 1 bb), 2 bb), 3 bb)). Met betrekking tot de thans besproken grief worden in hoofdzaak de navolgende bijzondere overwegingen in het midden gebracht: De onderling afgestemde gedraging blijkt uit het feit dat de leveranties uit Frankrijk van fabrikant tot fabrikant plaatsvonden om de Duitse kopers verlies van klanten en marktaandelen te besparen en lag voorts besloten in het door SZV in het leven geroepen systeem van getrouwheidskortingen (vgl. voor bijzonderheden, infra, 7). Bij de opening der grenzen als gevolg van de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke ordening in de suikersector hadden de Franse fabrikanten, gezien hun grote overschotten en de hogere prijs in het zuiden van Duitsland, aldaar suiker kunnen leveren aan andere kopers dan hun concurrenten. Desondanks heeft er in 1968/1969 en 1969/1970 vanuit Frankrijk naar Duitsland, Saarland uitgezonderd, bijna geen uitvoer plaatsgevonden. De toeneming van deze exporten in 1970/1971 en 1971/1972 valt samen met een merkbare toename van de leveranties van fabrikant aan fabrikant. De Commissie is het niet eens met de stellingen van belanghebbenden dat: deze leveranties economisch verantwoord zouden zijn om de produktieschommelingën van de verschillende oogsten te compenseren, de beschikbare capaciteit te benutten en de leverancier het opbouwen van een eigen verkooporganisatie te besparen; de supplementaire aankoop van ruwe suiker en witte suiker van minder goede kwaliteit voor de verwerking tot vloeibare suiker vanwege de lage vrachtkosten bijzonder gunstig zou zijn; deze leveranties van fabrikant tot fabrikant andere leveranties niet zouden beletten; dat trouwens hun aandeel in de invoer in Zuid-Duitsland blijkt toe te nemen en dat de mogelijk geringe omvang van deze invoeren vooral te wijten zou zijn aan de vrachtkosten die dikwijls ieder belang bij verkoop in een ander land teniet doen. Het geringe volume van de invoeren is niet te wijten aan de vrachtkosten. Hoewel de Duitse fabrieken dichterbij gelegen zijn, wordt Saarland met Franse suiker bevoorraad; zelfs op grote afstand gaan de kosten het verschil tussen de Franse en Duitse prijzen niet te boven. Voorts wijzen de veelvuldige, meestal tevergeefs gedane aanvragen van klanten in Zuid-Duitsland op een economisch belang bij de invoer van suiker uit andere Lid-Staten. SZAG heeft toegegeven dat men door de gewraakte handelwijze klantenverlies heeft willen voorkomen. Dat Béghin en Sucre-Union vooral ruwe suiker en suiker van minder goede kwaliteit — die verwerking behoeft — hebben geleverd, doet aan het bestaan van een beperking van de mededinging niet af; deze ondernemingen waren in staat zelf alle door hen vervaardigde ruwe suiker te raffineren en de suiker van minder goede kwaliteit tot vloeibare suiker om te werken. De onderling afgestemde feitelijke gedraging blijkt ook uit het feit dat SZV zijn handelaren heeft verboden suiker uit andere Lid-Staten in te voeren en zijn afnemers heeft gebonden door een getrouwheidskorting (vgl. voor nadere bijzonderheden, infra, 7).

###### 5. De grief dat RT de Belgische exporteurs economisch onder druk zou hebben gezet (artikel 86)

aa) De Commissie betoogt dat RT in haar overeenkomsten met Export en Hottlet stelselmatig clausules heeft doen opnemen waardoor zij werden verplicht: hetzij de suiker van RT alleen door te verkopen aan producenten en dezelfde verplichting aan de eventuele andere bij deze verkopen betrokken tussenpersonen op te leggen; hetzij die suiker in het land van de concurrerende producenten alleen met hun toestemming weder te verkopen en dezelfde verplichting aan de eventuele andere bij deze verko pen betrokken tussenpersonen op te leggen; hetzij die suiker alleen door te verkopen op de overschottenmarkt (denaturering, chemische industrie, uitvoer naar de wereldmarkt) wanneer zij werkelijk voor een van deze doeleinden bestemd is en dezelfde verplichting aan de eventuele andere bij deze verkopen betrokken tussenpersonen op te leggen. Anders dan op grond van overeenkomsten met zulke clausules heeft RT geweigerd suiker aan deze beide handelaren te leveren. Bij gebreke van andere aanzienlijke voorzieningsbronnen en omdat RT hun had gezegd anders geen suiker meer te zullen leveren, met name niet voor de uitvoer naar derde landen die en belangrijk deel van hun omzet uitmaakt, hebben zij moeten zwichten. Evenals de overige tussenpersonen mogen Export en Hottlet op de Belgische markt alleen als makelaar of commissionnair optreden; het is hun dus onmogelijk de door RT op die markt geleverde suiker uit te voeren.

bb) Met name om de navolgende redenen neemt RT een machtspositie in op de Belgische en Luxemburgse suikermarkten, die als een wezenlijk bestanddeel van de gemeenschappelijke markt zijn te beschouwen: Zij fabriceert alleen meer dan 50 % van de Belgische suiker. Zij controleert — door meerderheidsdeelnemingen (bij voorbeeld Oreye en Moerbeke-Waas) dan wel door afzetovereenkomsten —, c.q. is in staat tot controle op ongeveer 85 % van de Belgische produktie en beschikt over een dergelijk aandeel in de Belgisch-Luxemburgse markt; de Belgische invoer van witte suiker is minimaal en in de behoeften van het Groothertogdom wordt door België voorzien. De door RT gecontroleerde Belgische fabrikanten wijken in de regel niet af van het door RT voorgeschreven verkoopbeleid. Zij oefent een zekere invloed uit op de markten van andere Lid-Staten, met name -Frankrijk, en wel door haar deelnemingen in Say en in Raffinerie d'Erstein, door haar financiële banden met bepaalde grote Europese suikerproducenten en door haar geavanceerde technologische kennis en prestaties (vgl. ook supra, 2 en 3).

cc) Het hiervoor onder aa) omschreven gedrag had ten doel de voornaamste bevoorradingsbronnen van Export en Hottlet — en hun klanten — te beperken. Een en ander levert een door RT begaan en volgens artikel 86 van het Verdrag verboden misbruik van een machtspositie op. De handel tussen Lid-Staten kon erdoor worden beïnvloed op een wijze die nadelig kon zijn voor de verwerkelijking van de beoogde éne markt der Lid-Staten, immers de verkoop in andere Lid-Staten kon erdoor worden beperkt en in bepaalde gevallen verhinderd (vgl. ook supra, 2 bb) en 3 bb).

###### 6. De grief dat SU en CSM de Nederlandse importeurs economisch onder druk zouden hebben gezet (artikel 86)

aa) De Commissie betoogt dat SU en CSM Internatio, Jacobson en Dudok de Wit hebben verplicht een overeenkomst af te sluiten waarbij deze drie handelaren zich verbonden: de in 1969 en 1970 ingevoerde Franse suiker niet te verkopen tegen veel lagere prijzen dan die van SU en CSM; aan SU en CSM de laatste hoeveelheden suiker die zij zich hadden verbonden uit Frankrijk in te voeren, door te verkopen in zakken van .50 kg en pakken van 1 kg, opdat SU en CSM deze suiker vervolgens onder hun merken en tegen hun prijzen op de Nederlandse markt konden verhandelen; zonder toestemming van SU en CSM niet meer tot zulke importen over te gaan. In 1969/1970 en 1970/1971 zijn er aldus door SU en CSM meer dan 14000 ton Franse suiker opgekocht tegen een iets lagere prijs dan waartegen zij de waar hebben doorverkocht. Ten einde bedoelde handelaren tot deze overeenkomst te bewegen hebben SU en CSM gedreigd hun traditionele invoer van suiker voor de Nederlandse melkindustrie onmogelijk te zullen maken door tegen de condities van de wereldmarkt zelf deze industrie te bevoorraden; en bedoelde invoer vormt een belangrijk deel van de omzet van deze handelaren. Sedert 1970/1971 hebben SU en CSM deze handelaren in hun met RT afgesproken invoersysteem ingeschakeld. Sindsdien hebben de leveringen van witte suiker in overeenstemming met SU en CSM door tussenkomst van de Belgische en Nederlandse handelaren plaatsgehad.

bb) SU en CSM nemen een machtspositie in op de Nederlandse suikermarkt, die als een wezenlijk bestanddeel van de gemeenschappelijke markt is te beschouwen: zij produceren alle Nederlandse suiker. Zij hebben meer dan 85 % van de Nederlandse markt in handen. Zij controleren, al dan niet rechtstreeks, de Nederlandse suikerinvoer bijna volledig. zij werken nauw samen bij een zeer groot deel van hun activiteiten. Tegenover andere ondernemingen en met name jegens voormelde handelaren treden zij als een eenheid op.

cc) De Commissie kwalificeert het hiervoor (aa)) omschreven gedrag als misbruik; zij voert daarvoor soortgelijke argumenten aan als waarvan zij zich tegenover RT heeft bediend (vgl. hiervoor 5 cc).

###### 7. De grief dat SZV de tussenpersonen zou hebben belet suiker van andere herkomst door te verkopen en de klanten door getrouwheidskortingen zou hebben gebonden (artikel 86)

aa) De Commissie betoogt dat SZV voor de verkoop van suiker in haar af zetgebied 17 zonevertegenwoordigers gebruikt, met wie zij contracten heeft afgesloten waarbij zij zich op straffe van onmiddellijke opzegging met name hebben verplicht zonder haar toestemming geen suiker van andere leveranciers te verkopen. Die toestemming is slechts voor de invoer van speciale suiker alsook suiker voor het veredelingsverkeer, verleend. Bovendien verleent SZV haar klanten, onafhankelijk van de afgenomen hoeveelheid, een getrouwheidskorting van 0,30 DM per 100 kg mits slechts de jaarbehoefte geheel bij SZV wordt gedekt. Tenminste in bepaalde gevallen waarin de koper suiker bleef invoeren is de korting ingetrokken dan wel met intrekking van de korting gedreigd, hetgeen ertoe heeft geleid dat de kopers die importen stopzetten.

bb) SZV neemt een machtspositie in in Zuid-Duitsland, dat als een wezenlijk bestanddeel van de gemeenschappelijke markt is te beschouwen: zij zet het overgrote deel van de produktie van haar leden af; zij bepaalt zelfstandig de prijzen en het verkoopbeleid. Voor zover de leden afzonderlijk suiker verkopen, worden dezelfde tussenpersonen ingeschakeld. op haar verkoopgebied, dat duidelijk van dat der andere ondernemers is afgebakend, is haar marktaandeel ten minste 90-95 %, terwijl leveranties van „outsiders” of van buiten dat gebied gelegen Duitse of buitenlandse fabrieken, afgezien van leveranties van Franse fabrikanten aan fabrikanten die lid van de SZV zijn, een zeer geringe rol spelen.

cc) De Commissie qualificeert het hiervoor (aa)) omschreven gedrag als misbruik; zij voert daartoe soortgelijke argumenten aan als waarvan zij zich tegenover RT heeft bediend (vgl. supra, 5 aa)). Zij betoogt voorts met name het volgende: Door de aan de tussenpersonen opgelegde verplichting heeft SZV buitenlandse aanbieders praktisch de mogelijkheid ontnomen suiker via de van SZV afnemende handelaren te verkopen. Zij heeft er weliswaar op gewezen dat andere handelaren en een aantal verwerkende ondernemingen in het Zuidduitse gebied zich vrijelijk in het buitenland kunnen bevoorraden. Dit doet echter niet af aan het feit dat de afzetmogelijkheden van buitenlandse aanbieders aanmerkelijk zijn beperkt ofschoon het vrij hoge prijsniveau in Zuid-Duitsland import interessant maakt. Het toekennen van een getrouwheidskorting benadeelt afnemers die ook suiker van elders betrekken op onrechtvaardige wijze. Voor kopers die althans ten dele op levering door de SZV zijn aangewezen, overtreft het nadeel de getrouwheidskorting te verliezen al gauw het voordeel dat aan het inkopen bij „outsiders”, is verbonden, ook wanneer dezen voor goedkopere prijzen aanbieden; de Commissie tracht zulks met behulp van cijfers aan te tonen. Met behulp van de korting kan de verkoper de aankopen van zijn klanten bij buitenlandse fabrikanten controleren, immers hij kent de zich maar weinig wijzigende hoeveelheden die jaarlijks gemiddeld worden gekocht. Dat SZV de korting bij gelegenheid ook heeft toegekend wanneer er wel bij buitenlandse fabrikanten was aangekocht, ontzenuwt de thans besproken grief niet: de aankondiging of het risico dat de korting verloren zou gaan is voldoende om de klanten te ontraden systematisch tot andere importen over te gaan. Ook doet weinig ter zake dat de korting in sommige gevallen onmiddellijk van het bedrag van de factuur is afgetrokken; het gaat er maar om dat de klant er in geval van aankoop bij buitenlandse fabrikanten mee moet rekenen dat de korting hem niet langer zal worden verleend. De korting levert misbruik op nu zij door een onderneming die een machtspositie inneemt is toegepast met de bedoeling de invoermogelijkheden nog ver der te beperken en die machtspositie te verstevigen.

###### 8. De grief dat Pfeifer & Langen met de tussenpersonen overeenkomsten zou zijn aangegaan welke de mogelijkheden tot invoer of uitvoer binnen de Gemeenschap beperken (artikel 85)

aa) De Commissie bespreekt de inhoud van de „commissionairscontracten” en „handelsvertegenwoordigingsovereenkomsten” door onderscheidenlijk WZV en Pfeifer & Langen aangegaan met de ondernemer door wier tussenkomst zij hun suiker verkopen, en wijst daarbij met name op het volgende: Het afzetgebied van WZV is ingedeeld in verkoopzone's; naar bepaalde zone's verkoopt zij alleen via haar vier zonecommissionairs. In het afzetgebied dat grenst aan dat van de NZV heeft zij zich het recht van voorrangsverkoop voorbehouden des dat de commissionair haar van alle hangende transacties op de hoogte moet stellen en afwachten of zij al dan niet van bedoeld recht gebruik maakt. De commissionair verbindt zich, mede voor de van hem afhankelijke ondernemingen, om in deze zone van bijzonder belang voor rekening of door tussenkomst van andere binnen- of buitenlandse fabrikanten of handelaren en zelfs op eigen naam of voor eigen rekening geen suiker te verkopen, behoudens uitdrukkelijke toestemming van de WZV. Voor verkoop van suiker van andere herkomst zonder toestemming of langs andere dan de overeengekomen afzetwegen bestaan er boetebedingen. Pfeifer & Langen heeft met de tussenpersonen van WZV overeenkomsten gesloten volgens welke zij zich verbonden om als handelsvertegenwoordigers of zelfstandige handelaren zonder haar toestemming geen suiker van andere leveranciers te verkopen. Andere handelaren worden door WZV en Pfeifer & Langen alleen rechtstreeks bevoorraad wanneer zij een van bovengenoemde overeenkomsten hebben ondertekend of zich met de beginselen ervan akkoord hebben verklaard. WZV heeft de inachtneming van het mededingingsverbod gecontroleerd door zich van verkoop van suiker van andere herkomst via de door haar bevoorrade handelaren op de hoogte. te houden. Daarentegen zijn tussenpersonen die voor rekening van WZV en Pfeifer & Langen verkopen vrij om voor denaturering en voor uitvoer naar derde landen bestemde suiker te verhandelen.

bb) Voormelde contracten zijn door artikel 85 van het Verdrag verboden overeenkomsten: Zij verplichten de tussenhandelaren de door WZV en Pfeifer & Langen geleverde suiker slechts in een bepaald gebied of aan bepaalde afnemers te verkopen en geen suiker van andere herkomst te verhandelen. Voorts bemoeilijken zij de afzet van ingevoerde suiker in het westelijk gebied van de Bondsrepubliek Duitsland in aanzienlijke mate: Zij verhinderen dat het aantal leveranciers van suiker voor menselijke consumptie op deze markt toeneemt. Het optreden van tussenpersonen voor andere leveranciers is op deze markt slechts toegelaten indien het met het gemeenschappelijk belang der contractspartners strookt. Zelfs wanneer zodanige toestemming in een bijzonder geval werd gegeven, behouden de contractspartners de controlemogelijkheid op deze verkoop, met name die op hoeveelheid, kwaliteiten, leveranciers, afnemers en prijs. Dergelijke controles vinden ook werkelijk plaats en de toestemming wordt alleen verleend voor de verkoop van speciale soorten voor denaturering bestemde suiker. Op grond van een en ander kunnen de tussenhandelaren voor de leveranciers in andere Lid-Staten geen belangrijke klanten meer zijn. Voorts wordt de commissie voor de verkoop van suiker van de WZV berekend naar het bedrag dat de interventieprijs te boven gaat, zodat de commissionairs er geen belang bij hebben het algemeen prijsniveau in gevaar te brengen door ingevoerde suiker op gunstiger condities te verkopen. De vaststelling van verkoopzones leidt er toe dat de tussenhandelaren geen uitvoer naar andere Lid-Staten van suiker die door de leden van WZV is geproduceerd, mogen verrichten. De betrokkenen kunnen niet stellen dat de onderhavige contracten niet onder artikel 85 vallen omdat zij zouden zijn gesloten met niet-zelfstandige tussenpersonen, die deel zouden uitmaken van WZV's eigen verkooporganisatie. Zij zijn namelijk niet in WZV opgenomen, maar werken goeddeels ook voor andere fabrikanten en treden in zoverre als onafhankelijke handelaren op. De hierbedoelde contracten zijn niet volgens artikel 4, lid 2, sub 1, van verordening nr. 17 van aanmelding vrijgesteld en derhalve verboden zonder dat toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag kan worden overwogen; ook afgezien daarvan zijn de voorwaarden van dat artikel niet vervuld.

###### 9. De grief behelzende een onderling afgestemde feitelijke gedraging van RT, Say, Béghin, Générale sucrière en Sucres en Denrées bij de inschrijvingen voor de uitvoerrestituties

aa) De Commissie stelt met verwijzing naar de ordening van de Gemeenschap inzake de inschrijvingen voor de uitvoerrestituties dat vorengenoemde ondernemingen alsmede Lebaudy-SUC en Sucre-Union in 1970 zich met elkander hebben verstaan omtrent het aanbod dat bij deze inschrijvingen zou worden gedaan, welk overleg zowel betrekking had op de voor uitvoer aan te bieden hoeveelheden als op het bedrag der restituties. Dit zou met name blijken uit een door RT aan Export gezonden telex, waarin men leest: „… opheffing van de mededinging voor de uitvoerrestituties ten einde voor iedere fabrikant althans de interventieprijs te waarborgen. Derhalve staking van de strijd om de afzet op de binnenlandse markt, waar de prijs zeker is, in plaats van uitvoer (dit geldt met name voor Frankrijk) …”.

bb) Deze onderling afgestemde feitelijke gedraging was verboden krachtens artikel 85, en wel om de volgende redenen: Wanneer de offertes bij een inschrijving niet meer het resultaat zijn van individuele berekening, doch op kennis van de offertes van — en onderlinge afstemming met — de andere deelnemers berusten, wordt de werking der concurrentie op zijn minst genomen vervalst en beperkt. Hoewel de inschrijvingen betrekking hebben op de uitvoer van suiker naar derde landen, dient te worden bedacht dat zij de uitvoer van in de Gemeenschap geproduceerde suiker mogelijk maken en dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt is belemmerd. De gewraakte afstemming van gedragingen die zich uitstrekt tot belangrijke fabrikanten van meerdere Lid-Staten — Frankrijk en België, landen die de grootste suikeroverschotten van de Gemeenschap hebben — kon de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloeden. De deelnemers konden langs deze weg de hoeveelheden suiker die ieder hunner anders op de markten van de Lid-Staten der Gemeenschap zou hebben afgezet, wijzigen. Bovendien heeft het systeem van inschrijvingen dat door de communautaire ordening is ingesteld weliswaar ten doel globaal een zekere hoeveelheid suiker op de wereldmarkt af te zetten, maar wanneer de restituties door de werking der mededinging worden verleend aan de ondernemingen die de laagste offertes hebben gedaan, blijven de fabrikanten in het onzekere verkeren omtrent de mogelijkheid hun suiker naar derde landen uit te voeren; volgens de resultaten van de inschrijvingen zijn bepaalde fabrikanten wel en anderen niet verplicht bepaalde hoeveelheden overschotsuiker in de andere Lid-Sta ten af te zetten; de onderlinge afstemming heeft dus de binnen de Gemeenschap afgezette hoeveelheden kunnen wijzigen. Bovendien was het feit dat men in het kader van deze inschrijvingen beschikte over een zekere garantie voor de afzet van belangrijke hoeveelheden — met een interessante winst — een doorslaggevende factor bij de verhandeling van de overschotsuiker van de betrokken fabrikanten. De onderlinge afstemming kwam naast de andere maatregelen die betrokkenen ter bescherming van bepaalde nationale markten hadden genomen. Aan deze conclusie doet niet af dat de Commissie de mogelijkheid heeft geen gevolg te geven aan een inschrijving en dus de hoeveelheden zou kunnen bepalen die naar de wereldmarkt zullen worden uitgevoerd. De Commissie kan immers de voorwaarden voor de suiker-export — zowel voor de restituties als voor de hoeveelheden — niet naar willekeur vaststellen, omdat zij in haar keuze beperkt is door de offertes welke haar door de fabrikanten worden gedaan. Zij kan die voorwaarden dus slechts in het bestek van die offertes vaststellen. Ook al heeft de Commissie, gerekend over een gehele campagne, een zekere controle over de exporten, de fabrikanten hebben het in de hand door hun onderlinge afstemming de resultaten der verschillende inschrijvingen te wijzigen.

###### 10. Niet-toepasselijkheid van de uitzonderingen voorzien in verordening nr. 26

De Commissie betoogt dat de hiervoor beschreven onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet vallen onder de uitzonderingen die in artikel 2, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 26 zijn voorzien:

De eerste uitzondering kan niet worden ingeroepen nu er een gemeenschappelijke ordening der markten bestaat die voor nationale marktorganisaties geen plaats heeft gelaten.

Wat de tweede uitzondering betreft: uit de derde overweging van de considerans van verordening nr. 26 blijkt dat zij alleen kan gelden wanneer de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de sector suiker in gevaar zou brengen. De tot die verwezenlijking nodige middelen zijn in verordening nr. 1009/67 en haar uitvoeringsverordeningen vastgelegd; de onderhavige gedragingen behoren daartoe geenszins, van welke gezichtshoek men ze ook beziet.

De middelen die worden aangewend om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de suikersector te verwezenlijken moeten het vrije verkeer van het produkt tussen de Lid-Staten mogelijk maken; waar verordening nr. 1009/67 basishoeveelheden per Lid-Staat bepaalt, is er slechts sprake van elementen ter berekening van het aan elke onderneming toe te wijzen produktiequotum — dat alleen dient om de prijsen afzetgarantie te beperken —, en niet van een wijze van verdeling van de produktie tussen de Lid-Staten.

Van de in artikel 39 van het Verdrag omschreven doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden in de overwegingen van de considerans van verordening nr. 1009/67 vooral de garanties voor de werkgelegenheid en de levensstandaard der producenten centraal gesteld. De hierbedoelde gedragingen maken geenszins deel uit van de daartoe door de gemeenschappelijke ordening voorziene middelen. Men had daarmede ook andere bedoelingen en wel verre van ter verwezenlijking van de doeleinden van artikel 139 noodzakelijk te zijn, druisten ze in tegen de maatregelen die daartoe in de sector suiker in de communautaire ordening zijn voorzien. Met name de onderlinge afstemming inzake de inschrijvingen (vgl. supra, 9) heeft de mededinging tussen ondernemers, waarop het stelsel van inschrijvingen nu juist gericht is, vervalst.

###### 11. De geldboeten; beginsel en bedrag

aa) Met betrekking tot de geldboeten overweegt de Commissie principieel dat de inbreuken welke in voormelde onderling afgestemde feitelijke gedragingen besloten liggen, „opzettelijk” of althans „uit nalatigheid” zijn gepleegd, aangezien betrokkenen van de restrictieve werking van die gedragingen niet onwetend waren dan wel niet onwetend hadden behoeven te zijn.

bb) Met betrekking tot het bedrag der geldboeten stelt de Commissie voorop dat bij de vaststelling daarvan de hiervoor onder 5 tot en met 9 bedoelde maatregelen moeten worden beoordeeld in samenhang met de onderling afgestemde feitelijke gedragingen waaraan betrokkenen hebben deelgenomen (vgl. supra 1 tot 4). Bij de beoordeling van de zwaarte der inbreuken dient met name in aanmerking te worden genomen: ten laste van de betrokken ondernemingen: dat suiker voor de verbruiker van bijzonder belang is en dat de gewraakte maatregelen duidelijk ingaan tegen de in het Verdrag beoogde integratie der markten; ten gunste van die ondernemingen: dat de produktie van en de handel in suiker tot 30 juni 1968 in de nationale marktordeningen waren geregeld — met inbegrip van de vaststelling van verkoopzones voor de suikerhandel —, hetgeen een zeker vasthouden aan oude gewoontes verklaart en een zekere traagheid bij de aanpassing aan de mogelijkheden voor een vrije handel geboden in de ordening der Gemeenschap die, zonder de mogelijkheid van concurrentie uit te sluiten, ook bepaalde beperkingen medebracht. Ten aanzien van de duur der inbreuken dient in aanmerking te worden genomen dat zij zich in de regel over verscheidene jaren hebben uitgestrekt. Met betrekking tot de ondernemingen ieder afzonderlijk, dienen aard en duur der inbreuken waaraan ieder hunner heeft deelgenomen, de betekenis van hun aandeel daarin, hun marktpositie en hun positie ten opzichte van hun afnemers in aanmerking te worden genomen. De Commissie bespreekt vervolgens één voor één de gevallen van de onderscheiden adressaten der beschikking, met vermelding van de redenen waarover zij heeft gemeend aan sommigen hunner geen geldboete te moeten opleggen.

##### 4. Het procesverloop

Verzoekster Sadam (zaak 50-73) had op 23 mei 1973 bij het Hof een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging der bestreden beschikking ingediend. Nadat de Commissie had verklaard niet voornemens te zijn tot invordering van de geldboete over te gaan zolang het Hof geen uitspraak heeft gedaan, heeft Sadam dit verzoek ingetrokken. Bij beschikking van 11 juli 1973 heeft de President van het Hof gelast dat dit verzoek in het register zou worden doorgehaald en de uitspraak inzake de kosten aangehouden.

Bij beschikking van 28 juni 1973 heeft het Hof de zaken voor de mondelinge behandeling gevoegd.

Bij beschikking van 11 december 1973 heeft het Hof de Unione nazionale consumatori, een te Rome gevestigde Italiaanse vereniging, toegelaten tot interventie in de zaken 41-73, 43 tot 48-73, 50-73, 111-73, 113-73 en 114-73, voor zover die interventie strekt tot ondersteuning van de conclusie der Commissie ten aanzien van de grief nopens de bescherming van de Italiaanse markt.

Bij beschikking van 19 februari 1975 heeft het Hof besloten in de zaken 40-73 en 42-73 de heren B. Lemaire, R. Dudok de Wit, E.K.H. Lindeboom en Ch. Sanders ambtshalve als getuigen te horen over vragen inzake de grief dat SU en CSM de Nederlandse importeurs economisch onder druk zouden hebben gezet. Zij hebben hun verklaringen op 13 maart 1975 voor de Tweede Kamer van het Hof afgelegd.

Het Hof heeft sommige partijen uitgenodigd bepaalde vragen te beantwoorden en de onderscheiden wederpartijen in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van die antwoorden opmerkingen in te dienen. Die antwoorden en opmerkingen hebben het Hof binnen de daartoe gestelde termijnen bereikt.

Verzoekster in de zaak 48-73, Sucres et Denrées, heeft na te hebben vernomen dat de Commissie had besloten tegen Italië de procedure van artikel 169 van het Verdrag in te leiden, zulks in verband met bepaalde aspecten van de hiervoor onder 2 B bedoelde regeling, op grond van haar oordeel dat bedoeld besluit van de Commissie op de afloop van de zaak 48-73 zou prejudiciëren, het Hof verzocht de uitspraak in die zaak op te schorten totdat de procedure tegen de Italiaanse Republiek zou zijn afgesloten. Het Hof heeft aan dat verzoek geen gevolg gegeven, doch de Commissie wel verzocht om inlichtingen inzake de stand en het onderwerp dier procedure, welke inlichtingen binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt.

De zaak is namens partijen bepleit ter terechtzitting van 14, 15, 16, 17 en 18 april 1975.

De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 16 en 17 juni 1975 zijn conclusie genomen.

#### II — Conclusie van partijen

1.

*Alle verzoeksters* concluderen — primair dan wel uitsluitend — tot nietigverklaring van de gehele beschikking, sommigen evenwel slechts voor zover zij hen betreft.

*Générale sucrière, Say, Béghin, Volano en Eridania* concluderen subsidiair tot nietigverklaring van de beschikking, voor zover hun daarin een geldboete is opgelegd. Meer subsidiair concluderen *deze verzoeksters met uitzondering van Volano* tot verlaging van de geldboete.

*Sadam* concludeert „subsidiair” en *lndustria degli zuccheri* concludeert „in ieder geval” tot intrekking of verlaging van de geldboete.

*SU, CSM, RT, Sucres et Denrées, Pfeifer & Langen, Emiliana en Cavarzere* concluderen subsidiair tot verlaging van de geldboete.

*RT* concludeert voorts subsidiair tot nietigverklaring van de beschikking, „voor zover daarbij aan verzoekster zou worden verboden om eenzijdig, ter uitvoering van haar eigen handelsbeleid, te besluiten rechtstreeks ruwe of witte suiker aan andere raffinadeurs te verkopen”.

*Industria degli zuccheri en Eridania* concluderen voorts dat worde verklaard voor recht dat de gewraakte handelwijze, mede gelet op de uitzonderingen voorzien in artikel 2 van verordening nr. 26, geen schending van artikel 85 van het Verdrag inhoudt.

*Alle verzoeksters behalve Volano en Emiliana* concluderen met zoveel woorden tot verwijzing van de Commissie in de kosten.

*De Commissie* concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen met verwijzing van iedere verzoekster in de kosten gevallen op het door haar aanhangig gemaakte geding.

2.

*De Unione* concludeert als *interveniënte* tot verwerping van de beroepen 41-73, 43 tot 48-73, 50-73, 111-73, 113-73 en 114-73, voor zover de grief van bescherming der Italiaanse markt betreffende, met verwijzing van de betrokken verzoeksters in de kosten.

*Générale sucrière, Say, Sucres et Denrées, Sadam en Eridania*, hebben voor antwoord in interventie slechts de gegrondheid hunner in de hoofdzaak voorgedragen posita bepleit zonder evenwel formeel tot verwerping van de conclusiën van interveniënte te concluderen. In die zin is wel geconcludeerd door *Cavarzere* en *Industria degli zuccheri; Industria degli zuccheri* stelt primair dat interveniënte in haar conclusiën niet kan worden ontvangen en subsidiair dat die con clusiën ongegrond zijn. *Béghin, Volano, Emiliana en RT* hebben op de memorie van interveniënte niet geantwoord.

#### III — Middelen en argumenten door partijen tijdens de schriftelijke behandeling voorgedragen

##### Algemeen

In sommige passages van de memories worden onderwerpen behandeld die het bestek van deze of gene grief, op zichzelf genoemen, te buiten gaan, hetzij daarin de legislatieve of economische situatie wordt besproken welke de achtergrond van de onderhavige gedingen vormt (infra, A), hetzij daarin een algemeen standpunt wordt ingenomen met betrekking tot de wijze waarop artikel 85 van het Verdrag dient te worden uitgelegd en toegepast (infra, B). Omdat die uiteenzettingen nochtans ten dele verband houden met de feiten en omstandigheden die door partijen bij de bespreking van bepaalde grieven naar voren zijn gebracht, wordt naar de hierna volgende hoofdstukken 1 tot en met 9 verwezen.

A — Sommige verzoeksters en de Commissie wijden een min of meer gedetailleerde bespreking aan draagwijdte en gevolgen van de communautaire ordening en de ontwikkeling die de suikermarkt in het betrokken tijdvak heeft ondergaan. Deze deels controversiële bespreking betreft met name de vragen: of het handelsverkeer tussen Lid-Staten van bescheiden omvang was en, zo ja, of zulks verband houdt met fiscale, monetaire en administratieve hinderpalen van nationale of communautaire oorsprong; welke functie naar de bedoeling dier ordening toekomt aan de verschillende daarin voorziene „prijzen” (drempelprijs, richtprijs, interventieprijs, minimumprijs te betalen aan de telers van suikerbieten) en welke verkoops prijzen werkelijk door de producenten zijn verkregen; met name of de interventieprijs een in zekere zin aan de producenten „gewaarborgde” prijs is, of de richtprijs tevens als de „wenselijke” marktprijs moet worden beschouwd, of en in hoeverre de producenten belang kunnen hebben bij verkoop beneden de interventieprijs; of de suikerproduktie in Nederland deficitair is, gezien de aan deze Lid-Staat en aan zijn producenten toegewezen basisquota en maximumquota; of de producenten er belang bij hadden — en in staat waren — hun produktie tot aan de maximumquota of zelfs daarboven op te voeren; of de vrijheid van handelen der producenten beperkt was doordat de interventiebureaus in sommige Lid-Staten uiting hadden gegeven aan de wens zich geen suiker te zien aangeboden; of het juist is dat waar de communautaire ordening twee verschillende markten in leven had geroepen — enerzijds die voor menselijke consumptie en anderzijds die voor denaturering en uitvoer naar derde landen —, de producenten terecht van hun kopers verlangden dat suiker die voor een van beide laatstgenoemde doeleinden werd geleverd, niet voor menselijke consumptie zou worden doorverkocht; of, de homogene en vervangbare aard van de waar „suiker” in aanmerking genomen, het voor de consument weinig of niets uitmaakt of de door hem gekochte suiker van deze dan wel van gene herkomst is, zodat het fabrieksmerk vrijwel geen publiciteitswaarde heeft; of, gezien de in verhouding tot gewicht en volume geringe waarde van suiker, de transportkosten merkbaar in de kosten van het produkt doorwerken; of een en ander er toe leidt dat de natuurlijke markt voor suiker die is welke zich het dichtst bij het produktiecentrum bevindt.

B — Wat betreft de voorgeschiedenis der gewraakte gedragingen: partijen zijn het gedeeltelijk oneens over de rol welke bij de beoordeling ervan moet worden — dan wel door de Commissie is — toegekend aan bepaalde handelingen die eraan zijn voorafgegaan: de op 30 mei 1968 te München gehouden bijeenkomst van het subcomité „gemeenschappelijke markt” van het Comité européen des fabricants de sucre (CEFS); de in juli 1968 door de Franse fabrikanten gesloten overeenkomst; de concentratie der Duitse fabrikanten in vier organisaties met afgebakende afzetgebieden; de nauwe samenwerking tussen de beide Nederlandse producenten. Volgens de Commissie komt in een en ander de bedoeling naar voren om de overschotten in gemeen overleg gelijkelijk te verdelen om aldus de marktprijzen in de Gemeenschap op het niveau van de richtprijs te houden. Deze doeleinden konden echter slechts worden verwezenlijkt wanneer de markten in de afzonderlijke Lid-Staten aan de nationale producenten bleven voorbehouden. Sommige verzoeksters betogen dat de Commissie aan bedoelde eerdere handelingen een onjuiste betekenis toekent dan wel ten onrechte meent dat zij in het kader van het onderhavig geding in aanmerking moeten worden genomen. RT betoogt dat „men”„met de realiteitszin en psychologisch inzicht in strijd” zou handelen door „het er voor te houden dat de ondernemingen in 1968 een mentale bekering hadden moeten ondergaan door plotseling van een nationaal systeem zonder mededinging over te schakelen op een stelsel van totale Europese concurrentie”. Anderzijds laat de communautaire ordening, die toch ook dirigistisch is, de mededinging maar een geringe speelruimte, waarbinnen redelijkerwijze niet mag worden verlangd dat de ondernemingen elkaar volledig beconcurreren. De Commissie betoogt dat zij er in de beschikking van is uitgegaan dat niet de gezamenlijke suikerfabrikanten in de Gemeenschap, doch de onderscheiden groepen fabrikanten in de verschillende punten van bezwaar bedoeld zich hebben laten vinden voor onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Het ging er bij die gedragingen om de concurrenten op hun territoir niet te hinderen en op een aantal punten vertonen zij overeenstemming (vgl. beschikking, blz. 23, r. kol.), hetgeen, met het feit dat sommige betrokkenen aan meer dan een dezer gedragingen heeft deelgenomen, de Commissie aanleiding heeft gegeven er één enkele beschikking aan te wijden. De Commissie legt aan de onderscheiden ondernemingen alleen de beperkingen ten laste waaraan zij zelf hebben deelgenomen. Onder een „onderling afgestemde feitelijke gedraging” is, zoals het Hof heeft uitgesproken, te verstaan een vorm van coördinatie waarbij feitelijke samenwerking welbewust voor de risico's der mededinging in de plaats wordt gesteld. Parallellie in de gedragingen kan een ernstige aanwijzing voor zulk een samenwerking opleveren wanneer zij niet met de normale marktvoorwaarden overeenkomt, hetgeen inzonderheid het geval is wanneer belanghebbenden daardoor in staat worden gesteld eenmaal ingenomen posities te bevriezen ten detrimente van het vrije verkeer der produkten. Die aanwijzingen dienen gezamenlijk te worden bezien. Of een onderling afgestemde feitelijke gedraging bewezen moet worden geacht hangt er niet van af of belanghebbenden het over een globaal plan eens zijn geworden. De afstemming is gelegen in de aan beide kanten bestaande wetenschap van de complementariteit van de respectieve beslissingen.

C — SU, RT en Pfeifer & Langen bestrijden de uitlegging welke door de Commissie wordt gegeven aan de term „onderling afgestemde feitelijke gedragingen”. Volgens SU is die uitlegging onverenigbaar met de jurisprudentie van het Hof, die SU in onderdelen bespreekt. Conscious parallelism is niet voldoende. De eis moet worden gesteld dat alle belanghebbenden het over een gemeenschappelijk plan eens zijn geworden en zich vervolgens daarnaar ook hebben gedragen. Afstemming bestaat niet reeds wanneer de ondernemingen met betrekking tot het toekomstig handelen hunner concurrenten bepaalde verwachtingspatronen hebben; nodig is bovendien een „handeling van communicatie”. Laakbaar is niet het enkele feit dat een onderneming zich van het gedrag van zijn concurrenten bewust is en daarop intelligent inspeelt. Dit geldt ook wanneer beide partijen zich van de complementariteit van hun respectieve beslissingen bewust zijn en het eindresultaat voor alle deelnemers voordelig is. De benadering van de Commissie, die de nadruk legt op „bewust zijn” of op het hebben van „wetenschap” is onhoudbaar, omdat zij het terrein der psychologie betreedt dat zich voor rigide onderscheidingen niet leent. Men dient uit te gaan van tastbare gegevens, dat wil zeggen van bepaalde afstemmingshandelingen, zoals mondelinge afspraken, speeches op vergaderingen, aankondigingen van toekomstig gedrag, enzovoort. De consensus als zodanig is niet verboden. Afstemmingshandelingen zijn vaak moeilijk te bewijzen. Het Hof heeft dan ook, in navolging van de Amerikaanse rechtspraak, de redenering aanvaard dat het, gegeven bepaalde marktstructuren, ondenkbaar is dat bepaalde gebleken vormen van parallel of aanvullend marktgedrag niet op afstemming berusten. De economische theorie biedt echter slechts beperkte mogelijkheden voor het vaststellen van een noodzakelijk verband tussen marktstructuur en marktgedrag en met name een parallel territoriaal gedrag is in het algemeen gemakkelijker zonder afstemming te bereiken dan parallel gedrag met betrekking tot de prijzen. RT betoogt dat parallel gedrag volgens 's Hofs jurisprudentie alleen op afstemming wijst wanneer het leidt tot mededingingsvoorwaarden die, gelet op de aard der produkten, op de grootte en het aantal ondernemingen en op de omvang van de betrokken markt, niet met de normaal te achten marktvoorwaarden overeenkomen. De Commissie gaat stilzwijgend voorbij aan de hierin besloten liggende lering dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 85 niet is voldaan waanneer er tussen de gestelde afstemming en de daarop volgende gedragingen geen causaal verband bestaat omdat die gedragingen uit de marktomstandigheden zelve voortvloeien en ook zonder enig contact tussen de producenten niet zouden zijn uitgebleven. Pfeifer & Langen verwijt de Commissie dat zij niet nader verklaart wat zij onder „bewuste” coordinatie verstaat. Er is geen verboden kartel wanneer ondernemer A, zelfstandig handelend, zijn gedrag „bewust” aanpast aan dat van ondernemer B. Zij moeten een gezamenlijk plan hebben, hetgeen betekent dat zij elkander over en weer hebben medegedeeld hoe zij zich zullen gedragen wanheer ieder hunner zijn gedrag aan dat van de ander aanpast. Slechts door aan de concurrenten hun eigen toekomstige gedragslijn kenbaar te maken zouden zij het risico van concurrentie uitsluiten. De Commissie betoogt dat noch de bewoordingen, noch de systematiek, noch de strekking van artikel 85 medebrengen dat er voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging een „plan” nodig is. Uit het feit dat artikel 85 niet alleen ondernemersafspraken betreft die op beperking der mededinging gericht zijn, doch ook aspecten die tot zodanige beperking leiden, blijkt dat er voor zodanige afstemming geen vooropgestelde bedoeling behoeft te bestaan. Feitelijk afgestemde gedragingen zijn voldoende. Handelstransacties van concurrenten zijn het middel bij uitstek om tot een afgestemd marktgedrag te komen. Een aanbod van een concurrent wijst er veelal op dat de aanbieder niet de bedoeling heeft hem te beconcurreren en aanvaarding komt er op neer dat men ertoe medewerkt marktvervalsende omstandigheden in stand te houden.

##### 1. De grief behelzende een afstemming van gedrag ter afscherming van de Italiaanse markt

###### A — Middelen van formele en processuele aard

###### a) Eridania, Industria degli zuccheri en SZAG:

###### Aanvechtbaar voorlichtingsbeleid van de Commissie

###### 1. Samenvatting van de verzoekschriften

Eridania, Industria degli zuccheri en SZAG betogen dat het persbeleid van de Commissie vóór en na de mededeling van de punten van bezwaar aan belanghebbenden op een aantal punten aanvechtbaar is, aangezien het in strijd is met

de algemene rechtsbeginselen (Eridania, SZAG) volgens welke een ieder die van een strafbaar feit wordt beschuldigd voor onschuldig wordt gehouden zolang als zijn schuld niet is vastgesteld (SZAG);

artikel 19 van verordening nr. 17, waarin het beginsel van de procedure op tegenspraak wordt vastgelegd, en de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 99/63 (Industria degli zuccheri);

artikel 20 van verordening nr. 17, waarin het beginsel van de geheimhouding wordt vastgelegd (Eridania, Industria degli zuccheri), en de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 99/63 (Industria degli zuccheri);

artikel 21 van verordening nr. 17 betreffende de bekendmaking van door de Commissie genomen beschikkingen (SZAG);

artikel 2 van verordening nr. 99/63 betreffende de wijze van mededeling van de punten van bezwaar (SZAG).

Eridania wijst er op dat de aan het begin van de administratieve procedure medegedeelde punten van bezwaar en de eindbeschikking nog voordat de belanghebbende ondernemingen daarvan waren ingelicht, aan de pers zijn medegedeeld. Op een tijdstip waarop zij zelfs nog niet de gelegenheid hadden gehad zich te verweren, heeft de Commissie reeds uitgesproken van hun schuld overtuigd te zijn. Door zulk een houding aan te nemen heeft de Commissie zich de mogelijkheid van een zakelijk en onpartijdig optreden ontnomen.

Industria degli zuccheri geeft een soortgelijke uiteenzetting, waarin zij erop wijst dat bij het publiek de indruk is gevestigd dat de belanghebbende ondernemingen tegen de punten van bezwaar der Commissie niets in te brengen hadden. Ook nadat zij waren gehoord heeft de Commissie een aantal perscommuniqués verstrekt, waarin zij aan de argumenten dier ondernemingen stilzwijgend voorbij ging. Zij hadden zich „onder verwarde omstandigheden” te verdedigen.

SZAG betoogt voorts dat de Commissie gedurende de gehele administratieve procedure en terstond nadat zij haar beschikking had genomen, de openbare mening een tendentieuze voorlichting heeft verstrekt, hetgeen het publiek termen als „suikermaffia” in de mond deed nemen.

Blijkens artikel 2 van verordening nr. 99/73 mogen de punten van bezwaar van de Commissie alleen aan de belanghebbende ondernemingen en niet aan derden worden medegedeeld. Weliswaar kan die mededeling volgens lid 2 van dat artikel, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, ook worden gedaan door een bekendmaking in het Publikatieblad; deze bepaling zou echter geen uitzonderingsvoorschrift blijven wanneer het de Commissie vrij zou staan haar bezwaren op persconferenties en in interviews mede te delen.

In artikel 21 van verordening nr. 17 is de bekendmaking van beschikkingen krachtens artikel 15 dier verordening, dat wil zeggen van boetebeschikkingen, niet voorzien; anderzijds wordt met betrekking tot beschikkingen op grond van artikel 3 plaatsing in het Publikatieblad verlangd. De Commissie heeft deze voorschriften miskend door in haar mededelingen aan de pers de geldboeten cen traal te stellen en tot die mededelingen over te gaan voordat de beschikking in het Publikatieblad had gestaan.

Daaraan doet niet af dat de Commissie op 13 december 1972 op hetzelfde tijdstip waarop zij het publiek heeft ingelicht, SZAG per telex heeft doen weten dat zij ook te haren aanzien een beschikking had genomen waarbij haar wegens bepaalde inbreuken een geldboete was opgelegd. De ondernemingen behoren in staat te zijn het publiek van hun standpunt in kennis te stellen op hetzelfde ogenblik waarop het van de beschikking verneemt. Zij kunnen dat echter niet doen zolang als zij het dictum van de beschikking — en de overwegingen welke er aan ten grondslag liggen — niet kennen. Dit was, wat SZAG betreft, het geval tot 15 januari 1973.

Weliswaar heeft het Hof in zijn arrest van 15 juli 1970 (zaak 41-69, Chemiefarma, Jurispr. 1970, blz. 695) overwogen dat in het in die zaak aan de pers verstrekte bericht de strekking en de inhoud van die beschikking niet waren verdraaid. Maar die jurisprudentie kan op het openbaarmaken van de beschuldigingen die in de mededeling van de punten van bezwaar besloten liggen niet worden toegepast.

###### 2. Samenvatting van de inhoud der verweerschriften

De Commissie antwoordt dat het tot haar taak behoort om in alle belangrijke kartelzaken het publiek in te lichten nopens de door haar genomen maatregelen; het belang van de gemeenschap bij zodanige informatie gaat voor bij het daarmede strijdige belang van de betrokken ondernemingen. Voorts wordt zulk een handelwijze nergens verboden, mits het zakengeheim wordt geëerbiedigd en de noodzakelijke voorzorgen worden genomen om buiten twijfel te stellen dat de inbreuk niet definitief is vastgesteld zolang daaromtrent geen einduitspraak is gedaan. Integendeel, in artikel 2 van verordening nr. 99/63 wordt de nietconfidentiële aard van de mededeling der punten van bezwaar erkend, immers de mogelijkheid van bekendmaking in het Publikatieblad voorzien. Met name in antwoord op een vraag van Eridania betoogt de Commissie dat die vennootschap zeer wel wist wat de Commissie zich te haren opzichte voorstelde te doen, aangezien zij in maart 1971 te haren kantore een onderzoek had ingesteld en haar op 13 mei 1972 had medegedeeld dat er tegen haar een procedure was ingeleid.

Na aan belanghebbenden de mededeling te hebben doen uitgaan heeft de Commissie op 24 juli 1972 een perscommuniqué gepubliceerd en een persconferentie gehouden; de publieke opinie wist reeds dat er een onderzoek lopende was. Na op 13 december 1972 de bestreden beschikking in beginsel te hebben vastgesteld en belanghebbenden te hebben ingelicht heeft de Commissie op 18 december 1972 het communiqué gepubliceerd, waarbij zij zich tot een weergave van de hoofdpunten der beschikking heeft beperkt, en op een andere persconferentie heeft de heer Borschette op de beschikking een algemeen commentaar gegeven. In de tijd tussen de mededeling en de beschikking heeft de Commissie het geschil niet in de publiciteit gebracht.

###### 3. Samenvatting van de inhoud der conclusies van repliek

Eridania en Industria degli zuccheri verklaren nader dat zij zich niet zo zeer beklagen over het feit dat de Commissie perscommuniqués heeft verstrekt als wel over het tijdstip en de methode welke zij daartoe heeft gekozen. Industria degli zuccheri voegt hieraan toe dat de gevolgde werkwijze de repressieve mentaliteit welke de Commissie tijdens de procedure bezielde, duidelijk doet uitkomen.

###### b) Industria degli zuccheri en SZAG:

###### Onrechtmatigheden begaan met betrekking tot de de mededeling van de punten van bezwaar

###### 1. Samenvatting van de inhoud van de verzoekschriften

aa) Industria degli zuccheri acht artikel 19 van verordening nr. 17 en artikel 4 van verordening nr. 99/63 geschonden doordien de aan de mededeling en punten van bezwaar ten grondslag liggende stukken deels „niet authentiek zijn en slechts uit aantekeningen bestaan”. Door deze handelwijze, die in strijd is met het in de aangehaalde bepalingen gehuldigde beginsel van procesvoering op tegenspraak, is de onderneming in dezelfde mate in de onmogelijkheid komen te verkeren zich behoorlijk te verdedigen. Voorts is Industria degli zuccheri onkundig van de inhoud van bepaalde documenten, zoals de processen-verbaal van de door sommige ondernemingen verlangde afzonderlijke verhoren en het in artikel 10 van verordening nr. 17 voorgeschreven advies van het Adviescomité.

bb) SZAG betoogt dat krachtens artikel 19 van verordening nr. 17, de artikelen 2 en 4 van verordening nr. 99/63 en de beginselen inzake het recht op verweer, de punten van bezwaar tegen een onderneming en de bewijsmiddelen waarvan de Commissie zich jegens haar wenst te bedienen, duidelijk moeten worden vermeld. De Commissie heeft deze regel miskend door haar punten van bezwaar in identieke bewoordingen aan 48 suikerondernemingen mede te delen, terwijl de gestelde feiten telkens slechts één der adressaten dan wel een beperkte groep van adressaten betroffen. De ondernemingen zijn daardoor onkundig gebleven van de in concreto tegen ieder hunner ingebrachte beschuldigingen en van het bewijs waarop die beschuldigingen berustten. Deze globale telastlegging heeft tot een ongeoorloofde omkering van de bewijslast gevoerd. Wat met name SZAG betreft: in de mededeling werd haar verweten dat zij aan een internationale afstemming van gedragingen, gebaseerd op het beginsel „chacun chez soi”, had deelgenomen, maar onder alle tot staving van dit punt van bezwaar ingeroepen documenten bevindt zich geen enkel stuk dat van SZAG is uitgegaan of tot haar was gericht. Deze vennootschap moest derhalve vrezen dat de antwoorden van andere on dernemingen in haar nadeel zouden worden uitgelegd en heeft de Commissie daarom bij memorie van 28 september 1972 om toezending van de afschriften verzocht, hetgeen deze heeft geweigerd op grond van het argument dat zij het zakengeheim moest eerbiedigen. Deze reden vermag evenwel de aantasting van SZAG's recht op verweer niet te rechtvaardigen. De Commissie spreekt zichzelf trouwens tegen, want wanneer de opmerkingen van de andere ondernemingen van vertrouwelijke aard waren, had de Commissie niet tot één enkele beschikking kunnen komen. Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat de Commissie zich niet ten exceptieve op het zakengeheim mag beroepen zonder de betrokken ondernemingen naar hun mening te hebben gevraagd — hetgeen zij in casu niet heeft gedaan —. Volgens artikel 3 van verordening nr. 1 had de mededeling van de punten van bezwaar, wat SZAG betreft, geheel in het Duits gesteld moeten zijn. Zij bevatte echter een groot aantal in andere talen gestelde stukken waarbij geen vertaling gevoegd was en die noch door SZAG waren opgesteld noch tot haar gericht. Ongetwijfeld had de Commissie er op gewezen (mededeling, voetnoot blz. 40 Duits en blz. 129) dat „van alle in de oorspronkelijke taal aangehaalde uittreksels” op aanvraag bij de diensten der Commissie een vertaling kan worden verkregen. Maar deze vingerwijzing kon de in de mededeling zelve ontbrekende vertaling niet vervangen (vgl. artikel 2, lid 1, van verordening nr. 99/73). Bovendien voldeden de bij de Commissie verkregen vertalingen niet aan de eisen die aan een mededeling van de punten van bezwaar mogen worden gesteld: zij waren met de hand gecorrigeerd, onvolledig en wanordelijk en zij bevatten fouten. Door te gewagen van uittreksels uit brieven welker afzender en adressaat niet werden vermeld gaf de Commissie een onvolledige omschrijving van de gegevens waarvan zij ten nadele van de ondernemingen gebruik gemaakt heeft. Waar de Commissie heeft opgemerkt (mededeling, blz. 129) dat de in de mededeling genoemde stukken in hun oorspronkelijke versie konden worden geraadpleegd, dient er op te worden gewezen dat SZAG's gemachtigde, die getracht heeft van deze mogelijkheid gebruik te maken, slechts een blik heeft mogen werpen in een ordner waarin de afschriften van de stukken al even anoniem waren gehouden als in de mededeling.

###### 2. Samenvatting van de inhoud der verweerschriften

ad aa) De Commissie zegt voor antwoord dat zij geen gebruik gemaakt heeft van niet-authentieke stukken. De bewering van Industria degli zuccheri is echter in zo algemene bewoordingen vervat dat de ongegrondheid van haar beschuldiging niet nader kan worden aangetoond. Uit artikel 9, lid 3, van verordening nr. 99/63 volgt dat het verhoor niet openbaar is; van de Commissie kan dus niet worden verlangd dat zij het proces-verbaal van het verhoor van belanghebbende A ter kennis brengt van belanghebbende B. Het advies van het Adviescomité wordt volgens artikel 10 van verordening nr. 17 alleen ter intentie van de Commissie uitgebracht.

ad bb) Dat een zelfde mededeling uitging naar 48 ondernemingen vindt zijn oorzaak in het feit dat de vastgestelde gedragingen goeddeels dezelfde waren. De Commissie heeft er niet van afgezien ten aanzien van iedere onderneming afzonderlijk bewijs te leveren. De Commissie is niet gerechtigd de ene onderneming afschriften van de opmerkingen der andere ondernemingen te doen toekomen. Het staat belanghebbenden vrij hun opmerkingen onderling uit te wisselen. De uitspraken van het Hof waarop SZAG zich beroept hadden op een andere situatie betrekking, namelijk op een onderzoek door de Commissie dat handelsbescheiden van verschillende belanghebbenden betrof. Met betrekking tot de aanhalingen in een andere taal dan het Duits die in de mededeling te vinden waren, zij opgemerkt dat op aanhalingen in de oorspronkelijke taal eerder mag worden afgegaan dan op vertalingen. Het is een overdreven bewering dat SZAG de vertalingen welke de Commissie te harer beschikking had gesteld, niet zou hebben kunnen gebruiken. Dat de identiteit van de afzender of van de adressaat van bepaalde stukken die SZAG's vertegenwoordiger heeft kunnen inzien verborgen is gehouden doet in het geheel niet af aan de waarde der aanwijzingen welke aan deze stukken kan worden ontleend en heeft SZAG niet in haar verdediging belemmerd. Het vond zijn verklaring in de noodzaak handelaren die voor hun zaken van de producenten afhankelijk zijn, te beschermen.

###### 3. Samenvatting van de inhoud der conclusies van repliek

ad aa) Industria degli zuccheri merkt, met verwijzing naar haar betoog ten principale, op dat de Commissie in haar antwoord het eerste middel niet heeft weerlegd. Dit geldt met name voor de waarde der „bewijsmiddelen” die zijn gebezigd om een afstemming van gedrag tussen de producenten-exporteurs en Industria degli zuccheri aan te tonen, alsook voor de bescheiden afkomstig van de confiseursbedrijven waarbij de Commissie een onderzoek heeft ingesteld. Van het feit dat het advies van het Adviescomité niet voor publikatie bestemd is kan voor het Hof geen middel worden gemaakt. Industria degli zuccheri vraagt het Hof de overlegging van dat advies — dat als een wezenlijk processtuk is te beschouwen — te gelasten, althans er kennis van te nemen.

ad bb) SZAG betoogt dat de gegrondheid van het eerste middel bij lezing van de mededeling aanstonds blijkt. Het argument der Commissie dat tegen de verschillende belanghebbenden gelijke feiten zouden zijn ingebracht, wordt door haar zelf weersproken waar zij elders in haar verweerschrift stelt dat er in totaal van vijf verschillende feitencomplexen sprake zou zijn. De stelling dat de Commissie ten aanzien van de ondernemingen ieder afzonderlijk bewijs zou hebben geleverd wordt eveneens reeds door de tekst van de mededeling weerlegd. Als voorbeeld van de feilen der mededeling kan er op worden gewezen dat zij ook is betekend aan twee leden van SZV, Wabern en Wetterau (Friedberg) die in de 129 bladzijden van de mededeling niet eenmaal worden genoemd.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van conclusie van dupliek 54-73

De Commissie antwoordt SZAG dat zij, naar bij lezing van de mededeling van de punten van bezwaar blijkt, daarin geen enkele twijfel heeft laten bestaan over de aard der aan iedere betrokken onderneming verweten inbreuken. Tijdens de administratieve procedure heeft SZAG trouwens tegen de verwijten welke in het bijzonder haar betroffen een volledig en gedetailleerd verweer gevoerd.

Met betrekking tot de betekening van de mededeling aan sommige leden van SZV kan worden volstaan met er op te wijzen dat de naam van SZV in de mededeling voorkomt en dat het normaal is wanneer de Commissie de leden van een ondernemersorganisatie van de tegen haar orgaan ingebrachte punten van bezwaar op de hoogte stelt.

###### c) Cavarzere en Industria degli zuccheri:

###### Niet-inachtneming van de procedure voorzien voor onderzoeken in bedrijfstakken; niet-raadplegen van de betrokken regeringen en van het Comité van beheer voor suiker

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

Cavarzere en Industria degli zuccheri geven een algemene uiteenzetting waarin zij stellen dat de suikermarkt vanouds een beschermde markt is en dat ook de communautaire ordening op beperking en controle van de produktie is gericht, zodat artikel 85 er op zou kunnen worden toegepast indien zij uit een ondernemersafspraak zou zijn voortgekomen. Daarbij komt de eigensoortigheid der in Italië geldende nationale regeling. Globaal genomen gaat het in de onderhavige zaken om een gehele sector van de Europese suikermarkt, te weten de export uit de landen met een overschot naar het enige land van de Gemeenschap met een tekort.

In die omstandigheden had de Commissie dienen over te gaan tot een algemeen onderzoek in de bedrijfstak, zoals in artikel 12 van verordening nr. 17 is voorzien wanneer bepaalde omstandigheden „aanleiding geven te vermoeden dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt in de betrokken bedrijfstak beperkt of vervalst wordt”. Deze handelwijze zou voor de Commissie de verplichting hebben medegebracht om — overeenkomstig voormelde bepaling alsmede de artikelen 39 en 40 van verordening nr. 1009/67 — „de tot deze bedrijfstak behorende ondernemingen de inlichtingen (te) verzoeken, die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de in artikel 85 en in artikel 86 van het Verdrag neergelegde beginselen” en het advies van de belanghebbende regeringen en van het Comité van beheer voor suiker in te winnen; met name had de Italiaanse Regering moeten worden geraadpleegd. Zou de Commissie aldus zijn te werk gegaan, dan zou zij hebben vastgesteld dat dit gedrag door de Italiaanse regeling aan belanghebbenden werd opgelegd.

###### 2. Samenvatting van de inhoud der verweerschriften

De Commissie zegt voor antwoord dat artikel 12 van verordening nr. 17 haar niet verplicht de aldaar voorziene procedure te volgen, doch haar daartoe slechts machtigt.

In casu hadden de inlichtingen waarover zij beschikte haar in staat gesteld zich een mening te vormen. Met name van de Italiaanse regeling was zij terdege op de hoogte; zij heeft echter gemeend dat die regeling ook zonder de gewraakte gedragingen voldoende ruimte voor mededinging zou hebben gelaten.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek van Industria degli zuccheri

Industria degli zuccheri antwoordt dat indien van de noodzaak van het hierbedoelde speciale onderzoek ooit duidelijk is gebleken, zulks in de onderhavige zaak het geval is geweest. Door daartoe niet over te gaan heeft de Commissie de ondernemingen bepaalde waarborgen waarop zij aanspraak mochten maken onthouden en een onvolledig onderzoek ingesteld.

###### d) Eridania, Cavarzere, Industria degli zuccheri en SZAG:

###### Schending van de procedurevoorschriften van verordening nr. 26 en van het beginsel der rechtszekerheid

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

Eridania, Cavarzere, Industria degli zuccheri en SZAG verwijten de Commissie dat zij de in artikel 2, lid 2, van verordening nr. 26 voorziene bijzondere procedure niet heeft toegepast, volgens welke bij beschikking kan worden vastgesteld welke overeenkomsten en gedragingen in de landbouwsector voldoen aan de in lid 1 omschreven voorwaarden waaronder artikel 85 geen toepassing vindt. Volgens deze ondernemingen had de Commissie niet, bij beëindiging van een alleen krachtens verordening nr. 17 gevoerd onderzoek, mogen besluiten dat bepaal de gedragingen op de suikermarkt niet aan die voorwaarden voldeden. Om ten deze tot een adequate besluitvorming in staat te zijn had de Commissie volgens de aangehaalde bepaling de Lid-Staten, en vooral Italië, moeten raadplegen, waarbij dan met name had kunnen worden vastgesteld dat het gedrag der on dernemingen, de Italiaanse regeling in aanmerking genomen, onder de in verordening nr. 26 omschreven uitzonderingen viel. Bovendien had de Commissie een speciale beschikking dienen te nemen.

Eridania en Cavarzere betogen voorts dat de in verordening nr. 26 voorziene uitzonderingen ambtshalve, ook zonder voorafgaande aanmelding bij de Commissie, van toepassing zijn. Zij had zich dus moeten houden aan de door het Hof opgestelde stelregel dat in verband met het beginsel der rechtszekerheid ondernemersovereenkomsten die niet behoeven te worden aangemeld rechtsgeldig blijven — zodat er wegens zulke overeenkomsten geen geldboete kan worden opgelegd —, zolang de Commissie zich er niet over heeft uitgesproken.

Industria degli zuccheri volgt een soortgelijke, zij het bondiger, redenering.

SZAG wijst er voorts op dat het rechtszekerheidsbeginsel, dat trouwens in de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 26 ter sprake komt, medebrengt dat aan de zeer complexe verhouding tussen de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwmarkten en het communautaire kartelrecht in ieder afzonderlijk geval een speciale procedure moet worden gewijd. En al mocht de Commissie bevoegd zijn geweest om vaststellingen krachtens verordening nr. 26 en maatregelen krachtens verordening nr. 17 te zamen in een beschikking onder te brengen, dan nog had zij in geen geval met terugwerkende kracht een geldboete mogen opleggen.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie zegt voor antwoord dat artikel 2, lid 2, van verordening nr. 26 hoogstens in die zin zou mogen worden uitgelegd dat zij gehouden is de aldaar voorziene bijzondere procedure toe te passen wanneer zij aanleiding vindt tot een positieve beschikking, dat wil zeggen een beschikking waarin zij vaststelt dat de uitzonderingsvoorwaarden zijn ver vuld. Maar voor een negatieve beschikking, dat is een beschikking naar aanleiding van een niet onder artikel 2, lid 2, van verordening nr. 26 vallende inbreuk, blijft de procedure van verordening nr. 17 gelden; dit blijkt uit artikel 1 van verordening nr. 26 waarin niet alleen aan de artikelen van het Verdrag, maar ook aan „de. voor hun toepassing uitgevaardigde bepalingen” wordt gerefereerd. Om deze reden én op grond van overwegingen van proceseconomie zou men de Commissie hoogstens bevoegd kunnen achten om bij speciale beschikking vast te stellen dat een bepaalde gedraging niet onder de desbetreffende uitzonderingen kan worden gebracht; zulk een handelwijze zou echter slechts opportuun zijn wanneer de oplossing twijfelachtig mocht lijken. De rechtsbescherming der ondernemingen heeft daaronder niet te lijden; zij blijven vrij zich met een beroep tegen de krachtens artikel 85 van het Verdrag genomen beschikking tot het Hof te wenden.

In ieder geval is er geen sprake van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 173 van het Verdrag.

Meer in het bijzonder in antwoord op de stellingen van Eridania en Cavarzere betoogt de Commissie dat het beginsel van de voorlopige geldigheid van ondernemersafspraken die niet behoeven te worden aangemeld, in casu niet geldt. Allereerst valt het onderhavige geval niet onder artikel 4, lid 2, van verordening nr. 17. Vervolgens werkt de in verordening nr. 26 bedoelde niet-toepasselijkheid van artikel 85 van het Verdrag ex lege, terwijl die bedoeld in artikel 85, lid 3, slechts kan worden uitgesproken door de Commissie die te dien aanzien over een discretionaire bevoegdheid beschikt en zich alleen op initiatief van de belanghebbende ondernemingen kan uitspreken.

Meer in het bijzonder in antwoord op de stellingen van SZAG betoogt de Commissie dat de bewering dat er geen geldboete met terugwerkende kracht zou mogen worden opgelegd moeilijk te begrijpen is.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

Eridania antwoordt dat reeds uit de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 26 blijkt dat de aldaar voorziene bijzondere procedure zowel op een positieve als op een negatieve verklaring toepassing dient te vinden. Bovendien is het kennelijk zo dat wanneer de wet om tot een bepaalde vaststelling te komen een bepaalde procedure voorschrijft, die procedure ook onafhankelijk van de positieve of negatieve uitkomsten waartoe zij kan leiden — en die het betrokken gezagsorgaan bij het inleiden der procedure nog niet kent — dient te worden gevolgd.

De in verordening nr. 26 voorgeschreven procedure is niet te vergelijken met die krachtens verordening nr. 17, omdat de Lid-Staten moeten worden gehoord.

De in genoemde verordening voorziene uitzonderingen gelden van rechtswege en de Commissie had dus alleen strafmaatregelen mogen nemen naar aanleiding van gedragingen die hebben plaatsgevonden na de beschikking waarmede de krachtens de verordening ingeleide procedure wordt besloten, 's Hofs arrest van 6 februari 1973 (zaak 48-72, „Haecht II”, Jurispr. 1973-2, blz. 77), volgens hetwelk aanmeldingen overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 17 geen schorsende werking hebben, doet hieraan niet af: het ging in dat arrest om de rechtsgeldigheid van overeenkomsten en niet om de bevoegdheid tot oplegging van geldboeten wegens onderling afgestemde feitelijke gedragingen.

Industria degli zuccheri voert soortgelijke argumenten aan en beroept zich met name op de bewoordingen van artikel 2, lid 1, in fine, van verordening nr. 26. Zij betoogt voorts dat de Commissie het zelf nodig heeft geacht in haar beschikking vast te stellen dat die verordening toepassing mist; zij was dus van mening dat zij anders geen inbreuk had kunnen vaststellen en geen geldboeten had kunnen opleggen. Wanneer zodanige vaststelling echter noodzakelijk was, valt niet wel in te zien waarom daarbij de vormvoorschriften en waarborgen der verordening niet zouden moeten worden geeerbiedigd.

Zelfs wanneer voor de vaststelling dat de verordening niet van toepassing is de procedure bedoeld in haar artikel 2, lid 2, niet behoeft te worden gevolgd, had de Commissie toch in ieder geval overeenkomstig lid 1 van dat artikel dienen vast te stellen dat door de gewraakte gedragingen „de mededinging … wordt uitgesloten of … de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar worden gebracht”. Pas na zodanige vaststelling had de Commissie mogen te werk gaan zoals zij in casu heeft gedaan; ondernemingen die zich bij voorbeeld verder van zulke gedragingen wilden onthouden, zouden dan de mogelijkheid hebben gehad de gevolgen welke verordening nr. 17 aan schending van de mededingingsvoorschriften verbindt, te beperken.

Volgens SZAG komt de redenering der Commissie er op neer dat het haar vrij zou staan de procedurevoorschriften van verordening nr. 26, naar gelang van het resultaat dat haar voor ogen staat, al dan niet toe te passen. Dat zou betekenen dat dat resultaat moet worden vastgesteld op het tijdstip waarop de Commissie besluit die voorschriften al dan niet toe te passen. Maar verordening nr. 26 bevat dwingende voorschriften nopens de wijze waarop de Commissie zich een mening dient te vormen.

De Commissie kan niet staande houden dat niet-nakoming van de bepalingen van verordening nr. 26 de rechten van belanghebbenden niet zou schenden omdat zij vrij blijven om zich tot het Hof te wenden. Zulk een standpunt zou neerkomen op een ontkenning van iedere verplichting de procedurevoorschriften in acht te nemen en daarmede indruisen tegen artikel 173 van het Verdrag.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie herhaalt bij haar beantwoording van de stellingen van SZAG allereerst bepaalde argumenten die ook in de verschillende verweerschriften zijn te vinden. Vervolgens betoogt zij dat de beschikking is genomen na raadpleging van het Adviescomité bedoeld in artikel 10 van verordening nr. 17; de Lid-Staten zijn in het Comité vertegenwoordigd en waren dus in de gelegenheid zich over de toepasselijkheid van verordening nn 26 uit te spreken. Bovendien biedt het verhoor bedoeld in verordening nr. 17 ten minste dezelfde waarborgen als een verhoor krachtens verordening nr. 26.

###### e) Eridania, Industria degli zuccheri, SADAM en SZAG:

###### Te korte termijnen voor het indienen van opmerkingen

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

Eridania, Industria degli zuccheri, SADAM en SZAG betogen dat de Commissie in de op 24 juli 1972 gedateerde mededeling die de adressaten enkele dagen nadien heeft bereikt, een midden in de vakantietijd eindigende termijn van twee maanden voor het maken van opmerkingen heeft gesteld en verlenging van die termijn heeft geweigerd. In verband met dit een en ander en gelet op de complexe aard van de onderhavige materie, de cumulatieve behandeling der grieven in een en dezelfde mededeling, de uitvoerigheid der mededeling, het feit dat iedere onderneming was genoodzaakt ook van het gedrag en van het verweer der andere ondernemingen kennis te nemen en de ernst der tegen hen ingebrachte beschuldigingen, was de tijd welke de Commissie belanghebbenden ter voorbereiding van hun verdediging heeft gelaten te kort, waarmede zij artikel 11 van verordening nr. 99/63 heeft geschonden. In dat artikel wordt bepaald dat de Commissie bij de vaststelling van de termijnen ook met de mate van spoedeisendheid rekening houdt, maar die bepaling is in casu niet van toepassing omdat de Commissie ruim drie jaar vóór de mededeling van haar punten van bezwaar aan de betrokken ondernemingen met haar onderzoek was begonnen.

Eridania en Industria degli zuccheri betogen voorts dat de reden waarom het verzoek om verlenging van die termijn is afgewezen — de voor het verhoor bestemde zaal zou na de daartoe bepaalde data (17 en 18 oktober 1972) niet beschikbaar zijn geweest — niet als serieus kan worden beschouwd.

SADAM voegt hieraan dat het verhoor, gezien het aantal daarbij betrokkenen, „in grote verwarring” heeft plaats gehad en dat de Commissie er bij die gelegenheid mede heeft volstaan de argumenten van belanghebbenden „en bloc” te verwerpen zonder dat hun de mogelijkheid is geboden er dieper op in te gaan.

SZAG wijst er voorts op dat zij vóór de mededeling niet van het onderwerp der procedure op de hoogte gesteld was en die tijd dus niet heeft kunnen gebruiken om haar dossier voor te bereiden.

Bij memorie van 31 oktober 1972 heeft zij gebruik gemaakt van haar in 's Hofs rechtspraak erkende bevoegdheid om na het verstrijken van de termijn door de Commissie gesteld haar standpunt schriftelijk uiteen te zetten. Zelfs toen was zij echter niet in staat zich volledig te verklaren. Na voormelde datum achtte zij het zinloos met nadere verklaringen te komen. Enerzijds had de Commissie er in haar oproeping voor het mondeling verhoor op gewezen dat „de schriftelijke fase van het verhoor was geëindigd” en anderzijds heeft tijdens dat verhoor de voorzitter Jaume erop gewezen dat de ondernemingen „beschikken over een termijn van twee weken, ingaand na het verhoor, om aan de Commissie in aanvulling op hun verklaringen schriftelijke stukken te doen toekomen (het gaat hierbij niet om een verlenging van de antwoordtermijn)”. SZAG moest er dus mee rekenen dat de Commissie op nadere opmerkingen geen acht meer zou slaan.

Ten slotte zou de Commissie blijkens bepaalde aanwijzingen voormelde opmerkingen van 31 oktober 1972 niet of slechts ten dele in aanmerking hebben genomen.

###### 2. Samenvatting van de inhoud der verweerschriften

De Commissie zegt voor antwoord dat de minimumtermijn in artikel 11 van verordening nr. 99/63 op slechts twee weken is gesteld. De in casu op twee maanden bepaalde termijn was lang genoeg, ook wanneer men ermede rekening houdt dat hij gedeeltelijk in de vakantie viel. De Commissie kon zich ten deze niet al te vrijgevig betonen en moest er voor zorgen dat de procedure niet te lang duurde. De door de ondernemingen te bestuderen dossiers waren niet al te omvangrijk, vooral niet wanneer men bedenkt dat zij zich ten aanzien van ieder hunner tot het hen betreffend gedeelte van de tekst heeft beperkt. In de mededeling is aan belanghebbenden met zoveel woorden de gelegenheid geboden de daarin vermelde stukken in te zien.

Belanghebbenden hebben de gelegenheid gehad zich schriftelijk en ten verhore te verdedigen; sommigen hunner hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt door bij de Commissie lijvige memories in te dienen. De Commissie heeft hun gehele betoog behoorlijk in aanmerking genomen, zoals wel blijkt uit het feit dat zij haar opvatting op bepaalde punten heeft gewijzigd, onder meer in die zin dat zij ten aanzien van sommige adressaten der mededeling van de oplegging van geldboeten heeft afgezien. Wat met name SZAG betreft: haar veronderstelling dat wanneer zij op de suggestie van de heer Jaume zou zijn ingegaan en nadere opmerkingen had ingediend, daarop door de Commissie geen acht zou zijn geslagen, vindt nergens steun.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek van Industria degli zuccheri

Industria degli zuccheri wijst er slechts op dat uit de weigering de termijn voor verweer te verlengen blijkt dat de Commissie zich tijdens de procedure door repressieve gevoelens liet leiden.

###### f) Eridania en SZAG:

###### Schending van artikel 4 van verordening nr. 99/63

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

aa) Eridania betoogt dat in strijd met artikel 4 van verordening nr. 99/63 aan de beschikking feiten ten grondslag gelegd zijn die in de mededeling niet ter sprake waren gebracht (klachten van de Italiaanse ondernemers — beschikking, blz. 23, r.kol. — en de bedragen waarmede de buitenlandse producenten zich hadden verbonden de prijzen voor leveranties aan zelfstandigen te verhogen — beschikking, blz. 24, r. kol.). De Commissie heeft trouwens geen enkele bron genoemd waaruit zij haar bewijzen zou hebben geput. De Commissie heeft voormelde bepaling — en de algemene rechtsbeginselen — ook geschonden door gebruik te maken van anonieme stukken of gewone voor intern gebruik bestemde nota's van buiten de procedure staande ondernemingen zoals Export. Voorts verzoekt Eridania het Hof de overlegging te gelasten van bepaalde stukken waarop de Commissie acht schijnt te hebben geslagen doch die zij niet ter kennis van Eridania heeft gebracht, te weten: de bij de Commissie aangemelde overeenkomst van de Franse fabrikanten, bedoeld op bladzijde 22 (r. kol.) van de beschikking; de processen-verbaal betreffende de afzonderlijke verhoren van sommige der betrokken ondernemingen; het advies van het in artikel 10 van verordening nr. 17 bedoelde Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities.

bb) SZAG wijst er op dat zij volgens de beschikking (blz. 24, r. kol.) overleg zou hebben gepleegd met de Italiaanse fabrikanten om hun het grootste deel van haar uitvoer rechtstreeks te leveren. In de mededeling is echter geen sprake van zodanig overleg; anderzijds heeft de Commissie daarin wel gesteld (blz. 102) dat leveringen aan Italiaanse niet-fabrikanten „praktisch onmogelijk” waren gemaakt. De beschikking bevat dus beweringen die in de mededeling niet te vinden zijn.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie antwoordt:

ad aa) De klachten van Italiaanse ondernemers en de samenstelling van de verhoging die op de prijzen bij verkoop aan niet-fabrikanten is toegepast zijn niet genoemd als punten van bezwaar die tegen de verdachte ondernemingen zijn ingebracht, doch als materiaal tot staving van tegen hen wèl in aanmerking genomen punten van bezwaar. In de mededeling wordt daarnaar verwezen op de bladzijden 51 en 77. Het stond Eridania vrij de oorspronkelijke stukken waarop de mededeling gebaseerd is in te zien, zoals ook blijkt uit de uitnodiging die op bladzijde 129 der mededeling is vermeld. De bij de Commissie aangemelde overeenkomst van Franse fabrikanten heeft, wat Eridania betreft, de beschikking in het geheel niet beïnvloed. De processen-verbaal van verhoor behoeven volgens verordening nr. 99/63 niet aan de andere ondernemingen te worden medegedeeld; wel schrijft artikel 9 der verordening openbaarheid van het verhoor voor. Het Adviescomité brengt slechts advies uit ter intentie van de Commissie. Het gaat in deze voorschriften bovendien om processuele stadia volgend op het stadium bedoeld in artikel 4 van verordening nr. 99/63.

ad bb) De vaststelling dat SZAG overleg heeft gepleegd met de Italiaanse fabrikanten berust op de — in de mededeling vermelde — leveranties van SZAG aan die fabrikanten.

###### g) Eridania, Industria degli zuccheri SADAM, Sucres et Denrées, Say, Générale sucriére en SZAG:

###### Schending van artikel 190 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

Sommige verzoeksters bedienen zich van (huns inziens schending van artikel 190 van het Verdrag behelzende) middelen die veeleer de zaak ten principale betreffen en derhalve hierna onder B zullen worden behandeld. Anderzijds beroept Industria degli zuccheri zich onder het hoofd „schending van de artikelen 19 van verordening nr. 17, 4 van verordening nr. 99/63 en 190 van het Verdrag” op middelen welke geacht kunnen worden onvoldoende motivering te behelzen. Hetzelfde geldt voor de bezwaren die SZAG onder het hoofd „de bewijslevering van de Commissie” heeft geformuleerd.

aa) Eridania, Industria degli zuccheri en Sadam achten de beschikking onvoldoende gemotiveerd, nu daarin de mededeling slechts beknopt wordt samengevat en aan de opmerkingen van belanghebbenden stilzwijgend wordt voorbijgegaan c.q. die opmerkingen zonder meer van de hand worden gewezen.

bb) Industria degli zuccheri betoogt dat in de beschikking (blz. 19, r. kol.) de onbewezen stelling voorkomt dat „de rest van de Italiaanse produktie” — dat wil zeggen suiker geproduceerd door ondernemingen die geen deel uitmaken van de drie aldaar genoemde groepen — door die groepen is afgezet. De bewering dat de suikerfabrieken van de Lid-Staten getracht hebben te komen tot een gemeenschappelijk verkoopbeleid op basis van de beginselen „chacun chez soi” en „geen goederenbeweging van land tot land tenzij bij overeenstemming tussen de fabrikanten” (beschikking, blz. 22, r. kol. en 23. 1. kol.) is ten aanzien van Italië ongerijmd. De Italiaanse markt is deficitair en de voor Italië vastgestelde geregionaliseerde interventieprijs heeft a priori alle export van Italiaanse suiker onmogelijk gemaakt. Volgens de Commissie zelf (beschikking, blz. 44, 1. kol.) „verklaart” het feit dat de suikermarkt tot in 1968 in nationale marktordeningen was geregeld „een … langzame aanpassing” aan de mogelijkheden van een vrije handel tussen Lid-Staten die de ordening van de Gemeenschap heeft geopend. De Commissie heeft ook erkend (beschikking, blz. 22, 1. kol.) dat de prijs franco fabriek in Italië altijd dicht bij de interventieprijs heeft gelegen. Deze vaststellingen zijn in strijd met de beschuldiging die tegen de Italiaanse fabrikanten is ingebracht, te weten dat zij in overleg met de buitenlandse fabrikanten de Italiaanse invoermarkt kunstmatig hebben beperkt.

cc) Sadam acht de in de beschikking voorkomende passage dat Sadam „zich in dezelfde positie als … AIE (Emiliana) of … Zuccherificio del Volano … bevindt, wat haar deelname aan de inschrijvingen van de Cassa Conguaglio betreft” (beschikking, blz. 45, 1. kol.) onduidelijk.

dd) Sucres et Denrées, Say en Générale sucriére betogen dat de bewering volgens welke de onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot de Italiaanse markt niet onder de eerste uitzondering omschreven in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 kunnen worden gebracht „wegens het bestaan van een gemeenschappelijke marktordening, die geen plaats meer heeft gelaten voor de nationale marktordeningen” (beschikking, blz. 42, r. kol.) feitelijk en rechtens had moeten worden gestaafd. Die bewering is in strijd met de passages der beschikking waarin wordt gesteld „dat op de Italiaanse markt een bijzondere situatie bestaat zowel ten gevolge van de communautaire ordening als van door de nationale autoriteiten getroffen bijzondere bepalingen” (beschikking, blz. 21, r. kol. en 22 1. kol.) — en die situatie wordt beschreven. — Say en Générale sucrière voegen hieraan toe dat de Commissie dan ook heeft verzuimd te onderzoeken of de gewraakte gedragingen een integrerend deel uitmaken van een nationale marktordening, te weten de Italiaanse. Sucres et Denrées betoogt met name dat de Commissie niet mag stellen dat Italië het Gemeenschapsrecht heeft geschonden en dat de betrokken ondernemingen van zodanige schending geen gebruik mogen maken. De Commissie die trouwens tegen de Italiaanse regeling niet is opgetreden, moet de onrechtmatigheid van dat gebruik aantonen; bovendien moesten de ondernemingen zich naar die regeling gedragen.

ee) Say meent dat het niet aangaat enerzijds vast te stellen dat een fabrikant „een grotere winst kan halen door … rechtstreeks aan de betrokken handelaren en gebruikers te leveren” (beschikking, blz. 31, 1. kol.) — hetgeen wil zeggen dat men ook tot zulke leveringen tegen hogere prijzen gerechtigd is — en anderzijds de ondernemingen te verwijten aan niet-fabrikanten zulke verkoopprijzen te hebben berekend.

ff) SZAG betoogt allereerst dat in iedere procedure die tot oplegging van een geldboete kan leiden het beginsel in dubio pro reo moet worden geëerbiedigd. De Commissie heeft echter ter adstructie van haar bewering dat er van onderling afgestemde feitelijke gedragingen sprake zou zijn genoegen genomen met „Anhaltspunkte” (indices, points de repère, „renseignements” volgens de Franse tekst van de beschikking, blz. 31, 1. kol., eerste overweging sub 2) en „Annahmen” (suppositions; vgl. blz. 37, r. kol., tweede overweging sub 2 van de Duitse tekst). Men heeft er in de beschikking bijna volledig van afgezien werkelijke bewijsmiddelen te noemen en veelal worden zelfs de feitelijke omstandigheden waarop zij berust niet vermeld; de Commissie heeft aldus op ontoelaatbare wijze getracht de bewijslast om te keren. SZAG noemt bij wijze van voorbeeld: de beweringen dat „de suikerfabrikanten van de Gemeenschap sinds de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke ordening in de sector suiker ernaar gestreefd hebben, een algemene regeling over de suikerafzet … te treffen” en dat dit met name het doel was van de bijeenkomst te München (beschikking, blz. 22, r. kol.); de passage waarin wordt beweerd dat „de verkooppolitiek van de suikerfabrikanten van de Gemeenschap in de campagne 1969/1970 meer in het algemeen vastgesteld werd” (beschikking, blz. 23, 1. kol.); de daarin ter sprake gebrachte nota's van Export leveren ten opzichte van SZAG geen bewijs op, aangezien de Commissie haar nimmer heeft verweten dat zij met RT een afspraak over bepaalde marktverdelingen had gemaakt; het feit dat de Commissie ook de in de mededeling aangegeven documenten en feitelijke omstandigheden als bewijsmiddelen in aanmerking heeft genomen zonder dezelve te hebben gespecificeerd, — en derhalve: zonder ze in de beschikking zelve te hebben opgenomen —. SZAG wijst op een „in het dispositief der beschikking begane vormfout”, daarin bestaande dat in artikel 1, lid 1, sub 1 ook te haren aanzien een „vanaf het einde van het verkoopseizoen 1968/1969” begane „inbreuk” wordt vastgesteld, ofschoon zij volgens de overwegingen der beschikking (blz. 31, 1. kol.) „slechts gedurende de campagne 1969/1970 aan de leveranciersgroep heeft deelgenomen”. Weliswaar heet het vervolgens dat SZAG „verder door is gegaan met de rechtstreekse leveranties aan de Italiaanse fabrikanten, … voor het grootste deel van de door haar in Italië uitgevoerde suiker” (loc, cit.); maar nu zij er van uitging dat SZAG een minder ernstige inbreuk had begaan, had de Commissie haar gedrag ook niet in allen dele met dat van de andere belanghebbenden mogen gelijkstellen.

###### 2. Samenvatting van de inhoud der verweerschriften

ad aa) De Commissie antwoordt dat zij niet verplicht is alle door de ondernemingen voorgedragen middelen te weerleggen.

ad bb) Dat de suikerafzet al dan niet aan bepaalde groepen fabrikanten wordt toevertrouwd, houdt geen „punt van bezwaar” noch een tot staving daarvan gebruikt gegeven in. De andere bedenkingen, van Industria degli zuccheri betreffen de zaak ten principale.

ad cc) Het staat vast dat Sadam, evenals — en zelfs vaker dan — Emiliana en Volano, geregeld heeft deelgenomen aan de inschrijvingen en dezelfde „sovrapprezzo-quota” heeft geboden.

ad dd) De gestelde tegenstrijdigheid is niet aanwezig. De Commissie heeft het bestaan van een aantal speciale bepalingen voor de Italiaanse markt erkend, doch meent dat zij niet van zodanige omvang zijn dat van een nationale marktordening zou mogen worden gesproken. Voor het overige verwijst de Commissie naar hetgeen zij ten principale heeft betoogd (infra, B b 2).

ad ee) Het antwoord van de Commissie op dit middel van Say is te vinden in haar betoog betreffende het door deze vennootschap ingeroepen middel inzake schending van artikel 85 van het Verdrag (infra B a 2).

ad ff) De Commissie heeft nimmer betwist dat bij levering van het volledig bewijs van een onderling afgestemde feitelijke gedraging aan dezelfde eisen moet worden voldaan als in een strafproces naar nationaal recht. Uit het door SZAG gestelde volgt niet dat dit beginsel in casu zou zijn geschonden. Met name doet weinig ter zake dat er in de beschikking van „Anhaltspunkte” (renseignements) of „Annahmen” (suppositions) en niet van bewijsmiddelen wordt gesproken. Met betrekking tot de door SZAG gege ven voorbeelden zegt de Commissie voor antwoord: dat de Commissie zich op de notulen van de vergadering van München, dus op een bewijsmiddel van de eerste orde, heeft gebaseerd; een uittreksel daaruit wordt op de bladzijden 41 en 42 van de mededeling weergegeven; dat de door SZAG aangehaalde passage voorkomende op bladzijde 23 (1. kol.) van de beschikking niet op haar betrekking heeft; dat de stelling volgens welke in de beschikking alle in de mededeling genoemde bewijsstukken hadden moeten worden aangehaald, in 's Hofs jurisprudentie geen enkele steun vindt. Mocht er in het dispositief een vormfout zijn begaan, dan zou zij tot goed begrip kort en algemeen moeten worden geformuleerd. Wanneer er behoefte aan verduidelijking of aan uitlegging bestaat, dient met de overwegingen der beschikking te rade te worden gegaan; daaruit blijkt in casu duidelijk hoe lang SZAG's deelneming aan de inbreuken heeft geduurd.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek van SZAG

SZAG betoogt met betrekking tot het middel volgens hetwelk er in het dispositief een vormfout zou zijn begaan (supra, 1 ff in fine, 2 ad ff in fine) dat in de beschikking (blz. 31, 1 kol., sub 1) met zoveel woorden wordt gezegd dat de vennootschap „slechts gedurende de campagne 1969/1970 aan de leveranciersgroep heeft deelgenomen”, terwijl er met betrekking tot de deelneming van de vennootschap aan eventuele inbreuken tijdens de verkoopseizoenen 1970/1971 en 1971/1972 geen enkel concreet feit wordt genoemd en geen enkel bewijs wordt geboden. Reeds om die reden moet SZAG's veroordeling, voor zover die twee seizoenen betreffende, worden nietigverklaard.

###### 4. Samenvatting van de conclusie van dupliek 54/73

De Commissie antwoordt dat de door SZAG aangehaalde tekstplaats onmiddellijk wordt gevolgd door een zinsnede die als volgt is geredigeerd: „en dat deze onderneming verder doorgegaan is met de rechtstreekse leveranties aan de Italiaanse fabrikanten, concurrenten voor het grootste deel van de door haar in Italië uitgevoerde suiker”. De „leveranciersgroep” bedoeld in de door SZAG aangehaalde tekst bestond kennelijk uit de Franse en Belgische fabrikanten en verzoekster. De uitdrukking „is doorgegaan met” kon logischerwijze alleen betrekking hebben op de verkoopseizoenen 1970/1971 en 1971/1972.

###### h) RT: Onvoldoende duidelijkheid van het dispositief

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

RT betoogt dat artikel 2 van de beschikking, waarin haar wordt gelast een einde te maken aan de vastgestelde inbreuken, niet van de aan die zelfde beschikking ten grondslag liggende overwegingen mag worden losgemaakt. En daarin wordt niet duidelijk tot uitdrukking gebracht of de verkopen van fabrikant tot fabrikant volgens de Commissie ipso facto zijn verboden dan wel alleen wanneer zij op afstemming berusten. Zulk een onnauwkeurigheid is in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid, dat met name in een zaak van quasi strafrechtelijke aard in acht moet worden genomen. Wanneer de Commissie zulke verkooptransacties werkelijk als ipso facto in strijd met artikel 85 heeft beschouwd, moet de beschikking wegens schending van die bepaling worden nietigverklaard.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie antwoordt dat zij als inbreuken alleen heeft beschouwd de leveringen van fabrikant tot fabrikant die in het kader van de gewraakte afgestemde gedragingen pasten en afscherming van de nationale markten tot doel of tot gevolg hadden. Telkens wanneer zij zulke leveranties op het oog had, heeft zij gedetailleerd uiteengezet waarom, en op welke wijze zij in dat kader kunnen worden geplaatst.

###### B — Middelen ten principale

###### a) Générale sucrière, Say, Béghin, RT, Sucres et Denrées, SZAG, Eridania, Cavarzere, Industria degli zuccheri, Volano, Emiliana en Sadam:

###### Schending van artikel 85 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van de verzoekschriften

###### aa) De Italiaanse ordening van de suikermarkt (betekenis, toepassing, invloed, toelaatbaarheid)

Voor de beschrijving van deze ordening vgl. hiervoor I 2 B.

Een min of meer gedetailleerd overzicht wordt ook gegeven door Générale sucrière, Say, Béghin, Sucres et Denrées, Eridania, Cavarzere, Industria degli zuccheri en Emiliana.

###### aaa) Betekenis en toepassing van de Italiaanse ordening

Générale sucrière, Say, Eridania, Cavarzere en Industria degli zuccheri hebben, in grote trekken, allen betoogd dat deze ordening moet worden bezien in het licht van de in Italië bestaande economische situatie, die door de volgende factoren wordt gekenmerkt:

De plaatselijke condities voor de suikerbietenteelt zijn moeilijk. Om klimatologische redenen zijn de Italiaanse suikerfabrieken gedwongen de verwerking van suikerbieten in een korte periode te concentreren, zodat de installaties gedurende de rest van het jaar niet kunnen worden gebruikt. De industriële waarde van Italiaanse suikerbieten verschilt aanmerkelijk van die van bieten die in het noorden van de Gemeenschap worden geteeld. De produktiekosten zijn in Italië naar verhouding hoog. Een en ander maakt deze bedrijven minder winstgevend.

De suikerbietenteelt en suikerproductie vertonen in Italië een tekort; dit tekort neemt mèt de behoeften van jaar tot jaar toe.

Italië heeft erop moeten toezien dat dit tekort door invoer werd gedekt, doch die invoer tevens moeten beperken ten einde de fabrikanten te beschermen. Dat de interventieprijs er boven de marktprijs der andere Lid-Staten ligt, maakt van Italië uitsluitend een importeurenland.

Er heeft nimmer een onafhankelijke verkooporganisatie voor suiker bestaan; het produkt wordt door de fabrikanten verhandeld. Zij zijn bovendien steeds ook als importeurs opgetreden. Zij zijn wel gedwongen zich ook met de handel in te laten ten einde een beter gebruik van hun opslagmogelijkheden en kantoren te kunnen maken en de wanverhouding tussen de winstmarge en de kosten van afschrijving op de installaties te kunnen verkleinen.

Générale sucriére en Industria degli zuccheri betogen dat — ook afgezien van de „sovrapprezzo” — in Italië geïmporteerde suiker aan een aantal rechten en heffingen is onderworpen die niet steeds op binnenlandse suiker worden toegepast.

###### bbb) De invloed van de Italiaanse maatregelen op de mededinging en het gedrag der ondernemingen

De meeste verzoeksters en met name Générale sucrière, Say, Béghin, Eridania en Industria degli zuccheri betogen dat waar de situatie op de Italiaanse markt alle werkelijke mededinging uitsloot, van beperking dier mededinging geen sprake kon zijn. De daartoe gestelde gronden kunnen worden gerangschikt naar gelang zij door de leveranciers-exporteurs dan wel door de fabrikanten-importeurs worden voorgedragen.

###### Samenvatting van de opmerkingen der niet-Italiaanse ondernemingen (leveranciers-exporteurs)

In grote trekken betogen Générale sucriére, Say, Béghin, RT, Sucres et Denrées en SZAG het volgende:

Zoals in de beschikking (blz. 22, 1. kol.) is erkend, zou toepassing van de volledige „sovrapprezzo” (23 lire per kg), mede in aanmerking genomen de transportkosten, iedere uitvoer naar Italië onmogelijk hebben gemaakt: de buitenlandse leveranciers konden dan namelijk slechts leveren tegen een prijs die het door de Italiaanse overheid vastgestelde maximum te boven ging. Uitvoer naar Italië was eigenlijk alleen nog maar mogelijk in het kader van een openbare inschrijving, met andere woorden door de ondernemingen aan wie de inschrijving is gegund en wel tot de door de Ccz vastgestelde hoeveelheden.

Om na te melden redenen heeft het Italiaanse stelsel, op zichzelf dan wel in samenhang met de communautaire regeling bezien, enerzijds alle echte mededinging onmogelijk gemaakt en anderzijds het gedrag der ondernemingen „geconditioneerd”:

Door de „sovrapprezzo” slechts voor beperkte, op haar behoeften afgestemde, hoeveelheden toe te wijzen heeft Italië het aanbod precies aan de vraag aangepast, en dat op een markt met uniforme prijzen. De mededingingswetten brengen nu eenmaal mede dat zich op een markt alleen prijsschommelingen kunnen voordoen wanneer de vraag het aanbod of het aanbod de vraag overtreft.

Het is niet vreemd dat ingevoerde suiker voor consumptie geleverd is „tegen dezelfde prijzen en onder dezelfde voorwaarden als binnenlands geproduceerde suiker” (beschikking, blz, 24, 1. kol.): het Italiaanse systeem leidt tot stabilisatie van de prijs van ingevoerde suiker op het niveau van de binnenlandse markt.

De voornaamste Italiaanse suikerfabrieken hebben een stelsel van verevening van de transportkosten toegepast dat door de Italiaanse regering op zijn minst sterk werd aanbevolen. Zij verkopen franco naar alle Italiaanse bestemmingen; in hun prijzen wordt daartoe een „quota trasporto” verdisconteerd waarvan het bedrag voor ieder hunner overeenkomt met het gemiddelde van de kosten van vervoer af fabriek naar de magazijnen der kopers.

Zou de suikerinvoer echter niet goeddeels door de Italiaanse fabrikanten geschieden, dan zou zij bedoelde vereveningen kunnen ontwrichten. Enerzijds nemen de afnemers van suiker in de Po-vlakte — het voornaamste produktie- en consumptiecentrum —, wanneer het er om gaat rechtstreeks suiker uit andere Lid-Staten te betrekken, geografisch een betere positie in dan die in andere Italiaanse regio's; doch anderzijds neemt het aandeel van door de Italiaanse fabrieken in het Noorden geleverde suiker — met lagere „quota trasporto”-kosten — af naar mate er aldus meer rechtstreeks wordt aangevoerd, terwijl hun leveranties aan het Zuiden — met hogere „quota trasporto”-kosten — toenemen. De „quota-trasporto” stijgt dan, en dientengevolge ook de suikerprijs. Het bleek dus al spoedig wenselijk dat dé invoer goeddeels in handen kwam van de Italiaanse suikerfabrieken — zoals trouwens door de Italiaanse Regering min of meer werd afgedwongen —. Bovendien werkte het systeem van openbare inschrijvingen in het voordeel van de grote afnemers.

De Italiaanse ordening leidde ertoe dat men elkander alleen bij de inschrijvingen „concurrentie” kan aandoen. In afwijking van de normale gang van zaken was dit echter een concurrentie in „opwaartse” richting: de toewijzingen gingen naar degenen die bereid waren de hoogste „sovrapprezzo” te betalen. Alleen de Italiaanse fabrikanten hadden er echt belang bij aan de inschrijvingen deel te nemen:

Er bestonden in Italië geen onafhankelijke wederverkopers.

Afnemers voor industrieel gebruik in Italië hadden slechts kleine partijen nodig; door het stelsel van inschrijvingen kwamen zij bij de grote afnemers in het nadeel.

De buitenlandse fabrikanten lieten verstek gaan — behoudens dat Say, wat haar zelf betreft, het tegendeel beweert — omdat zij de toegewezen suiker slechts tegen verlies of zonder redelijke winst dan wel met te groot risico hadden kunnen verkopen: wordt de „sovrapprezzo” hoger dan 8 lire, dan maken de transportkosten en de belastingen de transactie onmogelijk; om in Italië individueel aan de markt te kunnen komen had men een dure verkooporganisatie moeten opbouwen, die het tegen de sterke nationale organisatie had moeten opnemen en afhankelijk zou zijn geweest van de ongewisse factor der openbare inschrijvingen waarvan men noch de omvang noch de data had kunnen voorzien; ten slotte hadden de inschrijvers een hoge waarborgsom moeten storten. Het is dus onjuist te stellen dat de fabrikanten in de landen met een overschot zonder deze verkopen van fabrikant tot fabrikant „hun suiker individueel op de Italiaanse markt zouden verkopen en zelf de hoveelheden, de prijzen en de verdelingskanalen zouden bepalen” (beschikking, blz. 31, 1. kol.).

De Italiaanse fabrikanten hebben zich genoodzaakt gezien contact op te nemen met exporteurs wier produktiecapaciteit groot genoeg was om een geregelde toelevering te kunnen verzekeren en die serieuze financiële garanties boden en qua produktie- en bevoorradingsstructuur in staat waren lage prijzen te bieden. Deze overwegingen hebben de Italiaanse fabrikanten aanleiding gegeven zich tot suikerfabrikanten in de andere landen van de gemeenschappelijke markt te wenden. Van zaken doen in het klein hebben zij niet willen weten. Zij hebben de vennootschap Eridania, die als enige gemachtigd werd globale contracten af te sluiten, met de aankoop belast; deze vennootschap kreeg daarmede 80 % van de Italiaanse suikerhandel in handen. De Franse en Belgische fabrikanten konden het zich niet veroorloven alleen aan op zichzelf staande klanten — die voor kleine hoeveelheden inschreven — te leveren, doch moesten met deze machtige koper rekening houden. Om echter de door Eridania gevraagde grote hoeveelheden te kunnen aanbieden moesten zij zich op hun beurt aaneensluiten — in dier voege dat één enkele koper, te weten Sucres et Denrées, als handelaar zou optreden —. Hun contracten met deze vennootschap moesten uiteraard op gemeenschappelijke condities worden afgesloten. De gestelde afstemming van gedrag bestond alleen maar in een — wegens de grote hoeveelheden onvermijdelijke — verdeling der door Sucres et Denrées voorgestelde contracten.

De Franse en Belgische fabrikanten moesten om aan de verlangens van de Italiaanse importeurs tegemoet te komen, met stabiele prijzen werken. Bij het onderhandelen over bedoelde contracten liepen zij aanzienlijke, door Sucres et Denrées gedetailleerd opgesomde risico's; zo moesten ze een vaste offerte doen waarop door hun Italiaanse partners slechts kon worden ingegaan wanneer de inschrijving hun werd gegund.

De Franse'en Belgische fabrikanten hadden bij hun prijsbepaling maar heel weinig bewegingsvrijheid. Enerzijds hadden zij er geen belang bij beneden de interventieprijs te verkopen; anderzijds konden zij aan de Italiaanse importeurs niet verkopen boven de maximumprijs die de overheid aldaar had vastgesteld. Zij moesten dus alles in het werk stellen om het effect van de belangrijkste variabele factor: de transportkosten — gemiddeld 6 % van de suikerprijs — af te zwakken. Maar om bij de Spoorwegen interessante tarieven te bedingen, waren zij wel gedwongen de suikerleveranties naar Italië zo te plannen dat het telkens om grote hoeveelheden zou gaan — hetgeen coördinatie van export en gezamenlijke leveranties betekende.

De fabrikanten in de Lid-Staten met een overschot waren — op straffe van beëindiging van alle handel met Italië — ver plicht de voorwaarden der grote inschrijvers te aanvaarden. Tot die voorwaarden behoorde de verbintenis om aan andere Italiaanse kopers slechts tegen een hogere prijs te verkopen.

###### Samenvatting van de opmerkingen van de Italiaanse ondernemingen (fabrikanten-importeurs)

In grote trekken betogen Eridania, Cavarzere en Industria degli zuccheri het volgende:

De Italiaanse fabrikanten zijn niet vrij:

te produceren zoveel als zij willen, hetgeen verband houdt met het quota-stelsel;

te onderhandelen over de suikerbietenprijs, aangezien er voor de verkoop van dit produkt een minimumprijs is voorgeschreven;

hun eigen verkoopprijzen vast te stellen — het CIP doet dit uniform voor heel Italië —;

hun produkten te verkopen waar zij willen; zij zijn gehouden een geregelde bevoorrading van heel Italië te garanderen;

suiker in te voeren zonder hetzij de gehele „sovrapprezzo” te betalen hetzij aan de openbare inschrijvingen deel te nemen.

Om deze redenen zijn deze fabrikanten' ook in het nadeel bij andere Italiaanse ondernemers (handelaren of verwerkende industrieën) aan wie dergelijke beperkingen niet zijn gesteld en van wie sommigen een zeer sterke positie innemen.

De Italiaanse fabrikanten stonden zwak tegenover de buitenlandse leveranciers, en wel zulks om voormelde redenen en voorts:

omdat zij het niet zonder invoer konden stellen;

omdat zij niet konden exporteren — en daarmede de buitenlandse fabrikanten concurrentie aandoen —;

omdat zij aan een vaste offerte moesten zien te komen ten einde zonder onaanvaardbare risico's aan de inschrijvingen te kunnen deelnemen.

###### ccc) De rechtmatigheid der Italiaanse maatregelen

Volgens Générale sucrière is de Italiaanse ordening met die van de Gemeenschap onverenigbaar:

De „sovrapprezzo” dient ook ter financiering van andere steunmaatregelen dan die bedoeld in artikel 34 van verordening nr. 1009/67.

Italië heeft heffingen van gelijke werking als een douanerecht toegepast.

De „sovrapprezzo” was en is een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking.

De Italiaanse ordening heeft discriminatie tussen de fabrikanten der EEG teweeggebracht.

Industria degli zuccheri wijst er evenwel op dat de Consiglio dello Stato bij arresten van 26 mei 1970 en 29 februari 1972 de „sovrapprezzo” en de instelling van de Ccz rechtsgeldig heeft verklaard.

###### bb) De aan verzoeksters verweten feiten en de beoordeling dier feiten

Générale sucrière betoogt dat zij nimmer heeft ontkend dat zij „op straffe van uitsluiting gedwongen is geweest aan deze marktverdeling deel te nemen”.

De vennootschap heeft nimmer geweigerd aan individuele klanten te leveren en — zoals uit de geproduceerde cijfers blijkt — in de vier verkoopseizoenen in de beschikking bedoeld meer dan een derde van haar totale afzet in Italië aan zulke klanten geleverd. Die cijfers moeten bovendien worden vergeleken met de cijfers betreffende de verschillende inschrijvingen en dan blijkt dat de Eridania-groep of de drie grote Italiaanse fabrikantengroepen zich telkens het grootste deel van de bij inschrijvingen gegunde hoeveelheden zagen toegewezen (bij voorbeeld: in 1969/1970 104400 van de 127000 ton).

De verplichting om aan individuele kopers slechts tegen een hogere prijs te verkopen heeft de bij zulke verkopen door Générale sucrière berekende prijzen niet werkelijk beïnvloed. Aan de hand van cijfers betoogt zij:

dat terwijl Sucres et Denrées nimmer een prijs beneden de interventieprijs heeft bedongen, dit met onafhankelijke kopers in drie van de vier verkoopseizoenen wel het geval is geweest;

dat vergelijking van de laagste en de hoogste prijzen betreffende de vier hierbedoelde verkoopseizoenen leert dat de prijs voor de onafhankelijke kopers in vijf van de acht gevallen het laagst en dikwijls zelfs aanzienlijk voordeliger was.

Voorts kunnen er goede gronden zijn om een hogere prijs te berekenen, namelijk wanneer het om kleine partijen gaat — waaraan voor de verkoper meer kosten zijn verbonden, mede in verband met het feit dat de Spoorwegen alleen voor de levering van grote partijen een voordelig tarief hebben toegestaan —. Ook de aan Eridania zelf geboden prijs varieerde naar gelang van de te leveren hoeveelheid (vgl. mededeling, blz. 79-81; telex van 2 oktober 1970).

Say stelt dat zij niet heeft deelgenomen aan enigerlei handeling die als afstemming van gedragingen zou kunnen worden gekwalificeerd.

Zij heeft gebruik gemaakt van alle mogelijkheden om in Italië aan de markt te komen; rechtstreekse verkoop aan onafhankelijken of aan de Italiaanse importeursgroep; deelneming aan inschrijvingen — rechtstreeks of via Sucres et Denrées —. Van deze verschillende verkoopkanalen is van jaar tot jaar in wisselende verhouding gebruik gemaakt, hetgeen bewijst dat er van afstemming geen sprake was. In de verkoopseizoenen 1969/1970 en 1971/1972 heeft Say 32 % onderscheidenlijk 46 % van haar totale uitvoer naar Italië aan onafhankelijke kopers geleverd.

Bij vergelijking van de prijzen die Say enerzijds aan de andere litigieuze ondernemingen en anderzijds aan onafhankelijke kopers berekent blijkt niet van een opslag als waarvan in de beschikking (blz. 24, r. kol., sub 13) sprake is. In de beschikking zelf wordt trouwens uitgegaan van de opvatting dat een fabrikant „een grotere winst kan halen door … aan de betrokken handelaren en gebruikers te leveren” (blz. 32, 1. kol.).

Béghin betoogt aan de hand van cijfers dat haar — bescheiden — uitvoer naar Italië de markt aldaar niet heeft kunnen beïnvloeden. Uit deze cijfers blijkt ook dat de vennootschap niet aan een eventuele afstemming van gedragingen heeft deelgenomen en dat de grief betreffende door de exporteurs berekende discriminerende prijzen op haar geen betrekking kan hebben.

De stelling (beschikking, blz. 24, 1. kol.) dat de Franse en Belgische fabrikanten zich in al deze seizoenen van de tussenkomst van Sucres et Denrées hebben bediend, is met betrekking tot Béghin onjuist; voor haar exporten in 1970/1971 heeft zij een Italiaanse handelaar ingeschakeld.

Zij heeft in dat seizoen ook 5000000 kilogram rechtstreeks aan Italiaanse gebruikers geleverd.

RT betoogt dat artikel 85 toepassing mist omdat de toewijzingen niet de verkoopprijzen in Italië, doch alleen de ontvangsten van de Ccz konden beïnvloeden.

Moesten de buitenlandse fabrikanten zich aaneensluiten om het hoofd te bieden aan de Italiaanse fabrikantengroep, die noodzaak deed zich bij RT al bijzonder sterk gevoelen omdat zij door hogere transportkosten bij de Franse fabrikanten in het nadeel was. Zij moest om via de door Italiaanse importeurs ingeschakelde firma Sucres et Denrées te kunnen verkopen wel met de aanbodsprijzen van deze fabrikanten meegaan.

Noch uit het rapport betreffende de vergadering van 29 juli 1969 (vgl. mededeling, blz. 56) noch uit het besluit van RT zich bij de Franse fabrikanten aan te sluiten ten einde bij bepaalde inschrijvingen een gezamenlijk bod te kunnen doen, blijkt van een overeenkomst tussen deze groep en de Eridania-groep om uitsluitend onderling zaken te doen. Van inschrijving tot inschrijving is iedere onderneming vrij gebleven om met het oog op de eigen belangen haar beleid te wijzigen (vgl. mededeling, blz. 81; telex van Eridania van 29 oktober 1970); zo heeft RT ook via de firma Export naar Italië uitgevoerd. De aanbodscondities zijn bij iedere inschrijving opnieuw tussen beide groepen besproken.

RT's handelspolitiek was door haar eigen belang ingegeven; de Commissie heeft niet bewezen dat RT's beleid op een onrechtmatige afstemming van gedragingen berustte. Wanneer RT haar verkoopsbeleid vooral op belangrijke kopers heeft gericht, is dat alleen geschied omdat haar dat rendabeler leek. Zij heeft van de Franse fabrikanten geen tegenprestatie verlangd of ontvangen voor het feit dat ze er niet naar gestreefd heeft vaste voet te krijgen in de kring der kleine en middelgrote buitenlandse gebruikers.

Het hoofdbewijs dat de Commissie voor de gestelde onderlinge afstemming van gedragingen aanvoert is de correspondentie tussen RT en Export en tussen Export en derden (mededeling van de punten van bezwaar, blz. 63, 64, 67, 68). Die correspondentie was echter, naar RT gedetailleerd betoogt, psychologisch te verklaren door bepaalde spanningen die zich tussen beide vennootschappen hebben voorgedaan en door het feit dat hun belangen niet gelijk lagen —; zij moet niet letterlijk worden genomen. Zo heeft RT om de zaak te sussen gemeend niet met zoveel woorden tegen Export te moeten zeggen dat haar belang haar noodzaakte de tussenhandel bij bepaalde transacties uit te schakelen — om te voorkomen dat de ternauwernood op het niveau van de interventieprijs liggende opbrengsten nog verder terugliepen — en zich liever achter de buitenlandse leveranciers verschanst.

Sucres et Denrées betoogt dat de gewraakte afstemming van gedragingen niet onder artikel 85 valt. Aan de geografische ligging en de reglementering van de Italiaanse markt kon zij niets veranderen en ook zijn er door die afstem ming geen uitkomsten verkregen die aanmerkelijk afwijken van de resultaten waartoe men anders zou zijn gekomen.

De afstemming van gedragingen heeft de positie van de Italiaanse gebruikers verbeterd. De winstmarge is er niet merkbaar door beïnvloed, immers de berekende prijs lag maar weinig boven de interventieprijs. De verlaging van de „sovrapprezzo” kon in verband met het feit dat de Italiaanse overheid één enkele prijs had voorgeschreven genoemde Italiaanse gebruikers niet schaden. Verlaging van de transportkosten en van de kosten vallende op de verkoop kon alleen dank zij de gewraakte gedragingen worden verkregen.

Doch al mocht er een beperking van de mededinging zijn waargenomen, dan nog zou aan Sucres et Denrées (die trouwens geen grossier, maar een gewone handelaar is) daarvan geen verwijt mogen worden gemaakt. Haar telexbericht aan RT (vgl. mededeling, blz. 57-60) waarin zij zich voorstelde als „enig inkoper van suiker bij de leveranciersgroep en enig verkoper in Italië” was te verklaren door het feit dat de vennootschap belast was met de centralisatie der facturenadministratie voor de leveringen naar Italië, hetgeen het systeem der leveringen heeft vereenvoudigd en ook een rechtvaardiging vond in het feit dat Sucres et Denrées bepaalde risico's voor haar rekening nam.

De vennootschap heeft slechts in opdracht en voor rekening van de exporteurs gehandeld. Wanneer de leveranciers elkander mochten hebben verboden aan niet door Eridania vertegenwoordigde Italiaanse importeurs te verkopen, staat Sucres et Denrées daarbuiten.

Voor zover de exporteurs zich tot haar hebben gewend, is dat buiten ieder exclusiviteitsbeding omgegaan.

Kortom, Sucres et Denrées heeft niets anders gedaan dan de offertes doorgeven en leveranties en betalingen coördineren.

SZAG betoogt dat zij niet op de vergadering van Parijs en alleen op die te Genua aanwezig is geweest (vgl. beschik king, blz. 23, r. kol., blz. 24, 1. kol.). Anders dan de Commissie stelt ging het er op die door Eridania uitgeschreven vergadering alleen maar om de Italiaanse kopers van de leveringsmogelijkheden op de hoogte te stellen. De bewering (loc. cit.) dat „uit de daarop gevoerde handelscorrespondentie tussen de ondernemingen die suiker in- of uitvoerden op de Italiaanse markt” zou blijken dat „op deze vergadering de grondslagen voor (deze operaties) zijn vastgesteld”, is onjuist en ten aanzien van SZAG ook geheel onbewezen.

Uit de door de Commissie genoemde stukken blijkt niet dat SZAG's verkopen aan Eridania het gevolg zijn geweest van een afstemming van gedragingen:

Aan vermelding der vennootschap in van derden afkomstige schrifturen (mededeling, blz. 57 e.v.) mogen geen conclusies worden verbonden; en er kan hoogstens voor 1969 — en niet voor het gehele door de Commissie bedoelde tijdvak — uit blijken dat SZAG heeft deelgenomen aan gedragingen die een verdeling der leveringen behelsden.

Met name blijkt uit de volledige tekst van de telexberichten van Sucres et Denrées van 1 oktober 1969 (mededeling, blz. 57) dat deze vennootschap van SZAG geen lastgeving had ontvangen om ook namens haar een offerte te doen en dat zij zelfs niet wist of SZAG aan Italië zou leveren.

Wordt in de telexberichten van 9 en 15 oktober 1969 (mededeling, blz. 58) van Sucres et Denrées aan Eridania gezegd dat 15 % van de aan Eridania aangeboden leveringen „voor de Duitse groep Südzucker” was „gereserveerd”, Eridania zet dit recht in een verklaring van 20 oktober 1969 waaruit blijkt dat er van een quotum van 15 % geen sprake is geweest, doch dat „de Duitsers” Eridania een offerte van 15000 ton hadden gedaan.

In het telexbericht van 10 april 1970 van Eridania aan Sucres et Denrées (mededeling, blz. 64) zegt Eridania: „Wij gaan niet accoord met Uw formule van 85 %” — i.e. de formule volgens welke er 15 % voor SZAG gereserveerd blijft —, want „wij zullen, evenals het vorig jaar enige partijen bij de Duitse handelaren hebben af te nemen.” Uit een en ander blijkt dat wanneer Eridania vervolgens bij SZAG werkelijk ongeveer 15 % van de haar toegewezen hoeveelheid heeft besteld, zodanige bestelling op een zelfstandig besluit van Eridania teruggaat en dat er naast SZAG nog andere Duitse leveranciers waren, waaronder handelaren. Ten slotte kan aan dit telexbericht èn aan dat van 22 april 1970, waarin Sucres et Denrées heeft geantwoord, een duidelijke tegenstelling worden afgelezen tussen enerzijds de Belgische en Franse ondernemingen en anderzijds SZAG.

Op bladzijde 60 van de mededeling haalt de Commissie een door Sucres et Denrées opgemaakt stuk aan waarin de leveringen per leverancier worden gerangschikt, doch waarin SZAG niet wordt genoemd.

De statistieken leren: dat SZAG minder aan de Italiaanse fabrikanten heeft geleverd dan aan de andere kopers in dat land; dat SZAG's aandeel in de leveranties van fabrikant tot fabrikant aan sterke schommelingen onderhevig is geweest en dat de mededinging binnen de zogenaamde „leveranciersgroep” heeft plaatsgevonden;

dat Duitse „outsiders” in Italië grotere leveranties hebben gedaan dan SZAG; en ten slotte: dat het aandeel der vennootschap in de totale Italiaanse importen te bescheiden is geweest om de Italiaanse markt tegen importen van andere herkomst te beschermen:

SZAG heeft in de vier hierbedoelde seizoenen aan Italiaanse handelaren al dan niet rechtstreeks geleverd onderscheidenlijk 3100, 2900, 300 en 6900 ton.

Van de totale suikerinvoer naar Italië

gedurende die verkoopseizoenen heeft SZAG geleverd onderscheidenlijk 1,44 % , 8,51 %, 1,75 %, 3,8 %. — Gedurende het verkoopseizoen 1969/1970 heeft SZAG verkocht 19800 ton met bestemming Italië (waarvan 16900 aan fabrikanten en 2900 aan handelaren); andere Duitse fabrieken hebben 13600 ton geleverd, waarmede de „outsiders”48,8 % van de Duitse leveranties voor hun rekening hebben genomen. In 1968/1969, 1970/1971 en 1971/1972 steeg dit aandeel zelfs tot onderscheidenlijk 95,4 %, 56,3 % en 70,7 %.

SZAG's aandeel in de leveringen die in 1969/1970 zijn gedaan aan Italiaanse fabrikanten en handelaren bedroeg 9,1 %, onderscheidenlijk 11,9 %.

SZAG heeft met haar leveringen aan Italiaanse fabrikanten in de Italiaanse inschrijvingen deelgenomen tot percentages van 2,96 tot 9,63.

Wegens de geringe hoeveelheden waarover zij kan beschikken is SZAG niet in staat verwerkende bedrijven van zekere omvang duurzaam te bevoorraden.

SZAG heeft zich nimmer verbonden om „niet aan eventuele andere (Italiaanse) kopers van suiker te verkopen, met name (niet) aan de verwerkende industrie, tenzij tegen verhoogde prijzen” (beschikking, blz. 24, r. kol; vlg. ook blz. 32, 1. kol.).

Ten onrechte heeft de Commissie overwogen „dat een fabrikant, normaal gezien, er geen belang bij heeft grote hoeveelheden van zijn produkten aan een of meerdere concurrenten te verkopen” en „een grotere winst kan halen door… rechtstreeks aan de betrokken handelaren en gebruikers te leveren” (beschikking, blz. 31, r. kol.). Een hogere prijs betekent niet automatisch ook een hogere winst. Zoals uit SZAG's berekeningen blijkt heeft zij op haar verkopen aan fabrikanten in de regel meer winst behaald dan op die aan handelaren.

Al zou het zo zijn dat de leveranciers de te leveren hoeveelheden onderling hebben verdeeld, dan nog is er geen sprake van een inbreuk. De in 1969/1970 toegewezen hoeveelheid beliep 110000 ton; geen der belanghebbenden zou in staat geweeest zijn een zo grote hoeveelheid te leveren. En volgens de bekendmaking van de Commissie van 29 juli 1968 is er van een inbreuk geen sprake bij „overeenkomsten die uitsluitend de oprichting van werkgemeenschappen voor het gezamenlijk uitvoeren van opdrachten ten doel hebben indien de deelnemende ondernemingen … individueel niet in staat zijn de opdrachten uit te voeren”.

Volgens de bekendmaking der Commissie van 27 mei 1970 is er geen sprake van merkbare beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten zolang een marktaandeel niet meer dan 5 % van de handel in dezelfde produkten uitmaakt. Deze maatstaf moet met betrekking tot de Italiaanse markt ook ten gunste van SZAG worden aangelegd. Subsidiair dient in aanmerking te worden genomen dat SZAG voor zover het maar mogelijk was een „outsidersrol” heeft gespeeld; dit is ook de mening van de Commissie die gewag maakt van „een zekere rivaliteit die zich in de leveranciersgroep deed gevoelen” (bekendmaking, blz. 80). Volgens het beginsel van de gelijkheid voor de wet mag SZAG dus verlangen op dezelfde voet te worden behandeld als Sucre-Union — aan welke firma geen geldboete is opgelegd —.

Eridania betoogt dat de gewraakte gedraging niet onder artikel 85 kan worden gebracht omdat het er om ging de Italiaanse fabrikanten ten opzichte van de handelaren en gebruikers aldaar weer in een gelijkwaardige mededingingspositie te brengen.

Dat de Italiaanse ondernemingen „in gezamenlijk overleg” (beschikking, blz. 31, r. kol.) over de aankoop der in te voeren suiker hebben onderhandeld, levert geen schending van artikel 85 op. De afstemming van gedragingen tussen de kopers lag in de lijn van de communautaire regeling, omdat zij ertoe strekte via de vraag naar grotere hoeveelheden lagere prijzen te verkrijgen, welk doel in casu ook is bereikt.

Zouden de Italiaanse fabrikanten hun door de Italiaanse overheid gewenste traditionele rol van suikerimporteurs niet hebben vervuld, dan zou er practisch niemand geweest zijn om hen te vervangen, immers een onafhankelijke verkooporganisatie heeft in Italië nimmer bestaan. Wanneer eenmaal wordt erkend dat de fabrikanten genoodzaakt zijn zelf de invoer ter hand te nemen, dan doet het voor de toepassing van artikel 85 niet ter zake dat de desbetreffende partijen rechtstreeks bij de buitenlandse fabrikanten worden betrokken.

Naar aanleiding van het verwijt dat de Italiaanse fabrikanten der ingevoerde suiker „tegen dezelfde prizen en verkoopvoorwaarden” hebben verkocht als in Italië geproduceerde suiker (beschikking, blz. 31, 1. kol.) betogen Eridania, Cavarzere en Industria degli zuccheri in grote lijnen het volgende:

de Italiaanse ordening schrijft uniforme verkoopprijzen voor, hetgeen ook de gebruikers heeft bevoordeeld omdat zij steeds op het laagste niveau (interventieprijs) kwamen te liggen;

het verwijt is in strijd met de tegen de buitenlandse exporteurs ingebrachte grief dat zij in Italië twee verschillende prijzen zouden hebben berekend.

Volgens Eridania kan van een eventuele verdeling van de hierbedoelde leveringen tussen de buitenlandse leveranciers aan de Italiaanse fabrikanten geen verwijt worden gemaakt.

Eridania, Cavarzere en Industria degli zuccheri betogen dat er zelfs wanneer de buitenlandse fabrikanten bij verkoop aan Italiaanse importeurs-niet-fabrikanten een hogere prijs mochten hebben berekend, van een inbreuk geen sprake zou zijn:

Men zou evengoed omgekeerd kunnen redeneren en zeggen dat, op de prijs die aan de fabrikanten is toegestaan een korting werd toegepast. En het is alom gebruikelijk de wederverkopers voor zo'n korting in aanmerking te doen komen.

Een voorkeursbehandeling is slechts verboden voor zover de betrokken groepen contractanten in vergelijkbare omstandigheden verkeren. In casu is dat niet het geval, vooral niet omdat de Italiaanse fabrikanten aanzienlijke hoeveelheden hebben gekocht, zware lasten te dragen hadden (kosten verbonden aan de organisatie van hun afzet, verplichting in geheel Italië tegen een en dezelfde prijs te verkopen) en door hun opslagmogelijkheden tot geregelde afname in staat waren. Voorts stonden de suikerfabrikanten niet in een concurrentieverhouding ten opzichte van de verwerkende industrie: de laatste was klant van de eerste.

Gezien de Italiaanse ordening, kon van de kortingen geen enkele invloed op de berekende prijzen uitgaan.

De Commissie heeft er in het aan SZV gewijde deel der beschikking (blz. 39, r. kol.) bezwaar tegen gemaakt dat deze vennootschap een „getrouwheidskorting” verleende „welke niet afhankelijk is van de afgenomen hoeveelheid”; ook heeft zij de klanten van SZV niet veroordeeld.

De toelaatbaarheid van rabatten is, voor zover gekoppeld aan de hoeveelheden die van de betrokken verkoper, worden afgenomen, in vroegere voorschriften van de Commissie en van de Hoge Autoriteit van de EGKS erkend.

De door de Commissie bedoelde rabatten zijn in casu, vergeleken met de geleverde hoeveelheden, bescheiden gebleven.

Volgens Eridania hebben de gewraakte gedragingen noch tot beperking van de invoer geleid noch tot een geringer aandeel in die importen van ondernemers die met bedoelde gedragingen niet uitstaande hadden, en evenmin een prijsverhogend effect gehad.

De stelling dat de ondernemingen hun gedragingen over de gehele linie — derhalve voor alle invoer naar Italië — op elkaar hebben afgestemd (beschikking, blz. 31, 1. kol.) wordt gelogenstraft door de telexberichten genoemd op de bladzijden 79 en 81 van de mededeling en door de documenten welke Eridania tijdens de administratieve procedure heeft overgelegd. Daaruit blijkt dat deze vennootschap bij iedere inschrijving:

offertes heeft gevraagd, ontvangen en bestudeerd van de meest verschillende exporteurs, waarvan sommigen buiten de met Sucres et Denrées werkende „leveranciersgroep” stonden;

die offertes heeft aanvaard in de zeldzame gevallen waarin zij voordeliger leken dan die van Sucres et Denrées;

bij leveringen van Sucres et Denrées van geval tot geval de voorwaarden punt voor punt heeft doorgesproken.

Het is onjuist te zeggen dat de Italiaanse suikerfabrieken rechtstreeks bij buitenlandse fabrikanten hebben gekocht. De aankoop geschiedde meestal door Sucres et Denrées die in de leveringscontracten als verkoper optrad. De facturen gingen van haar uit en alle reclames betreffende de verkochte waar werden tot haar gericht.

Met betrekking tot de stelling dat sommige Italiaanse verwerkende industrieën zouden hebben geklaagd over het ontbreken van interessante offertes van leveranciers uit andere Lid-Staten (beschikking, blz. 23, r. kol.) merken Eridania en Industria degli zuccheri op dat de Commissie niet de geringste weigering van de leveranciers noemt om aan genoemde industrieën te leveren.

Ten aanzien van de stelling dat de buitenlandse fabrikanten zich zouden hebben verplicht aan niet-fabrikanten in Italië slechts tegen verhoogde prijzen te leveren (beschikking, blz. 23, r. kol.) betoogt Eridania dat Sucres et Denrées tijdens de onderhandelingen aan Eridania, optredende als woordvoerster van de importeurs, inderdaad wel eens „die indirecte vorm van prijsverlaging heeft aangeboden die bestaat in het berekenen van (iets) verhoogde prijzen aan de andere contractanten”. Een overeenkomst van die strekking is echter nimmer gesloten en tot een voorkeursbehandeling is het nooit gekomen; in dezelfde zin Cavarzere en Industria degli zuccheri. De Commissie heeft geen enkel geval genoemd waarin een Italiaanse ondernemer-niet-fabrikant zich een verhoogde prijs berekend zou hebben gezien. Integendeel, deze ondernemers zijn in staat geweest om op zeer goede condities veel grotere hoeveelheden dan vroeger — tot 30 % van de totale invoer — te betrekken. Van 1969 tot 1971 is het invoerpercentage der Italiaanse suikerfabrieken van ruim 95 % tot iets meer dan 60 % gedaald.

De grief dat

„de belangrijkste Italiaanse kopers, met name de industriële gebruikers, ertoe gebracht zijn jaarlijkse leveringscontracten af te sluiten met Italiaanse suikerproducenten die lid zijn van de importeurs-groep, omdat zij geen vaste en voordelige offertes van de buitenlandse verkopers hebben kunnen krijgen” (beschikking, blz. 32, 1. kol.)

houdt een miskenning in van het feit dat het merendeel van die verbruikers om zulke contracten pleegt te vragen; begrijpelijkerwijze zijn zij wegens de tekorten op de Italiaanse markt bezorgd over een regelmatige bevoorrading. Op dit aspect van de zaak wordt ook gewezen door Industria degli zuccheri en door Cavarzere, die er voorts de aandacht op vestigt dat de overheid bij de suikerfabrieken stappen heeft ondernomen opdat aan belanghebbenden zulk een geregelde bevoorrading zou zijn verzekerd. Cavarzere en Industria degli zuccheri voegen aan hun reeds vermelde opmerkingen nog toe dat de Commissie de Italiaanse fabrikanten ten onrechte als concurrenten van de buitenlandse fabrikanten heeft beschouwd. Cavarzere betoogt met name dat de vraag in Italië het aanbod uit eigen land te boven ging, zodat alleen de buitenlandse fabrieken het tekort konden aanvullen. Bovendien was het de Italiaanse suikerfabrieken volkomen onmogelijk te exporteren; zij hadden daarbij ook geen enkel belang omdat de Italiaanse interventieprijs hoger was dan de marktprijs in de andere Lid-Staten. Hoogstens kon er worden gesproken van mededinging met „eenrichtingsverkeer” in die zin dat de buitenlandse exporteurs aan de Italiaanse fabrikanten hadden kunnen beletten hun volledige produktie af te zetten. De Italiaanse „importeursgroep” heeft er zich toe beperkt telkens opnieuw — en niet eens voor al — de leveringscondities te bespreken, waarbij iedere onderneming vrij bleef al dan niet mee te doen zonder dat zij offertes van andere fabrikanten dan hun gebruikelijke leveranciers behoefde te versmaden. Blijkens de op 2 en 29 oktober 1970 tussen Sucres et Denrées en Eridania gewisselde telexberichten (mededeling, blz. 79 e.v.) hebben de leveranciers zich er over beklaagd dat ook niet tot bedoelde „groep” behorende Italiaanse importeurs konden inschrijven 'en dat de Italiaanse fabrikanten zich niet hadden gehouden aan beweerdelijk gemaakte afspraken volgens welke alleen de Franse en Belgische fabrikanten daartoe zouden worden toegelaten. Eridania had in het geheel geen volmacht ontvangen tot het onderhandelen over — laat staan aangaan van — transacties; haar rol was slechts die van woordvoerder, belast met het mededelen van de offertes der buitenlandse leveranciers aan de overige Italiaanse ondernemers — ten einde hun gezamenlijke voorstellen in te wachten —.

De gewraakte gedragingen hebben de handel tussen Lid-Staten geenszins nadelig beïnvloed. De in Italië ingevoerde hoeveelheden zouden daar, gezien het in den lande bestaande tekort, anders in ieder geval ook zijn geïmporteerd — door fabrikanten of gebruikers —.

Volgens Cavarzere is het verwijt betreffende pogingen om de Italiaanse markt te „beschermen” zinloos: Italië is een land met een suikertekort.

De Commissie heeft over het hoofd gezien dat het bij geen van de „groepen” waarom de Italiaanse ondernemingen zich volgens haar „schaarden”, om meer dan 5 % van de produktie der Gemeenschap ging.

De telexberichten waarvan de Commissie in de mededeling gewag maakt, leveren niet het bewijs van een afstemming van gedragingen en brengen alleen maar aan het licht dat er destijds contacten liepen. Dat daarbij een woordvoerder zijn diensten verleende doet juridisch niet ter zake.

De grief dat de buitenlandse fabrikanten „voor de hoeveelheden die zij aan hun concurrenten hebben verkocht … afzien van een individuele handelsactiviteit op de Italiaanse markt — waarbij zij zelf de hoeveelheden, de prijzen en de verdelingskanalen zouden bepalen —” (beschikking, blz.-31, sub 2) is onbegrijpelijk. Individuele verkoop aan de Italiaanse gebruikers zou betekenen dat zij een en ander niet zelfstandig zouden vaststellen, doch daarover met hun partners zouden moeten onderhandelen. Bovendien heeft de Italiaanse ordening de buitenlandse fabrikanten iedere mogelijkheid tot zodanige vaststelling ontnomen.

Met haar stelling dat „het Italiaanse systeem van inschrijvingen niet de noodzaak van een dusdanige groepering van vraag en aanbod met zich brengt” (beschikking, blz. 31, r. kol.) heeft de Commissie miskend dat in de aankondigingen der inschrijving de steeds aanzienlijke minimumhoeveelheden worden vermeld en dat men om te kunnen invoeren bij de buitenlandse leveranciers sterk concurrerende prijzen moest bedingen, hetgeen alleen via een grotere vraag kon worden bereikt. En volgens sommige besluiten en mededelingen van Raad en Commissie zou zodanig gedrag in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht. De handelwijze van de Italiaanse ondernemingen is veel en veel minder ernstig dan de gedragingen welke volgens bedoelde bepalingen door de beugel kunnen; zij hebben voor de behandeling der invoertransacties geen lichaam, bureau of vennootschap in het leven geroepen.

Het is niet waar dat er aan onafhankelijken alleen tegen een hogere prijs is geleverd.

Onafhankelijke kopers hadden wel degelijk toegang tot de buitenlandse produktie; uit de documentatie welke de Commissie zelf bijeenbracht blijkt wel dat zij dikwijls, hetzij bij de fabrikanten in de beschikking bedoeld, hetzij bij andere buitenlandse firma's, rechtstreeks hebben ingekocht. In de jaren 1968, 1969, 1971 en 1972 is 36 % van de naar Italië ingevoerde hoeveelheden anders dan door suikerfabrieken geïmporteerd.

lndustria degli zuccheri betoogt dat uit de documentatie welke de Commissie op de vergadering van Parijs heeft verzameld (vgl. beschikking, blz. 23, r. kol., blz. 24, 1. kol.) niet blijkt van een afstemming van gedragingen tussen de buitenlandse en Italiaanse fabrikanten, doch hoogstens van een afstemming tussen eerstgenoemden onderling. De vergadering was kennelijk belegd ter bespreking van een rapport van een Belgische suikerfabriek over de problemen die verband hielden met de afzet van Belgische suiker op de Italiaanse markt. Uit dit rapport (vgl. beschikking, blz. 24, 1. kol.) blijkt dat de „outsiders”, dat wil zeggen ongeveer 50 % van de Franse fabrikanten, sommige suikerverbruikende bedrijven en de Italiaanse grossiers, de buitenlandse fabrikanten met mededingingsproblemen hebben geconfronteerd.

De Italiaanse fabrikanten waren genoodzaakt een afweergroep te vormen: zij konden geen vuist maken als gevolg van hun zwakke onderhandelingspositie, hun behoefte aan vaste offertes ten einde aan de inschrijvingen te kunnen deelnemen en de verbintenissen welke zij daarbij moesten aangaan. Door de Italiaanse ordening konden deze fabrikanten hoegenaamd niet profiteren van de aan eventuele ondernemersafspraken verbonden voordeelsmarges.

Wat de Italiaanse fabrikanten betreft kunnen er voor leveringen van fabrikant tot fabrikant een aantal objectieve, met de marktstructuur en de Italiaanse orde ning samenhangende factoren worden aangevoerd.

De moeite welke de exporteurs zich hebben gegeven om de Italiaanse fabrikanten tevoren te bewegen met betrekking tot de te leveren hoeveelheden bepaalde verbintenissen aan te gaan, zijn afgestuit op hun uitdrukkelijk bepleite wens zich de vrijheid voor te behouden om bij wie dan ook tegen de gunstigste condities te kunnen inkopen.

Ter gelegenheid van de laatste inschrijving is er 80 % toegewezen aan Italiaanse ondernemers-niet-fabrikanten. Veelal hebben zij er een voordeel in gezien om zelfs tegen een hogere prijs in de grensgebieden in te voeren.

Volano en Emiliana maken er bezwaar tegen dat alle bij de suikerinvoer in het seizoen 1969/1970 betrokken ondernemingen globaal worden besproken zonder dat wordt onderscheiden naar gelang het gaat om vennootschappen die tot een algemene afspraak inzake de invoer wensten te komen of andere die alleen maar positief op een hun aantrekkelijk lijkende offerte hebben gereageerd. Volano en Emiliana vernamen pas uit de beschikking dat er zulk een afspraak zou bestaan.

Waar iedere onderneming vrij was in de keuze van haar leveranciers, hield het feit dat een met een bepaalde leverancier gesloten afspraak een beperking van de mededinging behelst, op zichzelf nog geen onderling afgestemde feitelijke gedraging in. Dat zou alleen zo zijn wanneer het partijen speciaal om zulk een beperking — waarvan zij een ongerechtvaardigd profijt verwachtten — begonnen was. Doch uit de feiten die in de beschikking worden beschreven kan niet worden geconcludeerd dat Volano en Emiliana aan zulk een afspraak hebben deelgenomen.

De Commissie bleef in gebreke aan te geven welke de suikerprijs zou zijn geweest indien de gewraakte gedragingen achterwege zouden zijn gebleven. Men kan niet staande houden dat die prijs alsdan beneden de interventieprijs had kunnen dalen of ongeveer op het peil van die prijs had kunnen komen te liggen.

Volano en Emiliana hebben niet aan de vergadering van Parijs en alleen aan die van Genua deelgenomen — en daarbij ging het er hun alleen om te profiteren van de offerte van de Franse fabrikanten die voor alle deelnemers gold en hen in staat stelde een grote partij suiker op gunstige condities te betrekken —.

Volano en Emiliana hebben Eridania niet gemachtigd om als leader van de Italiaanse importeurs op te treden; zij konden dat ook niet doen omdat zij, anders dan Eridania, niet aangesloten waren bij Assozucchero.

Volano voegt hieraan toe dat zij in 1969 maar' een kleine, zich in moeilijkheden bevindende onderneming was. Zij moest er dus wel tegen iedere prijs naar streven zo voordelig mogelijke transacties af te sluiten en is daarom ingegaan op het voorstel dat haar door Eridania en Assozucchero als geheel werd gedaan. Nadien heeft zij haar beide enige suikerfabrieken moeten verkopen, zodat zij in afwachting van een definitieve beslissing over haar lot slechts formeel is blijven voortbestaan.

Sadam betoogt dat zij niet aan de vergaderingen van München en Parijs en evenmin aan de tweede vergadering van Genua heeft deelgenomen. Uit haar deelneming aan de eerste vergadering van Genua blijkt niet dat zij deel uitmaakt van wat de Commissie de „importeursgroep” noemt. Het is heel gewoon dat een onderneming bijeenkomsten van beroepsgenoten bezoekt.

Wil er van een onderling afgestemde feitelijke gedraging sprake zijn, dan moet er van parallellie in de gedragingen kunnen worden gesproken alsook van bewuste samenwerking en van een gemeenschappelijke op uitsluiting van mededinging gerichte bedoeling. Wanneer het ene bestanddeel aanwezig is, mag niet ipso facto ook tot het bestaan van de beide andere elementen worden geconcludeerd.

De Commissie heeft niet het bewijs geleverd dat Sadam aan de samenwerking tussen Italiaanse en buitenlandse fabri kanten heeft deelgenomen. En al evenmin brengt de beschikking — waarin aan Sadam geen enkele specifieke gedraging ten laste wordt gelegd — een parallellie van haar marktgedrag en dat der andere Italiaanse ondernemingen aan het licht. Zodanig bewijs kan trouwens niet worden geleverd; haar zwakke positie maakte het haar onmogelijk enigerlei invloed op de suikerprijs uit te oefenen.

Sadam is bij geen enkele bespreking, onderhoud of afspraak door Eridania vertegenwoordigd geweest. Zij is geen lid van Assozucchero, wier leden volgens de mededeling (blz. 36) Eridania met de taak van woordvoerder zouden hebben belast. Zij heeft dan ook niets met de gewraakte gedragingen uitstaande.

Men zou mogen aannemen dat de „commerciële briefwisseling” waaruit van de gewraakte afstemming zou blijken (beschikking, blz. 31, 1. kol.) bestaat uit de telexen die op de bladzijden 56 tot en met 60 van de beschikking zijn weergegeven. Sadam heeft daarvan echter nimmer kennis gedragen en haar naam komt er niet in voor.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie doet in haar antwoord de volgende overwegingen gelden:

###### ad 1., aa) aaa)

De volle „sovrapprezzo” is door de importeurs nimmer betaald.

Bij besluit nr. 1236 en circulaire nr. 1237 van het CIP zijn er via de „prijsverschillen” („stacchi di prezzo”) wederom maximumconsumentenprijzen ingevoerd. Hoewel deze besluiten door de Consiglio dello Stato zijn nietigverklaard, schijnen bedoelde prijzen nog steeds te worden toegepast.

Afgezien van de indirecte limiet die in de maximumconsumentenprijzen besloten ligt, bestaan er voor de verkoop door de fabrikant aan industriële afnemers of aan handelaren geen maximumprijzen meer. Er is alleen nog de bij besluit nr. 1195 vastgestelde interventieprijs (dat wil zeg gen de interventieprijs van de Gemeenschap + een sovrapprezzo van 23 lire), waarvan de fabrikant ter vaststelling van zijn eigen verkoopprijzen kan uitgaan.

In het kader der inschrijvingen stelt de Ccz heimelijk het minimumpercentage vast dat zij als „sovrapprezzo” wenst te aanvaarden („prezzo congruo”).

Wanneer de toewijzing er eenmaal is, hebben betrokkenen er ook belang bij de hun toegewezen hoeveelheid te importeren; anders zijn zij de tevoren gestorte waarborgsom kwijt. Het heeft dus alleen zin aan de inschrijvingen deel te nemen, wanneer men in het bezit is van vaste offertes der buitenlandse leveranciers, zowel wat de hoeveelheid als wat de prijs betreft.

Bij besluit nr. 1215 is aan de inschrijvers de tweeledige verplichting opgelegd om voor het gehele nationale grondgebied dezelfde consumentenprijs voor fijne kristalsuiker vast te stellen alsook zich te gedragen naar eventueel door het Ministerie van Landbouw te geven voorschriften inzake de plaats van bestemming. De eerste van deze beide verplichtingen is echter in latere bepalingen niet meer te vinden; in ieder geval is zij evenwel met betrekking tot het forfaitaire transportkostendeel der door de overheid vastgestelde consumentenprijs nageleefd. Wat betreft de tweede verplichting: volgens latere bepalingen heeft genoemd ministerie niet langer het recht om voor meer dan 5 % der toegewezen hoeveelheid een plaats van bestemming aan te wijzen; en in ieder geval heeft het ministerie van dat recht nooit gebruik gemaakt.

De invoer van suiker uit de Gemeenschap is vrij wanneer de „sovrapprezzo” volledig wordt betaald; maar de prijs der ingevoerde suiker komt dan in de regel boven die van suiker uit het land zelf te liggen.

###### ad 1., aa) bbb)

Volgens de Commissie was de Italiaanse markt op grond van het daar bestaande tekort voorbestemd het belangrijkste schouwtoneel te worden waarop de mededinging tussen de fabrikanten uit de landen met een overschot zich zou afspelen. Die concurrentie kon worden gestimuleerd door het aantal mogelijke exporteurs (fabrikanten en handelaren). De noodzaak een verkooporganisatie in het leven te roepen zou daaraan niet in de weg hebben gestaan; zij zou slechts betrekking hebben op suiker die rechtstreeks voor comsumptie bestemd was — dus op slechts ± een vierde van de ingevoerde suiker — en er had ook gemakkelijk aan kunnen worden tegemoetgekomen omdat er met het oog op de suikerhandel geen grote voorraden behoeven te worden aangelegd —. Waar de produktiekosten in de exporteurenlanden lager zijn dan in Italië, zodat er tenminste een gedeeltelijke compensatie kan worden gevonden voor de hogere transportkosten, zou het mogelijk zijn geweest in Italië op interessante condities met buitenlandse suiker aan de markt te komen, te meer omdat het stelsel der inschrijvingen voor ingevoerde suiker een verlaging van de „sovrapprezzo” behelst. De voorwaarden voor deelneming aan de inschrijvingen zouden de afnemers, goeddeels grote bedrijven, niet in verlegenheid hebben gebracht. Voorts had het bestaan van een maximumprijs op de Italiaanse markt normaliter tot gevolg moeten hebben dat men zijn leveranties niet over deze zonderlinge weg — via de Italiaanse fabrikanten — liet lopen.

Het optreden van de fabrikanten wijst er trouwens op zichzelf reeds op dat men er belang bij had de mededinging te beperken, hetgeen weer bewijst dat er een zekere marge bestond waarbinnen mededinging mogelijk zou zijn geweest.

Dat het tot invoerhandel rechtstreeks naar de gebruikers had kunnen komen volgt uit het feit dat deze laatsten bij zulke rechtstreekse invoer, eventueel tegen betaling van een vrij hoge „sovrapprezzo”, belang konden hebben, dat zij niet geaarzeld hebben om van iedere hun daartoe geboden mogelijkheid gebruik te maken en dat hun behoeften ook om vangrijk waren:

In de eerste verkoopseizoenen na de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke marktordening hebben' de onafhankelijke Italiaanse kopers getracht tegen interessante condities suiker uit de Gemeenschap te betrekken; zij hebben er echter in moeten berusten hun bestellingen te doen bij de Italiaanse suikerfabrikanten die hun contracten afdwongen volgens welke zij hun jaarlijkse behoeften geheel bij hen moesten indekken.

Na het besluit nr. 1234 — volgens hetwelk er voor een bepaald contingent niet behoefde te worden ingeschreven — vroegen de gebruikers de toegestane maximumhoeveelheden (1000000 kg per onderneming) aan, doch aan die aanvragen kon veelal niet worden voldaan omdat het contingent reeds was opgenomen.

De „vrije” invoer beliep van 1969 tot 1972 gemiddeld 25,2 % van de totale invoer; 21,9 % van die 25,2 % bestond uit importen van een buiten de groep staande fabrikant, van de beide niet-fabrikanten die aan de inschrijvingen hebben deelgenomen of van de afnemers die profiteerden van de mogelijkheid om buiten de inschrijvingen om tegen een gereduceerde „sovrapprezzo” te importeren.

De Italiaanse afnemers hebben de gelegenheid te baat genomen om in 1968/1969 hun voorraden te betrekken bij SZAG en bij gelegenheid bij Générale sucrière en Sucre-Union. Beide producentengroepen waren er overigens op uit om — bij voorbeeld door in het verkoopseizoen 1969 15 % van de leveringen aan de fabrikanten voor SZAG te reserveren — „het optreden dezer, outsiders' te neutraliseren” (Eridania).

In het verkoopseizoen 1969/1970 hebben SZAG, Say en RT verkocht aan Italiaanse kopers die buiten de producentengroep stonden.

Ook prijsconcurrentie was mogelijk geweest:

Tijdens de op 29 juli 1969 te Parijs gehouden vergadering (vgl. beschik king, blz. 23, r. kol., blz. 24, 1. kol.) heeft RT haar beduchtheid uitgesproken dat het prijspeil van op de Italiaanse markt aangeboden suiker, dat „nogal onbekrompen” was vastgesteld, „buitenlandse offertes in de kaart zou spelen”, hetgeen neerkomt op de erkenning dat het in geval van vrije concurrentie leveringen tegen lagere prijzen mogelijk zou hebben gemaakt.

Bij de toewijzingen aan buiten de groep staande kopers was het geboden en betaalde percentage van de „sovrapprezzo” gewoonlijk hoger dan wanneer het ging om tot de groep behorende inschrijvers.

Men mag niet stellen dat de communautaire en de nationale ordening te zamen variatie in de toegepaste prijzen onmogelijk hebben gemaakt en voor binnenlandse en geïmporteerde suiker tot gelijke prijzen hebben gedwongen. Een fabrikant kon er belang bij hebben beneden de interventieprijs te verkopen in plaats van zich bloot te stellen aan de concurrentiedruk van de verkopen door de interventiebureaus. De maximumverbruikersprijs werd door de Italiaanse overheid vastgesteld door bij de interventieprijs bepaalde bedragen (zoals de commercialisatiekosten) op te stellen. Deze prijselementen waren forfaitair vastgesteld, zodat er enige druk op kon worden uitgeoefend.

Kortom, wanneer de Italiaanse importeurs zich individueel als inschrijvers zouden hebben gemeld, dan hadden de aangeboden prijzen onderling kunnen varieren in plaats van het uniforme beeld te bieden dat het overzicht van het resultaat der inschrijvingen te zien gaf. Zij hadden dan de hun toekomende rol kunnen spelen, dat wil zeggen het tussen de deelnemers tot concurrentie laten komen.

Ten slotte had er kunnen worden geconcurreerd met betrekking tot de kwaliteit, de service en — vooral — de verkoopcondities; dit laatste blijkt wel uit de contractuele verplichtingen die de fabrikanten-importeurs aan de verwerkende industrie hebben opgelegd en die door een vertegenwoordiger van de industrie „vernietigend” zijn genoemd.

###### ad 2., aa) ccc)

De Commissie antwoordt dat de stelling dat er op de Italiaanse markt had kunnen worden geconcurreerd, juist is, om het even of de Italiaanse ordening al dan niet met het Verdrag in overeenstemming is.

###### ad 1 bb)

###### Algemene overwegingen

De Commissie geeft allereerst een globaal overzicht van de maatregelen die door verzoeksters zijn genomen en van de middelen waarmede haars inziens het bewijs wordt geleverd van onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken de Italiaanse markt ten behoeve van de fabrikanten aldaar af te schermen en waaraan door alle betrokken ondernemingen zou zijn deelgenomen, hetgeen er onder meer toe zou hebben geleid dat gelijk op met de exporten naar Italië het aandeel van de leveranties van fabrikant aan fabrikant toenam — om tijdens de laatste drie verkoopseizoenen tot ongeveer drie kwart van deze exporten te stijgen —. De Commissie onderscheidt drieerlei afstemming, namelijk die tussen de leveranciers, die tussen de fabrikantenimporteurs en die tussen beide groepen.

De afstemming tussen de leveranciers manifesteerde zich in de verdeling der leveringen tussen de Franse, Belgische en Duitse fabrikanten, in het feit dat deze leveringen gemeenschappelijk geschiedden en in de door de leveranciers gezamenlijk aanvaarde verplichting aan Italiaanse niet-fabrikanten slechts met berekening van een prijsopslag te leveren.

De deelneming van Sucres et Denrées en SZAG blijkt uit een groot aantal in de mededeling genoemde telexberichten, en met name uit dat van 1 oktober 1969 van Sucres et Denrées aan RT. SZAG heeft trouwens aan de op 11 september 1969 te Genua gehouden vergadering deelgenomen.

De deelneming van de Franse fabrikanten en RT wordt bewezen door hun aanwezigheid op die vergadering en door een „intern” document dat door Sucres et Denrées op 13 april 1970 is opgesteld. Het moest dienen om de leveringen van de leveranciersgroep in Italië nader te regelen en noemde RT, Générale sucrière en Béghin; over Say wordt weliswaar gezwegen; zij was echter de belangrijkste onderneming van de GISEC-groep die er wel in voorkomt.

De verdeling der leveringen wordt met name bewezen door de notulen van de op 22 november 1968 te Parijs gehouden vergadering en door het verkoopcontract dat op 8 oktober 1968 tussen Export en Sucres et Denrées is afgesloten voor een levering van 20000 ton op de Italiaanse markt; van deze 20000 ton moesten er 4000 worden geleverd door RT en 5000 door SZAG, terwijl er 11000 zouden worden verdeeld tussen Générale sucrière, Béghin, Lebaudy-Sommier, Say en Sucre-Union. Van die verdeling bleek ook uit voormeld document van 13 april 1970.

Het voor SZAG gereserveerde percentage wordt genoemd in een aantal tussen Sucres en Eridania gewisselde telexberichten, onder meer van 9 en 31 oktober 1969.

Er werd door tussenkomst van Sucres et Denrées collectief geleverd, behalve wat de leveringen van SZAG betreft. Uit de tussen Eridania en Sucres et Denrées gewisselde correspondentie, met name uit de beide telexberichten van Sucres et Denrées van 1 oktober 1969, blijkt dat deze voor rekening en met goedvinden van de leveranciers heeft gehandeld.

De verbintenis om aan niet-fabrikanten niet dan tegen een verhoogde prijs te verkopen blijkt uit:

een door Sucres et Denrées gesloten verkoopcontract van 3 oktober 1968;

drie tussen Sucres et Denrées en Eridania op 1 en 2 oktober 1969 gewisselde telexberichten;

het op 31 oktober 1969 door Sucres et Denrées aan Eridania gezonden telexbericht waaruit kan worden opgemaakt dat men met die verbintenis de

bedoeling had de gebruikers van de inschrijvingen weg te houden; — het feit dat SZAG in 1969 inderdaad prijsopslagen heeft toegepast toen zij door tussenkomst van Duitse handelaren suiker met bestemming Italië verkocht;

het feit dat RT niet is ingegaan op een bestelling van een Duitse handelaar die suiker in Italië wilde verkopen (twee telexberichten van Export aan RT van 24 september 1970; telex van de firma Gerike-Bahr aan Export van dezelfde datum);

het feit dat RT op 22 september 1970 bij een met Export afgesloten contract betreffende voor Italië bestemde hoeveelheden heeft verkocht tegen een prijs van 1107 Bfr per 100 kg en enkele dagen later blijkens twee andere met Export voor Italië afgesloten contracten tegen een prijs van 1114 Bfr; de vergadering van Parijs van 22 september 1970 lag ertussen; in een telexbericht van 24 september 1970 van Export aan RT is sprake van „nieuwe factoren”;

het feit dat ook Say aan de Italiaanse gebruikers tegen een verhoogde prijs heeft verkocht;

het feit dat de door de importeursgroep bedongen leveringen behoudens onbetekenende uitzonderingen steeds van de leveranciersgroep afkomstig waren.

De afstemming tussen fabrikanten-importeurs manifesteerde zich in het feit dat hun verzoeken om levering gezamenlijk werden ingediend, terwijl over de condities gezamenlijk werd onderhandeld, bij de inschrijvingen dezelfde „sovrapprezzo”-percentages werden geboden tegen dezelfde condities werd doorverkocht en allen zich jegens de kopers het recht voorbehielden de levering ten dele door andere fabrikanten te doen geschieden, terwijl van dat recht ook uitsluitend ten profijte van andere leden van de groep werd gebruik gemaakt. De Commissie betoogt met name het volgende:

de groep der fabrikanten-importeurs omvatte alle Italiaanse ondernemingen die in dit geding als verzoeksters optreden. Dit blijkt uit de op 9 en 15 oktober 1969 door Sucres et Denrées aan Eridania gezonden telexberichten waarin verzocht wordt te bevestigen „dat Uw groep tenminste alle op de vergadering van Genua (van 11 september 1969) aanwezige Italiaanse ondernemingen zal omvatten”, alsook uit Eridania's bevestigend antwoord van 20 oktober 1969. Andere bewijzen zijn te vinden in de resultaten der inschrijvingen, waarbij alle verzoeksters gelijke „sovrapprezzo”-percentages boden alsook in de verkoopbevestigingen die alle verzoeksters hun klanten toezonden en in de zonder uitzondering gelijkluidende contracten met verzoeksters.

De verzoeken om levering liepen via Eridania die de onderhandelingen voor rekening van allen had gevoerd en de offerte voor allen in ontvangst had genomen. Dit blijkt uit de telexberichten bedoeld in de vorige alinea, uit Eridania's telexbericht van 31 oktober 1969 aan Sucres et Denrées en uit Export's telexbericht van 14 september 1970 aan een Duitse grossier.

Uit de geboden identieke „sovrapprezzo”-percentages blijkt dat de Italiaanse fabrikanten hun gedragingen met het oog op deelneming aan de inschrijvingen hebben afgestemd. Die deelneming moest dienen om gezamenlijk volgens een tevoren gemaakte afspraak en verdelingsplan te kunnen inkopen. Het blijkt met name uit:

Eridania's telex aan Sucres et Denrées van 31 oktober 1969, die onmiddellijk is gevolgd op de toewijzing van 104000 ton aan de importeursgroep en waarin men kan lezen: „Wij bevestigen U … de aankoop … op onze naam en op naam van de andere suikermaatschappijen”; het telexbericht van dezelfde da tum dat Sucres et Denrées in antwoord hierop deed uitgaan; een telexbericht van Eridania aan RT, waarin sprake is van de „Italiaanse raffinadeursgroep” en van de verdeling over de leden van de groep; de in dit bericht genoemde cijfers betreffende de door deze groep in 1970/1971 gekochte hoeveelheden kwamen precies overeen met de som van de hoeveelheden die aan de leden der groep waren toegewezen; de hiervoor bedoelde bevestigingen en verkoopcontracten waaruit blijkt dat ten opzichte van de gebruikers met dezelfde prijzen en verkoopcondities werd gewerkt en dat die condities bezwarend waren.

In alle voormelde contracten werd de verkoper het recht ingeruimd zich door een andere fabrikant te doen vervangen. Wanneer deze clausule werd toegepast, waren de begunstigde ondernemingen leden van de groep; dit blijkt uit de brieven die Eridania op 21 september 1970 zond aan de firma's Motta en Ferrero alsook uit de in bijlage II, nr. 2, der mededeling bedoelde brief van dezelfde datum van Industria degli zuccheri.

De afstemming tussen de leveranciersgroep en de importeursgroep bestaat daarin dat beide groepen zijn overeengekomen dat leveringen aan de Italiaanse markt gezamenlijk en uitsluitend door de leden van de leveranciersgroep zouden geschieden en, behoudens prijsverhoging, ook alleen aan de Italiaanse fabrikanten. Een en ander blijkt uit de volgende gegevens:

De door RT opgestelde notulen van de op 29 juli 1969 te Parijs gehouden vergadering tonen aan dat de belangrijkste Franse en Belgische leveranciers aldaar de verkoopvoorwaarden voor de Italiaanse groep hebben besproken alsook de middelen om aan derden verkopen op de Italiaanse markt te beletten.

De vroegere verbintenissen zijn verder uitgewerkt en aangevuld op de vergadering die op 11 september 1969 met deelneming van alle leden der beide groepen te Genua is gehouden.

Deze feiten worden bewezen door:

RT's brief aan Export van 6 februari 1970, waarin gewag wordt gemaakt van „onze verplichting jegens onze Franse collega's” en van het besluit dat de „opération sur l'Italie se ferait directement entre les groupes sucriers”;

de door Export opgestelde notulen van een op 20 april 1970 tussen deze vennootschap en RT gevoerde bespreking; aldaar is gerefereerd aan „de verplichtingen die RT in het kader van de rationalisatie van de Europese suikerindustrie heeft aanvaard” en op grond waarvan „de handelsbetrekkingen RT/Export niet gelden voor een reeks rechtstreeks tussen raffinadeurs en fabrikanten lopende zaken” die onder meer Italië betreffen;

interne nota's van Export van 23 en 30 april 1970, waarin akte wordt genomen van de afspraken waaraan RT refereerde;

op 9 april 1970 door Sucres et Denrées aan Eridania gezonden en op 24 september 1970 tussen RT, Export en de firma Gerike Bahr gewisselde telexberichten;

het procesverbaal van de op 22 september 1970 te Parijs gehouden vergadering waaraan was deelgenomen door de Franse en Belgische fabrikanten, Sucres et Denrées en de belangrijkste Italiaanse fabrikanten; uit dat procesverbaal blijkt dat over de prijsopslagen voor verkopen aan buiten de groep staande Italiaanse kopers overeenstemming is bereikt.

De Commissie bepaalt als volgt haar standpunt ten aanzien van de door de onderscheiden verzoeksters voorgedragen argumenten betreffende de algemene beoordeling der gewraakte gedragingen.

###### Antwoord aan Générale sucrière

Uit het aandeel van de „vrije” exporten van (vooral) Générale sucrière en Sucre-Union blijkt dat de vraag van industriële gebruikers en met name die van grote bedrijven als Motta en Alemagna voor een belangrijke en stabiele afzet had kunnen zorgen. De onafhankelijke Italiaanse kopers hebben er ten slotte in berust hun voorraden op basis van jaarcontracten bij de Italiaanse fabrikanten te betrekken (vgl. contracten van 9 oktober 1969 tussen Eridania en Ferrero, 31 augustus 1970 tussen Eridania en Motta, 9 september 1970 tussen Eridania en Ferrero en de contracten genoemd op bladzijde 97 van de mededeling). Tijdens besprekingen met de vertegenwoordigers van de Commissie hebben de vennootschap Ferrero en de „Industrie dolciarie” van verkoopweigering gesproken.

Aan het argument dat verkopen aan onafhankelijken niet rendabel zouden zijn mag geen belang worden gehecht, nu de mogelijkheid van vrije export en prijsconcurrentie en een belangrijke vraag uit de vrije sector zijn aangetoond. Voor leveringen aan industriële gebruikers behoefde geen verkooporganisatie in het leven te worden geroepen.

Générale sucrière kan niet staande houden dat de buitenlandse fabrikanten zich hebben moeten aaneensluiten om de gevraagde hoeveelheid te kunnen aanbieden; zij erkent zelf dat zij aanzienlijke hoeveelheden vrij heeft kunnen uitvoeren.

De rol die Sucres et Denrées heeft gespeeld bewijst dat de afstemming van gedragingen niet het onontkoombaar gevolg is geweest van de Italiaanse ordening en het optreden van een importeursgroep. Dit blijkt wèl uit de telex die de firma op 2 oktober 1970 aan Eridania heeft gezonden en waarin zij er aan herinnert dat zij voorheen met de verschillende Italiaanse groepen afzonderlijk heeft moeten onderhandelen, terwijl zij voorts haar overtuiging tot uitdrukking brengt dat zij „ruimschoots heeft bijgedragen tot het versmelten van de betrekkingen en de gezamenlijke belangen der verschillende groepen”.

De Commissie heeft niet miskend dat het stelsel van inschrijvingen voor de onafhankelijke kopers de invoer heeft bemoeilijkt; de grootste moeilijkheid is echter uit de gewraakte afstemming voortgekomen. In de Italiaanse bepalingen was een hergroepering van het aanbod niet voorzien.

###### Antwoord aan Say

Geen van de beide elementen van de prijsopslagen was objectief gerechtvaardigd:

De distributiekosten blijven bij verkoop aan fabrikanten of aan „outsiders” gelijk. In beide gevallen behoeft aan een verkooporganisatie niets ten koste te worden gelegd. Door haar bevestiging zonder prijsopslag aan „outsiders” te hebben geleverd heeft Say tevens stilzwijgend erkend dat de normale prijs lonend was.

Een veiligheidsmarge was op grond van hetgeen zojuist werd opgemerkt nog moeilijker te rechtvaardigen.

###### Antwoord aan Béghin

Het niveau der door de vennootschappen berekende prijzen doet in het geheel niet ter zake, immers de Commissie heeft een eventuele invloed van de afstemming op de prijzen niet als bestanddeel van de inbreuk in aanmerking genomen.

###### Antwoord aan RT

De afstemming van gedragingen heeft niet slechts per inschrijving plaats gehad; zij droeg een algemeen karakter. Dit blijkt met name uit:

een op 24 september 1970 door Export aan RT gezonden telexbericht blijkens hetwelk RT heeft geweigerd aan een Duitse handelaar voor export naar Italië te verkopen;

een op 7 augustus door Export aan Sucre et Denrées gezonden telexbericht;

een 8 augustus 1968 gedagtekende brief van Export aan Sucres et Denrées betreffende een via Export lopende verkoop van RT aan Sucres et Denrées.

De ervaring leert dat leveringen van fabrikant aan handelaar over zodanige afstanden zijn geschied dat mag worden aangenomen dat de transportkosten geen belangrijke rol spelen.

###### Antwoord aan Sucres et Denrées

De Commissie ontkent niet dat groepering van het aanbod de transportkosten kan drukken, doch wel dat zodanige kostenverlaging zonder de litigieuze afstemming niet kon worden bereikt. Sucres et Denrées heeft niet' aangetoond dat deze kosten gemiddeld 6 % van de suikerprijs belopen.

De risico's en lasten waarvoor de buitenlandse exporteurs zich op de Italiaanse markt geplaatst zagen zijn normale risico's.

De stelling dat de gewraakte gedragingen ten voordele van de Italiaanse verbruikers hebben gestrekt doet niet ter zake, aangezien die gedragingen niet bij de Commissie zijn aangemeld.

Het argument dat de ondernemingen aan de structuren van het aanbod in Italië niets konden veranderen houdt een miskenning in van het feit dat de telastgelegde inbreuk bestaat in een handeling die ertoe strekt te beletten dat de Italiaanse markt zich aan de controle van de fabrikanten aldaar onttrekt. Het is trouwens ook in tegenspraak met de bewering dat de gewraakte gedragingen tot een verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag zouden hebben bijgedragen (vgl. infra, b)).

Het is waar dat geen enkele Franse onderneming zich bij de inschrijvingen heeft gemeld. Omdat aan hun deelneming echter geen ernstig beletsel in de weg stond, kan hun wegblijven als een aanwijzing te meer worden opgevat dat men zijn gedragingen had afgestemd.

###### Antwoord aan SZAG

De maatstaven welke de Commissie in haar bekendmaking van 27 mei 1970 noemt kunnen, gezien de aldaar genoemde maximumomzetten, in casu niet worden aangelegd.

SZAG mag zich ook niet beroepen op de bekendmaking van de Commissie van 29 juli 1968. Zij vergeet dat alle Italiaanse ondernemingen die ten minste 1000 ton wensten in te slaan, aan de inschrijving van 1968/1969 hebben kunnen deelnemen en dat de waar voor de Italiaanse kopers en niet voor de Ccz bestemd was; het is dus niet juist te beweren dat de buitenlandse fabrikanten zich met het oog op de levering van de gevraagde hoeveelheden moesten aaneensluiten.

###### Antwoord aan Eridania

Tegen de stelling dat de Italiaanse fabrikanten bij andere ondernemers in het nadeel zouden zijn geweest omdat ze ook als wederverkopers optraden, en dus wel moesten reageren zoals zij in casu hebben gedaan, kan het volgende worden ingebracht:

zij is in strijd met de stelling dat het in Italië niet tot mededinging kon komen;

dat de fabrikanten tevens als wederverkopers optraden geschiedde uit vrije verkiezing en bracht hen geenszins in het nadeel;

het Verdrag gedoogt afwijkingen van de vrije mededinging alleen in het kader aan de uitzonderingsbepalingen van artikel 85, lid 3, doch tolereert geen „zelfverdediging” met verboden middelen;

de gebruikers waren voor hun leveringen afhankelijk van de fabrikanten en moesten wel genoegen nemen met de hun gestelde bezwarende voorwaarden.

Met de bewering dat er geen sprake zou zijn geweest van een onderling afgestemde feitelijke gedraging van algemene aard, doch dat er van geval tot geval in volle vrijheid zou zijn onderhandeld wordt niet de afstemming van de Italiaanse fabrikanten in twijfel getrokken, doch betwist dat er tussen hen en de leveranciersgroep een afstemming zou hebben plaatsgehad. Doch zelfs aldus verstaan vindt zij geen steun in de feiten. Uit de door haar bedoelde telexberichten blijkt alleen maar dat Eridania offertes van buiten genoemde groep staande ondernemers in overweging heeft genomen en heeft geprobeerd van de groep interessantere prijzen te bedingen alsook dat er bepaalde meningsverschillen tussen leveranciers en importeurs hebben bestaan. Zelfs bij de inschrijvingen waarvan in die telexberichten sprake is schijnt de importeursgroep zich bij de leveranciersgroep te zijn blijven bevoorraden. Aan deze telexberichten kan geen argument worden ontleend tegen de vaststelling dat de importen die van de leveranciersgroep afkomstig waren grotendeels naar de importeursgroep gingen en dat vrijwel alle hun gegunde inschrijvingen op leveringen van de leveranciersgroep betrekking hadden.

Artikel 85 betreft ook afspraken tussen als kopers optredende ondernemingen.

Op de omstandigheden die de afstemming zouden moeten rechtvaardigen kan alleen acht worden geslagen in het kader van lid 3 van dit artikel; zonder aanmelding kan er geen onderzoek naar worden ingesteld.

Dat de Italiaanse fabrikanten een slechtere positie zouden innemen dan de leveranciersgroep valt moeilijk te rijmen met het feit dat de importen slechts dank zij de verlaging van de „sovrapprezzo” mogelijk zijn geweest en met het feit dat genoemde fabrikanten over een verkooporganisatie beschikken en op de betrokken markt reeds vaste voet hebben verkregen; deze bewering is bovendien in tegenspraak met de stelling dat de Italiaanse markt geen mogelijkheid tot concurrentie zou bieden. En zulk een zwakkere positie kan ook niet worden afgeleid uit het stelsel van inschrijvingen dat ten doel had te verhinderen dat de ondernemers zich tevoren over de biedingen zouden verstaan.

Dat Sucres et Denrées als verkoper is opgetreden wordt door haar exposé en door een aantal telexberichten gelogenstraft.

Dat de suikerhandel vroeger in handen van de Italiaanse fabrikanten was wil nog niet zeggen dat de invoer via hen -moest lopen. Enerzijds is er voor de verkoop aan de industriële afnemers geen verkooporganisatie nodig en anderzijds levert de wederverkoop van suiker geen bijzondere moelijkheden op, zodat er bij vrije concurrentie van de fabrikanten onafhankelijke handelsnetten hadden kunnen komen. En al had de invoer redelijkerwijze over de Italiaanse fabrikanten moeten lopen, dan zou zulks nog geen afstemming van gedragingen rechtvaardigen.

De Italiaanse ordening noodzaakt de Italiaanse fabrikanten niet om voor importsuiker en in het land zelf geproduceerde suiker gelijke verkoopprijzen te berekenen. De bewering dat gebruikers en consumenten niet zouden worden benadeeld wordt voldoende weerlegd door de klachten van eerstgenoemden en door het feit dat prijsconcurrentie uiteindelijk steeds in het voordeel van de consument is.

De concentratie van het aanbod der buitenlandse leveranciers vormde een bestanddeel van de praktijken waarmede die leveranciers en de Italiaanse fabrikanten de Italiaanse markt wilden controleren; het was voor laatstgenoemden geen „res inter alios acta”.

Eridania kan niet betwisten dat de aan onafhankelijke kopers berekende prijsopslagen een discriminerend karakter droegen. Dat de Italiaanse fabrikanten ook handelaars-wederverkopers waren rechtvaardigt geen voorkeursbehandeling, te minder waar dit zelfde ook met de onafhankelijke kopers het geval kon zijn. De prijsdifferentiatie hield geen verband met de omvang van de kooptransacties, doch met het al dan niet behoren — van de koper — tot de groep van fabrikanten-importeurs. De lasten waarop Eridania zich beroept — de noodzaak van een verkooporganisatie en de ver plichting in geheel Italië tegen dezelfde prijs te verkopen — gelden niet voor industriële suiker, of wel 75 % van de totale invoer. En wat die — alleen in besluit nr. 1215 opgelegde — verplichting betreft: de consumentenprijs omvat een forfaitair berekende post transportkosten; bovendien krijgt ieder die voor wederverkoop aan de consument invoert ermede te maken.

De stelling dat onafhankelijke kopers hun voorraden hadden kunnen betrekken bij niet tot de leveranciersgroep behorende verkopers, doch met het oog op een geregelde toelevering eigener beweging hun voorkeur hadden laten uitgaan naar de fabrikanten-importeurs is onbewezen gebleven en vermag de gewraakte handelwijze ook niet te rechtvaardigen. Zij verklaart niet waarom zulke leveringen niet door andere leveranciers konden worden verzorgd en is ook moeilijk te rijmen met de klachten van de industrie.

###### Antwoord aan Cavarzere

Ten betoge dat de Italiaanse fabrikanten geen concurrenten van de buitenlandse fabrikanten zijn, bedient Cavarzere zich van kunstmatige onderscheidingen:

bij de vraag: tussen die naar in Italië en in het buitenland geproduceerde suiker;

bij het aanbod: tussen de offertes ter voldoening aan die tweeërlei vraag.

De opmerking dat het de Italiaanse fabrikanten niet mogelijk zou zijn geweest op concurrerende voorwaarden te exporteren is niet ter zake dienende wanneer het gaat om mededingingsbeperkingen op de Italiaanse markt.

Wanneer zij betoogt dat de buitenlandse leveranciers ook zonder afstemming van gedrag over verkoopcontracten hadden moeten onderhandelen en dan al evenmin hun prijzen en verkoopvoorwaarden eenzijdig hadden kunnen vaststellen, stelt zij kartels en verkoopcontracten op één lijn.

De door Cavarzere bedoelde vroegere besluiten en mededelingen van Raad en Commissie betroffen andere situaties dan de onderhavige, zodat niet mag worden beweerd dat deze instellingen een gedrag als dat van de litigieuze ondernemingen zouden hebben goedgekeurd.

De afstemming tussen fabrikanten en leveranciers wordt door de telexberichten door Carvarzere bedoeld niet weerlegd:

Waar Sucres et Denrées het in haar aan Eridania gezonden telexbericht van 31 oktober 1969 betreurt dat sommige grote gebruikers er in geslaagd zijn rechtstreeks te importeren, gaat het om de invoer van slechts enkele duizenden tonnen, op een verzoek om offerte dat ertoe leidde dat de groep van fabrikanten-importeurs zich van de 127000 ton waarvoor de inschrijving gold ruim 104000 ton, geheel afkomstig van de leveranciersgroep, zag toegewezen.

Ongetwijfeld wordt in het telexbericht van Sucres et Denrées van 2 oktober 1970 aan Eridania verweten dat zij offertes van ondernemingen die geen deel van de groep uitmaakten, in aanmerking heeft genomen. Hierin komt echter een normale onderhandelingstactiek tot uitdrukking; de importeursgroep bleef haar voorraden geheel bij de leveranciersgroep betrekken; dit schijnt zelfs het geval te zijn geweest met de inschrijving die in bedoeld telexbericht wordt genoemd.

Ten aanzien van de prijsopslag zij opgemerkt dat Cavarzere, wanneer zij tracht de aan de importeursgroep verleende voorkeursbehandeling te rechtvaardigen met een beroep op de bemiddelende rol die door de leden van deze groep zou zijn gespeeld, tevens toegeeft dat de afwezigheid van zulke bemiddelaars het prijsniveau gunstig had kunnen beïnvloeden.

De prijsopslag was niet onaanzienlijk; en de Commissie heeft ook niet vastgesteld dat zij buitensporig groot was, doch alleen dat zij ongeoorloofd was.

Dat de prijsopslag inderdaad is toegepast blijkt uit de stukken die de Commissie in haar algemene overwegingen ter sprake brengt (vgl. supra).

De onderhavige gedragingen hebben de handel tussen Lid-Staten ten duidelijkste benadeeld; er werd mee beoogd de invoer van aanzienlijke hoeveelheden suiker te beïnvloeden.

Wanneer gesteld wordt dat de Italiaanse verwerkende bedrijven eveneens rechtstreeks hebben ingevoerd en dat de importeursgroep haar voorraden ook buiten de leveranciersgroep om betrok, dan blijkt uit de door Cavarzere bedoeld telexberichten wel dat het daarbij ging om de uitzonderingen die de regel bevestigen. Een gedraging als hierbedoeld behoeft trouwens, om onder artikel 85 te vallen, niet volledig tot het ermede beoogde doel te hebben geleid.

Men kan niet zeggen dat buitenlandse leveranciers die niet tot de betrokken groep behoorden, een subsidiaire bevoorradingsmogelijkheid boden. De fabrikanten van de groep controleerden onderscheidenlijk 75 % en 85 % van de Franse en Belgische produktie. Niet tot de groep behorende fabrikanten deden normaliter niet aan raffinage, doch produceerden suiker die niet aan industriële afnemers kon worden verkocht en grotendeels ter raffinage aan de leden van de groep werd overgedragen. De „outsiders” waren in de regel niet groot en ook onvoldoende op export gesteld.

Bezien in verband met de onderling afgestemde feitelijke gedraging in haar geheel, konden de jaarcontracten met de Italiaanse afnemers ertoe leiden dat de Italiaanse fabrikanten de nationale markt gingen controleren. Dat de industriële gebruikers zich over het gedrag der fabrikanten hebben beklaagd, logenstraft de bewering dat de gebruikers met deze contracten gebaat zouden zijn geweest. Cavarzere mag ook niet beweren dat de in die contracten voorkomende clausule waarin aan de verkopers het recht werd toegekend zich te doen vervangen, zou zijn ingegeven door het risico dat zij zich anders voor tekorten geplaatst zouden zien; de vennootschappen van de groep der fabrikanten-importeurs namen aan de inschrijvingen deel na zich omtrent de verdeling der hoeveelheden te hebben verstaan en geen enkele tot de groep behorende onderneming zou dus het risico hebben gelopen zijn inschrijving niet gehonoreerd te zien.

Wanneer Cavarzere het er over heeft dat er op de Italiaanse markt jegens de fabrikanten onafhankelijke verkooporganisaties zouden hebben bestaan, komt zij in strijd met de bewering van de overige Italiaanse verzoeksters volgens wie de importen via de fabrikanten lopen omdat zij vanouds de enige ondernemingen zijn die in Italië in suiker handelen.

###### Antwoord aan Industria degli zuccheri

De stelling dat de Italiaanse fabrikanten zich in een zwakke onderhandelingspositie bevonden is zowel in strijd met het argument dat de buitenlandse en Italiaanse fabrikanten niet met elkander zouden hebben geconcurreerd als met het standpunt van de Franse verzoeksters dat de concentratie van het aanbod noodzakelijk zou zijn geworden door de concentratie van de vraag.

De concentratie van de vraag is noch door de omvang van de vraag te rechtvaardigen noch door de lasten die de inschrijvers te dragen kregen, noch ook door de noodzaak zich van vaste offertes te verzekeren, immers die offertes kunnen ook door zelfstandige leveranciers aan zelfstandige importeurs worden gedaan.

De redenen waarop Industria degli zuccheri zich beroept om de aankopen tussen de fabrikanten te rechtvaardigen gaan niet op:

de ontoereikende produktie was gunstig voor alle invoer en dwong de fabrikanten niet zelf tot invoer over te gaan;

het is niet waar dat iedere winstmogelijkheid was uitgesloten. In het telexbericht dat Sucres et Denrées op 2 oktober aan Eridania zond is sprake van „niet te versmaden gewin”;

een marktstructuur zonder grote importhandelaren behoeft niet via onderlinge afstemming te worden bestendigd;

de bij inschrijving aan te bieden minimumhoeveelheden werden niet op zodanige wijze vastgesteld dat invoer anders dan door de zeer grote ondernemingen was uitgesloten.

De leveringen van fabrikant tot fabrikant zijn, getoetst aan de maatstaven van een vlotte afdoening van zaken alleen, niet te verklaren, met name niet wanneer men de omvang dier leveringen in aanmerking neemt alsmede het feit dat een normale werking van de markt tot een heel andere situatie had moeten leiden.

De prijsopslagen zijn niet te rechtvaardigen met het motief dat de producentenimporteurs in staat zijn bepaalde waarborgen te bieden. Juridisch zijn zij aan zulke waarborgen niet gebonden; en inherent als zij zijn aan het bezit van een distributieapparaat voor het gehele Italiaanse grondgebied, zijn zij voor industriesuiker niet nodig.

Met haar pogingen die prijsopslagen te rechtvaardigen met een verwijzing naar de rol van wederverkopers die door de Italiaanse fabrikanten zou worden gespeeld, miskent Industria degli zuccheri dat hun nu juist wordt verweten dat zij zich als onmisbare tussenpersonen hebben opgeworpen en geeft zij toe dat hun afwezigheid een gunstige uitwerking op het prijsniveau had kunnen hebben.

De bijzondere inschrijving die Industria degli zuccheri ter sprake brengt, heeft na de beschikking plaatsgevonden. Het hoge aandeel van de importen die in het kader dier inschrijving door buiten de groep van producenten-importeurs staande ondernemers zijn geschied, bewijst juist dat een rechtstreeks naar de afnemer lopende invoerhandel mogelijk is en in de lijn ligt van een normale werking van de markt.

###### Antwoord aan Emiliana

Er behoeft, wil er van een onderling afgestemde feitelijke gedraging sprake zijn, door de betrokken ondernemingen geen buitensporige winst te zijn behaald.

De Commissie gaat vervolgens over tot bespreking van het individuele gedrag van de verschillende betrokken ondernemingen en hetgeen zij dienaangaande hebben betoogd.

###### Générale sucrière

De deelneming van deze vennootschap aan de gewraakte gedragingen blijkt, behalve uit de reeds besproken documenten, uit de telexberichten die Sucres et Denrées op 9 april en 29 september 1970 aan Eridania heeft gezonden; in het eerstgenoemde is sprake van „de Franse groep van raffinadeurs en suikerfabrikanten”.

Dat de vennootschap vrij was om aanzienlijke hoeveelheden uit de voeren bewijst niet dat zij het beginsel der afstemming niet heeft geëerbiedigd; ter vaststelling van de gewraakte gedraging behoeft alleen maar te worden aangetoond dat de vrije leveringen werden bemoeilijkt.

Het betoog van Générale sucrière is innerlijk tegenstrijdig: enerzijds stelt zij dat hogere prijzen hun rechtvaardiging vonden in verkopen aan onafhankelijken, anderzijds dat de prijzen die de vennootschap bij deze verkopen berekende aan de bescheiden kant zijn gebleven. Aan de hand van de berekeningen die de vennootschap heeft overgelegd verkrijgt men geen nauwkeurig denkbeeld van de prijzen die van contract tot contract zijn berekend, terwijl de namen van de onafhankelijken waaraan de vennootschap heeft geleverd er ook niet in zijn vermeld. Evenmin heeft Générale sucrière haar prijscalculatie toegelicht; het gaat er maar om of bepaalde factoren die de prijzen kunnen beïnvloeden in aanmerking zijn genomen. De Commissie geeft een analyse van de door Générale sucrière overgelegde tabellen en meent daarbij bepaalde onnauwkeurigheden en onduidelijkheden te moeten signaleren. Zij erkent evenwel dat de vennootschap vanaf 1971/1972 aan „outsiders” heeft geleverd zonder hogere prijzen te berekenen.

###### Say

De posita van Say betreffende haar exporten buiten Sucres et Denrées om wettigen niet de conclusie dat zij niet aan de afstemming van gedragingen heeft deelgenomen. Het is niet komen vast te staan dat deze leveringen uiteindelijk niet bestemd zijn geweest voor de leden van de importeursgroep. Say spreekt ook niet over het verkoopseizoen 1968/1969; wat de drie andere verkoopseizoenen betreft: uit de door Say verstrekte documenten blijkt dat tussen de 54 en 99,94 % van haar totale exporten naar Italië voor genoemde groep bestemd is geweest.

De deelneming van Say aan de onderling afgestemde feitelijke gedraging wordt met name bewezen door:

het door Sucres et Denrees op 3 oktober 1968 afgesloten verkoopcontract;

de na de vergadering van Genua tussen Sucres et Denrées, RT en Eridania gewisselde telexberichten;

het intern document van Sucres et Denrées van 13 april 1970, waarin de omvang van de leveranties naar Italië uit de doeken wordt gedaan;

het op 30 oktober 1970 door Eridania aan RT gezonden telexbericht waarin wordt ingegaan op de resultaten van de op die zelfde dag gehouden inschrijving.

De verplichting bij verkoop aan „outsiders” prijsopslagen te berekenen blijkt met name uit:

de door Sucres et Denrées op 1 oktober 1969 en 9 april 1970 aan Eridania gezonden telexberichten;

het door Eridania op 20 oktober 1969 aan Sucres et Denrées gezonden telexbericht;

voormeld verkoopcontract van Sucres et Denrées.

Dat Say buiten de leveringen van fabrikant aan fabrikant om heeft geëxporteerd bewijst onvoldoende dat zij niet aan een beperking van de mededinging heeft deelgenomen.

Bij bestudering van de door Say overgelegde stukken blijkt dat de prijzen die in de tijdvakken december 1969/september 1970 en oktober/december 1970 aan Sucres et Denrées dan wel aan producenten-importeurs zijn berekend, meestal lager waren dan die bij vrije verkoop.

###### Béghin

Béghin had van de Franse en Belgische fabrikanten de grootste omzet.

Zij kan zich niet beroepen op haar geringe uitvoer naar Italië. Haar deelneming aan de onderling afgestemde feitelijke gedraging blijkt uit de hiervoor ten aanzien van Say genoemde stukken en uit de notulen van de op 22 september 1970 te Parijs gehouden vergadering. Of Béghin geen prijsopslagen heeft toegepast doet niet ter zake, aangezien zij uitsluitend van fabrikant tot fabrikant heeft geleverd.

###### RT

De drie in bijlage 9 van het verzoekschrift genoemde contracten tussen RT en Export bewijzen geenszins dat RT vrijelijk naar Italië kon exporteren. Zij zijn afgesloten op een tijdstip waarop Export bij RT protesteerde tegen de prijsopslagen waartoe tijdens de op 22 september 1970 te Parijs gehouden vergadering was besloten. Bovendien heeft Export rechtstreeks aan de Italiaanse fabrikanten verkocht; ook de hoeveelheden waarvoor vervolgens door tussenkomst van Export contracten werden afgesloten, zijn aan die fabrikanten geleverd.

De briefwisseling tussen RT en Export heeft de Commissie bezien in samenhang met de betrekkingen tussen deze beide bedrijven en in het meer algemene bestek van de onderling afgestemde feitelijke gedragingen der fabrikanten. Voor de beoordeling dier correspondentie refereert zij zich aan 's Hofs oordeel.

###### Sucres et Denrées

Sucres et Denrées mag niet beweren alleen maar als tussenpersoon te zijn opge treden. Blijkens haar statuten is zij een onafhankelijk handelaar. In haar antwoord op de mededeling heeft zij erkend eigenaar van de door haar verhandelde suiker te zijn. Uit de hiervoor aangehaalde stukken blijkt dat zij bij de afstemming een leidende rol gespeeld heeft, die veel verder ging dan het factureren der leveringen.

###### SZAG

Zoals blijkt uit de briefwisseling die Eridania en Sucres et Denrées na de op 11 september 1969 te Genua gehouden vergadering hebben gevoerd (vgl. mededeling, blz. 57, 62 tot 64) hebben de deelnemers aan die vergadering, waaronder SZAG, de leveringen van de buitenlandse fabrikanten aan Italië in quota verdeeld. Dit wordt bevestigd door het feit dat SZAG's leveringen aan Eridania in ieder geval in 1969/1970 overeenkwamen met het aan SZAG toegewezen aandeel van 15 %. Wanneer het er op die vergadering alleen maar om ging de werkelijke leveringsmogelijkheden te bespreken, dan had zij geen zin, immers Eridania had zich die inlichtingen evengoed schriftelijk of telefonisch kunnen verschaffen.

In de telexberichten van Sucres et Denrées van 1 oktober 1969 wordt onder meer gezegd dat „wanneer de Duitse verkopers van deelneming aan de operatie mochten afzien, … hun contingent (verdeeld zal worden) … over de Franse en Belgische verkopers, en wel naar rato van hun onderscheiden quota's”. Daarmede is SZAG's deelneming aan de afspraak aangetoond.

De Commissie is gerechtigd zich tegenover SZAG te beroepen op stukken die zijn uitgegaan van of gericht tot derden en waarin over het gedrag der vennootschap geen twijfel wordt gelaten. Sucres et Denrées en Eridania hebben er geen enkel belang bij melding te maken van een nietbestaande deelneming van SZAG. Die deelneming is niet uitgesloten door het enkele feit dat de vennootschap Sucres et Denrées niet heeft opgedragen voor haar rekening met Eridania te onderhandelen.

Dat Eridania op 20 oktober 1969 in haar telexbericht aan Sucres et Denrées (mededeling, blz. 58) heeft verklaard „dat men niet 15 %, maar 15000 ton in totaal voor de Duitsers moet reserveren” moet worden toegeschreven aan de wens tot uitdrukking te brengen dat het aandeel van de Frans-Belgische groep niet noodzakelijkerwijze 85 % behoefde te bedragen van de hoeveelheid waarvoor kon worden ingeschreven. Onder de Duitse leveranciers moest ook rekening worden gehouden met handelaren die anders de Italiaanse markt hadden kunnen verstoren (vgl. telexbericht van Eridania aan Sucres et Denrées van 10 april 1970). In haar telexbericht aan Sucres et Denrées van 31 oktober 1969 heeft Eridania vastgesteld: „zoals overeengekomen, komt U 85 % en Süddeutsche Zukker 15 % toe”.

Aan de hand van cijfers betoogt de Commissie dat SZAG in de vier betrokken verkoopseizoenen aan de Italiaanse fabrikanten gemiddeld meer dan 3/4 van haar uitvoer naar Italië heeft geleverd.

Wanneer SZAG aan de ondernemersafspraak der leveranciers heeft deelgenomen, dan mag het er voor worden gehouden dat zij zich ook heeft verbonden aan anderen dan de Italiaanse fabrikanten slechts tegen een verhoogde prijs te leveren. De tabel van bijlage 9 bij het verzoekschrift toont aan dat SZAG inderdaad aan Italiaanse handelaren en gebruikers hogere prijzen heeft berekend; er blijkt uit dat zij sedert het verkoopseizoen 1969/1970 op haar verkopen aan de fabrikanten minder heeft verdiend dan op die aan de handelaren.

SZAG kan bij vergelijking van haar eigen leveringen met die van andere Duitse fabrikanten niet betwisten dat „de leveringen in Italië anders dan door de leveranciersgroep beperkt blijven tot door, outsiders' aangeboden kleine hoeveelheden” (beschikking, blz. 24, r. kol.). Wanneer zij van „outsiders” spreekt heeft de Commissie alleen maar leveringen aan handelaren en Italiaanse verwerkende in dustrieën op het oog. De Commissie geeft voor de bedoelde verkoopseizoenen ieder afzonderlijk cijfers betreffende het aantal contracten dat door de leveranciers is gesloten voor onderscheidenlijk leveringen van fabrikanten aan (Italiaanse) fabrikanten en leveringen aan andere Italiaanse kopers.

Sommige leveringen van SZAG aan Duitse handelaren blijken in werkelijkheid neer te komen op indirecte verkopen aan Italiaanse suikerfabrieken.

SZAG's aandeel in de leveringen aan Italië behoeft niet bekend te zijn; het komt alleen maar aan op de beperkende werking van het gedrag van alle belanghebbenden.

SZAG's stelling dat de verkopen aan de fabrikanten lucratiever voor haar waren, is volkomen met de ervaring in strijd. Zij wordt door de in bijlage 9 van het verzoekschrift voorkomende berekening niet bewezen; SZAG dient haar wijze van berekening toe te lichten en de door haar genoemde contracten over te leggen.

SZAG heeft geen „outsiders” rol gespeeld. De redenen die de Commissie aanleiding gaven aan Sucre-Union geen geldboete op te leggen — namelijk het onafhankelijk optreden van deze vennootschap op verschillende markten — gaan voor SZAG niet op.

###### Cavarzere

Het doet weinig ter zake of Cavarzere zich duurzaam heeft verbonden de leveringen te aanvaarden waarover door Eridania was onderhandeld; de Commissie heeft haar geen deelneming aan een ondernemersovereenkomst verweten, doch deelneming aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging.

De tussen Eridania en Sucres et Denrées gewisselde telexberichten waarop Cavarzere zich beroept houden de bevestiging in van het feit dat zij via Eridania heeft geïmporteerd; daarmede wordt aangetoond dat Cavarzere ten opzichte van de andere leden der importeursgroep niet over vrijheid van handelen beschikte.

###### Volano en Emiliana

Eventuele financiële moeilijkheden van Volano vermogen de door haar begane inbreuk niet te rechtvaardigen. De Commissie meent te weten dat Volano's balans per 31 december 1972 netto een voordelig saldo van ruim 9000000 lire vertoonde.

Dat de deelneming van Volano en Emiliana aan de hierbedoelde gedragingen zou zijn ingegeven door de wens tegen gunstiger voorwaarden in te kopen, rechtvaardigt de houding der vennootschappen niet. Evenmin doet ter zake of zij Eridania hebben gemachtigd om als woordvoerder van de fabrikanten-importeurs op te treden. Evenals de overige Italiaanse ondernemingen hebben Volano en Emiliana hun leveranties laten lopen via — en over hun leveringscondities laten onderhandelen door — Eridania.

###### Sadam,

Sadam's deelneming aan de hierbedoelde gedragingen wordt bewezen door de hiervoor genoemde documenten en door het op 10 september 1970 tussen Sadam en Ferrero gesloten contract. Het doet er niet toe dat Sadam geen lid is van Assozucchero en nimmer door Assozucchero werd vertegenwoordigd.

Dat Sadam niet rechtstreeks heeft deelgenomen aan de commerciële correspondentie waarvan in de beschikking sprake is, vindt zijn verklaring in het feit dat zij haar verzoeken om levering heeft gedaan — en de leveringscondities heeft besproken — via Eridania. Die correspondentie betrof trouwens de nakoming van verbintenissen die waren aangegaan op de op 11 september 1969 te Genua gehouden vergadering — waaraan Sadam heeft deelgenomen.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

###### ad 1., aa) aaa)

Eridania werkt de voorgeschiedenis van de Italiaanse ordening — en van de economische situatie aldaar — nader uit en betoogt met name:

dat de suikerprijs steeds zodanig werd vastgesteld dat de in Italië bijzonder hoge producentenkosten er in de regel niet uitkwamen;

dat het CIP in zijn circulaire nr. 1237 vooral heeft duidelijk gemaakt dat het in zijn bedoeling lag om behoudens toepassing van de „sovrapprezzo” van de interventieprijs de Italiaanse verkoopprijs te maken; die prijs zou dan tevens een maximumprijs zijn;

dat de Commissie ten onrechte beweert dat er, nadat de Consiglio dello Stato het besluit nr. 1236 heeft nietigverklaard, in Italië geen maximumverkoopprijs meer bestaat; al moge die prijs geen grondslag meer vinden in rechtsgeldige besluiten van het CIP, de Italiaanse overheid weet er langs andere weg toch toe te komen en wel zó dat die prijs niet slechts in feite wordt berekend, doch wordt voorgeschreven;

dat het Italiaanse systeem met zijn voorgeschreven prijs blijkens bepaalde uitlatingen van het CIP en de Ccz ook voor industriesuiker gold.

Industria degli zuccheri geeft eveneens een beschrijving van de ontwikkeling der Italiaanse ordening. Zij wijst er met name op dat de vaststelling van maximumconsumentenprijzen noodzakelijkerwijs bepalend is voor de prijzen franco fabriek en dat er ook voor suiker die niet voor voedingsdoeleinden bestemd is maximumconsumentenprijzen bestaan.

Weliswaar is bij latere besluiten de verplichting der fabrikanten-importeurs om bij deelneming aan de openbare inschrijvingen een vaste offerte der buitenlandse fabrikanten over te leggen — zowel voor de hoeveelheid als voor de prijs —, in dier voege ingeperkt dat zij nog slechts voor 5 % van de ingevoerde suiker zou gelden. Die besluiten ten spijt heeft men zich er dikwijls toch aan moeten houden omdat de Italiaanse overheid daartoe telefonisch instructies gaf.

Emiliana wijst er op dat de Consiglio dello Stato weliswaar het besluit nr. 1236 en de circulaire nr. 1237 heeft nietigverklaard, doch nochtans de bevoegdheid van het CIP tot vaststelling van maximumprijzen heeft bevestigd. Men bleef zich dus naar het besluit gedragen.

###### ad 1., aa) bbb)

Générale sucrière antwoordt dat de Commissie onlogisch te werk gaat wanneer zij stelt dat het systeem dat belanghebbenden ter beperking van de mededinging zouden hebben opgezet bewijst dat het tot mededinging had kunnen komen.

De stelling dat de Italiaanse ordening de mededinging niet heeft uitgesloten komt in strijd met de uitlatingen van vertegenwoordigers der Commissie volgens welke „de praktische gang van zaken bij de inschrijvingen … de afstemming van gedragingen der Italiaanse fabrikanten ten einde de invoer volledig te controleren … in de hand werkt”.

De hoeveelheden die de gebruikers buiten de inschrijvingen om konden invoeren beliepen hoogstens 25 % van de bij inschrijving toegewezen hoeveelheden; de enige hinderpaal die zij op hun weg vonden was dus de Italiaanse ordening. De Commissie mag dan ook niet beweren dat de vrije uitvoer zonder voormelde afstemming groter zou zijn geweest en de producenten-exporteurs niet verwijten dat zij aan de gebruikers slechts 25 % van hun totale export naar Italië hebben geleverd. De buitenlandse fabrikanten konden de gebruikers geen geregelde bevoorrading verzekeren: rechtstreekse levering was voor hen slechts weggelegd wanneer het de gebruikers gelukte om — ook zonder aan de voor hen niet toegankelijke inschrijvingen deel te nemen — tenminste een deel van voormelde 25 % in de wacht te slepen. Zo konden firma's Motta en Alemagna ondanks met Générale sucrière afgesloten contracten voor telkens 2500 ton ieder slechts 920 ton invoeren; voor het restant moest Motta een contract afsluiten met Eridania.

Met betrekking tot leveringen aan de Italiaanse fabrikanten hadden de Franse fabrikanten de keus tussen het laten schieten van 75 % van de Italiaanse markt en aaneensluiting voor de verkoop van de gevraagde hoeveelheid. Het verwijt dat zij aan de „bescherming” van de Italiaanse markt zouden hebben deelgenomen is ongegrond; die markt beschermt zichzelf wel.

Zou de verkoop van 75 % van de in totaal naar Italië uitgevoerde hoeveelheid aan de fabrikanten-importeurs achterwege zijn gebleven, dan hadden de desbetreffende hoeveelheden in Italië aan niemand kunnen worden geleverd, zodat ze in Italië niet aan de markt zouden zijn gekomen. Het zou dan stellig tot concurrentie zijn gekomen, en wel tot een concurrentie tussen de kopers — en in opwaartse richting —.

Voor mededinging op de markt zijn nodig: vraag, aanbod en zich met vraag en aanbod wijzigende prijs. In Italië is dit mechanisme tot stilstand gebracht, omdat vraag en aanbod door het CIP arbitrair worden vastgesteld. De prijs is geen „evenwichtsprijs” meer; zij berust op vaststelling door de administratie en is dus kunstmatig. De „prijs” die zich had kunnen wijzigen wanneer de Italiaanse importeurs zich individueel bij de inschrijvingen zouden hebben gemeld, zou niet zijn geweest de prijs van de suiker op zichzelf, doch het gedeelte van de „sovrapprezzo” dat wordt betaald door degene aan wie de inschrijving gegund wordt en dat naar de bedoeling van de Italiaanse administratie zo groot mogelijk moet zijn. Die administratie stelt trouwens zelf de door haar gewenste „prezzo congruo” vast.

RT betoogt dat de Commissie, haar ogen sluitend voor de consequenties van het ontbreken van een verkooporganisatie in het buitenland — de leveringen hadden haars inziens kunnen worden gedaan aan industriële afnemers, waarvoor zij zulk een organisatie overbodig achtte —, de talrijke problemen miskent waaraan de leverancier het hoofd moet bieden om aan de wensen van zijn klanten in het buitenland te kunnen tegemoetkomen.

RT merkt nader op dat zij de stelling dat de Italiaanse ordening geen enkele mogelijkheid tot mededinging openliet niet onderschrijft, doch dat die ordening haar wel heeft belet om zonder inschrijving de hoeveelheden suiker die zij aan Italië had willen leveren, uit te voeren. De fabrikanten die naar Italië wensten te exporteren moesten kopers zien te vinden die aan de inschrijvingen mochten deelnemen en bereid waren ten minste 1000 ton te importeren. Zij konden bovendien de invoer van de aangeboden hoeveelher den niet in gevaar brengen door dezelfde of lagere prijzen toe te staan aan derden — die dan een hogere „sovrapprezzo” hadden kunnen bieden —.

Sucres et Denrées wijst er op dat de Commissie enerzijds betoogt dat door de gewraakte gedragingen wordt aangetoond dat er concurrentie mogelijk zou zijn geweest en anderzijds het bewijs van afstemming geleverd wil zien door het feit dat het intracommunautair handelsverkeer zich anders heeft ontwikkeld dan op grond van de mededingingsmogelijkheden was te voorzien. „Met andere woorden, volgens de Commissie schept afstemming het vermoeden dat bepaalde mededingingsmogelijkheden zijn tegengewerkt en laat dit vermoeden van tegenwerking der mededinging(smogelijkheden) … een ongeoorloofde afstemming vermoeden.” Deze redenering is van alle logica gespeend.

Het betoog dat er prijsconcurrentie mogelijk zou zijn geweest, wordt door de Commissie zelf weersproken wanneer zij erkent dat een geconcentreerd aanbod in bepaalde omstandigheden de transportkosten kan drukken en dat zij aan het niveau van Sucres et Denrées' prijzen geen enkele consequentie ten aanzien van de inbreuken op artikel 85 verbindt. Voorts wordt de maximumconsumentenprijs in Italië op zodanige wijze berekend dat hij de interventieprijs slechts tot het bedrag van de vaste transport- en commercialisatiekosten te boven gaat. De verkoopprijs bij uitvoer naar Italië lag slechts 0,1 à 0,6 % boven de interventieprijs. De beperking van de consumentenprijs werkt rechtstreeks door in de prijs bij verkoop aan de tussenhandel die beneden de maximumconsumentenprijs moet inkopen.

Volgens Eridania gaat de stelling dat de fabrikanten er soms belang bij konden hebben beneden de interventieprijs te verkopen voor Italië — een land met deficitaire produktie — niet op.

Eridania betwist niet dat er zelfs onder het meest dirigistische régime een — zij het marginale — mogelijkheid tot mededinging blijft bestaan. Doch wanneer men te maken heeft met een ordening die de normale mededinging verregaand vervalst, is het niet reëel te verlangen dat de ondernemingen „zich in de enge en scheefgetrokken grenzen waarbinnen er nog plaats is gelaten voor hun initiatief, blijven gedragen naar de regels van het klassieke liberalisme in de meest zuivere vorm”. Eridania somt nogmaals de in haar verzoekschrift genoemde factoren op die de Italiaanse fabrikanten in hun vrijheid van handelen belemmerden; zij voegt daaraan toe dat zij gedwongen waren om:

bij latere verhoging van de binnenlandse prijs waarvan bij de toewijzing als grondslag ter vaststelling van de „prezzo congruo” was uitgegaan, het verschil aan de Ccz te vergoeden;

bij de inschrijving een „sovrapprezzo”-quotum te bieden, ten minste gelijk aan de „prezzo congruo” die door de Ccz op basis van de interventieprijs was vastgesteld en vervolgens de ingevoerde suiker tegen de door het CIP op dezelfde grondslag vastgestelde eenheidsprijs weder te verkopen.

Het was onvermijdelijk dat de Italiaanse fabrikanten vanouds als importeurs en tevens als handelaren optraden; vooral om met de landbouw verband houdende redenen is de industriële bedrijvigheid aldaar van korte duur; komen er geen commerciële activiteiten bij, dan blijft de structuur der ondernemingen — en vooral het daarin gestoken „menselijk kapitaal” — meestentijds onbenut. Dat de fabrikanten deze functie vervulden was in het algemeen belang: via massale importen kon tegen de prijzen die door de re gering werden opgelegd, ruimschoots aan de nationale behoeften worden voldaan. De Italiaanse overheid heeft steeds weer de wens uitgesproken dat de suikerfabrieken zelf suiker zouden importeren. Telkens wanneer er ergens in Italië een tekort aan suiker bleek te bestaan, hebben zij zich, soms zelfs telefonisch of telegrafisch, tot de fabrieken gewend met verzoek de betrokken streek extra te bedelen.

Het valt niet in te zien waarom de consument of de buitenlandse producent-exporteur met een nieuwe schakel in het distributienet — de handelaren — gebaat zouden zijn.

De Commissie kan niet ontkennen dat de uniformiteit van de verkoopprijzen in Italië, met inbegrip van die der prijzen bij doorverkoop van geïmporteerde suiker, aan de wil van de Italiaanse overheid moet worden toegeschreven; zou men haar om inlichtingen vragen, dan zou de juistheid van deze stelling blijken.

Uit de klachten van sommige confiseurs in Noord-Italië spreekt hun ontevredenheid over het stelsel van inschrijvingen en de nationale eenheidsprijs, maatregelen waartegen zij steeds weer tevergeefs bij de Consiglio dello Stato zijn opgekomen. Bedoeld stelsel heeft het hun onmogelijk gemaakt ten volle profijt te trekken van de gunstige geografische ligging hunner fabrieken. Zonder dit stelsel zou de suiker waarschijnlijk in Noord-Italië goedkoper en in Zuid-Italië veel duurder zijn geweest, hetgeen evenwel met de bedoelingen van de Italiaanse staat in strijd zou zijn geweest.

Eridania verzoekt het Hof om, bijaldien het mocht oordelen dat de hiervoor genoemde feiten nog onvoldoende zijn komen vast te staan:

als getuige te horen professor Paolo Albertario, voorheen president van het speciaal bureau voor de internationale economische samenwerking op het gebied van de landbouw, voorheen Directeur-generaal van het Ministerie van Land- en Bosbouw, thans — en ten tijde van de litigieuze feiten — president van de Ccz;

genoemde kas, het Italiaanse Ministerie van Industrie of het CIP te verzoeken om inlichtingen inzake de navolgende vragen:

Is het waar dat de Italiaanse overheid, ook in de jaren 1968-1972, steeds heeft gestreefd naar een enkele prijs voor — binnenlands geproduceerde en geïmporteerde — suiker, bestemd voor menselijke voeding dan wel voor de verwerkende industrie, op het gehele nationale grondgebied?

Is het waar dat die overheid, ten einde dat doel des te zekerder te bereiken, ondanks strikte eerbiediging van het beginsel dat een ieder vrij moet zijn aan de inschrijvingen deel te nemen, steeds heeft verlangd dat de Italiaanse suikerfabrieken met de nodige efficiency deelnemen aan en overgaan tot de importen welke noodzakelijk zijn om het tekort van de nationale produktie te dekken?

Cavarzere betoogt dat ondernemingen die gezamenlijk inkopen, gedwongen zijn een vrij hoge „sovrapprezzo” te bieden. Aan de grote hoeveelheid die zij te zamen willen invoeren kan anders wel eens door dichter bij de grens gevestigde derden, voor wie de invoer goedkoper is en die dus een voordeliger bod kunnen doen, worden geknabbeld. Daarmede wordt aangetoond dat het concurrentieeffect juist door concentratie van de aankoop en deelneming aan de inschrijvingen kan worden verkregen. De mededinging kan ook „negatief”, bij voorbeeld in hogere eigen kosten, aan de dag treden, hoewel zulk een concurrentie aan niemand ten goede komt.

Cavarzere bestrijdt de stelling dat de vrije mededinging het — dank zij de lagere kosten van fabricage van Franse suiker, waardoor de hogere transportkosten althans ten dele konden worden gecompenseerd — mogelijk zou hebben gemaakt de geïmporteerde suiker op gunstige condities te verkopen:

De door de Commissie gemaakte vergelijking tussen enerzijds de prijs van Italiaanse suiker en anderzijds die van suiker die uit Frankrijk wordt in gevoerd op de condities van de aankondiging betreffende inschrijving nr. 4 van 2 april 1970, klopt om door de vennootschap nader omschreven redenen niet met de berekening van de Ccz. Voorts heeft de Commissie de prijs van Franse suiker voor Milaan berekend, terwijl de transportkosten voor Sicilië zes maal zo hoog waren.

Ingevoerde suiker is niet goedkoper wanneer men de fiscale last mede in aanmerking neemt.

Een consequentie van het stelsel van inschrijvingen is dat de ingevoerde suiker moet worden verkocht tegen de op de binnenlandse markt geldende prijs, aan de hand waarvan de hogere kostprijs van ingevoerde suiker moet worden bepaald. Steeg die prijs, dan verlangde de Ccz betaling van het bedrag overeenkomend met de vermindering van het verschil tussen de (nieuwe) binnenlandse prijs en de kostprijs van de ingevoerde suiker zoals door haar berekend. Zodoende verhoogde zij de kostprijs van ingevoerde suiker, bevroor zij de verkoopprijzen op de Italiaanse markt en verhinderde zij de mededinging.

Door van een niet-rationele schakel in de verdelingsketen te spreken wanneer een fabrikant niet aan een gebruiker maar aan een andere fabrikant levert, ziet de Commissie eraan voorbij dat de Italiaanse suikerfabrieken zodra zij hun produktiequotum hebben bereikt, niet langer fabrikanten zijn, doch tussenhandelaren.

De bewering dat er op het gebied van verkoopcondities, service en kwaliteit flink had kunnen worden geconcurreerd, stuit af op de volgende bedenkingen:

De suikerfabrikant moet in overeenstemming met de communautaire indelingscriteria en de wensen der kopers een uniforme standaardkwaliteit garanderen. De kwaliteit van de in te voeren suiker was in de aankondigingen van de inschrijvingen bepaald.

Wat de mededinging ten aanzien van de service betreft: men vraagt zich af of de Commissie daaronder verstaat dat de ondernemingen franco gebruiker of franco bestemming moesten leveren zonder de service aan de koper in rekening te brengen, hetgeen op oneerlijke concurrentie neerkomt.

Met betrekking tot de mededinging inzake de verkoopcondities hebben de Verenigde Naties zich sinds tientallen jaren inspanningen getroost ten einde in het internationaal handelsverkeer tot gelijkluidende contractuele bedingen te komen.

Waar zij stelt dat de buitenlandse fabrikanten er belang bij konden hebben om beneden de interventieprijs naar Italië te exporteren, beveelt de Commissie — in strijd met artikel 91 van het Verdrag — dumping aan. Een dergelijke export zou er voorts toe hebben geleid dat een overeenkomstige hoeveelheid suiker uit het land zelf, waarvoor geen afzetmogelijkheid te vinden zou zijn geweest, door de Italiaanse interventiebureaus moet worden opgekocht. Omdat de Italiaanse interventieprijs boven de interventieprijs der uitvoerende staten lag, zou het EOGFL dan een zwaardere last te dragen hebben gekregen dan het geval zou zijn geweest indien de buitenlandse leverancier de desbetreffende suiker aan het interventiebureau van zijn land zou hebben aangeboden.

Volgens Industria degli zuccheri is de Commissie ten onrechte van mening dat er in Italië, wat de prijzen betreft, kan worden gesproken van een „fourchette”, waarbij de maximumconsumentenprijs de bovengrens en de prijs franco fabriek de benedengrens zou zijn, in dier voege dat de binnen deze grenzen gelegen prijselementen onder druk kunnen worden gezet, zodat er een zekere concurrentie mogelijk zou zijn:

Het verschil tussen de maximumconsumentenprijs en de prijs franco fabriek bestaat uit prijselementen waarop de fabrieken geen vat hebben (belastingen, heffingen, transportkosten, handelsmarge van grossiers en detaillisten).

Bovendien betrekken de industriële gebruikers hun voorraden tegen de prijs franco fabriek rechtstreeks bij suikermaatschappijen.

Zelfs wanneer hij de interventieprijs te boven ging, maakte de prijs franco fabriek het de suikermaatschappijen slechts mogelijk om er in het beste geval een zelfde-marge voor de verwerking van suikerbieten uit te halen als die welke ter vaststelling van de interventieprijs in aanmerking wordt genomen; tegenover het met laatstgenoemde prijs vergeleken hoger gewin staan namelijk de prijsverhogingen en betere contractuele condities die door toedoen van de overheid aan de bietentelers worden toegekend.

Het is niet juist te stellen dat de Italiaanse ordening de import kon begunstigen en aan de Italiaanse producenten ten goede is gekomen. In werkelijkheid strekt het stelsel van inschrijvingen ertoe de prijs van ingevoerde suiker te doen samenvallen met die van suiker uit het eigen land, anders gezegd: tot wijziging van de condities waartoe een vrije mededinging zou hebben geleid.

De besluiten waarbij aan industriële gebruikers een zeker percentage van de toe te wijzen hoeveelheden is toegekend, houden een bevestiging in van de stelling dat zelfs voor de importen van niet-fabrikanten een stelsel geldt dat de mededinging uitsluit.

Wanneer de inschrijvingen de deelneming van de industriële gebruikers niet hadden beperkt, zou het werkterrein van suikerondernemingen en handelaren zozeer zijn begrensd dat zij praktisch alleen nog de gebieden zouden hebben overgehouden die het verst van de grens af zijn gelegen. Zij hadden dan een lagere „sovrapprezzo” moeten bieden. De industriële gebruikers, wier „sovrapprezzo” was aangepast aan die welke uit de inschrijvingen resulteerde, zouden daarvan hebben geprofiteerd naarmate zij dichter bij de grens zijn gevestigd, zodat het tussen de industrieën in het noorden en in het zuiden reeds bestaande verschil in de kostprijs der suikerbevoorrading ten voordele van eerstgenoemde industrieën nog groter zou zijn geworden. Uit dit alles blijkt dat de importen van niet-fabrikanten te zamen weliswaar een aanzienlijk percentage beliepen (35-36 % voor rechtstreekse afnemers en handelaren te zamen), maar op de Italiaanse markt mét haar starre prijzen toch geen werkelijke concurrentiefactor konden worden.

In een rapport van 29 mei 1973 heeft het CIP erkend dat het stelsel van toewijzingen er op gericht is de prijs van ingevoerde suiker op één lijn te brengen met die van suiker uit het land zelf.

Met haar stelling dat het ten aanzien van de verkoopvoorwaarden, de service en de kwaliteit tot mededinging had kunnen komen, miskent de Commissie de werkelijkheid, immers alleen de fabrikantenimporteurs waren in staat het hoofd te bieden aan met te late aankomst van invoersuiker verband houdende bestellingen, namelijk door levering van Italiaanse suiker van dezelfde kwaliteit.

Franse leveranciers die niet tot de hierbedoelde groep behoorden (50 % van de Franse fabrikanten) schijnen op de Italiaanse markt geen suiker te hebben aangeboden beneden de prijzen van de groep, waarmede eens te meer wordt bewezen dat er ook zonder afstemming geen werkelijke concurrentie mogelijk zou zijn geweest.

Het is niet juist te stellen dat industriële gebruikers en handelaren zonder ernstige moeilijkheden aan de inschrijvingen hadden kunnen deelnemen en dus rechtstreeks importeren:

In de considerans van besluit nr. 1234 van het CIP wordt juist vastgesteld „dat alle ondernemers niet kunnen beschikken over een organisatie welke hen in staat stelt aan de inschrijvingen deel te nemen …”.

Het Italiaanse stelsel is zo ingericht dat de grote massa der gebruikers er de voorkeur aan heeft gegeven hun voorraden rechtstreeks bij de fabrikanten te betrekken en zo misschien minder te betalen dan rechtstreeks in het buitenland gekochte suiker, verhoogd met de transportkosten, hun zou hebben gekost.

De stelling dat de buitenlandse fabrikanten rechtstreeks aan de industriële gebruikers hadden kunnen leveren ook zonder dat zij daartoe over een verkooporganisatie zouden moeten beschikken, gaat niet op voor de kleine en middelgrote industrieën voor wie bevoorrading in het buitenland ook in zoverre te bezwarend zou zijn geweest. Dit wordt bevestigd door het feit dat heel weinig van deze industrieën rechtstreeks aan de inschrijvingen hebben deelgenomen, terwijl velen hunner hebben geprofiteerd van de mogelijkheden hun geboden door het besluit nr. 1234 van het CIP en aan derden hebben opgedragen voor hun rekening in te kopen; de aldus buiten inschrijving om totstandgekomen importen beliepen 11,5 %.

###### ad 1., bb)

Générale sucrière geeft toe dat er in de berekeningen voorkomende in de bijlagen van het verzoekschrift — inzake de door haar berekende prijzen — bepaalde fouten zijn geslopen. Zij legt nieuwe bijlagen over, die voor de oude bijlagen in de plaats moeten komen. Ondanks deze fouten zouden de posita van het verzoekschrift door de nieuwe documenten in hoofdzaak worden bevestigd.

Say betoogt dat het, wanneer de Franse fabrikanten van leveringen aan de Italiaanse fabrikanten zouden hebben afgezien, tot een ernstige verstoring van de handel zou zijn gekomen, die voor hen met grote opslagkosten gepaard zou zijn gegaan. Omdat de export naar derde landen door de gezagsorganen van de Gemeenschap beperkt was, zou er niets anders op hebben gezeten dan de suikeroverschotten tegen de interventieprijs af te dragen aan de interventiebureaus.

Aangezien die bureaus slechts boven de interventieprijs konden doorverkopen, zou dit er — voor zover de Italiaanse ordening niet alle verkoop tegen zo'n prijs onmogelijk zou hebben gemaakt — toe leiden dat suiker in Italië tegen een hogere prijs aan de markt kwam.

De buitenlandse fabrikanten hadden praktisch te maken met een enkele koper. Met het oog op de vaststelling der leveringstermijnen en van de datum van grensovergang moesten de transacties gezamenlijk worden afgedaan.

De buitenlandse fabrikanten hebben van de gestelde afstemming helemaal niet geprofiteerd. De bedongen prijzen lagen hetzij onder hetzij 0,3 % boven de interventieprijs; Say legt cijfers over.

In de verkoopseizoenen 1969/1970, 1970/1971 en 1971/1972 beliepen de rechtstreekse verkopen aan de gebruikers 20 % van de exporten der vennootschap naar Italië, i.e. slechts 5 % minder dan het maximum van 25 % dat door de Italiaanse overheid voor verkopen buiten inschrijving om was vastgesteld.

Say heeft bij deze verkopen gedurende de seizoenen 1969/1970 en 1971/1972 slechts opslagen van 1,05 en 0,70 Ffr per 100 kg berekend. Dit zeer geringe verschil was wegens de speciale kenmerken van deze transacties (speciale kosten, hoeveelheden, termijnen, tussenpersonen voor de verdere afdoening) alleszins gerechtvaardigd. Over de prijzen werd vrijelijk onderhandeld.

Béghin wijst erop dat het er weinig toe doet dat zij de grootste omzetten heeft; haar activiteiten betreffen ook andere gebieden dan de suiker.

Het enkele feit dat Béghin zich ook tot een ander tussenpersoon dan Sucres et Denrées heeft gewend — namelijk tot de firma Grandi Molini, waarmede zij al haar exporttransacties in het seizoen 1970/1971 heeft afgedaan — bewijst dat er tussen Béghin en Sucres et Denrées van afstemming geen sprake is geweest.

RT wijst erop dat de totale suikerinvoer in Italië in het verkoopseizoen 1970/1971 volgens het verweerschrift 331055 ton bedroeg, terwijl er in de mededeling (blz. 13) sprake was van 477000 ton.

In de bijlagen bij het verweerschrift en de daarin gegeven cijfers wordt bevestigd dat de afstemming tussen de exporteurs-groep en de importeursgroep slechts per inschrijving heeft plaatsgehad:

Die bijlagen betreffen slechts de inschrijvingen van 30 oktober 1969, 17 april 1970 en 30 oktober 1970, terwijl er van 1968 tot en met 1972 twaalf inschrijvingen hebben plaatsgehad.

De aanbodscondities waren telkens verschillend. Een prijsvoordeel van 1,65 Ffr ten opzichte van de offertes aan andere Italiaanse importeurs kon alleen worden gesignaleerd bij de offertes die bij de twee eerste inschrijvingen zijn gedaan. De desbetreffende clausule was de keerzijde van Eridania's verbintenis elders geen offertes aan te vragen. Bij de derde inschrijving heeft Eridania die verbintenis niet aanvaard.

Bij de derde inschrijving zijn er slechts 19000 ton aan de Frans-Belgische groep toegewezen, bij de eerste 88000 ton. RT moest de derde keer dus wel elders in Italië verkopen.

Alleen in de verkoopseizoenen 1969/1970 en 1970/1971 bedroeg het aandeel van de Frans-Belgische groep in de Italiaanse invoer meer dan 60 %.

Bij de inschrijvingen waarvoor RT samen met sommige Franse fabrikanten had geboden, heeft de Italiaanse groep zich gericht tot het belangrijkste Parijse handelshuis, Sucres et Denrées, dat door zijn contacten met fabrikanten in landen met een tekort, het best in de gelegenheid was om de grote hoeveelheden waaraan de Italiaanse groep behoefte had bijeen te krijgen. Sucres et Denrées nam contact op met de in aanmerking komende leveranciers en bestudeerde te zamen met die leveranciers de gunstigste condities voor een gezamenlijke offerte aan de Italiaanse groep. Voor zover RT — voor betrekkelijk geringe hoeveelheden — aan die offerte heeft deelgenomen, is dat gebeurd omdat zulks haar, vergeleken met op zich zelf staande rechtstreekse transacties, belangrijke voordelen bood (commerciële dienstverlening van Sucres et Denrées; speciaal tarief van de Franse Spoorwegen — SNCF — tot aan de Italiaanse grens).

RT heeft zich bij sommige inschrijvingen van deelneming aan de door Sucres et Denrées te verzorgen leveringen onthouden omdat zij de prijs waartegen de Franse fabrikanten bereid waren te verkopen, te laag vond. Er werd dus wel degelijk geconcurreerd.

Uit de gegevens vervat in de verweerschriften en de daarbij gevoegde bijlagen blijkt dat de industriële gebruikers in Italië geenszins gedwongen waren hun transacties telkens via de Eridania-groep te laten lopen. Voor zover de Italiaanse ordening het mogelijk maakte, hadden zij kunnen inschrijven op basis van de offertes die hun werden gedaan door niet tot de Frans-Belgische groep behorende exporteurs. De mededinging tussen de Frans-Belgische groep en de andere bevoorradingsbronnen binnen de Gemeenschap deed zich dus gevoelen. Bij de inschrijving van oktober 1969 heeft Sucres et Denrées aanvankelijk gedacht aan een prijs van 119,50 Ffr, doch in verband met mogelijke concurrentie van „outsiders” heeft men die prijs laten zakken tot 117,50 Ffr.

Sucres et Denrées betoogt dat zij bij de hierbedoelde transacties weliswaar in juridische zin eigenares is geworden, doch niettemin, blijkens de stukken die de Commissie zelf heeft overgelegd, uitsluitend als tussenpersoon is opgetreden. Een onderneming die zich in een dergelijke positie bevindt heeft geen belang bij een afscherming van de nationale markten en heeft het ook niet in haar macht het daarheen te leiden. Het is dus niet juist het te willen voorstellen alsof Sucres et Denrées bij de afstemming van gedragingen met betrekking tot de Italiaanse markt als gangmaker is opgetreden.

Het optreden van Sucres et Denrées was in overeenstemming met de doelstellingen van het beleid van de Gemeenschap en de Italiaanse overheid.

De Commissie kan Sucres et Denrées geen verwijt maken van het feit dat de leveranciers zich hebben aaneengesloten. Zij heeft aan alle belanghebbende leveranciers, geen enkele uitgezonderd, de voorwaarden doen toekomen waaronder de Italiaanse importeurs suiker wensten te betrekken. Uit de stukken die de Commissie in het geding gebracht heeft, blijkt het tegendeel niet:

In het op 20 augustus 1970 aan Eridania gezonden telexbericht heeft Sucres et Denrées' president geschreven dat hij niet kon „vergeten dat hij zich enkele jaren geleden, bij internationale inschrijvingen te Rome, genoodzaakt had gezien” om „met ieder Uwer telkens in een ander kantoor te onderhandelen, omdat Uw leidinggevende functionarissen niet gezamenlijk in dezelfde zaal wilden vergaderen”; hij voegde daaraan toe „ten volle overtuigd” te zijn „ruimschoots te hebben bijgedragen tot een versmelting van de betrekkingen en gezamenlijke belangen der verschillende groepen”. Hiermede werd gezinspeeld op de rol welke deze president in de jaren 1960-1965, dus vóór de inwerkingtreding der communautaire ordening, had gespeeld om de Italiaanse importeurs een geregelder en rationeler bevoorrading van hun nationale markt mogelijk te maken. Hij zou daarbij in overweging hebben gegeven te komen tot een stelsel van groepsgewijze importen, dat in de plaats zou moeten komen voor de „anarchistische” invoertransacties — waarbij het voor iedere Italiaanse importeursgroep om kleine hoeveelheden ging —.

In de niet op hun juistheid te toetsen notulen van een op 29 juli 1969 te Parijs gehouden vergadering wordt Sucres et Denrées omschreven als een vennootschap met veel invloed in Italië. Hiermede kan logischerwijze alleen maar worden gedoeld op het feit dat toen de Italiaanse overheden in de jaren 1960-1965 bij de organisatie van hun nationale markt op talrijke problemen stieten, Sucres et Denrées hun door de Franse autoriteiten was aanbevolen als een der ondernemingen die de internationale suikermarkt het best kende in hun dus nuttige adviezen kon geven.

Wanneer Sucres et Denrées heeft erkend „degene te zijn geweest die de offertes doorgaf en leveringen en betalingen coördineerde”, wil dat alleen maar zeggen dat zij ondernemingszin aan de dag gelegd heeft en niet dat zij de stoot tot de gestelde afstemmingen heeft gegeven.

Sucres et Denrées is bij de prijsvorming op de Italiaanse markt hoogstens indirect — door te zorgen voor de coördinatie der leveringen — betrokken geweest; en in zoverre kon er van haar alleen maar een gunstige invloed uitgaan. De Commissie spreekt zich trouwens zelf tegen wanneer zij enerzijds stelt dat de ordening van de Gemeenschap de prijsvorming aan vraag en aanbod overliet en dat Sucres et Denrées heeft deelgenomen aan praktijken die het prijsmechanisme op de Italiaanse markt vervalsten en anderzijds erkent dat zij — de Commissie — Sucres et Denrées van de door haar berekende prijzen geen verwijt heeft gemaakt.

De stelling dat er rechtstreeks aan de gebruikers had kunnen worden geleverd is niet alleen theorie, doch ten aanzien van Sucres et Denrées ook niet ter zake dienende. Zij heeft nooit voor eigen rekening geleverd en was dus in het geheel niet in staat om hetzij deze hetzij gene Italiaanse importeur te bevoordelen. Geen enkele Italiaanse gebruiker heeft zich trouwens tot haar gewend met het verzoek haar aanvraag aan de fabrikanten te doen toekomen. Wanneer de buitenlandse leveranciers de uitgevoerde hoeveelheden uitsluitend aan de Italiaanse fabrikanten wilden doen toekomen, dan zou Sucres et Denrées van zulke gedragingen geen verwijt mogen worden gemaakt.

Ten onrechte betoogt de Commissie dat de hierbedoelde gedragingen ertoe strekten de Italiaanse fabrikanten de zekerheid te bieden dat hun markt beschermd zou blijven. De buitenlandse fabrikanten en in ieder geval Sucres et Denrées zijn ten opzichte van de Italiaanse fabrikanten zelfs geen potentiële concurrenten. De Commissie miskent het Italiaanse stelsel en met name de betekenis van de voorgeschreven hoge waarborgsom, wanneer zij stelt dat een Franse onderneming op geen ernstig beletsel zou zijn gestuit wanneer zij had willen inschrijven. In ieder geval had Sucres et Denrées als tussenpersoon aan zulke inschrijvingen niet kunnen deelnemen en er niet eens aan kunnen denken bij de wederverkoop op de Italiaanse markt te worden betrokken.

SZAG wijst er op dat de Commissie in haar verweerschrift alleen met betrekking tot het verkoopseizoen 1969/1970 heeft gesteld dat „verzoeksters deelneming aan het kartel… bewezen is te achten” (vgl. het middel van formele aard dat met betrekking tot dezelfde vraag ten aanzien van de inhoud der beschikking is opgeworpen, supra A, g, ff, in fine). Elders betoogt de Commissie weliswaar dat SZAG in de seizoenen 1970/1971 en 1971/1972 met Italiaanse fabrikanten bij een beperking der mededinging betrokken is geweest. Zij leidt dat echter alleen maar af uit de leveringen aan de Italiaanse fabrikanten, terwijl zij zelf heeft erkend dat zulke leveringen op zichzelf geen inbreuk opleveren.

Ook de omvang dezer leveringen is geen aanwijzing voor een kartel. De Italiaanse fabrikanten verkregen in 1969/1970, 1970/1971 en 1971/1972 achtereenvolgens 87,15 %, 77,40 % en 60,77 % van de hoeveelheden waarvoor kon worden ingeschreven. Dat er belangrijk meer dan de helft van de importen van fabrikant aan fabrikant werd geleverd was een gevolg van het Italiaanse systeem. Uit de cijfers van de Commissie betreffende de totale importen in Italië (877000 ton van 1969 tot 1972) en de importen van de Italiaanse fabrikanten in het bijzonder (659970 ton of wel 75,1 %) blijkt alleen maar dat deze fabrikanten de hun toegewezen hoeveelheden werkelijk hebben geïmporteerd.

Wat betreft de stelling dat haar leverin gen aan Duitse handelaren deels indirect naar de Italiaanse farbrikanten zijn gegaan: SZAG wist niet aan wie de handelaren de suiker doorverkochten; zij heeft op de uiteindelijke bestemming van het produkt geen enkele invloed uitgeoefend.

In de beschikking wordt ervan uitgegaan dat SZAG zich in de verkoopseizoenen 1970/1971 en 1971/1972 niet heeft verbonden om aan andere ondernemers dan Italiaanse fabrikanten slechts tegen hogere prijzen te verkopen en in zoverre haar gedrag niet op dat van anderen heeft afgestemd. Hoewel het er de schijn van heeft dat de Commissie het niet wil toegeven, bestaat er niet de minste aanwijzing dar verzoekster in de seizoenen 1970/1971 en 1971/1972 aan dit soort ongeoorloofde handelingen heeft deelgenomen. Met betrekking tot het seizoen 1969/1970 spreekt de Commissie alleen maar van „ernstige redenen” („Anhaltspunkte”).

Wanneer de Commissie betwist dat uit de cijfers van SZAG zou blijken dat zij op leveringen aan de producenten ten minste evenveel winst heeft behaald als bij verkoop aan handelaren, verwart zij de prijs (factuurwaarde) en de nettowinst af fabriek en verliest zij uit het oog dat alleen de nettowinsten af fabriek onderling kunnen worden vergeleken.

Het telexbericht van Sucres et Denrées aan Eridania van 1 oktober 1969 houdt niet het bewijs in dat SZAG aan een afspraak inzake de quota heeft deelgenomen. Het behelst slechts een voorstel voor het geval dat SZAG geen enkele bestelling mocht ontvangen of tot geen enkele levering mocht overgaan. Uit Eridania's telexbericht aan Sucres et Denrées van 22 oktober 1969 blijkt dat er voor SZAG geen quotum van 15 % werd gereserveerd, doch dat zij een bestelling van 15000 ton diende te ontvangen.

Dat de Commissie de leveringen van handelaren aan Italiaanse fabrikanten als indirecte leveringen van fabrikanten beschouwt, komt er praktisch op neer dat leveringen van „outsiders” aan de Italiaanse fabrikanten haars inziens in geen geval mogelijk zijn — waaruit blijkt dat haar redenering mank gaat —.

Met haar opmerkingen over haar bekendmaking van 29 juli 1968 betreffende samenwerking tussen ondernemingen miskent de Commissie dat Eridania een bestelling van 95865 ton heeft gedaan en dat een fabrikant alleen niet in staat is aan zo'n grote bestelling gevolg te geven.

Eridania merkt op dat de in het verweerschrift te vinden grief volgens welke de ondernemingen bij de inschrijvingen dezelfde „sovrapprezzo”-percentages hadden geboden, in de beschikking niet voorkomt. Trouwens, de factoren die ter berekening van de „prezzo congruo” in aanmerking worden genomen liggen vast en zijn voor alle Italiaanse fabrikanten gelijk, hetgeen ertoe leidt dat de uitkomsten van de berekeningen der onderscheiden ondernemers — afstemming of geen afstemming — dezelfde zijn.

Eridania's telexbericht van 29 oktober 1970 aan Sucres et Denrées (vgl. mededeling, blz. 81) toont ten duidelijkste aan dat de ondernemingen hun gedrag niet eens voor al hebben afgestemd, doch slechts van geval tot geval hebben onderhandeld. Er staat: „wij hebben ons jegens niemand verbonden”. Tot dezelfde gevolgtrekking:

leidt het telexbericht dat Sucres et Denrées op 2 oktober 1970 aan Eridania heeft gezonden (vgl. mededeling 4, blz. 80) en waarin wordt vastgesteld dat Eridania alvorens een importtransactie af te sluiten het gehele potentieel („tout l'éventail”) van verkopers van suiker op de gemeenschappelijke markt, met inbegrip van degenen die buiten de exporteursgroep stonden, heeft geraadpleegd en „definitief besloten” heeft „Sucres et Denrées op dezelfde voet te behandelen als de verschillende Duitse, Franse en Belgische makelaars”, hetgeen Sucres et Denrées ten slotte schoorvoetend heeft aanvaard;

leiden sommige door Eridania tijdens de administratieve procedure overgelegde stukken blijkens welke Eri dania bij de inschrijvingen offertes van de meest verschillende suikerexporteurs heeft ingewonnen en bestudeerd en ook heeft aanvaard wanneer ze gunstiger bleken te zijn dan die van Sucres et Denrées.

De „afstemmingen” der Italiaanse fabrikanten hebben de handel russen Lid-Staten niet beïnvloed, integendeel: de suikerexporten naar Italië zijn in bedoeld tijdvak toegenomen. Bedoeld „afstemmingen” hebben de mededinging ook niet — invoege als bedoeld in artikel 85 — belemmerd: zij hadden invoer tegen redelijke prijzen ten doel en tot gevolg — en de consument profiteerde ervan —.

Uit het exposé van de Commissie zelf betreffende de voorgeschiedenis der onderhavige feiten (afspraak der Franse fabrikanten van 1 juli 1968, enz.) blijkt dat de concentratie van het aanbod aan die van de vraag is voorafgegaan.

Ten aanzien van de voorkeursbehandeling die de leveranciersgroep bij sommige onderhandelingen aan de Italiaanse fabrikanten zou hebben laten ten deel vallen merkt Eridania het volgende op:

Er kan geen enkele bewijskracht worden toegekend aan de interne nota's van Export of aan haar correspondentie — stukken die zij min of meer kwaadwillig bijeengebracht heeft en die met de gewone handelscorrespondentie en interne nota's van een vennootschap niets gemeen hebben —.

Eridania heeft nooit veel belang gehecht aan de door Sucres et Denrées geboden voorkeursbehandeling en er dan ook in haar correspondentie nooit melding van gemaakt; op de nakoming kon praktisch toch geen controle worden uitgeoefend.

De analytische bespreking welke de Commissie gewijd heeft aan de gegevens van de Ccz betreffende de importen der niet-fabrikanten is niet onberispelijk. Er wordt een lager percentage in genoemd dan waartoe men op grond van die gegevens komt en zonder deugdelijke redenen wor den de importen van twee handelaren en die welke „buiten inschrijving om” aan de gebruikers werden voorbehouden, van het totaalcijfer afgetrokken.

Er bestaat een tegenstrijdigheid tussen enerzijds de stelling der Commissie dat de buitenlandse leveranciers de litigieuze prijsopslagen zouden hebben toegepast en anderzijds de verklaring van de vennootschap Ferrero, die te vinden is in een der door de Commissie in het geding gebrachte stukken, volgens welke er sinds 1968 een einde zou zijn gekomen aan alle aanbod uit het buitenland.

Schending van artikel 85 ligt niet reeds in een bepaalde bedoeling besloten; er kan alleen sprake van zijn wanneer de leveranciers ook werkelijk prijsopslagen hebben toegepast of verhoogde prijzen verlangd — quod non —.

Het is onredelijk te stellen dat suiker voor industriële gebruikers zonder behulp van een daarop ingerichte verkooporganisatie zou kunnen worden wederverkocht. De Commissie schenkt geen aandacht aan het feit dat er in Italië behalve de vier of vijf grote confiseurs tientallen kleine en middelgrote confiseurs bestaan die zich niet rechtstreeks in het buitenland konden bevoorraden omdat zij gedurende het hele jaar steeds weer kleine hoeveelheden — en niet zo nu en dan een grote partij — behoefden.

Dat de positie der fabrikanten-importeurs niet met die van confiseurs kan worden vergeleken komt ook omdat eerstgenoemden de suiker niet kochten voor gebruik in dicht bij de grens gelegen vestigingen, doch voor wederverkoop in geheel Italië tegen een door de overheid vastgestelde eenheidsprijs.

Het voorbehoud dat door de fabrikanten in de contracten betreffende leveringen aan de industrie werd opgenomen, krachtens hetwelk die leveringen deels ook door andere fabrikanten mocht ge

schieden, was bedoeld om een geregelde bevoorrading te garanderen aan de (meestal: kleinste) gebruikers die van tijd tot tijd beperkte hoeveelheden bij de suikerfabrikanten plachten te betrekken. Bedoelde clausule ontmoette bij hen dan ook geen bezwaar; het deed voor hen niet veel ter zake of er een en dezelfde leverancier aan te pas kwam. Anderzijds was deze clausule voor de suikerfabrikanten een geoorloofd middel om ook wanneer zij op een bepaald moment onvoldoende suiker in voorraad hadden, hun contractuele verplichtingen stipt te kunnen nakomen. Met betrekking tot de jaarcontracten der Italiaanse fabrikanten met de industriële gebruikers moet veel meer gewicht worden gehecht aan de verklaringen van een vijftiental hunner, die door Eridania tijdens de administratieve procedure aan de Commissie zijn overgelegd, dan aan die van de personen — het schijnen er maar twee geweest te zijn — die door de Commissie zijn geraadpleegd.

Om door Cavarzere gedetailleerd uiteengezette redenen konden de Italiaanse fabrikanten niet beneden de feitelijk geldende prijzen gaan. De Consiglio dello Stato heeft de redelijkheid dier prijzen trouwens praktisch erkend.

De Italiaanse fabrikanten konden er geen belang bij hebben zich met de fabrikanten in de andere Lid-Staten over een „chacun chez soi”-politiek te verstaan; zij zouden toch niet in staat geweest zijn te exporteren en het zou geen zin gehad hebben indien zij de buitenlandse fabrikanten hadden „aangeboden” hun markt niet te verstoren.

De rechtmatigheid van inkoopcombinaties wordt in alle rechtsorden erkend. Juridisch gesproken was er van zo'n inkoopcombinatie trouwens geen sprake: blijkens het op 20 oktober 1969 door Sucres et Denrées aan Eridania gezonden telexbericht heeft iedere producent-importeur zich de vrijheid voorbehouden zijn voorraden van elders te betrekken.

Met betrekking tot de bij verkoop aan derden toegepaste prijsopslagen betoogt Cavarzere het volgende:

Het Hof heeft uitgesproken dat discriminatie slechts kan worden vastgesteld wanneer er met een prijslijst wordt gewerkt; daarvan was in casu geen sprake; er moest telkens opnieuw over de prijzen worden onderhandeld.

De enige concrete feiten die de Commissie hier noemt zijn de verkoopprijzen die SZAG enerzijds aan deze fabrikanten heeft berekend en anderzijds aan „outsiders”, met name aan de Duitse firma Töpfer & Co. waaraan SZAG suiker met bestemming Italië heeft geleverd. De in de bijlage van het verweerschrift genoemde cijfers leren evenwel dat de Italiaanse fabrikanten zich dezelfde prijzen als andere firma's of duidelijk hogere prijzen berekend zagen.

Op de contracten met machtige klanten als de vennootschappen Ferrero, Motta en Alemagna — die moeilijk in de „houdgreep” te krijgen waren — is niets aan te merken.

De Commissie heeft in geen enkel geval kunnen bewijzen dat er in de praktijk uitvoering is gegeven aan de clausule die in sommige offertes van de Franse leveranciers was opgenomen en volgens welke er een prijsopslag van Ffr 1,25 per 100 kg zou worden toegepast op alle andere suikerleveringen met bestemming Italië. De verschillen tussen de prijzen die aan de suikerfabrieken en aan de overige importeurs werden berekend lagen altijd ver boven of beneden de „garantiegrens” die de Franse groep volgens sommige contracten in acht had te nemen, en kwamen nimmer precies overeen met het cijfer van de Franse verkopers. Daaruit blijkt dat „outsiders” die een hogere prijs hadden te betalen niet de gevolgen van een afstemming van gedragingen, doch die van de marktcondities ondervonden.

Zouden de contingenten anders verdeeld zijn of zouden er grote partijen buiten inschrijving om zijn ingevoerd, dan zou zulks voor suiker niet tot een veel grotere goederenbeweging hebben geleid, doch de prijzen hebben doen stijgen — Cavarzere zet gedetailleerd uiteen waarom —.

De Commissie geeft slechts één voorbeeld van weigering om een contract af te sluiten — het betrof RT —. Er bestaat trouwens geen enkele verplichting om met wie dan ook een contract aan te gaan.

Er is niets op te zeggen dat een leverancier zich met goedvinden van de koper door een bepaalde onderneming laat vervangen — hetgeen in artikel 1406 van de Italiaanse Codice civile ook geoorloofd wordt verklaard —; suiker is een homogene en voor verbruik bestemde waar.

Wat betreft de duur der door de afnemers aangegane verbintenis: uit alle door de Commissie overgelegde contracten blijkt dat de verkooptransacties bepaalde hoeveelheden betroffen en dat geen enkele industriële gebruiker zich ook heeft verbonden tot afname van zijn gehele jaarbehoefte. En al zou hij dat hebben gedaan, dan nog zou hij daarvan slechts voordeel hebben gehad; de reële mogelijkheid van een plotseling suikertekort is immers kenmerkend voor de Italiaanse markt.

Tot de door RT uitgesproken beduchtheid dat de op de Italiaanse markt geboden prijs „tamelijk onbekrompen” was vastgesteld en „buitenlandse offertes in de hand zou spelen” zou geen aanleiding hebben bestaan wanneer de Italiaanse fabrikanten in het kader van een afstemming hunner gedragingen jegens de buitenlandse leveranciers gebonden waren geweest.

Het is geen wonder dat het door de „outsiders” geboden „sovrapprezzo”-percentage altijd lag boven het bod der producenten-importeurs. Buiten de groep staande importeurs betaalden dan weliswaar iets meer voor de suiker, maar hun totale kosten, met name de transportkosten, waren lager, omdat zij bijna allemaal dicht bij de grens waren gevestigd. Wanneer een fabrikant zich om een bepaald produkt te kopen tot een andere fabrikant wendt, bestaat er tussen hen geen mededinging, doch een contractuele belangentegenstelling. Een onderneming die anders fabrikant-verkoper is, wordt dan koper-wederverkoper. Deze dubbelrol is in het geval van Cavarzere, wat de invoer van kristalsuiker voor industrieel gebruik betreft, al heel duidelijk. Het percentage van de tot deze soort behorende suiker dat door Cavarzere wordt geproduceerd is, gemeten aan de nationale behoefte, van geen betekenis; aan een concurrentieverhouding ten opzichte van de buitenlandse fabrikanten kon dus in het geheel niet worden gedacht. Dat de fabrikanten-exporteurs hun gedragingen afstemden is in 1968 aanstonds aan de Commissie gemeld en deze had daarop niets te zeggen; de Italiaanse fabrikanten mochten dus verwachten dat de kopersgroep die zij vormden ook als geoorloofd zou worden beschouwd.

Ten aanzien van het feit dat de prijzen van ingevoerde en in het land zelf gefabriceerde suiker dezelfde waren, zij opgemerkt dat het economisch uitgesloten moet worden geacht dat er op een en dezelfde markt twee verschillende prijzen blijven bestaan; die prijzen plegen elkaar te vinden.

De klachten van de firma Ferrero en het Verbond van Italiaanse confiseursbedrijven kunnen jegens de suikerfabrieken geen bewijs opleveren; zij hebben een conflict met die fabrieken, die zij gaarne als tussenhandelaren willen zien verdwijnen. De beschuldiging der confiseursbedrijven dat de suikerfabrieken hen „brutaalweg hadden gedwongen” contracten met hen af te sluiten, is trouwens ongegrond; zij zijn groter dan de ondernemingen die hen beweerdelijk in hun greep hadden.

Volgens Industria degli zuccheri hebben de gewraakte gedragingen de mededinging niet negatief beïnvloed; dit zou blijken uit het feit dat er ook offertes zijn gedaan door niet tot de betrokken groep behorende buitenlandse leveranciers. Met de tegenwerping dat het daarbij zou zijn gegaan om ondernemingen die als fabrikanten van ruwe suiker niet vol doende op uitvoer waren ingericht, wil men „teveel bewijzen”; dit zou er namelijk op neer komen dat alleen de leden van de groep tot uitvoer in staat waren, maar dan kan de grief betreffende schending van artikel 85 niet worden gehandhaafd. In werkelijkheid zijn op bedoelde offertes importen gevolgd die in de loop van bedoeld tijdvak gestadig zijn gestegen.

Het is niet waar dat Eridania voor rekening van alle suikerondernemingen heeft onderhandeld en voor al deze ondernemingen de offertes der buitenlandse exporteurs heeft ingewacht. Alle fabrikanten waren bij de onderhandelingen betrokken en het is voorgekomen dat sommigen hunner besloten niet aan de invoer deel te nemen, zoals wel blijkt uit het op 20 oktober 1969 door Eridania aan Sucres et Denrées gezonden telexbericht dat door de Commissie in het geding gebracht is.

De Commissie mag de Italiaanse fabrikanten niet verwijten dat wanneer men zich bediende van de clausule volgens welke de ene leverancier voor de andere in de plaats mocht worden gesteld, de vervangende leverancier steeds een fabrikant was. Buiten hetgeen de Commissie een „groep” noemt beschikte geen enkele onderneming over de grote hoeveelheden die in de regel door de kopers werden aangevraagd. Bedoelde clausule hield ook verband met het feit dat de fabrikanten, wat de overeengekomen hoeveelheden betreft, steeds in het onzekere verkeerden omtrent de omvang der produktie en over de toewijzingen.

Uit de documenten betreffende de op 29 juli 1969, 11 september 1969 en 22 september 1970 achtereenvolgens te Parijs, Genua en Parijs gehouden vergaderingen (vgl. beschikking, blz. 23, r. kol., 24) blijkt niet van een onderlinge afstemming als door de Commissie gesteld. Wat betreft de door Export opgestelde nota's dient te worden bedacht dat deze firma voor de handel met Italië als tussenpersonen de plaats van Sucres et Denrées wilde gaan innemen. Industria degli zuccheri weet niet of er bij verkoop aan niet-fabrikanten prijsopslagen zijn toegepast.

Wanneer er al van nadeel kan worden gesproken, is het van weinig betekenis geweest en is — hetgeen voor de toepasselijkheid van artikel 85 de doorslag geeft — geen enkele concurrent der Italiaanse fabrikanten er door getroffen. Misschien heeft deze of gene grootindustrieel nu niet ten volle van de geografische ligging van zijn fabrieken kunnen profiteren of deze of gene groothandelaar nu geen kleine hoeveelheden kunnen importeren voor levering aan dicht bij de grens gevestigde klanten — dat wil zeggen met geringe transportkosten —; geen enkele grossier heeft echter ooit over enigerlei verstoring van de markt geklaagd. De industriële afnemers zijn geen concurrenten der fabrikanten.

Volano wijst er op dat haar positie in zoverre op die van Eridania gelijkt dat zij eveneens, zij het in zeer beperkte mate, de weg heeft bewandeld die Eridania en andere vennootschappen de kleine en middelgrote Italiaanse ondernemingen hebben gewezen. Zij was maar een kleine onderneming zonder enige invloed. Inmiddels is zij overgenomen door het Istituto finanziario industriale Ligure (IFIL).

Emiliana betoogt dat zij destijds niet over voldoende suiker beschikte om aan de vraag van haar klanten te kunnen voldoen. Haar werd in overweging gegeven om tegen goede condities bij — haar onbekende — Franse fabrikanten te kopen. Daartoe is zij uitgenodigd voor de vergadering van Genua. De condities leken haar gunstig en zij heeft gekocht. Bij doorverkoop behaalde zij minder winst dan op de verkoop van haar eigen suiker. Het is niet in te zien waarom Emiliana bij andere fabrikanten zou hebben moeten kopen. Niemand die waren inkoopt verspilt zijn tijd en geld om, informandi causa, een tot een ieder gericht verzoek om offertes aan alle mogelijke verkopers te doen uitgaan. In de praktijk gaat het als volgt: De koper kent de gemiddelde marktprijzen uit de talrijke al dan niet officiële publikaties; hij koopt op grond van de daarin genoemde prijzen en na zelf inlichtingen over de goede' kwaliteit van het door deze of gene fabrikant aangeboden produkt te hebben ingewonnen. Vindt hij hoe dan ook een goede fabrikant die hem een prijs biedt die, gemeten aan de gemiddelde marktprijs en transportkosten en provisie en dergelijke in aanmerking genomen als gunstig mag worden beschouwd, dan is het normaal dat hij ook bij hem koopt.

De Commissie mag ondernemingen die aan een actie hebben deelgenomen met de bedoeling een algemene afspraak betreffende de invoer af te sluiten en anderen die met hun deelneming alleen maar beoogden een produkt op gunstige condities in te kopen, niet op één lijn stellen.

In het geval van Emiliana ontbreken zowel het subjectieve als het objectieve element van een „onderling afgestemde feitelijke gedraging”:

waar de Commissie spreekt van een „zich in het gedrag der deelnemers manifesterende coördinatie”, werkt zij met een vage term. Men zou kunnen menen dat de „coördinatie” alleen maar het werk is van degenen die deelnemen aan het opstellen en formuleren van het ontwerp waarin de onderling afgestemde gedraging een concrete vorm aanneemt, met andere woorden degenen die „vooroplopen” — en daartoe rekent Eridania zich niet —;

het doet weinig ter zake dat Emiliana verzoeken om bevoorrading heeft laten lopen via de vennootschap Eridania, bij de inschrijvingen een zelfde „sovrapprezzo”-percentage heeft geboden als andere deelnemers en de ingevoerde suiker heeft doorverkocht op dezelfde condities als de andere ondernemingen; er is in zoverre geen sprake van gecoördineerde gedragingen, al waren ze soms identiek. Wanneer Emiliana zich van de tussenkomst van Eridania heeft bediend, heeft zij dat gedaan omdat zij meende zich aldus het goedkoopst en gemakkelijkst te kunnen bevoorraden.

De voorgestelde „sovrapprezzi” waren steeds dezelfde en „technisch gesproken, waren de inschrijvingen een wassen neus”;

Emiliana heeft de mededinging niets in de weg gelegd. Zij heeft niet voor consumptie verkocht;

anders dan de Commissie wil volhouden, is ook „ongerechtvaardigd voordeel” een bestanddeel van schending van artikel 85.

Volgens Sadam is het wel degelijk van belang dat zij geen lid geweest is van Assozucchero en ook niet door Assozucchero vertegenwoordigd is geweest. Deelneming aan deze organisatie, waarbij de overige in staat van beschuldiging gestelde Italiaanse ondernemingen zijn aangesloten, had aanleiding kunnen geven tot het vermoeden dat de hierbedoelde importen daar verder werden geregeld. In de mededeling (blz. 41) heeft de Commissie aan Assozucchero de rol toegeschreven van Italiaanse partner bij de overeenkomsten die tussen de suikerfabrikanten op communautair niveau zijn aangegaan; al weer volgens de Commissie zouden die contacten zijn gelegd in het kader van het Europees Comité van suikerfabrikanten (Comité europeen de fabricants de sucre, CEFS) waarvan het Italiaanse lid nu juist Assozucchero heet.

Sadam houdt vol dat zij een „outsider”-rol heeft gespeeld. Na de eerste vergadering van Genua heeft zij zich niet verder met de gang van zaken ingelaten en ook niet meer aan de vergaderingen deelgenomen. Alvorens aan een inschrijving deel te nemen heeft zij zelfstandig telefonisch offertes gevraagd aan Sucres et Denrées en andere leveranciers; ook over de aan te bieden hoeveelheid en de prijs werd rechtstreeks onderhandeld. Sadam noemt aan de hand van de stukken een aantal offertes haar in het hierbedoelde tijdvak gedaan door Sucres et Denrées, de Duitse firma Gerike Bahr & Co. en de Société pour l'exportation des sucres. In 1973 heeft Sadam dit onafhankelijk aankoopbeleid voortgezet en zich hetzij tot Sucres et Denrées, hetzij tot Béghin, hetzij tot de firma Safracom ge wend. Bij een andere gelegenheid heeft zij contact opgenomen met de firma Marcel Bauche te Parijs.

Sadam's posita worden ook bewezen door de telexberichten die Sucres et Denrées op 29 september en 2 oktober 1970 heeft doen uitgaan naar Eridania en die op bladzijde 79 van de mededeling zijn vermeld. Daaruit blijkt dat Eridania zich eigendunkelijk een recht tot vertegenwoordiging heeft toegekend, beter gezegd zich belast heeft met een zakenbeheer waarvan Sadam nimmer kennis heeft gedragen.

Met betrekking tot de grief dat de Italiaanse fabrikanten, waaronder Sadam, hun gedragingen met het oog op de deelneming aan inschrijvingen zouden hebben afgestemd zij opgemerkt dat het gedrag der ondernemingen in zoverre niet in verband moet worden gebracht met de beweerde afstemming van gedragingen tussen Italiaanse en buitenlandse fabrikanten, doch op zichzelf dient te worden bezien. Het is waar dat Sadam een zelfde „sovrapprezzo” heeft aangeboden als andere deelnemende ondernemingen en ook dat de verschillen tussen de „sovrapprezzi” geboden door de fabrikantenimporteurs en door andere ondernemers zeer gering waren. Gezien de transparantie van de suikerprijs komt men al gauw aan de weet welke prijs er door de „leaders” in deze sector zal worden geboden; op een oligopolistische markt komt „price-leadership” dikwijls voor — zonder noodzakelijkerwijs schending van de mededingingsvoorschriften in te houden —.

In ieder geval kan een eventuele uitwisseling van inlichtingen tussen de deelnemers — waarmee de handel tussen Lid-Staten niet gemoeid is — niet onder artikel 85 worden gebracht.

Dat Sadam met de gebruikers soortgelijke contracten heeft afgesloten als die welke door de andere Italiaanse fabrikanten worden aangegaan, is te verklaren door het feit dat de vennootschap slechts goed is voor 4 à 5 % van de Italiaanse produktie en zich dus wel naar de grote fabrikanten moest richten.

De cessie-clausules waartegen de Commissie bezwaar maakt waren een noodzakelijk gevolg van het stelsel der inschrijvingen — de leveranciers hadden niet de zekerheid dat de tevoren bepaalde hoeveelheid hun ook zou worden toegewezen —. Juist zulke clausules zouden trouwens de grief van de Commissie ontzenuwen; zij zouden overbodig zijn wanneer alles al in kannen en kruiken was.

Uit 's Hofs jurisprudentie kan worden afgeleid dat de vraag of bewust parallel gedrag een onderling afgestemde feitelijke gedraging behelst, alleen bij oligopolisten kan rijzen en niet bij kleine ondernemers die de groten toch geen concurrentie kunnen aandoen. In het algemeen kan er op een oligopolistische markt uiteraard slechts in beperkte mate van 'concurrentie sprake zijn; de ondernemingen gaan grote botsingen uit de weg. Bewust parallel gedrag beantwoordt aan de normale werking van zo'n markt.

Grote afnemers als Ferrero, Motta en Alemagna waren zeer wel in staat de Italiaanse fabrikanten bij de suikerinvoer te beconcurreren. Wanneer ze het niet hebben gedaan wijst dat niet op een onderling afgestemde feitelijke gedraging — die aan bedoelde ondernemingen ook niet telastgelegd wordt —; het vindt zijn verklaring in het feit dat laatstgenoemden hebben gemeend er belang bij te hebben bij de fabrikanten te kopen.

Sadam geeft een gedetailleerde beschrijving van de grote economische en financiële moeilijkheden die zij sedert 1966 heeft gekend en die haar, zonder dat het tot enigerlei afspraak kwam, hebben genoodzaakt zich neer te leggen bij het bestaande „price-leadership”. Het heeft haar maar weinig gewin opgeleverd.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van dupliek

De Commissie antwoordt als volgt:

###### ad 1., aa) aaa)

De Commissie acht het van belang erop te wijzen dat er, anders dan voor winkelverkoop aan de consument, voor verkoop aan industriële gebruikers en handelaren geen van overheidswege vastgestelde maximumprijzen bestaan; de fabrikant kan dus, rekening houdend met de verschillende belastingen en zijn winstmarge, de prijs af fabriek vrijelijk vaststellen.

De Commissie betwist op verschillende punten de door Eridania en Industria degli zuccheri geboden weergave van de Italiaanse ordening; zij wijst er met name op dat er voor de toepassing van maximumprijzen in Italië geen rechtsgrondslag meer te vinden is. Dit verschil van opvatting is echter niet van praktisch belang; de Commissie betwist niet dat zulke prijzen nog steeds bestonden en dat men er zich ook aan hield.

###### ad 1., aa) bbb)

###### Algemene overwegingen, behelzende bezwaren tegen het gedrag der niet-Italiaanse verzoeksters

De Commissie noemt het door sommige verzoeksters gemaakte onderscheid tussen de 75 % van de invoer die via inschrijving plaats vond en de 25 % die zonder inschrijving kon worden geïmporteerd, misleidend. Dat de Italiaanse overheid de invoer van kleine hoeveelheden zonder inschrijving dan wel tegen een verlaagde „sovrapprezzo” mogelijk heeft gemaakt, doet de inschrijvers niet in twee verschillende en starre groepen uiteenvallen. Iedere ondernemer, fabrikant of gebruiker, kan vrijelijk besluiten of hij met het oog op toewijzing zal bieden dan wel een evenredig deel zal aanvragen van de suiker die gereserveerd is voor ondernemingen die niet aan de inschrijvingen wensen deel te nemen. In werkelijkheid maken verschillende afnemers nu eens van de eerste, dan weer van de tweede mogelijkheid gebruik.

Voor de keus schijnt de in te voeren hoeveelheid of de omvang der onderneming bepalend te zijn. De voorwaarden waaronder men tot de inschrijvingen wordt toegelaten zijn voor iedereen gelijk; de grotere of kleinere praktische moeilijkhe den waarvoor men zich geplaatst ziet om aan die voorwaarden te kunnen voldoen rijzen minder tussen Italiaanse en buitenlandse ondernemingen dan tussen grote en kleine bedrijven. Kortom, men dient geen onderscheid te maken tussen bedoelde 75 en 25 %, maar tussen de mogelijkheid om (voor offertes van meer dan 1000 ton) aan de inschrijvingen deel te nemen en die om buiten inschrijving om te kunnen importeren (offertes van minder dan 1000 ton). Overigens is invoer tegen betaling van de volledige „sovrapprezzo” steeds mogelijk gebleven; gedurende de vier seizoenen te zamen is er voor ongeveer 200000 ton aldus ingevoerd.

De mogelijkheid van prijsconcurrentie — niet slechts tussen verschillende groepen, doch ook binnen iedere groep afzonderlijk — blijkt uit bepaalde in RT's conclusie van repliek voorkomende posita. Dat de afstemming de gebruikers heeft belet zich rechtstreeks bij de producenten-exporteurs te bevoorraden blijkt uit verschillende bij het verweerschrift gevoegde stukken, met name uit het op 2 oktober 1970 door Sucres et Denrées aan Eridania gezonden telexbericht, volgens hetwelk „talrijke industriële gebruikers in Italië zich voor hun suikeraankopen tot ons hebben gewend” en Sucres et Denrées zou erkennen levering te hebben geweigerd en „voor 100 % met het kartel te hebben meegespeeld”.

Het is veelzeggend dat de niet-Italiaanse verzoeksters niet aan klantenwerving op de Italiaanse markt hebben gedaan doch met betrekking tot grote partijen het zekere voor het onzekere hebben genomen; Sucre-Union daarentegen heeft een Italiaans filiaal opgericht.

De Commissie heeft nimmer betwist dat de 'Italiaanse ordening de concurrentie op de Italiaanse markt heeft verminderd, doch alleen tegengesproken dat zij concurrentie onmogelijk heeft gemaakt. In werkelijkheid hebben verzoeksters „de Italiaanse ordening … benut om de daarin opengelaten concurrentiemogelijkheden te beperken”. Deze ordening verklaart … niet alles”, te minder wanneer men bedenkt dat de onderhavige praktijken sterk gelijken op die welke door andere ondernemingen zijn toegepast ter bescherming van de Nederlandse en Duitse markten waar nooit een specifieke ordening heeft bestaan. Met name konden de ondernemingen zeer wel zelf bij de inschrijvingen verschijnen, dus — door met anderen vergeleken een gunstiger bod te doen — concurreren.

Zelfs al zou de Italiaanse ordening een nationale marktordening zijn — quod non — (vgl. infra, b, 2 en 4), dan zou dat nog niet zeggen dat er geen concurrentiemogelijkheden zijn blijven bestaan.

###### Individuele antwoorden aan sommige niet-Italiaanse verzoeksters

Wanneer zij de vaststelling van vertegenwoordigers der Commissie aanhaalt volgens welke „de praktische gang van zaken bij de inschrijvingen in de hand werkt dat de Italiaanse fabrikanten hun gedragingen afstemmen om de gehele invoer te controleren”, laat Générale sucrière na te vermelden dat in dat stuk eveneens gewag wordt gemaakt van de moeilijkheden die voor gebruikers uit de litigieuze ondernemersafspraak voortvloeien. De Commissie heeft nimmer betwist dat er als gevolg van de Italiaanse ordening op de aanvragen van gebruikers moest worden gekort, doch zij ontkent dat dit de enige hinderpaal is geweest die de gebruikers op hun weg vonden. De gewraakte afstemming heeft er in ruime mate toe geleid dat bij de inschrijvingen de „outsiders”, exporteurs zowel als importeurs, niet aan bod kwamen; zonder bedoelde afstemming hadden de „outsiders” zich in verhouding tot de fabrikanten grotere hoeveelheden kunnen zien toegewezen.

Génerale sucrière speelt met woorden wanneer zij stelt dat de bij de inschrijvingen geboden „prijs” niet de suikerprijs zou zijn, maar het deel van de „sovrapprezzo” dat moet worden betaald door degene aan wie de inschrijving wordt gegund. Waarop het aankomt is dat het stelsel der inschrijvingen bij de biedingen concurrentie toeliet.

Wanneer zij stellen dat zij slechts de keus hadden tussen laten varen van 75 % van de Italiaanse markt en concentratie, pogen Générale sucrière en Say aan hun verantwoordelijkheid te ontkomen; de Commissie heeft geen bezwaar gemaakt tegen de leveringen op zichzelf, maar tegen de afstemming van gedragingen te dien aanzien.

In de bestaande economische situatie zou het in ieder geval tot de verkopen naar Italië zijn gekomen; zonder afstemming had echter op ruimere schaal aan de vraag van „outsiders” kunnen worden voldaan.

Met name in antwoord op het betoog van Say verklaart de Commissie nader dat de mededinging zowel het te betalen „sovrapprezzo”-quotum had kunnen betreffen als — na bepaling van dat quotum — de vervolgens op de Italiaanse markt te bedingen prijs.

RT kan niet in ernst volhouden dat een onderneming van haar omvang voor onoverkomelijke moeilijkheden kan komen te staan wanneer er aan industriële gebruikers moet worden geleverd, ook al mocht zij in het buitenland niet over een verkooporganisatie beschikken.

Ten onrechte stelt Sucres et Denrées dat de transport- en commercialisatiekosten die de Italiaanse overheid bij haar berekening van de maximumconsumentenprijs tot uitgangspunt neemt, „vaste” kosten zijn; integendeel, de concurrentie kan juist ook deze prijselementen betreffen. Sucres et Denrées geeft trouwens zelf toe dat „de exporteurs alles in het werk moeten stellen om de belangrijkste variabele factor, de transportkosten, te drukken”.

###### Algemene overwegingen, behelzende bezwaren tegen het gedrag der Italiaanse verzoeksters

In artikel 85 worden onderling afgestemde feitelijke gedragingen ook verboden wanneer ze slechts ertoe strekken — en niet ten gevolge hebben — dat de concurrentie wordt beperkt; de Commissie is daarom, wanneer zij eenmaal het bewijs geleverd heeft van een samenwer king die de mededinging kan benadelen en erop gericht is haar te beperken, niet gehouden ook te bewijzen dat er zonder zulk een samenwerking op de markt reele mogelijkheden tot concurrentie zouden hebben bestaan. Integendeel, het staat aan de ondernemingen te bewijzen dat de eigenaardigheden van de markt echte concurrentie, hoe dan ook, onmogelijk maken (welke situatie zich niet vaak voordoet) en dat hun gedrag is ingegeven door andere redenen dan de wens afbreuk te doen aan de mededinging. Dit probleem is echter van ondergeschikte betekenis; de Commissie heeft aangetoond dat de Italiaanse regeling zulke mogelijkheden heeft laten bestaan.

###### Individuele antwoorden aan de Italiaanse verzoeksters

Het betoog van Eridania komt erop neer dat het heel gewoon was dat de ondernemingen de concurrentiemogelijkheden die de Italiaanse ordening openliet, afsneden. Noch de verplichting om de van overheidswege vastgestelde hoeveelheden te produceren, noch die om voor de grondstoffen een vaste prijs te betalen of om de maximumconsumentenprijzen te eerbiedigen, en al evenmin de op de inschrijvers drukkende lasten hebben de concurrentie belet om op invoerniveau tot ontwikkeling te komen. Ook de inschrijvingen, die per definitie mededinging behelzen, hebben de concurrentie niet kunnen smoren.

In antwoord op het betoog van Cavarzere zet de Commissie allereerst uiteen dat men, wat de mededinging ten aanzien van de verkoopcondities betreft, de wenselijke harmonisatie van de contractmodellen voor het internationaal handelsverkeer — ter vergemakkelijking van dat handelsverkeer bedoeld — niet moet verwarren met het opnemen, in die modellen, van voor de wederpartij te bezwarende bepalingen.

De aankondigingen van inschrijvingen die niet fijne kristalsuiker, of wel suiker van de eerste soort betroffen, hadden betrekking op suiker van de „tweede en/of derde soort”. De soort wordt dus niet steeds precies genoemd; en iedere soort, vooral de eerste soort, omvat verschillende ondersoorten. De mogelijkheid van mededinging ten aanzien van de kwaliteit wordt trouwens aangetoond door de klachten der kopers waarvan blijkt uit de notulen van de op 24 september 1970 te Parijs gehouden vergadering en het rapport betreffende het onderzoek bij de „Associazione Industrie dolciarie”.

Concurrentie op service-gebied en levering franco gebruiker zijn twee.

De Commissie beijvert zich met behulp van een aantal in details uitgewerkte argumenten de stelling dat haar vergelijking tussen de prijzen van Italiaanse en geïmporteerde suiker geen steek zou houden, te weerleggen.

De Commissie heeft nooit willen betwisten dat het optreden der Italiaanse suikerfabrieken als fabrikanten èn als tussenhandelaren op zichzelf geoorloofd is; zij blijft echter van mening dat het bestaan van maximumconsumentenprijzen bij vrije concurrentie tot uitdrukking had moeten komen in het wegvallen van de eerste der vier stadia die zich bij de distributie in feite voordoen, namelijk: verkoop van fabrikant-leverancier aan fabrikant-importeur, van fabrikant-importeur aan grossier, van grossier aan detaillist en van detaillist aan consument.

In antwoord aan Industria degli zuccheri betoogt de Commissie dat deze vennootschap met haar stelling dat alleen de fabrikanten-importeurs in staat waren voor een geregelde toelevering te zorgen, aan de mogelijkheid van opslag van importsuiker voorbijziet en met name het argument dat verkoopcondities, kwaliteit en service door de mededinging hadden kunnen worden verbeterd, niet ontzenuwt.

De met deelneming aan de inschrijvingen samenhangende verplichtingen hebben de meeste gebruikers niet ontmoedigd. Integendeel, de andere (Italiaanse) verzoeksters hebben zelf gesproken van een concurrentievoordeel ten opzichte van de fabrikanten. Het aan fabrikantenzijde bestaande voordeel dat zij over een verkooporganisatie beschikken speelt, aangenomen dat zulk een organisatie soms nodig is, alleen een rol ten opzichte van de kleinste bedrijven.

###### ad 1., aa) ccc)

De Commissie gaat na of de Italiaanse bepalingen in sommige opzichten onder de verbodsbepalingen van het Verdrag kunnen vallen; de „sovrapprezzo” bij voorbeeld is haars inziens mogelijkerwijs onverenigbaar met de artikelen 13 en 95. Hoe dit ook zij, de ene inbreuk vermag de andere niet te rechtvaardigen.

###### ad 1., bb)

###### Algemene overwegingen behelzende bezwaren tegen het gedrag van alle verzoeksters

De Commissie wijst erop dat verzoeksters grosso modo noch de gestelde feiten noch de tot staving dier feiten aangedragen stukken betwisten en zich tot algemene opmerkingen beperken dan wel, met name bij hun pogingen het litigieus gedrag te rechtvaardigen, trachten het debat te verleggen.

Het is veelzeggend dat de fabrikantenexporteurs proberen de verantwoordelijkheid voor de concentratie aan hun kant af te schuiven op die der fabrikanten-importeurs, en omgekeerd. Dit verdedigingsbeleid is onhoudbaar; de Commissie heeft niet de beide concentraties afzonderlijk, doch de afgestemde gedragingen als geheel bestreden.

De Commissie geeft een opsomming en gedeeltelijke weergave van de stukken die zij voor haar betoog het belangrijkste acht, te weten:

het verslag van de op 29 juli 1969 te Parijs gehouden vergadering;

de op 11 september 1969 na de vergadering van Genua verzonden telexberichten;

het op 1 oktober 1969 door Sucres et Denrées aan RT gezonden telexbericht; het op dezelfde datum door Sucres et Denrées aan Eridania gezonden telexbericht; het op 31 oktober 1969 door Eridania aan Sucres et Denrées gezonden telexbericht;

het verslag van de op 22 september 1970 te Parijs gehouden vergadering.

###### Individuele beantwoording van sommige niet-Italiaanse verzoeksters of groepen van verzoeksters

###### Antwoord aan Générale sucrière

De verbeterde cijfers betreffende de door deze vennootschap berekende prijzen laten onzekerheid bestaan dan wel houden de bevestiging in dat de aan derden (in casu de firma Victoria) berekende prijzen hoger waren dan die welke aan Sucres et Denrées werden berekend.

###### Antwoord aan Say

De Commissie heeft de invloed der afstemming op het niveau der prijzen in Italië niet als bestanddeel der inbreuk in aanmerking genomen; zij heeft alleen maar op de mogelijkheid van prijsconcurrentie gewezen en de bij levering aan derden toegepaste prijsopslagen gewraakt.

De Commissie verklaart er akte van te nemen dat Say niet weerspreekt zulke prijsopslagen te hebben toegepast. Zij betwist, wat de omvang dezer prijsopslagen betreft, de door Say gevolgde wijze van berekening en betoogt met name dat de prijzen per contract dienen te worden vergeleken; Say zou alle door haar afgesloten contracten moeten overleggen.

###### Antwoord aan Béghin

De Commissie heeft de omvang van verzoeksters bedrijf slechts ter sprake gebracht in verband met de aan haar op te leggen boete, die zij heeft begroot aan de hand van de totale omzet der vennootschap — en niet aan de hand van de omzetten die zij in het kader der gewraakte gedragingen heeft gemaakt

De Commissie heeft bovendien vastgesteld dat verzoekster heeft deelgenomen aan afstemmingen die mededingingsbeperkingen niet slechts tot „gevolg” maar ook ten „doel” hadden; in die gedachtengang moest verzoeksters aandeel in de afgestemde gedragingen onafhan kelijk van de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden worden vastgesteld.

Dat Béghin zich voor haar exporten naar Italië ook tot de firma Grandi Molini heeft gewend, doet niet af aan de bewijzen voor haar deelneming aan de afstemming die in de bijlagen bij het verweerschrift besloten liggen.

###### Antwoord aan RT

Wat de totale importen in Italië in 1970/1971 betreft: de in het verweerschrift genoemde 331055 ton zijn het totaal der toegewezen suiker, de in de mededeling vermelde 447400 ton het bij de douane aangegeven totaal.

Dat de afstemming een globaal karakter droeg en niet slechts bij bepaalde gelegenheden plaatshad, volgt uit sommige stukken blijkens welke er geregeld contact werd onderhouden; dit is trouwens al dan niet met zoveel woorden erkend door Générale sucrière en Sucres et Denrées; deze laatste heeft met name betoogd dat de gewraakte gedragingen een integrerend deel van een nationale marktordening zouden uitmaken en voor stabiliteit op de Italiaanse markt zouden hebben gezorgd. — Met name ten aanzien van de derde inschrijving blijkt uit het verslag van de op 22 september 1970 te Parijs gehouden vergadering dat de prijsopslag die in het kader van deze inschrijving werd toegepast, was afgesproken. Het is niet waar dat RF toen „elders in Italië” heeft geleverd; de door RT bedoelde leveringen vonden plaats door tussenkomst van Export en waren voor de Italiaanse fabrikanten bestemd.

###### Antwoord aan Sucres et Denrées

Sucres et Denrées heeft erkend meer dan 150000 ton naar Italië te hebben geleverd. Deze respectabele som maakt reeds duidelijk dat de vennootschap bij de afstemming als gangmaker is opgetreden, hetgeen door sommige bij het verweerschrift gevoegde en daarin vermelde bijlagen ook ruimschoots wordt aangetoond.

Haar argument dat zij als niet-fabrikant geen belang had bij de bescherming van de Italiaanse markt, is dan ook ongegrond. Haar positie op de suikermarkt is, economisch gezien, geen andere dan die der fabrikanten. Zij komt op de markt met partijen suiker waarvan zij eigenaar is; uit sommige van voormelde stukken blijkt dat zij op een gegeven ogenblik 5000 ton heeft verkocht, terwijl de andere verzoeksters onderling 11000 ton verdeelden. Zij had met levering op de Italiaanse markt zonder afstemming met de fabrikanten-exporteurs kunnen volstaan en daarmede de gewraakte afstemmingen in gevaar kunnen brengen. In feite heeft zij echter bij de levering van bijna alle hoeveelheden die van fabrikant tot fabrikant gingen de doorslag gegeven. Zij kan, gezien haar winstmarges, niet ontkennen dat zij bij deelname aan de afstemming geldelijk belang had.

Sucres et Denrées speelt een woordenspel wanneer zij stelt dat geen enkele Italiaanse gebruiker zich ooit tot haar heeft gewend. De Commissie heeft in haar exposé betreffende de punten die bij de verschillende onderling afgestemde gedragingen terugkomen vastgesteld dat de „gebezigde middelen … goeddeels overeenstemmen”; het gaat daarbij dus om een algemene beschrijving der afstemmingen. Ten aanzien van Sucres et Denrées heeft de Commissie met name wat de leveringen van fabrikant aan fabrikant en de prijsopslagen betreft deelneming aan de afstemming aangenomen.

Uit de bewoordingen van Sucres et Denrées' telexbericht aan Eridania van 20 augustus 1970 blijkt duidelijk welke rol verzoekster bij de concentratie van het aanbod heeft gespeeld. Uit het feit dat daarin zo de nadruk wordt gelegd op bepaalde verschillen tussen haarzelf en de Italiaanse fabrikanten, blijkt te meer welk soort handelsbetrekkingen er door belanghebbenden werd onderhouden.

Door het verslag van de op 29 juli 1969 te Parijs gehouden vergadering wordt aangetoond dat Sucres et Denrées daaraan heeft deelgenomen en zich met de Franse en Belgische leveranciers heeft verstaan over de levering van bepaalde hoeveelheden aan de Italiaanse fabrikanten — via Eridania — en over het verhinderen van leveringen aan Italiaanse „outsiders”.

Niet valt in te zien waarom de bewering dat de Italiaanse ordening de mogelijkheid van prijsconcurrentie heeft opengelaten zich niet zou verdragen met de stelling dat de invloed die van de afstemming op het prijsniveau in Italië is uitgegaan niet als bestanddeel der inbreuk in aanmerking is genomen.

Met haar betoog dat de exporteurs niet als concurrenten van de fabrikanten-importeurs zijn te beschouwen miskent verzoekster de aard van de haar ten laste gelegde inbreuk. De Commissie heeft onder andere de leveringen van fabrikant tot fabrikant als aanwijzingen voor de gestelde afstemming van de gedragingen in aanmerking genomen; voor het overige verwijst zij naar haar verweerschrift, waarin zij duidelijk heeft uiteengezet dat de exporteursgroep, economisch gezien, ten aanzien van de leveringen naar Italië een concurrente van de Italiaanse fabrikanten was.

De voorwaarden voor deelneming aan de inschrijvingen zijn voor iedereen dezelfde; ook veel zwakkere ondernemingen dan Sucres et Denrées hebben zich gemeld.

###### Antwoord aan SZAG

In het verweerschrift wordt nauwkeurig uiteengezet waarom de Commissie van mening is dat SZAG's inbreuken zich tot alle vier verkoopseizoenen hebben uitgestrekt.

Met de posita waarmede SZAG wil aantonen dat de omvang van de leveringen aan de Italiaanse fabrikanten niet op een kartel wijst, gaat zij uit van de onjuiste gedachte dat het Italiaanse systeem alleen Italiaanse fabrikanten tot de inschrijvingen toeliet.

SZAG kan niet staande houden niet te hebben geweten aan wie de Duitse handelaren de suiker die zij hun had geleverd, doorverkochten. Het betrof hier suiker die op grond van de tussen SZAG en SZV overeengekomen taakverdeling moest worden geëxporteerd. De betrokken verkopen waren rechtstreekse verkopen: de waar ging rechtstreeks van de fabrikant naar de Italiaanse klanten; SZAG moet dus van de bestemming op de hoogte zijn geweest. Het op 10 april 1970 door Eridania aan Sucres et Denrées gezonden telexbericht (vgl. mededeling, blz. 64) houdt het bewijs in dat deze onderneming bepaalde hoeveelheden voor de Duitse handelaren had gereserveerd.

Wanneer men de winst die SZAG op haar verkopen aan fabrikanten en aan handelaren heeft behaald wil vergelijken, moet men er van uitgaan dat een fabrikant er in de regel geen belang bij heeft zijn produkten aan een concurrent te verkopen; hij laat hen dan immers een voordeel dat hij zelf had kunnen behalen. SZAG's uiteenzettingen ten betoge dat de situatie in casu anders lag, vermogen niet te overtuigen. Zij heeft niet nader uiteengezet waarom de Commissie aan de cijfers van bijlage 9 bij het verzoekschrift onjuiste gevolgtrekkingen zou hebben verbonden. SZAG dient de desbetreffende contracten over te leggen; alleen dan kan de zaak volkomen tot klaarheid worden gebracht.

Voor het bewijs van SZAG's deelneming aan de afspraak inzake de quota verwijst de Commissie naar hetgeen zij in haar verweerschrift heeft betoogd; in haar conclusie van repliek heeft SZAG zich niet uitgelaten over de gedetailleerde gegevens die de Commissie had verstrekt.

De Commissie heeft aan te term „outsider” de gewone betekenis gehecht en als leveringen van „outsiders” alleen beschouwd leveringen die door fabrikanten of handelaren aan handelaren of aan de verwerkende industrie in Italië zijn gedaan.

###### Algemene beantwoording van de Italiaanse verzoekster

De Commissie meent er aan te moeten herinneren dat zij hun niet een onderling afgestemde feitelijke gedraging ten laste legt die op vaststelling van de prijzen ge richt zou zijn geweest. Ongetwijfeld hebben de geconstateerde gedragingen met alle andere concurrentiemogelijkheden ook die tot prijsconcurrentie afgesneden. Maar de aan verzoeksters verweten marktbescherming door invoercontrole gaat veel verder en speelt zich af op een heel ander niveau. Zelfs wanneer de Italiaanse ordening geen prijsvariatie zou hebben toegelaten (quod non), dan nog hadden verzoeksters daarmede niet ieder belang bij bescherming van hun markt verloren; men mag zich dan ook niet op zulk een situatie beroepen ten betoge dat laakbare gedragingen uitgesloten waren:

Dat de fabrikanten-exporteurs bij voorkoming van onderlinge concurrentie belang hadden volgt uit het feit dat verkoop op de Italiaanse markt hun gunstiger economische perspectieven bood dan die op andere afzetmarkten — onder meer afzet via de interventiebureaus —. Alleen de produktie die het maximumquotum niet te boven ging had men aan de bureaus kwijt gekund; voorts had verkoop op de Italiaanse markt zelfs lonend kunnen zijn wanneer de prijs gelijk aan of iets lager dan de interventieprijs zou liggen; en ten slotte kon daarbij gemakkelijk een hogere winst worden behaald dan bij verkoop aan genoemde bureaus.

De bescherming van de markt stelde de fabrikanten-importeurs in staat nieuwe concurrenten op een afstand te houden. Daarbij dient te worden bedacht dat de importen in de betrokken periode van 15 % op 26 % van het verbruik zijn komen te liggen en dat die lijn zich in de toekomst kon voortzetten in verband met de toenemende marge tussen consumptie en produktie en wegens het aflopen van de overgangsperiode bedoeld in verordening nr. 1009/67. Het was dan ook voor de Italiaanse fabrikanten van wezenlijk belang hun positie op de Italiaanse markt, ook op die voor importsuiker, te behouden.

Om de inbreuk bewezen te kunnen achten behoeft de Commissie niet aan te to nen dat de gewraakte wederzijdse verbintenissen — met name de afspraak dat de fabrikanten-exporteurs slechts tegen berekening van een prijsopslag aan „outsiders” zouden verkopen — ook tot — uitvoering dier verbintenissen behelzende — gedragingen hebben geleid. Een onderling afgestemde feitelijke gedraging is een vorm van coördinatie die niet de vorm heeft gekregen van een overeenkomst in engere zin en het bewijs van de gedragingen waarin die coördinatie gestalte aanneemt, kan langs indirecte weg worden geleverd.

Wanneer evenwel met betrekking tot bepaalde bestanddelen der onderlinge afstemming de gedraging waarin de wilsovereenstemming zich concretiseert rechtstreeks kan worden vastgesteld, behoeft het indirect bewijs van zodanige gedraging niet meer te worden geleverd als maar kan worden vastgesteld dat er andere gedragingen zijn die eerstbedoelde gedraging (in casu: feitelijke toepassing der overeengekomen prijsopslagen) doen vermoeden. Dit probleem is echter van ondergeschikte betekenis; de Commissie heeft het bewijs van toepassing dier prijsopslagen geleverd en de prijsverhoging is ook maar één — en niet eens het belangrijkste — van de elementen die te zamen de onderling afgestemde feitelijke bewijzen.

De argumenten die niet ter betwisting doch ter rechtvaardiging van de gewraakte samenwerking zijn aangevoerd, zijn ongeschikt om te bewijzen dat er geen inbreuk is begaan, nu de gedragingen niet bij de Commissie zijn aangemeld; zij kunnen alleen van belang zijn wanneer de ernst der inbreuk moet worden beoordeeld.

Wanneer aanwijzingen afkomstig zijn van een zijde waar belangen tegengesteld aan die van verzoeksters een rol kunnen spelen, verliezen zij niet reeds daardoor alle bewijskracht. Als de bron betrouwbaar is en de aanwijzingen met andere bewijzen uit andere bronnen in overeenstemming zijn, moeten zulke aanwijzingen in aanmerking worden genomen. Voor zover Eridania de van Export af komstige documenten bedoelt, zij er op gewezen dat de Commissie niet alleen op die stukken is afgegaan.

###### Antwoord aan Eridania

De stelling dat de „prezzo congruo” door optelling van bekende en vaste factoren wordt verkregen komt erop neer dat aan de inschrijvingen iedere reden van bestaan wordt ontzegd en houdt bovendien een miskenning in van het feit dat daarbij de offertes van buiten de groep van fabrikanten-importeurs staande ondernemingen zowel van die van de leden der groep alsook onderling verschilden. Cavarzere, Industria degli zuccheri en Emiliana hebben trouwens toegegeven dat er juist bij de inschrijvingen concurrentiemogelijkheden bestonden.

De stelling dat Eridania maar weinig aandacht heeft besteed aan de aanbiedingen die haar door Sucres et Denrées waren gedaan, namelijk haar te laten profiteren van de bescherming die van berekening van een hogere prijs aan derden uitging, wordt weersproken door het feit dat Eridania bij een andere gelegenheid heeft gevraagd in de prijsopslag een „veiligheidsmarge” op te nemen die groter was dan uiteindelijk is overeengekomen (Ffr 1,65 in plaats van 0,75; vgl. procesverbaal van de op 22 september 1970 te Parijs gehouden vergadering).

Het percentage van de rechtstreeks door gebruikers gedane importen, dat in het tijdvak 1968-1972 even boven 15 lag, vormt een aanwijzing te meer dat de importen door verzoeksters werden gecontroleerd, in aanmerking genomen:

de eigen aard van de markt die, wanneer zij normaal had gewerkt, de rechtstreekse importen zou hebben begunstigd;

het feit dat in de disposities van de Italiaanse overheid een deel van de invoer voor de gebruikers was gereserveerd;

het feit dat de rechtstreekse importen ook pas zijn gaan stijgen nadat dit aandeel voor hen was gereserveerd — en wel juist als gevolg van die maatregel —;

het feit dat, naar Eridania zelf stelt, de gebruikers minder hoge kosten hadden dan de fabrikanten-importeurs;

het feit dat de betrokken leveringen in de regel niet door leden van de leveranciersgroep zijn verricht;

het feit dat een deel dezer importen blijkbaar door de fabrikanten in naam van de gebruikers is verricht.

De leveranciersgroep had zich verplicht aan niet tot de importeursgroep behorende ondernemingen slechts tegen een hogere prijs te verkopen, zodat het niet te verwonderen is dat verkoopweigering en berekening van prijsopslagen zich naast elkander hebben voorgedaan.

De stelling dat het berekenen van een prijsopslag met toekenning van een korting wegens aankoop van grote hoeveelheden is gelijk te stellen, wordt weersproken door de notulen van de op 29 september 1970 te Parijs gehouden vergadering, waarin wordt gezegd dat in de prijsopslag een „veiligheidsmarge” was begrepen. Omdat de berekening van prijsopslagen niet alleen voor de rechtstreekse afnemers, maar voor alle buitenstaanders, ook handelaren, was voorzien, kan men zich ter rechtvaardiging ervan niet beroepen op de lasten die voor de fabrikanten-importeurs aan het organiseren der verkoop verbonden waren.

###### Antwoord aan Cavarzere

Wat betreft RT's beduchtheid dat de op de Italiaanse markt geboden prijs nogal „onbekrompen” was vastgesteld: het is begrijpelijk dat er op een vergadering van Franse en Belgische fabrikanten waar de aan de Italiaanse groep te bieden condities nader zouden worden vastgesteld, aan de zijde der leveranciers bezorgdheid kon bestaan dat de prille samenwerking door de importeursgroep zou worden afgebroken wanneer er te hoge prijzen zouden worden gevraagd. Op de kort nadien (11 september 1969) te Genua gehouden vergadering hebben de exporterende en im porterende ondernemingen zich trouwens verstaan omtrent de beginselen die bij de suikerverkoop naar Italië moesten worden inachtgenomen (vgl. mededeling punten van bezwaar, blz. 56 en 57).

Wanneer buiten de groep staande importeurs minder kosten hadden, moest dat er onder normale marktvoorwaarden toe leiden dat hun aandeel in de importen toenam.

Dat de fabrikanten-importeurs aan hun klanten bezwarende verkoopcondities hebben opgelegd is geen grief op zichzelf, doch een der tot staving van zulk een grief aangevoerde bewijselementen. Onder een mededingingsregime hadden de verkoopcondities minder bezwarend kunnen zijn; dit blijkt wel uit de gezamenlijke eenzijdig aan genoemde klanten opgelegde clausules, zoals: „U wordt geacht de kwaliteit bij afname te hebben vastgesteld, onderzocht en aanvaard”; „het bij afname opgegeven gewicht wordt geacht door U te zijn aanvaard”; „zelfs bij verkoop van een produkt waarop het nettogewicht is aangeduid zal vorenstaande prijslijst op het brutogewicht der zakjes wórden toegepast”.

Het argument dat er in plaats van een „prijsopslag” een korting aan de fabrikanten-kopers wegens afname van grote hoeveelheden zou zijn toegepast, sluit met name af op het feit dat ten deze niet de omvang dier transacties, maar het niet behoren tot de groep de doorslag heeft gegeven.

Het is niet waar dat de prijsopslag niet is toegepast: Générale sucrière, Say en Béghin hebben erkend dan wel niet ontkend zulks te hebben gedaan. Of het bedrag met het overeengekomen bedrag overeenstemde doet weinig ter zake.

De bewering dat de gewraakte samenwerking niet de vorm van een inkoopcombinatie heeft aangenomen is irrelevant. Cavarzere heeft toegegeven dat er afstemming van gedrag op het niveau van de vraag is geweest en overleg bij de inschrijvingen heeft plaatsgehad. — Een inkoopcombinatie kan eventueel voor een uitzondering krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag in aanmerking wor den gebracht, doch is niet ipso facto geoorloofd.

###### Antwoord aan Industria degli zuccheri

Wanneer de Commissie heeft gesteld dat alleen de leden van de leveranciersgroep in staat waren naar Italië te exporteren wordt daarmede de grief behelzende schending van artikel 85 nog niet krachteloos. De Commissie betoogt juist dat de leden van de groep onderling hadden moeten concurreren.

Wanneer Eridania's telexbericht aan Sucres et Denrées van 20 oktober 1969 er op kan wijzen dat Eridania zich er, alvorens de gezamenlijke aankooptransactie af te sluiten, van heeft vergewist dat haar lastgevers daarmede akkoord gingen, houdt het de bevestiging in dat deze vennootschap voor rekening van alle leden van de groep handelde.

###### Antwoord aan Emiliana

Emiliana wist zeer wel dat kooptransacties waarover gezamenlijk was onderhandeld en die gezamenlijk werden aangegaan — en ook het grootste deel van de importen betroffen —, controle op de invoer behelsden en dat zulks met het Gemeenschapsrecht in strijd is.

Evenzo kunnen ondernemingen die deelnemen aan vergaderingen als die van Genua waar het er om ging afspraken die derden konden beletten op de Italiaanse markt te verkopen nader uit te werken, en die voorts jarenlang hun bestellingen gezamenlijk indienen, gezamenlijk over de leveringscondities onderhandelen, bij de inschrijvingen strikt gelijkluidende offertes doen en eveneens gelijkluidende verkoopcondities toepassen, niet doen alsof zij niet weten wat tussen belanghebbenden is overeengekomen en waarom.

Het doet er weinig toe of Emiliana zelf de onderling afgestemde gedraging mede op touw heeft gezet dan wel slechts het initiatief van andere ondernemingen is gevolgd.

Met betrekking tot de stelling dat er noch van verstoring der mededinging noch van ongerechtvaardigd gewin sprake is geweest zij allereerst opgemerkt dat het voor een verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging voldoende is dat zij beperking van de mededinging ten doel heeft. Bovendien is de mededinging werkelijk verstoord. Het doet weinig ter zake aan wie Emiliana ingevoerde suiker heeft verkocht en tegen welke prijs zij heeft ingevoerd. Het is voldoende vast te stellen dat de consumenten wat hun suikerbevoorrading betreft niet de beschikking hadden over de ruimere keus waartoe de communautaire ordening had moeten leiden. Emiliana heeft trouwens van de litigieuze gedragingen geprofiteerd: zij hebben haar gevrijwaard voor de mededinging die haar had kunnen worden aangedaan door ondernemingen die zich geroepen voelden naar Italië te exporteren (buitenlandse fabrikanten, handelaren) en voor Emiliana het risico van klantenverloop verkleind.

###### Antwoord aan Volano

Voor het overige verwijzend naar haar verweerschrift, betoogt de Commissie dat Volano heeft bevestigd dat Eridania de hoofdrol heeft gespeeld en dat de betrokken leveringen afkomstig waren van een leveranciersgroep.

###### Antwoord aan Sadam

Sadam's deelneming aan de vergadering van Genua bewijst dat Eridania niet eigenmachtig als vertegenwoordiger van de overige ondernemingen (Sadam daaronder begrepen) is opgetreden, doch in overleg met alle leden van de groep heeft gehandeld. En zelfs al ware dat anders, dan nog blijft het een feit dat Sadam zich nimmer heeft verzet tegen het optreden van Eridania — dat zich over tal van jaren heeft uitgestrekt — en daaraan juist haar zegel heeft gehecht. Alle bekende aankopen van importsuiker die in de periode bedoeld in de bestreden beschikking door Sadam blijken te zijn verricht, liepen over de groep rondom Eridania.

Niet op de al dan niet minieme verschillen tussen de biedingen die bij de inschrijvingen zijn gedaan door wel en niet tot de groep behorende ondernemingen, maar op de strikte gelijkluidendheid van de biedingen der groepsleden komt het ten deze aan.

Een gedraging die op rechtstreekse controle op de invoer uit andere Lid-Staten gericht is, benadeelt ten duidelijkste de handel tussen die Lid-Staten.

Sadam mag niet stellen dat haar gedrag te verklaren is door het bestaan van een „price-leadership”. Dat argument zou ook niet in overeenstemming zijn met de structuur van de Italiaanse produktie die in de hierbedoelde periode over ongeveer twintig ondernemingen verdeeld was. Het gaat hier bovendien om een deelneming aan inschrijvingen waar de biedingen geheim waren en waarbij het aantal mogelijke concurrenten groter was dan dat der fabrikanten. Ten slotte heeft de Commissie verzoeksters nimmer verweten dat zij gelijktijdig tot een prijsverhoging waren overgegaan.

De door Sadam aangehaalde telexberichten van Sucres et Denrées aan Eridania mogen aantonen dat beide vennootschappen van opvatting verschilden, zij staven echter ook niet de stelling dat Sadam zich niet via tussenpersonen heeft bevoorraad.

Met betrekking tot het tijdvak waarop de beschikking betrekking heeft zijn er door Sadam wel offertes overgelegd die zij had aangevraagd bij en verkregen van verschillende buiten de groep staande ondernemers, doch geen met die ondernemers afgesloten contracten.

Ten aanzien van de betrekkingen tussen Sadam en de firma Marcel Bauche zij er op gewezen dat deze firma gemeend heeft er de aandacht op te moeten vestigen dat er rechtstreeks diende te worden gekocht; anders zou de transactie geen doorgang vinden. Zulk een verklaring zou moeilijk te begrijpen zijn wanneer het er voor zou moeten worden gehouden dat Sadam de handen vrij had. In ieder geval is de voorgenomen koop niet doorgegaan.

###### 5. Debat tussen interveniënte en partijen

###### ad 1., aa) bbb)

De Unione nazionale consumatori, interveniënte, hierna te noemen „Unione” heeft, overigens verwijzende naar de uiteenzetting der Commissie, met name het navolgende betoogd:

Een der typische werkzaamheden in de suikersector is het verpakken in dozen, zakken en zakjes. In Italië gebeurt het zowel door de suikerfabrikanten als door tal van kleine ondernemingen. Deze zelfstandig optredende emballeurs vergroten de concurrentiemogelijkheden.

Voorts is er in Italië een groot aantal grossiers die er belang bij hebben de concurrentie tussen fabrikanten aan te wakkeren en, eventueel, rechtstreeks bij de buitenlandse fabrikanten te kopen. Dit geldt ook voor de industriële gebruikers — die soms veel suiker nodig hebben —; deze industrieën konden zelfs bij invoer tegen betaling van de gehele „so-vrapprezzo” geïnteresseerd zijn; zulke importen zijn ook voorgekomen.

Waar zij stellen dat de mededinging zich niet kon ontwikkelen, gaan verzoeksters uit van de onjuiste opvatting dat de buitenlandse fabrikanten bij verkoop beneden de interventieprijs geen belang konden hebben.

Générale sucrière houdt vol dat de interventieprijs in de praktijk een gegarandeerde minimumprijs is.

Say betoogt dat de Unione in het geheel geen rekening houdt met de invloed der communautaire ordening of met de economische consequenties van de onderhavige afstemming. Men dient voor ogen te houden dat de verkopen van de vennootschap hebben plaatsgehad tegen ongeveer dezelfde prijzen als — zo niet lagere prijzen dan — de interventieprijs en altijd beneden de richtprijs. Waar deze laatste niet werd bereikt zou men kunnen concluderen dat het communautair beleid een wezenlijke doelstelling van artikel 39 van het Verdrag niet heeft kunnen verwezenlijken: „… de landbouwbevolking een redelijke levensstan daard … verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn”. Unione ziet eraan voorbij dat het Verdrag niet alleen op verdediging van de consument uit is. Soortgelijke overwegingen zijn in het midden gebracht door lndustria degli zuccheri. Say voegt eraan toe dat een mogelijkheid tot mededinging, indien al aanwezig, „slechts te vinden was in de marge van 25 % voor de rechtstreekse importen”.

Sucres et Denrées verbaast er zich over dat Unione schijnt te menen dat verkoop beneden de interventieprijs norm zou moeten zijn. Het betoog van Unione houdt een bevestiging in van het standpunt der verzoeksters dat de niet-Italiaanse ondernemers praktisch niet in staat waren aan de inschrijvingen deel te nemen. Het bevestigt ook dat de Commissie zich niet had moeten onthouden van een onderzoek naar de invloed van de Italiaanse marktordening — en de werking van de Italiaanse markt — op het gedrag van verzoekster.

Waar Unione stelt dat suiker uit het buitenland in Italië beneden de interventieprijs had kunnen worden verkocht, ziet Unione er volgens Cavarzere aan voorbij dat het ook blijkens het betoog van het CIP niet mogelijk was in Italië buitenlandse suiker in te voeren tegen dezelfde prijzen als suiker uit het eigen land kostte.

###### ad 1., aa) ccc)

###### Vgl. ook infra, b

Unione zet gedetailleerd uiteen waarom zij de Italiaanse ordening onrechtmatig acht:

De van importsuiker geheven „sovrapprezzo” is een heffing van gelijke werking als douanerechten en mitsdien verboden volgens artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1009/67:

De „sovrapprezzo” wordt eenzijdig „door een ander nationaal bestuursorgaan dan de wetgever van de Gemeenschap opgelegd”.

De „sovrapprezzo” wordt geheven door de Italiaanse douane die het geheven bedrag vervolgens aan de Ccz afdraagt.

Omdat de „sovrapprezzo” tot wijziging van de kostprijs van het ingevoerde produkt leidt, heeft het „op het vrije verkeer van goederen een zelfde beperkende invloed … als een douanerecht” (vgl. arrest van 19 juni 1973, Capolongo t. Maya, zaak 77-72, Jurispr. blz. 623, nr. 12). Dit volgt met name uit het feit dat toepassing van de volledige „sovrapprezzo” de invoer van suiker in Italië zou hebben belet, althans bemoeilijkt.

De „sovrapprezzo” is niet de tegenprestatie voor een door de administratie verleende dienst (vgl. arrest van 1 juli 1969, Commissie t. Italië, zaak 24-68, Jurispr. blz. 202 tot 203).

De „sovrapprezzo” dient alleen om de steunmaatregelen ten behoeve van de Italiaanse producenten te bekostigen (vgl. arrest Capolongo, loc. cit., blz. 624, nr. 14).

De op binnenlands geproduceerde suiker geheven „sovrapprezzo” is in strijd met verordening nr. 1009/67. Naar de opzet van die verordening met haar communautaire regeling van de prijzen is iedere bemoeienis van nationale instanties ten deze uitgesloten; de verordening gaat uit van de gedachte dat de suikerprijs het resultaat moet zijn van vrije concurrentie.

Voorts is in meer algemene zin de regelgevende bevoegdheid in de suikersector volledig overgedragen aan de instellingen van de Gemeenschap.

De heffing van de „sovrapprezzo” op ingevoerde dan wel op in het land zelf geproduceerde suiker is in strijd met artikel 40, lid 3, van het Verdrag en behelst discriminatie ten nadele van de Italiaanse consumenten, vergeleken met consumenten elders in de Gemeenschap.

Aan het systeem van inschrijvingen kleeft dezelfde fout. Enerzijds worden alleen ondernemingen die meer dan 1000 ton kunnen invoeren toegelaten, waardoor tal van ondernemingen beperkt worden in hun mogelijkheid de Italiaanse fabrikanten werkelijk te beconcurreren; Unione wijst op het verslag van de op 29 juli 1969 te Parijs gehouden vergadering (vgl. beschikking, blz. 23, r. kol., blz. 24, 1. kol.), dat is opgesteld door RT (verw. schr. bijl. I, 57) en waarin het volgende te lezen valt: „Ik heb voorts in overweging gegeven dat Eridania … bij de Italiaanse overheid zou kunnen zien gedaan te krijgen dat men alleen in de gelegenheid wordt gesteld in te schrijven voor ten minste 5000 ton, hetgeen een behoorlijk aantal firma's zou uitschakelen.” Anderzijds houdt het systeem schending van het non-discriminatiebeginsel in omdat het deelneming aan een inschrijving afhankelijk stelt van een vaste offerte van een buitenlandse fabrikant — en daarvan is door de aan het kartel deelnemende ondernemingen gebruik gemaakt om de mededinging nog meer te beperken —.

De vaststelling van maximumconsumentenprijzen is in strijd met de bij verordening nr. 1009/67 gegeven prijsregeling.

Générale sucrière ziet in het exposé van Unione haar eigen uitspraken bevestigd. „Hoe merkwaardig het ook lijkt, het Hof is geroepen in deze zaak uitspraak te doen zonder dat er over het belangrijkste punt — namelijk de vraag of de Italiaanse ordening al dan niet rechtmatig is — een beslissing is genomen, nu de Commissie geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden die het Verdrag haar toekent.”

Say is het met Unione eens dat het systeem der inschrijvingen schending van het non-discriminatiebeginsel behelst; zij bestrijdt Unione's verdere argumenten niet voor zover zij ertoe strekken de Italiaanse ordening als onrechtmatig aan te merken. Dat de Commissie tegen de Italiaanse Regering niet een procedure ex artikel 169 van het Verdrag heeft ingeleid moet worden uitgelegd als een besluit tot handhaving van die ordening (aldus ook Sucres et Denrées). Dat zij zulks heeft nagelaten is dus een van de oorzaken van de concentratie van het aanbod die aan de niet-Italiaanse verzoeksters wordt verweten.

Sucres et Denrées meent dat het niet op haar weg ligt zich over het standpunt van Unione uit te spreken; wanneer Unione echter gelijk mocht hebben, zou daarmee tevens ernstige kritiek wegens het stilzitten der Commissie zijn uitgesproken.

Eridania wijst er op dat de Consiglio dello Stato de litigieuze regeling rechtmatig heeft verklaard. Mocht hij zich hebben vergist, dan dient te worden bedacht dat de Italiaanse fabrikanten door de rechtsorde van hun staat gebonden zijn en dat de handelingen van de overheid effect sorteren zolang zij niet zijn nietigverklaard of onrechtmatig verklaard. Dat de Commissie niet tegen de Italiaanse maatregelen is opgetreden schept het vermoeden dat ze als rechtmatig moeten worden beschouwd. Overigens vindt het systeem der inschrijvingen zijn grondslag in artikel 34 van verordening nr. 1009/67, waarin Italië tot steunverlening gemachtigd wordt.

Cavarzere legt ook de nadruk op het werkelijk bestaan van de Italiaanse ordening. Zij wijst er op dat alleen het op de nationale produktie gelegde deel van de „sovrapprezzo” wordt gebruikt om de steunmaatregelen ten behoeve van de Italiaanse producenten te financieren, terwijl het deel dat op de ingevoerde suiker wordt gelegd bestemd was tot restitutie van de hogere kosten aan de invoer verbonden. — Wat de discriminerende aard der inschrijvingen betreft: Unione noemt slechts de marginale gezichtspunten (noodzaak van inschrijving voor minstens 1000 ton; vaste offerte van een buitenlandse fabrikant), doch schenkt geen aandacht aan de eigenlijke bedoeling, namelijk contingentering van de voor steun in aanmerking komende importen.

Industria degli zuccheri houdt ten dele een dergelijk betoog als Eridania en Cavarzere. Zij erkent evenwel, zij het blijkbaar in andere zin, dat de Italiaanse maatregelen discriminerend van aard waren.

Sadam is eveneens van mening dat de „sovrapprezzo” zoals die op ingevoerde suiker werd toegepast „alsook, meer in het algemeen, bindende voorschriften betreffende de structuur van de suikermarkt in Italië” met het Gemeenschapsrecht onverenigbaar zijn, hetgeen te meer bewijst dat aan de vennootschap geen enkele onrechtmatigheid kan worden verweten.

###### ad 1., bb)

Unione betoogt dat uit de gestelde feiten en uit het door de Commissie geleverde bewijsmateriaal genoegzaam van de betrokken inbreuk blijkt. Zij wijst met name op:

de uniformiteit van de „sovrapprezzo”-percentages die door de Italiaanse fabrikanten werden geboden — in scherp contrast tot de verscheidenheid der door „outsiders” geboden bedragen;

het feit dat de verkoopcontracten aangegaan tussen Eridania, Cavarzere, Industria degli zuccheri, Emiliana en Sadam enerzijds en hun klanten anderzijds behoudens op punten van zijdelings belang gelijkluidend waren;

de inhoud der contractsclausules, waardoor de juistheid wordt bewezen van het betoog der Commissie inzake „subsidiaire afstemmingen tussen Italiaanse fabrikanten”.

De gewraakte handelwijzen liggen in de lijn van een lange traditie waarin de Italiaanse suikerfabrieken steeds hebben getracht de mededinging te weren; dit blijkt uit tal van documenten. Unione wijdt hieraan een gedetailleerde beschouwing en wijst er met name op dat Eridania zelfs al vóór het door de beschikking bestreken tijdvak „de kop” had „genomen”.

Op de litigieuze ondernemersafspraak wordt nader licht geworpen in een brief van de firma Ferrero aan Unione van 20 februari 1974, waarin de reeds aan functionarissen der Commissie afgelegde verklaringen nogmaals worden weergegeven en gespecificeerd.

Dat er een ondernemersafspraak bestond die ertoe strekte en ten gevolge had dat wat de voorziening met importsuiker betreft de mededinging van andere ondernemingen werd uitgesloten of beperkt, wordt ook aangetoond door de volgende feiten:

Op grond van de importen in het verkoopseizoen 1969/1970 en de geschatte nationale produktie in het verkoopseizoen 1970/1971 was de Ccz gemachtigd in het tekort aan kristalsuiker voor de verwerkende ondernemingen te voorzien door gegadigden uit te nodigen in te schrijven voor de invoer van 150000000 kilogram suiker, alsmede een extra hoeveelheid van 30000000 kilogram ten behoeve van suikergebruikende ondernemingen die hunnerzijds hadden verzocht over te mogen gaan tot invoer van hoeveelheden van ten hoogste 1000000 kilogram. Bij de inschrijving van 10 september 1970 zagen de Italiaanse fabrikanten zich bijna de gehele door hen aangevraagde hoeveelheid (138000000 van de 140000000 kilogram) toegewezen, waarmede de suikergebruikende ondernemingen die hadden besloten een deel van de benodigde suiker rechtstreeks in te voeren en voor een totaal van 30800000 kilogram hadden ingeschreven, bijna geheel achter het net visten.

Uit hun uitsluiting bleek evenwel dat de hoeveelheid waarvoor kon worden ingeschreven niet groot genoeg was om het hele suikertekort te dekken, zodat de Ccz op 22 oktober 1970 nogmaals gegadigden opriep om voor een hoeveelheid van 60000000 kilogram in te schrijven. De industriële afnemers schreven toen in voor een totaal van 41000000 kilogram. De suikerfabrieken, die bij de inschrijving van 10 september slechts 2000000 kilogram te kort waren gekomen, meldden zich nochtans opnieuw, en wel voor een totaal van 110000000 kilogram; en eens te meer was het de in dustriële afnemers niet mogelijk rechtstreeks in hun behoeften te voorzien.

De suikerfabrieken hebben steeds geweigerd suiker te verkopen aan ondernemingen waar suiker in zakjes of zakken wordt verpakt („emballeurs”; vgl. supra; ad 1, aa, bbb); zij hebben zelfs een soort „zwarte lijst” opgesteld en de grossiers verboden hun suiker te verkopen. De emballeurs hebben toen getracht rechtstreeks bij buitenlandse fabrikanten te kopen, om ook daar te worden teleurgesteld. Zij zagen zich dus genoodzaakt om hetzij kleine hoeveelheden suiker te kopen bij de paar Italiaanse fabrikanten die niet bij het kartel waren aangesloten, hetzij zich telkens onder een andere schuilnaam tot de Italiaanse verzoeksters te wenden.

Wanneer zij stellen dat de gewraakte gedragingen onder de uitzonderingsbepalingen van verordening nr. 26 behoren te worden gebracht (vgl. infra, b) erkennen verzoeksters stilzwijgend het bestaan van een ondernemersafspraak. Zulk een erkentenis ligt ook in het betoog van sommige verzoeksters besloten.

Générale sucrière betoogt dat het gedrag der Italiaanse fabrikanten in september en oktober 1970, zoals het door Unione wordt beschreven, een bevestiging inhoudt van de stelling der vennootschap dat de Italiaanse ordening aan genoemde fabrikanten een monopolie bij de invoer van suiker heeft bezorgd en alle concurrentie uitsluit. Générale sucrière verwijt Unione echter dat zij aan haar betoog niet de logische consequentie heeft verbonden dat de gedragingen der fabrikanten-exporteurs niet laakbaar zijn.

Volgens Say bevestigen Unione's uitlatingen dat de vorming van de Italiaanse fabrikantengroep aan het optreden van de buitenlandse fabrikanten is voorafgegaan. Deze laatsten zagen zich geplaatst voor één enkel verzoek om levering tegen een tevoren vastgestelde prijs.

Sucres et Denrées meent de aandacht van het Hof te moeten vestigen op het feit dat zij de memories en stukken, gewisseld in de zaken die door de andere ver zoekster aanhangig zijn gemaakt, niet kent en dus bepaalde posita van Unione niet kan onderzoeken; daarmede wordt aan de gelijkheid van partijen in dit geding afbreuk gedaan.

Unione heeft ook niet de geringste indicatie verstrekt met betrekking tot de invloed die door de Italiaanse overheden zou zijn uitgeoefend op de totstandkoming en ontwikkeling van de verschillende afstemmingen der Italiaanse fabrikanten. Met die invloed moet rekening worden gehouden om het gewraakte gedrag te kunnen beoordelen. Unione's betoog weerspreekt de stelling van de Commissie dat Sucres et Denrées bij de onderhavige afstemming van gedragingen als gangmaker zou zijn opgetreden. De bewering dat zich gevallen van verkoopweigering zouden hebben voorgedaan heeft niet op Sucres et Denrées betrekking; zij is trouwens geheel onbewezen.

Eridania betoogt dat de Italiaanse en buitenlandse fabrikanten ten gevolge van de bestreden beschikking hun gedragslijn hebben gewijzigd. Bij de eerste inschrijvingen die nadien hebben plaatsgevonden bleven de Italiaanse suikerfabrieken, wat de toewijzing der quota betreft, in de minderheid. Vervolgens hebben zij zich zelfs genoodzaakt gezien om niet meer bij de inschrijvingen te verschijnen, zulks bij gebreke van enig aanbod van de buitenlandse fabrikanten, die daarentegen wel grote hoeveelheden aan andere Italiaanse ondernemers hebben geleverd. Een en ander leidde tot ernstige moeilijkheden bij de bevoorrading en tot een prijsstijging op de Italiaanse markt. Uit dit alles blijkt dat de verwijten der Commissie ongegrond zijn; het Verdrag mag niet in die zin worden verstaan dat het een zo rampzalige ontwikkeling zou willen bevorderen.

De uitlegging die Unione geeft aan de gang van zaken met betrekking tot sommige inschrijvingen en aankondigingen van inschrijvingen die in de herfst van 1970 hebben plaatsgehad, is niet juist. Dat er bij de eerste van bedoelde inschrijvingen geen enkel kwantum recht streeks aan de gebruikers is toegewezen vond zijn oorzaak in het feit dat zij een lagere „sovrapprezzo” hadden geboden dan de fabrikanten-importeurs. Bij de tweede dier inschrijvingen — betreffende 60000000 kilogram — zijn er aan fabrikanten-importeurs, handelsvennootschappen en industriële gebruikers onderscheidenlijk 38596500, 7017500 en 14386000 kilogram toegewezen.

Het is niet juist te stellen dat de Italiaanse verzoeksters ernaar zouden hebben gestreefd de machtspositie der fabrikanten ook na de overgangsregeling van de Gemeenschap te consolideren. Zoals kon worden voorzien, zou het vrijlaten der prijzen bij overgang van de voorlopige naar de definitieve regeling de marktgegevens dermate radicaal wijzigen dat naar tijdsduur begrensde afspraken waarschijnlijk niet in de toekomst zouden kunnen doorwerken. Dergelijke overwegingen zijn ook door Industria degli zuccheri in het midden gebracht.

Cavarzere wijst erop dat afspraken door de Italiaanse ondernemingen vóór — deels lang vóór — het in de beschikking bedoelde tijdvak aangegaan, in casu van geen belang zijn, omdat zij in het Gemeenschapsrecht en in de nationale wetgevingen nergens verboden waren. Hoogstens zou men kunnen zeggen dat uit de door Unione geschetste voorgeschiedenis de ongegrondheid blijkt van het verwijt dat de Italiaanse fabrikanten door de gewraakte gedragingen de mededinging wilden benadelen.

Waar zij er haar afkeuring over uitspreekt dat de fabrikanten-importeurs bij de inschrijvingen de gebruikers hebben beconcurreerd, redeneert Unione alsof de communautaire ordening er alleen was ten behoeve van deze laatsten en geeft zij stilzwijgend toe dat er concurrentie mogelijk was.

Zouden de suikerondernemingen elkander bij de inschrijvingen hebben beconcurreerd, dan zou het resultaat zijn geweest dat één hunner het gehele contingent had kunnen binnenhalen en omdat dat contingent tevoren was vastgesteld, voor de gezamenlijke nationale be hoeften op de markt de wet had kunnen stellen. En wanneer alleen de grote industriële afnemers zich de suiker hadden zien toegewezen, zou het resultaat eveneens zijn geweest dat de kleinere industrieën de suiker tegen betaling van de gehele „sovrapprezzo” buitenslands hadden moeten kopen, hetgeen schadelijke consequenties voor hun balans zou hebben gehad. Uit dit alles blijkt dat de Commissie en de Unione van een onjuist concurrentiebegrip zijn uitgegaan.

Wat de emballeurs betreft: de suiker waarvoor kon worden ingeschreven was voornamelijk voor industrieel gebruik bestemd, zodat er aan inpakking geen behoefte bestond. Voorts is volgens de Italiaanse wetgeving de fabrikant aansprakelijk wanneer het produkt niet aan de aanduidingen op de verpakking of aan de wettelijke voorwaarden beantwoordt; de fabrikant vertrouwt het verpakken der suiker dus alleen toe aan handelaren in wie hij volledig vertrouwen stelt. — Dat de emballeurs tevergeefs zouden hebben geprobeerd in Italië en in het buitenland suiker aan te kopen, is geheel onbewezen. Ten slotte was volgens de aankondigingen van inschrijvingen voor invoer voor industrieel gebruik de deelneming van eventuele inpakbedrijven niet toegestaan.

Unione schijnt te wensen dat de Italiaanse fabrikanten zich een invoerverbod zien opgelegd, maar vergeet dat de Italiaanse wetgeving tot 31 december 1972 rechtstreekse handelsbetrekkingen tussen de nationale suikergebruikers en -fabrikanten bevorderde door op zulke rechtstreekse verkopen bij heffing van de belasting genaamd „Imposta generale sull'entrata” een tarief van 2,30 % in plaats van 5,30 % toe te passen.

Cavarzere wijdt uitvoerige beschouwingen aan de wijze waarop haars inziens moet worden geoordeeld over contracten tussen fabrikanten-importeurs en Italiaanse confiseursbedrijven. Zij wijst erop dat Unione met haar beschuldigingen verder gaat dan de Commissie die verzoeksters niet langer verwijt dat zij de clausules dier contracten eensluidend hebben geformuleerd en alleen nog maar bezwaar maakt tegen hun te dwingende inhoud. Dit verwijt is trouwens ongegrond; zulke clausules zijn met het handelsgebruik in overeenstemming.

De tot de Italiaanse fabrikanten gerichte grief dat zij de markt van hun land zouden hebben willen beschermen en hun sterke positie zouden hebben willen handhaven, is zinloos. Het komt erop neer dat hun wordt verweten zich in de buitenlandse handel te hebben willen meester maken van het gedeelte dat het tekort in de nationale voorziening moest dekken. Zulke inspanningen hebben evenwel niets uitstaande met enigerlei op „bescherming” of „handhaving” gerichte wens; zij waren alleen maar bedoeld om „een bijdrage te leveren in het grote spel der economische mededinging”.

De uitzonderlijk machtige firma Ferrero had natuurlijk het recht te trachten de provisiekosten te omzeilen door al haar grondstoffen zonder inschakeling van de tussenhandel te kopen, maar zij kon dat doel bereiken met behulp van de gewone middelen der economische mededinging, met name door haar in bijna alle Europese landen gevestigde filialen op te dragen voor haar rekening suiker te kopen.

Industria degli zuccheri betoogt dat de grossiers aan de importen hebben kunnen deelnemen, ook wat suiker voor industrieel gebruik bestemd — sommigen hebben dat ook gedaan — ,maar slechts voor beperkte hoeveelheden, hetzij omdat zij minder rendement wisten te behalen dan de industriële afnemers, hetzij omdat de rechtstreekse bevoorrading van de suikergebruikende industrie door de suikerfabrieken in de hand werd gewerkt door de fiscale voordelen die aan rechtstreeks bij de suikerindustrie afnemende industriële kopers werden toegekend. Het Italiaanse belastingstelsel was praktisch op uitschakeling van de tussenhandel bij suikerverkoop aan de suiker gebruikende industrieën gericht. De grossiersbond heeft zelf verklaard dat „de meerderheid der grossiers het liefst ge bruik maakt van de gewone bevoorradingsmarkten en suiker van buitenlandse herkomst dus koopt bij de leveranciers bij welke zij suiker uit het eigen land betrekken”.

Het is normaal dat de fabrikanten-importeurs bij deelneming aan de inschrijvingen één lijn trokken; zij waren immers verplicht in heel Italië te verkopen tegen één en dezelfde prijs waaraan door de administratie bij de vaststelling van het prijssupplement werd gerefereerd.

De eensluidendheid der koopcontracten houdt verband met de alom in de handel voortgaande standaardisatie.

De firma Ferrero behoort niet tot de kleinverbruikers die Unione geroepen is te beschermen.

Met betrekking tot de door Unione genoemde inschrijvingen brengt Industria degli zuccheri soortgelijke overwegingen in het midden als Eridania. Zij vraagt zich bovendien af waarom de gebruikers geen hogere „sovraprezzo” hebben geboden dan de suikerfabrieken terwijl zij daartoe zeer wel in staat waren.

De emballeurs konden niet aan de inschrijvingen voor suiker voor industrieel gebruik deelnemen, hetzij omdat de suiker in grote hoeveelheden moet worden ingevoerd hetzij omdat zij zonder met de aankondigingen betreffende de inschrijvingen in strijd te komen geen voor industriële doeleinden ingevoerde suiker voor voedingsdoeleinden konden bestemmen.

Sadam wijst er op dat Unione ten onrechte alle verzoeksters op één lijn plaatst en geen aandacht schenkt aan Sadam's betoog betreffende de positie die zij, op zichzelf beschouwd, inneemt.

Dat er door de Italiaanse fabrikanten met hun klanten gelijke koopcontracten zijn afgesloten, wijst niet op afstemming. Unione heeft trouwens maar één door Sadam afgesloten contract overgelegd.

Voor het overige herhaalt Sadam enkele posita die reeds in haar eerdere memories te vinden zijn.

###### b) Générale sucrière, Say, Béghin, RT, Sucres et Denrées, Eridania, Industria degli zuccheri en Cavarzere:

###### Schending van de artikelen 38 en volgende van het Verdrag, van verordening nr. 26 en van verordening nr. 1009/67 en haar uitvoeringsverordeningen

(Vgl. ook supra, a, 1, aa, bbb en ccc en de desbetreffende uiteenzettingen, weergegeven onder a 2, 3, 4 en 5)

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

###### aa) De eerste uitzondering voorzien in artikel 2 van verordening nr. 26 (niet-toepasselijkheid van artikel 85 van het Verdrag op overeenkomsten enzovoort „die een wezenlijk bestanddeel uitmaken van een nationale marktorganisatie”)

Volgens Générale sucrière, Say, Béghin, Sucres et Denrées, Eridania en Industria degli zuccheri heeft de Commissie (vgl. beschikking, blz. 42, r. kol.) ten onrechte geweigerd de gewraakte handelwijze onder deze uitzondering te brengen — op grond dat de gemeenschappelijke ordening der markten „voor nationale marktordeningen geen plaats” zou hebben gelaten —. Het betoog dezer vennootschappen kan in grote trekken als volgt worden samengevat:

De Italiaanse regeling is een nationale marktordening, althans een „binnenlandse regeling van gelijke werking” in de zin van artikel 46 van het Verdrag, waarvan bedoelde handelwijze een noodzakelijke consequentie — en mitsdien een wezenlijk bestanddeel — uitmaakte, en wel zulks met name om de navolgende redenen:

Te zamen met de communautaire ordening is de Italiaanse ordening erop gericht om, ter verzekering van de werkgelegenheid en de levensstandaard der producenten, de markt te beheersen en te reguleren. Voorts strekt zij ertoe de distributie door de grote Italiaanse ondernemingen te doen controleren om te voorkomen dat de prijzen onder druk van con currerende buitenlandse producenten beneden de geregionaliseerde interventieprijs komen te liggen. Italië heeft zijn producenten vrijwel gedwongen hun importen te bundelen.

Die ordening omvat met name een douaneregeling of regeling van gelijke werking, een speciaal voor ingevoerde suiker geldende belastingregeling, de vaststelling van een maximumconsumentenprijs, een andere interventieprijs dan die welke in de andere Lid-Staten geldt, een steunregeling, een egalisatiekas ter bekostiging der steunmaatregelen en gefinancierd door de „sovrapprezzo”, een regeling voor de beperking en verdeling der importen en verevening van de transportkosten.

Voormelde maatregelen strekken ertoe „de Italiaanse suikereconomie geleidelijk te integreren in die van de Gemeenschap” (vgl. besluit nr. 1195 van het CIP, supra, I, 2, B, b).

Sucres et Denrées verzoekt het Hof over enkele door haar geformuleerde vragen als getuige te horen professor Albertario, voorheen directeur op het Italiaanse Ministerie van Land- en Bosbouw die met de zaken betreffende de invoer van suiker en de inschrijvingen belast en uit dien hoofde de aangewezen persoon is om zijn oordeel te geven over de doelstellingen van de Italiaanse overheid.

###### bb) De tweede uitzondering voorzien in artikel 2 van verordening nr. 26 (niet-toepasselijkheid van artikel 85 van het Verdrag op overeenkomsten, enzovoort „die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 39 van het Verdrag omschreven doelstellingen”)

Générale sucrière, Say, Béghin, RT, Sucres et Denrées, Eridania en Industria degli zuccheri achten de beide gronden die in de beschikking (blz. 43, 1. kol.) worden aangevoerd ten betoge dat die uitzondering niet van toepassing zou zijn, te weten „dat bedoelde … gedragingen … geenszins deelmaken van de … door de gemeenschappelijke ordening voorziene … middelen” — ter verzekering van de tewerkstelling en levensstandaard van de telers van suikerbieten en suikerriet van de Gemeenschap — en „voor een totaal verschillende doelstelling zijn aangewend”, onjuist. Het betoog der vennootschappen kan in grote trekken worden samengevat als volgt:

Volgens de zienswijze van de Commissie zou de hierbedoelde uitzonderingsbepaling nimmer kunnen worden toegepast. Zoals ook uit de letter van artikel 2 van verordening nr. 26 volgt, kan die uitzondering per definitie alleen gelden voor gedragingen die geen verband houden met de maatregelen voorzien in de communautaire ordening; een gedraging die uitsluitend ten doel zou hebben om de eerbiediging van die maatregelen af te dwingen, ware zinloos. De opvatting van de Commissie wordt ook gelogenstraft door de in de tweede volzin van genoemd artikel 2 bij wege van voorbeeld genoemde overeenkomsten, enzovoort van landbouwondernemers.

Volgens de derde overweging van de considerans van verordening nr. 26, waarin de draad van artikel 42 van het Verdrag weer wordt opgenomen, dienen de regels van artikel 85 slechts te worden toegepast voor zover die toepassing „geen belemmering vormt voor de werking van de nationale organisaties van de landbouwmarkten en de verwezenlijking, van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet in gevaar brengt”. Dat wil zeggen dat aan de doelstellingen omschreven in artikel 39 van het Verdrag ten opzichte van de zorg voor de mededinging de voorrang toekomt; die prioriteit ligt ook ten grondslag aan verordening nr. 1009/67 — en haar uitvoeringsverordeningen —, waarin de vrijheid der mededinging wordt beperkt.

Anders dan de bepalingen voor de andere economische sectoren, zijn de landbouwvoorschriften niet slechts op bescherming van de consument, maar ook van de producent gericht. De mededinging dient de consument niet een zo laag mogelijke prijs te bezorgen, doch „rede lijke prijzen” (artikel 39, lid 1, letter e) van het Verdrag). Anderzijds was, zoals in de beschikking (blz. 22, 1. kol.) ook is erkend, die redelijke prijs de richtprijs, die bij de hierbedoelde verkooptransacties overigens nooit werd bereikt; iedere maatregel waardoor de producenten worden gedwongen beneden die prijs te verkopen, is met het Verdrag in strijd.

Zelfs wanneer het er voor mocht worden gehouden — quod non — dat de Italiaanse ordening de mogelijkheid van een mededinging die tot prijsdaling kan leiden heeft opengelaten, zou zodanige mededinging toch in strijd zijn geweest met de doelstellingen van de Italiaanse ordening èn van artikel 39. Zij zou er namelijk toe geleid hebben dat er beneden de richtprijs en zelfs beneden de interventieprijs werd verkocht, en juist naar de bedoeling van de communautaire ordening zou de interventieprijs in ieder geval moeten worden bereikt, wilden de suikerfabrikanten in staat zijn aan de bietentelers de in die ordening voorziene minimumprijs te betalen.

De Italiaanse ordening — en derhalve ook de gewraakte gedragingen — hadden ten doel en tot gevolg de verzekering van de werkgelegenheid en de levensstandaard van de telers van suikerbieten en suikerriet — doelstellingen waarop in verordening nr. 1009/67 in het bijzonder de nadruk wordt gelegd —, de stabilisatie van de markt, de verzekering van een veilige en geregelde bevoorrading en redelijke prijzen, dat wil zeggen prijzen die niet beneden de geregionaliseerde interventieprijs en ook niet boven het door de Italiaanse overheid vastgestelde plafond komen te liggen; Industria degli Zuccheri betoogt nochtans dat de Italiaanse consumenten dank zij bedoelde gedragingen een prijs hebben betaald die, een korte periode uitgezonderd, de suikerindustrie slechts „een opbrengst gelijk aan of zelfs beneden … het communautaire minimum” heeft gelaten. Die gedragingen waren noodzakelijk om, in aanmerking genomen de verplichting tot redelijke verdeling van de levering der hoeveelheden die de Italiaanse overheid meent in ieder geval nodig te hebben, verslechtering van het aanbod” te voorkomen.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie betoogt dat de hierbedoelde uitzonderingen moeten worden bezien in samenhang met de communautaire ordening van de suikermarkt die

erop gericht is alle belemmeringen van het goederenverkeer binnen de gemeenschappelijke markt uit de weg te ruimen;

de ondernemingen de vrijheid heeft gelaten al dan niet gebruik te maken van de in die ordening voorziene garanties;

de mededinging in stand heeft gelaten, behoudens bepalingen betreffende de minimumprijs voor suikerbieten en de produktiequota.

###### ad 1., aa)

Uit de artikelen 43 en 45 van het Verdrag volgt dat de gemeenschappelijke marktordeningen voor de nationale marktorganisatie in de plaats komen. Het Hof heeft uitgesproken dat na de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke marktordening alleen de Gemeenschapsautoriteit kan beslissen over de voorlopige handhaving van enige nationale regeling inzake de betrokken produkten (arrest van 21 maart 1972, nr. 82/71, Openbaar Ministerie van de Italiaanse Republiek t. SAIL, Jurispr. 1972-1, blz. 119). De Gemeenschap heeft niet besloten de Italiaanse ordening na de inwerkingtreding van verordening nr. 1009/67 te handhaven; en reeds daarom mag die ordening niet als een nationale marktorganisatie worden beschouwd.

Bovendien blijkt uit de artikelen 39, 40 en 43 van het Verdrag dat er aan drie voorwaarden moet zijn voldaan, wil er van een nationale marktorganisatie worden gesproken:

Die ordening moet bestaan in een aantal voorschriften voor de verkoop van een bepaald landbouwprodukt in een Lid-Staat;

Zij moet garanties voor werkgelegenheid en levensstandaard van de betrokken producenten behelzen;

Daartoe moeten de afzet van het binnenlands produkt en de stabiliteit van het prijsniveau niet alleen tegen de gevolgen van de invoer beschermd en beveiligd zijn, doch ook tegen die van schommelingen van de produktie of van de binnenlandse vraag.

Aan de tweede en derde voorwaarde is in casu niet voldaan: de Italiaanse ordening beschermt de telers van suikerbieten niet tegen bedoelde gevolgen.

Een en ander geldt onafhankelijk van de vraag of de Italiaanse ordening met het Verdrag verenigbaar is. In ieder geval vinden de voornaamste bestanddelen dezer ordening hun grondslag in de gemeenschappelijke marktordening.

Het systeem van eenheidsprijzen betreft de consumentenprijzen, niet de produktieprijzen. Het biedt de consument een garantie, niet de producent.

De regeling inzake de verevening der transportkosten is sedert 1968 niet meer van kracht; het thans toegepaste vereveningsstelsel berust op het initiatief der Italiaanse fabrikanten.

De Italiaanse bepalingen dwingen niet tot concentratie van het aanbod.

De Italiaanse ordening liet concurrentiemogelijkheden bestaan (vgl. supra, a, 2, 4).

Zelfs al mochten de Italiaanse bepalingen op een nationale marktordening blijken neer te komen, dan nog maken de onderling afgestemde feitelijke gedragingen daarvan geen wezenlijk bestanddeel uit. Het is niet voldoende dat zij een noodzakelijk uitvloeisel van die bepalingen zijn (dat is trouwens ook niet het geval); zij moeten voor de werking dier voorschriften ook onmisbaar zijn, en aan die voorwaarde is niet voldaan. De Commissie wijst er met name op dat de Italiaanse ondernemingen individueel aan bod hadden kunnen komen en dat de Italiaanse regeling op zichzelf de Italiaanse markt niet tegen invoer vrijwaart.

###### ad 1., bb)

Wat betreft de tweede uitzondering die in verordening nr. 26 wordt voorzien: uit de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1009/67 blijkt dat zij alleen bedoeld is voor het geval dat de toepassing van artikel 85 van het Verdrag de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in gevaar zou brengen. De ter verwezenlijking van die doelstellingen nodige middelen zijn omschreven in verordening nr. 1009/67 en haar uitvoeringsverordeningen. De hierbedoelde gedragingen zijn daartoe geenszins onmisbaar; integendeel, het ermede beoogde doel, beperking der mededinging, druist tegen die doelstellingen in.

Het is niet juist te stellen dat het standpunt der Commissie ertoe zou leiden dat de hierbedoelde uitzonderingsbepaling nooit zou kunnen worden toegepast. De Commissie noemt enige gevallen waarin die uitzondering wel tot gelding zou kunnen komen.

Het betoog betreffende het niveau van de prijs waartegen betrokkenen in Italië verkochten, houdt een miskenning in van de aard der ten laste gelegde inbreuk. De beschikking betreft niet de gevolgen die de onderling afgestemde feitelijke gedragingen voor de prijzen hadden kunnen hebben, maar de afstemming betreffende de bescherming van de Italiaanse markt. De even boven de interventieprijs gelegen marktprijs bleek trouwens ook volgens verzoeksters zelf lonend te zijn.

De stelling dat de gewraakte gedragingen ten doel hadden de prijzen in Italië op het niveau van de geregionaliseerde interventieprijs te handhaven, houdt geen steek. Eigenlijk ligt de communautaire ordening zelf ten grondslag aan de garanties die aan de Italiaanse telers van suikerbieten en suikerriet zijn gegeven.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

###### Vooropmerkingen

Eridania en Industria degli zuccheri lezen de artikelen 42 en 43, lid 2 en lid 3, van het Verdrag aldus dat daarin een nauw verband wordt gelegd tussen de verwezenlijking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing der mededingingsvoorschriften, zodat de uitbreiding dier voorschriften tot de landbouwsector moest samenvallen met de invoering van dat beleid en met name met de vaststelling der basisverordeningen voor de verschillende landbouwsectoren. Zonder invoering van dat landbouwbeleid en vooral zonder dat de gemeenschappelijke marktordening voor de nationale organisaties in de plaats trad, kon de Raad geen last geven tot toepassing van de mededingingsregelen. Deze zienswijze vindt steun in artikel 38, lid 4, van het Verdrag.

Door verordening nr. 26 reeds vast te stellen in 1962, toen er voor de meeste landbouwprodukten nog geen gemeenschappelijke ordening in het leven was geroepen, heeft de Raad dan ook in strijd gehandeld met het beginsel van interdependentie tussen de invoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing der mededingingsvoorschriften in de landbouwsector, dat in de aangehaalde bepalingen besloten ligt. Ingevolge artikel 184 van het Verdrag zou verordening nr. 26 dus niet-toepasselijk moeten worden verklaard.

Men mag hiertegenover niet stellen dat de aanvankelijke ongeldigheid van verordening nr. 26 bij de inwerkingtreding van verordening nr. 1009/67 is gecorrigeerd; immers bij laatstgenoemde verordening is geen gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt in het leven geroepen.

Naast een definitieve regeling is er een overgangsregeling in het leven geroepen, die tot 1 juli 1975 van kracht zal blijven. In die overgangsregeling wordt de vrijheid van het intracommunautaire handelsverkeer sterk aan banden gelegd.

Met name het quotastelsel en de bijzondere bepalingen voor Italië strekken ertoe de door iedere Staat geproduceerde hoeveelheden — en per Staat de door iedere producent geproduceerde hoeveelheid — te bevriezen en uitbreiding van de produktie van suikerbieten en suiker te ontraden. Al deze bepalingen zijn in hoofdzaak bestemd om de verschillende nationale markten althans tot op zekere hoogte gescheiden te houden.

Blijkens artikel 43, lid 3, letter b) van het Verdrag kan een regeling slechts als een gemeenschappelijke marktordening worden aangemerkt wanneer zij „aan het handelsverkeer binnen de Gemeenschap analoge voorwaarden waarborgt als op een nationale markt bestaan”. Maar voormelde beperkingen van de suikerhandel binnen de Gemeenschap leiden er toe dat men zolang de overgangsbepalingen van verordening nr. 1009/67 van kracht zijn niet alom in de Gemeenschap van één enkele markt kan spreken. Dit wordt bevestigd door het feit dat er in Italië een nationale ordening van de suikermarkt bestaat (vgl. infra, ad 1, aa) en door artikel 22 van genoemde verordening waarin eerst de regeling van de artikelen 23 tot 33 als overgangsregeling wordt aangemerkt en vervolgens bepaald dat de definitieve regeling „geen enkele discriminatie tussen de producenten van de Gemeenschap” mag „inhouden”, waarmede dus wordt te kennen gegeven dat zulk een discriminatie wel in voormelde overgangsbepalingen besloten lag. En volgens artikel 40, lid 3, van het Verdrag moet de aldaar bedoelde gemeenschappelijke ordening „elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap uitsluiten”.

Kortom, de communautaire mededingingsregeling zou tijdens de overgangsperiode niet van toepassing zijn.

Cavarzere doet overwegingen gelden die met de hiervoor weergegevene veel overeenkomst vertonen en staaft haar betoog met talrijke vindplaatsen uit 's Hofs jurisprudentie, conclusies van de Advocaten-Generaal en uitlatingen van de Commissie of haar leden. Zij wijst er met name op dat de invoering van een gemeenschappelijk suikerbeleid is uitgesteld tot 1975, zodat er tot dan toe in zoverre geen gemeenschappelijke markt zou bestaan.

###### ad 1., aa)

De conclusies van repliek van de verzoeksters Générale sucrière, Say, Béghin, Sucres et Denrées, Eridania en Industria degli zuccheri kunnen in grote lijnen worden samengevat als volgt:

Volgens de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 1009/67 brengt „de totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt in de sector suiker de opheffing mee … van alle aan de binnengrenzen van de Gemeenschap voor het vrije verkeer van de betrokken produkten bestaande belemmeringen”. Waar zulke belemmeringen zijn blijven bestaan, is er dus geen gemeenschappelijke markt, doch een ander soort markt met een andere ordening, dat wil zeggen een nationale marktordening. Het is dan ook wel degelijk van belang of de Italiaanse ordening het vrije verkeer van goederen toelaat en derhalve met het Gemeenschapsrecht in overeenstemming is.

Het argument dat de Gemeenschap niet heeft besloten de Italiaanse ordening te „handhaven” snijdt geen hout; de bepalingen waarin die ordening is neergelegd zijn bijna allemaal van na 1 juli 1968.

De Commissie mag het niet doen voorkomen alsof deze ordening door het in het leven roepen van de gemeenschappelijke ordening zonder voorwerp is geraakt. Besluit nr. 1195 van het CIP beoogt „de Italiaanse suikereconomie geleidelijk in die van de Gemeenschap te integreren”, hetgeen aantoont dat het in Italië nog niet tot een gemeenschappelijke ordening is gekomen; verordening nr. 1009 bevestigt trouwens zelf dat het einddoel nog niet is bereikt. Wanneer de communautaire overheid de Italiaanse ordening heeft laten voortbestaan, kan daaraan slechts de beweegreden ten grondslag liggen dat die ordening als een nationale, althans als een daarmede gelijk te stellen, voorshands onmisbare marktorganisatie wordt beschouwd. Eridania en Industria degli zuccheri herinneren eraan dat verordening nr. 1009/67 huns inziens geen gemeenschappelijke marktordening bracht (zie supra, vooropmerkingen) en dus de mogelijkheid van nationale ordeningen heeft opengelaten. Bovendien blijkt uit artikel 43, lid 3, van het Verdrag dat de gemeenschappelijke ordening voor de nationale organisaties in de plaats kan — niet: moet — komen.

's Hofs arrest van 21 maart 1972 baat de Commissie niet. Volgens dat arrest kunnen een nationale marktorganisatie en een gemeenschappelijke marktordening naast elkaar bestaan. Overwogen wordt dat na de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke ordening „alleen de Gemeenschapsautoriteit \[kan\] beslissen over de voorlopige handhaving van enige nationale regeling voor de ordening, interventie of controle inzake de betrokken produkten”. Dat bewijst dat de coëxistentie van beide regelingen kan voortduren zolang de communautaire overheid niet anders beslist. Dat voor handhaving van een nationale organisatie een uitdrukkelijk besluit van de Gemeenschap nodig zou zijn, wordt in het arrest niet gezegd en ligt er al evenmin in besloten.

De Italiaanse ordening voldoet wel degelijk aan de drie voorwaarden waaraan volgens de Commissie moet zijn voldaan, wil er sprake zijn van een nationale marktorganisatie:

Zij behelst een aantal stringente voorschriften die voor Italië geschreven en dwingend van aard zijn;

Zij beperkt de invoer en de nationale vraag in samenhang met de nationale produktie en ter bescherming van de Italiaanse bietentelers;

De opbrengst van de „sovrapprezzo” wordt besteed aan steunmaatregelen die goeddeels aan die telers ten goede komen.

Men mag hiertegenover niet stellen dat de invoering van een eenheidsprijs en een maximumconsumentenprijs geen garan tie voor de levensstandaard en de werkgelegenheid van producenten en verwerkers van suikerbieten behelst. Deze regeling mag niet worden losgemaakt van de andere maatregelen van de Italiaanse overheid, met name niet van het stelsel der openbare inschrijvingen. Dit systeem is niet alleen maar bestemd om voor handhaving van de nationale produktie en een geregelde bevoorrading van de Italiaanse markt te zorgen — en daarmede indirect de levensstandaard en de werkgelegenheid van telers en verwerkers van suikerbieten te waarborgen —, maar ook om de telers en verwerkers rechtstreeks steun te verlenen. De eenheidsprijs voor de consument beschermt bedoelde ondernemers tegen de wisselvalligheid van de markt, stelt hen tot het maken van prognoses in staat en voorkomt dat zij door de afgelegenheid van hun bedrijven in het nadeel geraken. Ook waarborgt het de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard en maakt het marktstabilisatie mogelijk.

In dezelfde gedachtengang menen deze verzoeksters erop te moeten wijzen dat de hierbedoelde ordening:

de bietentelers hogere minimumprijzen dan in de andere Lid-Staten gelden waarborgt — zulks als gevolg van een hogere interventieprijs en de steunmaatregelen waartoe de Italiaanse Regering gemachtigd is —;

de afzet van de nationale produktie heeft verzekerd en wel via de tot 1 januari 1973 op ingevoerde suiker toegepaste vereveningsheffing van 3,6 % (wet nr. 570 van 31 juli 1954) en het systeem van openbare inschrijvingen dat controle op — en beperking van — de invoer mogelijk maakte, waardoor kon worden verhinderd dat buitenslands onder normale marktcondities verrichte aankopen verwarring stichtten op de nationale markt.

Het doet niet ter zake of de communautaire voorschriften onder de regelen voor de Italiaanse markt de belangrijkste plaats innemen. In zijn arrest van 13 november 1964 (gevoegde zaken 90 en 91-63, Commisssie t. Luxemburg en België, Jurispr. 1964,' blz. 1279) heeft het Hof uitgesproken dat een nationale marktorganisatie „een geheel van instellingen en wettelijke regelingen” vormt „waarmede het bevoegde gezag tracht de markt te controleren en te beheersen”. Een dergelijk „geheel” kan zeer wel bestaan uit alleen voor een bepaalde Lid-Staat geldende communautaire regelen en nationale voorschriften; te meer wanneer, zoals in casu, de nationale voorschriften voorgaan bij de communautaire regelen en samen met die regelen bijdragen tot het isolement van de betrokken markt.

Sucres et Denrées voegt hieraan toe dat het voor het bestaan van een nationale marktorganisatie als hierbedoeld niet nodig is dat communautaire en nationale regelen zich niet met elkaar verdragen.

De communautaire en de Italiaanse ordening hebben beide ten doel om, wat suiker betreft, het goederenverkeer en de prijs te beheersen door een geheel van bepalingen die bescherming aan de grenzen behelzen. Het is dus niet logisch de ene regeling wel en de andere niet als marktordening te erkennen.

Het bestaan van een nationale marktorganisatie komt niet in de uitvoerigheid van de desbetreffende bepalingen, doch in hun aard en werking tot uitdrukking.

Met name bij de steunmaatregelen waartoe de ordening van de Gemeenschap heeft gemachtigd, dient niet te worden vergeten dat het ter discretie van de Italiaanse Regering staat om te beslissen of er ook toe zal worden overgegaan.

Wanneer zij betoogt dat het Italiaanse stelsel van eenheidsprijzen de consumentenprijzen en niet de producentenprijzen betreft, ziet de Commissie er aan voorbij dat unificatie van eerstgenoemde prijzen in laatstgenoemde prijzen doorwerkt.

Dat de verevening der transportkosten thans berust op het initiatief der Italiaanse fabrikanten neemt niet weg dat zij ter beantwoording van de vraag of er sprake is van een nationale marktordening toch in aanmerking moet worden genomen, te meer omdat er met stilzwijgende toe stemming van de Italiaanse Regering toe werd overgegaan.

De gewraakte handelingen waren voor de goede werking van het Italiaanse stelsel noodzakelijk. Doch dat geeft niet eens de doorslag. Wil een gedraging een wezenlijk bestanddeel van een nationale marktorganisatie uitmaken, dan moet de betrokken Lid-Staat aan die gedraging zijn zegel hebben gehecht (die gedraging hebben „geratificeerd”) dan wel er moet een oorzakelijke samenhang tussen de organisatie en de gedraging bestaan. Het is niet reëel bovendien te verlangen dat de gedraging voor de goede werking van de organisatie onontbeerlijk is — die werking wordt in ieder geval door de overheid geregeld — De onmisbaarheid van genoemde gedragingen, althans de oorzakelijke samenhang tussen de Italiaanse ordening en die gedraging, blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden:

Bedoelde ordening heeft concentratie van de vraag ten doel en tot gevolg; de door de Italiaanse overheid aangemoedigde of op zijn minst goedgekeurde concentratie was er het onvermijdelijk gevolg van.

Om aan de inschrijvingen te kunnen deelnemen en de voor de nationale markt voorgeschreven verkoopprijs te kunnen inachtnemen moesten de fabrikanten-importeurs beschikken over vaste offertes — met redelijke prijs — van de buitenlandse fabrikanten. Er moest dus worden onderhandeld over grote hoeveelheden en een zodanige verlaging van de „sovrapprezzo” worden aangeboden dat het verschil tussen de kosten van importsuiker en de verkoopprijs op de nationale markt werd gedekt. Dat de geboden verlagingen van de „sovrapprezzo” dezelfde waren, was een noodzakelijk gevolg van het feit dat de Ccz een „prezzo congruo” vaststelde die voor de importeur maar een kleine winstmarge overliet.

Voor de verkopen van fabrikant aan fabrikant waren de omvang van de hoeveelheden waarvoor kon worden ingeschreven en van de te bieden financiële garanties bepalend.

Op wens van de Italiaanse overheid moest de suikerprijs in Italië uniform en onveranderlijk zijn. De suiker moest terechtkomen bij een klein aantal grote ondernemingen die gezamenlijk in dezelfde richting koersten; dit leidde tot het systeem der inschrijvingen — met centralisatie van de vraag die namens alle fabrikanten door één dezelfde tussenpersoon zou worden gedaan —.

Dat de suiker op dezelfde voorwaarden werd wederverkocht was alleen maar een consequentie van de starre regeling die de fabrikanten werd opgelegd.

De belasting genaamd „IGE” bedroeg bij suikerverkoop aan de groothandel 5 % en bij verkoop aan gebruikers 2,3 %. De Italiaanse wetgeving begunstigt dus de vanouds door de Italiaanse fabrikanten vervulde handelaarsfunctie.

Dat er met de klanten contracten werden afgesloten volgens welke de leveranciers mochten worden vervangen, was de consequentie van het systeem van inschrijvingen. Die clausule was bedoeld om een geregelde bevoorrading te garanderen, met name aan de kleinverbruikers, die onregelmatig beperkte hoeveelheden bij de suikerfabrikanten plachten af te nemen. De gebruikers, weinig in de herkomst van het produkt geïnteresseerd, vroegen er zelfs om; anderzijds was de clausule onontbeerlijk voor de fabrikanten, die ook wanneer het produkt toevallig niet voorradig was tot de beloofde leveringen verplicht waren.

Een eenheidsbedrag voor de transportkosten werd nodig door de oplegging van een enkele prijs voor het hele Italiaanse grondgebied; het was een der factoren die de kas in de „prezzo congruo” verdisconteerde.

Een zekere mogelijkheid tot concurrentie is met het bestaan ener marktorganisatie niet onverenigbaar; de Commissie zegt zelf dat het in de lijn lag van de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt ruimte voor de mededinging te laten.

Cavarzere voert soortgelijke argumenten aan als de andere ondernemingen. Zij voegt daaraan toe dat wie weten wil of er sprake van een nationale marktordening is, dient na te gaan of er beperkingen zijn gesteld aan het vrije verkeer van goederen en of de betrokken regeling het handelsverkeer eendere condities biedt als uit de communautaire ordening voortvloeien. Men zou het er voor kunnen houden dat de toepassing der communautaire mededingingsregelen in casu, wat de voorziening van gebruikers betreft, de goede werking van de Italiaanse organisatie niet belemmerde; het is echter anders wanneer het om de voorziening van alle consumenten en om het dekken van de volledige nationale behoefte gaat. In zoverre maakte de werkzaamheid der suikerfabrieken een wezenlijk bestanddeel uit van de Italiaanse organisatie; zij opende de mogelijkheid gunstiger prijzen te bedingen en schiep de kans op toewijzing van de bij opbod verkochte contingenten.

Dat de litigieuze gedragingen nauw met de Italiaanse organisatie in verband staan, blijkt ook uit de datum waarop daarmede volgens de Commissie is aangevangen, namelijk aanstonds bij de aanvang van het systeem dat voor importsuiker verlaging van de „sovrapprezzo” mogelijk maakte.

Alleen de toewijzing van belangrijke contingenten aan de fabrikanten-importeurs en niet de rechtstreeks door de gebruikers verrichte importen verzekerden een stabiele binnenlandse prijs en een geregelde bevoorrading van alle regio's van het Italiaanse schiereiland.

###### ad 1., bb)

RT volstaat met de verklaring dat zij bij de posita van haar verzoekschrift volhardt. De argumenten van Générale sucrière, Say, Béghin, Sucres et Denrées, Eridania en Industria degli zuccheri kun nen in grote lijnen worden samengevat als volgt:

De stelling dat de gewraakte gedragingen niet op verzekering van de werkgelegenheid en levensstandaard der producenten gericht waren, is moeilijk te rijmen met de beginselen van de communautaire ordening, zoals de Commissie die zelf opvat, en met name nauwelijks verenigbaar met het feit dat de interventieprijs — meestal dicht benaderd door de marktprijs, die soms ook iets lager kwam te liggen — de grondslag vormt van de minimumprijs voor suikerbieten.

Uit artikel 42 van het Verdrag en de overwegingen van de considerans van verordening nr. 26 volgt dat de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag voorgaan bij de zorg voor instandhouding der mededinging.

Blijkens artikel 40, lid 3, van het'Verdrag behoeft de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten niet per se alle maatregelen te omvatten die ter bereiking van de doelstellingen van artikel 39 noodzakelijk zijn. Het voeren van het gemeenschappelijk beleid valt niet noodzakelijkerwijs met het nastreven van al die doelstellingen samen en men dient daarom ter beantwoording van de vraag of een gedraging ter verwezenlijking van de in artikel 39 omschreven doelstellingen noodzakelijk is rechtstreeks met die doelstellingen te rade te gaan en niet met de handelingen der instellingen. Het is in casu bij voorbeeld twijfelachtig of verordening nr. 1009/67 op grotere produktiviteit in de landbouw gericht is. Het is best mogelijk dat overeenkomsten of gedragingen waarmede men bepaalde in artikel 39 omschreven doeleinden nastreeft, toch niet in overeenstemming zijn met de beginselen die besloten liggen in de communautaire verordeningen tot invoering van het gemeenschappelijk beleid, die namelijk op weer andere doelstellingen gericht kunnen zijn. Eveneens is denkbaar dat sommige van de onderhavige doeleinden beter kunnen worden bereikt langs de weg van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen. De gewraakte gedragingen waren noodzakelijk ter verwezenlijking van minstens twee der in artikel 39 genoemde doelstellingen, te weten stabilisatie der markten (vgl. supra, ad 1 aa) en verzekering der bevoorrading; deze laatste werd gewaarborgd met behulp van het beding dat een deel der leveringen door een andere producent mocht geschieden alsook door overleg bij de aankoop van de hoeveelheden die tot dekking van de nationale behoefte nodig waren.

Betreft de onderhavige grief, zoals de Commissie heeft verklaard, niet de prijzen op de Italiaanse markt, dan wil dat zeggen dat zij de mededinging die zich haars inziens op die markt had moeten voordoen, „in abstracto”, los van haar mogelijke consequenties beschouwt. Wanneer het Verdrag echter gedragingen die de mededinging beperken verbiedt, gaat het erom dat de ondernemingen goedkoper zullen verkopen. Wie toegeeft dat de gewraakte gedragingen geen uitwerking op het prijsniveau in Italië hebben gehad, erkent dat de Italiaanse ordening geen echte concurrentie gedoogt.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van dupliek

###### ad 3., vooropmerkingen

De Commissie antwoordt dat het tegen letter en geest van artikel 42 van het Verdrag indruist om enerzijds de mededingingsregelen en anderzijds het gemeenschappelijk landbouwbeleid met inbegrip van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten als verschillende zaken te beschouwen. Integendeel, genoemd artikel maakt de toepassing der mededingingsregelen tot bestanddeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Dat betekent dat iedere discussie over de vraag of de toepassing van die voorschriften aan de uitvoering van het landbouwbeleid moet voorafgaan dan wel daarop moet volgen of ermede gepaard dient te gaan, op onjuiste premissen berust. De Raad kon reeds in 1962 terecht overwegen dat „bepaalde regels betreffende de mededinging terstond van toe passing dienen te worden verklaard op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten, om een einde te maken aan gedragingen die met de beginselen van de gemeenschappelijke markt in strijd zijn en de verwezenlijking van de bij artikel 39 van het Verdrag gestelde doeleinden schaden, alsmede om de gegevens te verzamelen die nodig zijn om later een aan de ontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid aangepast mededingsregime tot stand te brengen” (verordening nr. 26, tweede overweging).

De bij verordening nr. 1009/67 in het leven geroepen regeling behelst wel degelijk een gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt. Zij ruimt tijdelijke hinderpalen op de weg naar volledige verwezenlijking van één enkele markt niet aanstonds op, maar de artikelen 39 en volgende van het Verdrag bedoelen ook niet dat die ene markt volledig zou moeten zijn verwezenlijkt, wil er van een gemeenschappelijke marktordening worden gesproken. Integendeel, in artikel 39 wordt met zoveel woorden bepaald dat „bij het tot stand brengen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zal rekening worden gehouden met: de noodzaak, de dienstige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen”. — Voorts is de overgangsregeling die bij verordening nr. 1009/67 is ingevoerd, niet „discriminerend”. Wanneer die verordening voor verschillende situaties een verschillende behandeling in petto heeft, is het maken van zodanig onderscheid geenszins willekeurig doch wegens het feit dat de situaties niet vergelijkbaar zijn, juist op zijn plaats. — Ten slotte: de aan Italië gelaten mogelijkheid om — binnen de grenzen van verordening nr. 1009/67 — steunmaatregelen te nemen, moet worden bezien vanuit de gezichtshoek van de geleidelijke aanpassing aan de voorwaarden der gemeenschappelijke markt.

###### ad 1., aa)

Zelfs wanneer het er voor zou moeten worden gehouden dat sommige bepalingen van de Italiaanse regeling aan het intracommunautaire handelsverkeer in de weg kunnen staan, dan is daarmede volgens de Commissie het bestaan van een nationale marktorganisatie nog niet bewezen.

Uit artikel 43, lid 3, van het Verdrag volgt dat wanneer de aldaar onder a) en b) omschreven voorwaarden zijn vervuld, de gemeenschappelijke ordening wordt geacht voor de nationale ordeningen in de plaats te zijn gekomen. Dat is in casu het geval. De Italiaanse regeling kan dus niet als een nationale marktorganisatie worden beschouwd; de Commissie heeft haar in ieder geval niet als zodanig erkend. Zodanige erkenning zou ook niet besloten liggen in een actie die de Commissie krachtens artikel 169 tegen de Italiaanse Staat mocht menen te moeten inleiden.

Het is niet waar dat de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt en de Italiaanse organisatie hetzelfde beogen. Dit zou trouwens in tegenspraak zijn met de posita van sommige verzoeksters, die deze organisatie met het Gemeenschapsrecht in strijd achten.

Het ontbreken van een nationale marktorganisatie blijkt ook uit het feit dat Italië de invoer van suiker uit de Gemeenschap heeft begunstigd ofschoon het er alle belang bij kon hebben zich te bevoorraden op de wereldmarkt, waar de suikerprijs destijds aanmerkelijk lager was dan in de Gemeenschap.

Verzoeksters kunnen al evenmin een argument ontlenen aan de invoering van de „sovrapprezzo” die, grosso modo, de invoer bevorderde en niet belette.

De garanties voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de Italiaanse bietentelers (hogere geregionaliseerde interventieprijs; steunmaatregelen) vinden hun grondslag in de communautaire voorschriften en maken dus deel uit van de gemeenschappelijke marktordening.

De Commissie herhaalt de stelling dat er slechts van een nationale marktorganisatie kan worden gesproken wanneer het betrokken systeem erop uit is de afzet van de nationale produktie en de stabiliteit van het prijsniveau ook te bescher men tegen schommelingen in de produktie of de nationale vraag. En om door de Commissie gedetailleerd uiteengezette redenen zou geen der door verzoeksters bedoelde bestanddelen van de Italiaanse regeling aan die voorwaarde voldoen. In ieder geval maken de gewraakte gedragingen niet een „wezenlijk bestanddeel” van de Italiaanse regeling uit: men kan niet volhouden dat er anders geen suiker naar Italië zou zijn geëxporteerd. Verzoeksters zien er voorts aan voorbij dat die regeling in ieder geval geen concentratie van het aanbod — „dat haar eigenlijk geheel ontsnapte” voorzag. — Voorts was het zo dat het stelsel van openbare inschrijvingen naar de bedoeling van de Italiaanse wetgever „strijd tussen concurrenten” behelsde, terwijl verzoeksters juist voor een „eenheidsfront van niet-concurrenten” hebben gezorgd. En ten slotte is moeilijk in te zien waarom wederverkoop van importsuiker op gelijkluidende — en voor kopers en verbruikers bijzonder ongunstige — condities een onmisbaar element van een stelsel van vaste consumentenprijzen zou zijn.

ad 1., bb)

###### De doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag worden uitsluitend bereikt dank zij de communautaire ordening waarin de nodige waarborgen voor de werkgelegenheid en de levensstandaard der bietentelers worden gegeven. De onderhavige gedragingen gingen tegen die doelstellingen in: zij waren er op gericht de markten af te schermen, de bevoorrading van de gebruikers te bemoeilijken, de mededinging te beperken en op de prijzen een opslag toe te passen.

Men mag niet zeggen dat het tegen het beleid bedoeld in artikel 39 ingaat wanneer de mededinging wordt gebruikt om de verkoopprijs beneden de richtprijs te houden. Wanneer de suikerprijs sedert de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke marktorganisatie steeds beneden de richtprijs is gebleven, staat dat in verband met het feit dat er in de Gemeenschap overschotten bestaan en niet

met de toepassing van de mededingingsregelen van het Verdrag, waarvan de bestreden beschikking, genomen meer dan vier jaar na bedoelde inwerkingtreding, het eerste voorbeeld oplevert.

###### 5. Discussie tussen interveniënte en partijen in het hoofdgeding

Unione — en dus ook verzoeksters in het hoofdgeding in hun antwoord op Unione's memorie — bepalen alleen hun standpunt ten aanzien van de vraag of de eerste van de beide in verordening nr. 26 voorziene uitzonderingen (vgl. supra, 1, aa, en de desbetreffende afdelingen van de hoofdstukken 2 tot 4) ten deze toepasselijk is.

Unione maakt het betoog van de Commissie in hoofdzaak tot het hare. Voorts geeft zij een gedetailleerde uiteenzetting betreffende de feiten en omstandigheden waaruit zou blijken dat de Italiaanse ordening met het Verdrag in strijd is (vgl. ten deze voor de uiteenzetting van Unione en verzoeksters in het hoofdgeding: supra, a, 5., ad 1, aa, ccc). Zij voegt hieraan toe dat verordening nr. 26 niet in die zin mag worden verstaan dat de op een aantal niet rechtsgeldige nationale maatregelen berustende ondernemersafspraken daarin zouden worden toegelaten.

Générale Sucrière, Say en Sucres et Denrées merken in grote lijnen op dat door de argumenten die Unione terecht aanvoert ten betoge dat het Italiaanse stelsel onrechtmatig is, tevens wordt aangetoond dat dat stelsel een — met het oog op de plaatselijke omstandigheden misschien wel onmisbare — nationale marktorganisatie behelst. Dat de Commissie tegen Italië geen actie ex artikel 169 van het Verdrag heeft ingesteld, komt er op neer dat die organisatie stilzwijgend is gehandhaafd.

Cavarzere wijst erop dat door het bestaan — en de aard — van de Italiaanse regeling, met name wat de contingentering van de invoer en het stelsel van steunmaatregelen betreft, wordt aangetoond dat verordening nr. 1009/67 geen echte gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt heeft gebracht.

Industria degli zuccheri betoogt dat de Italiaanse Regering heeft gemeend „onder de schutse van artikel 34 van verordening nr. 1009/67 een wettelijke regeling van gelijke werking als een marktorganisatie” te kunnen handhaven, „om het even hoe men haar zou willen definiëren”. — Uit de overwegingen van de considerans van de besluiten van het CIP blijkt dat de Italiaanse overheid voor ogen heeft gestaan de Italiaanse markt los te maken van de markt van de Gemeenschap, dat wil zeggen voor de duur van de overgangsperiode de gevolgen die hadden kunnen intreden wanneer de invoer niet gecontingenteerd of aan openbare inschrijvingen gebonden was geweest, heeft willen uitschakelen.

In artikel 34 van verordening nr. 1009/67 wordt een nationale marktorganisatie of een gelijkwaardige regeling geoorloofd verklaard. Voor een nationale marktorganisatie is het voldoende dat de nationale overheid op de markt voor het betrokken produkt bevoegdheden uitoefent die bedoelde markt ten opzichte van die in de andere landen van de Gemeenschap differentiëren. Het doet er weinig toe of die bevoegdheden alleen op het Gemeenschapsrecht berusten dan wel tevens uit nationale voorschriften voortvloeien.

Verordening nr. 1009/67 heeft alleen maar ten doel voor de definitieve periode de komst van een gemeenschappelijke ordening voor te bereiden. De Italiaanse regeling gedoogt niet het vrije verkeer van goederen dat volgens artikel 43, lid 3, de noodzakelijke voorwaarde voor een gemeenschappelijke ordening der markten is.

Eridania betoogt met name dat de term „nationale marktorganisatie” in het Verdrag en in verordening nr. 26 meer een economische dan een juridische inhoud dekt, terwijl niet ter zake doet of de bedoelde maatregelen al dan niet onverenigbaar met de communautaire ordening zijn.

##### 2. De grief behelzende een afstemming van gedrag ter afscherming van de Nederlandse markt — SU, CSM, RT en Pfeifer & Langen —

###### A — In limine litis opgeworpen middel: SU zou vóór 2 januari 1971 geen onderneming in de zin van de artikelen 85 en 86 zijn geweest

###### a) Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

SU betoogt dat zij, na op 16 juli 1970 te zijn opgericht, haar bedrijf heeft aangevangen op 2 januari 1971; zij kan dus niet „sedert het verkoopseizoen 1968/1969” inbreuken hebben gepleegd. Er bestond wel een coöperatieve vereniging „Suiker Unie” UA, die op 12 augustus 1966 door enige coöperatieve suikerfabrieken was opgericht met het oog op de coördinatie van de bedrijfsuitoefening harer leden — die nochtans zelf met de verkoop van hun produkten bleven belast —. Deze coöperatieve vereniging is echter — nadat haar naam inmiddels op 16 juli 1970 was gewijzigd in „Suiker Unie Beheer” UA — op 1 juni 1971 ontbonden; per 2 januari 1971 had zij haar activiteiten beëindigd. Overdracht van bedrijf („fonds de commerce”) of bedrijfsmiddelen aan „Suiker Unie Beheer” heeft niet plaatsgehad.

Overdracht van een bedrijf onder algemene titel is in het Nederlandse recht trouwens onbekend.

Door aan SU een geldboete op te leggen heeft de Commissie derhalve verordening nr. 17 van de Raad, en wel met name artikel 15, lid 2, geschonden.

###### b) Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie zegt voor antwoord dat in het jaarverslag 1969/1970 van de Cooperatieve Vereniging Suiker Unie Beheer UA het volgende is te lezen:

„Het bestuur van Suiker Unie biedt U hierbij zijn verslag aan en dat van de directie over een periode van vijftien maanden, namelijk van 1 oktober 1969 tot en met 31 december 1970. In deze periode viel de eindfase van de fusie tussen de vier coöperatieve suikeronderne mingen in Nederland. Deze verenigingen richtten in 1966 de coöperatieve vereniging Suiker Unie als topcoöperatie op. In deze eerste opzet bleven de bietentelers lid van één of meer van de samenwerkende verenigingen. Publiekelijk werd als einddoel gesteld om binnen een beperkt aantal jaren de topcoöperatie te vervangen door een vereniging met direct lidmaatschap van individuele bietentelers. Aan dit voornemen kon in de verslagperiode uitvoering worden gegeven. De topcoöperatie Suiker Unie veranderde daarbij haar naam in Coöperatieve Vereniging Suiker Unie Beheer UA”.

In een rapport van de Coöperatieve Vereniging Suiker Unie UA staat te lezen:

„Het U hierbij aangeboden verslag betreft het eerste boekjaar van de op 16 juli 1970 te Rotterdam opgerichte Coöperatieve Vereniging Suiker Unie UA; het omvat de periode 16 juli 1970 tot en met 30 juni 1971. In deze periode verkreeg Suiker Unie door een omwisselingsaanbod alle aandelen van de in de Coöperatieve Vereniging Suiker Unie Beheer samenwerkende coöperatieve verenigingen. Deze verenigingen traden op 31 december 1970 in liquidatie en droegen bij notariële akte van 28 mei 1971 alle bezittingen en schulden over aan Suiker Unie. Hiermede werd de in 1966 aangevangen fusie van de coöperatieve suikerondernemingen voltooid”.

In het maandblad „Suiker Unie” wordt deze ontwikkeling als volgt geschetst:

„De coöperatieve vereniging Suiker unie heeft met ingang van 1 januari 1971 alle rechten en verplichtingen van de vier werkcoöperaties overgenomen.”

Onder de benaming Suiker Unie zijn dus steeds dezelfde bedrijven, grotendeels geleid door dezelfde personen en hun zetel houdend op hetzelfde adres, begrepen. De wijziging van rechtsvorm vermag SU dus niet te doen ontkomen aan de verantwoordelijkheid voor daden die door haar rechtsvoorgang(st)er, Suiker Unie Beheer UA zouden zijn begaan.

###### c) Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

SU merkt op dat in de beschikking, volgens welke zij zelf de gewraakte gedragingen zou hebben begaan, feitelijk onjuiste vaststellingen worden gedaan; in ieder geval is zij onvoldoende gemotiveerd. Het is niet juist „Suiker Unie Beheer” als „rechtsvoorganger” van verzoekster te beschouwen.

Gesteld al dat SU wèl alle rechten en verplichtingen van „Suiker Unie Beheer” zou hebben overgenomen, dan nog zou zij voor gedragingen van deze laatste niet aansprakelijk zijn. Want de verplichtingen die uit de beschikking zijn voortgevloeid zijn niet — voordat haar liquidatie was beëindigd — in hoofde van Suiker Unie Beheer ontstaan, doch volgens de beschikking direct in hoofde van Suiker Unie zelf.

###### d) Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie betoogt dat het Gemeenschapsrecht op de economische realiteit der dingen „afstelt”; de opeenvolgende wijzigingen van de rechtsvorm der bij de onderling afgestemde feitelijke gedraging betrokken ondernemingen zijn dus irrelevant.

###### B — Middelen van formele en processuele aard

###### a) SU, CSM en Pfeifer & Langen: schending van het „fair trial”-beginsel door voortijdige publikaties

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

SU, CSM en Pfeifer & Langen verwijten de Commissie het „fair trial”-beginsel te hebben geschonden door publiekelijk verklaringen af te leggen volgens welke de overtredingen van verzoeksters zouden vaststaan, en wel zulks op een tijdstip waarop zij nog niet eens hun standpunt hadden kunnen bepalen. CSM en Pfeifer & Langen wijzen er met name op dat de Commissie op 24 juli 1972 een perscommuniqué heeft uitgegeven — en dat de heer Borschette toen een persconferentie heeft gehouden —, terwijl zij van de tegen hen ingebrachte punten van bezwaar pas op 26 c.q. 27 juli op de hoogte werden gesteld. De Commissie was derhalve bij het nemen van haar beschikking niet meer in staat de feiten en de door verzoeksters voorgedragen argumenten geheel onbevangen te beoordelen.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie zegt voor antwoord dat haar verklaringen aan de pers haar beslissingen, die in onbevangenheid en na zorgvuldige bestudering der tegenargumenten zijn genomen, in genen dele hebben beïnvloed. De objectiviteit van haar beslissing blijkt wel uit het feit dat zij, na belanghebbenden te hebben gehoord, van oplegging van geldboeten aan sommigen hunner heeft afgezien en haar opvatting op een punt van beslissend belang, namelijk met betrekking tot het bewijs van een onderling afgestemde feitelijke gedraging van alle suikerfabrikanten in de Gemeenschap, heeft gewijzigd.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

SU acht de bewering dat de verklaringen aan de pers de uiteindelijke beslissing van de Commissie niet hebben beïnvloed, irreëel.

CSM betoogt dat uit de door de Commissie gedane mededeling aan de pers niet kon worden opgemaakt dat er van een voorlopige mening sprake zou zijn; zij noemde de zaak glashelder („claire comme de l'eau de roche”).

Pfeifer & Langen voegt hieraan toe dat alle ontwikkelde rechtsstelsels de regel kennen dat een rechter aan nog lopende zaken geen ruchtbaarheid geeft — op straffe van wraking wegens vooringenomenheid —

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van dupliek

De Commissie betoogt dat het enige substantiële verschil tussen de mededeling van de punten van bezwaar en de beschikking daarin bestaat dat in de beschikking niet langer wordt vastgehouden aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging van de gehele suikerindustrie van de Gemeenschap, doch wordt uitgegaan van een aantal „ondercomplexen”.

Het middel van Pfeifer & Langen is overigens niet op schending van wezenlijke vormvoorschriften gebaseerd; het betreft schending van een rechtsregel welke deze verzoekster heeft gemeend niet nader behoeven te omschrijven.

###### b) SU, CSM en Pfeifer & Langen: te korte termijnen voor het indienen van opmerkingen

###### 1. Samenvatting van de inhoud van de verzoekschriften

SU, CSM en Pfeifer & Langen betogen dat de Commissie door de termijn ex artikel 2, lid 4, van verordening nr. 99/63 op twee maanden te bepalen het beginsel van artikel 11 dier verordening, volgens hetwelk belanghebbende de nodige tijd moet worden gelaten, heeft geschonden. Een termijn van twee maanden was te kort: de Commissie heeft voor haar onderzoek twee à drie jaren genomen en bovendien viel de termijn gedeeltelijk in de vakantie. Door SU en CSM gedane verzoeken om verlenging zijn niet ingewilligd.

SU beklaagt er zich over dat de Commissie niet, zoals in de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 99/73 wordt aangenomen, in de loop van het onderzoek „veelvuldige betrekkingen” met haar heeft onderhouden en haar vóór de betekening van de mededeling nimmer heeft gehoord.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie zegt voor antwoord dat het in de administratieve procedure ging om het eigen gedrag der verzoeksters dat bij hen bekend mag worden verondersteld; een termijn van twee maanden was daarom ruim voldoende. Om de gegevens te verzamelen op grond waarvan de punten van bezwaar tegen een groot aantal ondernemingen konden worden ingesteld was veel meer tijd nodig dan iedere onderneming behoefde om haar opmerkingen over de uitkomsten van het onderzoek in te dienen. CSM heeft trouwens de beschikking gehad over een nieuwe termijn van drie weken om nadere aanvullende opmerkingen te kunnen voorbereiden.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

SU beschouwt het antwoord der Commissie als een demonstratie van de gedachtengang dat haar beschuldiging a priori voor waar gehouden moet worden.

SU voegt hieraan toe dat de mededeling volgens haar eigen bewoordingen helemaal niet het eigen gedrag van verzoekster betrof, doch dat van „de producenten, handelaren en verbruikers van suiker in de EEG” en 83 bladzijden „achtergrond” bevatte die met SU's feitelijk gedrag niets van doen hebben. Bovendien houdt het argument van de Commissie een ontkenning in van het recht van verzoekster de rechtskundige opvattingen der Commissie te weerspreken.

CSM acht het antwoord der Commissie waarin gezegd wordt dat het gedrag van verzoeksters aan henzelf bekend was onlogisch, immers dat gedrag was juist in geschil.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek 40/73

De Commissie meent dat SU zich al te zeer beklaagt over gebrek aan tijd. SU's antwoord op de punten van bezwaar verschilt in kwalitatief en kwantitatief opzicht nauwelijks van hetgeen verzoekster ten processe voor het Hof heeft betoogd.

###### c) Pfeifer & Langen: schending van het recht over de betrokken feiten te worden gehoord

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Pfeifer & Langen beklaagt er zich over dat in de mededeling niet nauwkeurig is onderscheiden tussen de uiteenzetting der feiten en de overwegingen van de Commissie, waardoor zij niet in de gelegenheid is geweest om voor zoveel nodig haar standpunt te bepalen met betrekking tot de feiten waarop de Commissie haar opvatting heeft gebaseerd. De vennootschap geeft de volgende voorbeelden:

de Commissie heeft beweerd (blz. 103 en 104) dat de verkopen van Pfeifer & Langen werden vastgesteld en gecoördineerd door WZV en dat er zonder goedvinden van WZV van intracommunautaire leveranties geen sprake kon zijn. Deze bewering vindt echter nergens steun in de feiten; in werkelijkheid ondervond Pfeifer & Langen bij haar verkoopmogelijkheden geen enkele beperking;

de Commissie heeft gesteld (blz. 113) dat de fabrikanten zonder leveringen van fabrikant aan fabrikant hun produkten individueel zouden wederverkopen; de afstanden zouden daaraan niet in de weg staan, omdat zich veelal gunstige vervoermogelijkheden zouden voordoen („retourvracht”). De Commmssie (vgl. beschikking, blz. 36, 1. kol.) heeft deze — niet steekhoudende — bewering niet met feiten gestaafd.

Verre van acht te slaan op verzoeksters bedenkingen heeft men in de beschikking deze beweringen in nog algemener vorm herhaald.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie zegt voor antwoord dat dit middel vooral een betwisting der door de Commissie aangenomen feiten behelst en in zoverre de zaak ten princi pale betreft. Volgens 's Hofs jurisprudentie is de Commissie niet gehouden in de redengeving van een beschikking alle argumenten van belanghebbenden te weerleggen.

###### d) Pfeifer & Langen: schending van artikel 4 van verordening nr. 99/63

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Pfeifer & Langen betoogt dat in de beschikking punten van bezwaar voorkomen die aan haar niet waren medegedeeld en daarin dus niet rechtsgeldig mochten worden opgenomen. Het gaat hier om het verwijt dat zij om de werking der mededinging op de Nederlandse markt te verhinderen haar gedrag ook op dat van RT zou hebben afgestemd.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie zegt voor antwoord dat zij in de mededeling (blz. 113) de leveranties van fabrikant aan fabrikant als een aanwijzing voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging heeft beschouwd. Pfeifer & Langen heeft dus de mogelijkheid gehad zich te verweren; zij heeft bedoelde leveranties trouwens in haar schriftelijke opmerkingen vermeld en een desbetreffend overzicht overlegd.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

Pfeifer & Langen antwoordt dat in de mededeling slechts gewag is gemaakt van leveranties van fabrikant tot fabrikant in het algemeen en, wat Nederland betreft, van die van RT. Verzoekster had te minder reden om te geloven dat de Commissie haar de leveranties aan Limako wilde verwijten, nu deze onderneming, ofschoon aan een producent gebonden, zich alleen met export bezighield, terwijl de onderhavige suiker voor uitvoer naar derde landen bestemd was.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie brengt tegen het standpunt der wederpartij in dat Pfeifer & Langen wist dat Limako een filiaal van SU is en dat zij geen enkele aanleiding had te veronderstellen dat zulke leveranties wel aan RT, doch niet aan haar zelf zouden worden verweten. Pfeifer & Langen heeft trouwens hét belang van die leveranties erkend en ze in haar schriftelijke opmerkingen vermeld.

###### e) SU: het niet in aanmerking nemen van de door verzoekster gestelde feiten

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Volgens SU, heeft de Commissie artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 en artikel 1 van verordening nr. 99/63 geschonden, nu het in het bijzonder met het mededingingsbeleid belaste lid van de Commissie, de heer Borschette, op een op 18 december 1972 gehouden persconferentie heeft medegedeeld dat geen der veroordeelde bedrijven zich erop had beroepen dat ze eerst na overleg met de betrokken ministeries in hun landen de suikerprijzen vaststelden. SU heeft echter zowel in haar verweerschrift tegen de punten van bezwaar als bij de mondelinge behandeling gesteld dat dit wat haar betreft nu juist wel het geval was geweest.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift en van de conclusie van dupliek

De Commissie zegt voor antwoord dat fouten die in haar communiqués mochten zijn begaan, de rechtsgeldigheid van latere formele beschikkingen niet aantasten. SU heeft het verslag van de hoorzitting goedgekeurd en kan dus bezwaarlijk stellen dat zij niet gehoord is.

###### f) SU: schending van artikel 4 van verordening nr. 99/63

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

SU verwijst naar de overweging van de beschikking (blz. 32, r. kol.) volgens welke de onderling afgestemde gedraging met betrekking tot de leveranties op de Nederlandse markt er in bestaat „dat de Nederlandse fabrikanten suiker rechtstreeks hebben betrokken van de Belgische en Duitse fabrikanten” om die suiker daarna tegen „dezelfde prijs en verkoopwaarden als de binnenlandse suiker door te verkopen” en betoogt dat de Commissie deze aankopen daarmede niet als bewijsmateriaal voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging, doch als een zelfstandige inbreuk heeft beschouwd. Dit verwijt is niet te vinden in de mededeling en door het aan haar beslissing ten grondslag te leggen heeft de Commissie artikel 4 van verordening nr. 99/63 geschonden.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie zegt voor antwoord dat de mededeling (vgl. blz. 48, 84, 112 e.v.), evenals de beschikking, de leveranties die in de overwegingen van de considerans zijn bedoeld noemt als aanwijzing voor het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

SU zegt voor repliek dat noch op bladzijde 48 noch op bladzijde 84 van de mededeling over leveranties van Duitse suiker wordt gesproken.

Bladzijde 112 en volgende bevat slechts een juridische waardering van de eerder gereleveerde feiten. Bovendien wordt aldaar noch melding gemaakt van de onderling afgestemde feitelijke gedraging die aan de „Nederlandse fabrikanten” en aan de „Duitse fabrikant” wordt verweten, noch van het in de beschikking aangevoerde bewijs. In de mededeling wordt alleen aandacht besteed aan de leveringen van RT aan SU; over die van Pfeifer & Langen wordt niet gesproken.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie antwoordt dat verzoek sters opmerkingen de vaststellingen die op de aangehaalde bladzijden van de mededeling der punten van bezwaar voorkomen, niet vermogen te ontzenuwen.

###### g) Pfeifer & Langen: schending van erkende beginselen nopens de bewijslevering

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Pfeifer & Langen betoogt dat de feiten die de Commissie als aanwijzingen tot staving van de tegen haar ingebrachte punten van bezwaar heeft beschouwd met grotere waarschijnlijkheid hun verklaring vinden in andere redenen. De Commissie had dan ook het onderzoek moeten voortzetten of de procedure stopzetten. Voor zover de Commissie haar overwegingen op geschreven verklaringen had gebaseerd, dient te worden bedacht dat die waren afgelegd door personen die nauwelijks in staat waren een getuigenverklaring over de feiten af te leggen, doch hun mening gaven over hetgeen buiten hun tegenwoordigheid was voorgevallen.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie zegt voor antwoord dat zij rekening moest houden met de bij Export gevonden documenten die rechtstreeks op het gedrag der in de procedure betrokken personen betrekking hadden.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

Pfeifer & Langen stelt dat de Commissie door veronderstellingen van personen die middellijk noch onmiddellijk kennis droegen van de feiten waarover zij zich uitlieten, als bewijsmateriaal te aanvaarden, de bewijslast op onaanvaardbare wijze op verzoekster afwentelt. Die veronderstellingen houden trouwens geen enkel verband met het gedrag van Pfeifer & Langen.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie meent dat deze grief de waardering van het bewijs betreft en dat de opgeworpen kwestie bij de behandeling van de zaak ten principale moet worden besproken.

###### b) SU en CSM: het nemen van een collectieve beschikking in vier talen

###### 1. Samenvatting van de inhoud van de verzoekschriften

SU en CSM maken er bezwaar tegen dat er een collectieve beschikking is genomen waarin uiteraard een groot aantal zaken aan de orde worden gesteld en beschuldigingen worden uitgesproken die verzoeksters niet aangaan. Zij worden daardoor in hun verdediging belemmerd, immers zij weten niet met betrekking tot welke punten zij hun standpunt hebben te bepalen.

SU betoogt voorts dat de beschikking, in strijd met artikel 3 van verordening nr. 1, behalve in het Nederlands ook in het Duits, Frans en Italiaans tot haar is gericht.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie zegt voor antwoord dat de aan de onderscheiden bedrijven ten laste gelegde feiten in de beschikking separaat zijn behandeld en dat uit de antwoorden der verzoeksters blijkt dat zij met de identificatie van de hen betreffende feiten en conclusies geen enkele moeite hebben gehad.

Wat de linguistische kant van de zaak betreft: er behoeft slechts op te worden gewezen dat de beschikking aan SU in het Nederlands is betekend.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

SU wijst er op dat in de Nederlandse tekst nergens is vermeld dat alleen die tekst (ten aanzien van verzoekster) au thentiek is en dat zij de andere versies aan het Hof ter'vernietiging voorlegt.

SU meent dat de Commissie „alle denkbare grenzen van rechtsbescherming van het individu jegens de overheid (heeft) overtreden” door een collectieve beschikking uit te vaardigen ter adstructie van het betoog dat de Europese suikerindustrie een grote samenzwering tot ontduiking van artikel 85 van het EEG-Verdrag zou hebben op touw gezet.

CSM blijft er bij dat uit de beschikking niet kan worden afgeleid welke argumenten daarin met betrekking tot de speciaal tegen haar ingebrachte beschuldiging doorslaggevend worden geacht.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van dupliek

De Commissie betoogt dat het aan de rechtsgeldigheid van de betekening van de Nederlandse tekst niet afdoet dat daarbij de teksten in de drie andere talen waren gevoegd.

De bewering dat CSM in onzekerheid zou hebben verkeerd over de haar regarderende punten van bezwaar wordt door haar processtukken duidelijk weerlegd.

###### i) CSM, SU: onjuiste of onvolledige motivering

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

CSM werpt separaat een middel op, waarin met zoveel woorden schending en onjuiste toepassing van artikel 190 van het Verdrag wordt gesteld en betoogt dat de Commissie heeft nagelaten de beschikking op zodanige wijze te motiveren dat het aan het Hof mogelijk is zijn toetsingsrecht uit te oefenen en verzoekster zich met volledige kennis van de tegen haar ingeroepen feiten en omstandigheden kan verweren. Zo is het al te vaag te spreken van een „dreiging door de Nederlandse producenten” (beschikking, blz. 26, 1. kol.), te stellen dat „deze handelwijze gedurende de campagne 1971/1972 is voortgezet” (beschik king, blz. 25, r. kol.) en vast te stellen dat „de Nederlandse producenten met ingang van de volgende suikercampagne (1970/1971) de Nederlandse handelaren hebben betrokken bij de overeenkomst die zij met RT hadden gesloten” (beschikking, blz. 26, 1. kol.). Veelal volstaat de Commissie met vage vaststellingen; zij geeft bij voorbeeld nauwelijks aan uit welke „handelscorrespondentie” de onderling afgestemde feitelijke gedraging van de Nederlandse producenten en RT zou kunnen worden afgelezen (beschikking, blz. 32, r. kol.) en staaft haar bewering dat CSM zou hebben geweigerd suiker te leveren aan „in het land van hun concurrenten gevestigde klanten” (beschikking, blz. 25, 1. kol.) met geen enkel concreet geval.

Zonder naar artikel 190, tweede alinea, van het Verdrag te verwijzen komt ook SU op tegen hetgeen zij een „anonieme beschuldigingstechniek” noemt die haar van de mogelijkheid van effectief verweer berooft. Zij wijst op de beweringen volgens welke „de handel en de verwerkende industrie” zouden hebben „geklaagd over de ontwikkeling van de intracommunautaire handel,” er „bepaalde … beperkende maatregelen op verschillende nationale markten” zouden zijn „waargenomen” (beschikking, blz. 22, r. kol.) en „de verkooppolitiek van de Gemeenschap in de campagne 1969/1970 meer in het algemeen vastgesteld werd”, waarbij „niet (meer) alleen van de verhouding tussen bepaalde Lid-Staten, doch algemeen van de samenwerking der suikerfabrikanten, met name in het kader van de leveranties van fabrikant aan fabrikant, werd gesproken” (beschikking, blz. 23, 1. kol.).

SU betoogt voorts dat de Commissie in haar beschikking sub II (blz. 30 e.v.), zij het in soms andere bewoordingen, de beweringen herhaalt die zij reeds sub I C (blz. 22 e.v.) deed en door een dergelijke verwarrende techniek in strijd heeft gehandeld met haar verplichting duidelijk te motiveren.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie antwoordt dat in deel I van de beschikking de feiten worden beschreven, terwijl deel II de juridische beoordeling van die feiten bevat. Bepaalde herhalingen zijn daarbij onvermijdelijk. Dit geeft echter geen aanleiding tot onduidelijkheid.

De ten laste gelegde feiten worden duidelijk aangegeven, zowel in de punten van bezwaar als in de beschikking. De aard van de materie bracht mede dat de Commissie de diverse bestanddelen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging van verschillende ondernemingen in hun onderling verband beschreef en beoordeelde. Het bewijs der gedragingen berustte hoofdzakelijk op het economisch effect dat kon worden vastgesteld. In die omstandigheden behoefden het tijdstip of de plaats der handeling dan wel de naam van bepaalde personen niet bekend te zijn.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

CSM zegt voor repliek dat de nietigheid van de beschikking — die op ontoereikendheid der motivering berust — niet wordt gedekt door hetgeen de Commissie ten processe alsnog naar voren heeft gebracht.

De bewijsvoering voor met de artikelen 85 en 86 strijdige gedragingen die de Commissie in haar verweerschrift bezigt (volgens hetwelk dit bewijs hoofdzakelijk zou zijn gelegen in het „economisch effect”) is een andere dan die van de beschikking („handelscorrespondentie”). De Commissie kan niet de ene stelling — waarvoor zij feiten had moeten aandragen — vervangen door de andere.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van dupliek

De Commissie verwerpt de kritiek op de motivering der beschikking, volgens welke de onderling afgestemde feitelijke gedraging uit leveranties tussen producenten bestaat (beschikking, blz. 32, r.kol.).

In de beschikking wordt verwezen naar de aanvullende maatregelen die RT heeft genomen om te verhinderen dat via de handel die concurrentie op de Nederlandse markt zou ontstaan die zij door haar eigen leveranties aan de Nederlandse producenten trachtte te verhinderen.

###### j) SU, CSM en RT: onvoldoende duidelijkheid van het dispositief

Opmerking vooraf:

Voor zover opgeworpen door RT, betreft dit middel tevens de grief inzake de bescherming van de Italiaanse markt. In zoverre wordt verwezen naar hoofdstuk I, A, h (men zie hiervoor).

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

SU betoogt dat de Commissie wezenlijke vormvoorschriften alsmede het beginsel van de rechtszekerheid heeft geschonden door in het dispositief (artikel 1, lid 1, nr. 2) der beschikking niet te stellen welke feiten de gewraakte inbreuk inhouden en door haar volgens artikel 2 moeten worden beëindigd. Zelfs wanneer volgens het Hof ten deze in het dispositief naar de motivering zou mogen worden verwezen, dan nog wordt SU niet duidelijk gemaakt wat zij moet doen om zich naar de beschikking te gedragen.

CSM houdt met betrekking tot artikel 2 der beschikking een dergelijk betoog en qualificeert haar middel als: schending van het Verdrag of enige uitvoeringsregeling daarvan, in het bijzonder van artikel 3 van verordening nr. 17.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie zegt voor antwoord dat motivering en dispositief één geheel vormen. De door verzoeksters begane inbreuk is duidelijk omschreven op de bladzijden 32 t/m34 van de beschikking. Afscherming van een markt tegen concurrentie van buiten is een alleszins duidelijke handeling.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

SU zegt voor repliek dat „het afschermen van de markt tegen concurrentie van buiten die markt” geen handeling, doch een kwalificatie van handelingen is. Afgezien daarvan, zijn er ongetwijfeld methoden van afscherming van een markt tegen concurrentie denkbaar welke niet door de verboden van de artikelen 85 en 86 worden getroffen. Het verweerschrift van de Commissie in zijn geheel heeft door zijn vaagheid en voortdurend wisselend taalgebruik de verwarring omtrent de aan verzoekster verweten onderling afgestemde feitelijke gedraging nog groter gemaakt.

CSM betoogt dat de beschikking ook na de in het verweerschrift gegeven toelichting onvoldoende duidelijk is. De Commissie heeft niet de bevoegdheid de ondernemingen te verbieden te „profiteren” — vage term! — van maatregelen van andere ondernemingen daarin bestaande dat zij zich jegens haar van concurrentie onthouden (verweerschrift 42/73, blz. 38).

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van dupliek

De Commissie verwijst naar de beschikking waaruit blijkt dat SU haar samenwerking met RT en Pfeifer & Langen moet beëindigen, een samenwerking die in transacties tussen producenten ter afscherming van de Nederlandse suikermarkt bestond. Ook CSM dient een einde te maken aan de vastgestelde onderling afgestemde feitelijke gedraging die op isolering van de Nederlandse markt gericht was of daartoe leidde. De beschikking is dus duidelijk en rechtsgeldig.

###### C — Middelen ten principale

###### a) SU: Schending van artikel 85 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

SU stelt dat de Commissie louter beweringen uit die door geen enkel feitelijk gegeven worden gestaafd dan wel uit feiten verkeerde en tendentieuze conclusies trekt. In de eerste overweging van hoofdstuk II der beschikking worden op zichzelf volkomen legitieme gedragingen, zoals de aankoop van suiker door een fabrikant die een tekort heeft bij een andere fabrikant en het op de markt brengen van gekochte suiker tegen de prijs die aldaar kan worden gemaakt, in een ongunstig daglicht geplaatst en voorgesteld als een instrument van een samenzwering van de suikerindustrie. SU ontkent betrokken te zijn geweest bij „een algemene regeling nopens de afzet van suiker op de afzonderlijke nationale markten voor menselijke consumptie en nopens de afzet van de omvangrijke overschotten, met name op de markten van derde landen” (vgl. beschikking, blz. 22, r. kol. I, C, nr. 12).

SU verklaart zich buiten staat zich uit te laten over een groot aantal in de beschikking genoemde feiten die alleen op andere ondernemingen betrekking hebben en die de Commissie met behulp van de onaanvaardbare techniek ener collectieve beschikking ook aan SU schijnt te willen ten laste leggen. Bij gebrek aan wetenschap ziet SU zich genoodzaakt al die feiten te betwisten.

SU zet gedetailleerd uiteen waarom zij het beeld van de communautaire regelingen en aanvullende nationale marktregelingen, dat op de bladzijden 21 en 22 der beschikking wordt gegeven, onvolledig en deels onjuist acht.

SU meent dat de tegen haar ingebrachte bezwaren uiteindelijk uitlopen op één feitelijk verwijt, te weten dat „de Nederlandse fabrikanten suiker rechtstreeks hebben betrokken van de Belgische en Duitse fabrikanten” om die suiker daarna tegen „dezelfde prijs en verkoopvoorwaarden als de binnenlandse suiker” door te verkopen (vgl. beschikking, blz, 32, r. kol., II, B, 1).

SU ontkent van Pfeifer & Langen suiker te hebben betrokken om die suiker tegen dezelfde prijs en condities als door haarzelf in Nederland geproduceerde suiker door te verkopen. In 1971/1972 heeft zij via Limako 14990 ton witte suiker gekocht met de bedoeling om deze buiten de EEG te verkopen. Die suiker is, op 4950 ton bedorven suiker na, ook naar derde landen uitgevoerd. — SU ontkent ook, behoudens kleine kwantiteiten specialiteiten, rechtstreeks van RT te hebben gekocht. Wel heeft zij in 1970/1971 van RT 22500 ton via Jacobson en Limako gekocht; langs dezelfde weg kochten de coöperatieve suikerfabrieken in Nederland in het suikerjaar 1970/1971 20000 ton van RT.

SU betoogt dat er tussen „RT en de Nederlandse producenten geen overeenkomst bestaat of heeft bestaan en dat het a fortiori niet waar is dat” de „Belgische en Nederlandse handelaren” later bij die overeenkomst betrokken zijn. SU ontkent dat bij enige gedraging van RT jegens Export en Hottlet der zorg der „fabrikanten” (en dus ook van verzoekster) „de structuur van de Nederlandse markt niet te verstoren” het motief zou zijn geweest. SU stelt niets af te weten van het verlenen door RT van enig alleenverkoopsrecht voor Nederland aan Export en Hottlet en heeft dus ook met daarbij mogelijkerwijs overeengekomen „beperkingen en motiveringen daarvan” niets te maken. Ten slotte ontkent SU al hetgeen in de beschikking wordt gezegd over een haar met betrekking tot de Belgische suikerimporten in Nederland toekomende controle of over een door haar daartoe te geven toestemming; haar is nimmer „toestemming” gevraagd.

SU stelt suikeraankopen bij buitenlandse fabrikanten te hebben gedaan om haar tekort aan suiker te dekken en ontkent dat er sprake is geweest van marktstrategische overwegingen gericht op een „chacun chez soi”-politiek.

SU corrigeert de cijfers die de Commissie in haar beschikking heeft gegeven en betoogt dat er voor rekening van de coöperatieve suikerfabrieken in Nederland zijn ingevoerd 7009 ton in 1968/1969, 2769 ton in 1969/1970 en 24399 ton (waarvan 17142 ton door verzoekster) in 1970/1971.

Voor de inwerkingtreding van de communautaire marktregelingen was de gehele binnenlandse suikerbehoefte gereserveerd voor de Nederlandse industrie. SU beschikt in Nederland over een afzetapparaat dat in ongeveer 70 % van de binnenlandse suikercomsumptie kan voorzien. Om haar omvangrijk en kostbaar afzetapparaat optimaal te kunnen benutten en haar eigen klanten te kunnen bedienen, moet SU van elders suiker betrekken die binnen de EEG mag worden afgezet.

Het is krachtens artikel 85 geenszins verboden suiker direct van buitenlandse fabrikanten te betrekken (hetgeen overigens slechts met kleine kwantiteiten specialiteiten is gebeurd; verder schakelde zij importeurs in) dan wel deze suiker in eigen verpakking en tegen de hoogst mogelijke prijs in Nederland te verkopen.

De gewraakte gedraging kan — voor zover die ook door SU mocht zijn begaan — niet worden afgeleid uit tussen RT en de Belgische handelaren gewisselde correspondentie of uit bepaalde handelingen van RT jegens deze laatsten (vgl. beschikking, blz. 32, r. kol.). In het dossier dat de Commissie tegen RT in het geding brengt is geen enkel bewijs te vinden voor de bewering dat RT „geen leveranties in Nederland zou doorvoeren zonder toestemming van de Nederlandse fabrikanten” (vgl. beschikking, blz. 32, r. kol.). De verklaringen van Export behelzen dat bewijs niet; zij zijn speculatief van aard en vermelden geen feiten. Het is niet waar dat „de andere leveranties van Belgische suiker in onderling overleg tussen de fabrikanten slechts aan bepaalde afnemers (Nederlandse melkindustrie) werden verricht”. De in RT's telexbericht aan Export voorkomende bewering (vermeld op bladzijde 33, 1. kol., van de beschikking dat SU en CSM „ne désirent rien faire qui nous dérangerait” is een speculatie van RT.

De stelling van de Commissie dat „normaal gezien een fabrikant er geen belang bij heeft grote hoeveelheden van zijn produkten aan een of meerdere concurrenten te verkopen, en … een grotere winst kan halen door rechtstreeks aan de betrokken handelaren en gebruikers te leveren” (vgl. beschikking, blz. 33, r. kol.) is in haar algemeenheid onjuist. Geen der Nederlandse importeurs beschikt over een klantendienst of over produktiecapaciteit die hen in staat stelt vaste suiker vloeibaar te maken of gecontamineerde of in kwaliteit teruggelopen suiker te reconditioneren; geen hunner is in staat om aan afnemers een regelmatige aflevering te garanderen; geen hunner beschikt over eigen, Nederlandse, merken; en om al deze redenen kunnen de buitenlandse fabrikanten er nauwelijks belang bij hebben wel aan handela ren en niet aan de Nederlandse fabrikanten te leveren. In ieder geval raakt de in de beschikking voorkomende vaststelling (vgl. blz. 33, l. kol.) dat de buitenlandse fabrikanten die „geografisch het best geplaatst zijn” voor de hoeveelheden suiker die zij aan concurrenten hebben verkocht van een onafhankelijke handelsactiviteit op de Nederlandse markt zouden afzien, verzoekster niet.

Tendentieus is de stelling dat SU zou hebben geweigerd suiker te verkopen aan in het land van \[haar\] concurrenten gevestigde „klanten” (vgl. beschikking, blz. 25, 1. kol.). SU kan in België en Duitsland geen klanten hebben zo lang de Raad een marktordening in het leven houdt die van Nederland een tekortgebied maakt.

Artikel 85 verbiedt niet de verkoop van suiker tegen een prijs die „aan de hand van de door de concurrenten toegepaste prijs” wordt „berekend” (beschikking, blz. 23, r. kol.) en het is onjuist dan van een „verhoogde” prijs te spreken. De Commissie heeft verzuimd te vermelden dat niet alleen in Italië, maar ook in Nederland de nationale autoriteiten op basis van de geldende interventieprijzen de consumentenprijs vaststellen — na bepaling van alle andere bijkomende prijscomponenten als verpakking, transportkosten en handelsmarges —. De maximumprijs tot inachtneming waarvan verzoekster zich aldus heeft verbonden beweegt zich ongeveer 1/3 à 5/8 % boven de interventieprijs. Opgemerkt zij evenwel dat zij niet steeds in staat is geweest die prijs daadwerkelijk te maken.

Verzoekster betwist dat er „door de handel en de verwerkende industrie werd geklaagd over de ontwikkeling van de intracommunautaire handel” en over „bepaalde op verschillende nationale markten waargenomen beperkende maatregelen” (beschikking, blz. 22, 1. kol.). Wat haar zelf betreft ontkent zij ook „dat de suikerfabrikanten van de Gemeenschap sinds de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke ordening in de sector suiker er naar gestreefd hebben, een algemene regeling … te treffen” (beschikking, blz. 22, r. kol.).

SU betoogt dat de concurrentie uit het buitenland zich op de Nederlandse markt wel degelijk deed gevoelen. Zij produceert uitsluitend suiker in de kwaliteit nr. I, terwijl de condensindustrie gewoonlijk de kwaliteit II gebruikt, waarvan de produktie minder kost en waarvoor een lagere interventieprijs geldt; deze suiker van kwaliteit II wordt, met name uit België, ingevoerd door een pool van Nederlandse handelaren.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie wijst er op dat zij niet kan bewijzen — en dus niet langer beweert — dat na de vergadering ter voorbereiding van een overeenkomst tussen de Europese suikerfabrikanten de desbetreffende werkzaamheden zouden zijn voortgezet en tot resultaat zouden hebben geleid. Wel bleek er belangstelling te bestaan voor een onderlinge afstemming inzake het afzetgebied. Tegen deze achtergrond moeten de door de Commissie geconstateerde praktijken worden gezien, met name tot goed begrip van de beperkingen inzake de bestemming van door de fabrikanten aan de handel verkochte suiker en de talrijke leveringsweigeringen bij aanvragen van handelaren of consumenten uit andere Lid-Staten.

###### De Commissie geeft dan een samenvatting van de belangrijkste aanwijzingen

die zij aan haar beschikking ten grondslag gelegd heeft: De prijzen voor suiker verschillen van Lid-Staat tot Lid-Staat. Zo heeft de prijs in België in 1971/1972 niet hoger gelegen dan 3 % boven de interventieprijs, terwijl de prijs in Nederland zich tussen 3 % en 7 % boven dat zelfde niveau bewogen heeft zonder dat kwaliteitsverschillen zulks afdoende kunnen verklaren. In die situatie had de concurrentie haar gewone functie moeten vervullen.

Van regelmatige leveranties van producent tot producent, gekoppeld aan beperkingen betreffende de eindbestemming der via de handel af te zetten overschotten, gaat in de deficitaire Lid-Staat van de producent-koper een zo duidelijk anti-concurrentieel effect uit dat het als „bewust gewild” moet worden beschouwd.

Wanneer op een bepaalde markt een producent zich er toe beperkt zijn goederen via een aldaar gevestigde producent aan te bieden dan verschaft hij laatstgenoemde producent een afzetgarantie voor zijn eigen produktie en laat hij de bepaling van zijn eigen marktaandeel aan de andere producent over. De beperking van de mededinging op de Nederlandse markt als gevolg van RT's leveringen aan SU is door beide ondernemingen bewust teweeggebracht; en zulke onderling afgestemde gedragingen kunnen niet, wegens de daaraan voor beiden verbonden voordelen, tot spontaan parallellisme worden verheven. Het besluit van RT om op de Nederlandse markt geen eigen commerciële inspanning te ondernemen en het besluit van verzoekster om op deze markt meer aan te bieden dan haar eigen produktie sluiten op elkaar aan; de onderlinge afstemming ligt in de aan beide kanten bestaande wetenschap van de noodzakelijke complementariteit der wederzijdse beslissingen.

Naar de mening van de Commissie kunnen de transacties tussen RT enerzijds en verzoekster en CSM anderzijds, gezien hun omvang en regelmaat en de verhoudingen op de Nederlandse markt, worden beschouwd als voldoende aanwijzin gen voor een onderling afgestemde en de concurrentie beperkende gedraging. Daarbij komt dat leveranties die niet tussen fabrikanten plaatsvinden hetzij worden geweigerd hetzij onderworpen worden aan de voorwaarde dat de koper zonder toestemming van de Nederlandse producenten aan hun klanten geen suiker zal doorverkopen. Ook heeft RT aan twee Belgische exporteurs exclusieve rechten gegeven voor de export naar Nederland, echter met dien verstande dat de leveranties door de Nederlandse producent moesten worden goedgekeurd. Bij herhaling heeft RT jegens de Belgische handelaren tot uitdrukking gebracht dat hun activiteit op de Nederlandse markt de afzet en de prijzen der Nederlandse fabrikanten niet mocht storen. Ten slotte is in bepaalde gevallen voor het weigeren van levering als reden opgegeven dat de nodige hoeveelheden ontbraken, een — gezien de structurele overschotsituatie in België — duidelijk kunstmatig motief. Als gevolg van al deze praktijken te zamen zijn er tussen de Belgische producenten en Nederlandse afnemers die vanouds tot de klantenkring van SU en CSM behoorden, geen rechtstreekse betrekkingen tot stand gekomen, niettegenstaande het feit dat zulke betrekkingen niet slechts normaal, doch voor de verwezenlijking van het doel van de gemeenschappelijke markt zelfs noodzakelijk zouden zijn.

Als aanvullend bewijs dat het hier gaat om een bewuste ingreep van de Nederlandse fabrikanten in de concurrentie, verwijst de Commissie naar het uittreksel uit de notulen van de vergadering van het bestuur van de Nederlandse Suikerraad van 13 februari 1969.

De Commissie is, tot levering van het bewijs van de inbreuk, niet verplicht om uitdrukkelijke verklaringen van vertegenwoordigers van iedere deelnemer aan een onderling afgestemde gedraging te produceren waaruit kan worden afgeleid dat bedoelde deelnemer zich van het anticoncurrentiële karakter van zijn gedrag bewust is geweest.

SU scheidt ten onrechte de diverse ele menten van haar op isolatie van de Nederlandse markt gerichte politiek, terwijl de inbreuken toch bestaan uit een aantal handelingen in onderling verband. Alles wat onder normale concurrentieverhoudingen geoorloofd is, is niet langer zonder meer rechtmatig wanneer die verhoudingen bewust vervalst zijn.

De gewraakte gedragingen worden ook niet rechtmatig doordat zij er toe strekken een afzetgebied te verdedigen dat in een stelsel van geïsoleerde nationale markten is ontstaan. De hele zin van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker is juist dat de nationale markten die vanouds het domein van bepaalde producenten waren, zouden worden geopend. Zoals het Hof reeds heeft uitgesproken, verbiedt het Verdrag het bevriezen van eenmaal ingenomen posities ten detrimente van het vrije verkeer der produkten binnen de gemeenschappelijke markt en de vrijheid der verbruikers in de keuze van hun leveranciers.

De Commissie herinnert er aan dat zij niet op het standpunt staat dat iedere verkoop van producent tot producent onder artikel 85 gebracht moet worden. Het wordt echter anders wanneer er een weigering bij komt om aan derden te leveren of wanneer die leveringen aan beperkingen worden onderworpen. De transacties van RT met SU en CSM maken deze laatsten bij hun klanten tot alleenvertegenwoordigers van RT. Haar herhaalde weigeringen om zonder prijsen/of bestemmingsclausules aan derden te leveren zijn het equivalent van een verbod van parallelle importen.

De Commissie gaat vervolgens over tot beantwoording van enige specifieke stellingen van SU.

Uit bepaalde stukken blijkt dat de verwerkende industrie zich heeft beklaagd over de ontwikkeling van de suikerhandel binnen de Gemeenschap en over de overeenkomst van de betrokken producenten om oplossingen te zoeken die hen in staat zouden moeten stellen „zelf de verkoop van hun produktie zowel op de binnenmarkt als op de exportmarkt te waarborgen”. SU's marktgedrag was op dat doel afgestemd.

SU was zeer wel in staat in Duitsland en België te leveren; sommige van haar bedrijven waren zeer gunstig gelegen en beschikten ten opzichte van bepaalde Belgische en Duitse grensgebieden over uitstekende verbindingen.

SU spreekt zichzelf tegen. Enerzijds stelt zij dat zij er geen klanten in Duitsland en België kon of wilde op na houden en dat zij het zich niet kon permitteren te leveren aan andere kopers dan de traditionele klantenkring der coöperaties; anderzijds pretendeert zij te beschikken over voorraden waarvoor zij geen andere mogelijkheid had dan verkoop aan de condensindustrie, zij het dat zij later weer stelt dat haar aanbiedingen aan die industrie de consequentie waren geweest van het actief verkoopbeleid dat de handelaren voerden ten opzichte van kopers die vanouds hun vooraden bij SU betrokken.

De afstemming wordt ook bewezen door een 31 augustus 1970 gedagtekende nota van Export aan RT, waarin voorstellen ter sprake komen die door RT's president-directeur zouden zijn gedaan aan een in het vak doorknede gesprekspartner die de term „engagement” nauwelijks verkeerd kan hebben begrepen.

Wanneer zij meermalen toegeeft dat zij zich tegen leveringen van Belgische suiker aan haar traditionele klanten heeft verzet, erkent SU tevens dat de leveringen die wèl plaats vonden, met haar goedkeuring zijn geschied.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

SU betoogt dat „conscious parallellism” in de opvatting van de Commissie ook een onderling afgestemde feitelijke gedraging oplevert wanneer er geen nadere coördinatie, geen nader wegnemen van de onzekerheid der partijen omtrent elkanders toekomstig gedrag heeft plaatsgehad. Voor afstemming van gedragingen is niet slechts een plan nodig, doch bovendien „een vorm van coördinatie … die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico's der concur rentie welbewust … vervangt door een feitelijke samenwerking”. Die coördinatie moet ten doel hebben „bij voorbaat onzekerheid over het toekomstig gedrag” der bij de afstemming betrokken ondernemingen „uit te sluiten”. Zulks veronderstelt een objectief vaststelbare handeling van communicatie, die er op gericht is de gedragingen conceptueel samen te binden, de handelingen der ondernemingen te coördineren en de onzekerheid over elkanders toekomstig gedrag uit te sluiten. Het standpunt der Commissie, volgens hetwelk de afstemming gelegen kan zijn in het feit dat partijen wetenschap hebben van de noodzakelijke complementariteit van de wederzijdse beslissingen, komt er op neer dat eenzijdige pogingen van partijen om zo intelligent mogelijk in te spelen op de verwachte eenzijdige acties der concurrenten, ten eigen bate zonder nadeel van die concurrenten ondernomen, verboden zouden zijn. Niet de consensus is verboden, wèl bepaalde manieren om tot consensus te komen.

Weliswaar heeft het Hof uitgesproken dat er wanneer niet precies kan worden aangetoond door welke afstemmingshandelingen het gedrag der deelnemers is gecoördineerd, geredeneerd mag worden met behulp van de economische theorie volgens welke het in bepaalde marktstructuren ondenkbaar is dat marktdeelnemers zonder voorafgaande coördinatie tot bepaalde parallelle (of complementaire) gedragingen komen. Het beginsel dat een ieder voor onschuldig dient te worden gehouden totdat zijn schuld bewezen is, behoort echter te worden geëerbiedigd.

Doch het door de Commissie geboden indirecte bewijs is niet toereikend; het is haar niet mogelijk te bewijzen dat het gedrag van SU in de gegeven marktsituatie zonder coördinatie niet heeft kunnen plaatsvinden. Zij kan evenmin aantonen welke afstemmingshandelingen SU zou hebben gepleegd of op welke afstemmingshandelingen van degene die beweerdelijk haar mededingers waren zij zou hebben ingespeeld.

SU had voor haar gedrag haar eigen redenen. Toen de grenzen binnen de gemeenschappelijke markt opengingen, besloot zij in de nabuurlanden geen actief marktbeleid te voeren; haar distributieapparaat in Nederland was volledig ontwikkeld en het afzetten op buitenlandse markten zou extra distributiekosten hebben meegebracht. Het aan Nederland toebedeelde suikerquotum had aldaar toch al tot een kunstmatig tekort geleid.

De ene enkele transactie met Pfeifer & Langen mag niet als bestanddeel van de gestelde onderling afgestemde feitelijke gedraging ter sprake worden gebracht: het ging hier om export naar derde landen. De opmerking der Commissie dat uit deze exporttransactie niet kan worden afgeleid dat Pfeifer & Langen onophoudelijk actieve concurrentie onder verzoeksters klanten heeft bedreven, gaat langs het eigenlijke probleem heen, dat wil zeggen langs de vraag of het uitblijven van mededingingsactiviteit van Pfeifer & Langen aan afstemming te wijten was.

Ook RT's marktgedrag kan tot een eenzijdige beslissing van die onderneming worden herleid. Het opbouwen van een eigen distributieapparaat zou te kostbaar zijn geweest en er zou bovendien een te groot risico aan verbonden zijn geweest; door haar extra kosten zou zij waarschijnlijk ook op langere termijn een geringere afzet halen. Voorts kon het oligopolistisch karakter van de Europese markt medebrengen dat RT de Nederlandse producenten „te vriend” wilde houden en vreesde door agressief optreden een even agressieve reactie uit te lokken zodra de Nederlandse fabrikanten een ruimer quotum mochten krijgen.

De Commissie heeft ook het direct bewijs van de gestelde afstemmingshandelingen niet geleverd. Uit de notulen van de te München gehouden vergadering blijkt dat het de suikerfabrikanten om nationale publiekrechtelijke marktregelingen ging. Ondanks haar bewering dat exporteurs voor uitvoer van Belgische suiker naar Nederland SU's toestem ming nodig hadden, heeft de Commissie geen enkel concreet bewijs van zulke toestemmingen — of weigeringen — geleverd.

SU blijft er bij dat de prijzen in Nederland slechts 1/3 % à 5/8 % boven de interventieprijs lagen. En al zou het zo zijn dat de Nederlandse prijzen 4 % boven die in België lagen, dan zou dat nog steeds een onbetekenend prijsverschil zijn.

Ten aanzien van de stelling dat RT door aan SU te leveren SU een „afzetgarantie” voor haar produktie zou hebben verschaft, zij opgemerkt dat van een „garantie” — en dus van afstemming — slechts sprake zou kunnen zijn wanneer RT aan SU had laten blijken dat zij zich in de toekomst op dezelfde wijze zou gedragen; doch daarvan was geen sprake.

SU bestrijdt de stelling der Commissie dat zij samen met RT zou hebben besloten „bij voorkeur” met elkaar zaken te doen; zij geeft cijfers over de hoeveelheden welke de Nederlandse coöperatieve suikerfabrieken tussen 1968 en 1971 hebben betrokken van RT (rechtstreeks en via Jacobson), van Sucre-Union en van een Franse onderneming.

Door opsomming van een aantal eenzijdige handelingen (verkoopweigeringen, leveringen met voorwaarden inzake de uiteindelijke bestemming), door anderen dan verzoekster begaan — ten bewijze dat verzoekster zich aan afstemming zou hebben schuldig gemaakt — verwart de Commissie de inhoud van bepaalde gedragingen en de vraag of zij het resultaat van afstemming zijn.

Na SU er eerst van te hebben beschuldigd betrokken te zijn geweest „bij het vestigen en handhaven van een niet-concurrentiële structuur op de Nederlandse markt”, heeft de Commissie in haar verweerschrift toegegeven dat op de nationale belangen en behoeften gerichte nationale marktordeningen een belemmering vormden voor de totstandkoming van een gemeenschappelijke suikermarkt. Anders dan voor het vestigen van een niet-concurrentiële structuur, zou voor het handhaven ervan geen afstemming nodig zijn.

Er is, wanneer het gaat om SU's mogelijkheden de Nederlandse importeurs bij de condensindustrie concurrentie aan te doen, geen sprake van tegenstrijdigheid. De verkoop van 70000 ton Franse suiker aan vroegere klanten van SU had haar er toe bewogen overeenkomstige hoeveelheden af te zetten bij nieuwe klanten, zoals de condensindustrie, bij welker belevering zij — wegens het aldaar geldende prijsniveau — tevoren geen belang had.

Exports nota van 31 augustus 1970 behelst een „testimonium de auditu” en is dus als bewijsmiddel onaanvaardbaar. Maar zelfs wanneer de daarin vermelde uitlatingen mochten worden bevestigd, dan zou een „engagement” als bedoeld nog niet zijn bewezen. Daartoe zou niet alleen de heer Rolin tijdens een kruisverhoor zijn uitlatingen onder ede moeten bevestigen; zij zouden bovendien door andere bewijsmiddelen moeten worden bevestigd: „unus testis nullus testis”.

SU betwist dat alleen zij en CSM in Nederland Belgische suiker leveren en noemt een aantal ondernemingen die bedoelde suiker op grote schaal zouden hebben aangeboden.

Wat betreft het verwijt dat zij in de grensgebieden der nabuurlanden niet heeft geleverd: de Commissie houdt geen rekening met de structuur van de handel en de invloed van die structuur op de wederverkoop. Lokale kruideniers en filiaalbedrijven kopen niet direct van de producent, maar maken gebruik van grossiers of van centrale inkooporganisaties, die veelal om een centraler punt in het betreffende land gevestigd zijn. SU levert inderdaad suiker af in Nederlands Limburg, maar de desbetreffende contracten worden afgesloten met het te Zaandam gevestigde hoofdkantoor van de betrokken firma — die van SU belevering van al haar verkooppunten in het gehele land heeft bedongen —.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie stelt dat het betoog van SU volgens hetwelk RT alleen maar de keus had tussen wegblijven van de Nederlandse markt en opbouwen van een distributieapparaat dat de gehele markt moest omvatten, faalt. RT kan met gebruikmaking van haar Belgisch distributieapparaat in vrijwel geheel Zuid-Nederland leveren. Ook had zij gebruik kunnen maken van de Nederlandse handel, in plaats van die handel de toegang tot de Belgische suiker te ontzeggen.

Anders dan SU meent, is het voldoende te bewijzen dat het gezamenlijk optreden der fabrikanten het isolement van de Nederlandse markt heeft teweeggebracht en daardoor de structuur van het aanbod op die markt heeft vervalst; daarnaast behoeft niet ook te worden aangetoond dat RT en SU tot een verdere afstemming of coördinatie zijn gekomen ten einde een „plan” te verwezenlijken. SU's gehele politiek was er op gericht mededinging op de Nederlandse markt te verhinderen en SU heeft RT daarvan op de hoogte gebracht „door met deze onderneming zaken te doen”. Anderzijds blijkt uit door RT gedane verklaringen dat RT het ook aldus heeft begrepen.

De Commissie ontkent de bewijswaarde der door SU gemaakte vergelijkingen betreffende de in Nederland gemaakte prijzen. Zij betreffen de detail verkoopsprijzen en niet de industriële verkoopsprijzen (af fabriek). Zij geeft zelf een overzicht van de prijzen die berekend werden door SU, CSM en de Nederlandse handelaren, vergeleken met de interventieprijs.

In iedere suikerverkoop van RT aan SU belichaamde de afstemming zich opnieuw. De vraag naar de afstemming van toekomstige gedragingen is niet van belang.

De Commissie legt stukken over waaruit blijkt dat de Belgisch-Nederlandse suikerhandel goeddeels plaats vond via transacties tussen de fabrikanten dan wel aan voorwaarden inzake de bestemming onderworpen was.

De transacties tussen de fabrikanten zijn als zodanig de belichaming en tevens het bewijs van de onderling afgestemde gedragingen. Voorts zijn er tal van aanwijzingen voor een bewust streven om de Belgische en de Nederlandse markt gescheiden te houden.

Er is geen tegenspraak tussen enerzijds het betoog der Commissie dat SU met RT op de Nederlandse markt een niet-concurrentiële structuur had „gevestigd” en anderzijds haar erkentenis dat de nationale marktordeningen een hinderpaal op de weg naar de totstandkoming van de gemeenschappelijke suikermarkt opleverden. De Commissie heeft gedoeld op het tijdstip waarop de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke ordening der markten het vrije verkeer van suiker mogelijk maakte.

Ter aanvulling van het bewijs van de bemoeiingen van SU om de vrijheid van de importhandel aan banden te leggen, legt de Commissie verklaringen over die de firma Jacobson te Rotterdam ten overstaan van een inspecteur der Commissie heeft afgelegd. — De prijs waartegen de handelaren de resterende Franse suiker aan de fabrikanten hebben moeten verkopen, levert het bewijs op dat die transacties slechts ten gevolge van ongeoorloofde druk tot stand konden komen.

De Commissie had niet de bedoeling SU's gedrag rechtens als dat van een alleen vertegenwoordiger te kwalificeren; zij wilde alleen maar een vergelijking maken.

De Commissie acht het abnormaal dat SU wel in Nederlands Limburg levert, maar niet in het dichterbij gelegen West-Vlaanderen. Deze ongerijmdheid is geenszins te verklaren door het feit dat de aankoop bij de grootverbruikers was gecentraliseerd en SU's standpunt gaat helemaal niet op voor de industriële gebruikers.

De verklaring die SU geeft van haar houding ten opzichte van de condensindustrie is innerlijk tegenstrijdig: SU stelt enerzijds dat zij als gevolg van de suikeraankopen die de importeurs in Frankrijk hadden gedaan met overschotten was blijven zitten, anderzijds dat zij niet in staat is uit haar eigen produktie in de behoeften van haar klanten te voorzien. De stukken die de Commissie ten bewijze van haar posita overlegt, te weten die waarin de verklaringen van de heer Rolin voorkomen, zijn niet anoniem.

De Commissie meent dat het feit dat een fabrikant zich met de hulp van een concurrent tegen het teruglopen van zijn marktaandeel te weer stelt, er op neerkomt dat de markt voor rechtstreekse toegang van de goederen van die concurrent wordt afgesloten. De Commissie noemt een aantal passages uit stukken van SU, waarin zij erkent zich aldus te hebben gedragen.

Zelfs de transactie tussen SU en Pfeifer & Langen was in zijn eindeffect een vorm van samenwerking tussen op zijn minst potentiële concurrenten, die een vervalsing van de mededinging op de Nederlandse markt tot gevolg heeft gehad.

Noch in de beschikking noch in het verweerschrift wordt gezegd dat alleen SU en CSM Belgische suiker in Nederland hebben geïmporteerd. Uit de stukken van de Commissie blijkt echter dat de invoer van Belgische (en Duitse) suiker in Nederland goeddeels van fabrikant naar fabrikant liep of aan beperkende bepalingen inzake de bestemming was onderworpen.

###### b) CSM: Schending van artikel 85 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

CSM betoogt dat geen door haar begane feiten of gedragingen de conclusie rechtvaardigen dat zij in strijd met artikel 85. lid 1, heeft gehandeld. De gestelde afgestemde feitelijke gedraging tussen enerzijds CSM en SU, anderzijds RT en Pfeifer & Langen, die er in zou hebben bestaan dat „de Nederlandse fabrikanten” suiker rechtstreeks bij „de Belgische en Duitse fabrikanten” betrokken en vervolgens tegen dezelfde prijs en verkoopvoorwaarden als binnenlandse suiker doorverkochten — waardoor de mededinging werd beperkt —, heeft zich niet voorgedaan. Waar er van een overeenkomst tussen de ondernemingen in de beschikking bedoeld geen sprake is geweest, moeten zich voor de toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, op afstemming berustende gedragingen hebben voorgedaan, waardoor de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt moet zijn beperkt — en wel zo zeer dat de handel tussen Lid-Staten er door werd benadeeld —.

CSM stelt geen enkele commerciële, relatie met Pfeifer & Langen te onderhouden en omtrent haar importen geen overleg te plegen met SU. Van een gedraging waarbij die vier in de beschikking bedoelde partijen betrokken zijn, is dus geen sprake.

Als fabrikant van suiker gedraagt CSM zich op geen enkele wijze „parallel met” de suikerfabrikant RT. De Commissie miskent dat CSM ook handelaar is en voor wederverkoop in Nederland steeds suiker bij buitenlandse fabrikanten heeft gekocht, veelal ook voor rekening van de Nederlandse Regering.

De stelling dat „de Nederlandse fabrikanten …” in toenemende hoeveelheden witte suiker hebben gekocht bij hun met name in België en Duitsland gevestigde concurrenten (vgl. beschikking, blz. 24, r. kol.) is ten dele onjuist. CSM heeft nooit bij Pfeifer & Langen gekocht; om haar tekort aan te vullen heeft zij zich uitsluitend gewend tot RT, zij het voor slechts 4 à 10 % van de Nederlandse importen.

Het schijnt dat de Commissie er niets tegen heeft dat CSM ruwe suiker bij buitenlandse fabrikanten koopt (vgl. beschikking, blz. 25, 1. kol.). Maar CSM heeft de bij RT gebrachte kristalsuiker vrijwel volledig als grondstof voor de produktie van basterdsuiker benut.

De handelsrelaties CSM/RT beantwoorden aan CSM's wettig belang suiker te kopen om zelf aan de vraag van haar klanten te kunnen voldoen en aan RT's wettig belang om haar overschotten in Nederland te kunnen leveren zonder daar een eigen verkoop- en distributieapparaat op te zetten — terwijl er nog geen enkele zekerheid bestaat over de toestand die na het einde van de overgangsperiode (in 1975) zal intreden —. Hunnerzijds beschikken de Nederlandse handelaren niet over het voor levering aan de gemiddelde koper nodige opslag- en distributieapparaat. Ook RT behoeft voor haar levering van suikerklontjes op de Nederlandse markt geen verkoopapparaat op te bouwen; anderzijds belet niets de Nederlandse consument ook zijn klontjes bij SU te kopen.

Parallel gedrag valt, wanneer daarvan al sprake is, alleen onder artikel 85 wanneer het op een gemeenschappelijk plan, een gecoördineerd beleid berust. Dit nader element mag slechts bewezen worden geacht wanneer er sprake is van feitelijke vermoedens, ontleend aan een uniforme gedragslijn ten aanzien van de prijzen. Daarvan kan in casu echter niet worden gesproken.

De verschillende door de Commissie in haar beschikking aangehaalde verklaringen, waarin de toepassing van de regel „chacun chez soi” door de Europese suikerfabrikanten ter sprake komt, kunnen niet tegen CSM worden gebruikt. — Het „chacun chez soi”-beginsel kenmerkte in de jaren dertig een overeenkomst van Belgische en Nederlandse fabrikanten. Dat deze zelfde zegswijze nog wel eens wordt gebruikt wil niet zeggen dat er nog altijd bepaalde afspraken of overeenkomsten aan ten grondslag liggen. Onder een gelijke garantieregeling, vaststaande quota, een vrijwel gelijk prijsniveau en vergaande invloed van de overheid op de prijzen bestaat de noodzaak van zulk een afspraak niet meer. — Dat RT er voor zorgt dat van haar afkomstige suiker niet langs andere dan de door haar gekozen afzetkanalen naar Nederland wordt geëxporteerd, gaat alleen die onderneming aan. Er is geen enkele wederzijdse verplichting aangegaan; RT is volledig vrij haar beleid te wijzigen en CSM kan te allen tijde besluiten haar tekort elders te dekken.

De Commissie heeft niet duidelijk gemaakt hoe CSM's aankopen bij RT de concurrentie op de Nederlandse markt kunnen beperken. De eigen cijfers van de Commissie wijzen uit dat er aanzienlijke importen door onafhankelijke Belgische fabrieken en via Duitse handelaren hebben plaatsgehad; de concurrentie uit het buitenland doet zich nog steeds gevoelen. CSM geeft in overweging dat de Commissie gegevens zal verstrekken omtrent de hoeveelheden en percentages die langs de verschillende kanalen worden ingevoerd; zij stelt haar eigen aandeel op maximaal 10 %.

Ter beantwoording van de vraag of er sprake is van een reële merkbare invloed op de concurrentie, moet vooral op de ontwikkeling der prijzen worden gelet. Wanneer de Commissie dit niet had nagelaten zou zij hebben vastgesteld dat de prijzen af fabriek zich alleen hebben gewijzigd in samenhang met de wijzigingen van de richt- en interventieprijzen, zoals die door de Raad worden vastgesteld. De overheid oefent bovendien een zodanige invloed uit op de prijsvorming dat iedere onverantwoorde prijsverhoging uitgesloten is.

Wat betreft de invloed op de handel tussen Lid-Staten: de zuiver zakelijke relatie tussen CSM en RT belemmert de vrije handel tussen Nederland en andere landen in geen enkel opzicht en ook van beïnvloeding der handelsstromen is geen sprake.

Wat de export betreft: CSM heeft geen enkele reden om suiker te exporteren; zij komt al suiker tekort om haar Nederlandse afnemers te bedienen en bovendien heeft zij in Nederland de beschikking over een distributieapparaat. Om levering van suiker aan afnemers in België is haar nooit gevraagd, zodat van een weigering zulke leveranties te verrichten ook geen sprake kan zijn (vgl. beschikking, blz. 25, 1. kol.).

Wat de import betreft: het tekort in Nederland wordt slechts voor een gering percentage door CSM's importen gedekt; de rest wordt geïmporteerd door SU, de drie Nederlandse handelaren en derden.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

Het verweerschrift der Commissie is goeddeels gelijkluidend aan het verweerschrift dat zij in de zaak 40-73 heeft ingediend en waarvan de inhoud hiervoor werd samengevat (vgl. supra, a, 2).

Naar aanleiding van de stellingen die in het bijzonder door CSM zijn voorgedragen bepaalt de Commissie haar standpunt als volgt:

Het feit dat verzoekster in een stelsel van gescheiden nationale markten zowel producent als handelaar was, geeft haar nog niet het recht om, gesteund door de gedragingen van een concurrent, het economisch effect van de vroegere verbrokkeling te handhaven. Het is dit aan verzoekster bekende en door haar gesteunde gedrag dat het haar mogelijk maakte om haar tegenactie tegen de verkoop van Franse suiker kracht bij te zetten (vgl. supra, 6).

Wanneer de Belgische suiker vrijelijk met de Nederlandse suiker had kunnen concurreren, zouden de prijzen in Nederland zijn gedaald en de Nederlandse overheid zou zich daartegen niet hebben verzet.

CSM heeft niet ontkend zich sterk te hebben gevoeld omdat RT haar voorziening garandeerde door haar weigering te leveren aan handelaren die zich niet verbonden zich van bevoorrading van CSM's traditionele klanten te onthouden.

Terwijl voor de invoer van voor verdere raffinage bestemde ruwe suiker een rechtvaardiging kan worden gevonden in de wens te komen tot een zekere werkverdeling tussen raffinaderijen die over een uiteenlopende industriële uitrusting beschikken, overweegt bij de invoer van witte suiker het streven om bestaande afzetgebieden te beschermen. Zelfs wanneer de ingevoerde hoeveelheid tot basterdsuiker wordt verwerkt, houdt men voor de eigen klantenkring de beschikking over de resterende witte suiker.

De invoer van suiker voor niet-fabrikanten was onderworpen aan beperkende voorwaarden inzake de uiteindelijke be stemming, zodat verzoekster op haar eigen afzetgebied geen concurrentie ondervond.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

CSM meent dat het in deze procedure alleen nog gaat om de leveringen van RT, nu de Commissie niet langer staande houdt dat verzoekster tot Pfeifer & Langen in enigerlei relatie staat. CSM erkent dat zij, wanneer zij suiker tekort komt om haar afnemers in Nederland te bevoorraden, dat tekort tot nu toe bij RT heeft gedekt. Het gaat daarbij echter om — absoluut en relatief gezien — kleine hoeveelheden. Deze kooptransacties berusten evenwel op een eenzijdig besluit van CSM, dat uitsluitend op commerciële overwegingen is gebaseerd.

Aan CSM kan niet worden verweten dat zij niet met andere fabrikanten op de nationale markt concurreert; zij heeft daartoe te weinig suiker. RT's gedrag berust op een eenzijdig besluit van die onderneming en niet op een met CSM afgestemde feitelijke gedraging.

Met betrekking tot de gestelde weigeringen en beperkingen inzake de uiteindelijke bestemming van de suiker: de door de Commissie in het geding gebrachte stukken van Export moeten worden beoordeeld in het licht van de spanningen die in 1970/1971 kennelijk tussen deze firma en RT waren ontstaan. Export schijnt er op uit te zijn geweest een voor RT belastend dossier samen te stellen. Het zou dus onaanvaardbaar zijn alleen op van Export afkomstige stukken af te gaan.

Bovendien betreffen deze stukken uitsluitend de handelspolitiek van RT; RT heeft die politiek eenzijdig en in haar eigen belang gevoerd, terwijl er omtrent die politiek generlei afspraak of onderling afgestemde gedraging tussen RT en CSM bestaat of bestond. Omdat Nederland een structureel tekortgebied was, zou een dergelijke afspraak trouwens eenzijdig in het belang van de Nederlandse suikerfabrikanten zijn. Het is onaannemelijk dat RT een dergelijke afspraak met die fabrikanten zou maken zonder enige contraprestatie. Maar de Commissie heeft geen enkel feit genoemd dat daarop zou kunnen wijzen.

De in sommige stukken voorkomende suggestie dat export uit België naar Nederland ingevolge een met CSM of SU getroffen afspraak of afstemming alleen met toestemming van de Nederlandse fabrikanten zou kunnen plaatsvinden, is geheel uit de lucht gegrepen. Indien RT dit al ooit tegenover Export heeft verklaard, is dat gebeurd om Export met een kluitje in het riet te sturen.

Tegen de stelling dat de houding van belanghebbenden zou betekenen dat RT, CSM en SU in Nederland een „afzetgarantie” gaf, kan worden ingebracht dat het misleidend is ten deze van een „garantie” te spreken; van een vastgelegde rechtsverhouding was geen sprake.

CSM zet uiteen waarom het haars inziens feitelijk en rechtens onjuist is CSM's rechtspositie met die van een „alleenvertegenwoordiger” van RT gelijk te stellen.

Andere aanwijzingen voor de gewraakte gedragingen ontbreken. De Commissie noemt geen abnormale marktomstandigheden en ook geen abnormale prijsvorming. Wat met name de prijzen betreft verwijst CSM naar haar verweerschrift tegen de mededeling van de punten van bezwaar, waarin zij heeft uiteengezet waarom die prijzen nog beneden de richtprijs lagen — wanneer men bepaalde kosten in aanmerking neemt die bij verkoop aan het interventiebureau niet behoeven te worden gemaakt —. De Commissie kan er niet mee volstaan hiertegen in te brengen dat de prijzen in Nederland 3 tot 7 % boven de interventieprijs lagen. CSM betwist bovendien de juistheid van de cijfers der Commissie; voor zover haar prijzen boven de interventieprijs lagen, wordt dat verklaard door de factoren die zij in haar verweerschrift tegen de mededeling heeft genoemd.

Zelfs al zouden de gedragingen van CSM en RT onderling afgestemd geweest zijn — quod non —, dan zou daardoor de mededinging binnen de gemeenschappe lijke markt nog niet zijn beperkt en de tussenstaatse handel niet ongunstig zijn beïnvloed. Afnemers die niet bij CSM willen kopen hebben uitwijkmogelijkheden genoeg bij andere fabrieken in België, West-Duitsland en Noord-Frankrijk. CSM nodigt de Commissie uit alle cijfers betreffende het handelsverkeer tussen Nederland en de andere Lid-Staten over te leggen; men zal dan kunnen vaststellen dat er in het grensgebied tussen België en Nederland wel degelijk een „vrij” handelsverkeer bestaat, waaraan RT, SU en CSM niet deelnemen.

Wat de tussenstaatse handel betreft: CSM's aandeel in de Nederlandse import bedraagt slechts 4 tot 10 %, zodat er wel degelijk concurrentie bestaat tussen de vele invoerkanalen. Het is in dit verband veelzeggend dat de Commissie niet heeft voldaan aan verzoekers oproep gegevens inzake de verdeling der importen te verschaffen. — Mocht de tussenstaatse handel beperkt zijn gebleven, dan zou dat een logisch gevolg zijn van het feit dat de binnenlandse fabrikanten in hun onderscheiden landen een sterke positie innemen — verzoekster heeft daaraan in haar verweerschrift reeds beschouwingen gewijd —.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie betoogt dat, zo goed als artikel 85 niet alleen afspraken verbiedt die de vervalsing van de concurrentie beogen maar ook die welke, ofschoon een ander doel hebbend, toch een concurrentievervalsende werking hebben, het voor vaststelling van een inbreuk op dat artikel ook voldoende is dat er feitelijke gedragingen op elkaar zijn afgestemd, ook wanneer een op beperking der mededinging gerichte wilsovereenstemming ontbreekt. Handelstransacties tussen concurrenten zijn bij uitstek geschikt om marktgedrag af te stemmen. CSM is niet bestraft wegens een „verstandhouding” met RT, maar wegens een onderling afgestemde feitelijke gedraging die haar voornaamste belichaming gevonden heeft in transacties met die onderneming. De aanvullende maatregelen van RT — weigeren op aanvragen om levering in Nederland en bestemmingsclausules in de contracten met Belgische exporteurs — waren CSM, zeker in hun beginsel, bekend; zonder deze aanvullende maatregelen zou aankoop bij RT voor de Nederlandse fabrikanten zelfs te riskant zijn geweest. RT heeft besloten niet op de Nederlandse markt te concurreren en CSM heeft besloten bij de verwezenlijking van dit voornemen met RT samen te werken, hetgeen RT weer aanvaard heeft. De transacties tussen fabrikanten en de aanvullende maatregelen vertonen een zo vast, coherent, sluitend en blijvend patroon dat mag worden gesteld dat belanghebbenden de structuur van het aanbod hebben willen beïnvloeden en daarin ook zijn geslaagd.

De aankopen bij RT zijn meer dan een eenzijdig besluit van CSM, want het tekort dat CSM zou hebben willen dekken, is denkbeeldig. In een concurrentiële economie zet een producent zijn eigen produktie af, niet meer en niet minder; valt deze produktie, om welke reden dan ook, kleiner uit dan vroeger, dan zal hij met een kleiner marktaandeel genoegen moeten nemen. CSM heeft echter haar zogenaamde traditionele marktaandeel willen handhaven en zich daartoe juist gewend tot de concurrent voor wie de Nederlandse markt bij het openstellen van de grenzen een natuurlijk afzetgebied voor zijn overschotten werd. Gezien de prijsverschillen tussen de Nederlandse en de Belgische markt kon dit uiteraard voor beiden voordelig zijn: CSM, kocht suiker èn rust op de Nederlandse markt en RT verkocht suiker zonder enige concurrentiële inspanning.

CSM's betoog inzake de verhouding tussen RT en Export is een door niets gestaafde bewering die de bewijswaarde van het overgelegde materiaal niet vermag aan te tasten.

Ten bewijze van laakbare gedragingen behoeft niet te worden aangetoond dat de prijzen hoger zijn komen te liggen dan anders het geval zou zijn geweest. In ieder geval werd met RT's suiker de behoefte van CSM's „traditionele” klanten volledig gedekt, en wel tegen haar eigen prijs en niet tegen die van RT. Tot staving van haar standpunt inzake het prijspeil op de Nederlandse markt geeft de Commissie een overzicht van de prijzen af fabriek van CSM, SU en de Nederlandse handel, vergeleken met de interventieprijs. Het is voorts volgens de Commissie niet juist dat CSM haar prijzen assimileert aan suiker van categorie 1, terwijl de wensen van de afnemers eerder uitgingen naar suiker van de categorieën 2 en 3.

De Commissie geeft cijfermateriaal betreffende het handelsverkeer tussen Nederland en België en betoogt dat de transacties tussen de betrokken ondernemingen, ofschoon in absolute zin niet erg in de cijfers lopend, een belangrijk aandeel vormen van de in totaal vastgestelde handel — terwijl de transacties die aan een bestemmingsclausule onderworpen waren, er nog bij moeten worden opgeteld —.

###### c) RT: Schending van artikel 85 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Hetgeen RT onder dit middel betoogt heeft ten dele ook betrekking op de grief inzake de bescherming van de Italiaanse markt. In zoverre zij derhalve verwezen naar hetgeen hiervoor onder III, 1, B, is uiteengezet.

RT betoogt dat de Commissie haar niet mag verwijten dat zij er op heeft gestaan dat de door haar verkochte en voor denaturering bestemde suiker daartoe ook werkelijk zou worden gebruikt (beschikking, blz. 25, 1. kol.); immers, het onderscheid tussen de markt voor voedingssuiker enerzijds en anderzijds die voor export of denaturering van suiker, berust op een aantal communautaire en nationale administratieve maatregelen. Omdat het basisquotum en a fortiori het maximumquotum de suikerbehoeften voor menselijke voeding in de Gemeenschap te boven gaan, moet een deel van het maximumquotum worden uitgevoerd naar derde landen dan wel worden verkocht voor voederdoeleinden of voor de chemische industrie. De verordéhingen nrs. 766/68 en 2049/69 hebben er met hun stelsels van inschrijving voor het bedrag van de exportrestitutie c. q. denatureringspremie toe geleid dat in deze beide sectoren de interventieprijsgarantie kwam te vervallen. Alleen op de markt voor menselijke voeding was voortaan de ontvangst van een bedrag overeenkomend met de interventieprijs gewaarborgd, zodat het normaal is dat een verkoper die suiker tegen de overschottenprijs verkoopt, maatregelen neemt om te voorkomen dat de koper hem, in strijd met het verkoopcontract — waarin de bestemming is vermeld —, op de markt voor menselijke consumptie oneerlijke concurrentie aandoet via de met een bestemmingsclausule verband houdende prijsconcessie. Trouwens, volgens artikel 19 van verordening nr. 100/72 kan worden nagegaan of er ook werkelijk wordt gedenatureerd.

Daarbij komt dat het in de praktijk niet mogelijk was om aan het Belgische interventiebureau te verkopen omdat de Belgische autoriteiten, bang voor administratieve rompslomp en voor de noodzaak voorschotten ten laste van de schatkist te moeten opnemen, er niet welwillend tegenover stonden.

RT heeft geen verkooporganisatie voor de afzet van witte suiker in het buitenland. Zij heeft gemeend zo'n organisatie niet nodig te hebben omdat zij over mogelijkheden beschikte grote partijen witte suiker te plaatsen bij kopers in het buitenland van wie zij, wat prospectie, vervoer en financiering betreft, geen moeilijkheden te duchten had. Omdat dit beleid haar door haar eigen belangen was ingegeven, heeft zij van de buitenlandse fabrikanten generlei tegenprestatie begeerd of verkregen.

Ten onrechte wordt in de beschikking (blz. 25, 1. kol.) aan RT verweten dat zij geweigerd zou hebben aan in Nederland gevestigde klanten suiker te leveren „en zulks ondanks het bestaan van aanzienlijke overschotten … in België”. In de mededeling van de punten van bezwaar wordt deze grief gestaafd met twee brieven van RT uit de maanden augustus en september 1968; maar op dat tijdstip moest er, blijkens de cijfers van de Commissie en van het Belgische Nationaal Instituut voor de Statistiek, juist Nederlandse suiker worden geïmporteerd.

Aan de hand van cijfers tracht RT te weerleggen dat zij bij haar verkopen aan de Nederlandse fabrikanten minder winst zou hebben gemaakt dan zij bij rechtstreekse levering aan de verbruikers had kunnen behalen (beschikking, blz. 33, r. kol.).

RT meent dat de belangrijkste bewijsmiddelen voor de afstemming van gedragingen waarop de Commissie zich beroept, te weten Exports correspondentie en nota's, hun waarde verliezen wanneer men ze plaatst in het kader van de betrekkingen tussen verzoekster en Export: omdat de beide firma's door dezelfde groep aandeelhouders werden gecontroleerd, werd aan het einde van de oorlog besloten dat RT voortaan alleen zou fabriceren en Export zich alleen op de handel zou toeleggen. Dit uiteengaan gaf aanleiding tot een meningsverschil, toen Export bleek het alleenverkoopsrecht voor verzoeksters produktie te willen verkrijgen. De heroriëntering van de export als gevolg van de oprichting van de gemeenschappelijke suikermarkt was voor verzoekster aanleiding rechtstreekse handelsrelaties met belangrijke kopers aan te gaan, waardoor het geschil met Export zich toespitste. In die situatie heeft Export bepaalde telexberichten opgesteld in voor RT sterk belastende bewoordingen, ingegeven door de wens dat van een en ander een dossier zou worden aangelegd. — RT geeft echter toe dat de inhoud van die stukken berust op verklaringen die zij zelf aan Export heeft afgelegd. Zij heeft Export niet openlijk willen zeggen dat zij er mee gebaat was wanneer de handel bij bepaalde transacties zou worden uitgeschakeld en het daarom, commercieel gesproken, juister geacht zich achter zogenaamde afspraken met haar buitenlandse collega's te verschansen.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

Het antwoord van de Commissie behelst een betoog dat vrijwel gelijkluidend is aan haar hiervoor samengevatte betoog in de zaak 40-73 (vgl. supra, a, 2). De Commissie geeft vervolgens een uiteenzetting van de belangrijkste feiten welke zij aan haar vaststelling ener onderling afgestemde feitelijke gedraging van RT, Pfeifer & Langen en de Nederlandse fabrikanten ten grondslag heeft gelegd.

Uit een aantal in augustus en september 1970 tussen RT en Export gewisselde schriftelijke stukken blijkt dat RT zonder toestemming van de Nederlandse industrie geen suiker voor export naar Nederland wilde leveren. Dit handelsbeleid heeft vervolgens zijn neerslag gevonden in een verkoopcontract tussen Export en een Nederlandse importeur.

Uit andere stukken blijkt dat aan Nederlandse gebruikers die zich bij RT wensten te bevoorraden, veelal levering geweigerd werd op grond dat er geen suiker voorradig zou zijn.

Door andere stukken wordt bewezen dat RT in bepaalde gevallen voor export naar Nederland aan Belgische handelaren slechts wenste te leveren op voorwaarden waarin de bestemming (Nederlandse melkindustrie, denaturering) werd aangegeven of waarin werd vastgelegd dat de suiker niet voor menselijke voeding mocht worden gebruikt. Uit deze bescheiden blijkt voorts dat RT de Belgische handel onder druk zette opdat zij de controle van de Nederlandse markt door de Nederlandse fabrikanten zou eerbiedigen (vgl. ook infra, 6).

De Commissie geeft gedetailleerde cijfers betreffende de ontwikkeling van het handelsverkeer tussen België en Nederland, volgens welke de Belgische uitvoer van witte suiker naar Nederland van 9700 ton in 1967/1968 is opgelopen tot 99200 ton in 1971/1972, terwijl de Nederlandse leveringen naar België in hetzelfde tijdvak blijken te zijn gedaald van 4000 tot 200 ton. Aan de hand van cijfers betoogt zij dat, gelijk op met deze ontwikkeling, de leveringen van de Belgische fabrikanten aan die in Nederland (of, met hun toestemming, aan de Nederlandse melkindustrie) zijn opgelopen tot ongeveer 75 % van de totale leveranties in de beide laatste verkoopseizoenen. In datzelfde tijdvak zouden de leveringen der Franse fabrikanten aan Nederland tot een minimale hoeveelheid in het vierde verkoopseizoen (500 ton) zijn geslonken.

RT's leveringen kunnen, bezien in samenhang met RT's verdere maatregelen en gedragingen, hun verklaring niet vinden in het feit dat zij uit een oogpunt van handelspolitiek de voorkeur zouden hebben verdiend. Door rechtstreeks aan de Nederlandse industrie te verkopen heeft RT ervan afgezien een onafhankelijke handelspolitiek te voeren en, haar gedrag op dat van de Nederlandse fabrikanten afstemmend, de Nederlandse gebruikers en handelaren belet zich vrijelijk in België te bevoorraden.

De Commissie wijst er voorts op dat RT's leveringen aan de Nederlandse fabrikanten geen rechtvaardiging kunnen vinden in overwegingen van technische aard (ontbreken van raffinagecapaciteit) en dat de leveringen van ruwe suiker uit België met bestemming Nederland, 1000 ton in 1967/1968, in 1970/1971 op nihil zijn komen te liggen.

Tenslotte gaat de Commissie in op enkele specifieke argumenten van RT:

De scheiding tussen de markt voor menselijke voeding en de „overschotten”-markt is geen uitvloeisel van de communautaire ordening. Integendeel, door sommige stukken, waaronder het proces-verbaal van de op 30 mei 1968 te München gehouden vergadering, wordt bewezen dat zij is teweeggebracht door de ondernemingen die bij de onderling afgestemde gedragingen betrokken zijn, en wel als een der middelen om tot een af scherming van de nationale markten te komen. RT gaf er de voorkeur aan de suiker naar derde landen te exporteren of voor denaturering te bestemmen, om zo de markt binnen de Gemeenschap te ontlasten van hoeveelheden die het prijsniveau van voor menselijke voeding bestemde suiker hadden kunnen beïnvloeden. Met dit oogmerk — en niet in verband met de houding der Belgische autoriteiten — heeft RT haar „overschotten” niet ter interventie aangeboden.

Het is niet waar dat RT zich bij het begin van het seizoen 1968/1969 op Nederlandse suiker aangewezen heeft gezien.

De Belgische exporteurs hebben destijds de bij SU gekochte suiker wederom uitgevoerd. RT heeft in dat seizoen meer dan 4000 ton aan de Nederlandse fabrikanten geleverd.

Ten onrechte bestrijdt RT de overweging van de beschikking dat „een fabrikant, normaal gezien, er geen belang bij heeft grote hoeveelheden van zijn' produkten aan een of meerdere concurrenten te verkopen” en dat „hij een grotere winst kan halen door deze rechtstreeks aan de betrokken handelaren en gebruikers te leveren”. De door RT aangehaalde prijzen zijn nietszeggend omdat zich daarin een markt afspiegelt waarin de concurrentie als gevolg van de gewraakte afstemmingen niet tot ontplooiing komt.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

RT betoogt dat de Commissie de zaken zuiver theoretisch bekijkt wanneer zij stelt dat RT van de Belgische administratie had kunnen verlangen dat zij ter interventie aangeboden suiker ook aannam. Zij was bij haar bedrijfsuitoefening in zeer veel opzichten op haar regering aangewezen en moest dus wel met de verlangens van de bevoegde ambtenaren rekening houden.

RT brengt nogmaals de bewijskracht der door de Commissie bedoelde stukken ter sprake en merkt op dat zij uitsluitend op haar eigen verklaringen aan Export berusten. Voor het overige verwijzend naar haar verzoekschrift betoogt zij dat er, naar uit de door de Commissie overgelegde stukken blijkt, destijds een duidelijke belangenstrijd tussen verzoekster en Export bestond, waarbij het vooral om de prijzen ging. — Voorts staat tegenover RT's verklaringen aan Export het feit dat RT terzelfder tijd rechtstreeks aan de gebruikers heeft verkocht — hetgeen zou blijken uit een aantal bij het verzoekschrift gevoegde contracten — .

Met betrekking tot hetgeen de Commissie „verkoopweigering” belieft te noemen betoogt RT dat haar antwoord op een verzoek om levering onder meer bepaald wordt door de geboden prijs en de op het tijdstip van aanvraag aanwezige voorraden — de reserves voor de traditionele klantenkring en reeds gesloten exportcontracten in aanmerking genomen —. Een afwijzend antwoord kan dus slechts een voorlopig karakter dragen.

De afwijzende reacties op Exports verzoeken zijn bovendien te verklaren door de wens bepaalde transacties op voordeliger condities en rechtstreeks met de gebruiker af te sluiten.

Wanneer wordt ontkend dat RT in het begin van het seizoen 1968/1969 over maar weinig overschotten beschikte, wordt het verkoopseizoen in de zin van de ordening der Gemeenschap (1 juli tot 30 juni) verward met de „suikercampagne” die van oktober tot september loopt. De aanvragen uit Nederland waarvan de Commissie gewag maakt betroffen kristalsuiker. En de voorraad kristalsuiker per 30 september 1968 ging de 5360 ton niet te boven, een ter overbrugging van beide seizoenen erg geringe hoeveelheid; men bedenke dat het verbruik van kristalsuiker in België gedurende de maand oktober 14925 ton beliep. Door in de maanden augustus en september 1968 niet op Nederlandse aanvragen in te gaan heeft RT dus alleen maar elementaire voorzichtigheid aan de dag gelegd. — Bij nadere bestudering van de stukken die de Commissie heeft overgelegd en waarmee zij aan de hand van de exporten naar SU en CSM wil bewijzen dat er in augustus en september 1968 voor levering beschikbare voorraden zouden hebben bestaan, blijkt dat bedoelde exporttransacties na de oogst 1968 hebben plaatsgevonden. Het ging daarbij trouwens alleen maar om eenvoudige ruiltransacties die in het kader der veredeling hebben plaatsgehad.

Een scheiding tussen de markt voor menselijke consumptie en de andere overschottenmarkten is geenszins kunstmatig. Wordt voor suiker die voor menselijke consumptie bestemd is ten minste de interventieprijs gemaakt, dat geldt niet ook voor denatureringssuiker — die moet concurreren met de substitutieprodukten —. Wanneer een fabrikant om hem moverende redenen meent bepaalde hoeveelheden suiker voor denaturering — en dus beneden de interventieprijs — te moeten afzetten, heeft hij tevens goede redenen om aan zijn koper te verbieden aan het produkt een andere bestemming te geven; anders zou hij het risico lopen dat bedoelde suiker de prijs van suiker voor menselijke consumptie beïnvloedt.

Door het systeem van inschrijvingen voor het bedrag der denatureringspremie (verordening nr. 2049/69) wordt gespeculeerd op opslag- of financieringsmoeilijkheden der fabrikanten; het is er op gericht de fabrikanten te dwingen beneden de interventieprijs te verkopen; RT verzoekt het Hof dan ook om krachtens artikel 184 van het Verdrag de verordeningen waarbij dat systeem in het leven is geroepen, nietig te verklaren.

RT's transacties op de Nederlandse markt lagen in de lijn van haar eigen handelsbeleid en berustten niet op een afstemming van gedragingen. De vennootschap zou zich wegens de problemen die met het bestaan van grote overschotten ruwe suiker en het ontbreken van een verkooporganisatie buiten België verband hielden, op de Nederlandse markt in geen geval anders hebben gedragen. Het gaat niet aan RT een afscherming der markten na te houden, terwijl de Belgische suikerexporten naar Nederland van 1967/1968 op 1971/1972 meer dan vertienvoudigd zijn. De terug gang van de Nederlandse suikerexporten naar België en van de Franse suikerexporten naar Nederland is het logisch gevolg van het feit dat RT op grond van haar ligging het meest in aanmerking kwam zich met de Nederlandse markt in te laten. De leveringen van specialiteiten vinden hun oorzaak in technische factoren; zo is de levering van suikerklontjes aan CSM te verklaren door het feit dat dat bedrijf niet over de nodige technische apparatuur beschikte. De leveringen van kristalsuiker aan CSM en SU hebben alleen in 1970/1971 en 1971/1972 plaatsgevonden en zijn 25000 ton per jaar niet te boven gegaan.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie antwoordt dat RT zich, waar zij niet — op grond van verordening nr. 1009/67 — heeft verlangd dat het Belgische interventiebureau de ter interventie aangeboden suiker overnam, heeft laten leiden door haar beduchtheid dat deze suiker op de markt voor menselijke consumptie zou worden doorverkocht — waardoor het prijsniveau binnen de Gemeenschap onder druk zou zijn komen te staan — en heeft willen vermijden dat onafhankelijke handelaren bedoelde partijen in handen kregen.

De bestemmingsclausules moeten worden beoordeeld in samenhang met RT's verdere marktbeschermende maatregelen. Zo heeft RT gestaan op naleving van een denatureringsclausule, die betrekking had op een partij naar Duitsland verkochte suiker, nota bene nadat de denatureringspremie was ingetrokken (verordening nr. 356/69). Met een beroep op de tussen RT en Hottlet gewisselde handelscorrespondentie stelt de Commissie dat RT ten titel van vergoeding van schaden en interesten een 4,6 % boven de interventieprijs gelegen prijs heeft verlangd voor het geval dat bedoelde suiker voor een gewone industriële bestemming mocht worden verkocht.

Men kan niet volhouden dat eenvoudige overwegingen van commerciële aard (ontbreken van een verkooporganisatie in het buitenland, overschotten aan ruwe suiker) bij RT's marktgedrag de doorslag hebben gegeven. Integendeel, de afstemming verklaart waarom een machtige onderneming als RT het niet nodig heeft geacht op het territoir van haar concurrenten een verkooporganisatie op te bouwen.

De Commissie acht de verklaring voor de weigering om — in de herfst van 1968 — naar Nederland te leveren, niet overtuigend. Wanneer men ermede rekening houdt dat het Belgisch verbruik in 1968/1969 139000 ton beliep, dan waren de voorraden per 1 juli 1968 (107000 ton) met een derde van het jaarlijks verbruik in dat land gelijk te stellen en dus ruimschoots voldoende om de behoeften tot midden september te dekken — de nieuwe campagne begon in september 1968 —.

Ten slotte: de bewering dat de leveranties van suikerklontjes zouden zijn te verklaren door de krappe Nederlandse markt voor dat produkt — die het inrichten van de nodige apparatuur niet rechtvaardigde —, is er met de haren bij gesleept en door verzoekster niet bewezen.

###### d) Pfeifer & Langen: Schending van artikel 85 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Pfeifer & Langen bespreekt de gevolgen van de vroegere Duitse suikermarktordening en van die der Gemeenschap en concludeert dat de goederenbeweging en de marktsituatie op het territoir harer bedrijfsuitoefening uiteindelijk hun verklaring vinden in de vanouds bestaande handelsbetrekkingen tussen de verwerkende industrie en de Duitse suikerfabrikanten, in de behoeften van de Duitse verwerkende industrie — wat betreft kwaliteit en regelmatige bevoorrading —, in de door de interventieprijs vervulde rol van wettelijk gegarandeerde minimumprijs, alsmede in de transportkosten en andere factoren (muntpariteiten, compenserende bedragen) die het vrije verkeer van goederen belemmerden. Met name moest de Duitse verwerkende industrie het hebben van een geregelde voorziening op korte termijn met suiker, die voldeed aan zeer precieze, maar vaak erg gedifferentieerde kwaliteitsnormen. En de ervaring ten tijde van de Duitse suikermarktordening had de kopers geleerd dat zij bij verzoekster op een goede bediening mochten rekenen. Daarom hebben zij zich aanvankelijk ten aanzien van de nieuwe communautaire voorzieningsbronnen erg gereserveerd getoond.

De stelling dat de suiker bij uitblijven van de gewraakte gedragingen althans bij gelegenheid beneden de interventieprijs had kunnen worden geleverd — zodat aan de consumenten aanmerkelijk nadeel zou zijn toegebracht —, houdt een miskenning in van de functie van de interventieprijs. Deze heeft inderdaad het effect van een wettelijk gegarandeerde minimumprijs.

In de gedachtengang van de Commissie zelve is de richtprijs de ideale verkoopsprijs, omdat zij alleen de telers van suikerbieten een redelijke beloning vermag te verzekeren, zonder nochtans het inkomen der consumenten al te zeer te belasten. Maar in de praktijk is de richtprijs, een enkele uitzondering daargelaten, nimmer bereikt, hetgeen bewijst dat er hevig werd geconcurreerd.

Het is onjuist te stellen dat de intracommunautaire handel zwak was en in hoofdzaak tot verkopen van fabrikant tot fabrikant beperkt is gebleven. Tot staving van haar standpunt geeft Pfeifer & Langen een overzicht van de voor het gebied der Bondsrepubliek en met name voor Nordrhein-Westfalen bestemde importen.

Zij legt voorts een lijst over van haar exporten naar de landen van de gemeenschappelijke markt en derde staten. Op die lijst komen, wat de handel met Nederland betreft, slechts twee belangrijke transacties voor, die met de Nederlandse exporteur Limako zijn afgesloten en waarin het om een totaal van 15000 ton ging; volgens een door verzoekster mede in het geding gebrachte orderbevestiging en offerte was die partij bestemd om weer naar derde landen te worden geëxporteerd. Die bestemming zou ook worden bewezen door het feit dat deze suiker in een speciale verpakking is aangeboden. Pfeifer & Langen erkent dat 2000 ton van deze partij later tot vloeibare suiker is verwerkt en binnen de gemeenschappelijke markt verkocht.

Pfeifer & Langen wijst er op dat zij nimmer voor denaturering bestemde suiker heeft verkocht, zodat het tot de fabrikanten gerichte verwijt dat zij verschillende prijzen zouden hebben gevraagd al naar gelang de suiker voor menselijke consumptie dan wel voor denaturering of voor export naar derde landen bestemd was, haar niet raakt.

In een ander hoofdstuk bespreekt Pfeifer & Langen de feitelijke en juridische argumenten die haars inziens in de weg staan aan de vaststelling dat zij artikel 85 zou hebben geschonden. Met betrekking tot verzoeksters relatie tot CSM en RT is de beschikking op geen enkel concreet feit gebaseerd. Ten aanzien van verzoeksters betrekkingen met SU kon de Commissie zich alleen maar op voormelde transacties met de firma Limako beroepen. Pfeifer & Langen is met deze firma tot zaken gekomen niet omdat het een Nederlands bedrijf was, maar omdat Limako een voordeliger prijs had geboden dan de Duitse exporteurs. Zij wenst in de gelegenheid te worden gesteld de juistheid van haar posita te bewijzen en verzoekt daarom om het verhoor van een door haar genoemde getuige.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie betoogt dat verzoekster, die toch de belangrijkste Westduitse suikerfabrikante is — met dicht bij de grenzen gelegen raffinaderijen —, anders dan men zou hebben verwacht haar leveringen in de landen van de Benelux nauwelijks heeft uitgebreid. Haar leveringen in Nederland gingen bijna geheel naar fabrikanten.

De Commissie legt een aantal stukken over die van RT en Export zijn uitgegaan en waaruit volgens haar van een overeenkomst inzake de eerbiediging der nationale markten blijkt.

Voorts legt de Commissie een aantal brieven over van bedrijven die levensmiddelen inkopen en waaruit haars inziens blijkt van verkoopweigeringen — waarvoor onvoldoende voorraad als reden werd opgegeven — en — in sommige gevallen — van aanpassing der prijzen aan die in het land van bestemming. In een dier brieven komt ter sprake dat Pfeifer & Langen een van bedoelde bedrijven had gewezen op het bestaan van „Gebietsabsprachen” met de Nederlandse fabrikanten. — De fabrikanten hebben volgens de Commissie de verschillende nationale markten afgeschermd, waarbij de handel aan banden werd gelegd door dwangmaatregelen dan wel in dier voege dat zij niet tot de verkoop van de produktie dier fabrikanten werden toegelaten; ten bewijze hiervan haalt zij bestemmingsclausules aan die door RT, en een door RT gecontroleerde Belgische fabrikant aan de handel werden opgelegd.

De Commissie weigert in de voortdurende invloed van de nationale suikermarktordeningen de enige oorzaak te zien die Pfeifer & Langen aanleiding gaf niet in de aangrenzende gebieden der naburige Lid-Staten te leveren.

Ten onrechte tracht Pfeifer & Langen de functie van de interventieprijs gelijk te stellen met die van een wettelijk gegarandeerde minimumprijs; niets belet de fabrikanten beneden de interventieprijs te verkopen. Het is eveneens onjuist het bewijs van felle concurrentie geleverd te willen achten door het feit dat de suikerfabrikanten er niet in slaagden de richtprijs te bereiken. Zo redenerende miskent men de functie van de richtprijs, die bedoeld is om bij de vaststelling van de drempelprijs als uitgangspunt te worden gebruikt en niet om het prijsniveau aan te geven dat zou moeten worden bereikt om de verwerkende industrie een voldoende marge te laten; die marge wordt hun reeds door de interventieprijs gelaten, zoals uit de sterke toename der produktie sedert de inwerkingtreding van de Europese ordening van de suikermarkt wel blijkt.

Wat de transportkosten betreft, uit de door verzoekster overgelegde kaart, waarop de geografische ligging der suikerfabrieken is aangegeven, blijkt dat Pfeifer & Langens fabrieken zich voor het vervoer van suiker naar het Nederlandse grensgebied in gunstige economische omstandigheden bevinden. De ervaring biedt trouwens voorbeelden van levering over grotere afstanden, zodat de transportkosten de beperkte omvang van de leveringen in de verkoopgebieden der concurrenten niet vermogen te verklaren.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

Pfeifer & Langen ontzegt bewijskracht aan de brieven van de levensmiddeleninkoopbedrijven die door de Commissie zijn overgelegd. In de brief van de firma EDAH te Helmond aan de te Brussel gevestigde Groupement européen des maisons d'alimentation et d'approvisionnement komt ter sprake dat Pfeifer & Langen als reden voor het ontbreken van interesse aan haar kant opgegeven had dat zij voor haar exporten naar Nederland geen betere prijzen kon bedingen. In plaats van hierop in te gaan komt de Commissie aandragen met een andere passage uit dezelfde brief, waarin EDAH geheel ongerechtvaardigd spreekt van een overeenkomst die een verdeling der verkoopgebieden tussen Pfeifer & Langen en de Nederlandse fabrikanten zou behelzen. In de brief van Rewe-Zentral-import te Keulen aan Général Biscuit te Herentals wordt alleen maar gesproken van langlopende contracten met alle Duitse grootverbruikers, die zouden zijn afgesloten „om het suikerverbruik onder controle te hebben”; daarmede worden echter alleen maar vermoedens uitgesproken.

Bij grondiger bestudering van de brief van Gedelfi te Keulen aan GEMAS te Brussel blijkt dat de afzendster de door haar ter sprake gebrachte „verdeling in zones” niet bespreekt als het resultaat van een overeenkomst, maar als het uitvloeisel van met de ligging van de fabriek verband houdende voordelen.

Pfeifer & Langen ontkent ooit aan een handelaar verkoop te hebben geweigerd wanneer zij over voldoende suiker beschikte en de aangeboden condities even gunstig waren als die van andere kopers. Haar bedrijf is gelegen in een gebied met een tekort, waar de produktie slechts eenmaal een zeer gering overschot vertoond heeft. Zij heeft er in die omstandigheden de voorkeur aan gegeven de vanouds met haar traditionele klanten bestaande relaties aan te houden — in plaats van op incidentele mogelijkheden om tot zaken te komen in te gaan —. De hiervoor aangehaalde brieven zijn te minder geschikt om „verkoopweigering” te bewijzen, nu er duidelijk uit blijkt dat zij zijn geschreven door personen die hoopten betere voorwaarden dan de bestaande marktcondities te kunnen bedingen.

Ten onrechte bagatelliseert de Commissie het probleem van de transportkosten, dat de doorslag geeft in gevallen waarin de kostprijzen nagenoeg dezelfde zijn en het om de levering van zeer grote hoeveelheden gaat. Voor zover er werkelijk over grotere afstanden is geleverd, wordt dit standpunt niet gelogenstraft, aangezien de afstand soms voor alle concurrenten nagenoeg dezelfde is — zoals met betrekking tot Italië — en een gegarandeerde voorziening dan het belangrijkste is.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie betoogt dat Pfeifer & Langens argumenten inzake de transportkosten falen. Het door de Commissie geconstateerde feit dat er van noemenswaard handelsverkeer over de grenzen van de BRD, België en Nederland geen sprake was, wordt door de invloed der transportkosten niet verklaard.

Verzoeksters verklaringen betreffende de gevallen waarin levering werd geweigerd en de transacties tussen fabrikanten zijn er alleen op gericht een en ander te bagatelliseren. Verzoekster mag er niet mee volstaan de stukken waaruit van haar eigen weigeringen blijkt, te bespreken. De weigeringen van haar partners om op aanvragen uit verzoeksters verkoopgebied in te gaan, zijn niet minder geschikt om het bestaan van een gedragsafstemming te bewijzen. Uit de stukken die de Commissie aanhaalt blijkt dat alle bij de afstemming betrokken fabrikanten op aanvragen uit het marktgebied van hun partners steeds weer afwijzend hebben gereageerd.

Verzoekster gaat er stilzwijgend aan voorbij dat de firma Gedelfi in haar voormelde brief heeft gesproken van de onmogelijkheid suiker uit EEG-landen te importeren.

###### e) CSM en RT: Schending van verordening nr. 26

RT's argumenten die eveneens de grief inzake op bescherming van de Italiaanse markt gerichte, onderling afgestemde gedragingen betreffen, zijn hiervoor samengevat (vgl. III, 1, B, b).

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift van CSM

Uit de strekking van verordening nr. 1009/67 en de vroeger bestaande situatie leidt CSM af dat de in verordening nr. 26 bedoelde uitzonderingen op de artikelen 85 tot en met 90 van het Verdrag in casu gelden. Zonder haar aankopen bij RT zou haar produktieen distributieapparaat onderbezet zijn en zou zij niet in staat zijn aan de bietenproducenten meer dan de minimumprijs te betalen. Ook brengen de aard van het produkt suiker en de EEG-suikerregelingen mede dat iedere fabriek zo veel mogelijk „chez soi” blijft.

###### 2. Samenvatting van de inhoud der verder gewisselde conclusies

De Commissie spreekt zich over dit middel alleen bij dupliek uit; zij stelt enerzijds dat CSM haar bewering met geen enkel concreet gegeven staaft en anderzijds dat het meer betalen dan de door de Gemeenschap vastgestelde minimumprijs waarin de diverse doelstellingen van artikel 39 verdisconteerd zijn, per definitie niet ook nog tot die doelstellingen kan behoren.

##### 3. De grief betreffende een afstemming van gedrag ter afscherming van de markt in bet westelijk deel van de Bondsrepubliek Duitsland — Pfeifer & Langen en RT —.

###### A — Pfeifer & Langen en RT: middelen van formele en processuele aard

De hiervoor onder 2, B, a tot c, g, vermelde middelen van Pfeifer & Langen hebben in hoofdzaak ook op deze grief betrekking. Hetzelfde geldt ten aanzien van RT's hiervoor onder 1, A, h, weergegeven middel. Naar die hoofdstukken zij derhalve verwezen.

###### B — Middelen ten principale

###### a) Pfeifer & Langen: Schending van artikel 85 van het Verdrag

Pfeifer & Langen werpt dit middel op ter bestrijding van zowel de grief inzake de bescherming van de Nederlandse markt als de onderhavige grief. Voor zover de door partijen in' het bestek van het middel voorgedragen argumenten op beide grieven betrekking hebben wordt naar hoofdstuk 2, C, d (supra), verwezen. Voor zover zij in het bijzonder de thans besproken grief betreffen, kan hun inhoud worden samengevat als volgt:

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Volgens Pfeifer & Langen blijkt uit de in het geding gebrachte stukken dat de transportkosten van Franse en Belgische fabrikanten bij levering binnen het voornaamste verkoopgebied van Pfeifer & Langen, de afstanden in aanmerking genomen, vergeleken met die van Pfeifer & Langen tamelijk hoog zijn geweest.

Pfeifer & Langen betwist het standpunt der Commissie dat er tussen Lid-Staten maar betrekkelijk weinig suiker omging en dat het mededingingseffect van de wel verwezenlijkte importtransacties werd ongedaan gemaakt door het feit dat het meestal ging om leveringen van fabrikant aan fabrikant. Aan de hand van cijfers betoogt Pfeifer & Langen dat er aanzienlijke hoeveelheden suiker in de Bondsrepubliek zijn geïmporteerd, vooral in Nordrhein-Westfalen. Het aandeel der Duitse fabrikanten in deze importen bedroeg in de verkoopseizoenen 1968/1969 tot en met 1971/1972 achtereenvolgens 6 % 3 %, 29 % en 20 %. Het betrekkelijk hoge percentage van 29 % vindt zijn verklaring in de omstandigheid dat de Duitse fabrikanten in 1970/1971 gebonden waren door leveringscontracten waaraan zij in verband met de slechte oogst alleen met behulp van importsuiker konden voldoen.

Alleen ter motivering van haar stelling dat Pfeifer & Langen in belangrijke mate aan de totale importen had deelgenomen, heeft de Commissie de markt voor ruwe suiker en die voor witte suiker op één noemer gebracht, daartoe verklarende dat ruwe suiker „na verwerking … door de binnenlandse industrie” op dezelfde markt wordt verkocht (beschikking, blz. 26, r. kol.). Maar ruwe suiker is geen eindprodukt, kan maar in beperkte mate worden opgeslagen en is vrijwel steeds bestemd om tot witte suiker te worden verwerkt; witte suiker daarentegen kan voor onbeperkte tijd worden opgeslagen en op tal van manieren worden gebruikt. Ruwe suiker kan dus alleen aan raffinadeurs worden verkocht, rechtstreeks of via de handel. Met haar verwijt dat Pfeifer & Langen de mededinging zou hebben beperkt heeft zij echter ondubbelzinnig de markt voor witte suiker op het oog.

Van leveringen van ruwe suiker tussen de fabrikanten onderling kan dan ook in geen geval een anticoncurrentieel effect uitgaan; ze moeten dus bij de begroting van Pfeifer & Langens importen buiten beschouwing blijven. De aankoop van ruwe suiker in België vond voorts een rechtvaardiging in het feit dat Pfeifer & Langen altijd al zeer aanzienlijke hoeveelheden suiker heeft gekocht, terwijl haar traditionele leveranciers, vooral die in Niedersachsen, steeds minder in staat waren haar de benodigde hoeveelheden te leveren. Bevoorrading bij de naastbij gelegen fabriek, in de omgeving van Luik, was in verband met de transportkosten noodzakelijk.

Pfeifer & Langen onderzoekt nader hoe groot haar aandeel in de invoer van witte suiker in 1970/1971 en 1971/1972 is geweest. Aan de hand van cijfers betoogt zij dat het daarbij in 1970/1971 goeddeels ging om ongezuiverde suiker, goedkoper dan kwaliteitssuiker, goedkoop per schip te vervoeren en bestemd voor de vervaardiging van vloeibare suiker, een voor menselijke consumptie niet geschikt produkt. Van een in totaal geïmporteerde hoeveelheid van 22900 ton heeft zij er slechts 5101 onverwerkt doorverkocht of wel 3 % van de totale import in Duitsland gedurende dat verkoopseizoen. In 1971/1972 zijn er van de in het land Nordrhein-Westfalen ingevoerde 21905 ton witte suiker 3574 ton geïmporteerd door Pfeifer & Langen, met inbegrip van 1000 ton uit Frankrijk, die tot vloeibare suiker is verwerkt.

Sommige door de Commissie bedoelde stukken hebben, althans jegens verzoekster, geen bewijskracht. Zo wordt in de op bladzijde 23 der beschikking aangehaalde nota's en telexberichten van Export slechts de opvatting van die onderneming weergegeven; verklaringen over feiten die voor Export rechtstreeks verifieerbaar waren, komen er niet in voor. Verzoekster heeft trouwens nimmer handelsrelaties met Export onderhouden en wordt in bedoelde stukken nergens genoemd. Hetzelfde geldt voor de op bladzijde 47 der mededeling genoemde brief van RT aan Export; in die brief is trouwens sprake van „onze” — RT's — „politiek” ten aanzien van de Duitse markt en helemaal niet van een afstemming van gedragingen. In de brief van een Duitse handelaar die op bladzijde 50 van de mededeling ter sprake komt, valt al even min te lezen of Pfeifer & Langen wordt bedoeld. In het contract van Moerbeke-Waas (beschikking, blz. 34, r. kol.) berust de clausule waarin uitvoer naar Duitsland van toestemming van Pfeifer & Langen afhankelijk wordt gesteld, niet op enigerlei afspraak tussen beide ondernemingen; die clausule is des te onbegrijpelijker waar Moerbeke-Waas voortdurend belangrijke exporten naar Duitsland heeft verricht.

RT's verkooppolitiek, die Pfeifer & Langen nimmer heeft willen beïnvloeden, vindt haar verklaring in objectieve feiten, en wel vooral in de omstandigheid dat RT genoodzaakt was steeds meer ruwe suiker uit te voeren, terwijl Pfeifer & Langen beschikte over een raffinagecapaciteit die haar voorraden ruwe suiker verre te boven ging. Een geregelde afzet van haar ruwe suiker was voor RT het meest urgente probleem, zodat de verkoop van overschotten witte suiker op het tweede plan kwam te liggen — ook reeds wegens het feit dat witte suiker kan worden opgeslagen —. RT moest dan ook een zekere reserve jegens de Duitse markt inachtnemen; dat was een kwestie van eenvoudig handelsrekenen en had niets met kartelafspraken te maken. RT kon voorzien dat wanneer zij grote hoeveelheden aan Pfeifer & Langens klanten zou leveren, Pfeifer & Langen op haar beurt minder bij RT zou kopen; geen enkele handelaar is er op uit de positie van zijn concurrent te versterken.

Pfeifer & Langen is niet betrokken geweest bij de redactie van het verslag van 20 april 1970, bedoeld op bladzijde 64 van de mededeling; er kan alleen maar uit worden gelezen dat RT zich voorstelde een bepaalde politiek te volgen; uit de tekst blijkt niet wat onder „RT's verplichtingen” moet worden verstaan.

Uit de in werkelijkheid op internationaal handelsniveau en met andere kopers gedane zaken blijkt de onjuistheid van de bewering dat RT en Pfeifer & Langen over en weer een alleenvertegenwoordigersovereenkomst hadden gesloten (mededeling, blz. 65).

RT heeft zich moeten inspannen om de Belgische suikerhandel voor haar verkooppolitiek met betrekking tot de Duitse markt te winnen, hetgeen de gedachte aan een kartelafspraak heeft kunnen doen postvatten. Waar RT's beleid medebracht dat zij ten opzichte van de vrije handel, dus vooral jegens Export, beperkingen in acht nam, is het zelfs niet ondenkbaar dat Export, om de verdenking ingang te doen vinden dat RT de Europese mededingingsregelen had geschonden, zich tegenover haar kopers over vermoedelijk door RT en Pfeifer & Langen gemaakte afspraken heeft uitgesproken en daarbij haar verbeelding de vrije teugel heeft gelaten. Het gaat niet aan om — zoals de Commissie heeft gedaan — uit een door Export op 14 september 1970„aan een Duitse groothandelaar gezonden telexbericht te willen afleiden waarover RT en Pfeifer & Langen zich op 11 september 1970 telefonisch zouden hebben onderhouden, zo lang tenminste de identiteit van de gesprekspartners niet vaststaat en er geen aanwijzingen zijn dat het in telefoongesprek en telexbericht om hetzelfde onderwerp ging. Al mocht het in dat telexbericht bedoelde onderhoud over de prijzen werkelijk hebben plaats gehad, dan nog blijft het zo dat dit contact, naar uit het telexbericht zelf blijkt niet heeft geleid tot een weigering van RT suiker aan Duitsland te leveren, doch wel tot haar aanbod suiker voor export naar Duitsland beschikbaar te stellen”.

Door een ander op dezelfde dag door Export aan RT gezonden telexbericht (mededeling, blz. 73) wordt aangetoond dat RT toen bereid was aan Pfeifer & Langens klanten te leveren. Anders dan Export volgens de bladzijden 71 tot en met 73 van de mededeling zou hebben beweerd, heeft RT erin toegestemd dat Export contracten met Duitse handelaren afsloot.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

###### De Commissie betoogt dat RT zich, ondanks het feit dat België een suikerover

schot had en Duitsland een tekort, goeddeels verre heeft gehouden van de Duitse markt. RT's leveringen naar Duitsland, die in het seizoen 1968/1969 te verwaarlozen waren, zijn vanaf 1969/1970 begonnen te stijgen en het grootste deel van deze exporten bestond uit door Pfeifer & Langen gekochte witte en ruwe suiker. De Commissie legt een aantal documenten over, waarin gegevens voorkomen die het bestaan van een overeenkomst inzake de eerbiediging van Pfeifer & Langens nationale markt — en RT's voornemen die markt niet te verstoren — rechtstreeks bevestigen. Zo zegt Export in een interne nota van 23 april 1970: „Tirlemont is het met de andere raffinadeurs van de gemeenschappelijke markt eens geworden over een wederkerige alleenvertegenwoordigingsovereenkomst, waaruit blijkt dat de verhandeling van het produkt in het land van bestemming aan de in dat land gevestigde raffinadeurs is voorbehouden.” Volgens een brief van de firma Grosseinkauf Deutscher Lebensmittel-Filialbetriebe te Keulen, gedagtekend 10 maart 1972, zou op verzoeken om levering gericht tot in andere Lid-Staten gevestigde fabrikanten steeds weer afwijzend zijn gereageerd. Blijkens andere stukken heeft RT naar Duitsland alleen maar geleverd tegen prijzen die op de hogere prijzen in Duitsland waren afgestemd. Ten slotte verwijst de Commissie naar het op 15 september 1969 tussen Moerbeke-Waas en Export gesloten verkoopcontract en naar de twee telexberichten van Export aan een Duitse handelaar en aan RT, die hiervoor onder 1 reeds zijn vermeld.

RT's leveringen van ruwe en witte suiker aan Pfeifer & Langen vinden in hoofdzaak hun verklaring in beduchtheid voor mededinging tussen belanghebbenden op de Duitse markt. Dit blijkt uit de omvang dezer leveringen alsook uit de economische samenhang waarin zij hebben plaatsgehad. Men dient niet te vergeten dat er ook op grote schaal leveringen tussen andere fabrikanten van de Gemeenschap hebben plaatsgevonden waarbij, naar kon worden vastgesteld, de wens over en weer de mededinging uit te sluiten de doorslag heeft gegeven. De Commissie ziet niet over het hoofd dat een fabrikant er in bepaalde situaties belang bij kan hebben aan een concurrent te leveren. Zulke situaties hebben zich ten deze echter niet voorgedaan. Het is merkwaardig dat RT in september 1960, in een tijd van suikerschaarste in Duitsland, een contract heeft afgesloten over de verkoop van aanzienlijke hoeveelheden tegen een prijs gelegen beneden die waartegen Export in Duitsland had kunnen leveren, maar die RT nochtans onvoldoende zou hebben geacht (vgl. mededeling, blz. 75).

Bepaalde argumenten waarmede Pfeifer & Langen tracht haar aankopen bij RT te rechtvaardigen, doen gekunsteld aan. Men vraagt zich af welk belang RT erbij kon hebben aan verzoekster — op voor haar voordelige condities — ruwe suiker te leveren, terwijl zij over de mogelijkheid beschikte haar ruwe suiker tot witte suiker te verwerken en — gezien de importbehoeften van de Bondsrepubliek — op gunstiger voorwaarden te verkopen. Bovendien hebben de leveringen van ruwe suiker de 10000 ton — of wel de jaarcapaciteit van de gunstigst gelegen fabriek (te Liers bij Luik) — aanmerkelijk overschreden, waarmede aan het argument van kostenbesparing alle betekenis komt te ontvallen. Ten slotte koopt Pfeifer & Langen in grote hoeveelheden ruwe suiker op die in Niedersachsen, op afstanden tussen 350 en 400 kilometer, is gefabriceerd; zij mag die afstanden dus niet te berde brengen als een onoverkomelijke hinderpaal die aan de levering van witte suiker in haar verkoopgebied door fabrikanten uit het buitenland in de weg zou hebben gestaan.

Pfeifer & Langen maakt ten deze onderscheid tussen ruwe suiker en witte suiker, maar het gaat er niet om of er voor deze beide produkten één enkele markt bestaat dan wel twee onderscheiden markten. De beschikking is in zoverre (blz. 26, r. kol.) wellicht enigszins dubbelzinnig geformuleerd. Omdat ruwe sui ker moet worden geraffineerd en als witte suiker aan de markt moet komen, doet het er niet toe of een fabrikant aan een concurrent ruwe dan wel witte suiker levert. Wie ruwe suiker levert terwijl hij zelf over de nodige raffinagecapaciteit beschikt, ziet willens en wetens af van de mogelijkheid een overeenkomstige hoeveelheid witte suiker op de markt van de concurrent af te zetten.

Het is naar de bedoeling van de beschikking van geen belang of van fabrikant naar fabrikant lopende verkopen van ruwe suiker rechtstreeks dan wel via de handel geschieden.

Met betrekking tot de bewijskracht der van Export afkomstige stukken betoogt de Commissie dat deze vennootschap zeer nauwe contacten met RT heeft onderhouden en dat uit die stukken duidelijk blijkt hoe RT zich jegens Pfeifer & Langen heeft gedragen. De clausule in het op 15 september 1969 tussen Moerbeke-Waas en Export gesloten contract waarin ten aanzien van de plaats van bestemming beperkingen worden gesteld, is allerminst onbegrijpelijk, omdat zij in de lijn ligt van het verkoopbeleid dat RT ten opzichte van Pfeifer & Langen heeft gevolgd.

Reeds het uitgangspunt dat Pfeifer & Langen bij de uitlegging van dat beleid heeft gekozen, namelijk dat RT genoodzaakt zou zijn geweest meer en meer ruwe suiker te exporteren, is niet overtuigend. RT heeft in 1970/1971 en 1971/1972 aan Pfeifer & Langen onderscheidenlijk 24800 en 23500 ton ruwe suiker geleverd. Deze — afnemende — hoeveelheden zijn tamelijk bescheiden wanneer men ze vergelijkt met de voorraden ruwe suiker waarover RT gedurende die seizoenen de beschikking heeft gehad (186000 onderscheidenlijk 287000 ton). Anderzijds waren die voorraden tussen het seizoen 1968/1969 en het seizoen 1970/1971 niet toegenomen. RT heeft voldoende capaciteit om de door haar zelf geproduceerde suiker te raffineren, hetgeen zij in sommige vroegere jaren ook heeft gedaan, zo in 1967/1968, toen haar voorraden —222300 ton — groter waren dan in 1970/1971.

Maar al zou RT genoodzaakt zijn geweest ruwe suiker te exporteren, dan nog vermogen de gevolgtrekkingen die zij daaraan verbindt niet te overtuigen. RT's leveringen van ruwe suiker aan Pfeifer & Langen waren om met de transportkosten verband houdende redenen ook in het belang van laatstgenoemde onderneming; RT had dan ook redelijkerwijze tot de conclusie kunnen komen dat zij door levering van witte suiker aan Pfeifer & Langens klanten haar verkopen aan die firma niet in gevaar bracht. Dat zij er nochtans van heeft afgezien kan slechts zijn verklaring vinden in het feit dat Pfeifer & Langen zich harerzijds had verbonden zich van alle transacties in RT's verkoopgebied (Oost-België en Luxemburg) te onthouden.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

Pfeifer & Langen antwoordt dat de stelling inzake afscherming der markten bij afweging van alle omstandigheden economisch onhoudbaar blijkt te zijn.

Iedere ondernemersafspraak behelst voor de deelnemers over en weer voordelen. Maar dat Pfeifer & Langen „ervan afzag” in België aan de markt te komen kan ook bij benadering niet als een gelijkwaardige tegenprestatie worden beschouwd: zij is nimmer in staat geweest op economisch aanvaardbare voorwaarden suiker naar België te exporteren. Zij had daartoe niet de beschikking over de nodige voorraden en was ook niet in staat haar produktie, waaraan door de beschikbare teeltgebieden, de kwaliteit van de oogsten en de gemeenschappelijke ordening der suikermarkten beperkingen waren gesteld, uit te breiden. Bovendien zou verkoop in België noodzakelijkerwijze tot verliezen hebben geleid; dat heeft een in september 1969 ondernomen poging geleerd. Ten slotte kon zij door haar bijzondere positie niet op zich toevallig voordoende mogelijkheden om tot zaken te komen afgaan; zij moest juist trachten enge en duurzame relaties aan te knopen en in stand te houden, gunstige vervoerscondities te bedingen en waardevolle kopers te vinden.

De Commissie is er niet in geslaagd steekhoudende argumenten in te brengen tegen het in het verzoekschrift verdedigde standpunt dat RT's houding was ingegeven door bezorgdheid voor de verkoop van haar ruwe suiker.

Wie beweert dat RT in Duitsland betere prijzen had kunnen maken dan in België, vergeet dat er verschil bestaat tussen winstmaximering op korte termijn, met behulp van enkele toevallige verkooptransacties, en het voeren van een optimaal verkoopbeleid over de hele linie door de vestiging en consolidatie van zakenrelaties op lange termijn —. Het verschil tussen de prijzen op de Duitse en de Belgische markt is, mede gezien de transportkosten, nooit groot genoeg geweest om RT in staat te stellen met winst in Duitsland te verkopen. En in gebieden waar de voor RT en Pfeifer & Langen aan de ligging van beider fabrieken verbonden voordelen tegen elkaar opwogen (het Belgisch-Duitse grensgebied) was alleen de interventieprijs haalbaar. Een en ander zou a fortiori gelden wanneer RT in Duitsland uit verwerking van ruwe suiker verkregen witte suiker mocht hebben geleverd; door de aan die verwerking verbonden kosten konden zulke leveringen RT niet voordelig voorkomen.

Met het argument dat RT door witte suiker te verkopen aan klanten van Pfeifer & Langen meer winst had kunnen behalen dan door haar zelf ruwe suiker te leveren, miskent de Commissie de „gevoeligheid” van de prijzen in Duitsland. De Commissie heeft in haar verweerschrift zelf vastgesteld dat reeds een levering van 10000 ton het prijsniveau kon doen dalen. RT moest er ook rekening mee houden dat voor menselijk gebruik bestemde witte suiker niet kon worden vervoerd met behulp van de goedkopere transportmiddelen waarvan voor het vervoer van ruwe suiker gebruik wordt gemaakt.

Pfeifer & Langen noemt een voorbeeld uit juni 1970 ten bewijze dat het verschil tussen de prijzen die RT voor ruwe en witte suiker maakte, veel geringer was dan de door de Commissie zelf vastgestelde marge der uit die verwerking voortvloeiende prijsverschillen. De aankoop van ruwe suiker bij RT kon voor Pfeifer & Langen slechts voordelig zijn wanneer zij die ruwe suiker verwerkte tot bijzondere suikersoorten (vloeibare suiker, kandij, kristalsuiker, klontjes) die RT, bij gebreke van een eigen merk in Duitsland, niet op de Duitse markt kon verkopen. Pfeifer & Langen erkent dat de produktie van witte suiker van de tweede soort alleen maar winstgevend kan zijn in het kader van een geïntegreerde, alle stadia van suikerbiet tot eindprodukt omvattende, verwerkingscyclus. Toch maakt zij nog liever geen winst dan dat zij haar installaties — met verlies — stillegt.

RT's raffinagecapaciteit is op verwerking van al haar ruwe suiker niet berekend.

Maar al zou zij haar raffinagemogelijkheden niet volledig hebben benut, dan doet dat de Commissie nog geen argument aan de hand: RT had de ruwe suiker anders moeten verwerken tot bijzondere suikerkwaliteiten die zij op de Duitse markt niet had kunnen verkopen. Het was RT ook niet mogelijk speciale suikersoorten via de handel te verkopen. De bestellingen van voor export naar Duitsland bestemde suiker die de Belgische handelaren aan haar deden betroffen uitsluitend gangbare produkten die in grote partijen door de verwerkende industrie werden afgenomen en als gevolg van de andere gewoonten der consumenten in Duitsland was daar voor Belgische specialiteiten geen vraag.

Wat betreft de bewijskracht van de stukken waarop de Commissie zich beroept: Pfeifer & Langen wijst er op dat de formule „chacun chez soi” door Export — en niet door een suikerfabrikant — is bedacht en gebezigd (vgl. mededeling, blz. 66).

Nu zij de stelling dat er één enkele markt voor ruwe en witte suiker zou bestaan heeft laten varen, zoekt de Commissie een uitweg door te verklaren dat een fabrikant die ruwe suiker aan een concurrent verkoopt, afziet van de mogelijkheid die ruwe suiker tot witte suiker te verwerken en die ander bij de verkoop van die witte suiker te beconcurreren. Ondanks haar verkopen van ruwe suiker aan verzoekster heeft RT steeds de beschikking gehad over witte suiker die naar de Duitse markt kon worden geëxporteerd; dit blijkt wel uit RT's exporten naar andere Lid-Staten van de gemeenschappelijke markt en naar derde landen.

Pfeifer & Langen heeft in een tijdsbestek van vijf jaren bij RT slechts 3500 ton witte suiker, dus een te' verwaarlozen hoeveelheid, gekocht. Het is niet juist de aankopen van WZV erbij op te tellen; Pfeifer & Langen neemt in het maatschappelijk kapitaal dier vennootschap slechts voor 20 % deel en kan op haar gestie geen beslissende invloed uitoefenen. De Commissie kan niet volhouden dat de suikerhandel tussen België en Duitsland grotendeels van fabrikant tot fabrikant liep, zolang zij ten minste de in het verzoekschrift vermelde cijfers — volgens welke het aandeel van de suikerhandel óók in het seizoen 1970/1971 niet onder de 70 % is gedaald — niet heeft bestreden.

Het is niet verwonderlijk dat RT Pfeifer & Langen heeft ontzien: zij wilde niet het verlies van een interessante afzetmogelijkheid op lange termijn — waarmee ongeveer 10 % van haar ruwe suiker gemoeid was — riskeren, te minder waar het tekort in Duitsland niet zo groot was dat RT mocht hopen daar hogere prijzen te kunnen maken.

Daarentegen lagen de prijzen waartegen RT haar ruwe suiker aan Pfeifer & Langen kon verkopen, de „verwerkingsmarge” in aanmerking genomen, ruim boven de interventieprijs. Nochtans waren die prijzen voor verzoekster interessant omdat de transportkosten duidelijk lager waren dan die voor ruwe suiker uit Niedersachsen. Het standpunt der Commissie die suggereert dat Pfeifer & Langen zich veeleer in Niedersachsen dan in een andere Lid-Staat had moeten bevoorra den, negeert eigenlijk het bestaan van de gemeenschappelijke markt.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie meent dat het argument volgens hetwelk een „contra-prestatie” achterwege zou zijn gebleven, faalt; het is hoogstens de vraag of, de omstandigheden in aanmerking genomen, een afstemming van gedragingen tussen Pfeifer & Langen en RT ter afscherming van de nationale markten hoe dan ook interessant is geweest. Geen van Pfeifer & Langens argumenten vermag deugdelijk te verklaren waarom zij, afgezien van enkele zeer kleine hoeveelheden, ondanks de gunstige geografische ligging van enkele harer fabrieken, noch in België noch in Luxemburg heeft geleverd.

Niet overtuigend is het argument dat RT's politiek ten aanzien van de Westduitse markt door „bezorgdheid over de verkoop van ruwe suiker” was ingegeven. Zowel Pfeifer & Langen als RT trachten te ontkomen aan iedere discussie over RT's raffinagecapaciteit. In werkelijkheid koopt RT zelfs aanvullende hoeveelheden ruwe suiker, bij voorbeeld bij de Lierse suikerfabriek; anderzijds was Pfeifer & Langen niet in staat de door RT geleverde ruwe suiker onmiddellijk te verwerken; blijkens een contract van 25 augustus 1969 moest zij die suiker maandenlang opslaan.

De gunstige vrachtcondities zijn alleen bewezen voor de leveringen van de fabriek te Liers of wel voor 10000 ton, minder dan de helft van het totaal der leveringen in 1970/1971 en 1971/1972. — Met haar verklaring dat de verwerking van bij RT gekochte ruwe suiker tot witte suiker van de tweede soort haar geen voordeel heeft opgeleverd, heeft Pfeifer & Langen erkend buitensporig hoge prijzen te hebben betaald om te voorkomen dat RT haar bij de verkoop van witte suiker in het westelijk deel van de Bondsrepubliek Duitsland zou gaan beconcurreren.

Het argument dat alleen Pfeifer & Langen in staat zou zijn geweest op de Duit se markt winst te maken door ruwe suiker tot speciale suiker te verwerken geeft de Commissie aanleiding te betogen dat RT een belangrijk fabrikant van speciale suikersoorten is en daarvan grote hoeveelheden heeft geleverd aan de Nederlandse fabrikanten CSM en SU. Het is ongeloofwaardig dat RT zulke suikers niet onder haar eigen merk in Duitsland heeft kunnen verkopen. Trouwens, uit de door RT overgelegde stukken blijkt dat zij in de Bondsrepubliek speciale suikersoorten heeft geleverd, zij het in beperkte hoeveelheden.

Het heeft geen zin te discussiëren over de vraag of er voor ruwe en witte suiker één of meer markten bestaan; Pfeifer & Langen en RT hebben zelf gezegd dat de leveringen van ruwe suiker en het feit dat RT van de levering van witte suiker naar Duitsland heeft afgezien, nauw met elkander samenhangen. Het argument dat het aandeel van de handel in de importen zelfs in 1970/1971 niet beneden de 70 % is gedaald, verliest daarmee zijn betekenis, want verzoekster heeft alleen de betrekkelijk geringe importen van witte suiker in aanmerking genomen.

Met betrekking tot de bewijskracht der overgelegde stukken betoogt de Commissie dat wanneer het er om gaat hoe het gedrag der fabrikanten moet worden beoordeeld, handelsondernemingen als aan het klassieke model beantwoordende getuigen zijn te beschouwen.

###### b) RT: Schending van artikel 85 van het' Verdrag

RT werpt dit middel op ter bestrijding van zowel de onderhavige grief als die inzake de bescherming van de Italiaanse en Nederlandse markten. Voor zover de door partijen in het bestek van dit middel voorgedragen argumenten op alle drie grieven betrekking hebben wordt naar de hoofdstukken 1, B, a, en 2, C, c (supra), verwezen. Voor zover zij in het bijzonder de thans besproken grief betreffen kan hun inhoud worden samengevat als volgt:

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

RT betoogt dat haar verkopen van ruwe suiker aan Pfeifer & Langen uitsluitend hun verklaring vinden in het belang dier onderneming zich te bevoorraden in België — i.e. tegen lagere transportkosten dan bij aankoop in Niedersachsen! —. Waar anderzijds de Duitse markt voor de afzet van RT's overschot aan ruwe suiker zeer belangrijk was, lag het voor de hand dat zij er — eigener beweging en niet via afstemming van gedragingen — op toezag dat de door haar bevoorrade Belgische handelaren de toegang tot deze afzetmarkt niet versperden — door stelselmatig aan Pfeifer & Langens klanten te verkopen —.

Uit de op de bladzijden 71 tot en met 75 der mededeling weergegeven correspondentie betreffende de onderhandelingen over de verkoop aan een Duitse afnemer blijkt dat RT er alleen maar op uit was een prijs te bedingen die de prijs welke zij in België kon maken zo veel mogelijk benaderde en dat het er haar niet om ging de prijzen van de Duitse fabrikanten op peil te houden. Toen zij een interessante prijs kon bedingen, heeft zij inderdaad aan Export voor Duitsland bestemde suiker verkocht. Een mogelijke weigering aan Export betekent geenszins dat zij ook van rechtstreekse verkoop aan Duitse afnemers niet zou willen weten. Zulke verkooptransacties hebben blijkens de veertien door RT in het geding gebrachte contracten ook plaatsgehad; zij heeft daarbij een betere prijs kunnen maken dan zij had kunnen verlangen wanneer er een handelshuis aan te pas was gekomen.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie antwoordt dat RT leveringen die Pfeifer & Langens markt zouden verstoren, uit de weg is gegaan; dit blijkt uit een door Export op 14 september 1970 aan een Duitse handelaar gezonden telexbericht alsook uit twee telexberichten van Export aan RT, gedagtekend 14 en 17 september 1970.

RT heeft niet willen leveren aan handelaren die hun voorraden bij haar wilden betrekken of hun offertes gedaan die de prijzen op het niveau van de prijzen in het land van bestemming moesten brengen, zodat de koop voor de aldaar gevestigde handelaren niet meer interessant was. Dit blijkt met name uit een op 17 september 1969 door Export en de firma Couplet aangegaan koopcontract en uit een aantal brieven en dergelijke die in september en oktober 1970 tussen Export enerzijds en verzoekster en de Raffinerie Notre-Dame anderzijds zijn gewisseld.

RT heeft aan Export, Hottlet en andere Belgische handelaren verplichtingen opgelegd die hun vrijheid van handelen inperkten en er toe strekten Pfeifer & Langens markt te beschermen. Zo is in een op 15 september 1969 door Moerbeke-Waas (een van RT afhankelijke handelaar) en Export gesloten koopcontract eventuele wederverkoop voor menselijk gebruik in Duitsland van toestemming van Pfeifer & Langen afhankelijk gesteld. In een brief van 24 juli 1969 heeft RT er bij Export op aangedrongen dat er een einde zou worden gemaakt aan bepaalde verkooptransacties die wegens de berekende lage prijzen door de Duitse fabrikanten met lede ogen werden aangezien.

Aan de hand van cijfers stelt de Commissie dat de leveringen uit België naar Duitsland tussen het seizoen 1968/1969 en het seizoen 1971/1972 van 3400 ton tot 45300 ton zijn opgelopen, terwijl die van RT aan Pfeifer & Langen in nog sterkere mate, namelijke van 800 ton tot 29800 ton, zouden zijn gestegen. Daarvan zouden sommige kleinere leveringen zijn gedaan aan de door Pfeifer & Langen gecontroleerde WZV. In samenhang met RT's andere maatregelen bezien, kunnen de leveringen van fabrikant aan fabrikant alleen maar hun verklaring vinden in een afstemming van gedragingen. Normaliter zou RT's belang hebben meegebracht dat zij naar Pfeifer & Langens verkoopgebied zou hebben geëxporteerd: het lag dichtbij, het had een tekort aan suiker en het prijsniveau was er gunstig. Doch juist tussen 1970 en 1971, toen RT de beste mogelijkheden had op de markt van de Duitse onderneming tot zaken te komen, zijn haar leveringen aan Pfeifer & Langen toegenomen.

Op grond van de door RT in het geding gebrachte stukken kan niet worden gezegd dat zij er niet op uit is geweest de prijzen van de Duitse fabrikanten op peil te houden. Alle als bijlage 11 bij het verzoekschrift gevoegde contracten zijn afgesloten tegen een prijs van tenminste 1100 Bfr. per 100 kg, waardoor het niveau van Pfeifer & Langens prijzen, zoals dat kan worden afgelezen aan de telexberichten die in september 1970 tussen RT en Export en tussen Export en een Duitse handelaar zijn gewisseld, niet in gevaar kwam. Voorts blijkt uit de contracten die Export met Moerbeke-Waas en Couplet heeft afgesloten en uit de brief die Raffinerie Notre-Dame op 7 oktober 1970 aan Export heeft gezonden, dat verkopen naar Duitsland van voor menselijk gebruik bestemde suiker beneden een prijs van 1100 Bfr. zonder toestemming van Pfeifer & Langen niet mogelijk waren. Wat betreft de als bijlage 10 bij het verzoekschrift overgelegde contracten: bij genoemde prijs van 1100 Bfr. moeten de transportkosten (bij voorbeeld 35 Bfr. per 100 kg voor het traject Tienen — Keulen) worden opgeteld, hetgeen tot gevolg had dat de in die contracten bedoelde suiker op de Duitse markt niet kon worden aangeboden tegen een prijs die voor Pfeifer & Langen gevaar opleverde.

Wat betreft de op de bladzijden 71 tot en met 75 der mededeling bedoelde correspondentie zij opgemerkt dat RT's toestemming om op de Duitse markt tegen een prijs van 1100 Bfr. te verkopen te laat kwam, zodat de transactie ten slotte geen doorgang heeft gevonden.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

RT betoogt dat de cijfers van de Commissie niet erg betrouwbaar zijn; zo worden in de mededeling en in het verweerschrift voor de leveringen van Belgische suiker naar Duitsland niet dezelfde cij fers genoemd; worden ze voor 1968/1969 in de mededeling op 23800 ton becijferd, in het verweerschrift is sprake van 2400 ton.

RT betoogt dat zij zich met of zonder contact met andere fabrikanten op de Duitse markt op dezelfde wijze zou hebben gedragen, en wel zulks wegens haar grote overschotten aan ruwe suiker en het ontbreken van een verkooporganisatie buiten België. Leveringen van fabrikant aan fabrikant wijzen trouwens op zichzelf nog niet op afstemming. RT moest over haar overschotten kunnen disponeren door zonder wervings- of transportproblemen transacties met belangrijke kopers af te sluiten.

Ten aanzien van de noodzaak om bij de beoordeling van leveringen aan aandere fabrikanten ruwe suiker, speciale suikersoorten en kristalsuiker afzonderlijk te bespreken: vgl. supra 2, C, c, 3.

RT's gereserveerde houding ten opzichte van de Duitse markt is te verklaren door het bij haar in alle onafhankelijkheid gerijpte inzicht dat het niet wenselijk was Pfeifer & Langen door een agressief beleid te ontstemmen; deze onderneming was nu eenmaal RT's grootste afneemster van ruwe suiker — en nog wel tegen een gunstige prijs —.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

Volgens de Commissie zijn de verschillen tussen de cijfers betreffende de exporten van België naar Duitsland te herleiden tot het verschil tussen de hoeveelheden die de douane zijn gepasseerd en de in de contracten genoemde hoeveelheden, welk verschil op zijn beurt zijn oorzaak vindt in het feit dat met de uitvoering der contracten enige tijd en soms veel tijd gemoeid is.

Tot goed begrip van de clausules betreffende de bestemming van de geleverde produkten dient men ze te bezien in samenhang met de andere maatregelen die RT ter bescherming van de Duitse markt heeft genomen. Zo heeft RT gestaan op naleving van een met Hottlet overeenge komen denatureringsclausule en zelfs een schadevergoeding verlangd van 50 Bfr per 100 kg naar Duitsland geleverde suiker die bij intrekking van de premie nog niet was gedenatureerd — waardoor de prijs van deze suiker 4,6 % boven de interventieprijs is komen te liggen —. Ten bewijze hiervan legt de Commissie in het tijdvak maart tot en met december 1969 tussen RT en Hottlet gevoerde correspondentie over.

###### c) RT: Schending van verordening nr. 26

Dit door RT opgeworpen en hiervoor onder 1, B, b, behandelde middel betreft ook de thans besproken grief. Naar dat hoofdstuk zij derhalve verwezen.

##### 4. De grief betreffende een afstemming van gedrag ter afscherming van de markt in het zuidelijk deel van de Bondsrepubliek Duitsland — SZAG en Béghin —

###### A — Middelen van formele en processuele aard

###### a) SZAG: Aanvechtbaar voorlichtingsbeleid van de Commissie; onrechtmatigheden begaan met betrekking tot de mededeling; schending van de procedurevoorschriften van verordening nr. 26; te korte termijnen voor het indienen van opmerkingen

SZAG werpt deze middelen op ter bestrijding van zowel de onderhavige grief als de grief inzake de bescherming van de Italiaanse markt. Derhalve zij verwezen naar hoofdstuk 1, A, a, b, d, e (supra).

###### b) Béghin en SZAG: Schending van artikel 19 van verordening nr. 17 en de artikelen 1, 2 en 4 van verordening nr. 99/63

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

Béghin en SZAG verwijten de Commissie dat zij aan haar beschikking feiten ten grondslag heeft gelegd die in de mededeling niet ter sprake zijn gekomen en daarmede alle voornoemde bepalingen (Béghin) althans artikel 4 van verordening nr. 99/63 (SZAG), heeft geschonden.

Béghin betoogt dat de Commissie er zowel in de mededeling als tijdens de te haren overstaan gevoerde debatten mede heeft volstaan tot de suikermaatschappijen in het algemeen, dus zonder bepaaldelijk Béghin te bedoelen, het verwijt te richten dat zij geen witte suiker op het Zuidduitse grondgebied hebben verkocht. In de beschikking (blz. 28, 36 tot 37, sub D) wordt Béghin echter een ander verwijt gemaakt: zij zou ruwe suiker hebben verkocht aan Duitse fabrikanten, terwijl zij de suiker zelf had kunnen raffineren en aldaar rechtstreeks aan de gebruikers had kunnen verkopen.

SZAG geeft de volgende voorbeelden:

De stelling dat uit „de veelvuldige (meestal nutteloze) aanvragen door klanten uit Zuid-Duitsland” zou blijken „dat er een economisch belang bestaat voor de invoer van suiker uit andere Lid-Staten” (beschikking, blz. 37, 1. kol.) is noch in de mededeling noch in de aldaar aangehaalde stukken te vinden. Ook tijdens de hoorzitting van 17 oktober 1972 heeft de Commissie niet over zulke aanvragen gesproken. De Commissie mag niet uitgaan van de anoniem gehouden brieven die op de bladzijden 92 en 93 der mededeling worden aangehaald — en wel in het raam van de beschuldigingen die tegen SZV en niet tegen SZAG zijn ingebracht —, noch ook van de beide op bladzijde 50 der mededeling weergegeven brieven, waarin op zijn best te lezen valt dat twee Duitse handelaren Franse suiker wensten te kopen, doch niet dat er van „veelvuldige aanvragen” sprake was.

Volgens de beschikking (blz. 36 en 37, sub D) is er sprake van een onderling afgestemde gedraging waarbij enerzijds SZAG en anderzijds Béghin en Sucre-Union betrokken waren. Maar in de mededeling (en met name op de bladzijden 108, 113 en 114) is niet vermeld met welke andere ondernemingen SZAG zich ten deze zou hebben verstaan, waardoor haar de mogelijkheid is onthouden de feiten in concreto na te gaan en zich bepaaldelijk tegen de tot haar gerichte beschuldigingen te verweren.

###### 2. Samenvatting van de inhoud der verweerschriften

De Commissie antwoordt Béghin dat zij behoort tot de op de bladzijden 1 en 2 der mededeling genoemde ondernemingen en tot de op bladzijde 101 genoemde „Belgische en Franse' betrokkenen”. In de beschikking wordt tussen ruwe en witte suiker niet onderscheiden (vgl. blz. 36, 1. kol., eerste overweging, sub D; blz. 44, r. kol, overweging betreffende Béghin) omdat de Commissie heeft gemeend: dat alle leveringen van Béghin in het raam van de gewraakte onderling afgestemde feitelijke gedraging hebben plaats gevonden; dat deze vennootschap, of zij nu zelf suiker raffineert of niet, op de markt voor geraffineerde suiker SZAG's concurrent is; dat beide typen suiker één enkele markt vormen. Met de in de beschikking (blz. 28, nr. 16) verstrekte cijfers heeft de Commissie op grondslag van nauwkeurige gegevens alleen maar willen aangeven hoe de door Béghin aan de Duitse fabrikanten geleverde hoeveelheden waren samengesteld. In haar tot de Commissie gerichte brief van 25 september 1972 heeft Béghin ten aanzien van de grief betreffende deze leveringen met voldoende kennis van zaken haar standpunt bepaald.

Aan SZAG antwoordt de Commissie dat de aanvragen uit Zuid-Duitsland reeds blijkens SZAG's eigen betoog in de mededeling zijn vermeld. Mocht dit in verband met het gedrag van SZV zijn geschied, dan dient te worden bedacht dat SZAG lid is van SZV en haar met de verhandeling van haar produktie in het Zuiden van Duitsland heeft belast.

Naar aanleiding van de bewering dat de ondernemingen met wie SZAG zich over de afstemming van haar gedrag zou hebben verstaan in de mededeling niet zijn vermeld, behoeft alleen maar te worden verwezen naar bladzijde 101, derde streepje, waaruit duidelijk blijkt dat de aan SZAG bekende rechtstreekse leveringen van de Franse fabrikanten aan fabrikanten in het verkoopgebied van SZV bedoeld waren om SZAG's verkoopgebied te beschermen.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

Béghin antwoordt dat op de bladzijden 1 en 2 der mededeling alleen maar een opsomming wordt gegeven van de ondernemingen waaraan zij was gericht en geen enkele levering of punt van bezwaar met name wordt vermeld. Uit de term „Belgische en Franse betrokkenen” kon Béghin niet afleiden dat de vervolging, voor zover de Duitse markt betreffende, ook haar gold. Zij wordt in zoverre nergens met name genoemd, hetgeen het haar onmogelijk heeft gemaakt zich uit te laten over de contracten die zij met SZAG en Franken had afgesloten en die aan de gestelde onderling afgestemde gedraging ten grondslag zijn gelegd.

SZAG spreekt zich over dit middel niet uit.

###### 4. Samenvatting van de inhoud der conclusies van dupliek

De Commissie antwoordt dat Béghin in de gelegenheid is gesteld zich alsnog over haar contracten met SZAG en Franken uit te laten. Tijdens het verhoor van verzoeksters, dat op 17 en 18 oktober 1972 heeft plaatsgevonden, heeft SZAG in aanwezigheid van verzoekster haar standpunt bepaald ten aanzien van de leveringen van fabrikant tot fabrikant.

###### c) SZAG: Schending van artikel 190 van het Verdrag

Onder verschillende hoofden („de bewijslevering der Commissie”, „fouten in het dispositief der beschikking begaan”; „de gestelde algemene ondernemersafspraak betreffende de suikerverkoop”; „het deel van de beschikking dat op Frankrijk betrekking heeft”) werpt SZAG onder meer enige middelen op die geacht kunnen worden het verwijt van onvoldoende redengeving te behelzen. Sommige dezer middelen betreffen tevens de grief inzake bescherming van de Italiaanse markt; in zoverre zij derhalve verwezen naar hoofdstuk 1, A, g (supra).

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

aa) SZAG betoogt dat de stellingen volgens welke „zonder deze verkopen tussen fabrikanten de RT individueel haar suiker op de naburige markten zou verkopen” (beschikking, blz. 35, 1. kol.) en „normaal gezien, een fabrikant er geen belang bij heeft zijn produkten aan een concurrent te verkopen in plaats van ze zelf te verhandelen” (loc. cit.) — oordeelvellingen waarvan ook in de aan SZAG gerichte verwijten wordt uitgegaan — zuivere en van ieder bewijs ontblote veronderstellingen zijn. De tweede stelling is trouwens niet in overeenstemming met de economische werkelijkheid.

bb) In het dispositief is sprake van een inbreuk die, eveneens in 1970/1971, door SZAG en Sucre-Union zou zijn begaan. Maar in de beschikking zelf (blz. 28) wordt erkend dat SZAG alleen in 1971/1972 bij Sucre-Union heeft gekocht; de redengeving der beschikking is dus niet met het dispositief in overeenstemming.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie antwoordt:

ad aa) Het door SZAG aangehaalde betoog dat op bladzijde 35 (1. kol.) der beschikking te vinden is, heeft niet op SZAG betrekking en is niet tegen haar gebruikt. Uit de vaststelling dat een fabrikant er normaliter geen belang bij heeft zijn produkten aan een concurrent te verkopen, spreekt een opvatting die door de ervaring wordt bevestigd en waarvan de juistheid door het inwinnen van een deskundigenbericht kan worden bewezen.

ad bb) Het dispositief van een beschikking moet, om begrijpelijk te zijn, kort en algemeen worden geformuleerd. Wie verduidelijking of uitlegging behoeft dient er de redengeving op na te slaan. Daarin is in casu de duur van SZAG's deelneming aan de haar ten laste gelegde inbreuk nauwkeurig aangegeven.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

SZAG gaat op het hiervoor sub aa) bedoelde middel niet nogmaals in. Met betrekking tot het onder bb) weergegeven middel betoogt zij dat de Commissie zich heeft beijverd redengeving en dispositief met elkander in overeenstemming te brengen, waartoe zij, volkomen in strijd met de beschikking (blz. 28, 1. kol.), stelt dat SZAG in 1970 bij Sucre-Union 4600 ton witte suiker heeft gekocht via de „Grundstückverwaltungsgesellschaft” te Oberursel (vgl. infra, B, a, 2). Het gaat niet aan tijdens de procedure te komen met feiten die in de beschikking niet worden genoemd.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

In haar antwoord verwijst de Commissie naar de beschikking waarin wordt vastgesteld dat „de SZAG en Franken sinds de campagne 1970/1971 in toenemende mate suiker van hun concurrenten in Frankrijk hebben betrokken” (blz. 28, 1. kol.).

###### B — Middelen ten principale

###### a) Béghin: Schending van artikel 85 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Béghin betoogt dat zij, behoudens een zeer geringe hoeveelheid witte suiker (286 ton; vgl. blz. 28, 1. kol., van de beschikking), alleen in haar fabriek te Sillery gefabriceerde ruwe suiker heeft geleverd. De produktie van Sillery is steeds verkocht aan Franse raffinadeurs dan wel rechtstreeks aan raffinadeurs in het buitenland; het kwam Béghin te duur ruwe suiker van Sillery, in Oost-Frankrijk, te Thumeries, in Noord-Frankrijk, te raffineren.

Béghin legt een tabel over waarin voor de overscheiden seizoenen 1967/1968 tot en met 1971/1972 de cijfers betreffende de door haar geproduceerde ruwe suiker en het aandeel der leveringen dat naar de verschillende afzetgebieden gegaan is, zijn vermeld. Uit die tabel blijkt dat de leveringen naar Duitsland hun verklaring vinden in de toename van de produktie. Zij legt voorts twee op 23 september 1970 en 24 juli 1971 met SZAG afgesloten leveringscontracten over, waarin haars inziens geen enkele clausule voorkomt die de toets van het EEG-Verdrag niet kan doorstaan. Het bijzonder belang dezer contracten voor Béghin was gelegen in het feit dat zij van dag tot dag mocht leveren, zodat zij voor opslag van ruwe suiker geen kosten had te maken. Dat voordeel heeft Béghin zelfs aanleiding gegeven in een voordelige prijs te bewilligen.

Wanneer zij het bod van een koper aanvaardde, behoefde Béghin zich om de economische positie van die koper of om zijn handelspolitiek op de Duitse markt niet te bekommeren; zij kende die politiek niet en het is niet bij haar opgekomen zich er naar te richten.

Béghin betoogt dat zij, wat de verkoop van witte suiker in Duitsland betreft, ten opzichte van SZAG geen concurrentiepositie innam, omdat zij al haar witte suiker elders heeft verkocht. De stelling van de Commissie dat Béghin de te Sillery geproduceerde ruwe suiker in haar raffinaderij te Thumeries had kunnen laten raffineren en vervolgens in Duitsland als witte suiker verkopen, is ongerijmd, wanneer men bedenkt hoeveel transportkosten er mee gemoeid zouden zijn geweest.

De onjuiste vaststelling dat de Franse leveranciers „in staat waren, en het ook gedurende de twee eerste campagnes waren, zelf de hoeveelheden ruwe suiker te raffineren” (beschikking, blz. 37, r. kol.) houdt een miskenning in van het feit dat de te Sillery geproduceerde hoeveelheden ruwe suiker, 35000 ton in 1967/1968, in de volgende verkoopseizoenen zijn opgelopen tot tussen de 60600 en 79000 ton.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie begint met een herhaling van hetgeen zij op bladzijde 36 (1. kol., eerste overweging sub 1) van de beschikking heeft betoogd. Zij merkt voorts op dat de Franse fabrikanten in het Saargebied zijn blijven leveren ofschoon de Duitse fabrieken dichterbij gelegen waren. De leveringen van Sucre-Union aan Duitsland zijn in 1968/1969 en 1969/1970 in hoofdzaak tot voor denaturering bestemde suiker beperkt gebleven; in 1970/1971 heeft zij grotere hoeveelheden geleverd aan onafhankelijke handelaren, maar in 1971/1972 zijn haar leveringen weer afgenomen. In de ten deze relevante seizoenen heeft Béghin in het geheel niet aan Duitse handelaren of gebruikers geleverd; haar leveringen van ruwe en geraffineerde suiker gingen in 1970/1971 naar SZAG en in 1971/1972 naar Franken.

Gelijk op met een aanmerkelijke stijging van de Franse exporten van witte en ruwe suiker naar Zuid-Duitsland (29500 ton in 1970/1971, 44500 ton in 1971/1972) is het aandeel der Duitse fabrikanten SZAG en Franken in de importen opgelopen van 54 % op 71 % — waarbij bepaalde in feite aan fabrikanten gedane leveringen nog buiten beschouwing zijn gelaten, zoals de 4600 ton die door Sucre-Union aan de „Grundstückverwaltungsgesellschaft” te Oberursel (een filiaal van SZAG) zijn geleverd.

Uit een aantal stukken kan worden afgeleid dat de fabrikanten in de verschillende landen zich over de bescherming van hun nationale markten hebben verstaan.

Veelzeggend is in dit verband de poging van een handelaar uit het Saarland om met een dichtbij gevestigde Duitse klant in relatie te treden. Einde juni 1968 verklaarde hij zich bereid suiker van Franse herkomst te leveren,. maar in augustus 1968 moest hij bedoelde klant laten weten dat hij niet tot de voorgenomen leveringen in staat was omdat de Franse fabrikanten met de Duitse producenten waren overeengekomen dat zij zich verre zouden houden van de Duitse markt, die van Saarland uitgezonderd. Deze handelwijze kan nog worden vergeleken met RT's overeenkomstige gedragslijn ten aanzien van de markt in het westelijk deel van de Bondsrepubliek (vgl. supra, 3, B, a en b) en wettigt de conclusie dat de verkooppolitiek der Europese fabrikanten over de gehele linie in deze richting tendeerde.

De Commissie ziet een nadere aanwijzing voor de afscherming der markten in de houding van de leden van SZV, waaronder SZAG, die hun handelaren bepaalde beperkingen oplegden — om te voorkomen dat zij suiker van concurrerende fabrikanten zouden verhandelen — en hun kopers bonden door getrouwheidskortingen (vgl. voor meer bijzonderheden: infra, 7). De Franse fabrikanten hebben aan de uitvoering van dit systeem meegewerkt; dit blijkt uit een aantal documenten die op Sucre-Unions gedragingen betrekking hebben.

De levering van ruwe suiker aan SZAG is niet te verklaren uit economische overwegingen, doch alleen vanuit de wens van belanghebbenden alle mededinging op de Zuidduitse markt te vermijden. Het onderscheid tussen ruwe en geraffineerde suiker doet niet ter zake: door levering van ruwe suiker aan een concurrent zag Béghin ervan af zelf geraffineerde suiker op de markt van die concurrent te leveren. Béghin kan zich ter rechtvaardiging van deze verkopen van ruwe suiker niet beroepen op een tekort aan raffinagecapaciteit: ondanks de voortdurende stijging van de produktie van ruwe suiker in haar fabriek te Sillery is het haar steeds mogelijk geweest de door haar gefabriceerde ruwe suiker zelf te raffineren. Haar aanzienlijke overschotten, haar geografische ligging en de betrekkelijk hoge prijzen in Zuid-Duitsland hadden haar moeten prikkelen om aan de verzoeken om levering van witte suiker van daar gevestigde klanten te voldoen. Zij heeft daar echter — behalve rechtstreeks aan SZAG — nimmer verkocht. De leveringen naar Zuid-Duitsland zijn wel toegenomen maar gingen in overwegende mate naar fabrikanten. Ook bevatten de contracten die door de fabrikanten onderling werden afgesloten, veelal clausules waarin een optierecht voor grote hoeveelheden werd verleend — hetgeen de fabrikant-koper een nog sterkere positie deed innemen —; de Commissie noemt als voorbeeld twee contracten van Béghin en SZAG.

Béghins gedrag wordt nog duidelijker wanneer men het beziet in het ruimer verband van de afstemming inzake de leveringen naar Italië waarvoor Béghin en SZAG zich hebben geleend (vgl. supra, 1).

De transportkosten waren niet zo hoog dat de verkoop van Franse suiker vanuit Reims naar Zuid-Duitsland tegen concurrerende prijzen erop moest afstuiten. Enerzijds is de afstand tussen Sillery en de raffinaderijen van SZAG groter dan de afstand Sillery-Thumeries, anderzijds lagen de Duitse prijzen ongeveer 5 % boven de Franse interventieprijs.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

Béghin zegt voor repliek dat de Commissie zich niet mag bedienen van een algemeen betoog dat haar, Béghin, helemaal niet aangaat. Zo behoort Béghin niet tot „de Franse fabrikanten” die „aan het Saarland bleven leveren”; een briefwisseling tussen een handelaar uit Saarland en een Duitse klant raakt haar dan ook niet. Ook heeft zij niets uitstaande met SZAG's houding ten opzichte van de handelaren of met het systeem van getrouwheidskortingen. Ten slotte kan het feit dat Sucre-Union een Duitse handelaar om mededeling van zijn klantenlijst aan SZV zou hebben verzocht (vgl. infra, b, 2, ad cc) niet worden gebruikt tegen Béghin, die daar buiten staat.

Door het verschil tussen ruwe en witte suiker „onbetekenend” te noemen komt het verweerschrift in strijd met de beschikking, volgens welke „een concurrentiebeperkend effect slechts in die gevallen niet optreedt waarin een fabrikant welke zelf niet over installaties voor raffinage beschikt hoeveelheden ruwe suiker verkoopt aan een raffinaderij; … deze fabrikant van ruwe suiker \[verkeert\] met een fabrikant van geraffineerde suiker niet op voet van concurrentie…” (beschikking, blz. 35, r. kol.). Dat Béghin haar eigen suiker had kunnen raffineren, is geheel onbewezen en ook onwaar. Technisch was dit alleen mogelijk te Thumeries. Maar de raffinaderij te Thumeries draait op volle toeren en kan de extra hoeveelheden ruwe suiker van Sillery niet aan zonder grote investeringen die door het prijsverschil tussen de Franse en Duitse markten alleen niet worden gerechtvaardigd. Voorts is Béghins politiek er steeds op gericht geweest de in de fabriek te Sillery gefabriceerde suiker rechtstreeks aan raffinadeurs te verkopen. En ten slotte: Béghin heeft van Duitse gebruikers nimmer een aanvraag voor witte suiker ontvangen.

Zelfs al mocht Béghins politiek niet in allen dele met haar eigen belangen in overeenstemming zijn geweest (quod non), dan zou dat nog alleen maar betekenen dat zij die belangen verkeerd heeft beoordeeld.

De Commissie mag met betrekking tot de Duitse markt aan haar beschikking geen overwegingen ten grondslag leggen die de handelwijze van Béghin en SZAG ten aanzien van de exporten naar Italië betreffen; de gegevens betreffende de Duitse en Italiaanse markten en de onderling afgestemde feitelijke gedragingen op elk van beide markten zijn totaal verschillend.

Optieclausules zijn bestendig gebruikelijke bedingen en niets wettigt de veronderstelling dat zulk een clausule SZAG in staat zou kunnen stellen aan rechtstreekse leveringen van buitenlandse fabrikanten aan kopers in Zuid-Duitsland iets in de weg te leggen. Zo'n bewering zou alleen iets kunnen betekenen wanneer Béghin in de looptijd van haar contracten met SZAG aanvragen van Duitse kopers mocht hebben ontvangen, hetgeen niet het geval is.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie betoogt, naar aanleiding van Béghins stelling dat bepaalde documenten haar niet aangaan, dat zij haar gedrag niet mag losmaken uit de algemene samenhang waarin de Commissie het heeft geplaatst.

Het standpunt van de Commissie dat het voor Franse fabrikanten voordelig kon zijn witte suiker aan niet-fabrikanten in Zuid-Duitsland te verkopen, vindt bevestiging in het feit dat Say, Générale sucrière en Lebaudy geregeld grote partijen witte suiker op de Duitse markt hebben geleverd.

De Commissie betoogt nogmaals dat Béghin al haar ruwe suiker had kunnen raffineren. Zelfs wanneer zij te Sillery niet over raffinagemogelijkheden beschikte, had zij de produktie van Sillery kunnen opslaan voor raffinage in perioden waarin haar capaciteit niet volledig wordt benut. Vóór en na de beide hierbedoelde campagnes heeft verzoekster ook inderdaad al haar te Sillery geproduceerde suiker geraffineerd.

Met haar argument dat aan de raffinage van te Sillery gefabriceerde ruwe suiker in de raffinaderij te Thumeries extra transportkosten verbonden zouden zijn geweest, ziet Béghin eraan voorbij dat de Commissie nimmer heeft verlangd dat die suiker zou worden verkocht aan SZAG; zij had daarvoor waar dan ook in Duitsland terechtgekund bij de handelaren, tot wie ook Lebaudy, Say, Générale sucrière en — in het seizoen 1971/1972 — Sucre-Union zich hebben gewend.

Een optieclausule als in de contracten met SZAG was opgenomen is weinig gebruikelijk: met zo'n clausule kan SZAG automatisch tegen de reeds vastgestelde prijs extra hoeveelheden aankopen wanneer zij leveringen van concurrenten aan haar klantenkring mocht willen verhinderen of beperken. De clausule was dus op bescherming van SZAG's markt gericht.

###### b) SZAG: Schending van artikel 85 van het Verdrag

Voor zover de ten deze door SZAG opgeworpen argumenten ook op de grief inzake de bescherming van de Italiaanse markt betrekking hebben, zij naar hoofdstuk 1 (supra) verwezen.

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

aa) SZAG betoogt dat het uitgangspunt van de tegen haar genomen beschikking — er zou sedert 1970/1971 sprake zijn van een tussen verzoekster enerzijds en Béghin en Sucre-Union anderzijds afgestemde gedraging — een door de Commissie nog steeds niet bewezen stelling is. Zij beweert in hoofdzaak (beschikking, blz. 36, D, eerste overweging) dat er eerst een afstemming tussen deze drie ondernemingen zou hebben plaatsgevonden en dat daaraan vervolgens uitvoering zou zijn gegeven door SZAG's aankopen bij de twee Franse fabrikanten (vgl. de zinsnede „onderling afgestemde gedraging … waardoor”). Ten bewijze van die voorafgaande afstemming zegt de Commissie dat „de buitenlandse leveranties van fabrikant aan fabrikant plaatsvonden om het verlies van klanten en van marktaandelen te voorkomen”, hetgeen neerkomt op een petitio principii: eerst wordt de afstemming beschouwd als de reden waarom verzoekster tot aankopen bij de Franse fabrikanten is overgegaan en vervolgens moeten die aankopen dienst doen om tot een afstemming van gedragingen te kunnen concluderen. Wanneer zij vervolgens stelt (beschikking, blz. 37, 1. kol.) „dat indien Béghin en Sucre-Union sedert de campagne 1970/1971 regelmatig en in toenemende mate suiker aan hun belangrijkste concurrenten in deze zone verkopen om hun aldus de mogelijkheid te geven deze suiker als binnenlands produkt door te verkopen, dit op een onderling afgestemde feitelijke gedraging berust …”, herhaalt de Commissie in iets gewijzigde bewoordingen de bewering dat er van afstemming sprake zou zijn omdat er leveringen van fabrikant aan fabrikant hebben plaats gevonden.

bb) SZAG betwist de stelling der Commissie (beschikking, blz. 36, r. kol., blz. 37, 1. kol.) dat „de Franse fabrikanten, met het oog op … \[de\] interessante prijzen, wel in staat waren hun suiker individueel in de verkoopzone van de SZV te verhandelen”. Omdat de Commissie geen nauwkeurige cijfers geeft is het verzoekster niet mogelijk opmerkingen te maken over de posita der Commissie betreffende het niveau der in Zuid-Duits- land berekende prijzen, waarin de Commissie zich trouwens telkens tegenspreekt („steeds dichtbij de richtprijs” — blz. 36, r. kol. en „de richtprijs … wordt toegepast” — blz. 37, 1. kol.). De richtprijs en de interventieprijs kunnen ook niet goed met de marktprijs worden vergeleken; integendeel, zij moeten worden gelegd naast de bij verkoop verkregen netto-opbrengsten, die daartoe tot vergelijkbare eenheden dienen te worden herleid. Aan de hand van cijfers betoogt SZAG dat op grond van zulk een berekening kan blijken dat de in Zuid-Duitsland toegepaste prijs, uitgezonderd in de beide eerste trimesters van 1971, altijd dichtbij de interventieprijs heeft gelegen en zelfs wel tot onder de interventieprijs is gedaald. Zonder het in de beschikking te zeggen, is de Commissie uitgegaan van de landbouwstatistieken van het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen (vgl. mededeling, blz. 8); en dat bureau heeft zelf erkend dat die statistieken niet juist waren.

cc) SZAG protesteert tegen de stelling (beschikking, blz. 37, 1. kol.) dat „het geringe volume van de \[Franse\] invoeren niet te wijten is aan de vrachtkosten” en dat „zelfs op grote afstanden… deze kosten het verschil tussen de interventieprijs die in Frankrijk wordt toegepast en de richtprijs die in Zuid-Duitsland wordt toegepast niet te boven gaan”. Zij geeft cijfers betreffende enerzijds de meerdere transportkosten verbonden aan levering af Reims of Tienen, vergeleken met leveringen uit Zuid-Duitsland, anderzijds het verschil tussen de interventieprijs en de gemiddelde marktprijs. Volgens deze cijfers konden de Franse Fabrikanten deze meerkosten er pas vanaf het seizoen 1970/1971 uithalen. SZAG betoogt dat de importen van witte suiker in de Bondsrepubliek van 43200 ton in het seizoen 1969/1970 zijn opgelopen tot 98200 ton in 1970/1971, hetgeen bewijst dat de transportkosten hier de doorslag hebben gegeven en dat de markt normaal heeft gewerkt. Het is misleidend te beweren „dat het toenemen van de invoeren in de campagnes 1970/1971 en 1971/1972 samenvalt met een merkbare toename van de leveranties van fabrikant aan fabrikant” (beschikking, blz. 36, r. kol.) en het is niet juist „dat inderdaad aanzienlijk grotere hoeveelheden dan in vorige jaren werden ingevoerd, doch voor drie vierde via leveranties van fabrikant aan fabrikant” (loc. cit., blz. 27, 1. kol.). Van 1969/1970 tot 1970/1971 zijn de totale importen met 55000 ton gestegen en daarvan is slechts 27924 ton van fabrikant tot fa-brikant geleverd. De importen van Duitse ondernemers — niet-fabrikanten — lopen op van 41861 ton in 1969/1970 tot 68937 ton in 1970/1971; hun aandeel in de totale invoer van witte suiker in het seizoen 1970/1971 bedroeg 70,2 % —. Ook wanneer men de invoer van ruwe suiker meetelt, is de Commissie er met haar „drie kwart” naast. SZAG meent dat het beroep op de bevoorrading van Saarland door Franse fa- brikanten (beschikking, blz. 37, 1. kol.) een miskenning inhoudt van de door haar gedetailleerd beschreven bijzondere situatie van dat gebied. Ten slotte betoogt SZAG dat het niet logisch is te stellen dat „de veelvuldige (meestal nutteloze) aanvragen door klanten uit Zuid-Duitsland aanwijzen dat er een economisch belang bestaat voor de invoer van suiker uit andere Lid-Staten” (loc. cit.): pas wanneer er over de prijs wordt onderhandeld blijkt hoe zwaar het verschil in transportkosten weegt. Het argument is toch al onaanvaardbaar: in de mededeling wordt van zulke aanvragen in het geheel geen melding gemaakt. SZAG concludeert dat er met het oog op het bewijs van enkele dezer beweringen inlichtingen bij enige met name genoemde personen dienen te worden ingewonnen.

dd) Er is geen enkele aanwijzing voor de juistheid van de stelling der Commissie dat SZAG's aankopen bij Sucre-Union en Béghin op een verboden afgestemde feitelijke gedraging zouden berusten. Integendeel, tal van feitelijke omstandigheden wijzen er op dat er van afstemming juist geen sprake was. Sprekende van een „merkbare toename” van de leveringen van fabrikant aan fa-brikant in 1970/1971 en 1971/1972 (beschikking, blz. 36, r. kol.), verzuimt de Commissie enerzijds aan te geven waarom zich een aldus gekwalificeerde toename zou voordoen en wekt zij anderzijds de onjuiste indruk dat SZAG in de beide voorafgegane campagnes bij Franse fabrikanten zou hebben gekocht. De aanvullende kooptransacties die in 1970/1971 en 1971/1972 bij Sucre-Union en Béghin zijn afgesloten, waren commercieel verantwoord. Zij dienden ter aanvulling van een tekort dat door de slechte oogst 1970/1971 èn de toegenomen vraag was ontstaan. Omdat SZAG met haar klanten lang lopende voorzieningscontracten had afgesloten en haar voorraden waren geslonken, heeft zij zich rechtstreeks tot fabrikanten gewend om zo laag mogelijke prijzen te kunnen bedingen. Alvorens bij Sucre-Union en Béghin te kopen had zij contact opgenomen met fabrikanten in Niedersachsen en vervolgens met buitenlandse fabrikanten — hetgeen geen zin zou hebben gehad als er sprake was geweest van afstemming —. Reeds voor de inwerkingtreding van de communautaire ordening had SZAG ruwe suiker gekocht bij fabrikanten in Niedersachsen, namelijk in het raam van de vroegere Duitse marktordening .— en derhalve buiten iedere afstemming om —. Vergelijking van de omvang dier transacties en die der leveringen van Béghin leert dat laatstgenoemde leveranties volkomen normaal waren. De stelling dat „een fabrikant, normaal gezien, er geen belang bij heeft grote hoeveelheden van zijn produkten aan een of meerdere concurrenten te verkopen” (beschikking, blz. 31, r. kol.) is niet juist voor zover erin besloten ligt dat zulke verkopen slechts door een onderling afgestemde feitelijke gedraging te verklaren zouden zijn. In casu wordt vergeten dat de desbetreffende hoeveelheden noch uit de gezichtshoek van de Verkoper noch uit die van de koper bezien „groot” waren en dat de verkoper door zulke transacties bepaalde bijkomende commercialisatiekosten werden bespaard. Een andere reden die verzoekster aanvoert ter rechtvaardiging van haar aankopen bij andere fabrikanten is gelegen in haar verkoopbeleid: zij bleef met haar verkopen steeds boven de produktiemogelijkheden van haar telers, die dientengevolge hun suikerbietenareaal niet voortdurend behoefden te wijzigen. Leveringen van fabrikant aan fabrikant zijn trouwens ook elders gebruikelijk. De stelling dat Sucre-Union en Béghin „regelmatig en in toenemende mate suiker aan hun belangrijkste concurrenten” zouden hebben verkocht (beschikking, blz. 37, 1. kol.), is niet juist of overdreven. Het woord „regelmatig” suggereert ten onrechte dat er vaste zakenrelaties zouden hebben bestaan, terwijl SZAG slechts eenmaal bij Sucre-Union (4500 ton witte suiker in 1971/1972) en in 1968/1969 en 1970/1971 in het geheel niet bij Béghin heeft gekocht (i). SZAG is niet de „belangrijkste concurrent” van Sucre-Union en Béghin: Zuid-Duitsland is slechts een van hun vele potentiële afzetgebieden en, behalve misschien in Italië, ondervinden zij nauwelijks concurrentie van verzoekster. Het is niet juist te stellen dat „het feit dat de hoeveelheden suiker die door de Franse fabrikanten zijn geleverd grotendeels op ruwe suiker en suiker van minder goede kwaliteit die zou moeten worden verwerkt, zouden betrekking hebben, het bestaan van een beperking van de mededinging niet verhindert; dat de leveranciers in staat waren, en het ook gedurende de eerste twee campagnes waren, zelf de hoeveelheden ruwe suiker te raffineren en de suiker van minder goede kwaliteit tot vloeibare suiker om te werken” (beschikking, blz. 37, r. kol.): Wat betreft Béghin: deze onderneming beschikt niet over de nodige installaties ter vervaardiging van vloeibare suiker en haar fabriek te Sillery, waar SZAG ruwe suiker heeft gekocht omdat dat wat de transportkosten betreft minder nadelig uitkwam, was op de raffinage tot witte suiker helemaal niet ingesteld. Anderzijds zou alleen het vervoer van ruwe suiker naar haar fabrieken te Thumeries — voor doorvervoer naar Duitsland — Béghin ongeveer 60 DM per ton extra hebben gekost. Sucre-Union kan in Zuid-Duitsland tegen concurrerende prijzen geen vloeibare suiker verkopen: de transportkosten vallen hier nog nadeliger uit dan bij gewone witte suiker. SZAG betwist dat haar aankopen „een rechtstreekse tussenkomst van de Franse fabrikanten op de Zuidduitse markt, wat de betrokken hoeveelheden betreft, verhinderen” omdat „het grootste deel van de hoeveelheden die de twee Franse fabrikanten voor de Zuidduitse verkoop-zone bestemden aldus is opgeslorpt” en „naar de gebruikelijke verkoopkanalen van de binnenlandse markt \[is\] gestuurd” (beschikking, blz. 37, 1. en r. kol.). Sucre-Union en Béghin produceren jaarlijks ongeveer 780000 onderscheidenlijk 300000 ton, waarvan 400000 onderscheidenlijk 120000 ton — of wel ongeveer 50 % van het totale jaarlijkse suikerverbruik in Zuid-Duitsland — moet worden geëxporteerd. Het is dus een ongerijmde veronderstelling dat verzoeksters bescheiden aankopen Béghin of Sucre-Union zouden hebben belet al hun overschotten voor Zuid-Duitsland te „bestemmen”. In werkelijkheid zijn Sucre-Union en Béghin waarschijnlijk als leveranciers van witte suiker rechtstreeks aan de markt gekomen, evenals andere Franse fabrikanten. SZAG geeft-een lange lijst van in Württemberg gevestigde bedrijven die — volgens de gegevens welke de heer Fleischberger, SZV's vertegenwoordiger te Stuttgart, de Commissie bij brief van 4 november 1972 heeft verstrekt — te zamen jaarlijks 5000 à 10000 ton importeerden. Die lijst is niet eens volledig: SZAG's verkoopgebied omvat niet slechts Württemberg en de heer Fleischberger had geen volledig overzicht. Uit andere door SZAG overgelegde cijfers blijkt dat de rechtstreekse leveringen van buitenlandse fabrikanten in werkelijkheid SZAG's verkopen verre overtroffen, alsook dat die leveringen — ten opzichte van het seizoen 1969/1970, waarin volgens de beschikking der Commissie in het geheel geen afstemming kan worden vastgesteld — in 1970/1971 met 250 % en in 1971/1972 met 300 % zijn toegenomen. Een en ander bewijst wel dat de gestelde afstemming niet heeft plaatsgehad. Uit vorenbedoelde brief blijkt ook dat andere Duitse ondernemingen offertes voor Franse suiker hebben ontvangen die om verschillende redenen niet tot koop hebben geleid. SZAG geeft ook een lange lijst van Duitse bedrijven waaraan Sucre-Union en waarschijnlijk ook Béghin in 1970/1971 en 1971/1972 offertes zouden hebben gedaan. Ten slotte had de Commissie in aanmerking moeten nemen dat, naar zij zelf had vastgesteld (beschikking, blz. 45, r. kol.), Sucre-Union „zich steeds zoveel mogelijk afzijdig heeft gehouden en naast de rechtstreekse leveringen aan buitenlandse concurrenten in vrij grote mate ook verkopen aan handelaren en verwerkende ondernemingen van het land van bestemming heeft gedaan”. De onjuistheid van de nadere bewering der Commissie dat SZAG in „een bijna volledige bescherming van de Zuidduitse markt” zou zijn geslaagd (beschikking, blz. 37, r. kol.) volgt reeds uit hetgeen hiervoor is betoogd, doch ook uit het feit dat SZAG's aanvullende aankopen, vergeleken met haar eigen produktie, van zeer weinig betekenis waren; het percentage van die aankopen bedroeg in 1970/1971 en 1971/1972 voor witte suiker 0,05 en 0,8 en voor ruwe suiker 2 en 3. Ten slotte wordt door de stelling dat „het de handelaren van het zuidelijk deel van Duitsland verboden is suiker uit andere Lid-Staten in te voeren” (beschikking, blz. 37, r. kol.) het eveneens in de beschikking (blz. 28, r. kol.) erkende feit miskend dat SZAG zich voor haar suikerverkoop niet tot onafhankelijke handelaren, doch tot handelsvertegenwoordigers wendt. De zeventien zonevertegenwoordigers zijn ook niet de enigen die als suikerimporteurs in aanmerking komen; SZAG legt een lijst over van niet aan SZAG of aan SZV gebonden Duitse bedrijven die in Zuid-Duitsland suiker hebben aangeboden. Het is een onjuiste gedachte dat aankopen van de ene suikerfabrikant bij de andere op zichzelf een inbreuk op artikel 85 (1) van het EEG-Verdrag behelzen. Het spreekt vanzelf dat een verkoper niet tweemaal over dezelfde waar kan disponeren en het Hof heeft reeds implicite uitgesproken dat uit het feit dat men niet wederom kan leveren nog niet tot een beperking der mededinging mag worden geconcludeerd. Wanneer zij SZAG verwijt met Sucre-Union tot een afstemming van gedragingen te zijn gekomen (beschikking, blz. 36 en 37, sub D), doch anderzijds weer aanneemt dat Sucre-Union zich daaraan niet heeft gehouden (beschikking, blz. 45, r. kol.), miskent de Commissie dat een „onderling afgestemde feitelijke gedraging” wil zeggen dat het overeenkomstig de tevoren getroffen afstemmingen ook daadwerkelijk tot samenwerking moet zijn gekomen. Ten slotte is het niet logisch om aan de vaststelling dat de door de Commissie bedoelde afgestemde gedraging „ertoe strekt het zuidelijk deel van Duitsland aan de mededinging van andere aanbieders te onttrekken”, de conclusie te verbinden dat zij „de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden” (blz. 37, sub 3); dit komt er namelijk op neer dat men aan de omschrijving van een subjectieve doelstelling het bestaan van nadere objectieve omstandigheden als gevolgtrekking verbindt.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De argumenten waarvan de Commissie zich in haar antwoord bedient vallen ten dele samen met die waarop zij zich jegens Béghin heeft beroepen (vgl. supra, a, 2). Zij geeft een samenvatting van de feiten waarvan zij in haar beschikking is uitgegaan en die haars inziens noodzakelijkerwijze tot de conclusie leiden dat het tussen SZAG en SZV enerzijds en de Franse ondernemingen Béghin en Sucre-Union anderzijds is gekomen tot een coördinatie waarbij praktische samenwerking welbewust voor de risico's der mededinging in de plaats is gesteld.

Meer rechtstreeks antwoordend op de argumenten van SZAG betoogt de Commissie het volgende:

###### ad aa)

Allereerst zij er op gewezen dat SZAG noch in Saarland noch in Frankrijk suiker heeft geleverd, ofschoon sommige Zuidduitse fabrieken dichter bij de Elzas lagen dan de Franse fabrieken. De Franse leveranties aan niet-fabrikanten in Zuid-Duitsland kwamen in 1970/1971 en 1971/1972 met slechts 1,5 % van het totale verbruik van dit gebied overeen; het is bovendien mogelijk dat deze leveringen ten dele bestemd waren voor denaturering of voor export naar derde landen.

###### ad bb)

Waar zij stelt dat het prijsniveau in Zuid-Duitsland hoger was dan dat in Frankrijk (beschikking, blz. 36, r. kol.), gaat de Commissie uit van marktprijzen en niet van de netto-opbrengst der fabrikanten. Die netto-opbrengst kan alleen zinvol als maatstaf worden gebruikt wanneer SZAG's netto-opbrengst wordt vergeleken met die van de Franse fabrikanten en niet met de richtprijs of de interventieprijs. Uit SZAG's cijfers blijkt evenwel dat haar nettoprijzen in het eerste halfjaar 1971 gemiddeld op of boven het niveau van de richtprijs lagen.

###### ad cc)

Ook al zou het in het algemeen juist zijn, dan nog wordt door het argument van de transportkosten niet verklaard dat er in de grensgebieden niet is geïmporteerd. Uit SZAG's cijfers volgt dat de transportkosten voor leveringen vanuit Reims met bestemming Koblenz of Freiburg geen ernstige handicap opleverden.

Uit SZAG's eigen uiteenzetting blijkt dat de marktcondities, althans vanaf 1970/1971, voor Franse leveringen aan Zuid-Duitsland alleszins gunstig waren. Dat de Franse fabrikanten nochtans liever aan SZAG en Franken verkochten — en wel, naar SZAG zelf toegeeft, tegen voor de kopers zeer gustige prijzen — is veelzeggend.

Met betrekking tot de stijgende lijn die de Franse importen naar Zuid-Duitsland van 1969/1970 op 1970/1971 vertoonden betoogt de Commissie dat SZAG's cijfers alleen op witte suiker betrekking hebben en mede de leveranties aan Saarland en het westen van de Bondsrepubliek betreffen. De Commissie geeft harerzijds een overzicht van de importen in het Zuidduitse verkoopgebied, volgens hetwelk deze importen van 7800 ton in 1969/1970 zijn opgelopen tot 29450 ton (inclusief 16100 ton voor SZAG en Franken en ook voor verzoeksters dochtermaatschappij, de „Grundstückverwaltungsgesellschaft”) in 1970/1971.

Wat betreft de situatie in Saarland: de door SZAG aangehaalde passage van de beschikking wil zeggen dat volgens de Commissie de afspraak dat de concurrenten over en weer eikaars afzetgebied zouden eerbiedigen, ook kan worden afgeleid uit het feit dat Franse suiker niet via Saarland naar het overige gebied van de Bondsrepubliek is vervoerd en dat de fabrikanten in Zuid-Duitsland, hun gunstige ligging ten spijt, niet aan Saarland leveren.

SZAG's verwijzing naar de transportkosten verklaart niet dat aan tal van aanvragen van niet-fabrikanten niet is voldaan, terwijl zij zelf toegeeft dat die kosten sinds 1970/1971 niet langer de doorslag gaven. Leveringen van Franse suiker aan zulke ondernemers hebben ook wel plaats gevonden, al ging het maar om kleine partijen. De Commissie beschikt over bewijzen dat Zuidduitse handelaren in staat waren in dit gebied Franse suiker af te zetten. Zij herinnert er aan dat Sucre-Union er bij haar Duitse vertegenwoordiger op heeft aangedrongen haar klantenlijst aan SZAG of aan SZV mede te delen.

De door SZAG voorgestelde bewijslevering kan de beslissende vragen niet tot opheldering brengen.

###### ad dd)

SZAG gaat er in haar betoog van uit dat de leden van SZV met uitsluiting van andere fabrikanten in de behoeften van Zuid-Duitsland zouden hebben te voorzien. Zonder te betwisten dat verzoekster er belang bij heeft haar klanten te behouden, is de Commissie nochtans van mening dat de leveringen der Franse fabrikanten aan verzoekster met stelligheid op afstemming wijzen. De hierbedoelde leveranties van witte suiker zijn redelij kerwijze niet te plaatsen. De leveringen van ruwe suiker kunnen al evenmin alleen hun verklaringen vinden in het belang van Béghin. Béghin had haar ruwe suiker zeer wel tot witte suiker kunnen verwerken en om witte suiker in Zuid-Duitsland te verkopen behoefde zij niet per se eerst ruwe suiker van Sillery naar Thumeries te vervoeren.

Een en ander leidt tot de slotsom dat de gewraakte leveringen slechts hun verklaring kunnen vinden in een afstemming van gedragingen zodat slechts op de voornaamste door SZAG te berde gebrachte punten behoeft te worden ingegaan:

Op het argument dat de geringe hoeveelheden die SZAG bij de Franse fabrikanten heeft gekocht hen niet hadden kunnen weerhouden hun produkten in Zuid-Duitsland af te zetten wanneer hun dat rendabeler mocht zijn voorgekomen, antwoordt de Commissie dat het prijsniveau in Zuid-Duitsland zoveel hoger was dan in Frankrijk dat het verschil in transportkosten erdoor werd goedgemaakt. SZAG heeft trouwens de in de beschikking (blz. 37, 1. kol.) aangehaalde passage verkeerd begrepen: de Commissie heeft alleen maar gezegd dat de leveringen van de Franse fabrikanten hun rechtstreekse tussenkomst op de Zuidduitse markt „wat de betrokken hoeveelheden betreft” verhinderen.

De Commissie wil niet beweren dat er helemaal geen Franse suiker aan anderen dan suikerfabrikanten geleverd is; zij stelt alleen dat er maar kleine hoeveelheden geleverd zijn. De omvang van de Franse leveringen aan de verwerkende industrie in Zuid-Duitsland volgens de schatting van de heer Fleischberger komt ongeveer met de cijfers van de Commissie overeen. Telt men bij SZAG's cijfers (18247 ton voor 1970/1971 en 21521 ton voor 1971/1972) de leveringen van ruwe suiker op en trekt men er de leveringen van fabrikant aan fabrikant van af, dan komt men uit bij de cijfers die de Commissie geeft voor de leveringen aan andere kopers dan SZAG en Franken, te weten 13350 en 13050 ton.

Het is niet te verwonderen dat er aan een groot aantal'klanten offertes voor Franse suiker zijn gedaan, te minder waar Sucre-Union gedurende enige tijd een jegens SZV's verkooporganisatie onafhankelijke vertegenwoordiger heeft gehad. Waar zij beweert tegen de concurrerende aanbiedingen van Franse fabrikanten te zijn opgetreden, erkent SZAG dat er Franse suiker tegen lagere prijzen was aangeboden en komt zij in strijd met haar bewering dat de transportkosten de afzet van Franse suiker in Zuid-Duitsland onmogelijk maakten.

Naar aanleiding van de kritiek op de overweging van de considerans „dat het de handelaren in het zuidelijk deel van Duitsland verboden is suiker uit andere Lid-Staten in te voeren” wijst de Commissie er op dat zij opzettelijk het woord „handelaar” heeft gebruikt: de „handelsvertegenwoordigers” van SZV en SZAG handelen niet alleen in suiker, maar verkopen ook andere voedingsmiddelen. SZV en haar leden, die het aanbod van suiker in Zuid-Duitsland volledig in handen hebben, hebben zich van de rechtsfiguur van de vertegenwoordigingsovereenkomst bediend om bedoelde ondernemers volledig aan hun richtlijnen en aan hun controle te onderwerpen en vooral om hun te verbieden ook voor andere suikerfabrikanten te werken. Het economische gevolg hiervan is geweest dat de zelfstandige handelaren de suiker van SZV's leden niet langer mochten verkopen. Zij hadden er geen belang bij zich te bevoorraden via „handelsvertegenwoordigers” aan wie het verboden was een deel van hun provisie af te staan. De „vertegenwoordigingsovereenkomsten” en de getrouwheidskortingen te zamen hebben SZV en SZAG de volledige controle op de suikerverkoop in Zuid-Duitsland verschaft; anders hadden de heer Fleischberger, vertegenwoordiger van SZV, en SZAG niet zulke gedetailleerde gegevens kunnen verschaffen over klanten die Franse suiker aangeboden hadden gekregen.

De Commissie heeft de leveringen van fabrikant aan fabrikant op zichzelf niet als inbreuken op artikel 85 beschouwd. In casu vormden zij echter een belangrijke aanwijzing voor de ten deze bedoelde afgestemde gedraging. Met haar vaststelling dat deze gedraging „ertoe strekt het zuidelijk deel van Duitsland aan de mededinging van andere aanbieders te onttrekken” is de Commissie niet van het door betrokkenen beoogde doel uitgegaan, doch van het feit dat de gedraging het, objectief gezien, in zich had anticoncurrentieel te werken.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

SZAG antwoordt dat de door de Commissie ingeroepen omstandigheden noch op zichzelf noch gezamenlijk de conclusie rechtvaardigen dat er tijdens de verkoopseizoenen 1970/1971 en 1971/1972 sprake zou zijn geweest van een afstemming van gedragingen waarbij enerzijds Sucre-Union en Béghin en anderzijds verzoekster betrokken waren.

De Commissie heeft zelf vastgesteld dat verbruik en produktie in Zuid-Duitsland elkander in evenwicht hielden, zodat dit gebied niet behoorde tot de zones waar de natuurlijke voorwaarden voor grensoverschrijdend handelsverkeer waren vervuld en dat er in dit gebied dus geen belangrijke importen te verwachten waren. Ook het uitblijven van grote exporten vanuit Zuid-Duitsland naar Frankrijk behoeft de Commissie niet te verbazen; zij heeft zelf gesteld dat de prijzen in Zuid-Duitsland veel hoger lagen dan in Frankrijk. En wanneer zij opmerkt dat de Zuid-Duitse fabrieken dichter bij de Elzas liggen dan de Franse fabrieken, vergeet zij de 20 kilometer van Straatsburg gelegen Franse suikerfabriek Erstein.

Met betrekking tot haar leveringen aan Saarland betoogt SZAG dat SZV in 1968/1969 een vertegenwoordiger voor dat gebied in dienst heeft genomen, wiens marktaandeel op basis van nihil in 1968/1969 is opgelopen tot 11 % in 1972/1973, en wel zulks ondanks het feit dat zijn grootste afnemer in 1971/1972 is vertrokken.

De importen zijn inderdaad in zeer overwegende mate naar de Zuidduitse gebieden gegaan, die wat de vracht betreft een gunstige positie innamen en waar de markt door deze importen in aanmerkelijke mate werd beïnvloed; het ging om belangrijk meer dan 1,5 % der bevoorrading. Deze leveringen gingen vooral naar de verwerkende sector.

SZAG betwist nogmaals dat in Duitsland de richtprijs werd toegepast en in Frankrijk de interventieprijs. Deze stelling berust op gegevens die het Bureau voor de Statistiek van de Gemeenschappen zelf onderling onvergelijkbaar heeft genoemd. Het in die statistieken genoemde prijsverschil van 2,86 rekeneenheden bedraagt in werkelijkheid 0,136 rekeneenheden per 100 kg.

Het verschil tussen de interventieprijs en de marktprijs moge sedert 1970/1971 de invloed der transportkosten van Franse suiker hebben gecompenseerd, de andere kosten van een Franse exporteur konden er niet steeds door worden goedgemaakt. Dit wordt bewezen door het feit dat andere Franse fabrikanten dan Béghin en Sucre-Union nooit belangrijke partijen suiker naar Zuid-Duitsland hebben geëxporteerd. En de Commissie heeft SZAG niet verweten met andere Franse fabrikanten te hebben samengewerkt.

De stukken die de Commissie in het geding gebracht heeft ten bewijze van de samenhang waarin SZAG 's importen haars inziens moeten worden bezien, i .e. de eerbiediging van eikaars verkoopgebieden zijn anoniem gehouden. Zij vermogen de posita der Commissie dan ook niet te bewijzen en zijn als bewijsmiddel zelfs ontoelaatbaar. Bovendien betreffen zij het verkoopseizoen 1968/1969 waarvoor aan SZAG geen enkele inbreuk is ten laste gelegd.

Noch SZAG noch SZV heeft van de vertegenwoordiger van Sucre-Union een klantenlijst of namen van klanten ontvangen. Blijkens een brief aan SZAG van 20 juni 1973 heeft Sucre-Union aan haar vertegenwoordiger nooit daartoe strekkende instructies gegeven.

De Commissie miskent nog steeds het verkoopsysteem van SZAG en SZV. Zij verliest uit het oog dat deze bedrijven via hun vertegenwoordigers onder meer verkopen aan de onafhankelijke groothandelaren, of wel aan 1269 handelaren aan wie wat wederverkoop aan andere handelaren, export en import betreft geen beperkingen zijn gesteld. Over deze onafhankelijke groothandel wordt alle suiker verhandeld die uiteindelijk door de detaillisten aan de consumenten wordt verkocht of voor de kleine verwerkende bedrijven is bestemd.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie betoogt dat het evenwicht tussen verbruik en suikerproduktie in Zuid-Duitsland van de bietenoogst afhangt. In het seizoen 1970/1971 konden verzoekster en de andere leden van SZV de behoeften van Zuid-Duitsland niet volledig dekken; nochtans hebben de Franse fabrikanten van de gelegenheid geen gebruik gemaakt om op de Zuidduitse markt aan bod te komen en er de voorkeur aan gegeven grote hoeveelheden suiker aan verzoekster en Franken te verkopen.

De Commissie meent dat de prijs voor de suikerverkoop van zeer grote betekenis had moeten zijn; het is een homogeen produkt waarvan de herkomst niet ter zake doet. Daarom hadden tal van handelaren en afnemers in Zuid-Duitsland goedkopere suiker in Frankrijk willen kopen. Het is waar dat de Franse fabrikanten grote hoeveelheden naar derde landen hebben geëxporteerd; ook hebben zij omvangrijke partijen aan het interventiebureau afgedragen (139400 ton in 1970/1971 en 119000 ton in 1971/1972, grotendeels van Sucre-Union en Béghin). Gezien het prijsverschil tussen Frankrijk en Zuid-Duitsland was er voor de terughouding van de Franse fabrikanten ten opzichte van die markt geen natuurlijke verklaring te vinden.

De Commissie meent dat er op een open markt in beide richtingen over de nationale grenzen had moeten worden verkocht, voor zover de transportkosten aan zulke verkopen niet in de weg stonden. Van een „beschermde jacht” der nationale fabrikanten kon zelfs in een overschottenland geen sprake zijn. Het is dan ook niet normaal dat SZAG in de Elzas niet heeft geleverd. De capaciteit van de daar gelegen fabriek van Erstein is hoogstens 15000 ton, te gering om de behoeften van de Elzas te dekken. — Van nog meer belang is, dat de Franse fabrikanten in plaats van te trachten in Zuid-Duitsland aan de markt te komen — waar zij in 1970/1971 en 1971/1972 hogere prijzen hadden kunnen maken —, grote partijen aan verzoekster en aan Franken hebben geleverd. Uit dit alles blijkt dat belanghebbenden over en weer hun nationale markten hebben ontzien met inachtneming van de stelregel „chacun chez soi”.

De Commissie spreekt zich niet uit over de juistheid van verzoeksters stelling dat SZV vanaf 1968/1969 een deel van de markt van Saarland in handen heeft gekregen. Maar gezien de ongunstige geografische ligging van de Franse fabrieken, acht zij een marktaandeel van 11 % minimaal.

De in antwoord op de mededeling gemaakte opmerkingen over de prijzen in Zuid-Duitsland en Frankrijk bevestigen de veronderstelling der Commissie dat in Zuid-Duitsland de richtprijs en in Frankrijk de interventieprijs werd toegepast.

Anders dan verzoekster meent, hebben ook andere Franse fabrikanten dan Sucre-Union en Béghin in de Bondsrepubliek geleverd, zij het geen zeer grote partijen (ongeveer 21000 ton in 1970/1971 en 10000 ton in 1971/1972).

De Commissie verklaart zich bereid om, wanneer het Hof zulks mocht gelasten, de door haar anoniem gehouden stukken in originali over te leggen.

Ten aanzien van de overlegging van Sucre-Unions klantenlijst verzoekt de Commissie de voormalige vertegenwoordiger van die onderneming als getuige te horen.

De Commissie bestrijdt dat zij de werking van het systeem van wederverkoop van SZV's leden niet zou hebben begrepen. Volgens verzoeksters eigen woorden krijgt alleen de detailhandel met de onafhankelijke groothandel te maken, terwijl de verwerkende industrie ongeveer 55 % van de suiker opneemt en het bij de invoer om die industrie draait. Door deze sector te bevoorraden via handelsvertegenwoordigers die zich naar haar instructies hebben te gedragen heeft SZV de mogelijkheden van de vrije groothandel om buitenlandse suiker te verkopen gevoelig beknot; de verwerkende industrie moet in de regel in een deel van haar behoeften voorzien door aankoop bij plaatselijke producenten.

De Commissie brengt nogmaals ter sprake dat Béghin te Sillery geen raffinage-installaties heeft. Zij meent dat Béghin de witte suiker, te Thumeries verkregen door raffinage van de ruwe suiker van Sillery, in Frankrijk had kunnen verkopen en andere partijen witte suiker had kunnen leveren naar de langs een kortere weg te bereiken Zuidduitse gebieden.

De Commissie meent dat de vraag welke voordelen SZAG Béghin en Sucre-Union had kunnen bieden in ruil voor hun te-rughouding ten opzichte van de Duitse markt, slecht geformuleerd is. De Franse fabrikanten moeten hebben geweten dat deze markt maar beperkte hoeveelheden aan kon. Het voordeel voor de Franse fabrikanten heeft waarschijnlijk gelegen in de hun door SZAG en Franken geboden interessante prijzen.

##### 5. De grief dat RT de Belgische exporteurs economisch onder druk zou hebben gezet

###### RT, enig middel: Schending van artikel 86 van het Verdrag

###### a) Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

RT, betwist dat zij „een doorslaggevende invloed uitoefent of kan uitoefenen op ongeveer 85 % van de Belgische suikerproduktie” (beschikking, blz. 19, 1. kol.). Haar aandeel in de Belgische markt is niet groter dan de door haar omgezette 65 % van de Belgische produktie. De ondernemingen Oreye en Moerbeke-Waas worden weliswaar in financieel opzicht door haar gecontroleerd doch konden desondanks in de jaren 1969/1972 belangrijke hoeveelheden witte suiker aan Nederlandse en Duitse afnemers leveren. RT wenst als getuigen te zien gehoord baron Kronacker, president van Export, en de heer Adriaenssen, directeur-generaal van de Suikerfabrieken van Vlaanderen (Moerbeke-Waas), die kunnen verklaren dat het onwaar is dat Moerbeke-Waas en Oreye „slechts incidenteel afwijken van het door \[RT\] vastgesteld verkoopbeleid” (beschikking, blz. 38, 1. kol.).

Anders dan in de beschikking (blz. 38, 1. kol.) wordt gesteld, vormen België en Luxemburg samen niet een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt ten behoeve waarvan artikel 86 zou mogen worden toegepast: de suikerproduktie is er niet geconcentreerd, doch verspreid over een gebied dat alle Lid-Staten beslaat. De Commissie heeft dit trouwens zelf toegegeven in haar voorstel tot wijziging van artikel 4 van verordening nr. 17 (PB nr. C 92 van 20 juli 1970, blz. 16 e.v.).

Ten slotte vinden de door de Commissie vastgestelde weigeringen om aan Export en Hottlet te verkopen hun oorsprong in een gebrek aan beschikbare voorraden (herfst 1968) en in het feit dat Export te laag bood (zomer 1970). Beide ondernemingen kunnen trouwens nauwelijks het slachtoffer worden van economische druk; dit blijkt wel uit de beide brieven van Export en uit het verhoor van de heren baron Kronacker, president van Export, en Paul Hottlet, gedelegeerd administrateur van Hottlet.

###### b) Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

Wat betreft het belang dat in het kader van de markt der Gemeenschap aan de Belgisch-Luxemburgse markt moet worden gehecht: volgens de Commissie moet er van worden uitgegaan dat de Bel-gisch-Luxemburgse produktie in 1971/1972 770000 ton beliep, terwijl de Franse, Duitse en Italiaanse produktie op onderscheidenlijk 3230000, 2150000 en 1150000 ton mocht worden gesteld en de Belgische produktie ten opzichte van die in Nederland en Italië — waar men voor de consumptie ten dele op Bel-gische export was aangewezen — een overschot vertoonde.

Een onderneming neemt een machtspositie in wanneer zij zich onafhankelijk kan gedragen en niet noemenswaard met concurrenten, kopers of leveranciers rekening behoeft te houden. Dit is het geval wanneer zij het op grond van haar marktaandeel dan wel op grond van haar marktaandeel in samenhang met haar beschikbare know-how, grondstoffen en kapitaal, in de hand heeft voor de betrokken produkten goeddeels de prijzen vast te stellen en de produktie en distributie te controleren.

Dit is het geval met RT, wier machtspositie op de Belgisch-Luxemburgse markt voortvloeit uit haar eigen marktaandeel en de beslissende invloed op Moerbeke-Waas en Oreye, waarin zij een meerderheidsbelang heeft. Bovendien zitten er vijf leidinggevende functionarissen van RT in de Raad van Bestuur van Moerbeke-Waas, terwijl omgekeerd een bestuurder van deze laatste firma zitting heeft in de Raad van Bestuur van RT.

Zoals wel nauwelijks anders denkbaar ware, hebben deze beide firma's hun handelsbeleid geconformeerd aan dat van RT. Moerbeke-Waas bij haar voor Duitsland bestemde verkopen aan Export het prijsniveau (ten minste 1100 Bfr bij verkoop voor menselijke consumptie) geëerbiedigd dat tussen RT en Pfeifer & Langen was overeengekomen, terwijl de courante prijs 1086,50 Bfr bedroeg, en beperkingen opgelegd ten aanzien van de uiteindelijke bestemming van de suiker (met name door verkoop voor menselijke consumptie van toestemming van Pfeifer & Langen afhankelijk te stellen). In verschillende contracten met Hottlet komen dergelijke clausules voor. Oreye heeft wat Duitsland betreft voor eerbiediging van die minimumprijs gezorgd, hetgeen Export aanleiding gaf in een aan Oreye gerichte brief van 5 oktober 1970 op te merken dat de biedingen van deze firma „gelijkluidend” zijn aan „de prijzen die Raffinerie Tirlemontoise harerzijds bij handelsbesprekingen rechtstreeks van onze firma vraagt”. Dat er aanzienlijke leveranties aan Nederlandse en Duitse verbruikers geschieden is onvoldoende om, zolang de voorwaarden en de ontvangers dier leveranties niet bekend zijn, tot een onafhankelijk handelsbeleid te concluderen.

Wat betreft het aan RT verweten misbruik van een machtspositie: de Commissie ziet een uitdrukkelijke erkenning van de in de grieven bedoelde pressie in twee passages van het verzoekschrift waarin RT, met betrekking tot de Duitse markt schrijft dat zij „erop moest toezien dat de door haar met witte suiker bevoorrade Belgische handelaren die mogelijkheid niet teniet doen door stelselmatig in de klantenkring van Pfeifer & Langen te verkopen” (verz.schr., blz. 16, tweede alinea), en dat zij „zich, toen zij heeft gemeend voor denaturering bestemde suiker goedkoper te moeten verkopen, gedwongen heeft gezien passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat haar kopers die suiker, in strijd met het gegeven woord, beneden de interventieprijs op de markt voor menselijke consumptie zouden verkopen, hetgeen de markt zou hebben ontwricht” (verz.schr., blz. 33, eerste alinea).

Ten bewijze van RT's economische pressie legt de Commissie een aantal bescheiden over. Het gaat daarbij, wat de verhouding tussen RT en Export betreft, behalve om een brief van Export aan RT van 28 augustus 1967 waaruit blijkt dat de pressie met betrekking tot de bestemming van aan Export voor uitvoer geleverde suiker reeds vóór de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke ordening der markten is begonnen, om een brief van RT aan Export van 24 juli 1969 waarin wordt gevraagd de leveranties — op de Duitse markt voor menselijke consumptie — van voor denaturering „bestemde” partijen te beëindigen, om een aantal tot Exports interne bedrijfsvoering behorende stukken over het tijdvak februari-april 1970 — waaruit met name zou blijken dat RT erop toezag dat aan de door haar vastgestelde bestemmingen de hand werd gehouden — en om een aantal telexberichten van RT aan Export betreffende de maanden augustus en september 1970, waarvan de inhoud in dezelfde richting zou wijzen, en ten slotte om een op 5 oktober 1970 tussen Export en RT gesloten contract waarin een door RT verlangde clausule inzake de bestemming van de suiker zou voorkomen.

De op Hottlet uitgeoefende pressie — die eveneens de bestemming en de prijs van de suiker betrof — blijkt uit een brief van RT aan Hottlet van 19 maart 1969 en veertien tussen beide firma's gesloten contracten.

RT's beleid jegens Export en Hottlet wordt duidelijk geïllustreerd in RT's brief aan Export van 24 juli 1969, waarin men aldus leest: „waarbij wij U vroeger op de hoogte hebben gesteld van ons beleid jegens onze buitenlandse collega's en Uwerzijds de verzekering van oprechte medewerking hebben ontvangen …”.

Ten slotte legt de Commissie door Export met Jacobson op 1 oktober 1970 gevoerde correspondentie over, waarin het gaat om een contract waarin Export erop zou wijzen dat zij zich wel moest voegen naar „RT's aan ons kenbaar gemaakte algemene handelspolitieke verlangens”, omdat zij anders het — haar te zamen met Hottlet ingeruimde — uitsluitend recht op verkoop van de suiker die RT voor export had bestemd zou verliezen.

###### c) Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

Volgens RT zou zelfs het controleren van 85 % van de Belgisch-Luxemburgse markt — indien daarvan al sprake mocht blijken te zijn — nauwelijks betekenen dat er van een machtspositie in de zin van artikel 86 mag worden gesproken. Mag men stellen dat een staat als Duitsland als een „wezenlijk deel” van de gemeenschappelijke markt is te beschouwen, dat geldt niet voor België waar de suikerproduktie in 1971/1972 weliswaar het „historisch record” van 770000 ton bereikte, maar daarmede nog bleef beneden 10 % van de communautaire produktie (8100000 ton in dat zelfde verkoopseizoen). Ook het aantal consumenten aldaar (10 miljoen) is bescheiden, vergeleken bij dat van de gehele Gemeenschap (180 miljoen vóór de uitbreiding van de Gemeenschap).

Van de door de Commissie gestelde mogelijkheid van zelfstandig marktgedrag was geen sprake; zij bestond noch jegens de leveranciers die recht hadden op de minimumprijs voor suikerbieten, noch jegens de kopers, immers in België stellen de nationale autoriteiten, evengoed als in Frankrijk, Nederland en Italië, een maximumprijs vast.

RT stelt niet in staat te zijn nauwkeurige gegevens te verschaffen met betrekking tot de in concreto door Oreye en Moerbeke-Waas afgesloten transacties en vult haar bewijsaanbod in dier voege aan dat zij verzoekt de naamloze vennootschap Raffinerie Notre-Dame (Oreye) te horen in de persoon van de president-directeur, ridder Augustin Roberti.

RT geeft toe dat zij in de tijd waarin de belangentegenstellingen tussen haar en Export zich het meest toespitsten, aan de Belgische ondernemingen met inbegrip van Oreye en Moerbeke-Waas, doch ook aan ondernemingen waarin zij in het geheel geen belang had, heeft medegedeeld dat naar haar berekeningen een prijs van 1000 Bfr voor verkopen met bestemming Duitsland gerechtvaardigd was. In de lijn van die mededeling hebben andere ondernemingen vervolgens met betrekking tot de bij die verkopen te berekenen prijs een zelfde houding jegens Export aangenomen. RT heeft te dier zake echter noch aan Moerbeke-Waas noch aan Oreye ooit enige instructie gegeven.

In RT's brief aan Hottlet van 19 maart 1969 ging het erom Hottlet te dwingen tot nakoming van de clausule die haar verbood anders dan voor denaturering weder te verkopen. Die houding was gerechtvaardigd; in artikel 19 van verordening nr. 100/72 worden trouwens maatregelen voorzien om te controleren dat werkelijk tot denaturering wordt overgegaan.

###### d) Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie betwist dat aan de „mededeling” van beweerdelijk gerechtvaardigde prijzen een andere betekenis zou moeten worden toegekend wanneer zij ook aan onafhankelijke raffinaderijen wordt gedaan.

Het belang van de Belgisch-Luxemburg-se markt kan niet alleen aan de produktiecijfers en aan het aantal consumenten worden afgelezen; men dient rekening te houden met het overschot van de Belgi-sche produktie (772000 ton in 1971/1972) ten opzichte van het binnenlands verbruik (351000 ton voor België en Luxemburg) en ten opzichte van de maximumquota (628000 ton). Het belang van de Belgisch-Luxemburgse markt wordt door RT's zwaarwegende invloed op die markt en op die van de Gemeenschap nog vergroot.

##### 6. De grief dat SU en CSM de Nederlandse importeurs economisch onder druk zouden hebben gezet

###### A — In limine litis opgeworpen middel: SU zou in het tijdvak waarop de grief betrekking heeft nog niet hebben bestaan

SU betoogt in het kader van dit tegen het onderhavige punt van bezwaar opgeworpen (en hiervoor onder 2, A, a, uitvoeriger besproken) middel met name dat dit punt van bezwaar betrekking heeft op het verkoopseizoen 1969/1970, toen verzoekster nog niet was opgericht.

###### B — Middelen van formele en processuele aard

###### a) SU en CSM: aanvechtbaar voorlichtingsbeleid van de Commissie; te kor te termijnen voor de indiening van opmerkingen; collectieve beschikking

Deze middelen, waarvan het derde alleen door SU wordt opgeworpen, zijn hiervoor in hoofdstuk 2, B, a, b, h, samengevat.

###### b) SU: Geen of onvoldoende motivering

Sommige ten deze door SU opgeworpen middelen hebben tevens betrekking op de grief betreffende bescherming van de Nederlandse markt; te dien aanzien wordt verwezen naar het hiervoor in hoofdstuk 2, B, i, weergegeven betoog van partijen.

###### 1. Samenvatting van het verzoekschrift

SU meent dat de beschikking op de navolgende punten niet dan wel onvoldoende is gemotiveerd:

De Commissie heeft haar stelling dat de Nederlandse suikermarkt een „wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormt” (beschikking, blz. 38, r. kol.) niet feitelijk gemotiveerd.

Vaststellende dat „twee Nederlandse fabrikanten, de SU en de SCM een machtspositie innemen” (loc cit.) laat de Commissie in het midden of zij deze beiden als één onderneming ziet dan wel of — en c. q. waarom — zij de marktmacht van de een bij die van de ander optelt.

Zonder enige motivering spreekt de Commissie ten aanzien van verzoekster en de CSM van de „mogelijkheid een onafhankelijke gedragslijn te volgen die hen in staat stelt op te treden zonder in belangrijke mate rekening behoeven te houden met de activiteiten van hun concurrenten” (loc. cit.).

De stelling dat de beide ondernemingen de gehele Nederlandse suikerinvoer „controleren” (loc. cit.) is onbegrijpelijk tenzij aan het Nederlandse werkwoord „controleren” een aan het Franse werkwoord „controler” ontleende niet-Nederlandse betekenis wordt gehecht.

Ten slotte gewaagt de Commissie van een „dreiging” van SU en CSM tegen bepaalde handelaren (beschikking, blz. 39, 1. kol.) zonder nader aan te geven waarin die dreiging zou hebben bestaan.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie betoogt dat het inwonertal van Nederland bekend is en vrijwel iedereen in meerdere of mindere mate suiker gebruikt, zodat zij niet behoefde uit te weiden over de gronden voor haar vaststelling dat de Nederlandse suikermarkt een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormt.

Voor het overige verwijst zij naar haar betoog ten principale (infra, C, a, 2).

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

Volgens SU ontslaat het feit dat het inwonertal van Nederland bekend is de Commissie niet van de motiveringsplicht met betrekking tot een onverkend juridisch begrip.

Wat betreft de vraag of SU en CSM voor de toepassing van artikel 86 als één onderneming zijn te beschouwen: de Commissie had haar standpunt met harde controleerbare feiten moeten staven.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

Volgens de Commissie komt het doorslaggevend element, de gemeenschappelijke gedragslijn van SU en CSM tegenover de handelaren, in de beschikking duidelijk tot uitdrukking, zodat aan beide ondernemingen een gezamenlijke „machtspositie” mocht worden toegeschreven.

###### c) CSM: geen of onvoldoende motivering

Sommige ten deze door CSM opgeworpen middelen hebben tevens betrekking op de grief betreffende bescherming van de Nederlandse markt; te dien aanzien wordt verwezen naar het hiervoor in hoofdstuk 2, B, i, weergegeven betoog van partijen.

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Volgens CSM vertoont de beschikking met betrekking tot de „dreiging” die CSM tegen de handelaren zou hebben uitgesproken (blz. 39, 1. kol.) leemten. De Commissie vermeldt aard, tijd en plaats dier bedreiging niet en zegt ook niet tegenover wie zij zijn geuit.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

De Commissie meent de tegen CSM als bewezen aangenomen feiten duidelijk te hebben omschreven. Tijd en plaats der gewraakte handelingen en namen van personen behoeven dan niet bekend te zijn.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

CSM betoogt dat de Commissie in ieder geval de bewering dat CSM en SU bij de beoordeling van de druk die zij op de Nederlandse handelaren zouden hebben uitgeoefend als een eenheid moeten worden beschouwd, onvoldoende heeft gemotiveerd.

###### d) SU: Gebrek aan nauwkeurigheid in het dispositief

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

SU betoogt dat de Commissie in ieder geval in strijd heeft gehandeld met het beginsel der rechtszekerheid door in het dispositief der beschikking niet duidelijk aan te geven welke vorm van economische druk en/of welke wijze van uitoefening van economische druk haar verweten wordt.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie zegt voor antwoord dat uit de motivering duidelijk blijkt dat verzoekster ervan wordt beschuldigd andere methoden dan eerlijke concurrentie te hebben gebruikt om de Nederlandse importeurs ertoe te brengen van leveringen aan SU's klanten af te zien. Die methoden worden in de beschikking uitvoerig beschreven.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

SU betoogt dat de Commissie, waar zij stelt dat SU zich aan oneerlijke concurrentie zou hebben schuldig gemaakt, zich ertoe beperkt een gedraging te kwalificeren. Nergens in de beschikking wordt in normaal Nederlands duidelijk gemaakt wat de Commissie als „eerlijk” en „oneerlijk” beschouwt. Al evenmin geeft zij een „uitvoerige” beschrijving van de door SU gebezigde methoden.

###### C — Middelen de zaak ten principale betreffende

###### Opmerking vooraf

Aan de grief behelzende economische druk op de Nederlandse importeurs worden ten dele dezelfde feitelijke posita ten grondslag gelegd als aan die betreffende bescherming van de Nederlandse markt (vgl. enerzijds beschikking, blz. 25, 1. kol., blz. 26, 1. kol., blz. 33, r. kol., anderzijds blz. 38, r. kol., blz. 39, 1. kol.). Derhalve wordt eveneens verwezen naar hoofdstuk 2, C, a, en b (supra).

###### a) SU: Schending van artikel 86 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

SU verwijt de Commissie iedere feitelijke motivering van de stelling dat de Nederlandse suikermarkt een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt zou zijn, achterwege te hebben gelaten. De Commissie schijnt de gedachte ingang te willen laten vinden dat aan de term „wezenlijk bestanddeel van de gemeenschappelijke markt” een puur geografische betekenis zou toekomen, waarbij economische factoren buiten beschouwing zouden mogen blijven.

Het is uit de lucht gegrepen dat SU en CSM voor „bijna al hun activiteiten \[nauw\] samenwerken” en „een machtspositie innemen”. Is in de beschikking sprake van de voor SU en CSM bestaande „mogelijkheid een onafhankelijke gedragslijn te volgen die hen in staat stelt op te treden zonder in belangrijke mate rekening behoeven te houden met de activiteiten van hun concurrenten”, in werkelijkheid stelt zij haar beleid zelfstandig vast en heeft zij terdege rekening te houden zowel met CSM als met de exporteurs uit andere Lid-Staten en met de verlangens van haar afnemers.

SU ontkent dat zij, hetzij alleen hetzij in samenwerking met CSM, de handelaren verplicht zou hebben suiker tegen bepaalde prijzen door te verkopen, suiker aan haar door te verkopen en zonder haar toestemming in Nederland niet opnieuw suiker in te voeren. Ook ontkent zij hoe dan ook de importeurs te hebben „bedreigd”. Waar zij spreekt van de „traditionele invoer” van verzoeksters handelaren — die door haar zou worden „bedreigd” —, schijnt de Commissie te bedoelen dat de importeurs er recht op zouden hebben op hun terrein voor concurrentie door verzoekster gevrijwaard te blijven.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van bet verweerschrift

###### Vgl. supra, B, b, 2, eerste alinea

De Commissie zegt, tevens ter principale ingaand op een aantal middelen betreffende de motivering (vgl. supra, B, b, 1), met name het volgende voor antwoord:

De vraag of twee ondernemingen voor de toepassing van artikel 86 als een eenheid mogen of moeten worden beschouwd, moet telkens in het licht van de economische werkelijkheid worden beantwoord. Om in overweging 8 der beschikking (blz. 19, r. kol., blz. 20, 1. kol.) aangestipte redenen heeft zij aan SU en aan CSM te zamen terecht een marktbeheersende positie toegeschreven. Met name hebben beide vennootschappen:

voor de belangrijkste produkten vrijwel steeds eenvormige prijzen toegepast;

op wezenlijke punten gelijkluidende verkoopvoorwaarden toegepast, althans verkoopvoorwaarden die een identiek commercieel en economisch effect beogen en bewerkstelligen;

vrijwel gelijktijdig gelijkluidende brieven aan de detaillisten gezonden wanneer zij de consumentenprijzen van SU en CSM niet eerbiedigden.

SU en CSM hebben ongeoorloofde druk uitgeoefend op de onafhankelijke Nederlandse suikerhandelaren door hen te dwingen de klantenkring van SU en CSM — en hun prijspolitiek tegenover die klantenkring — te respecteren. Dit gedrag was te meer laakbaar nu deze Nederlandse producenten zich gesteund wisten door — enerzijds — RT's bereidheid alle hoeveelheden te leveren waaraan zij behoefte mochten hebben en — anderzijds — RT's taktiek om de Belgische handelaren te dwingen aan voormelde afscherming van de Nederlandse markt mede te werken. SU en CSM hebben trouwens toegegeven gerichte prijsconcessies te hebben gedaan om hun klanten te binden, welke handelwijze — uitgaand van ondernemingen die een machtspositie innemen — evenzeer een door artikel 86 verboden gedrag kan opleveren.

In de zaak betreffende de import van Franse suiker is het duidelijk dat het doorverkopen van deze ingevoerde suiker aan de nationale producenten als een noodsprong van door SU en CSM in het nauw gedreven handelaren is te beschouwen. Deze beoordeling van de feiten door de Commissie wordt door sommige kenners van de suikermarkt gedeeld.

Door het feitenmateriaal dat in de beschikking en in het verweerschrift wordt geboden heeft de Commissie zich van de op haar rustende bewijslast gekweten. Daarnevens behoeft zij geen uitdrukkelijke verklaringen over te leggen van vertegenwoordigers van SU en CSM waaruit zou moeten blijken dat deze zich van het anti-concurrentieel karakter van hun gedrag bewust zijn geweest.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

SU betwist de stelling dat parallel marktgedrag van SU en CSM aanleiding zou mogen geven om ook de marktinvloed van beide ondernemingen gezamenlijk te beoordelen. Waar van zodanige parallellie mocht worden gesproken, kon daarvoor een verklaring worden gevonden ook zonder dat men er een op samenwerking gerichte wil van beide ondernemingen bij te pas behoefde te brengen; zij betoogt dienaangaande met name het volgende:

SU verwijst allereerst naar hetgeen zij in het verzoekschrift heeft gesteld met betrekking tot de bemoeienis van de Nederlandse overheid met de suikerprijs (vgl. supra, 2, C, a). De Nederlandse suikerprijzen bewogen zich op ongeveer 1/3 % à 5/8 % boven de interventieprijs, waardoor de ondernemingen vrijwel geen marge werd gelaten. De handhaving van verticale prijsbinding is de fabrikanten door de georganiseerde detailhandel afgedwongen. Dat de verkoopvoorwaarden van beide fabrikanten gelijkenis vertonen behoeft niemand te verwonderen: een verkoopovereenkomst is een betrekkelijk eenvoudig contract waarvan de inhoud goeddeels wordt bepaald door het kader van de Nederlandse wetgeving waarbinnen zij zich heeft ontwikkeld. De prijzen van de prijscourant worden meestal gewijzigd door aan afnemers verleende kortingen. SU en CSM hebben elkander in het hierbedoelde tijdvak wel degelijk beconcurreerd en over en weer klanten uit elkanders debiet tot zich getrokken. Aan de hand van cijfers stelt SU dat zij zich ten koste van CSM een groter marktaandeel heeft weten te verwerven.

Op het gebied van de invoer stelt CSM als directe importeur zich anders op dan SU die via de handel importeert en daarbij werkt met „optiecontracten”, waardoor zij in staat is actief deel te nemen aan de concurrentiestrijd met buitenlandse producenten en exporteurs.

Ten aanzien van de haar verweten „dreiging” tegen de Nederlandse importeurs verwijst SU naar haar verzoekschrift en naar haar verweerschrift tegen de punten van bezwaar. Omdat de Commissie niet de moeite heeft genomen zich adequaat van de daarin geformuleerde stellingen op de hoogte te stellen, herhaalt zij de toedracht nog maar eens:

In 1968 kreeg een pool van Nederlandse importeurs in Frankrijk een hoeveelheid van 70000 ton Franse suiker in handen tegen een prijs die ten gevolge van de zwakke positie van de Franse frank vóór de devaluatie alsook door de exportfinancieringssteun van de Franse Regering ver beneden de Nederlandse interventieprijs lag. Die suiker is aan SU's traditionele klanten aangeboden tegen prijzen die beneden haar eigen prijzen lagen. Een dier klanten, het voedingsmiddelenconcern Van Nelle, heeft SU's verkoopdirecteur bij zich ontboden en verlangd dat SU onmiddellijk haar prijzen aan die van de importeurs zou aanpassen en voor de in het verleden gedane leveranties alsnog een aanzienlijke terugbetaling zou doen. SU heeft haar offertes toen inderdaad aan die der genoemde importeurs moeten aanpassen. Wel heeft Van Nelle de uitlegging aanvaard dat de importeurs „slechts door de valutacrisis, de exportsteun en de onwettige weigering van de EEG om maatregelen te nemen” tijdelijk suiker onder de interventieprijs hadden kunnen aanbieden, zodat er van een oneerlijke behandeling in het verleden geen sprake was. Ook aan andere afnemers heeft SU prijsconcessies verleend.

Daarmede heeft SU geenszins aan „predatory pricecutting” gedaan — met de bedoeling een concurrent stelselmatig geheel uit te schakelen —, doch gebruik gemaakt van haar met name in artikel 60, lid 2, van het EGKS-Verdrag omschreven recht haar prijzen aan de aanbieding van een concurrent aan te passen.

De Commissie is al evenzeer abuis wanneer zij stelt dat deze prijsconcessies zouden zijn gedaan om „haar klanten te binden”. Van „binding” kan eerst gesproken worden wanneer aan de afnemers ook met het oog op latere transacties recht op prijsaanpassing wordt toegekend.

De offertes van SU en die van de importeurs kwamen aldus op een gelijk peil te liggen, zodat de importeurs met belangrijke hoeveelheden bleven zitten. De Nederlandse kleinverbruiker geeft de voorkeur aan Nederlandse kwaliteiten in Nederlandse verpakkingen, de grootverbruikers hebben belang bij een stabiele en prompte toelevering over langere perioden en niet zo zeer bij voorbijgaande handelsrelaties. In die situatie heeft Jacobson SU gevraagd de importeurs te hulp te komen. Op grond van persoonlijke overwegingen en als blijk van goede wil heeft SU een partij buitenlandse suiker in kleinverpakking overgenomen. Het regende echter klachten, waardoor SU gedwongen was die suiker opnieuw te verpakken in 50 kg papier.

Kortom, SU heeft de importeurs niet „geprest” en de door de Commissie overgelegde anonieme notities, die waarschijnlijk op onjuiste informatie berusten, bewijzen het tegendeel niet.

SU heeft zich geen moment door RT „gesteund” geweten.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie meent dat SU met haar redenering de aandacht afleidt van het eigenlijke probleem, namelijk de krachtenverhouding tussen de Nederlandse importeurs en fabrikanten. Dat deze Iaatsten te zamen jegens de importeurs een machtspositie innamen lijdt, de in de beschikking genoemde cijfers en de onderhavige praktijken in aanmerking genomen, geen twijfel.

Wat betreft de uitoefening van economische druk op de importeurs: de door SU gesignaleerde omstandigheden behelzen slechts de halve waarheid. Een stelsel matige „alignering” op goedkopere aanbiedingen van importeurs, die aan de fabrikanten alleen mogelijk is dank zij de zekerheid vanuit het naastbijgelegen overschotgebied alle hoeveelheden te kunnen krijgen die naast hun eigen produktie nodig zijn om een vroeger in een stelsel van gescheiden markten opgebouwde klantenkring te beleveren, behelst wel degelijk misbruik van een machtspositie.

Het komt de Commissie daarom ongeloofwaardig voor dat SU uit medelijden op een geheel vrijwillig gedaan verzoek van de importeurs zou zijn ingegaan. Die lezing is bovendien in strijd met bepaalde overgelegde stukken.

###### b) CSM: Schending van artikel 86 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

CSM betwist dat zij met SU als één enkele onderneming — met een machtspositie — kan worden beschouwd. SU bestaat pas sinds 16 juli 1970. Tussen CSM en de aan SU voorafgaande corporaties heeft geen nauwere samenwerking bestaan; de Commissie vermeldt dienaangaande ook niets. Waar zij de beoordeling van de tussen SU en CSM bestaande samenwerkingsovereenkomsten aan andere procedures heeft voorbehouden (beschikking, blz. 20, 1. kol.) kan de Commissie daarvan bij haar redenering in casu niet uitgaan.

De Commissie houdt geen rekening met de mededinging die de Nederlandse en Duitse handelaren en verschillende Belgische fabrieken uitoefenen. Nog minder mag men stellen dat CSM — met haar marktaandeel van ongeveer 37 % — geheel alleen een machtspositie inneemt.

Met betrekking tot het haar verweten misbruik betoogt CSM dat in de bestreden beschikking geen enkele aanwijzing is te vinden waar en wanneer zij druk op de Nederlandse importeurs zou hebben uitgeoefend. De Commissie noemt geen concrete aanwijzingen — en levert a for tiori geen enkel bewijs — voor dergelijke gedragingen van CSM.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie bedient zich van soortgelijke overwegingen als in de zaak tegen SU (vgl. supra, a, 2).

Zij voegt daaraan toe dat CSM zichzelf tegenspreekt door enerzijds te stellen dat zij haar traditionele klantenkring wilde verdedigen door de handelaren concurrentie aan te doen bij het verkopen aan de condensindustrie en anderzijds te ontkennen ongeoorloofde economische druk op de handelaren te hebben uitgeoefend.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

CSM betoogt dat de Commissie heeft ingezien dat verzoeksters' marktaandeel niet aan de door het Hof opgestelde definitie van een machtspositie beantwoordt en daarom thans aan CSM en SU te zamen een machtspositie toedicht. Beide ondernemingen zijn echter economisch en juridisch onafhankelijk van elkander. Hun samenwerking op deelgebieden behelst geen zeggenschap over elkanders handelspolitiek.

De feiten waarop de Commissie zich beroept ten betoge dat CSM en SU als één groep zijn te beschouwen, kunnen die stelling niet dragen. Uit de geproduceerde stukken is niets af te leiden omtrent parallel marktgedrag. Uniformiteit in de prijsstelling is te wijten aan samenspraak tussen het Ministerie van Economische Zaken en de Nederlandse suikerindustrie.

De door de Commissie overgelegde brieven van 2 en 3 april 1969 van CSM onderscheidenlijk SU moeten worden bezien in het licht van de bijzondere omstandigheden van de zogenaamde „suikeroorlog”, een „oorlog” van de Nederlandse detaillisten onderling. Dit op bladzijde 52 en volgende van de mededeling bedoeld conflict speelt in de onderhavige procedures geen rol meer.

De — door de Commissie niet aangegeven — criteria volgens welke de beide Nederlandse fabrikanten als een eenheid zouden zijn te beschouwen, zouden ten minste moeten inhouden dat de beide ondernemingen economisch of juridisch nauw aan elkander gebonden zijn. Zodanige gebondenheid bestaat echter niet; integendeel, CSM stelt zich te weer tegen de pogingen van sommige ondernemingen, onder andere SU, om zich door aankoop van aandelen een beslissende invloed te verzekeren.

Al zouden CSM en SU te zamen een machtspositie innemen, dan nog zou CSM onmogelijk juridisch aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het gedrag van SU of haar directeur.

De door de Commissie gebezigde term „suikermarkt” is ter aanduiding van de betrokken markt ontoereikend. De Commissie laat in het onzekere of zij de concurrentie van suikervervangende produkten bij haar oordeelsvorming heeft betrokken. Zij heeft er ook geen rekening mee gehouden dat de diverse kwaliteiten suiker niet onderling vervangbaar zijn.

Ten slotte zijn de stellingen der Commissie in het kader van overtreding van de artikelen 85 en 86 met elkander in tegenspraak, immers men kan moeilijk vaststellen dat CSM en SU een machtspositie op de Nederlandse markt innemen en tegelijkertijd spreken van potentiële concurrentie van de buitenlandse suikerfabrikanten.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie acht het voor een gezamenlijke machtspositie voldoende dat de economische rol van de betrokken ondernemingen, hun omvang, hun plaats op de markt en hun gedrag genoeg raakvlakken hebben om de conclusie te rechtvaardigen dat deze ondernemingen jegens bepaalde leveranciers, concurrenten of afnemers geen afzonderlijke maar een gezamenlijke marktpositie innemen. Tijdens de „suikeroorlog” alsook tijdens de massale importen uit Frankrijk in 1968 hebben SU en CSM één lijn getrokken. Ook tegenover de importen uit België is beider opstelling identiek. Tekenend is in dit opzicht dat een vertegenwoordiger van SU in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van CSM — en zonder te-genspraak van deze laatste — heeft gesteld „dat het niet in het belang van de suikerindustrie is wanneer door de binnenkomst van goedkopere suiker onrust op de markt zou komen” en voorts dat „niemand er trouwens mee gebaat zou zijn wanneer de suikerindustrieën elkaar beconcurreren”.

De Commissie wijst er op dat zij het als ongeoorloofde druk in de zin van artikel 86 qualificeert een zogenaamd traditioneel afzetgebied te verdedigen wanneer de concurrentie-omstandigheden zijn vervalst door het gecombineerd effect van een — in casu met RT — afgestemde feitelijke gedraging en een machtspositie (in casu te zamen met RT ingenomen). Dit geldt ook voor een in die omstandigheden aan de dag gelegde geneigdheid tot agressief commercieel optreden op het „traditionele” marktgebied der concurrenten.

Voor de ten deze in aanmerking komende markt zijn de substitutieprodukten van geen betekenis zolang de Nederlandse suikerimporteurs door die produkten niet in staat worden gesteld compensatie te vinden voor de mede door CSM bewerkstelligde beperking van hun werkterrein. Ook dient men de betrokken markt niet naar de verschillende suiker-kwaliteiten onder te verdelen, immers handelaren en producenten zijn in staat vergelijkbare kwaliteiten aan te bieden.

##### 7. De grief dat SZV de tussenhandelaren zou hebben verhinderd suiker van andere herkomst weder te verkopen en de klanten door toekenning van een getrouwheidskorting zou hebben gebonden

###### A — Middelen van formele en processuele aard

###### a) SZV: Aanvechtbaar voorlichtingsbeleid van de Commissie: onrechtmatig heid begaan met betrekking tot de mededeling; te korte termijn voor het maken van opmerkingen

Aan deze in SZV's verzoekschrift opgeworpen middelen worden argumenten ten grondslag gelegd die naar inhoud en bewoordingen goeddeels identiek zijn aan die waarvan SZAG zich tot staving van haar overeenkomstige middelen heeft bediend; ten deze zij derhalve verwezen naar hoofdstuk 1, A, a, b en e (supra).

Ten aanzien van het middel betreffende een met betrekking tot de mededeling begane onrechtmatigheid beroept SZV zich op een memorie van 9 oktober 1972, die, behoudens een enigszins andere redactie in hoofdzaak overeenkomt met SZAG's memorie van 28 september 1972 (vgl. supra 1, A, b, 1, bb).

Met betrekking tot de te korte termijn die de Commissie belanghebbenden voor het maken van hun opmerkingen zou hebben gesteld betoogt SZV dat zij heeft gemeend geen gebruik te moeten maken van de in 's Hofs rechtspraak verankerde bevoegdheid om eventueel zelfs na het verstrijken van die termijn haar opvatting schriftelijk uiteen te zetten; zij heeft het er voor gehouden dat de Commissie op nadere opmerkingen geen acht meer zou slaan. In haar oproeping voor het op 17 oktober 1972 gehouden verhoor had zij namelijk verklaard dat „de schriftelijke fase van het verhoor” was afgesloten en de heer Jaume, die de hoorzitting heeft voorgezeten, had opgemerkt dat de ondernemingen „beschikken over een termijn van twee weken vanaf het verhoor om de Commissie in aanvulling op hun verklaringen schriftelijke stukken te doen toekomen (het gaat daarbij niet om een verlenging van de antwoordtermijn)”.

Het antwoord der Commissie behelst een betoog dat vrijwel gelijkluidend is aan haar verweer tegen soortgelijke middelen die met betrekking tot de grief inzake de Italiaanse markt door andere ondernemingen waren opgeworpen (vgl. supra, 1 A, a, b en e, 2).

###### b) SZV: Schending van artikel 4 van verordening nr. 99/63

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

SZV verwijt de Commissie dat zij aan haar beschikking feiten ten grondslag heeft gelegd die in de mededeling niet zijn vermeld en daarmede artikel 4 van verordening nr. 99/63 heeft geschonden.

aa) Zo heeft de Commissie op bladzijde 122 van de mededeling vastgesteld: dat SZAG's produktie 70 % bedraagt van die der gezamenlijke leden van SZV; dat SZAG rechtstreeks invloed uitoefent op „de tweede suikerproducent”, te weten Franken; „dat \[SZAG\] door haar meerderheidsdeelneming in SZV bijna de gehele suikerproduktie in Zuid-Duitsland controleert” en dat SZAG om deze redenen in Zuid-Duitsland een machtspositie inneemt. Er wordt echter niet bij gezegd dat ook SZV een machtspositie zou innemen (beschikking, blz. 39, 1. kol.). Enerzijds raakt het argument betreffende de produktie SZV niet omdat zij zelf geen suiker fabriceert en anderzijds wordt in de mededeling geen gewag gemaakt van een onmiddellijke aansprakelijkheid van SZV ten aanzien van de controle op de verkoop van in Zuid-Duitsland geproduceerde suiker — die controle wordt alleen aan SZAG verweten —.

bb) In de mededeling (vgl. blz. 122 e.v.) wordt alleen aan SZAG en niet aan SZV verweten misbruik van een machtspositie te hebben gemaakt. Zelfs wanneer de grief op door SZV genomen maatregelen betrekking mocht hebben, dan nog kon zij daaruit niet opmaken dat die haar in de beschikking zouden worden aangerekend — waarmede ook wordt teruggekomen op het standpunt dat SZV wegens SZAG's meerderheidsdeelneming van SZAG afhankelijk zou zijn —.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

Erkennende dat het misbruik maken van een machtspositie in de mededeling aan SZAG werd verweten, betoogt de Commissie dat uit het ruimer verband dier mededeling blijkt dat ook SZV werd bedoeld. Zo wordt op de bladzijden 122 en 123 vastgesteld dat „het gedrag van de Süddeutsche Zucker AG en haar verkooporganisatie, de SZV ten aanzien van de suikerhandel, … eveneens \[moet\] worden beoordeeld in het licht van artikel 86 van het EEG-Verdrag”, dat „de verkooporganisatie van de SZV haar tussenpersonen krachtens paragraaf 9 van haar „handelsagentencontracten” verplicht …” en dat het feit dat SZV haai klanten een bonus verleent die „jaarlijks hoeveelheidsrabat” wordt genoemd en 0,30 DM/kg bedraagt, misbruik oplevert. De Commissie heeft in haar beschikking de machtspositie aan SZV toegewezen omdat zij uit de schriftelijke opmerkingen der belanghebbenden had vernomen dat SZAG binnen SZV maar een beperkt stemrecht heeft. Omdat SZV bijna de gehele produktie van haar leden verhandelt, de handelsvertegenwoordigingscontracten afsloot en de betrokken getrouwheidskortingen toekende, moesten haar marktpositie en marktgedrag noodzakelijkerwijze aan artikel 86 worden getoetst. Waar haar activiteiten in de mededeling met zoveel woorden waren genoemd, kon de inhoud der beschikking haar bezwaarlijk verbazen; zij had bovendien ook tijdens de administratieve behandeling ten deze haar standpunt bepaald.

###### c) SZV: Schending van artikel 190 van het Verdrag

Onder het hoofd „De bewijslevering der Commissie” werpt SZV een middel op dat geacht kan worden onvoldoende redengeving te behelzen. De tot staving ervan gebezigde argumenten dekten ten dele die welke SZAG in het bestek van een door haar opgeworpen soortgelijk middel heeft voorgedragen. Ten deze zij derhale verwezen naar hoofdstuk 1 (supra), met name naar afdeling A, g.

###### B — Middel ten principale

###### SZV, enig middel: Schending van artikel 86 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

aa) SZV betwist dat zij een machtspositie als bedoeld in artikel 86 van het EEG-Verdrag inneemt. Zij betoogt dat „het zuidelijk deel van Duitsland” niet „een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt” is. De term „zuidelijk deel van Duitsland” is onnauwkeurig. SZV's activiteiten zijn beperkt tot zeven van de elf Lander en slechts in twee Lander komt haar marktaandeel in de buurt van de cijfers der Commissie; in maar drie gaat het de 50 % te boven. Deze geografische onderverdeling van een Lid-Staat had op zijn minst motivering verdiend. Produktie en verbruik van suiker in dit gebied beliepen slechts ongeveer 10 % van de produktie der Gemeenschap zoals die tot 31 december 1972 was samengesteld, hetgeen geen substantieel (wezenlijk) aandeel kan worden genoemd. SZV wijst op de bekendmaking van 27 mei 1970. — Omdat de beschikking bovendien van na 1 januari 1973 dateert, ook de toekomst betreft en belanghebbenden opdraagt de geconstateerde inbreuken onmiddellijk te beëindigen, had de Commissie ook dienen te bedenken dat het aandeel der vennootschap in de uitgebreide gemeenschappelijke markt maar 8 % is. Dat SZV „het overgrote deel van de produktie van haar leden afzet”, „de prijzen en verkooppolitik zelfstandig bepaalt” en dat „voor zover de SZV-leden afzonderlijk suiker verkopen dezelfde tussenpersonen worden ingeschakeld” (beschikking, blz. 39, r. kol.) heeft met het bestaan van een machtspositie niet van doen. Het zwaartepunt van het betoog der Commissie is dus gelegen in de overwegingen met behulp waarvan zij tracht aan te tonen dat SZV zich bij haar optreden niet veel aan de activiteiten der concurrenten gelegen behoefde te laten lig gen. Zij stelt voorop dat SZV's „gedragingen jegens haar afnemers … moeten worden beoordeeld” (beschikking, blz. 39, 1. kol.), maar laat het daarbij. De overwegingen betreffende SZV's gedragingen jegens de concurrenten zijn dus niet ter zake dienende. Zij zijn bovendien niet juist. Verzoeksters marktaandeel bereikt de door de Commissie genoemde 90 tot 95 % slechts in twee van de elf Lander. Ten slotte kunnen het „instandhouden van een systeem van zonevertegenwoordigers” en „het verlenen van een getrouwheidskorting”, niet tegelijkertijd als oorzaken van marktbeheersing (beschikking, blz. 36, r. kol.) en als „misbruik” (beschikking, blz. 39, r. kol.) worden beschouwd. In werkelijkheid staat SZV bloot aan concurrentie, voornamelijk van de Franse fabrikanten die een aanzienlijke overproduktie moeten afzetten en vaak offertes doen aan in Zuid-Duitsland gevestigde klanten en SZV noodzaken daartegen op te treden door het stellen van verkoopcondities die op de markttendenties zijn afgestemd. Mocht SZV daarin zijn geslaagd, dan kan daaruit niet worden afgeleid dat zij „in staat is te handelen zonder veel rekening te moeten houden met de activiteiten van haar concurrenten” (beschikking, blz. 39, r. kol.). Dat zij aan bedoelde concurrentie is blootgesteld wordt ook bewezen door de inlichtingen die de Commissie heeft ingewonnen bij de heer Fleischberger (vgl. supra, 4, B, b) en blijkt bovendien uit het feit dat de Duitse importen van witte suiker in het tijdvak van 1969/1970 tot 1971/1972 zijn verdubbeld. De beschikking is innerlijk tegenstrijdig omdat er in wordt vastgesteld dat SZV door de geringe importen geen concurrentie ondervond (beschikking, blz. 39, r. kol.), terwijl haar tegelijkertijd wordt verweten dat zij getrouwheidskortingen verleende om importen te beletten (beschikking, blz. 40, 1. kol.). Mocht eerstgenoemde bewering juist zijn, dan konden de kortingen niet de rol spelen welke de Commissie er aan heeft toegedacht en geen misbruik opleveren; is de tweede bewering juist, dan wordt daardoor bevestigd dat er sprake was van een concurrentie waartegen SZV in het geweer moest komen.

bb) De redengeving dat „de aan tussenpersonen opgelegde verplichting buitenlandse suiker niet te verkopen zonder toestemming, waar \[zij\] wordt opgelegd door een onderneming die een machtspositie inneemt, een inbreuk op artikel 86 vormt” (beschikking, blz. 39, r. kol.) is feitelijk onjuist en juridisch onhoudbaar. Om te beginnen is er geen sprake van „tussenpersonen” („Zwischenhändler”), maar van handelsvertegenwoordigers (Handelsvertreter); de Commissie bedient zich ten betoge van de juistheid van haar standpunt dat de hierbedoelde handelsvertegenwoordigerscontracten niet zouden voldoen aan de voorwaarden die in de bekendmaking van 24 december 1962 zijn omschreven, van een ondeugdelijke terminologie. Sinds enkele decennia maakt de Zuidduitse suikerindustrie voor de afzet van haar produkten gebruik van handelsvertegenwoordigers. Dat houdt verband met het feit dat SZV en haar leden de taken die in andere economische sectoren de onafhankelijke handelaar stempelen tot wat hij is in eigen hand willen nemen: het hebben van een eigen voorraad en het aangaan van de economische risico's die met de rechtstreekse bevoorrading van grossiers en grote verwerkende bedrijven verband houden. Ook onjuist is de bewering dat verzoeksters handelsvertegenwoordigers „naast suiker … Ook als zelfstandig handelaar andere produkten verkopen” (beschikking, blz. 29, 1. kol.); in werkelijkheid treden zij ook voor andere fabrikanten uitsluitend als handelsvertegenwoordigers op. Door de vaststelling dat SZV „de mogelijkheid voor buitenlandse aanbieders suiker via de van de SZV afnemende handelaren te verkopen praktisch \[heeft\] … uitgesloten” (beschikking, blz. 39, r. kol.) wordt alleen maar beschreven tot welke consequenties het stelsel van contracten, waardoor verzoekster haar betrekkingen tot haar vertegenwoordigers regelde, noodzakelijk leiden moest. Volgens de context schijnt de Commissie er echter van uit te gaan dat buitenlandse aanbieders in het zuidelijk deel van Duitsland alleen maar suiker konden verkopen wanneer zij eveneens gebruik konden maken van verzoeksters verkooporganisatie. De onjuistheid van deze veronderstelling blijkt echter uit de reeds aangehaalde brief van de heer Fleischberger, waarin achttien niet aan SZV gebonden ondernemingen worden genoemd, waarvan er dertien continu importsuiker in Zuid-Duitsland wederverkopen. Bovendien zijn er in dit gebied dozijnen potentiële importeurs. De litigieuze contracten waren dus op bescherming van de markt in Zuid-Duitsland niet gericht en hadden zodanige bescherming ook niet tot gevolg. De stelling dat er misbruik zou zijn gepleegd is ook juridisch onhoudbaar: SZV's systeem verschilt niet wezenlijk van een verkooporganisatie die handelsreizigers met de rechtspositie van werknemers in dienst heeft. Logischerwijze voert de redenering der Commissie tot de slotsom dat ook reeds zo'n organisatie misbruik oplevert. Welbeschouwd gaat zij uit van de onjuiste opvatting dat een onderneming die artikel 86 niet wil schenden, haar distributieapparaat ter beschikking van haar concurrenten behoort te stellen. Het standpunt der Commissie is ook in ander opzicht onjuist; de litigieuze clausule wil niet zeggen dat men een sterke positie wenst uit te buiten; er komt alleen maar een situatie in tot uitdrukking die, hoe men het ook keert of wendt, uit de Duitse wetgeving en jurisprudentie voortvloeit. Omdat het concurrentieverbod voor de Duitse vertegenwoordigers een vanzelfsprekendheid is, heeft SZV nimmer het verzoek bereikt bedoelde clausule te schrappen; anderzijds heeft zij op verzoeken van vertegenwoordigers om speciale suikersoorten van andere fa-brikanten te mogen importeren nimmer afwijzend beschikt; haar belang was daarmede niet gemoeid.

cc) SZV stelt voorop dat zij het systeem van rabatten — die de Commissie ten onrechte als „getrouwheidskortingen” aanmerkt — definitief heeft verlaten. Vervolgens betoogt zij dat de Commissie de betekenis en de gevolgen van die kortingen verkeerd heeft beoordeeld. Het betoog dat „uit de ter kennis van de Commissie gebrachte elementen blijkt dat in bepaalde gevallen ten minste het verlenen of het wegvallen van de korting gebonden is aan het staken der invoer en dat in deze gevallen de invoer ook werd beëindigd” (beschikking, blz. 40, 1. kol.) is niet houdbaar omdat het in de beschikking niet is gemotiveerd. Mocht deze bewering berusten op de brieven die op de bladzijden 92 en 93 der mededeling worden aangehaald, dan kan SZV zo min als het Hof zich daarover uitlaten omdat die brieven anoniem zijn gehouden. Zij geven trouwens geen enkele steun aan de algemene conclusies die de Commissie eraan verbindt; dit blijkt bij voorbeeld uit twee brieven waarvan de afzenders konden worden geïdentificeerd. Een hunner is een aan verzoekster geheel onbekende onderneming; in het andere geval blijkt het vervallen van de korting de betrokken ondernemingen niet te hebben belet de suiker bij andere leveranciers te betrekken. De kortingen konden de door de Commissie bedoelde gevolgen niet teweegbrengen en waren daarop ook niet gericht. Het kortingspercentage (0,30 DM per 100 kg of wel ongeveer 0,3 % van de waarde) kwam overeen met het voordeel dat voor SZV en de daarbij aangesloten ondernemingen aan de geregelde bevoorrading van een klant verbonden was. De korting had voor klanten noch concurrenten merkbare gevolgens; SZV tracht dit aan de hand van enkele rekenvoorbeelden aan te tonen. Er blijkt uit dat, het aan de korting verbonden voordeel te geringer is naarmate de klant meer bij derden koopt; de korting kan dus juist tegenover grote klanten, die voor verzoekster en buitenlandse suikerleveran ciers van bijzonder belang zijn, geen bescherming bieden. Het betoog der Commissie is trouwens innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds meent zij dat de litigieuze gedraging afbreuk aan de invoer kan doen omdat de buitenlandse fabrikanten om het verlies van de korting weer goed te maken ten minste 30 DM, per ton beneden de prijzen van SZV moesten gaan, anderzijds (beschikking, blz. 37, 1. kol.) zouden volgens haar de extra transportkosten van naar Duitsland leverende Franse fabrikanten geen onoverkomelijke hinderpaal opleveren; dit nadeel kan echter tot 55,90 DM per ton oplopen. Van de korting is nimmer een tegen de invoer gericht selectief gebruik gemaakt. Wanneer haar klanten, vooral die in het westen van haar verkoopgebied, daarom verzochten, was SZV altijd bereid de korting dadelijk op de facturen voor de desbetreffende leveringen in mindering te brengen, waardoor velen hunner in staat waren om met behoud van dit voordeel tegelijkertijd bij andere leveranciers te kopen. Het is een ongerijmde bewering dat „de belangrijkheid van het getrouwheidskortingsysteem namelijk ligt in de mogelijkheid de aankopen van de klanten bij de buitenlandse fabrikanten te controleren, hetgeen gemakkelijk kan geschieden gezien de SZV kennis heeft van de gemiddelde jaarlijkse behoeften van haar klanten, welke zich nauwelijks wijzigen” (beschikking, blz. 40, 1. kol.). Wanneer de controle „gezien” deze kennis kan worden uitgeoefend, geeft de korting dus niet de doorslag. Ongetwijfeld beschikken SZV en haar vertegenwoordigers over informatie betreffende de bij derden gedane aankopen, en wel zulks dank zij hun kennis van wat er omgaat in de ondernemingen die tot haar klantenkring behoren. Op grond van die informatie kan worden gezegd dat er in Zuid-Duitsland grote hoeveelheden zijn ingevoerd; men kan er bij voorbeeld de inlichtingen op na slaan die de heer Fleischberger in zijn reeds aangehaalde brief van 4 november 1972 aan de Commissie heeft verstrekt. Het systeem van getrouwheidskortingen werd door een van de bij SZV aangesloten ondernemingen, Franken, reeds toegepast tijdens de Duitse suikermarktordening, waaronder invoer niet mogelijk was. SZV heeft dit systeem overgenomen, terwijl Franken het per 1 juli 1968 heeft verlaten; anders dan in de beschik-king (blz. 29, 1. en r. kol.) wordt gezegd, hebben andere leden van SZV het nimmer toegepast. Van misbruik kan ook geen sprake zijn omdat het systeem van kortingen neerkomt op een poging klanten er door het bieden van voordelige prijzen toe te prikkelen bij verzoekster te kopen, maar zonder verplichting zich alleen bij verzoekster te bevoorraden. Ten slotte was de korting al evenmin geschikt om de handel tussen Lid-Staten merkbaar te benadelen. Uit de subjectieve bedoeling die de Commissie degenen die de korting verlenen toedicht kan daartoe niet worden geconcludeerd; de conclusie die op bladzijde 40 (r. kol.) der beschikking wordt getrokken, is dus niet logisch.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie leidt haar antwoord in met algemene beschouwingen die met name gewijd zijn aan het verband dat haars inziens zou bestaan tussen de punten van bezwaar die met betrekking tot de Zuidduitse markt zijn ingebracht te-gen onderscheidenlijk SZAG (vgl. supra 4) en SZV. Zij betoogt met name het volgende:

In de beschikking (blz. 36 en 37, sub D) is vastgesteld dat SZV heeft deelgenomen aan de onderling afgestemde gedragingen die voormelde markt betroffen. De Commissie wijst op bepaalde feiten die haar tot zulke gedragingen deden concluderen en die zij eveneens heeft gereleveerd in haar verweerschrift in de zaak 54-73 (SZAG), waarnaar zij voor nadere bijzonderheden verwijst; vgl. supra, 4, B, b, 2o. Uit de aanhef van lid 2 van artikel 1 der beschikking blijkt dat het tegen SZV bewezen geachte misbruik van een machtspositie ter sprake komt in samenhang met voornoemde onderling afgestemde feitelijke gedragingen en ook op zichzelf een inbreuk vormt, anders gezegd: voor de overweging dat SZV door de in lid 2, sub 3, genoemde maatregelen artikel 86 van het Verdrag zou hebben geschonden, zou het niet ter zake doen dat zij bestemd zijn geweest om de afstemming der Franse en Duitse ondernemingen te verwezenlijken.

De Commissie wijst er op dat volgens de redengeving der beschikking (blz. 43, r. kol.) „de maatregelen die enige betrokkenen ten aanzien van de handelaren, de afnemers of … getroffen hebben voor het vaststellen van de boete moeten beoordeeld worden in samenhang met de onderling afgestemde feitelijke gedragingen waaraan betrokkenen hebben deelgenomen”. In artikel 1, lid 1, nr. 4 der beschikking wordt SZV niet genoemd als een der ondernemingen die aan de onderling afgestemde feitelijke gedraging ten aanzien van de markt in Zuid-Duitsland hebben deelgenomen; de Commissie heeft rechtvaardigheidshalve gemeend in zoverre alleen SZV's leden, SZAG en Franken, aansprakelijk te moeten stellen. Zij moest evenwel in aanmerking nemen dat SZV in Zuid-Duitsland was belast met de verhandeling van de produkten van haar leden en dat haar maatregelen tot afscherming van de markt hebben bijgedragen (vgl. beschikking, blz. 45, r. kol.). Daarom heeft zij ook SZV beboet wegens de vastgestelde inbreuk op artikel 1, lid 2, nr. 3, van de beschikking. De boete is tamelijk laag gehouden omdat SZV slechts het orgaan van het Zuidduitse fabrikantenkartel was.

Meer rechtstreeks ingaande op SZV's argumenten betoogt de Commissie het volgende:

ad aa) De zone waar verzoekster een machtspositie innam was haar verkoopgebied dat naar zij zelf erkent meer dan een derde van het grondgebied van de Bondsrepubliek omvatte, namelijk Bayern, Baden-Württemberg en delen van Hessen, Niedersachsen, Nordrhein-Westfalen en Rheinland-Pfalz. Deze zone omvat dus veel meer dan het gebied dat gewoonlijk „Zuid-Duitsland” wordt genoemd — de Commissie erkent de onnauwkeurigheid van deze term — en is als „een wezenlijk deel” van de gemeenschappelijke markt te beschouwen, zelfs wanneer men met de uitbreiding van de Gemeenschap per 1 januari 1973 rekening houdt. Het baat SZV niet zich te beroepen op de bekendmaking van 27 mei 1970 die blijkens haar inhoud alleen slaat op overeenkomsten tussen ondernemingen in dier voege dat de daarin genoemde 5 % niet op de gehele gemeenschappelijke markt moet worden betrokken, maar op het gedeelte van de gemeenschappelijke markt waar de overeenkomst „zijn uitwerking heeft”. Wanneer men alleen de gedeelten van de andere Länder die tot verzoeksters verkoopgebied behoren in aanmerking neemt, is SZV's marktaandeel nauwelijks geringer dan de door haar zelf voor Bayern en Baden-Württemberg toegegeven 90 tot 95 %. De druk die door de concurrerende Franse fabrikanten zou zijn uitgeoefend heeft slechts geleid tot leveringen overeenkomende met 1 à 1,5 % van de Zuidduitse behoeften (leveringen aan SZAG en aan Franken niet medegerekend) en verzoeksters machtspositie dus geenszins in gevaar gebracht. Wanneer SZV stelt dat zij in het geweer moest komen tegen de talrijke offertes van Franse fabrikanten aan Zuidduitse klanten, geeft zij tegelijkertijd toe dat haar reactie er toe heeft kunnen leiden dat de leveringen uit Frankrijk van betrekkelijk weinig belang waren. Dit komt er op neer dat SZV in haar verkoopgebied in staat is op te treden zonder in belangrijke mate rekening behoeven te houden met de activiteiten van haar concurrenten. De inlichtingen van de heer Fleischberger, en ook diens lijst van door Franse fabrikanten gedane offertes waarin geen prijzen en hoeveel heden worden genoemd, bewijzen het tegendeel geenszins. Wanneer zij de druk der Franse fabrikanten als argument hanteert, komt SZV ook in tegenspraak met het betoog van SZAG die tracht de geringe omvang der Franse suikerleveranties naar Zuid-Duitsland te verklaren door het feit dat de Franse fabrikanten, wat de transportkosten betreft, in het nadeel waren, en voorts op de prijscondities wijst. Wat betreft de stelling dat de importen uit Frankrijk zich in opgaande lijn zouden hebben bevonden — en ook thans nog bevinden — in de gegevens waarvan SZV is uitgegaan zijn de leveringen aan het Saarland en aan de Duitse fabrikanten — waaraan geen enkel mededingingseffect verbonden was — begrepen. Er is geen sprake van een tegenstrijdigheid wanneer in de beschikking enerzijds wordt gesteld dat SZV niet aan mededinging was blootgesteld en anderzijds dat zij om importen te verhinderen getrouwheidskortingen verleende. Volgens de redengeving der beschikking (blz. 40, r. kol.) is de korting door een onderneming die een machtspositie inneemt „toegepast … ten einde de vrije importmogelijkheden nog verder te beperken en haar machtspositie te verstevigen en te vergroten”. Ook al werd er maar weinig ingevoerd, dan nog kon het verlenen van de korting SZV van pas komen, namelijk om de invoer op een laag niveau te houden.

ad bb) Het door SZV toegepaste systeem haar produktie te verkopen via vertegenwoordigers die aan een concurrentieverbod waren onderworpen, behelst misbruik van een machtspositie, omdat het op uitschakeling van alle concurrentie op handelsniveau gericht is. In beginsel is iedere onderneming gerechtigd zelf te kiezen hoe zij haar produkten wenst te verhandelen, maar het wordt anders wanneer een onderneming een machtspositie inneemt; het kiezen van een systeem van verhandeling dat de keuzemogelijkheden van handelaren en gebruikers beperkt of teniet doet, levert dan misbruik van bedoelde machtspositie op. Door de term „tussenhandelaar” („Zwischenhandler”) te bezigen heeft de Commissie te kennen willen geven dat het niet gaat om handelsvertegenwoordigers in de traditionele betekenis. Anderzijds worden de handelsvertegenwoordigers door de Duitse terminologie niet uitgesloten. In het algemeen spraakgebruik wordt tussen de Vermittler („tussenpersoon”) en de Handier („handelaar”) niet onderscheiden. Ofschoon de suikerindustrie in Zuid-Duitsland traditiegetrouw handelsvertegenwoordigers heeft ingeschakeld, dateren de gewraakte overeenkomsten van na de totstandkoming van de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt. Wanneer SZV zegt dat zij zich liever zelf heeft willen kwijten van de taken die in andere sectoren kenmerkend zijn voor de onafhankelijke vertegenwoordiger, erkent zij dat zij bij de verhandeling van haar produktie een gehele schakel in het proces van voortbrenging en verdeling heeft willen overslaan. Daarmede heeft zij het de buitenlandse fabrikanten onmogelijk gemaakt hun suiker hetzij via „handelsvertegenwoordigers” te verkopen hetzij via handelaren die hun voorraden bij haar zouden kunnen betrekken. De door de heer Fleischberger overgelegde lijst van onafhankelijke handelaren geeft een onjuist beeld van de situatie: een deel van bedoelde handelaren was aan NZV of aan WZV gebonden en anderen konden in SZV 's verkoopzone alleen maar speciale suikersoorten van de andere Duitse fabrikanten verkopen. Mochten er in Zuid-Duitsland dozijnen ondernemingen bestaan die over de nodige middelen beschikken om importsuiker te verhandelen, dan zou daardoor worden aangetoond hoezeer SZV, wat haar produktie betreft, de onafhankelijke handel uit het commercialisatiecircuit heeft gebannen. SZV legt de beschikking niet juist uit wanneer zij aanneemt dat het misbruik volgens de Commissie daarin zou zijn gelegen dat SZV haar distributieapparaat niet ter beschikking van haar concurrenten stelt en betoogt dat men de buitenlandse concurrentie niet metterdaad behoeft te helpen. De Commissie stelt zich alleen op het standpunt dat ondernemingen die op de markt een machtspositie innemen de concurrentie op distributieniveau niet mogen uitschakelen. Op grond van dit een en ander zijn de opmerkingen betreffende de Duitse wetgeving er naast.

ad cc) De Commissie betoogt dat hetgeen verzoekster een jaarlijks hoeveelheidsrabat noemt in werkelijkheid een van de gekochte hoeveelheid onafhankelijke getrouwheidskorting is. Van met rationalisatie samenhangende voordelen is dus geen sprake. Wie zich van het belang dezer korting rekenschap wil geven, behoeft slechts het percentage ervan (0,3 %) te vergelijken met de provisie die verzoeksters handelsvertegenwoordigers ontvangen (0,27 %) en te bedenken dat suiker in grote hoeveelheden wordt verkocht. Naarmate een klant zich ter voorziening in zijn eigen behoeften meer bij verzoekster bevoorraadt, wordt de korting van meer belang. En de in Zuid-Duitsland gevestigde afnemers zijn praktisch op verzoekster aangewezen. Wanneer zij de invloed van de getrouwheidskorting met de extra transportkosten vergelijkt, begrijpt verzoekster de Commissie verkeerd. Konden de Franse fabrikanten volgens de Commissie het natuurlijk transportkostennadeel er uit halen, zij konden daarnaast niet ook aan de Duitse kopers aanmerkelijke prijsverlagingen toestaan — om het verlies van de getrouwheidskorting goed te maken —. De korting heeft SZV wel degelijk in staat gesteld de aankopen van haar klanten bij buitenlandse fabrikanten te controleren. Zij kon er inderdaad op rekenen dat de meerderheid van haar klanten uit vrees de korting te verspelen zich uitsluitend bij haar bevoorraadde; zij had dus een goed overzicht van de werkelijke behoefte van die meerderheid. Het doet weinig ter zake of SZV erop uit was de invoer te beletten; vaststaat dat de korting dit effect kon sorteren. Gezien de door haar ingenomen machtspositie mag SZV dus niet stellen dat het berekenen van een voordeliger prijs geen misbruik behelst. Volgens artikel 86, tweede alinea, letter c), kan dit misbruik bestaan in „het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenende bij de mededinging”. De onderhavige korting leidt tot zulke ongelijke voorwaarden, namelijk tot ongelijke prijzen bij aankoop van gelijke hoeveelheden, al naar gelang de klant zijn voorraden volledig of slechts ten dele bij verzoekster betrekt. Waar SZV in haar zone vrijwel een monopoliepositie inneemt en de korting importen uit andere Lid-Staten moeilijker, zo niet onmogelijk maakt, kon de handel tussen Lid-Staten nadelig worden beïnvloed.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

SZV meent het haar in het verweerschrift gemaakte verwijt dat zij bij op bescherming van de Zuidduitse markt gerichte, feitelijk afgestemde gedragingen betrokken zou zijn geweest, naast zich te mogen neerleggen. Het is niet te vinden in de beschikking waarin verzoeksters gedrag alleen aan artikel 86 wordt getoetst. De Commissie kan geen steun vinden in artikel 1, tweede lid, (aanhef) der beschikking, volgens hetwelk de door SZV genomen maatregelen „in samenhang met voornoemde onderling afgestemde feitelijke gedragingen” zijn te berde gebracht en „ook op zichzelf genomen inbreuken … vormen” (Duits: auch für sich betrachtet Zuwiderhandlungen …„darstellen”) verzoeksters gedragingen zijn namelijk niet „ook” („auch”), doch uitsluitend op zichzelf beoordeeld.

ad aa) De Commissie kan niet volhouden dat er sprake zou zijn van een machtspositie op een markt waarvan zij de territoriale grenzen niet precies weet aan te geven. De bij het verweerschrift gevoegde kaart geeft een onjuist beeld van SZV 's werkterrein, dat wordt afgebakend ten opzichte van de zones van WZV en NZV, ofschoon deze laatste organisaties op de gehele Zuidduitse markt verkopen en SZV handelsvertegenwoordigers heeft te Koblenz en Trier en in het Saarland, gebieden die de Commissie misleidend als aan WZV voorbehouden zones omschrijft. Met haar opvatting dat SZV's zone als een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt is te beschouwen, stelt de Commissie zich op een ander standpunt dan in de ontwerp-verordening van de Raad tot wijziging van verordening nr. 17 (PB 1970, nr. C 92, blz. 17) waarin ervan wordt uitgegaan dat normaliter de Benelux als geheel en iedere Lid-Staat afzonderlijk zo'n wezenlijk deel vormen; maar SZV's zone beslaat slechts ongeveer een derde van de Bondsrepubliek. De Commissie geraakt ook in tegenspraak met haar bekendmaking van 27 mei 1970 volgens welke een gebied met een marktaandeel ter grootte van 5 % van de gehele gemeenschappelijke markt — zoals SZV's verkoopgebied — geen wezenlijk deel van die markt kan zijn. Wanneer zij SZV een machtspositie toeschrijft komt de Commissie in strijd met haar eigen beginselen volgens welke marktbeheersing niet alleen van het marktaandeel of van andere kwantitatieve gegevens afhangt („Le problème de la concentration dans le Marché commun”, Série concurrence III, Bruxelles 1966, blz. 25, nr. 22) — in haar beschikking in de zaak Continental Can (PB 1972, nr. L 7, blz. 25, 35) heeft zij die beginselen ook toegepast —. Wanneer zij betwist dat er door de met SZV concurrerende Franse fabrikanten aanzienlijke druk zou zijn uitgeoefend, weerspreekt de Commissie haar eigen vaststelling dat ook qua omvang geringe leveringen naar andere Lid-Staten de marktpolitiek der fabrikanten konden verstoren. De leveranties der Franse fabrikanten naar Zuid-Duitsland zijn vol gens de eigen gegevens der Commissie in de seizoenen 1970/1971 en 1971/1972, zelfs afgezien van de leveranties naar het Saargebied en die van fabrikant tot fabrikant, de 10000 ton ver te boven gegaan. De druk der concurrentie moge in de marktaandelen der concurrenten niet ten volle tot uitdrukking zijn gekomen, zij was nochtans aanwezig in de vorm van de voordeliger aanbiedingen van haar concurrenten waarop SZV — met of zonder succes — een antwoord heeft trachten te vinden. Met haar bewering dat er ten aanzien van de invloed der transportkosten een tegenspraak zou bestaan tussen de uiteenzettingen van SZAG en SZV vermag de Commissie de druk der concurrerende Franse fabrikanten niet te bagatelliseren, nu zij eenmaal heeft vastgesteld dat de transportkosten die fabrikanten niet beletten in SZV's verkoopgebied offertes te doen (vgl. beschikking, blz. 37, 1. kol.). Dat de normale marktmechanismen wel degelijk werkten blijkt uit het feit dat de invoer van witte suiker in Duitsland in 1970/1971, na de revaluatie van de Duitse mark, meer dan verdubbeld is.

ad bb) Met haar aan SZV gericht verwijt dat zij bij de verhandeling van haar produktie een gehele schakel in het proces van voortbrenging en verdeling — namelijk de onafhankelijke handel — overslaat, miskent de Commissie verzoeksters verkoopsysteem. Verzoekster verkoopt uitsluitend aan grossiers (ongeveer 1270) en grote verwerkende industrieën (ongeveer 730). Voor dit betrekkelijk geringe aantal kopers kan zij volstaan met een bescheiden verkooporganisatie, die deels uit gesalarieerde krachten deels uit handelsvertegenwoordigers bestaat. Het schijnt dat de Commissie SZV het recht ontzegt handelsvertegenwoordigers in haar verkooporganisatie in te schakelen en hen gaarne zou zien vervangen door „vrije” handelaren, die een extra schakel tussen SZV en de grossiers zouden moeten zijn. Maar een dergelijke extra schakel zou de kosten van verkoop stellig doen stijgen boven de aan verzoeksters handelsvertegenwoordigers uit betaalde 0,27 %. Zij moet overigens altijd de beschikking hebben over een eigen verkoopkantoor. Of zij daarbij van ondergeschikten of liever van handelsvertegenwoordigers gebruik maakt, hangt van de in beide gevallen te maken kosten af. De bewering dat SZV aan de onafhankelijke handel de toegang tot haar produktie zou hebben ontzegd was niet alleen onjuist, doch heeft ook niets uitstaande met de enige grief die ten deze in de beschikking wordt uitgesproken, namelijk dat SZV haar vertegenwoordigers zou hebben verboden zonder haar toestemming suiker van andere herkomst te verkopen. Uit de rechtzetting van de eerstgenoemde bewering blijkt echter ook dat het aan de handelsvertegenwoordigers opgelegd concurrentieverbod „de mogelijkheid voor buitenlandse aanbieders suiker via de van de SZV afnemende handelaren te verkopen” geenszins heeft „uitgesloten” (beschikking, blz. 39, r. kol.). De handelaren, dat wil zeggen de grossiers, zijn vrij hun leveranciers en hun kopers zelf te kiezen. De Franse fabrikanten zijn dus voor de afzet van suiker in Zuid-Duitsland niet afhankelijk van SZV's zeventien vertegenwoordigers. En al mochten zij behalve de door SZV bevoorrade grossiers een extra schakel willen inlassen, dan zijn er dozijnen ondernemingen die op dat niveau de suikerhandel ter hand nemen dan wel daartoe in staat zijn. De meeste ondernemingen die op de lijst van de heer Fleischberger worden genoemd zijn noch aan NZV of aan WZV gebonden noch in hun bedrijfsuitoefening beperkt tot de verkoop van de speciale suikersoorten van andere Duitse fabrikanten.

ad cc) Doordat zij de vraag onbesproken laat of verzoekster in individuele gevallen de korting heeft ingetrokken dan wel terstond of aan het einde van het jaar heeft toegekend, ontneemt de Commissie iedere grondslag aan haar beschikking waarin zonder verder onderscheid wordt gezegd dat verzoekster haar kopers door „getrouwheidskortingen” heeft gebonden. SZV heeft in haar contracten niet geregeld een clausule opgenomen waarin de korting van uitsluitende bevoorrading bij de aangesloten vennootschappen afhankelijk werd gesteld. Van de contracten die de Commissie in het geding gebracht heeft bevatten er slechts vier een dergelijke clausule. In een ander contract is de korting gebonden aan afname van ten naaste bij het kwantum van het voorgaande jaar. In drie van deze contracten komt een dergelijke clausule in het geheel niet voor. Heeft de Commissie in de mededeling vastgesteld dat in de koopbevestigingen een post „JmR” (Jahresmengenrabatt) van 0,30 DM was opgenomen, uit die zelfde koopbevestigingen blijkt dat bedoelde korting niet bepaaldelijk van uitsluitende bevoorrading bij SZV afhing. Ook wanneer in deze contracten een afspraak inzake een jaarlijks hoeveelheidsrabat was neergelegd, bracht SZV, zodra een klant daarom verzocht, de korting dadelijk in mindering. Volgens de Commissie zelf heeft verzoekster zich van deze clausule niet steeds, doch „althans in enkele gevallen” (beschikking, blz. 29, r. kol.) bediend. De vier op de bladzijden 92 en 93 der mededeling genoemde en door de Commissie in het geding gebrachte stukken wettigen geen algemene conclusie in te-genovergestelde zin. Uit een van deze documenten blijkt zelfs dat een ondergeschikte van een van SZV's handelsvertegenwoordigers zich er in het voorjaar van 1972 tegenover een klant over had uitgelaten dat met intrekking van de korting moest worden gerekend — dit lag destijds in verzoeksters bedoeling —. SZV heeft echter tot aan de betekening der mededeling geen stappen in die richting ondernomen, omdat zij bij een' onderhoud met de Commissie de indruk had gekregen dat de Commissie niet bijzonder veel betekenis aan de korting hechtte. De korting had niets uitstaande met controle op de aankopen die door de klanten werden gedaan. Evenals ieder andere leverancier was ook SZV min of meer nauwkeurig op de hoogte met de door haar klanten gedane aankopen, zonder dat zij evenwel inzicht had in hun behoeften. De argumenten waarmede de Commissie tracht te bewijzen dat de aankopen van haar klanten bij buitenlandse fabrikanten konden worden gecontroleerd, tonen niet aan dat er tussen de korting en het uitoefenen van controle een clausule samenhang bestond. Bij controle zou het er om moeten gaan vast te stellen of de kopers in al hun behoeften voorzagen door bij verzoekster te kopen. Maar de Commissie neemt die vaststelling zonder meer als uitgangspunt van haar betoog. De Commissie mag zich niet op artikel 86, letter c), beroepen ten betoge dat de korting een onrechtmatig karakter zou dragen. Het verschillend behandelen van twee klanten wil niet zonder meer zeggen dat één hunner, vergeleken met de ander — en op het niveau van beider deelneming aan het proces van verdeling — uit een oogpunt van mededinging wordt benadeeld. Voor toepassing van artikel 86 moet het nadeel zich hebben verwezenlijkt, maar de Commissie heeft niet eens geprobeerd aan te tonen dat dit het geval was. Zij kan de bewijslast niet van zich afschuiven met een beroep op de in artikel 86, eerste alinea, gegeven algemene omschrijving. Tegen de litigieuze korting kan alleen uit een oogpunt van discriminatie bezwaar worden gemaakt, maar volgens artikel 86, letter c), levert discriminatie pas misbruik op wanneer de klanten daarvan op het vlak van de mededinging nadeel hebben ondervonden.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie handhaaft haar stelling dat SZV's handelwijze in de beschikking in samenhang met de onderling afgestemde gedragingen is beoordeeld. In de beschikking wordt gezegd dat „deze onderling afgestemde feitelijke gedraging blijkt uit … het tot stand houden door de SZV van een systeem van getrouwheidskortingen” (blz. 36, r. kol.) en dat „de gedraging van de SZV eveneens in deze context moet worden beoordeeld” (dat wil zeggen in samenhang met de gedragingen van SZAG; blz. 45, r. kol.).

ad aa) Met betrekking tot de afbakening van SZV's verkoopgebied betoogt de Commissie dat de door haar overgelegde kaart is opgemaakt aan de hand van de kaarten die worden gevoegd bij de contracten die WZV met haar commissiehandelaren heeft afgesloten en dat uit het feit dat WZV en SZV scherp afgebakende deelgebieden aan hun regionale tussenhandelaren hebben toegewezen, tot een afscherming der beide verkoopgebieden mag worden geconcludeerd. Wanneer SZV handelsvertegenwoordigers heeft te Koblenz en te Trier dan wel in het Saargebied, is er sprake van uitzonderingsgevallen. Het — niet aanvaarde — ontwerp ener verordening tot wijziging van verordening nr. 17 is niet aldus te verstaan dat de Commissie alleen de daarin aangegeven gebieden als wezenlijke delen van de gemeenschappelijke markt wenste te beschouwen. SZV's verkoopgebied is overigens vergelijkbaar met de gehele Benelux: het verbruik in beide gebieden is 900000, onderscheidenlijk 950000 ton per jaar. Bovendien moet rekening worden gehouden met het feit dat de transportkosten bij suiker een gevoelige factor zijn. De bekendmaking der Commissie inzake overeenkomsten en dergelijke van geringe betekenis kan verzoekster geen argument aan de hand doen omdat daarin behalve een aandeel in de betrokken markt van niet meer dan 5 % een betrekkelijk geringe omzet als criterium wordt gebezigd. Het aan die 5 % ontleende argument zou voorts slechts kunnen opgaan voor het onderzoek waartoe krachtens artikel 86 moet worden overgegaan ter beantwoording van de vraag of een bepaald gebied als een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt is te beschouwen. De marktmacht van Zuid-Duitsland is bovendien veel groter dan 5 % van de gemeenschappelijke markt. Kan op grond van een marktaandeel tussen 30 % en 50 % niet ipso facto tot een machtspositie worden geconcludeerd, het is anders bij een aandeel tussen de 90 % en 95 % dat ongetwijfeld de noodzaak „ernstig rekening te houden met de concurrenten” doet vervallen. Zelfs een merkbare toename van de Franse importen bedreigt verzoeksters machtspositie niet. Zo de Franse fabrikanten al in staat zijn om een eventueel produktietekort van de Zuidduitse fabrikanten aan te vullen, zoals het geval was in 1970/1971 en 1971/1972, toen de prijzen in Zuid-Duitsland hoger waren dan in Frankrijk, het zou hun moeilijk vallen het aandeel in de markt aldaar op lange termijn op te voeren als die prijzen op een zelfde niveau blijven liggen.

ad bb) De Commissie meent dat de replieken de juistheid van haar opvattingen ten aanzien van verzoeksters commercialisatiesysteem bevestigen. Van de 1270 grossiers die verzoekster noemt zijn er ongeveer 1200 regionale levensmiddelengrossiers die suiker aan winkels en filialen leveren en niet importeren. Waar volgens SZAG's opgaven „ongeveer 55 % van de suikerverkopen voor verwerking bestemd” is en „de Franse leveringen … op de verwerkende sector geconcentreerd zijn”, heeft verzoekster de groothandel uit een zeer belangrijke sector verdreven. Het misbruik dat verzoekster van haar machtspositie maakt houdt pas op wanneer de onafhankelijke groothandelaren rechtstreeks toegang krijgen tot verzoeksters produktie. Het is niet gezegd dat zulk een wijziging van het verkoopsysteem ook tot hogere commercialisatiekosten leidt. De Commissie voegt hieraan toe dat de vele anderen die op de lijst van de heer Fleischberger worden vermeld, handelaren zijn aan wie verzoekster niet rechtstreeks levert en wier activiteiten tot kleine verwerkende bedrijven en de detailhandel beperkt blijven.

ad cc) De Commissie acht het argument dat de toekenning der litigieuze korting, wanneer zij dadelijk van de overeengekomen prijs wordt afgetrokken, niet langer van de volledige dekking der jaarlijkse behoeften bij SZV afhankelijk zou zijn, niet overtuigend. Het is niet erg waarschijnlijk dat verzoekster een korting zou verlenen die niet was toegezegd. Er lijkt veeleer van een andere wijze van voldoening der getrouwheidskortingen sprake te zijn. Verzoeksters oordeel over het effect van de korting is niet met de werkelijkheid in overeenstemming. De korting heeft niet tot een lagere prijs geleid; integendeel, verzoeksters prijzen waren ongeveer 5 % hoger dan die van de Franse fabrikanten. Deze laatsten dienden dan ook niet te concurreren door het bieden van een betrekkelijk lage prijs, doch waren genoodzaakt kopers die hun voorraden bij hen wensten te betrekken, schadeloos te stellen wegens het verlies van de korting. Met betrekking tot het aan artikel 86, letter c), ontleende argument spreekt de Commissie als haar opvatting uit dat het geen twijfel lijdt dat een koper uit een oogpunt van mededinging in het nadeel is wanneer hij een hem toegekende getrouwheidskorting ziet ingetrokken op grond dat hij in een deel zijner behoeften heeft voorzien door bij een andere fabrikant te kopen.

##### 8. De grief betreffende de door Pfeifer & Langen met de tussenpersonen gesloten overeenkomsten die de mogelijkheden van in- en uitvoer binnen de Gemeenschap beperken

###### A — Middelen van formele en processuele aard

###### a) Pfeifer & Langen:

###### Schending van het „fair trial”-beginsel door voortijdige publikaties; te korte termijn voor het maken van opmerkingen

Deze door Pfeifer & Langen opgeworpen middelen betreffen in hoofdzaak ook de andere tegen deze vennootschap ingebrachte grieven. In zoverre zij derhalve verwezen naar hoofdstuk 2, B, a en b (supra).

###### b) Pfeifer & Langen:

###### Verzoekster zou niet in de gelegenheid zijn gesteld haar standpunt kenbaar te maken inzake de feiten waarvan de Commissie is uitgegaan.

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Pfeifer & Langen betoogt dat de rechten der verdediging zijn geschonden doordat de Commissie haar niet in staat heeft gesteld zich te verklaren over bepaalde feiten waarvan zij, de Commissie, bij haar optreden is uitgegaan. Reeds in de mededeling heeft de Commissie geen scherp onderscheid gemaakt tussen de uiteenzetting der feiten en haar eigen overwegingen:

De bewering dat Pfeifer & Langen met andere leden van de WZV een uniforme handelspolitiek zou hebben gevolgd (mededeling, blz. 106; vgl. ook beschikking, blz. 34, 1. kol.) vindt onvoldoende steun in de feiten. De Commissie geeft hier een kwalificatie van het marktgedrag dat typerend is voor de fabrikanten van homogene produkten op oligopolistische markten. Het is duidelijk dat de prijzen van een produkt als suiker altijd naar een en hetzelfde niveau willen.

Op dezelfde bladzijde van de mededeling (vgl. beschikking, blz. 27, r. kol.) wordt gezegd dat Pfeifer & Langen haar tussenpersonen had „verplicht” niet zonder haar toestemming ingevoerde waren af te leveren waarvan de vrije verkoop een concurrentie-effect zou kunnen hebben. De Commissie schijnt er van uit te gaan dat Pfeifer & Langen deze clausule heeft opgenomen om de internationale handel te belemmeren. Maar zij geeft zelf (mededeling, blz. 89) een voorbeeld van een handels-vertegenwoordigingsovereenkomst uit het jaar 1948, toen een intracommunautair handelsverkeer ook zonder bedoelde clausule onmogelijk was.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie antwoordt dat dit middel de waardering der vastgestelde feiten en dus de zaak ten principale betreft.

###### B — Middel ten principale

Pfeifer & Langen, enig middel:

###### Schending van artikel 85 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van het verzoekschrift

Volgens Pfeifer & Langen hebben de op de bladzijden 40 en volgende van de beschikking sub 4, bedoelde „handelsvertegenwoordigingscontracten” een beperking van de mededinging noch ten doel noch tot gevolg: de Commissie is uitgegaan van de opvatting dat Pfeifer & Langens tussenpersonen, die niet geheel en al in haar verkooporganisatie waren geïntegreerd, niet als handelsvertegenwoordigers stricto sensu, maar als onafhankelijke handelaren moeten worden beschouwd. Zij heeft het er voor gehouden dat deze tussenpersonen: met goedvinden van Pfeifer & Langen ook voor WZV en NWZ kunnen werken — en dat ook doen —; als onafhankelijke handelaren voor denaturering of voor export naar derde landen bestemde suiker verkopen.

Maar wanneer men een tussenpersoon in deze of gene categorie wil plaatsen, dient men tewerk te gaan volgens juridische criteria die, bij gebreke van desbetreffende bepalingen van Gemeenschapsrecht, alleen in de nationale wetgeving te vinden zijn. Een zelfde standpunt heeft de Commissie in haar mededeling van 24 december 1962 ingenomen. Zij heeft in casu echter geen acht geslagen op het Duitse recht en ten onrechte aangenomen dat een tussenpersoon als onafhankelijk handelaar is aan te merken zodra hij niet uitsluitend voor zijn committent werkt — met of zonder diens goedvinden —:

De Commissie schijnt zich te baseren op de Duitse jurisprudentie volgens welke de trouw welke de handelsvertegenwoordiger jegens zijn committent in acht heeft te nemen, ook zonder uitdrukkelijk daartoe strekkend beding, een concurrentieverbod impliceert. Zij vergeet evenwel dat de hoedanigheid van vertegenwoordiger niet reeds teloorgaat wanneer de committent hem voor op zichzelf staande transacties of voor bepaalde soorten transacties van dat verbod heeft vrijgesteld.

Alleen al uit het feit dat de vertegenwoordiger zijn committent om toestemming moet vragen wanneer hij ook voor een derde wil werken, blijkt dat hij niet onafhankelijk is. — Het Bundesgerichtshof heeft uitgesproken dat men tegelijkertijd als vertegenwoordiger en als onafhankelijke werkzaam kan zijn.

Pfeifer & Langen zet gedetailleerd uiteen waarom de economische positie van haar tussenpersonen aanmerkelijk zou verschillen van die der onafhankelijke Duitse handelaren. Zij komt tot de slotsom dat de beginselen die gehuldigd werden in voormelde bekendmaking van 24 december 1962„met betrekking tot alleen-verkoopovereenkomsten met handelsagenten en commissionaris” ook gelden voor de betrekkingen tussen Pfeifer & Langen en haar tussenpersonen. Wanneer de contractanten een economische eenheid vormen, is mededinging tussen hen per definitie uitgesloten; zij kan dus niet worden „beperkt”.

En al ware dit anders, dan zou artikel 85 toch niet kunnen worden toegepast, omdat er van een „merkbare” beperking der mededinging als gevolg van de litigieuze clausules geen sprake was. Het grote aantal onafhankelijke suikerhandelaren in Duitsland maakt het Pfeifer & Langen — met haar kleine aantal tussenpersonen — onmogelijk de Duitse markt voor invoer af te sluiten.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van het verweerschrift

De Commissie begint met enige vaststellingen betreffende de organisatie van de wederverkoop van suiker in Duitsland. Zij merkt dienaangaande met name het volgende op:

De Duitse suikerfabrikanten hebben zich tot vier (later drie) verkooporganisaties aaneengesloten. Die organisaties en hun leden behouden de verkoop van hun produktie voor aan een beperkt aantal handelaren die zich hebben te gedragen naar de instructies der fabrikanten, zonder toestemming niet voor andere fabrikanten mogen werken en in strikt afgebakende verkoopzones werkzaam zijn.

Met name WZV, waarvan Pfeifer & Langen het belangrijkste lid is, heeft vier verkoopsectoren, waarin telkens een handelaar werkzaam is die ten opzichte van WZV de positie van regionaal commissionair inneemt en voor haar rekening werkt. Deze handelaren zijn grote in levensmiddelen handelende ondernemingen die ook voor eigen rekening handelen. Zij werken ook voor Pfeifer & Langen en nemen ten opzichte van Pfeifer & Langen de positie van handelsvertegenwoordigers in voor zover zij op naam en voor rekening van Pfeifer & Langen zaken doen. In Pfeifer & Langens verkoopzone wordt de suiker afgezet door haarzelf, door de andere leden van WZV en door WZV zelf als orgaan van het kartel.

De andere handelaren kunnen zich praktisch niet bij de leden van WZV bevoorraden. Dat heeft belet dat het in de suikerhandel binnen de aan Pfeifer & Langen toegewezen zone tot daadwerkelijke concurrentie kwam. Voorts controleren de Duitse suikerfabrikanten de verkoop van suiker uit andere Lid-Staten.

Meer rechtstreeks in antwoord op de argumenten van Pfeifer & Langen geeft de Commissie de volgende uiteenzetting: Dat dezelfde ondernemingen als handelsvertegenwoordigers van Pfeifer & Langen en als streekcommissionairs van WZV optreden is alleen te verklaren doordat er door de leden van WZV een ondernemersafspraak is aangegaan waarbij de wederverkoop van alle in het westen van de Bondsrepubliek geproduceerde suiker enkel en alleen aan bedoelde ondernemingen werd toevertrouwd. Deze ondernemersafspraak valt onder artikel 85 van het Verdrag.

Dit geldt ook voor de litigieuze contracten. Voormelde ondernemingen zijn niet als in Pfeifer & Langens verkooporganisatie geïntegreerde tussenpersonen werkzaam; het zijn grote bedrijven die behalve voor Pfeifer & Langen en WZV ook voor eigen rekening werken — en een grote omzet bereiken —. Zij moeten dus terdege worden onderscheiden van de gewone handelsvertegenwoordiger, die zich op alle terreinen van zijn werkzaamheid aan zijn instructies heeft te houden en uitsluitend op naam en voor rekening van zijn werkgever optreedt. Pfeifer & Langen heeft met deze situatie rekening gehouden en haar tussenpersonen gemachtigd voor andere suikerfabrikanten zowel als voor WZV als commissionairs op te treden.

De vier betrokken handelaren hebben zo het aanbod van de voor WZV en haar leden afgezette suiker volledig in handen. In hun hoedanigheid van handelsvertegenwoordigers en commissionairs zijn zij aan de hun gegeven instructies gebonden; ook mogen zij ingevolge een clausule welke hun concurrentie verbiedt, geen door andere fabrikanten geproduceerde suiker verkopen en de suiker van Pfeifer & Langen en van WZV slechts in een bepaalde zone afzetten. De rechtsvorm van het vertegenwoordigingscontract en die van het commissionairscontract schenen zich ertoe te lenen in Pfeifer & Langens zone alle mogelijke mededinging op handelsniveau uit te schakelen voor zover betreft de verkoop van suiker geproduceerd door de fabrikanten in het westelijk deel van de Bondsrepubliek. De beperking van de mededinging tussen fabrikanten die uit de samenwerking binnen de WZV is voortgevloeid werd aldus door een beperking der mededinging op handelsniveau gecompleteerd.

Pfeifer & Langen kan zich niet op de bekendmaking van 24 december 1962 beroepen. Daarin wordt de handelsvertegenwoordiger (agent of commissionair) geacht de committent „behulpzaam” en gedurende een zekere periode voor hem werkzaam te zijn. Aan welk soort agenten de Commissie heeft gedacht wordt duidelijk wanneer men bedenkt dat zij een contractspartij niet als handelsvertegenwoordiger erkent wanneer hij er een entrepot op moet na houden, op aanzienlijke schaal service moet verlenen of prijzen voor de transacties moet vaststellen. De onderhavige handelaren hebben niets weg van de agenten en commissionairs die in de bekendmaking worden bedoeld; hun economische positie is dezelfde als die van onafhankelijke (zelfstandige) handelaren. Hun omzet is aanzienlijk; zij doen in aanzienlijke mate zaken op eigen naam, met inbegrip van de levering van suiker voor denaturering of voor export naar derde landen en de verkoop van andere produkten.

De opmerkingen betreffende het Duitse recht zijn overbodig; de functie der tussenpersonen moet volgens artikel 85 van het Verdrag worden beoordeeld.

het grote aantal zelfstandige handelaren zou alleen iets zeggen wanneer Pfeifer & Langen aan ieder hunner zou toestaan haar produkten te verkopen en wanneer zij allemaal vrij waren om zich bij Pfeifer & Langen of elders te bevoorraden. Maar van de 86 bevonden zich 82 in de onmogelijkheid rechtstreeks bij Pfeifer & Langen, bij de andere leden van WZV of bij WZV zelf te kopen. Ook de Nederlandse en Belgische concurrenten van Pfeifer & Langen leverden in haar zone slechts te verwaarlozen hoeveelheden; er bleven dus voor genoemde handelaren maar weinig mogelijkheden tot vrije invoer over.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

Pfeifer & Langen antwoordt dat de Commissie nog steeds van de onjuiste gedachte uitgaat dat de tussenpersonen der vennootschap zich op een ander commercialisatieniveau bewegen dan zij zelf en in feite concurreren met de onafhankelijke handelaren. In werkelijkheid staan deze tussenpersonen — in Pfeifer & Langens verkooporganisatie opgenomen agenten — tegenover de onafhankelijke handelaren als leverancier tegenover kopers. Dat neemt niet weg dat zij, voor zover zij voor eigen rekening handelen, ook met die handelaren kunnen concurreren; maar in dat geval handelen zij ook juist buiten Pfeifer & Langens verkooporganisatie om.

De Commissie geraakt in tegenspraak met zichzelf door nu eens te stellen dat Pfeifer & Langens verkoopsysteem op zichzelf moet worden bezien, dan weer dat het als een aanwijzing zou zijn te beschouwen voor de onderling afgestemde gedragingen die in de andere punten van bezwaar worden omschreven. Dit laatste standpunt is in ieder geval onhoudbaar, want het is bezwaarlijk in te zien hoe de in 1948 aangegane vertegenwoordigingscontracten zouden kunnen zijn gesloten om de Duitse markt tegen importen uit de Gemeenschap te beschermen.

Ook op zichzelf bezien kunnen deze contracten niet onder artikel 85 worden gebracht. Hoe de contractuele verhouding tussen Pfeifer & Langen en haar tussenpersonen moet worden gekwalificeerd, is een rechtsvraag die in het raam van het Duitse recht tot oplossing moet worden gebracht voordat kan worden uitgemaakt of artikel 85 van toepassing is. Daarbij kan men niet alleen op de feitelijke situatie afgaan. Een fabrikant kan bij de organisatie van zijn verkoopsysteem gebruik maken van onafhankelijke handelaren, van commissionairs of van handelsvertegenwoordigers. De keuze tussen deze mogelijkheden is bepalend voor de toepasselijkheid van artikel 85. — In haar bekendmaking van 24 december 1962 heeft de Commissie voor het onderscheid tussen de rechtens en feitelijk onafhankelijke tussenpersonen enerzijds en de agenten en vertegenwoordi gers anderzijds terecht verwezen naar het nationale recht.

Ten betoge dat Pfeifer & Langens vertegenwoordigers niet in haar verkooporganisatie zouden zijn geïntegreerd bedient de Commissie zich van vage termen; er zou sprake zijn van „grote bedrijven” die voor eigen rekening een „aanzienlijke omzet” maken en van de „gewone” handelsvertegenwoordigers dienen te worden onderscheiden. Men vraagt zich af hoe groot de omzet moet zijn, wil een bedrijf als „groot” worden beschouwd.

De juridische kwalificatie van de hierbedoelde ondernemers behoort trouwens niet van hun omvang af te hangen, doch alleen van hun — door de clausules der litigieuze contracten bepaalde — functie. En uit die clausules blijkt dat zij, overeenkomsten afsluitend op naam en voor rekening van Pfeifer & Langen, een „unselbständige Hilfsfunktion” vervullen.

De Commissie onderneemt zelfs geen poging de juistheid te bewijzen van de voor het eerst in het verweerschrift gedane bewering dat Pfeifer & Langen, WZV en haar overige leden zouden hebben afgesproken hun suiker alleen via de agenten van Pfeifer & Langen te verkopen. Het is niet waar dat Pfeifer & Langen en WZV voor de afzet van hun produkten van de diensten van dezelfde ondernemingen gebruik maken. Zij noemt de namen van — onderscheidenlijk — de firma's waarmee zij vertegenwoordigingscontracten heeft afgesloten, sommige ondernemingen met welke zij zonder bindende overeenkomst samenwerkt en de streekcommissionairs van WZV; uit die opsomming blijkt dat het in slechts drie gevallen om dezelfden ging. In de beschikking is geen enkele bevestiging te vinden van het feit dat er tussen Pfeifer & Langen en WZV een ondernemersafspraak zóu hebben bestaan om de verkoopzones van hun vertegenwoordigers in gemeen overleg vast te stellen; de Commissie volstaat er mede te spreken van „de door WZV en Pfeifer & Langen ten opzichte van hun tussenhandelaren genomen maatregelen” (blz. 40, r. kol.), dat wil zeggen maatregelen die ieder der belanghebbenden individueel had genomen.

Het gaat in het geding trouwens niet om de gedragingen van WZV — Pfeifer & Langen weet niet waarom WZV, evenals ook derde ondernemingen, contracten hebben afgesloten met bepaalde agenten van Pfeifer & Langen —. Zij veronderstelt dat de belanghebbenden van de marktkennis dezer agenten hebben willen profiteren.

Er kan in ieder geval geen sprake zijn van een merkbare beperking der mededinging. Pfeifer & Langen heeft nooit afwijzend beschikt op verzoeken van haar vertegenwoordigers om voor derden te mogen werken of anders dan in het raam van de tussen haar en de vertegenwoordigers bestaande betrekkingen werkzaam te mogen zijn — de exporthandel daaronder begrepen —. Hetzelfde geldt voor WZV.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van dupliek

De Commissie verwijst naar het in de beschikking voorkomende exposé betreffende het verband dat er zou bestaan tussen de op bescherming der Westduitse markt gerichte onderling afgestemde gedraging enerzijds en de litigieuze contracten anderzijds. De ervaring heeft geleerd dat de afstemmingen tussen fabrikanten ter afscherming van hun markten niet doeltreffend zijn wanneer er niet voor wordt gezorgd dat de handelsondernemingen zich er aan houden.

Pfeifer & Langens tussenpersonen mochten alleen als onafhankelijke handelaren optreden als er geen mededinging te duchten was, dat wil zeggen bij export naar derde landen en levering voor denaturering. Het zijn geen echte handelsvertegenwoordigers, omdat ze slechts op „half-time” basis in de onderneming van Pfeifer & Langen geïntegreerd zijn en dus „een dubbel bestaan” leiden.

Het doet niet ter zake dat verzoekster de hierbedoelde contracten reeds in 1948 heeft afgesloten; het is voldoende dat zij in het tijdvak 1968-1972 hebben bestaan.

Het enkele feit dat een contract naar nationaal recht als een handelsvertegenwoordigersovereenkomst is te beschouwen, doet het nog niet aan de greep van artikel 85 ontkomen. Deze opvatting ligt ook ten grondslag aan de bekendmaking van 24 december 1962, volgens welke de werkelijke functie van betrokkene de doorslag geeft. Er is in de bekendmaking geen sprake van gevallen als het onderhavige (grote handelsondernemingen die goeddeels ook zelfstandig werkzaam zijn en gedeeltelijk als commissionairs of handelsvertegenwoordigers optreden voor het orgaan van het kartel waartoe de comittent behoort — en voor de overige leden van dat kartel —).

Wanneer met het oog op de toepassing van artikel 85 moet worden uitgemaakt of een onderneming die voor een bepaalde committent als handelsvertegenwoordiger optreedt, „groot” moet worden genoemd en voor eigen rekening „een aanzienlijke omzet” heeft, kunnen de omzetcijfers buiten beschouwing blijven; het gaat er maar om of de vertegenwoordiger als hulporgaan in het bedrijf van de committent is geïntegreerd.

Verzoekster heeft nagelaten te vermelden of drie bedrijven waarmede zij zonder bindend contract samenwerkt, voor haar als onafhankelijke handelaren dan wel als handelsvertegenwoordigers werkzaam zijn.

Het verdient aanbeveling dat verzoekster de door haar afgesloten vertegenwoordigingscontracten overlegt.

In de beschikking (blz. 41, r. kol.) wordt duidelijk te verstaan gegeven dat de Commissie vermoedde dat er tussen WZV en haar leden een afspraak bestond. Pfeifer & Langen mag het niet doen voorkomen alsof zij niet weet waarom WZV en „derde ondernemingen” — in werkelijkheid waren dit de andere leden van WZV — contracten met haar agenten hebben afgesloten; zij was het belangrijkste lid van WZV en moest erin toestemmen dat haar agenten voor rekening van andere fabrikanten optraden.

Onduidelijk is wat er bedoeld wordt met de bewering dat een eventuele beperking van de mededinging geen merkbare gevolgen heeft gehad omdat Pfeifer & Langen nimmer haar toestemming zou hebben onthouden aan transacties tussen haar tussenpersonen en derden. Mocht zij daarmeee willen zeggen dat de eis van voorafgaande toestemming geen praktische gevolgen heeft gehad, dan zou dat betekenen dat haar tussenpersonen nooit om die toestemming hebben gevraagd en dus geen transacties met derden hebben afgesloten. Mocht zij evenwel bedoelen dat zij verzoeken om zodanige toestemming steeds heeft ingewilligd, dan heeft het geen zin dat zij opgeeft hoeveel van zulke verzoeken er zijn gedaan en welke buitenlandse fabrikanten erbij waren betrokken.

##### 9. De grief behelzende een onderling afgestemde gedraging van RT, Say, Béghin, Générale sucrière en Sucres et Denrées bij de inschrijvingen voor de uitvoerrestituties

###### A — Middelen van formele en processuele aard

Générale sucrière en Sucres et Denrées, enig middel:

###### Schending van artikel 190 van het Verdrag

###### a) Samenvatting van de inhoud van de verzoekschriften

aa) Sucres et Denrées betoogt dat ter rechtvaardiging van de toepassing van artikel 85, lid 1, niet kan worden volstaan met de vaststelling dat de inschrijvingen voor de uitvoerrestituties naar derde landen „de uitvoer naar derde landen van in de Gemeenschap geproduceerde suiker mogelijk maken” (beschikking, blz. 42, 1. kol.). De Commissie heeft verzuimd uiteen te zetten op welke gronden zij tot een beperking van de mededinging binnen de Gemeenschap kon concluderen terwijl de samenhang waarin de gestelde afstemming heeft plaats gevonden iedere merkbare wijziging van de condi ties der Europese suikermarkt verhinderde.

bb) Générale sucrière en Sucres et Denrées achten de stelling dat „de onderlinge afstemming eveneens een complementaire maatregel was voor de andere maatregelen die betrokkenen hebben genomen om bepaalde nationale markten te beschermen” (beschikking, blz. 42, r. kol.) onduidelijk.

###### b) Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

ad aa) De Commissie draagt voor antwoord argumenten voor ten bewijze van de juistheid van haar standpunt ten principale (vgl. infra, B a, 2).

ad bb) De Commissie verwijst naar de door haar ten principale gegeven uiteenzetting (infra, B, a, 2).

###### c) Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

Générale sucrière betoogt dat de in het verweerschrift gegeven uiteenzetting, indien al juist, te laat is gegeven en de ongenoegzame motivering der beschikking dus niet kan dekken. Voor hetgeen verder door Générale sucrière en Sucres et Denrées is opgemerkt, vgl. infra, B, a 3.

###### B — Middelen ten principale

###### a) RT, Say, Béghin, Générale sucrière en Sucres et Denrées:

###### Schending van artikel 85 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud van de verzoekschriften

aa) Ten aanzien van de in feite verrichte handelingen, de motieven waardoor men zich daarbij heeft laten leiden en het institutioneel bestek waarin zij hebben plaats gevonden geven de verzoeksters de volgende uiteenzetting: RT stelt dat sommige ondernemingen, waaronder zij zelf, alvorens aan de inschrijvingen deel te nemen, elkander in lichtingen hebben verstrekt ten einde zeker te zijn een bedrag overeenkomend met de interventieprijs te ontvangen. Die poging bleef evenwel vruchteloos (vgl. infra, bb). Say en Béghin betogen dat het bij het uitwisselen van die inlichtingen in hoofdzaak ging om de hoeveelheden die men „aan” kon en om de prijzen op de wereldmarkt. De exporteurs waren gedwongen eerst contracten tegen wereldmarktkoersen af te sluiten en achteraf de exportmachtiging en -restitutie aan te vragen. Die situatie werkte hevige concurrentie bij de inschrijvingen in de hand; van die concurrentie blijkt trouwens wel uit het feit dat Say en Béghin altijd exporteerden tegen een beneden de interventieprijs gelegen totale prijs (wereldmarktprijs + restitutie); zou er werkelijk sprake zijn geweest van afstemming, dan hadden de restitutiepercentages waarschijnlijk kunnen worden gehandhaafd op een niveau dat die prijs haalbaar maakte — hetgeen met de communautaire ordening overigens ook wordt beoogd —. Générale sucrière en Sucres et Denrées komen na een gedetailleerd onderzoek naar de communautaire ordening tot de slotsom: dat het stelsel van heffingen en restituties het effect van het vrije spel van vraag en aanbod ongedaan maakt en een radicale scheiding tussen de wereldmarkt en de markt van de Gemeenschap teweegbrengt; dat de restituties bevordering van de exporten ten doel hebben en dat de door de Raad genomen maatregelen ertoe strekken de verwezenlijking van die doelstelling in ieder afzonderlijk — en bij voortduring — te verzekeren; dat die doelstellingen ook hun verklaring vinden in het feit dat de produktie in de Gemeenschap tot overschotten leidde; dat ingevolge het Verdrag moet worden gestreefd naar een evenwicht tussen de bescherming van de gemeenschappelijke markt en de ontwikke ling van het handelsverkeer met derde landen; dat in artikel 5, lid 1, van verordening nr. 839/68, volgens hetwelk „de toewijzing gegund \[wordt\] aan iedere aanbieder wiens aanbieding het maximumbedrag van de restitutie niet overschrijdt” grenzen worden gesteld aan de mededinging tussen de aanbieders. De Commissie heeft evenwel een efficiënte gang van zaken bij de exporttransacties teniet gedaan door — in het raam van een stelsel van periodieke vaststelling, zoals dat in de communautaire ordening naast het stelsel der inschrijvingen is voorzien — de restituties op een zo laag niveau te bepalen dat het verschil tussen de prijs op de wereldmarkt en de prijzen in de Gemeenschap niet werd overbrugd. Zij heeft zelfs meermalen geweigerd een inschrijving doorgang te laten vinden omdat de ondernemingen met hun biedingen te hoog zouden gaan. Door die weigeringen — en in verband met het feit dat de exportcertificaten destijds niet konden worden overgedragen —, heeft de exportmarkt alle soepelheid verloren. Generale sucrière geeft toe dat de fabrikanten hun gedragingen hebben afgestemd; de afstemming zou echter slechts „inschrijving voor inschrijving” zijn geschied. Sucres et Denrées erkent dat „bij bepaalde inschrijvingen kon worden voorzien dat een bepaalde onderneming bij de inschrijvingen voor een bepaalde hoeveelheid gegadigde zou zijn”.

bb) Alle verzoeksters betogen dat de gewraakte gedragingen binnen de Gemeenschap niet de in artikel 85 van het Verdrag bedoelde gevolgen hebben gehad. Alle verzoeksters komen er tegen op dat de Commissie gewicht hecht aan het feit dat de inschrijvingen „de uitvoer naar derde landen van in de Gemeenschap geproduceerde suiker mogelijk maken” (beschikking, blz. 42, I. kol.). Volgens die zienswijze zouden alle ondernemersafspraken betreffende de export onder artikel 85 vallen, hetgeen zou indruisen tegen de opvatting die het Hof en de Commissie zelf — blijkens eerdere beschikkingen — voorstaan. De plaats van produktie is op de al-dan-niet-toepasselijkheid van artikel 85 niet van invloed; het gaat er alleen maar om of de betrokken overeenkomst of afstemming de werking van de binnenmarkt der Gemeenschap verandert. Alle verzoeksters oefenen kritiek uit op de stellingen der Commissie (loc. cit.) betreffende de invloed die de gestelde afstemming zou hebben gehad op de hoeveelheden suiker die door ieder der belanghebbenden op de binnenmarkt werden verkocht: RT betoogt dat alle ondernemersafspraken betreffende de export de totale hoeveelheid op de binnenmarkt verhandelde produkten beïnvloeden, maar dat die hoeveelheid toch vooral van de behoeften der verbruikers afhangt; ook wordt in de beschikking zelf (loc. cit.) erkend dat de communautaire ordening „ten doel \[heeft\] globaal een zekere hoeveelheid suiker op de wereldmarkt af te zetten”. Volgens Say en Béghin is er van de omstreden exporten geen invloed uitgegaan op de hoeveelheden die op de binnenmarkt werden verkocht, immers de binnenmarkt vertoont overschotten. Iedere beperking van de exporten leidde er alleen maar toe dat er meer werd aangeboden aan de interventiebureaus, die wegens de verzadiging van de binnenmarkt de gekochte hoeveelheden moesten uitvoeren. Wanneer een der verzoeksters niet tot uitvoer van een bepaalde hoeveelheid overging, werd zij door een andere onderneming geëxporteerd. Wijzigingen in de verdeling der exporten naar herkomst lieten de handel tussen Lid-Staten ongemoeid zo lang de hoeveelheid die in totaal binnen de Gemeenschap verhandeld werd, maar ongewijzigd bleef; die conclusie vloeit voort uit het feit dat de slagbomen binnen de Gemeenschap zijn uit de weg geruimd ten behoeve van de schepping van één enkele markt. De Commissie is ook zelf van dit denkbeeld uitgegaan, immers zij heeft besloten dat de exportvergunningen vanaf 1 januari 1971 vanaf iedere willekeurige plaats in de Gemeenschap mogen worden gebruikt. De gestelde afstemming heeft vorenbedoelde totale hoeveelheid niet kunnen wijzigen, aangezien de te exporteren hoeveelheden door de Commissie worden vastgesteld. Volgens Générale sucrière is de Commissie er van uitgegaan dat het gewraakte gedrag handhaving van een abnormale exportprijs mogelijk zou hebben gemaakt, daarmede de export zou hebben bevorderd en — mede dank zij de afstemming inzake de uit te voeren hoeveelheden — de suiker binnen de Gemeenschap schaarser gemaakt (vgl. mededeling, blz. 116). Zulke overwegingen zijn echter met de feiten in strijd, terwijl men, aldus redenerende, ook geen rekening houdt met de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt. De dank zij bedoelde restituties gemaakte exportprijs was noch ten opzichte van de wereldmarkt — waar de uitgevoerde suiker noodzakelijkerwijs werd verkocht tegen of op grondslag van de aldaar geldende koers — noch vergeleken met de prijzen op de gemeenschappelijke markt abnormaal. Blijkens artikel 17 van verordening nr. 1009/67 kon de restitutie er in het beste geval toe leiden dat de prijs bij export gelijk kwam te liggen met die in de Gemeenschap. Overigens bereikten de in (het in de beschikking bedoelde jaar) 1970 aan Générale sucrière toegekende restituties, opgeteld bij de prijzen op de wereldmarkt, nooit het peil van de Franse interventieprijs (in dezelfde zin ook RT); deze ook voor de andere exporteurs geldende situatie remde de export af. Iedere exporttransactie leidt er toe dat er van het betrokken produkt op de markt van het land van uitvoer minder wordt aangeboden. Doch een aldus teweeeggebrachte vermindering van het aanbod valt slechts onder artikel 85 wanneer zij het gevolg is van overeenkomsten of afstemmingen waarbij de betrokken ondernemingen zich verbinden gedurende ze kere tijd bepaalde hoeveelheden te exporteren. In casu is er echter van zulk een overeenkomst of afstemming geen sprake geweest. Mocht bij een bepaalde inschrijving zijn voorzien dat zekere onderneming voor een bepaalde hoeveelheid zou inschrijven, dan heeft zij bedoelde hoeveelheid in verband met de door haar tevoren afgesloten verkoopcontracten vrijelijk vastgesteld. De afstemming heeft de gemeenschappelijke markt niet in nationale markten opgesplitst. Voor zover de Commissie mocht willen betogen dat die afstemming een vermindering van het totale aanbod op de binnenmarkt heeft veroorzaakt, en wel in zodanige mate dat de mededingingsverhoudingen op die markt er door konden worden gewijzigd, beoordeelt zij de feiten verkeerd. Voor zover zij zou willen beweren dat het handelsverkeer tussen Lid-Staten zich heeft gewijzigd door een soort afgesproken substitutie aan aanbiederszijde, dan ziet zij er enerzijds aan voorbij dat de fabrikanten in geval van afstemming per inschrijving krachtens geen enkele tevoren aangegane verbintenis verplicht waren een offerte voor de export van bepaalde hoeveelheden te doen en voorts, afstemming of geen afstemming, in ieder geval hadden moeten exporteren om hun commerciële posities in derde landen te handhaven. De afstemming was alleen maar bedoeld om te voorkomen dat er, door onvoldoende restituties, te veel zou worden verloren én kon dus geen wijziging brengen in het handelsverkeer van de individuele fabrikanten met de Lid-Staten waarnaar zij door de ligging van hun installaties of door hun bestaande handelsrelaties „geroepen” waren te exporteren; in ieder geval kon zulk een wijziging niet „merkbaar” worden genoemd. Sucres et Denrées houdt een deels gelijkluidend betoog. Daargelaten dat vaststelling van een abnormaal hoge exportprijs binnen de Gemeenschap tot generlei beperking van de mededinging leidt, waren de bij uitvoer verkregen prijzen ook niet abnormaal. Zij tendeerden noodza kelijkerwijze in de richting van de wereldmarktprijzen. Waar de Commissie bevoegd is het maximumbedrag der restitutie vast te stellen, kon een eventuele afstemming inzake die restituties ook niet tot gevolg hebben dat de prijzen op een al te hoog niveau kwamen te liggen. Van een krapper aanbod binnen de gemeenschappelijke markt, dat de concurrentie op die markt kon beperken, is geenszins gebleken. De afstemming had noch ten doel noch tot gevolg dat de structuren van het aanbod der betrokken fabrikanten zich merkbaar wijzigden. Dé Commissie heeft niet aangetoond dat de naar derde landen uitgevoerde hoeveelheden op het grondgebied van de gemeenschappelijke markt hadden kunnen worden verhandeld. Wanneer zij stelt dat „volgens de resultaten van de inschrijvingen bepaalde fabrikanten dan wel andere verplicht zijn bepaalde hoeveelheden overschotsuiker in de andere Lid-Staten van de Gemeenschap te verhandelen”, (beschikking, blz. 42, 1. en r. kol.), heeft de Commissie geen verkrapping van het aanbod op de gemeenschappelijke markt, maar een verwisseling der aanbieders op het oog. Zulk een onderlinge substitutie was in 1970 niet op grote schaal mogelijk. Alleen fabrikanten die veel zaken deden met derde landen waren in staat te exporteren. Ook de gedachtenwisselingen tussen de betrokken ondernemingen hebben voor iedere inschrijving apart plaats gevonden. Het is voorts paradoxaal dat aan de suikerexporteurs wordt verweten dat zij zich voor elkander in de plaats hebben gesteld, terwijl de gezagsorganen van de Gemeenschap zich na het in de beschikking bedoelde tijdstip blijkbaar hebben gerealiseerd dat de vroegere regeling te star was en de mogelijkheid hebben geschapen exportcertificaten over te dragen, dat wil zeggen: ertoe hebben medegewerkt dat de exporteurs eventueel eikaars plaats innamen. Say en Béghin betogen dat hun gedrag de prijzen binnen de Gemeenschap niet heeft kunnen beïnvloeden. Zij zijn steeds beneden de richtprijs gebleven, de prijzen die men op de wereldmarkt heeft gemaakt lagen onder de interventieprijs en dus ook onder de prijzen die in de Gemeenschap totstandkwamen. Alle verzoeksters maken bezwaar tegen de vaststelling dat de bevoegdheden die de Commissie aan de communautaire ordening ontleent, niet zover gaan dat er „wijziging” zou kunnen worden gebracht „in de conclusie dat bovengenoemde onderling afgestemde feitelijke gedraging de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden” (beschikking blz. 42, r. kol.). In werkelijkheid behelzen deze bevoegdheden, waarvan zij ruimschoots gebruik gemaakt heeft, een volledige beheersing van de export. Met name mag zij krachtens die bevoegdheden het ritme der inschrijvingen bepalen, de maximumhoeveelheid vaststellen waarvoor de inschrijving zal gelden, het maximumrestitutiebedrag bepalen, en voorts besluiten dat aan een inschrijving geen gevolg zal worden gegeven. Daardoor heeft zij de mogelijkheid te voorkomen dat de omvang der exporten de mededinging op de gemeenschappelijke markt verstoort en de handel binnen de Gemeenschap benadeelt. Sucres et Denrées voegt hieraan toe dat de Commissie weliswaar bij de uitoefening van haar bevoegdheden met het ontvangen aanbod te rade moet gaan, doch eveneens rekening heeft te houden met „de voorzienings- en prijssituatie in de Gemeenschap, de prijzen en de afzetmogelijkheden op de wereldmarkt en de kosten van de uitvoer van de suiker” (artikel 4, lid 3, van verordening nr. 766/68), dat wil zeggen met objectieve factoren waarop degenen die voor export in aanmerking willen komen, geen invloed kunnen uitoefenen. Volgens dezelfde verzoekster is het onjuist te stellen dat de Commissie slechts „in grote lijnen” een zekere controle op de exporten kan uitoefenen, terwijl die controle in werkelijkheid bij iedere inschrijving plaats vindt.

cc) RT betoogt dat artikel 85 ook niet toepasselijk is omdat het slechts de markt voor een produkt en niet exportvergunningen-„markt” betreft.

dd) Say, Générale sucrière en Sucres et Denrées betogen dat er, anders dan in de beschikking (blz. 42, r. kol.) zonder enige adstructie wordt gesteld, geen enkel verband bestaat tussen de gedragingen waartegen de onderhavige grief is gericht en de grieven inzake de bescherming van bepaalde nationale markten. Sucres et Denrées wijst er voorts op dat zij als internationale handelaar geen enkele binnenlandse transactie afsluit, zodat haar geen enkele poging tot bescherming van de nationale markten kan worden ten laste gelegd.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie geeft een overzicht van de communautaire regeling inzake de restituties bij uitvoer naar derde landen (vgl. supra, I, 1, B en C) en verklaart dan dat naast het systeem van periodieke vaststelling, dat nog steeds werkt — zij het met betrekkelijk lage restituties —, het voor het eerst in september 1969 toegepaste systeem van inschrijvingen sindsdien voor de toekenning der restituties geregeld toepassing heeft gevonden. De exportcertificaten bleven bij inschrijving gewoonlijk zes maanden en bij periodieke vaststelling vier maanden (sedert 1972 veertien dagen) geldig. In het raam van de met ingang van het seizoen 1969/1970 opengestelde permanente inschrijvingen konden de ondernemingen wekelijks bieden; een gedeeltelijke toewijzing vond iedere woensdag plaats. Hoewel de Commissie de mogelijkheid had om aan een inschrijving geen gevolg te geven, heeft zij daarvan in het tijdvak waarin de gewraakte inbreuk valt nimmer gebruik gemaakt. Uit de ontwikkeling van de exporten naar derde landen — 1025000 ton in 1971/1972 — blijkt de doeltreffendheid van het stelsel van inschrijvingen.

De Commissie legt een aantal documenten over waaruit blijkt dat verzoeksters in 1970 bij de inschrijvingen voor het bedrag der gevraagde restituties en voor de geboden hoeveelheden hun gedrag hebben afgestemd, en wel zulks in het kader van wat in de interne nota's van Export „het consortium van Parijs” of „de afstemming van Parijs” genoemd werd.

In een telexbericht aan Export van 23 juli 1970 maakt RT gewag van „onze inspanningen” — met name betreffende „het uitschakelen van de mededinging bij de restituties op zodanige wijze dat iedere fabrikant tenminste van de interventieprijs verzekerd is” en „mitsdien het uitschakelen van de strijd om de plaatsing van de hoeveelheden op de binnenmarkt, waar men zeker is van de prijs, in plaats van te moeten exporteren (dit geldt in hoofdzaak voor Frankrijk)”.

In een nota van Export van 17 februari 1970 wordt „een samenkomst van raffinadeurs” ter sprake gebracht die daags tevoren te Parijs zou hebben plaats gehad en waarbij „over de bedragen waarvoor zal worden ingeschreven een overeenkomst is afgesloten”. In die nota staat te lezen dat de „deelnemers” aan die „afstemming” onder meer waren „Say, Béghin, Lebaudy, Commerciale sucrière (Bouchon-St.-Louis)” welke benaming werd gebruikt voor Générale sucrière —, „Sucre-Union, RT en Sucres et Denrées” en dat belanghebbenden tijdens geregelde bijeenkomsten spraken over „het algemeen niveau der restituties” en „het kwantum waarvoor ieder der leden zal inschrijven, in dier voege dat men het eventueel tijdens multilaterale besprekingen eens zou worden”. Deze „afstemming” wordt ook genoemd en besproken in Exports nota's van 26 maart en 21 mei 1970 alsook in de verantwoording van de op 17 februari 1970 door Exports directie genomen besluiten. In het proces-verbaal van de vergadering van RT's Raad van bestuur van 17 juli 1970 wordt de reden der afstemming als volgt omschreven:

„Het volgend jaar zouden wij willen proberen aan de uitverkoop \[sic!\] der restituties te ontkomen. De gedelegeerd bestuurder heeft daartoe een voorontwerp voor een pool der exporttransacties ingediend. In Frankrijk zou dit bovendien het voordeel hebben dat er minder geneigdheid tot het berekenen van spotprijzen op de binnenlandse markt zal bestaan …”.

In een telexbericht van Export aan RT van 19 augustus 1970 wordt gesproken over de politiek die ten aanzien van de export naar Nederland en Italië moet worden gevolgd en vervolgens gezegd: „Restitutie: gezien onze deelneming op voormelde punten, en in beginsel, ongeacht de te Parijs gekozen formule bevelen wij werkelijke samenwerking van Export met RT jegens derde landen aan, waarbij, gezien de politiek der fabrikanten, normaliter afstemming restitutieniveau moet worden bereikt”.

Uit deze documenten blijkt de samenhang tussen enerzijds de afstemming inzake het bedrag der restituties en de bij de inschrijvingen aan te bieden hoeveelheden en anderzijds de afstemmingen waartoe de deelnemende ondernemingen zich met het oog op de afscherming der nationale markten hebben geleend. Een vergelijkbaar verband was trouwens in 1968 reeds vastgelegd in een overeenkomst tussen de Franse fabrikanten die een jaar heeft gegolden en waarbij een stelsel van verevening werd voorzien tussen de bij export gemaakte winsten en de winsten die op de binnenlandse markt bij verkoop voor menselijke consumptie werden gemaakt.

Belanghebbenden hebben aldus bewuste samenwerking in de plaats gesteld voor de risico's die aan de mededinging verbonden zijn, terwijl die mededinging juist bij uitstek onder een systeem van inschrijvingen tot ontplooiing had kunnen komen.

Die afstemming heeft de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt beperkt. Zij heeft er toe geleid dat de mededinging bij export met betrekking tot de binnen de gemeenschappelijke markt geproduceerde hoeveelheden werd tegengegaan, waardoor het de deelnemende ondernemingen niet langer mogelijk was naar goeddunken te disponeren over de hoeveelheden die binnen de gemeenschappelijke markt moesten worden afgezet. Door de hoeveelheden suiker tussen export binnen de Gemeenschap en andere bestemmingen te verdelen hebben deze ondernemingen bepaald welke hoeveelheden er naar derde landen moesten worden geëxporteerd, waardoor zij voorkwamen dat die hoeveelheden het niveau van de prijzen binnen de Gemeenschap belastten. De Commissie heeft de restrictieve werking dus niet alleen afgeleid uit het feit dat het hier om binnen de gemeenschappelijke markt geproduceerde suiker ging, maar vooral uit het feit dat de afstemming hoeveelheden suiker aan de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt heeft onttrokken.

Zelfs al mocht de onderling afgestemde gedraging, anders dan de Commissie meent, niet rechtstreeks een ongunstig effect hebben gesorteerd, dan nog kon zij de normale ontwikkeling van het handelsverkeer tussen Lid-Staten weer in gevaar brengen.

Vervolgens gaat de Commissie over tot individuele beantwoording van de argumenten der verzoeksters.

ad aa) Wie stelt dat de afstemming ten doel had de ondernemingen de zekerheid te bieden dat zij ten minste de interventieprijs zouden halen (RT), dat de Commissie het stelsel der restituties ondoeltreffend heeft gemaakt door de restituties op een te laag niveau te stellen (Sucres et Denrées) en dat verzoeksters bij hun exporten zelfs de interventieprijs niet hebben gehaald (allen), miskent de aard van de vastgestelde inbreuk. De Commissie heeft de mogelijke invloed van de afstemming op het niveau der exportprijzen niet in aanmerking genomen.

###### Antwoord aan Sucres et Denrées

Gedurende het tijdvak dat met het oog op de vaststelling der inbreuk in aanmerking is genomen, heeft de Commissie nimmer gebruik gemaakt van haar bevoegdheid aan een inschrijving geen gevolg te geven; in sommige gevallen heeft zij echter moeten vaststellen dat de geda ne biedingen boven het door haar vastgestelde maximumrestitutiebedrag uitgingen, zodat zij buiten beschouwing moesten worden gelaten.

###### Antwoord aan Say, Béghin en Sucres et Denrées

De deelneming van Say, Béghin en Sucres et Denrées aan de onderling afgestemde gedragingen staat vast op grond van voormelde documenten, en wel met name op grond van Exports nota's van 17 februari en 21 mei 1970, waarin deze ondernemingen met name worden genoemd, Sucres et Denrées soms in de persoon van de heer Varsano.

ad bb) In antwoord op alle verzoeksters betoogt de Commissie dat wanneer zij in eerdere beschikkingen betreffende beperkingen van de mededinging bij de export heeft vastgesteld dat die beperkingen de handel tussen Lid-Staten niet ongunstig konden beïnvloeden, zodanige vaststelling steeds gebaseerd is geweest op te harer kennis genomen feiten en omstandigheden. Zij heeft het echter nimmer uitgesloten geacht dat in andere gevallen ondernemersafspraken inzake de export naar derde landen de handel tussen Lid-Staten wel ongunstig konden beïnvloeden. Het is niet juist te stellen dat de Commissie het over de exporten naar derde landen voor het zeggen heeft. Zij kan de voorwaarden dier exporten noch wat de restituties, noch wat de hoeveelheden betreft, naar goeddunken vaststellen, omdat zij slechts kan optreden in het bestek van de biedingen der fabrikanten, die zich op zichzelf aan haar invloed onttrekken.

###### Antwoord aan Say en Béghin

In plaats van bepaalde hoeveelheden aan de interventiebureaus aan te bieden, hadden de ondernemingen ze evengoed op de binnenmarkt van de Gemeenschap kunnen afzetten. Zij kunnen dus niet stellen dat de aanbieding ter interventie het onvermijdelijk gevolg is geweest van een onmogelijkheid om naar derde landen uit te voeren.

Ten aanzien van de redenen waarom de hierbedoelde onderling afgestemde gedraging de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden, vgl. infra, antwoord aan Générale sucrière.

Dat er vanaf 1 januari 1971 vanuit iedere willekeurige plaats in de Gemeenschap van de exportvergunningen gebruik kan worden gemaakt, heeft met de onderhavige grief — die alleen het jaar 1970 betreft — niets uitstaande.

###### Antwoord aan Générale sucrière, RT en Sucres et Denrées

In de beschikking wordt aan verzoeksters niet verweten dat zij abnormale exportprijzen hebben berekend, doch alleen dat zij de vrije prijsvorming hebben belemmerd. In verband met de stelling dat de gewraakte gedragingen de suiker binnen de Gemeenschap niet schaarser zouden hebben gemaakt, zij opgemerkt dat er in andere landen van de gemeenschappelijke markt veel vraag naar was.

Aan de hand van cijfers betoogt de Commissie dat maximumrestitutiebedrag + suikerprijs (hetzij „on the spot” te Parijs dan wel op termijn) steeds meer was dan de interventieprijs. Omdat de ondernemingen maanden de tijd hadden om tot export over te gaan, konden ze ook het tijdstip afwachten waarop de wereldmarktprijs het gunstigst was. Dat Sucres et Denrées 10 % van haar omzet maakt bij de uitvoer naar derde landen, toont aan hoeveel belang zij bij die transacties had.

De fabrikanten hebben zich eens voor al en niet slechts van geval tot geval verstaan over de hoeveelheden waarvoor zou worden ingeschreven.

In antwoord op de bewering dat de fabrikanten ter handhaving van hun commerciële posities in ieder geval naar derde landen moesten exporteren, herinnert de Commissie aan haar opvatting dat de afstemming met betrekking tot de inschrijvingen deel uitmaakte van een geheel van afstemmingen waarmede de deelnemende ondernemingen de nationale markten wilden afschermen. In het raam van deze algemene afspraak waren bepaalde hoeveelheden voor uitvoer naar derde landen voorzien om te vermijden dat een te groot aanbod de prijzen binnen de Gemeenschap zou doen wankelen. De totale export naar derde landen hield trouwens gelijke tred met de overschotten. De ontwikkeling der exporten wettigt de conclusie dat zij door het stelsel van inschrijvingen niet zijn afgeremd.

Sucres et Denrées vergist zich wanneer zij meent dat de Commissie een met de overdraagbaarheid der exportcertificaten verband houdende verwisseling van aanbieders zou hebben willen wraken. Zij heeft in werkelijkheid een inbreuk bewezen geacht die is begaan op een tijdstip waarop die overdraagbaarheid nog niet bestond.

ad cc) RT vergeet dat de inbreuk naar de bedoeling der beschikking bestond in het feit dat belanghebbenden zich over de uit te voeren hoeveelheden en de exportrestituties hadden verstaan — en niet in een mogelijk wederrechtelijke gebruikmaking van het inschrijvingssysteem —.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

Verzoeksters betogen dat de bevoegdheden die de Commissie aan de communautaire ordening inzake de exporten ontleent, wel zo ver gaan dat zij mag verhinderen dat de mededinging door een tussen de exporteurs gemaakte afstemming wordt getroffen.

Générale sucrière (en, in dezelfde bewoordingen, Say en Béghin alsook Sucres et Denrées betogen dat blijkens artikel 4 van verordening nr. 766/68 de vaststelling van het maximumrestitutiebedrag weliswaar „op basis van” de binnengekomen aanbiedingen geschiedt, doch dat die biedingen dat bedrag niet geheel vastleggen. De Commissie is niet gehouden dit bedrag te stellen op het bedrag dat door de meest gerede aanbieder wordt genoemd. Het aangehouden bedrag moet de uitkomst zijn van een vergelijking tussen de situatie op de gemeenschappelijke markt en die op de wereldmarkt.

Générale sucrière, Say en Béghin voegen hieraan toe dat de Commissie bevoegd is:

alle aanbiedingen af te wijzen wanneer zij meent dat zelfs het laagste bod nog niet in aanmerking komt;

bij vaststelling van de hoeveelheid die ten hoogste zal worden uitgevoerd, de exporten te beperken tot de hoeveelheden die haar met handhaving van een voldoende totaal aanbod — en dus met een daadwerkelijke mededinging op de binnenmarkt van de Gemeenschap — verenigbaar voorkomen;

de periodieke vaststelling der restituties op te schorten, in welk geval er in het geheel geen restitutie wordt toegekend; omdat de prijs op de wereldmarkt in het hierbedoelde tijdvak steeds lager was dan die op de gemeenschappelijke markt, zou het geheel wegvallen van restituties voldoende zijn geweest om de exporten te beletten — en daarmede iedere mogelijkheid dat het aanbod in de Gemeenschap schaarser wordt uit te sluiten —.

Sucres et Denrées betoogt voorts dat de Commissie gebruik kan maken van het systeem van periodieke restituties dat automatisch werkt en dus meer plaats laat voor de vrije mededinging. De Commissie kan de hoeveelheid uitgevoerde suiker beïnvloeden door de periodieke restituties lager of hoger te stellen.

In een document genoemd „Les dossiers de la politique agricole commune” van 15 april 1973 heeft de Commissie uiteengezet dat de vaste restituties stelselmatig worden vastgesteld op een niveau dat duidelijk ligt beneden dat van de restituties die bij de inschrijvingen worden verkregen, en wel zulks om de communautaire instanties in staat te stellen permanent te controleren hoeveel suiker er uitgaat. Het betoog der Commissie is echter innerlijk tegenstrijdig: zou de gewraakte afstemming aan de handhaving van een daadwerkelijke mededinging binnen de gemeenschappelijke markt in de weg hebben gestaan, dan zou de Commissie stellig gebruik hebben gemaakt van de regulerende en controlerende bevoegdheden die haar ten dienste staan.

De Commissie publiceert jaarlijks ramingen betreffende de suikerhoeveelheden die naar de onderscheiden bestemmingen gaan; al zijn de verstrekte cijfers niet normatief, zij markeren de aan de Commissie toekomende bevoegdheden — tot uitzetting van de koers en uitoefening van controle —. Ook stelt zij aan het begin van ieder verkoopseizoen vast hoeveel voorraden er aan het eind van het seizoen op de gemeenschappelijke markt beschikbaar moeten blijven, waarmede dan tevens goeddeels is bepaald hoeveel er in totaal vooral voor export overblijft.

Générale sucrière, Say en Béghin menen dat de Commissie, wanneer zij in 1970 van haar bevoegdheden geen gebruik gemaakt heeft, moet hebben gemeend dat noch de voor uitvoer aangeboden hoeveelheden noch de door de fabrikanten gemaakte prijzen de daadwerkelijke mededinging binnen de gemeenschappelijke markt in gevaar konden brengen. Overigens zou er van een laakbare afstemming juridisch geen sprake kunnen zijn wanneer aan een gezagsorgaan voldoende bevoegdheden verleend zouden zijn om te voorkomen dat de afstemmingen zich in de praktijk doorzetten.

RT wijst erop dat het weinig ter zake doet of de Commissie vaak van haar bevoegdheden gebruik maakt. Het enkele feit dat zii er zijn is voldoende om de causale samenhang tussen de gewraakte gedragingen en de in artikel 85 bedoelde gevolgen te verbreken.

Naar aanleiding van de argumenten die de Commissie heeft aangevoerd tot staving van haar stelling dat de hierbedoelde gedragingen de in artikel 85 bedoelde gevolgen hebben gehad, betogen verzoeksters het volgende:

Générale sucrière, Say en Béghin stellen, in antwoord op de bewering dat belang hebbenden ter ontlasting van de binnenmarkt van de Gemeenschap de geproduceerde hoeveelheden zouden hebben verdeeld tussen exporten binnen de Gemeenschap en voor andere bestemmingen, dat de exporttransacties betrekking hadden op overschotten waarvan de Commissie de uitvoer door middel van restituties begunstigde. Hadden de fabrikanten die overschotten niet kunnen uitvoeren en ook niet op de binnenmarkt kunnen afzetten tegen een prijs die ten minste gelijk was aan de interventieprijs, dan zouden zij ermee naar de interventiebureaus gegaan zijn, die ze op hun beurt in de Gemeenschap slechts hadden kunnen afzetten tegen een prijs die hoger was dan — casu quo gelijk aan — de interventieprijs (verordening nr. 1009/67, artikel 10). Waar verzoeksters bij uitvoer nooit een hogere prijs maakten dan de interventieprijs, ontnam de communautaire ordening ieder belang aan een tot vaststelling van de uit te voeren hoeveelheden eens voor al getroffen afstemming. Wel vonden de fabrikanten aanleiding hun gedragingen af te stemmen met het oog op hun buitenlandse afzet — en wel per inschrijving —, in dier voege evenwel dat de vrijheid van handelen van verzoeksters op de gemeenschappelijke markt en op de wereldmarkt daardoor niet werd beperkt.

Volgens Sucres et Denrées heeft de Commissie niet bewezen dat de beweerdelijk aan de binnenmarkt onttrokken hoeveelheden aldaar hadden kunnen worden afgezet en evenmin dat — in bedoeld puur theoretische geval — de binnenmarkt anders zou hebben gefunctioneerd. Zou Sucres et Denrées de hierbedoelde hoeveelheden niet hebben uitgevoerd, dan had zij ze op de interventiebureaus kunnen aanbieden. Maar in het hierbedoelde tijdvak heeft het Franse interventiebureau zelf 120000 ton — of wel een vierde van de communautaire export — uitgevoerd. Deze omstandigheid doet, wanneer men voorts bedenkt dat er tijdens het litigieuze verkoopseizoen een bepaalde hoeveelheid suiker op initiatief van de communautaire autori teiten kon worden gedenatureerd, aan het argument der Commissie iedere grondslag ontvallen. De Commissie heeft voorts erkend dat de Italiaanse markt in bedoeld seizoen voldoende was bevoorraad.

Volgens RT stuit de stelling dat de hierbedoelde afstemming de binnen de Gemeenschap af te zetten hoeveelheden heeft beïnvloed, af op het feit dat het er belanghebbenden niet om begonnen was meer te exporteren, maar de interventieprijs te halen. Bovendien zou volgens dit standpunt iedere ondernemersafspraak ten aanzien van de export verboden zijn — hetgeen in strijd zou zijn met de algemene gedragslijn van de Gemeenschap —.

De stelling der Commissie dat de exportprijzen steeds boven de interventieprijs lagen, is volgens Sucres et Denrées irrelevant; de Commissie heeft verklaard dat zij de invloed die van de afstemming op het niveau van die prijzen mocht zijn uitgegaan, niet als element van — of aanwijzing voor — de inbreuk in aanmerking heeft genomen. Bedoelde bewering is trouwens onwaar. De Commissie gaat uit van een door haar overgelegde tabel waarin, al naar de behoefte, nu eens de „prijs te Parijs”, dan weer de termijnnotering als referentieprijs is gehanteerd. De tabel geeft bovendien een onjuiste voorstelling van de met de export verband houdende kosten; zij bedragen 7 %, terwijl volgens de cijfers die door de Commissie zijn medegedeeld een exporteur die de interventieprijs wil halen, tot dekking van die kosten gemiddeld 2,38 % zou mogen uitgeven.

Ook RT ontzegt bewijskracht aan de door de Commissie overgelegde tabel en betoogt dat de „prijs van Parijs” een prijs fob zeehaven is en de interventieprijs een prijs af fabriek. De cijfers der Commissie geven dus een vals beeld, omdat de verpakkings-, vervoers- en stuwadoorskosten buiten beschouwing blijven. RT legt een nota van Export over, die gelegenheid biedt een en ander te redresseren.

Ook Générale sucrière, Say en Béghin oefenen kritiek uit op de cijfers der Commissie, en wel omdat daarin bepaalde kosten buiten beschouwing zouden zijn gelaten. — Zij merken voorts op dat het bezwaar dat zij een prijs zouden hebben gemaakt die niet vrijelijk is tot stand gekomen, noch opgaat voor de prijs op de wereldmarkt — waarvan nimmer is beweerd dat zij anders dan door de mededinging wordt bepaald — noch ten aanzien van het bedrag der restitutie, dat juist niet „vrijelijk” totstand kan komen. Volgens de vijfde overweging van de considerans en artikel 3 van verordening nr. 766/68 moet dat bedrag gelijk zijn aan het verschil tussen de wereldmarktprijs en de interventieprijs. Wanneer meerdere fabrikanten wel eens voor ongelijke restitutiebedragen hebben kunnen inschrijven, hing dat samen met de omstandigheid dat de prijs die de exporteur van zijn buitenlandse klant bedingt, enigszins kan schommelen rondom de gemiddelde wereldmarktprijs, die zich — aldus nader Générale sucrière — buiten bereik van iedere afstemming en ook van het Gemeenschapsrecht vormt.

Sucres et Denrées betoogt dat het verwijt een exportprijs te hebben berekend die niet vrijelijk was totstandgekomen, niet ter zake dienende en ongegrond is. Enerzijds heeft de Commissie niet aangetoond dat een eventuele belemmering van een vrije prijsvorming ten deze op de intracommunautaire markt van invloed kan zijn. Anderzijds zijn de restituties het enige bestanddeel van de prijs 'dat vóór de verkrijging der exportcertificaten nog niet vaststaat. Uit de verordeningen betreffende de suikermarkt blijkt dat de restitutie het verschil tussen de wereldmarktprijs en de interventieprijs moet overbruggen en dat bij vaststelling der restitutie met de belangrijkste op de export vallende kosten rekening moet worden gehouden. Daarom treft Sucres et Denrées geen enkel verwijt; meer dan de interventieprijs kon zij niet krijgen. Men kan hiertegenover niet stellen dat het stelsel van inschrijvingen is voorzien voor het geval dat er tegen een lagere restitutie dan voormeld zou kunnen worden uitgevoerd. Dat zou alleen opgaan voor de zogenaamde bijzondere inschrijvingen, die in feite nooit hebben gefunctioneerd; voorts heeft de Commissie niet aangetoond dat Sucres et Denrées in staat was te exporteren tegen een lagere restitutie dan zij heeft bedongen.

Ten aanzien van de mogelijkheden tot „prijsspeculatie” die de exporteurs zouden hebben gehad zij opgemerkt dat men in de internationale handel gehouden is binnen de overeengekomen termijnen aan de bestellingen te voldoen.

RT verzoekt het Hof krachtens artikel 184 van het Verdrag de bepalingen der verordeningen waarbij het stelsel van inschrijvingen voor de exportrestituties in het leven is geroepen, nietig te verklaren. Dit stelsel speculeert op de opslag- of financieringsmoeilijkheden en heeft tot gevolg dat de fabrikanten gedwongen zijn met minder dan de interventieprijs genoegen te nemen; het is dus in strijd met de fundamentele doelstelling van de gemeenschappelijke marktordening aan de fabrikanten de interventieprijs te verzekeren teneinde hen in staat te stellen aan de telers de minimumsuikerbietenprijs te betalen.

Sucres et Denrées betoogt voorts dat zij als handelaar slechts zoveel suiker onder zich heeft als op de markten van derde landen kan worden afgezet en dat zij de uit te voeren hoeveelheden dus niet bepaalt.

Ten aanzien van de vraag of de gewraakte afstemmingen de handel tussen Lid-Staten nadelig konden beïnvloeden en ten aanzien van de verhouding tussen die gedragingen en de afstemmingen die zich met betrekking tot de binnenmarkt van de Gemeenschap zouden hebben voorgedaan, betogen verzoeksters het volgende:

Sucres et Denrées stelt dat wanneer al kan worden gezegd dat de aanbieders voor elkander in de plaats zijn getreden, zulks niet de in artikel 85 bedoelde gevolgen heeft gehad; althans is de beïnvloeding van de markt in de Gemeen schap niet merkbaar of schadelijk geweest. Onderlinge substitutie der aanbieders was slechts in beperkte mate mogelijk omdat de naar derde landen exporterende bedrijven dicht bij de havens gelegen zijn, zodat de desbetreffende suiker niet door suiker van andere ondernemingen kan worden vervangen.

Générale sucrière, Say en Béghin betwisten niet dat iedere inschrijving, op zichzelf beschouwd, tot substitutie van aanbieders heeft kunnen leiden. Doch dit gevolg kon niet gedurende het gehele verkoopseizoen worden vastgesteld. De Commissie heeft het bestaan van een alomvattende afstemming niet aangetoond. De afstemmingen die werkelijk hebben plaats gehad en die zuiver ad hoc werden aangegaan (Générale sucrière spreekt van „concertations purement ponctuelles”) hebben de ondernemingen niet beperkt in hun vrijheid om zelf — in verband met hun verplichtingen en gelet op de behoeften der handelsbedrijven voor de buitenmarkten — te beslissen of zij aan een inschrijving wensten deel te nemen. Het enige effect van de afstemmingen kon zijn dat de ter voldoening aan die behoeften nodige hoeveelheden over een aantal inschrijvingen werden uitgesmeerd (en derhalve, zo voegt Générale sucrière er aan toe, kon ook aan de behoeften der andere fabrikanten geleidelijk worden voldaan).

Wat betreft de documenten die volgens de Commissie zouden bewijzen dat er verband bestond tussen de hierbedoelde afstemming en die welke zij met betrekking tot de intracommunautaire handel bewezen heeft geacht zijn Générale sucrière, Say en Béghin van mening dat in RT's telexbericht aan Export van 23 juli 1970 alleen maar de opvatting van de afzender tot uitdrukking komt, zodat het niet als bewijsmiddel tegen de andere verzoeksters mag worden gebruikt.

Sucres et Denrées betoogt dat contacten tussen ondernemingen als die bedoeld in de stukken welke de Commissie in het geding heeft gebracht, gebruikelijk zijn op de suikermarkt, „waar de zaken te allen tijde openbaar zijn en aanleiding geven tot publiciteit in de vorm van circulaires van de exporterende vennootschappen zelve en vooral ook van handelsberichten van gespecialiseerde agentschappen”. Een dergelijke uitwisseling van inlichtingen doet aan de vrijheid van handelen der ondernemingen geen afbreuk; er is op zichzelf niets tegen. Anderzijds verklaren het feit dat Sucres et Denrées een internationaal handelsbedrijf was en haar kennis van de markten in derde landen dat men haar heeft geraadpleegd.

RT wijst er op dat de afstemming inzake de uitvoer naar derde landen volgens de eigen woorden der Commissie tot het jaar 1970 beperkt is gebleven, terwijl de afstemming ten aanzien van de markten binnen de Gemeenschap nadien voortduurde; alleen al daarom ontbreekt de gestelde samenhang.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van dupliek

De Commissie antwoordt dat het stelsel van inschrijvingen de mededinging niet slechts in stand laat, doch er om vraagt. Weliswaar geeft het de Commissie de mogelijkheid de richting der exporten in zekere mate te bepalen; de uit te voeren hoeveelheden worden echter niet door haar vastgesteld. Zij stelt de mogelijkheid tot permanente inschrijving open, waarvan de ondernemingen wekelijks gebruik kunnen maken. Zij is verplicht tot toewijzing wanneer ondernemingen met hun biedingen blijven beneden het door de Commissie vastgestelde maximumbedrag. Dat verzoeksters zich tevoren over de hoeveelheden en het restitutiebedrag hebben verstaan, heeft de mededinging juist daar beperkt waar zij tussen fabrikanten tot ontplooiing moest komen, zodat de Commissie bij haar besluitvorming niet langer met kennis van zaken op objectieve gegevens kon afgaan. Dank zij deze afstemming behoefden de ondernemingen elkaar niet voor de voeten te lopen met inschrijvingen waarover zij zich niet hadden verstaan. Générale sucrière heeft ook erkend dat het waar deze afstemming tussen de ondernemingen niet plaatsvond, is gekomen tot een „levendige mededinging met de restituties als inzet”. De Commissie wijst bij voorbeeld op een uitspraak van een Frans gezagsorgaan, waarin een afstemming inzake de biedingen bij een inschrijving als concurrentiebeperkend is beschouwd.

Met het argument dat de betrokken hoeveelheden, indien niet naar derde landen geëxporteerd, hadden kunnen worden aangeboden aan de interventiebureaus die daarvoor binnen de gemeenschappelijke markt ten minste de interventieprijs hadden moeten bedingen, wordt niet ingegaan op de vaststelling der Commissie dat de afstemming diende om de intracommunautaire markt te ontlasten en te voorkomen dat de prijzen binnen de Gemeenschap onder druk kwamen te staan. De ondernemingen moesten bij ontlasting van de intracommunautaire markt net zo veel belang hebben als bij het halen van de interventieprijs: zij zouden bij aanbieding van de betrokken hoeveelheden aan de interventiebureaus niet de zekerheid hebben gehad dat die hoeveelheden de prijzen op de binnenmarkt niet wederom zouden belasten.

In haar door verzoeksters aangehaalde eerdere beschikkingen heeft de Commissie het niet uitgesloten willen verklaren dat een beperking van de mededinging op het niveau van de uitvoer naar derde landen de handel tussen Lid-Staten nadelig zou kunnen beïnvloeden. Met name volgens de Duitse en Amerikaanse wetgeving zijn de mededingingsregelen van toepassing op de exportkartels, en wel zulks in verband met hun uitwerking op de nationale markt. Sucres et Denrées praat langs het betoog der Commissie heen wanneer zij zegt dat de uitvoer niet tot wijziging van de marktcondities binnen de Gemeenschap kon leiden.

Het argument inzake de noodzaak om in de behoeften der buiten de Gemeenschap gelegen afzetmarkten te voorzien is niet overtuigend. Verzoeksters leveren geen enkel bewijs dat zij gedurende een zekere periode doorlopend en geregeld aan bepaalde klanten hebben geleverd. De Commissie wijst in verband hiermede op tweeërlei tegenstrijdigheid in het betoog van verzoeksters: in de eerste plaats verdraagt de bewering dat zij buiten de Gemeenschap verbintenissen had aangegaan zich niet met de stelling dat de fabrikanten er belang bij hadden hun overschotten ter interventie aan te bieden — in plaats van ze uit te voeren naar derde landen, waarbij de opbrengst niet steeds het niveau van de interventieprijs bereikte —; vervolgens wordt dit laatste argument weersproken door het economisch belang dat de fabrikanten bij export zouden hebben en dat door de grote omvang der exporttransacties zou worden bewezen.

Met betrekking tot het niveau der exportprijzen antwoordt de Commissie aan Sucres et Denrées dat er van „nieuwe standpunten” der Commissie niet reeds sprake is wanneer te dien aanzien in de beschikking alleen maar wordt gewerkt met een deel van de feiten en omstandigheden die in de mededeling van de punten van bezwaar waren vermeld.

In verband met het argument inzake het niveau der exportprijzen betoogt de Commissie dat zelfs de mogelijkheid dat verzoeksters de interventieprijs niet hebben gehaald, aan de door haar aangetoonde afstemming niet afdoet. Het is echter ten enenmale onjuist te stellen dat de poging de interventieprijs te halen tevergeefs zou zijn ondernomen. De Commissie verwijst naar de door haar bij de verweerschriften overgelegde tabel van maximumrestitutiebedragen en stelt voorts dat zij nooit heeft betwist in haar berekeningen de verpakkings- en transportkosten niet te hebben opgenomen. Maar wanneer een fabrikant vergelijkenderwijs berekent hoeveel er van bepaalde hoeveelheden naar de verschillende bestemmingen gaat, neemt hij zijn verkoopsprijs af fabriek tot uitgangspunt; dit blijkt ook uit bepaalde bij de verweerschriften gevoegde memories. Bovendien behoeven er bij vervoer van suiker als stortgoed geen verpakkingskosten te worden gemaakt en hangen de transportkosten af van de geografische ligging der raffinaderij. In haar antwoord aan

RT betoogt de Commissie dat er voor stuwage alleen kosten behoeven te worden gemaakt wanneer het vervoer per schip plaats vindt, en dat is alleen het geval bij verkoop naar Zwitserland. Als voorbeeld legt de Commissie een op 8 april 1970 door Export aangegaan contract over. In haar aan alle verzoeksters gegeven antwoord stelt de Commissie voorts dat de ondernemingen voor de uitvoer de beschikking hadden over een aantal maanden, zodat zij konden speculeren door het ogenblik af te wachten waarop de prijs op de wereldmarkt het gunstigst lag. In haar antwoord aan RT verwijst de Commissie bij wege van voorbeeld naar voormeld contract, waarin de leveringsperiode als volgt is vastgelegd: „april/augustus 1970, ter keuze van de koper”.

Ten slotte miskennen verzoeksters de functie van de interventieprijs, die alleen „gewaarborgd” is voor zover de waar aan de interventiebureaus wordt aangeboden: Een verdergaande garantie kan in de vijfde overweging van de considerans en in artikel 3 van verordening nr. 766/68 geenszins worden gelezen.

Op het argument dat Sucres et Denrées als handelaar de op de gemeenschappelijke markt aangeboden hoeveelheden niet heeft kunnen wijzigen, antwoordt de Commissie dat deze verzoekster voor zeer grote hoeveelheden als producent aan de markt komt en op dezelfde voet als de betrokken fabrikanten aan de gewraakte afstemmingen heeft deelgenomen. Ook heeft zij deelgenomen aan de afstemmingen inzake de leveringen op de Italiaanse markt. De door de Commissie overgelegde stukken behelzen het bewijs dat de betrokken ondernemingen, Sucres et Denrées daaronder begrepen, de afstemmingen ter bescherming van de verschillende markten binnen de Gemeenschap en de hierbedoelde afstemming op elkander hebben betrokken.

Wat de nadelige beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten betreft: de afstemming kon een wijziging in de exporten van bepaalde Franse en Belgische exporteurs naar andere landen van de Ge meenschap teweegbrengen. Hiertegen kan men niet inbrengen dat er slechts van een puur formele beïnvloeding sprake zou zijn geweest: de Commissie behoeft niet aan te tonen dat de afstemming de markten werkelijk heeft afgeschermd; het is voldoende dat zij de handel tussen Lid-Staten nadelig kan beïnvloeden. In casu is dat zo; het was mogelijk dat in verband met de afstemming deze of gene verzoekster aan een aanvraag uit de gemeenschappelijke markt geen gevolg kon geven. Ook doet het niet ter zake of de aanbieders zich werkelijk voor elkander in de plaats hebben gesteld — die maatstaf heeft de Commissie niet aangelegd —; het is voldoende dat dit heeft kunnen geschieden. Voorts mag Sucres et Denrées er zich niet ten exceptieve op beroepen dat het hierbij om zeer geringe hoeveelheden suiker zou zijn gegaan; de inschrijvingen voor export betroffen in 1970 133000 ton witte en 60000 ton ruwe suiker, bijna steeds van Franse en Belgische herkomst.

###### b) RT, Say en Générale sucrière: Schending van verordening nr. 26

RT, Say en Générale sucrière betogen dat indien de gewraakte gedragingen — in strijd met hun opvatting — toch onder artikel 85 mochten vallen, daarvoor de in verordening nr. 26 omschreven uitzonderingen zouden gelden. Aangezien de ten deze voorgedragen argumenten ook betrekking hebben op de andere grieven die de Commissie tegen deze vennootschappen heeft aangevoerd, zij verwezen naar hoofdstuk 1, B, b, supra.

##### 10. De geldboeten

De desbetreffende middelen worden opgeworpen ten betoge dat artikel 3 der beschikking moet worden vernietigd — ook al mocht het Hof vaststellen dat de gestelde inbreuken zijn begaan — dan wel dat de boeten moeten worden verlaagd. Behalve de hierna in samengevatte vorm weergegeven argumentatie voeren de onderscheiden verzoeksters, ieder voor zover haarzelf betreft, nogmaals be paalde hiervoor (1-9) reeds weergegeven argumenten aan; hetzelfde geldt voor de Commissie.

###### A — Middelen van formele en processuele aard

###### a) Industria degli zuccheri, Sucres et Denrées, Béghin, Say, Générale sucrière, SU en Pfeifer & Langen:

###### Schending van artikel 190 van het Verdrag

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

Voormelde verzoeksters betogen dat de overwegingen der beschikking inzake het beginsel der boete-oplegging en het boetebedrag (blz. 43 e.v.) geen dan wel een onvoldoende of een innerlijk tegenstrijdige redengeving bevatten. Sommigen hunner stellen meer in het algemeen dat de oplegging van zo hoge boeten bijzonder minutieus gemotiveerd dient te zijn.

aa) Générale sucrière, Say, SU en Pfeifer & Langen maken er bezwaar tegen dat de Commissie haar stelling dat de inbreuken „opzettelijk, althans uit nalatigheid” zijn begaan, omdat belanghebbenden „niet onwetend waren of althans niet onwetend hadden kunnen zijn van de mededinging beperkende gevolgen van deze gedragingen” (beschikking, blz. 43, r. kol.), niet met redenen heeft omkleed. Générale sucrière, Say en Pfeifer & Langen menen dat de Commissie met name de mate van strafwaardigheid nader had moeten aangeven. SU betoogt voorts dat de Commissie heeft nagelaten te stellen of de litigieuze overeenkomsten „ertoe strekten” dan wel alleen „ten gevolge” hadden dat de mededinging werd beperkt. Dit is van beslissend belang omdat er in het laatste geval slechts bij uitzondering van onachtzaamheid (nalatigheid) sprake is. De Commissie had moeten motiveren waarom SU, bij het kopen van suiker om haar tekort te dekken, wist of moest weten dat zij deelnam aan een op beperking der mededinging gericht beleid der verkopers. De enkele vaststelling dat een onderneming „niet-onwetend” had kunnen zijn van de gevolgen harer gedragingen, is niet voldoende om van nalatigheid te kunnen spreken.

bb) Générale sucrière, Say, Béghin en Sucres et Denrées achten de beschikking niet behoorlijk met redenen omkleed omdat de Commissie niet aangeeft in hoeverre de geldboete ter zake van de onderscheiden bewezen geachte inbreuken, ieder afzonderlijk, is opgelegd. De Commissie had afzonderlijke boeten voor iedere overtreding dienen op te leggen of toch in ieder geval bij vaststelling van de strafmaat, de in totaal opgelegde boete, het gewicht van iedere overtreding moeten bepalen.

cc) Générale sucrière, Say, Béghin en Pfeifer & Langen verwijten de Commissie dat zij bij de bepaling der boeten heeft verzuimd de relatieve ernst van de deelneming van iedere belanghebbende, vergeleken met die der anderen, gedetailleerd te bespreken en af te wegen.

dd) Pfeifer & Langen wijst erop dat de Commissie een vaststelling doet en geen motivering geeft wanneer zij voor de ernst der inbreuken alleen bepalend acht dat zij „ingrijpend („einschneidend”) waren en duidelijk in strijd met de door het Verdrag beoogde integratie der markten” (beschikking, blz. 44, 1. kol.).

ee) Volgens Sucres et Denrées had de Commissie zich nader moeten uitspreken over het feit dat deze onderneming de Europese markten nergens controleert.

ff) Sucres et Denrées maakt er aanmerking op dat de Commissie zich niet heeft uitgesproken over de invloed van de Italiaanse marktsituatie op het gewraakte gedrag.

gg) Générale sucrière, Say, Béghin en Sucres et Denrées betogen dat de overweging volgens welke de ernst der inbreuken zou blijken uit het feit dat zij er allemaal toe hebben geleid dat „de mogelijkheden om suiker vrij en zonder controle van de nationale suikerprodu centen uit andere Lid-Staten te betrekken, tot een minimum worden gereduceerd” (beschikking, blz. 44, 1. kol.), op generlei wijze in verband kan worden gebracht met de grief betreffende de export naar derde landen; de beschikking is in zoverre in het geheel niet met redenen omkleed.

hh) Générale sucrière, Say, Béghin en Sucres et Denrées betogen dat de overweging volgens welke „ten aanzien van de duur van de inbreuken … in aanmerking dient te worden genomen dat zij zich over een periode van verscheidene jaren uitstrekten” (loc. cit.) niet te rijmen valt met artikel 1, lid 3, der beschikking, volgens welke de gedragingen bij de inschrijvingen betreffende de restituties voor de uitvoer naar derde landen alleen in 1970 hebben plaatsgevonden.

ii) Industria degli zuccheri merkt op dat volgens de eigen bewoordingen der beschikking in aanmerking diende te worden genomen „dat de produktie van en de handel in suiker tot 30 juni 1968 door de nationale marktordeningen gedetailleerd waren geregeld, en wel met inbegrip van de vaststelling van verkoopzones voor de suikerhandel”, hetgeen „een zeker vasthouden aan oude gewoontes verklaart en een slechts langzame aanpassing en benutting van de mogelijkheden, die de suikermarktordening van de Gemeenschap voor een vrije grensoverschrijdende suikerhandel heeft geopend”. Deze — juiste — vaststelling is in strijd met de hoge boete. Voorts valt zij moeilijk te rijmen met het feit dat in de beschikking de duur der overtredingen als verzwarende omstandigheid in aanmerking is genomen; een aanpassingsperiode van drie jaren is niet als lang te beschouwen.

###### 2. Samenvatting van de inhoud der verweerschriften

De Commissie betoogt het volgende:

###### ad 1. aa)

In antwoord op de posita van Générale sucrière en van Say stelt de Commissie dat zij in haar beschikking gedetailleerd heeft uiteengezet door welke overwegingen zij zich bij de oplegging der geldboeten heeft laten leiden.

In antwoord op de posita van SU betoogt de Commissie dat het door haar overgelegde bewijsmateriaal duidelijk aantoont dat verzoekster opzettelijk gehandeld heeft. De aard van de ten laste gelegde gedragingen brengt voorts mede dat zij de beperking van de mededinging zowel tot doel als ten gevolge hadden — voor de strafmaat is dit onderscheid overigens niet van wezenlijke betekenis —.

In antwoord op de posita van Pfeifer & Langen betoogt de Commissie dat waar in de beschikking in het algemeen wordt overwogen dat belanghebbenden de inbreuken „opzettelijk, althans uit nalatigheid” hebben begaan daaraan de overweging ten grondslag ligt dat zij niet allen aan een opzettelijk begane inbreuk schuldig zijn bevonden. De tegen Pfeifer & Langen als aanwijzingen in aanmerking genomen gedragingen zijn echter opzettelijk begaan; hetzelfde geldt dan evenwel voor de inbreuk in haar geheel.

###### ad 1.bb) — ff)

In de beschikking is precies aangegeven welke feiten en omstandigheden ter beoordeling van de ernst van de gedragingen van de onderscheiden ondernemingen in aanmerking zijn genomen. Wat met name de Italiaanse markt betreft: in de beschikking is duidelijk uiteengezet welke concurrentiemogelijkheden er waren blijven bestaan. Ten aanzien van Sucres et Denrées is daarin de beslissende rol gereleveerd die deze vennootschap bij de afstemming van gedragingen met betrekking tot die markt heeft gespeeld.

Iedere verzoekster was dus op de hoogte van alle feiten en omstandigheden die bij de vaststelling der haar opgelegde geldboete in aanmerking zijn genomen, zodat de Commissie niet bovendien het gewicht der verschillende feiten, ieder op zichzelf beschouwd, behoefde te bepalen.

###### ad 1. gg)

De Commissie heeft het verband aangetoond dat er tussen de afstemming van gedragingen met het oog op de exportrestituties en de afstemmingen van belanghebbenden ter afscherming van de nationale markten bestond: zij heeft voorts vastgesteld dat de gedragingen ten aanzien van de nationale markten ten doel en ten gevolge hadden dat aan onafhankelijke gebruikers werd belet zich vrijelijk te bevoorraden bij fabrikanten in andere landen van de gemeenschappelijke markt.

###### ad 1.hh)

De inbreuken hebben zich — met uitzondering van de afstemming van gedragingen ten aanzien van de inschrijvingen voor de exportrestituties, die de Commissie alleen voor 1970 bewezen heeft geacht — inderdaad gedurende verscheidene jaren voorgedaan.

###### ad 1. ii)

In de beschikking is met zoveel woorden gesteld dat de gemeenschappelijke ordening der markten — door openstelling van de nationale grenzen — de mededinging bevorderde. De gewraakte gedraging was van zodanige aard dat zelfs een langzame aanpassing van de markt aan de eisen dier ordening werd verhinderd.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

###### ad 1. aa)

Pfeifer & Langen antwoordt dat de Commissie met haar tegenwoordige verklaring volgens welke verzoekster zou behoren tot de vennootschappen die opzettelijk hebben gehandeld, tracht haar houding achteraf te rechtvaardigen. Uit het betoog der Commissie blijkt eens te meer de kwetsbaarheid van de gevolgde gedragslijn, bestaande in het nemen van een collectieve beschikking ten aanzien van een groot aantal ondernemingen.

###### ad 1.bb) — ff)

Générale sucrière, Say, Béghin en Sucres et Denrées zeggen voor repliek dat hun doordat bij oplegging der geldboete niet per inbreuk is geïndividualiseerd, is belet daarop feit voor feit in te gaan, terwijl het Hof in de onmogelijkheid gesteld is controle uit te oefenen op het oordeel der Commissie betreffende de ernst der afzonderlijke inbreuken. Générale sucrière, Say en Béghin voegen hieraan toe dat een „samensmelting” van verschillende straffen in het Gemeenschapsrecht niet thuishoort; in ieder geval kan daarvan alleen maar sprake zijn wanneer er ter zake van ieder feit afzonderlijk straf is opgelegd.

SU wijst er op dat dit verzuim ertoe leidt dat het Hof, de overtreding van slechts één der hierbedoelde artikelen niet bewezen achtende, de hoogte der boete niet aan de alsdan ontstane situatie zou kunnen toetsen.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van dupliek

De Commissie zegt het volgende voor dupliek:

###### ad 1. aa)

In antwoord op het betoog van Pfeifer & Langen stelt de Commissie dat de vaststelling dat de tegen Pfeifer & Langen bewezen geachte inbreuken opzettelijk zijn begaan, zonder meer uit de redengeving der beschikking volgt. In artikel 15 van verordening nr. 17 wordt trouwens tussen opzettelijk en uit onachtzaamheid begane feiten geen bepaald onderscheid gemaakt.

###### ad 1.bb) — ff)

In antwoord op het betoog van Générale sucrière, Say, Béghin en Sucres et Denrées stelt de Commissie dat verzoeksters bekend waren met alle feiten en omstandigheden die de Commissie bij de vaststelling der geldboeten in aanmerking heeft genomen. De Commissie heeft het recht één enkele geldboete op te leggen wegens de deelneming aan verschillende afstemmingen waarmede in wezen hetzelfde werd beoogd en waartussen verzoeksters zelf verband hebben gelegd.

In antwoord op het betoog van SU wijst de Commissie erop dat zij bij vaststelling van de geldboete geen onderscheid gemaakt heeft tussen de feiten die een inbreuk op artikel 85 en die welke een inbreuk op artikel 86 behelzen; beide soorten feiten dragen weliswaar rechtens een ander karakter, doch zijn op een en hetzelfde doel gericht. Zonder inbreuk op artikel 85 zou er van schending van artikel 86 geen sprake zijn geweest en zonder met artikel 86 in strijd te zijn zouden de inbreuken op artikel 85 minder effectief zijn geweest. Mocht het Hof een dezer tweeërlei inbreuken niet bewezen achten, dan kan het op grond van de volledige rechtsmacht waarover het in gevallen als het onderhavige beschikt, zelf bepalen welke consequenties daaraan ten aanzien van het boetebedrag moeten worden verbonden.

###### b) SZAG en SZV:

###### Schending van de artikelen 15, lid 2, en 18 van verordening nr. 17 en de regelen inzake de rechtsmacht van het Hof

###### 1. Samenvatting van de inhoud van de verzoekschriften

Volgens SZAG en SZV levert het feit dat de Commissie bij oplegging van de geldboete niet naar de verschillende bewezen geachte feiten heeft geïndividualiseerd (vgl. supra, a, 1, bb), schending op van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, alwaar van „inbreuk” (enkelvoud) sprake is. Bovendien zal het Hof, wanneer het slechts een deel van de gestelde feiten bewezen acht en dus termen aanwezig acht om de boete gedeeltelijk in te trekken, moeten beslissen over het alsdan op te leggen boetebedrag; maar dat zou in feite niet een verlaging, maar een (oorspronkelijke) vaststelling van de boete zijn, dat wil zeggen een maatregel waartoe het Hof niet bevoegd is.

In de artikelen 15, lid 2, en 18 van verordening nr. 17 is alleen maar sprake van rekeneenheden; de Commissie had het boetebedrag dus niet in Duitse marken moeten omrekenen. De ondernemingen zijn vrij om een geldboete ook in andere valuta dan de nationale munteenheid te betalen. Bovendien kunnen volgens het dictum van de beschikking eventuele wijzigingen van de wisselkoers niet in aanmerking worden genomen; de omrekening moet echter geschieden naar de koers van het tijdstip van betaling — en niet naar die welke bij het nemen van de beschikking geldt —.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

De Commissie betoogt dat zij volgens 's Hofs jurisprudentie gerechtigd is ter zake van deelneming van een onderneming aan verschillende overtredingen die op een zelfde doel gericht zijn, één enkele geldboete op te leggen. Vooral de door SZV begane feiten moeten worden beoordeeld in samenhang met de onderling afgestemde feitelijke gedraging die op bescherming van de Zuidduitse markt gericht was (vgl. blz. 45 van de beschikking); de aan bedoelde vennootschap te wijten gedragingen kunnen niet in verschillende handelingen worden opgedeeld.

De rekeneenheid is geen munteenheid en de boete moet in nationale munt worden betaald. De Commissie heeft tot nu toe steeds goedgevonden dat de ondernemingen de boeten betaalden in de munteenheid van een der Lid-Staten. Zij moet er echter wel op toezien dat boetebeschikkingen zo nodig ook kunnen worden ten uitvoer gelegd. Daarom wordt het boetebedrag óók in nationale valuta omschreven. Deze oplossing biedt voorts het voordeel dat alle ondernemingen waaraan geldboeten zijn opgelegd op dezelfde wijze worden behandeld — in dier voege dat zij in nationale munt hebben te betalen de tegenwaarde van de rekeneenheid op de dag waarop de beschikking is vastgesteld —.

###### B — Middelen ten principale

###### a) Eridania, Industria degli zuccheri, Sucres et Denrées, Béghin, Say, Générale sucrière, SZAG, SU, CSM, Pfeifer & Langen en SZV:

###### Schending van artikel 15 van verordening nr. 17

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

aa) Générale sucrière, Say, Béghin, Sucres et Denrées, SZAG, Industria degli zuccheri, SU, CSM, Pfeifer & Langen en SZV, betogen dat, al aangenomen dat de gestelde inbreuken zijn begaan, er van „opzet” of „onachtzaamheid” (nalatigheid) geen sprake is. Ten aanzien van de gedragingen met betrekking tot de Italiaanse markt (vgl. supra, 1) betogen Générale sucrière, Say en Béghin dat zij, gezien de aldaar geldende regeling, zich niet hebben kunnen voorstellen dat de verdeling der hun voorgestelde bestellingen de werkelijke mededinging kon beperken. De goede trouw van belanghebbenden blijkt ook uit de matige prijzen die zij bij hun verkopen naar Italië hebben gemaakt. SZAG betoogt dat zij niet kon weten dat de Commissie de leveringen van fabrikant aan fabrikant als onderling afgestemde feitelijke gedragingen zou beschouwen; die leveringen vonden in Duitsland reeds lang voor de inwerkingtreding van de landbouwordening der Gemeenschap plaats en waren sedert tientallen jaren ook in andere takken van handel gebruikelijk. Industria degli zuccheri betoogt dat de betrokken ondernemingen geoorloofde bedoelingen hadden en er niet op uit waren de gevolgen teweeg te brengen die volgens de Commissie uit de gewraakte gedragingen zijn voortgevloeid. SU betoogt met betrekking tot de gedragingen betreffende de Nederlandse markt (vgl. supra, 2) dat zij tot de litigieuze koopovereenkomsten is overgegaan om een suikertekort te dekken, zodat die transacties, wel verre van tot beperking der mededinging te strekken, hoogstens — en haars ondanks — een concurrentiebeperkend gevolg hebben gehad. In de Nederlandse tekst van de beschikking (blz. 43, 2e kol.) wordt trouwens vastgesteld dat betrokkenen „opzettelijk of althans uit grove nalatigheid” („de propos délibéré ou, tout au moins, par négligence grave”) hebben gehandeld, zodat de boete niet in stand kan blijven wanneer het Hof mocht vaststellen dat er van grove nalatigheid geen sprake is geweest; de Commissie heeft zelfs niet vastgesteld dat SU uit „onachtzaamheid” („négligence”) heeft gehandeld. CSM verklaart dat zij steeds een normaal en economisch verantwoord handelsgedrag tot uitgangspunt heeft genomen en dat haar gedragingen ook in het licht van de historie en de inhoud en strekking der EEG-regelingen moeten worden beschouwd. Pfeifer & Langen meent dat zij niet heeft kunnen weten dat de Commissie leveringen van fabrikant aan fabrikant als op marktverdeling gerichte praktijken zou beschouwen. Noch de Commissie noch de nationale gezagsorganen hadden zich tot heden op dat standpunt gesteld en het was ook te minder voorzienbaar omdat verkooptransacties op tegengestelde partijbelangen, ondernemersafspraken op gelijkgerichte belangen berusten. Ten aanzien van de gedragingen met betrekking tot de Westduitse en Zuidduitse markten en de economische druk die op de Nederlandse importeurs zou zijn uitgeoefend (vgl. supra, 3, 4 en 6) wordt verwezen naar de hiervoor weergegeven argumenten van Pfeifer & Langen, SZAG, SU en CSM. Met betrekking tot de grief dat zij de handelaren zou hebben belet suiker van andere herkomst weder te verkopen en de klanten door getrouwheidskortingen zou hebben gebonden (vgl. supra, 7) betoogt SZV dat zij niet heeft kunnen voorzien dat de Commissie het in de litigieuze contracten omschreven concurrentieverbod als een inbreuk zou beschouwen ondanks het feit dat zulke clausules in contracten van handelsverte genwoordigers gebruikelijk en in de bekendmaking van 24 december 1962 geoorloofd verklaard zijn. SZV heeft nimmer verband gelegd tussen de getrouwheidskortingen en de intracommunautaire handel. Toen zij vernam dat de Commissie er een onderzoek naar instelde, is aan de vennootschap desgevraagd een onderhoud met vertegenwoordigers van de Commissie toegestaan; het heeft op 29 mei 1972 plaatsgehad en bedoelde vertegenwoordigers hebben toen niet te verstaan gegeven dat zij er bezwaar tegen hadden. Met betrekking tot de grief dat zij met handelaren overeenkomsten zou hebben gesloten waarbij hun in- en uitvoermogelijkheden binnen de Gemeenschap werden beperkt (vgl. supra, 8), betoogt Pfeifer & Langen dat zij mocht verwachten dat de Commissie zich gebonden zou gevoelen aan haar voormelde bekendmaking van 24 december 1962 — in plaats van Pfeifer & Langens agenten te rekenen tot de onafhankelijken —. Ten aanzien van de inschrijvingen voor de restituties bij uitvoer naar derde landen (vgl. supra, 9) betogen Générale sucrière, Say, Béghin en Sucres et Denrées dat zij, gezien het institutioneel kader waarin de exporttransacties plaats vonden en de controlerende bevoegdheid der Commissie op dit gebied in aanmerking genomen, zich niet konden voorstellen dat de gewraakte afstemming binnen de Gemeenschap een anticoncurrentieel effect kon sorteren. Bovendien wilden de ondernemingen in de liin blijven van de in het Gemeenschapsrecht omschreven doelstellingen.

bb) SZV betoogt dat geldboeten volgens artikel 15, lid 5, letter a) van verordening nr. 17 niet kunnen worden opgelegd voor gedragingen welke plaats hebben na de aanmelding bij de Commissie en vóórdat de Commissie een beschikking heeft genomen waarbij artikel 85, lid 3, van het Verdrag — eventueel — wordt toegepast. Uit 's Hofs jurisprudentie blijkt dat ondernemersafspraken die niet behoeven te worden aangemeld op dezelfde wijze dienen te worden be handeld als ondernemersafspraken die wel moeten worden aangemeld en ook zijn aangemeld. Volgens artikel 4, lid 2, nr. 1 van verordening nr. 17 zijn de litigieuze overeenkomsten van aanmelding vrijgesteld omdat zij „geen betrekking hebben op de invoer of de uitvoer tussen Lid-Staten”.

cc) Sommige verzoeksters wijzen erop, dat in considerans met betrekking tot het beginsel der geldboete-oplegging en het bedrag der boeten feitelijk onjuiste stellingen voorkomen: Eridania betwist de juistheid van de stellingen (beschikking blz. 44, 2e kol.) dat zij „de onderneming is geweest rond welke de Italiaanse importeursgroep zich heeft georganiseerd ten einde de verkoop in Italië van de in de andere Lid-Staten van de Gemeenschap geproduceerde suiker te controleren”; zij „de leveringsovereenkomsten met de Franse, Belgische en Zuidduitse leveranciers” zou hebben „nagestreefd en uitgewerkt”; zij „door de onderling afgestemde organisatie van deze leveringen haar … reeds zeer sterke positie op de Italiaanse markt nog verder heeft kunnen versterken”. Wat het eerste punt betreft: uit de teksten die op de bladzijden 57 en 58 van de mededeling worden aangehaald blijkt dat Eridania's rol beperkt is gebleven tot die van woordvoerder: van geval tot geval moest zij de door de buitenlandse ondernemers gedane voorstellen inzake af te sluiten verkooptransacties doorgeven aan de andere Italiaanse ondernemingen — die daarop konden reageren zoals hun juist leek —. De tweede stelling is geheel ongegrond en berust op heel zwak bewijsmateriaal. Wat het derde punt betreft: het is, in strijd met hetgeen de Commissie beweert, wel degelijk waar dat Eridania's positie er in de loop van de hierbedoelde jaren eerder op achteruit is gegaan, zowel in absolute zin als in verhouding tot de andere Italiaanse suikerondernemingen — dit wordt in de beschikking zelf erkend (blz. 19, r. kol.) —. Générale sucrière, Say en Béghin achten de stelling dat de gewraakte gedragingen zo ernstig zouden zijn omdat elke gedraging „ten gevolge” zou hebben „dat de mogelijkheden om suiker vrij en zonder controle van de nationale suikerproducenten uit andere Lid-Staten te betrekken, tot een minimum worden gereduceerd” (beschikking, blz. 44, 1. kol.), ten aanzien van de gedragingen die de Italiaanse markt betreffen onjuist. Béghin voegt daaraan toe dat dit zelfde ook voor de Zuidduitse markt geldt. Béghin betwist dat zij „het belangrijkste lid van de Belgische en Franse groep voor de uitvoer naar Italië was (beschikking, blz. 44, r. kol.): haar exporten naar Italië zijn maar een heel klein percentage van de transacties, vergeleken met die der gezamenlijke Franse en Belgische exporteurs.

dd) Volgens SZV blijkt uit de aan haar gewijde overwegingen (beschikking, blz. 45, r. kol.) dat de Commissie SZAG's gedrag gedeeltelijk ook aan haar, SZV, ten laste legt. Dat is ontoelaatbaar; haar meerderheidsbelang ten spijt neemt SZAG als gevolg van de statutair vastgelegde stemverdeling bij SZV's besluitvorming een minderheidspositie in.

###### 2. Samenvatting van de inhoud der verweerschriften

###### ad 1, aa)

Het antwoord der Commissie op dit middel ligt gedeeltelijk besloten in het hiervoor, A, a, 2, ad 1 aa) — ff) weergegeven betoog. De Commissie betoogt voorts het navolgende:

Zij antwoordt SZAG dat de beschikking niet berust op de opvatting dat de leveringen van fabrikant tot fabrikant op zichzelf een inbreuk behelzen, maar op het verbod van onderling afgestemde feitelijke gedragingen die een verdeling der markten ten doel of tot gevolg hebben.

In haar antwoord aan Industria degli zuccheri verklaart de Commissie dat deze vennootschap de restrictieve gevolgen waartoe de onderling afgestemde feitelijke gedraging voor de concurrentie geleid heeft, kende, althans moest kennen.

In haar antwoord aan SU betoogt de Commissie dat SU over het hoofd ziet dat Suiker Unie niet alleen wegens de aankoop van suiker bij andere producenten wordt bestraft. En wanneer SU niet willens en wetens mocht hebben gehandeld, dan meent de Commissie dat het zich niet bewust zijn van de concurrentiebeperkende aard der litigieuze gedragingen bij een bedrijf als dat van verzoekster van grove nalatigheid getuigt.

In haar antwoord aan CSM wijst de Commissie er op dat de vennootschap zich er, gezien de aard der betrokken gedragingen, redelijkerwijze van bewust moet zijn geweest dat zij er voortdurend op uit was om met behulp van niet-concurrentiële middelen potentiële concurrentie van importen uit andere Lid-Staten tegen te gaan.

In haar antwoord aan SZV spreekt de Commissie als haar oordeel uit dat de vraag naar de laakbaarheid van haar optreden moet worden beantwoord in samenhang met de omstandigheden waarin het plaats vond. De stelling dat SZV de getrouwheidskorting en de handel tussen Lid-Staten nooit met elkander in verband gebracht heeft, stuit af op het feit dat het tijdstip waarop de vennootschap het systeem dezer kortingen van Franken heeft overgenomen, met de invoering van de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt samenvalt. SZV's natuurlijke concurrenten op de Zuidduitse markt waren de Franse fabrikanten. Het moet er dus voor worden gehouden dat zij het kortingssysteem heeft ingevoerd om de verkoop van Franse suiker te belemmeren.

In haar antwoord aan Pfeifer & Langen wijst de Commissie er op dat zij bij de bepaling van de boete geen acht heeft geslagen op de overeenkomsten met de handelaren (vgl. beschikking, blz. 45); zij heeft alleen maar vastgesteld dat deze overeenkomsten, op zichzelf bezien, een inbreuk op artikel 85 behelzen.

###### ad 1, bb)

De Commissie betoogt dat zij niet had te beoordelen of SZV's zeventien handelsvertegenwoordigingsovereenkomsten ieder afzonderlijk onder artikel 85 vielen. Het ten deze vastgestelde misbruik was gelegen in het door SZV toegepaste systeem. Het is voor overtreding van artikel 86 niet nodig dat de betrokken handelingen ook bij toetsing aan een ander voorschrift, in casu artikel 85, onrechtmatig blijken te zijn. Het doet dus weinig ter zake of die overeenkomsten zijn aangemeld. Ook vergeet SZV dat de met kopers aangegane contracten waarin een clausule inzake de toekenning van de getrouwheidskortingen was opgenomen, niet aan artikel 85, doch aan artikel 86 zijn getoest. Maatregelen die misbruik van een machtspositie behelzen moeten noch kunnen worden aangemeld.

###### ad 1, cc), aaa)

In haar antwoord aan Eridania wijst de Commissie er op dat:

de groep onder Eridania meer dan een derde van de Italiaanse markt controleerde;

Eridania de leveringsovereenkomsten met de buitenlandse leveranciers heeft gezocht, erover heeft onderhandeld en ze ook heeft opgesteld;

de Italiaanse groep van fabrikantenimporteurs, bedoeld om de invoer naar — en de verkoop in — Italië van in andere landen der Gemeenschap geproduceerde suiker te controleren, rondom Eridania tot stand is gekomen;

Eridania dank zij voortdurende deelneming aan de inschrijvingen in de hierbedoelde verkoopseizoenen 41,2 % van de totale importen van de fabrikantengroep voor haar rekening heeft genomen.

###### ad 1, cc), bbb)

###### Vgl. supra, A, a, 2, ad 1, gg)

###### ad 1, cc), ccc)

De Commissie betoogt dat Béghin ongeveer 11,5 % van de Franse suikerproduktie controleert; met Sucre-Union, Say en Générale sucrière controleert zij 75 % dier produktie. Zij is in de groep der Franse en Belgische fabrikanten een der grootste producenten. Gezien de omvang der Exporten naar Italië ligt het voor de hand te veronderstellen dat zij zonder Béghins deelneming aan de afstemming veel groter zouden zijn geweest.

###### ad 1, dd)

De Commissie betoogt dat SZV niet een zelfstandige onderneming is, maar een „kartel-instituut van de erbij aangeslotenen”; deze laatsten zouden haar met de verkoop van hun produktie in Zuid-Duitsland hebben belast.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusie van repliek

###### ad 1, aa)

Générale sucrière, Say en Béghin wijzen er op dat de Commissie stilzwijgend is voorbijgegaan aan de vraag of de vennootschappen konden beseffen dat de gewraakte gedragingen de mededinging beperkten.

Industria degli zuccheri verwijst naar haar betoog inzake (het middel behelzende) schending van de procedurevoorschriften van verordening nr. 26 en het beginsel van de rechtszekerheid (vgl. supra, 1, A, d, 3). Wanneer zij gelijk heeft met haar opvatting dat de gestelde onderling afgestemde gedraging voorshands als geoorloofd is te beschouwen, dan had er op grond van de beginselen inzake rechtszekerheid en nonretroactiviteit geen geldboete kunnen worden opgelegd. Zou daarentegen moeten worden aangenomen dat dit standpunt niet meer houdbaar is sinds het Hof in zijn arrest van 6 februari 1973, zaak 48-72, Brasserie de Haecht, Jurispr. 1973, blz. 77) is „omgegaan”, dan zou het Hof rekening moeten houden met de stand der jurisprudentie op het tijdstip waarop de gewraakte feiten zich hebben voorgedaan — en de geldboete nietig moeten verklaren —.

Eridania voert een dergelijk betoog.

SU betoogt dat de bewering dat de boete haar niet alleen wegens aankoop van suiker bij andere producenten zou zijn opgelegd, niet valt te rijmen met andere passages van het verweerschrift, waaruit zij afleidde dat haar nu juist enkel werd verweten dat zij haar suikerbehoeften bij RT had gedekt.

Een onderneming die zich een geldboete ziet opgelegd heeft recht op een specifieke redengeving waarin met name wordt uitgemaakt of zij opzettelijk dan wel uit onachtzaamheid heeft gehandeld.

De Commissie tracht „bewust parallel gedrag” als inbreuk op artikel 85 te doen aanmaken. Mocht het Hof in strijd met het tot nu toe door de doctrine voorgestane standpunt deze opvatting tot de zijne maken en voorts menen dat leveringen van fabrikant tot fabrikant ipso facto met dit artikel onverenigbaar zijn, dan zou de geldboete niettemin moeten worden vernietigd omdat feiten en omstandigheden die opzet of onachtzaamheid behelzen, ontbreken.

Pfeifer & Langen antwoordt dat noch uit de overwegingen van de considerans noch uit het dispositief der beschikking valt af te lezen dat de Commissie de vennootschap niet wegens de overeenkomsten met handelaren zou hebben beboet. Mocht de Commissie haar zienswijze in zoverre hebben gewijzigd, dan zou dat voor het boetebedrag niet zonder gevolgen kunnen blijven.

###### ad 1, bh)

SZV blijft van mening dat de Commissie niet bevoegd was tot oplegging van boete wegens de met handelsvertegenwoordigers afgesloten contracten, ook niet al mochten die overeenkomsten schending van artikel 86 behelzen. Deze opvatting wordt niet ontzenuwd door de stelling der Commissie dat het misbruik zou zijn gelegen in het door SZV toegepaste „sys teem”. De Commissie schijnt haar te verwijten dat zij zich uitsluitend van handelsvertegenwoordigers heeft bediend en hun heeft verboden om in de desbetreffende verkoopzones ook voor anderen te werken. Al zou dit zo zijn, dan nog verbindt de Commissie daaraan rechtens onjuiste consequenties. Volgens 's Hofs jurisprudentie kan een overeenkomst die, op zichzelf beschouwd, niet met artikel 85 in strijd is, nochtans verboden zijn wanneer zij behoort tot een systeem van overeenkomsten dat op zijn beurt de mededinging merkbaar beperkt. Volgens die zelfde jurisprudentie kunnen de tot zulk een systeem behorende overeenkomsten en dat systeem als zodanig worden aangemeld, zelfs op de vereenvoudigde wijze die voor de aanmelding van een standaardcontract is voorzien (vgl. verordeningen nr. 27 van de Commissie van 3 mei 1962, PB blz. 1118 en de daarbij gevoegde formulieren).

Soortgelijke overwegingen gelden voor de contracten waarin toekenning van een getrouwheidskorting is voorzien. Contracten kunnen altijd worden aangemeld, om het even hoe hun inhoud uit een oogpunt van materieel recht moet worden beoordeeld. Zou SZV die contracten hebben aangemeld, dan zouden de voorschriften van verordening nr. 17 het de Commissie onmogelijk hebben gemaakt de vennootschap, al ware het krachtens artikel 86, een geldboete op te leggen.

###### ad 1, cc)

Béghin betoogt dat, ter motivering van de aan haar opgelegde boete, in de beschikking ten onrechte gewicht is gehecht aan de grootte van haar onderneming, vergeleken met die der andere bedrijven die suiker aan Italië exporteren. Door met haar totale omzet en niet met de omvang van haar exporten naar Italië te rade te gaan heeft de Commissie verordening nr. 17 geschonden.

###### ad 1, dd)

SZV antwoordt dat zij niet een „kartelinstituut der bij haar aangeslotenen” is, doch een onafhankelijke onderneming die op eigen naam en voor eigen rekening de suiker verkoopt die zij bij de aangesloten bedrijven heeft ingekocht.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van dupliek

De Commissie antwoordt als volgt:

###### ad 1, aa)

Zij brengt tegen het betoog van Générale sucrière, Say en Béghin in dat deze vennootschappen met hun goed geïnformeerde juridische adviseurs moeten hebben geweten dat de gemeenschappelijke ordening der markten mededinging verlangt. Met betrekking tot de Italiaanse markt is het ter weerlegging van het argument der verzoeksters voldoende er op te wijzen dat duidelijk is gebleken van afstemming — en van de restrictieve aard dier afstemming —, en wat de inschrijvingen voor de restituties betreft zij opgemerkt dat zij er al evenmin onkundig van konden zijn dat de afstemming de mededinging juist daar waar zij zich moest ontplooien heeft beperkt.

In antwoord op het betoog van Pfeifer & Langen beroept de Commissie zich op de passage van de beschikking (blz. 43, 2e kol.) volgens welke „de maatregelen die enige betrokkenen ten aanzien van de handelaren … (zie punt II, E …) getroffen hebben voor het vaststellen van de boete moeten beoordeeld worden in samenhang met de onderling afgestemde feitelijke gedragingen waaraan betrokkenen hebben deelgenomen (punt II, A tot D)”. Dat wil zeggen dat de door Pfeifer & Langen gesloten vertegenwoordigingsovereenkomsten slechts in verband met de afscherming der markten in aanmerking zijn genomen. „Er zijn aan betrokkenen dus geldboeten opgelegd ter zake van de maatregelen die gezamenlijk leidden tot de gevolgtrekking dat er op afscherming van de markten gerichte feitelijke gedragingen onderling waren afgestemd en niet ter zake van de verschillende maatregelen die, ook op zichzelf beschouwd, eveneens als inbreuken zijn te beschouwen.”

In antwoord aan SU betoogt de Commissie dat SU vergeet dat onderling afge stemde feitelijke gedragingen in artikel 85 ook worden verboden wanneer zij alleen maar een verdeling der markten ten gevolge hebben. De gewraakte handelingen kunnen reeds naar hun aard alleen maar opzettelijk zijn begaan. Het ontbreken van een anticoncurrentiële bedoeling is weinig aannemelijk wanneer het gaat om transacties tussen fabrikanten die potentiële concurrenten zijn en waarbij RT bij voorbeeld zakken met de naam SU, die door SU aan RT waren toegezonden, heeft gevuld. SU wist dat de van RT komende partijen haar in staat stelden te voldoen aan een vraag waarvoor men anders bij andere leveranciers had moeten aankloppen. — De kwalificatie van SU's gedrag, zoals die in de beschikking is te vinden, is geenszins een novum. De boete wordt niet opgelegd ter zake van de aankoop van suiker op zichzelf, doch wegens de verstoring van de structuur van het aanbod op de Nederlandse markt die daarmede in casu onlosmakelijk verbonden was.

###### ad 1, bb)

SZV ziet er aan voorbij dat de geldboeten „niet wegens de in artikel 1, lid 2, 3 (der beschikking) voorkomende vaststellingen, maar wegens de onderling afgestemde feitelijke gedragingen” zijn opgelegd — dit blijkt uit hetgeen op bladzijde 43 (r. kol.) van de beschikking is overwogen.

###### ad 1, cc)

Volgens artikel 15 van verordening nr. 17 dient ter bepaling van het bedrag van de geldboete te rade te worden gegaan met de totale omzet van de betrokken onderneming en niet met de omzetcijfers die op de gewraakte handelingen betrekking hebben.

###### b) Alle verzoeksters:

###### Onbillijkheid der boeten, principieel en kwantitatief

###### 1. Samenvatting van de inhoud der verzoekschriften

aa) Sommige verzoeksters beklagen zich erover dat de Commissie toen zij besloot een geldboete vast te stellen en het boetebedrag bepaalde, hen strenger heeft behandeld dan andere ondernemingen die zich in een vergelijkbare positie bevonden: Générale sucrière, Say, Béghin, RT en CSM wijzen erop dat in vroegere zaken veel lagere boeten zijn opgelegd. RT en CSM voegen eraan toe dat er in die zaken ernstiger feiten waren gepleegd dan in casu bewezen kunnen worden geacht. Sommige verzoeksters treffen een vergelijking met de behandeling die de Commissie andere suikerondernemingen, onder meer Sucre-Union — die niet werd beboet —, ten deel heeft doen vallen. SZAG betoogt dat zij ten aanzien van de leveringen naar Italië een rol van „outsider” gespeeld heeft. Industria degli zuccheri wijst er op dat de Commissie de Italiaanse fabrikanten maar één feit ten laste legt en hun geen inbreuken op artikel 86 van het Verdrag heeft verweten. Eridania maakt er bezwaar tegen dat de haar opgelegde boete 60 % bedraagt van de boeten die in totaal aan de Italiaanse ondernemingen zijn opgelegd, hetgeen geenszins beantwoordt aan de positie die zij temidden van de anderen inneemt. Vergelijkenderwijs: Sucre-Union is de grootste Franse fabrikant en exporteur. SU betoogt dat zij haar bedrijf pas sedert 2 januari 1971 uitoefent, zodat haar alleen maar gedragingen die in het verkoopseizoen 1971/1972 vallen, zouden mogen worden verweten. De duur der inbreuken blijft dan tot een erg korte periode beperkt en zij dient dus op grond van het gelijkheidsbeginsel van boete-oplegging te worden vrijgesteld. CSM acht de haar opgelegde boete in verhouding tot de boete van andere ondernemingen te hoog, gelet op de omzetten van die ondernemingen en de ernst en het aantal der in de beschikking vermelde overtredingen. SZV wijst er op dat de Commissie heeft gemeend aan WZV en Pfeifer & Langen ter zake van de in hun vertegenwoordigingsovereenkomsten opgenomen mededingingsverboden geen boete te moeten opleggen. Dat zij het gedrag dezer ondernemingen aan artikel 85 en dat van SZV aan artikel 86 heeft getoest, vermag een dergelijk verschil in behandeling niet te rechtvaardigen. SZAG en SZV wijzen erop dat geldboeten in Duitsland, anders dan in andere Lid-Staten het geval is, niet fiscaal aftrekbaar zijn. De Commissie had daarmede bij de bepaling van het boetebedrag rekening moeten houden. Het Hof heeft dit standpunt weliswaar verworpen, doch dit lijkt alleen maar juist zolang de boeten bescheiden blijven, hetgeen in casu niet het geval is.

bb) Verschillende verzoeksters achten de boete ongerechtvaardigd of onevenredig hoog, in aanmerking genomen de beperkte omvang en de betrekkelijk geringe ernst der gewraakte handelingen, dan wel het feit dat zij geen schadelijke gevolgen zouden hebben gehad. Emiliana, RT, Sucres et Denrées, Industria degli zuccheri, SU, CSM en Pfeifer & Langen betogen dat hun prijzen zo matig waren dat zij van de litigieuze gedragingen geen onrechtvaardig gewin hebben gehad. RT, Sucres et Denrées en SU betogen met name dat het boetebedrag slechts kan worden vastgesteld naar rato van het voordeel dat men van het ongeoorloofd gedrag heeft gehad. Dat volgt naar de mening van SU uit het verband dat in artikel 15 van verordening nr. 17 wordt gelegd tussen de omzet der onderneming en bedoeld bedrag. Sucres et Denrées wijst er voorts op dat de Italiaanse verbruikers zelfs van de gewraakte gedragingen hebben geprofiteerd: de transportkosten konden worden verlaagd en een geregelde voorziening der verbrui kers werd mogelijk. Pfeifer & Langen wijst erop dat de verbruikers in haar voornaamste verkoopgebied in staat waren suiker te kopen tegen prijzen die niet wezenlijk verschilden van de prijzen die tien jaar geleden werden berekend, en dat nog wel ondanks de aanmerkelijke stijging der produktiekosten. RT betoogt met betrekking tot de duur der inbreuken dat — wat haar betreft — geen der in de beschikking genoemde stukken betrekking heeft op het verkoopseizoen 1968/1969, uitgezonderd de negatieve antwoorden op de verzoeken om levering van Nederlandse ondernemers, die hun rechtvaardiging vonden in het feit dat RT toen geen suiker in voorraad had en zelf uit Nederland heeft moeten invoeren. Sucres et Denrées betoogt dat de mededinging van de hierbedoelde feiten maar matig te lijden heeft gehad. Voorts is zij, wat de verkopen in Italië betreft, alleen maar opgetreden als commissiehandelaar; haar provisie hing af van de geleverde hoeveelheden en niet van de bedongen prijs; bij de prijsvorming had zij dus geen enkel rechtstreeks belang. SADAM stelt vast dat de enige rechtshandeling ter zake waarvan de Commissie haar een verwijt gemaakt heeft, het met de vennootschap Ferrero afgesloten contract is — betreffende de levering van 1500000 kg uit andere Lid-Staten ingevoerde suiker —. SZAG betoogt dat Sucre-Union, naar uit de op bladzijde 45 (r. kol.) der beschikking voorkomende overwegingen blijkt, aan de afstemming met SZAG geen uitvoering heeft gegeven. Wegens een — nog wel voortijdig beëindigde — poging mag geen straf worden opgelegd; op zijn minst moet de geldboete worden verlaagd omdat de afstemming geen ernstige gevolgen heeft gehad.

cc) Sommige verzoeksters stellen dat de boete niet in een juiste verhouding staat tot hun economische positie. Volano betoogt dat zij maar een kleine onderneming is die zich in het tijdvak waarop de beschikking betrekking heeft voortdurend in moeilijkheden bevond. Sucres et Denrées wijst erop dat zij geen fabriek exploiteert en dat de boete, gemeten aan haar marktaandeel, niet gerechtvaardigd is. SADAM betoogt dat zij maar een onbelangrijk deel van de Italiaanse markt controleert en de concurrentie dus niet heeft kunnen beperken. Ook Cavarzere betoogt dat haar bedrijf, vergeleken met de gezamenlijke Italiaanse fabrikanten, van bescheiden omvang is. CSM meent dat de boete te hoog is, wanneer men deze vergelijkt met haar marktaandeel en haar minder grote invloed op de nationale markt in aanmerking neemt. Pfeifer & Langen meent dat door de vaststelling dat zij „door haar produktie en haar invloed in de WZV de belangrijkste onderneming van het westelijk deel van Duitsland is” (beschikking, blz. 45, 1. kol.) een onjuiste indruk van de ware omvang van haar bedrijf wordt gewekt.

dd) Verschillende verzoeksters menen dat de institutionele of economische samenhang der gewraakte handelingen op zijn minst verzachtende omstandigheden opleveren. RT, Sucres et Denrées, Cavarzere, Industria degli zuccheri en CSM betogen dat die handelingen moeten worden bezien in verband met de draagwijdte en de gevolgen van de communautaire c.q. nationale ordening. RT en Sucres et Denrées betogen dat het dirigistische stelsel dat zowel door de Gemeenschap als door Italië in het leven is geroepen, maar heel weinig — zich voor beperking lenende — mededinging heeft laten bestaan. Sucres et Denrées voegt hieraan toe dat de Commissie en Italië gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de gedra gingen met betrekking tot de Italiaanse markt; de Commissie is ook verantwoordelijk voor de gedragingen met betrekking tot de exportrestituties — omdat zij de goede gang van zaken bij toekenning dier restituties heeft verstoord —. Cavarzere verzoekt het Hof ook rekening te houden met de „bijzondere voorwaarden waaronder de Italiaanse markt werkt”. Industria degli zuccheri betoogt dat de gewraakte handelingen zonder de Italiaanse regeling niet zouden hebben plaats gehad. CSM betoogt dat de EEG-suikerregelingen niet gericht zijn op het bevorderen van een zo hevig mogelijke concurrentie en een zo groot mogelijke tussenstaatse handel. RT betoogt dat haar gedrag haar werd opgelegd door de omvang van haar overschotten en het ontbreken van een verkooporganisatie in het buitenland.

ee) RT en Eridania wijden met een beroep op artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, beschouwingen aan de wijze waarop de omzet van de betrokken onderneming met het oog op de vaststelling van de geldboete moet worden bepaald. RT betoogt dat de Commissie slechts de omvang der litigieuze transacties in aanmerking mocht nemen; van haar verkopen dienen dus de transacties betreffende ruwe suiker en die op de Belgische en Italiaanse markt en op de markten van derde landen buiten beschouwing te worden gelaten. Eridania betoogt dat de Commissie, voor zover zij bij de boetebepaling met Eridania's omzet te rade is gegaan, rekening had moeten houden: met een aantal zware fiscale lasten die wel op Italiaanse ondernemingen en niet of in mindere mate op ondernemingen in andere Lid-Staten drukken; met het feit dat de omzet van die ondernemingen door de „sovrapprezzo” wordt „opgeblazen”; met het feit dat Eridania ook in andere sectoren dan de suikersector werkzaam is en dat die activiteiten ten deze buiten beschouwing moeten blijven.

ff) RT, Industria degli zuccheri en SZV betogen dat de Commissie het doel dat haar in de beschikking voor ogen stond met minder vergaande middelen had kunnen bereiken. RT betoogt dat de Commissie haar vóór de mededeling nimmer heeft gewaarschuwd, ofschoon zij de Commissie — overigens tevergeefs — om een onderhoud had verzocht met de bedoeling bepaalde richtlijnen voor haar verkooppolitiek te krijgen. Industria degli zuccheri meent dat de Commissie er mede had kunnen volstaan beëindiging van de gewraakte gedragingen — op straffe van een dwangsom — te gelasten. SZV wijst er op dat zij reeds vóór de beschikking definitief van de toekenning van getrouwheidskortingen had afgezien.

gg) RT verzoekt het Hof de overlegging te gelasten van het procesverbaal van verhoor van het in artikel 10 van verordening nr. 17 bedoelde Adviescomité — waaruit kan blijken of het over het bedrag der geldboete is geraadpleegd en in welke zin het te dien aanzien heeft geadviseerd —.

###### 2. Samenvatting van de inhoud van de verweerschriften

###### ad 1, aa), aaa)

De Commissie antwoordt dat zij de eerste geldboeten in juli 1969 heeft opgelegd. Inmiddels is het ogenblik gekomen om duidelijk te maken dat zij voornemens is voortaan strenger tegen inbreuken op de mededingingsregelen op te treden. Niettemin heeft zij in de onderhavige gevallen slechts matige boeten opgelegd, waarmee zij ver beneden de maxima blijft die zij volgens artikel 15 van verordening nr. 17 had mogen opleggen. Met name:

zijn de aan Générale sucrière, Say en Béghin opgelegde boeten telkens minder dan 1 % van de omzet der betrokken vennootschap; de aan RT opgelegde boete bedraagt nog geen 2 % van de omzet;

zijn de aan Générale sucrière, Say en Béghin opgelegde boeten gesteld op veel lagere bedragen dan de boete van RT; de Commissie heeft er rekening mee willen houden dat de aansprakelijkheid van de drie eerstgenoemde vennootschappen minder zwaar was en dat Générale sucrière naar Italië ook voor onafhankelijke kopers bestemde partijen heeft uitgevoerd;

had de aan CSM opgelegde boete waarschijnlijk hoger moeten uitvallen wanneer de Commissie rekening had gehouden met de schade welke deze onderneming aan de verbruikers heeft berokkend;

is bij de oplegging van een boete aan RT in aanmerking genomen dat zij er in belangrijke mate voor aansprakelijk is te stellen dat het op de gehele gemeenschappelijke markt tot de gewraakte gedragingen is gekomen en te rade gegaan met haar economisch belang en haar machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt.

###### ad 1, aa), bbb)

In haar antwoord op het betoog van SZAG stelt de Commissie dat de door deze vennootschap begane inbreuk bijzonder ernstig is omdat zij het vrije verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt heeft belet. Sucre-Unions gedrag is in zijn totaliteit beoordeeld; bij haar handelsactiviteit in Italië en Nederland is deze onderneming ten dele onafhankelijk opgetreden.

In haar antwoord op het betoog van Industria degli zuccheri wijst de Commissie erop dat zij met de ernst der aan deze vennootschap te wijten inbreuk rekening moest houden; die ernst berustte met name op het bijzonder belang van suiker voor de consument en op het feit dat genoemde inbreuk aan de verwezenlijking van een der fundamentele doelstellingen van het Verdrag in de weg heeft gestaan en de gebruikers heeft geschaad, met name doordat zij in hun keuzemogelijkheden werden beperkt. De aan Industria degli zuccheri opgelegde boete was lager dan 1 % van haar omzet.

In haar antwoord op het betoog van SU legt de Commissie er de nadruk op dat de handelingen dezer vennootschap ten dele tot gevolg hebben gehad dat het niveau van de suikerprijs in Nederland onnodig hoger bleef dan in het naastbijgelegen gebied met een overschot; er moeten voor SU wel aanzienlijke voordelen aan verbonden zijn geweest.

In haar antwoord op het betoog van CSM stelt de Commissie dat bij het vaststellen der aan de onderscheiden ondernemingen op te leggen geldboeten zeer zorgvuldig naar evenredigheid is gestreefd en zo objectief mogelijk is tewerkgegaan.

###### ad 1, aa), ccc)

De Commissie behoefde met het belastingregime der verschillende Lid-Staten op het stuk van geldboeten geen rekening te houden. De door SZAG en SZV genoemde jurisprudentie van het Hof geldt onafhankelijk van het boetebedrag.

###### ad 1, bb) aaa)

In haar antwoord op het betoog van Emiliana, Industria degli zuccheri en Pfeifer & Langen bedient de Commissie zich in hoofdzaak van dezelfde of soortgelijke argumenten als hiervoor onder 1, aa), bbb) zijn weergegeven (antwoord aan Industria degli zuccheri).

In het bijzonder ingaand op de posita van Emiliana merkt de Commissie op dat deze firma zich steeds solidair met de importeursgroep heeft gedragen, waarbij zij, ofschoon in mindere mate dan Eridania, Industria degli zuccheri en Cavarzere, heeft geprofiteerd van de resultaten der inschrijvingen waaraan zij behalve in twee gevallen steeds heeft deelgenomen en behoudens één uitzondering dezelfde „sovrapprezzo”-quota heeft geboden als de andere tot de groep behorende ondernemingen.

Zij zag zich ongeveer 5 % van de totale hoeveelheid die aan leden van de groep werd gegund, toegewezen. De haar opgelegde geldboete bedroeg nog geen 1 % van haar omzet.

In haar antwoord aan RT en aan Sucres et Denrées betoogt de Commissie dat het argument dat deze vennootschappen bij hun exporten de interventieprijs er niet zouden hebben uitgehaald, in de beschikking is rechtgezet.

In verordening nr. 17 wordt het boetebedrag niet in verband gebracht met het voordeel dat men met het ongeoorloofd gedrag mocht hebben behaald; alleen de ernst van de inbreuk geeft de doorslag.

In het bijzonder ingaand op de posita van Sucres et Denrées legt de Commissie er de nadruk op dat de stelling dat de onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot de Italiaanse markt niet tot voor de gebruikers schadelijke resultaten zouden hebben geleid, niet ter zake dienende is, nu bedoelde gedragingen niet bij de Commissie zijn aangemeld.

Voor de argumenten van SU: vgl. supra, ad 1, aa), bbb), antwoord aan SU.

Voor de argumenten van CSM: vgl. supra, ad 1, aa), aaa), antwoord aan CSM. In het bijzonder ingaand op de posita van Pfeifer & Langen betoogt de Commissie dat de aan deze vennootschap opgelegde geldboete, die tussen 0,1 % en 1 % van haar omzet ligt, veel lager is dan de boete van RT, waaruit wel blijkt dat de Commissie haar aansprakelijkheid minder groot heeft geacht.

###### ad 1, bb), bbb)

De Commissie antwoordt dat zij wel degelijk bewijs heeft geleverd voor de inbreuken die zij aan RT ook met betrekking tot het verkoopseizoen 1968/1969 ten laste heeft gelegd (onderling afgestemde feitelijke gedraging ten aanzien van de Nederlandse markt; misbruik van een machtspositie). De weigeringen om naar Nederland te exporteren kunnen niet worden gerechtvaardigd met de bewering dat RT destijds over te weinig voorraad zou hebben beschikt: de Belgische voorraden waren aanzienlijk en RT heeft terzelfder tijd wel suiker geleverd aan SU.

###### ad 1, bb), ccc)

De Commissie betoogt dat het aan Sucres et Denrées opgelegde boetebedrag, minder dan 1 % van haar omzet, veel geringer is dan de boete van RT; de Commissie heeft er dus rekening mede gehouden dat Sucres et Denrées' aansprakelijkheid minder groot was.

De rol van de onderneming als onafhankelijk suikerhandelaar was zeer belangrijk. Men mag, wat de exporten naar Italië betreft, aannemen dat zij gemiddeld 250000 ton per jaar verhandelt. In haar antwoord op de mededeling heeft Sucres et Denrées opgegeven dat deze exporten 15 % van haar totale omzet uitmaken, waaruit mag worden afgeleid dat de totale hoeveelheid die zij jaarlijks verhandelt, ten minste 1700000 ton bedraagt. Zij is ook een der grootste voedingsmiddelenbedrijven ter wereld.

###### ad 1, bb), ddd)

De Commissie herinnert aan de overwegingen die zij in haar beschikking aan de principiële juistheid van de oplegging van een geldboete aan SADAM — en aan het bedrag dier boete — heeft gewijd.

###### ad 1, bb), eee)

###### Vgl. supra, ad 1, aa), bbb), antwoord aan SZAG

###### ad 1, cc), aaa)

Volano's eventuele financiële moeilijkheden vermogen de door haar begane inbreuk niet te rechtvaardigen. Voor zover de Commissie weet, vertoonde de balans dezer vennootschap per 31 december 1972 trouwens een voordelig saldo van netto 9057910 lire.

###### ad 1, cc), bbb)

Vgl. supra, ad 1, bb), ccc), antwoord aan Sucres et Denrées.

###### ad 1, cc,) ccc)

SADAM's economische positie op de Italiaanse markt heeft haar in staat gesteld de aldaar bestaande mededingingsmogelijkheden uit te buiten. Zij heeft steeds met de groep meegedaan en, ofschoon in mindere mate dan Eridania, Industria degli zuccheri en Cavarzere, geprofiteerd van de resultaten der inschrijvingen waarbij zij slechts één keer verstek heeft laten gaan en overigens steeds dezelfde „sovrapprezzo”-quota heeft geboden als de andere leden van de groep.

Het kwantum suiker dat zij zich zag toegewezen beliep 6,3 % van de totale hoeveelheid die aan de leden der groep is toegewezen. De aan SADAM opgelegde boete bedraagt nog niet 1 % van haar omzet.

###### ad 1, cc), ddd)

De Commissie bedient zich van soortgelijke argumenten als hiervoor onder 1 cc), ccc) zijn gereleveerd en wijst er op dat aan Cavarzere14,1 % van de hoeveelheid die aan de leden van de betrokken groep werd toegewezen, is gegund. De Commissie heeft Cavarzere niet haar gehele produktie noch ook alle activiteiten van de „gruppo padano” aangerekend.

###### ad 1, dd), aaa)

Het antwoord der Commissie ligt in haar hiervoor samengevat betoog besloten.

###### ad 1, dd), bbb)

Hetzelfde geldt ook hier. De Commissie wijst er voorts op dat RT er zich niet rechtsgeldig op kan beroepen dat zij in het buitenland geen verkooporganisatie had: het inrichten van zo'n organisatie is juist door de gewraakte gedragingen bemoeilijkt.

###### ad 1, ee)

In haar antwoord aan RT wijst de Commissie er op dat in artikel 15 van verordening nr. 17 met zoveel woorden wordt gesproken van „de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar”.

###### ad 1, ff)

In haar antwoord aan RT betoogt de Commissie dat het onderzoek dat haar inspecteurs op grondslag van artikel 14 van verordening nr. 17 hebben verricht, op 12 januari 1971 in aanwezigheid van twee bestuursleden van RT op de plaats van vestiging van de vennootschap is aangevangen. In hun opdracht was doel en onderwerp van het onderzoek omschreven en uitdrukkelijk gewag gemaakt van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag. Bij beschikking van 28 juli 1971 heeft de Commissie aan RT een boete opgelegd omdat zij bij bedoeld onderzoek onvoldoende stukken had overlegd. Bij brief van 31 mei 1972 heeft de Commissie RT medegedeeld dat er tegen haar een procedure ex artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 was ingeleid. In haar brief van 20 augustus 1971 heeft RT de Commissie gevraagd om een „onderhoud met de functionarissen tot wier bevoegdheid ons beleid met betrekking tot het suikerverkeer binnen de Gemeenschap behoort, zulks met het oog op een oplossing der vraagstukken die de Commissie schijnen te verontrusten”. De Commissie was echter niet verplicht op een dergelijk verzoek in te gaan. Zij heeft de procedure voortgezet binnen het raam — en met inachtneming van de grenzen — haar gesteld in de verordeningen nrs. 17 en 99/63.

In haar antwoord aan SZV betoogt de Commissie dat het feit dat deze onderneming naderhand heeft ingezien dat het beter was de getrouwheidskorting in te trekken, niet medebrengt dat het verwijt zich aan een opzettelijke inbreuk te hebben schuldig gemaakt, haar niet langer treft.

###### ad 1, gg)

Het Adviescomité is op zijn vergadering van 5 december 1972 inderdaad over de aan RT op te leggen boete geconsulteerd.

###### 3. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van repliek

###### ad 1, aa), aaa)

Ten aanzien van de gronden welke de Commissie aanvoert ten betoge dat er in casu terecht hogere boeten zijn opgelegd dan in eerdere zaken het geval was, bepalen verzoeksters hun standpunt als volgt:

Volgens Générale sucrière, Say, Béghin en Sucres et Denrées is het een eis van rechtvaardigheid wegens feiten van vergelijkbare zwaarte ook vergelijkbaar zware straffen op te leggen. Om haar bedoelingen te verduidelijken stonden de Commissie tal van andere middelen ten dienste, door haar handelwijze wist zij het verschil tussen waarschuwing en strafoplegging uit.

Indusria degli zuccheri wijst er op dat de Commissie zelf heeft toegegeven dat de eerste in eerdere zaken opgelegde boeten in 1969 zijn gevallen; en de periode die in de onderhavige zaken in aanmerking is genomen, is in 1968 aangevangen.

Pfeifer & Langen betoogt dat de in eerdere zaken opgelegde boeten zijn opgelegd aan ondernemingen met een veel groter bedrijf dan het hare. Bovendien was de vrijheid van handelen dier ondernemingen niet aan banden gelegd door regelingen als die welke voor de gemeenschappelijke markt in de suikersector kenmerkend zijn.

Eridania voert een dergelijk betoog als Industria degli zuccheri en Pfeifer & Langen. Zij wijst er bovendien op dat de verbruikers in casu, anders dan in eerdere gevallen, in het geheel niet zijn benadeeld; boeten moeten in beginsel dienen om door inbreuk verkregen ongeoorloofde winst af te romen.

###### ad 1, aa), bbb)

SU betoogt dat de Commissie uitgaat van de onjuiste premisse dat de berekende prijzen zouden hebben gelegen op het niveau vermeld in de catalogi van SU en CSM, dat wil zeggen 3 à 7 % boven de interventieprijs. In werkelijkheid waren ze maar 1/3 à 5/8 % hoger dan de interventieprijs.

CSM betoogt dat de aan SU en aan haarzelf opgelegde geldboeten staan in een verhouding van 4 tot 3, terwijl beider marktaandeel 63 %, onderscheidenlijk 37 % bedraagt.

Eridania stelt dat de aan haar opgelegde boete op grond van hetgeen zij hiervoor sub 1 heeft betoogd, op zijn minst moet worden verlaagd.

###### ad) 1, bb), aaa)

Emiliana betoogt dat zij als slachtoffer moet worden beschouwd en niet bewust heeft meegedaan. Zij was destijds een kleine onderneming.

RT betoogt dat de Commissie er in haar eerste rapport over het mededingingsbeleid op heeft gewezen dat ondernemingen die zich lenen voor anticoncurrentiële gedragingen en aldus de belangen der verbruikers ernstig benadelen, met zware geldboeten moesten rekenen. De aan RT opgelegde boete is dermate zwaar dat men een gedetailleerde uiteenzetting omtrent de aan verbruikers toegebrachte schade zou verwachten. Doch niets daarvan, en geen wonder: er was van zulke schade geen sprake.

Industria degli zuccheri betoogt dat de hierbedoelde gedragingen hebben geleid tot de in artikel 85, lid 3, van het Verdrag bedoelde gunstige gevolgen. Konden zij bij gebreke van aanmelding niet onder deze uitzonderingsbepaling worden gebracht, dan dienen die gevolgen met het oog op de boete nochtans in aanmerking te worden genomen. De Commissie had voorts met het „schrale gewin” van de Italiaanse ondernemingen rekening moeten houden.

CSM meent dat de Commissie er niet in geslaagd is te bewijzen dat het niveau van de prijzen af fabriek in Nederland zich anders zou hebben ontwikkeld wanneer de gewraakte gedragingen achterwege waren gebleven.

###### ad 1, bb), ccc)

Sucres et Denrées antwoordt dat de cijfers van de Commissie niet alleen ter rechtvaardiging van het boetebedrag ontoereikend, doch ook niet juist zijn of verkeerd worden uitgelegd. In de hierbedoelde verkoopseizoenen schommelden de hoeveelheden suiker die voor de Italiaanse markt bestemd waren en waarvan de levering door Sucres et Denrées werd gecentraliseerd en gecoördineerd, tussen de 65000 en 200000 ton. Het cijfer 1700000 is al evenmin juist; bovendien heeft de Commissie verzuimd er bij te zeggen dat de meeste transacties van de vennootschap niet op de gemeenschappelijke markt betrekking hadden.

###### ad 1, cc), aaa)

Volano betoogt dat wanneer zij inderdaad op het voorstel van Eridania en andere fabrikanten om gebruik te maken, van de hierbedoelde leveringsmogelijkheden is ingegaan, zodanige aanvaarding slechts bij gelegenheid en in beperkte mate heeft plaatsgevonden, doch wel van wezenlijke betekenis voor haar is geweest tot op het tijdstip waarop haar bedrijfsvoering niet meer rendabel bleek — zodat zij zich uit de suiker heeft teruggetrokken —.

###### ad 1, cc), ccc)

SADAM betoogt dat de hiervoor weergegeven overwegingen logenstraffen dat haar economische positie op de Italiaanse markt haar in staat zou hebben gesteld de aldaar bestaande concurrentiemogelijkheden uit te buiten. Zij betwist ook de stellingen van de Commissie betreffende haar „meedoen” met de importeursgroep en het profijt dat zij via de inschrijvingen zou hebben behaald.

SADAM bevindt zich om door haar gedetailleerd uiteengezette redenen in een hachelijke positie.

Het boetebedrag gaat ver uit boven de nettowinsten die zij bij de onderhavige transacties heeft gemaakt. Het is onbillijk bij de bepaling van de boete alleen met het factuurbedrag te rade te gaan — en niet ook rekening te houden met de kosten van herstructurering, de verschillende afschrijvingen en de onvoldoende winsten —.

In vroegere zaken heeft de Commissie alleen de belangrijkste van de betrokken ondernemingen beboet.

###### ad 1, ff)

Volgens Industria degli zuccheri kan het feit dat de inbreuk drie jaren zou hebben geduurd, geen strafverzwarende omstandigheid opleveren, nu de Commissie in staat zou zijn geweest die duur aanzienlijk te verkorten door de ondernemingen op straffe van een dwangsom te gelasten de gewraakte gedragingen onverwijld te beëindigen dan wel door de in artikel 12 van verordening nr. 17 omschreven procedure (onderzoek in de bedrijfstak) te volgen.

###### ad 1, gg)

RT wijst er op dat de Commissie zich in het geheel niet heeft uitgelaten over het advies van het Adviescomité inzake het bedrag der op te leggen boeten. Het moet er dus voor worden gehouden dat het ongunstig heeft geluid. RT vraagt het Hof de overlegging ervan te gelasten; een zelfde verzoek wordt gedaan door Eridania.

###### 4. Samenvatting van de inhoud van de conclusies van dupliek

De Commissie antwoordt als volgt:

###### ad 1, algemeen

In antwoord op Eridania, Cavarzere, Industria degli zuccheri, SADAM en Emiliana betoogt de Commissie met betrekking tot de ernst der opgelegde geldboeten dat de boete niet alleen als strafmaatregel een zeer belangrijke rol speelt, doch ook omdat zij inbreuken minder aan trekkelijk maakt. Dit geldt vooral binnen de Gemeenschap: de middelen die haar ten dienste staan om het gedrag der ondernemingen voortdurend nauwlettend in het oog te houden zijn veel beperkter dan die welke op de enige voor vergelijking in aanmerking komende markt, die der Verenigde Staten aan de aldaar met het toezicht op de naleving der mededingingsregelen belaste gezagsorganen ter beschikking zijn gesteld. — De onderhavige inbreuken zijn van de meest ernstige soort: zij waren er op gericht een nationale markt van die der Gemeenschap te scheiden, hetgeen indruist tegen een harer wezenlijke doelstellingen: de totstandbrenging van één enkele markt. — Mogen de boetebedragen in absolute cijfers hoog lijken, het wordt anders wanneer men met de omvang der betrokken ondernemingen en hun omzetten rekening houdt.

Al met al kan worden gezegd dat wanneer op een tijdstip waarop het mededingingsbeleid van de Gemeenschap eenmaal de beginfase achter zich heeft, een boete in een orde van grootte van 1 % van de omvang voor een zo ernstige inbreuk te zwaar zou moeten worden geacht, bezwaarlijk valt in te zien wanneer de Commissie zo'n boete dan wel zou kunnen opleggen — laat staan boeten tot het in verordening nr. 17 gestelde maximum —. De bevoegdheden die zij aan deze bepaling ontleent, zouden dan eigenlijk het gevaar lopen wezenlijk te worden beperkt, hetgeen jegens de kleine ondernemingen onbillijk zou kunnen blijken te zijn en vooral ernstig afbreuk zou kunnen doen aan de doorwerking van het mededingingsbeleid.

###### ad 1, aa), aaa)

In antwoord op Générale sucrière, Say, Béghin en Sucres et Denrées betoogt de Commissie dat naar gelang de mededingingsregelen bij de ondernemingen beter bekend worden, inbreuken als de onderhavige minder verschoonbaar en dus ernstiger worden. Niet zozeer beginselverklaringen als wel beschikkingen zijn het beleidsmiddel bij uitstek om die rege len tot toepassing te doen komen. De Commissie heeft trouwens in andere zaken boeten ten belope van 1 % van de omzet der betrokken ondernemingen opgelegd, zodat de in casu opgelegde boeten nog betrekkelijk laag zijn te achten.

In haar antwoord aan Eridania en Industria degli zuccheri wijst de Commissie er op dat de eerste geldboeten die zij — in juli 1969 — heeft opgelegd, betrekking hadden op inbreuken waarmede jaren tevoren een aanvang was gemaakt. Verzoeksters zijn er mede begonnen aan het einde van het verkoopseizoen 1968/1969 of wel in 1969, toen van een „begin”-periode niet meer kon worden gesproken.

###### ad 1, aa), bbb)

In haar antwoord aan SU zet de Commissie gedetailleerd uiteen waarom zij haar standpunt met betrekking tot het niveau der in Nederland en België berekende prijzen handhaaft.

In haar antwoord aan CSM betoogt de Commissie dat marktaandeel en marktinvloed van de betrokken onderneming weliswaar factoren zijn die bij de bepaling van de strafmaat in aanmerking moeten worden genomen, doch daarbij zou van een mathematische verhouding geen sprake zijn. Aan CSM is niet een zwaardere, doch juist een veel lichtere geldboete opgelegd dan aan SU; naar ernst en duur gemeten — en dat zijn de enige maatstaven die in verordening nr. 17 worden aangelegd — waren de inbreuken van beide ondernemingen even ernstig.

###### ad 1, bb), aaa)

In haar antwoord aan RT en Sucres et Denrées wijst de Commissie er op, dat zij geen op kosten van de consument begane Verdragsinbreuken heeft bewezen geacht, doch heeft overwogen „dat het hier een produkt van bijzondere betekenis voor de verbruiker betreft” (beschikking, blz. 43, r. kol.). Met name ten aanzien van RT zet zij uiteen dat de bewezen geachte feiten „niet in termen van prijsconcurrentie worden beoordeeld, maar dat er … op lange termijn een belangrijke invloed op het niveau van kan uitgaan”.

In haar antwoord aan CSM zet de Commissie uiteen waarom haars inziens het niveau van de Nederlandse prijzen de ontwikkeling van de prijzen in België zou hebben gevolgd wanneer RT normaal zou hebben geconcurreerd.

In haar antwoord aan Emiliana merkt de Commissie op dat deze onderneming niet tot de kleinen mag worden gerekend. In het verkoopseizoen 1971/1972 was zij de zevende van de eenentwintig Italiaanse suikerfabrieken; telt men bij haar produktie die van de door haar gecontroleerde ondernemingen op, dan komt men op een totaal van 69475200 kg.

###### ad 1, bb), ccc)

In verordening nr. 17 wordt geen verband gelegd tussen het boetebedrag en het voordeel dat men met de onderling afgestemde feitelijke gedragingen bereikt, zodat het argument dat Sucres et Denrées aan haar beloning wil ontlenen, faalt.

Sucrs et Denrées geeft niet aan waarom het door de Commissie aangehouden cijfer — volgens haar zou Sucres et Denrées jaarlijks een totaal van 1700000 ton verhandelen — niet juist zou zijn. De stelling der Commissie dat zij per jaar gemiddeld 250000 ton voor Italië bestemde suiker verhandelt, vindt bevestiging in een aantal documenten.

###### ad 1, cc), bbb)

Dat Sucres et Denrées geen suikerproducent is, doet niet ter zake: de Commissie heeft aangetoond dat de vennootschap, als machtige internationale suikerhandelsmaatschappij en eigenares van grote hoeveelheden suiker, een overwegende rol heeft gespeeld bij de concentratie van exporteurs en importeurs op de Italiaanse markt.

###### ad 1, gg)

De Commissie is met betrekking tot het proces-verbaal van de vergadering van het Adviescomité tot geheimhouding verplicht; zij zal het dus alleen overleggen wanneer het Hof zulks mocht verlangen.

#### IV — Samenvatting van de antwoorden van partijen op enige door het Hof gestelde vragen, van de opmerkingen naar aanleiding van die antwoorden door de wederpartijen gemaakt en van het verhoor der getuigen

Overwegende dat het Hof, nadat de schriftelijke behandeling was afgesloten, in het bestek van één dan wel meerdere van de negen grieven die in de bestreden beschikking zijn opgeworpen, aan sommige verzoeksters en aan de Commissie een aantal vragen heeft gesteld en de wederpartij of wederpartijen telkens de gelegenheid heeft geboden naar aanleiding van de op die vragen gegeven antwoorden opmerkingen te maken;

dat het Hof voorts in het bestek van de zesde grief het horen van vier getuigen heeft gelast;

dat bedoelde antwoorden, opmerkingen en getuigenverklaringen kunnen worden samengevat als volgt:

##### 1. De eerste grief (onderling afgestemde feitelijke gedragingen, gericht op afscherming van de Italiaanse markt; vgl. supra, III, 1)

A — In het bestek van deze grief — alsook van de tweede tot en met de vierde en van de zesde tot en met de achtste grief — heeft het Hof de Commissie verzocht om een volledig chronologisch overzicht van de administratieve procedure, voor zover na te melden verzoeksters betreffende en daarbij met name te vermelden de data waarop het onderzoek is geopend, de punten van bezwaar zijn betekend, de schriftelijke (eventueel ook aanvullende) opmerkingen zijn ingediend en belanghebbenden zijn gehoord. Dit verzoek betreft de zaken 40-73 (SU), 42-73 (CSM), 50-73 (SADAM), 54-73 (SZAG), 55-73 (SZV), 56-73 (Pfeifer & Langen), 113-73 (Industria degli Zuccheri en 114-73 (Eridania). De Commissie heeft een chronologische tabel met de gevraagde gegevens overgelegd. Er blijkt onder meer uit: dat het onderzoek ten aanzien van alle voormelde verzoeksters op 21 mei 1969 is aangevangen; dat de mededeling van de punten van bezwaar op 24 juli 1972 aan die verzoeksters is toegezonden en tussen 25 juli 1972 (SZAG) en 1 augustus 1972 (SZV) te bestemder plaatse is aangekomen; dat zij hebben geantwoord bij brieven gedagtekend 26-29 september 1972 die tussen 27 september en 4 oktober 1972 ten burele van de bevoegde dienst van de Commissie zijn ingeschreven; dat het verhoor van belanghebbenden op 17 oktober 1972 heeft plaats gehad; dat Eridania (op 30 oktober 1972) en SZAG en SZV (op 31 oktober 1972) brieven hebben gezonden met opmerkingen ter aanvulling op het verhoor van 17 oktober 1972, en wel zulks „overeenkomstig de bevoegdheid welke aan de gehoorde ondernemingen was toegekend door de heer Jaume (vgl. blz. 6 van het proces-verbaal)”, terwijl de andere verzoeksters zich er toe hebben beperkt om — bij brieven gedagtekend 9-21 november 1972 — op bepaalde punten wijziging te vragen van het door de diensten der Commissie ontworpen proces-verbaal van verhoor; en ten slotte: dat alle voormelde verzoeksters het proces-verbaal van verhoor tussen 8 en 30 november 1972 hebben getekend. Zich over deze gegevens uitsprekend, betoogt SU dat uit het proces-verbaal van het op 17 oktober 1972 gehouden verhoor nergens kan worden afgeleid dat de ondernemingen de gelegenheid hebben gehad — dan wel dat hun aandacht is gevestigd op de mogelijkheid — na het verhoor nieuwe argumenten aan te voeren. Pfeifer & Langen wijst er nogmaals op dat haars inziens iedere verhouding zoek is tussen de drie jaar die met het onderzoek is heengegaan en de termijn van twee maanden die verzoekster is gelaten om haar standpunt met betrekking tot de mededeling van de punten van bezwaar te bepalen.

B — In de zaak 48-73 (Sucres et Denrées) heeft het Hof de Commissie verzocht haar in te lichten over de stand — en de strekking — van de door haar jegens de Italiaanse republiek wegens „stilzitten” ingestelde procedure betreffende bepaalde aspecten van de Italiaanse suiker-ordening (vgl. supra, I, 4). In haar op 19 maart 1975 ter griffie van het Hof ingekomen antwoord betoogt de Commissie dat zij de brief waarmede die procedure is ingeleid, op 4 december 1974 heeft verzonden en dat de opmerkingen van de Italiaanse staat haar nog niet hebben bereikt. Het ging in die procedure over de wijze van financiering van de steun die Italië de bietentelers en de suikerindustrie heeft toegekend, welke financiering haar met de artikelen 9 of wel 95 van het Verdrag onverenigbaar blijkt. De Commissie houdt het er voor dat de speciale heffing genaamd „sovrapprezzo”, die dient ter financiering van deze in artikel 34 van verordening nr. 1009/67 toegestane steunmaatregelen, hetzij als een heffing van gelijke werking als een douanerecht is te beschouwen, hetzij als een belasting die zwaarder drukt op de produkten uit andere Lid-Staten dan op die uit het eigen land. De Italiaanse regeling doet ook de vraag rijzen naar haar verenigbaarheid met de artikelen 30 en volgende van het Verdrag, namelijk voor zover daarin de hoeveelheden zijn vastgelegd waarvoor ten hoogste kan worden ingeschreven. In de tegen Italië aanhangig gemaakte procedure heeft de Commissie dit middel echter nog niet opgeworpen op grond van de overweging dat de inschrijvingen haars inziens een uitvloeisel zijn van de „sovrapprezzo” en dus zouden moeten verdwijnen wanneer de „sovrapprezzo” mocht worden afgeschaft.

##### 2. De tweede grief (onderling afgestemde feitelijke gedragingen, gericht op afscherming van de Nederlandse markt; vgl. supra, III, 2)

A — In het bestek van deze grief — alsook van de zesde grief — heeft het Hof SU, verzoekster in de zaak 40-73 en de Commissie verzocht de argumenten uiteen te zetten die pleiten voor en tegen de economische continuïteit die vanaf 1 juli 1968 zou hebben bestaan tussen de verschillende verenigingen in welker naam het bestanddeel „Suiker Unie” voorkomt. Volgens SU moet er worden onderscheiden tussen twee verschillende coöperatieve verenigingen die de naam „Suiker Unie” droegen onderscheidenlijk nog steeds dragen. De eerste werd in 1966 opgericht door vier coöperaties die van onmiddellijke economische integratie niet wilden weten, maar wel overeenkwamen samen te werken ten einde later tot een verdergaande integratie te geraken. Deze eerste „Suiker Unie” die bij oprichting van de tegenwoordige „Suiker Unie”„Suiker Unie Beheer” ging heten, had geen eigen vermogen en geen enkel bedrijf. De tegenwoordige „Suiker Unie” is in 1970 door individuele bestuurders der vier coöperaties opgericht met de bedoeling dat al hun leden er toe zouden behoren en al hun baten en lasten er door zouden worden overgenomen. Omdat „Suiker Unie Beheer” met de fusie der vier coöperaties haar taak vervuld had, is zij in 1971 ontbonden zonder rechthebbenden na te laten. De Commissie geeft een samenvatting van — en toelichting op — hetgeen zij in haar memories heeft betoogd en legt daartoe een chronologische tabel over. Zij wijst op de continuïteit van het leidinggevend personeel: met één enkele uitzondering maakten degenen die in 1971/1972 het bureau vormden dat met de afdoening van de lopende zaken der tegenwoordige „Suiker Unie” belast was, ook reeds deel uit van het bureau van de vroegere „Suiker Unie”. SU betoogt dat de Commissie, indien zij mocht menen dat de tegenwoordige „Suiker Unie” aansprakelijk is voor inbreuken op de artikelen 85 en 86 die door SU's naamgenoot mochten zijn begaan, die aansprakelijkheid in haar beschikking feitelijk en rechtens had moeten motiveren.

B — In de zaken 40-73 (SU) en 56-73 (Pfeifer & Langen) heeft het Hof de Commissie verzocht in het geding te brengen een uittreksel van de schriftelijke opmerkingen die door SU en Pfeifer & Langen tijdens de administratieve behandeling zijn gemaakt en waaruit blijkt dat de vennootschappen zich over de leveranties van Pfeifer & Langen aan de Nederlandse fabrikanten hebben uitgesproken. De Commissie stelt dat deze beide ondernemingen tijdens de administratieve procedure hun standpunt ten aanzien van die leveringen niet uitdrukkelijk hebben bepaald. Zij haalt passages uit de mededeling der punten van bezwaar aan, blijkens welke het daarin inderdaad om bedoelde leveringen ging, alsook uittreksels uit de schriftelijke opmerkingen van SU en Pfeifer & Langen waaruit blijkt dat verzoeksters terdege hebben begrepen wat hun werd verweten. Pfeifer & Langen antwoordt dat de aangehaalde passages uit de mededeling van de punten van bezwaar een algemene, abstracte samenvatting behelzen waarin er helemaal geen sprake van is dat verzoekster aan de afscherming van de Nederlandse markt zou hebben deelgenomen. Ook aan haar opmerkingen mag geen standpunt worden afgelezen met betrekking tot een verwijt dat aan Pfeifer & Langen niet was gemaakt: deelneming aan de afscherming van de Nederlandse markt. Een lijst van haar exporten — met inbegrip van de litigieuze leveringen — heeft zij alleen overgelegd om het standpunt der Commissie, volgens wie de tussenstaatse suikerhandel van weinig betekenis was, te weerleggen.

##### 3. De derde grief (onderling afgestemde feitelijke gedragingen, gericht op afscherming van de markt in het westelijk deel van de Bondsrepubliek Duitsland; vgl. supra, III, 3)

A — In de zaken 47-73 (RT) en 56-73 (Pfeifer & Langen) heeft het Hof de Commissie verzocht de feiten en omstandigheden op te geven waarop haar stelling berust dat het tussen de Tiense Suikerraffinaderij en Pfeifer & Langen met betrekking tot de Westduitse markt ook in het verkoopseizoen 1968/1969 is gekomen tot onderling afgestemde feitelijke gedragingen. De Commissie erkent dat er in de Franse versie van de beschikking, zoals die aan RT is betekend, en wel in artikel 1 van het dispositief, sprake is van bescherming van de markt in het Westen van Duitsland vanaf het verkoopseizoen 1969/1970; dezelfde vergissing komt voor in het verweerschrift in de zaak 47-73. Evenwel blijkt duidelijk uit de redengeving der beschikking en uit de bewoordingen van het dispositief, zoals het in het Duits, Nederlands en Italiaans is betekend en in alle versies in het Publikatieblad is gepubliceerd, dat de Commissie bedoelde inbreuken sedert het seizoen 1968/1969 heeft vastgesteld. Meer rechtstreeks antwoordend op het verzoek van het Hof, heeft de Commissie verwezen naar een aantal door haar als bijlagen bij haar memories overgelegde documenten, onder meer ook tussen RT en Hottlet gewisselde brieven over twee in oktober 1968 gesloten contracten waarbij aan Hottlet de verplichting werd opgelegd tot denaturering over te gaan. RT meent zich te mogen houden aan de haar betekende tekst der beschikking. Voor de beoordeling der hierbedoelde documenten verwijst zij naar de memories welke zij tijdens de schriftelijke behandeling heeft overgelegd en — wat meer in het bijzonder de denatureringsclausules betreft — naar haar infra, sub 4, weergegeven betoog.

B — Ook in de zaken 47-73 (RT) en 56-73 (Pfeifer & Langen) heeft het Hof verzoeksters uitgenodigd voor ieder der verkoopseizoenen 1966/1967 tot en met 1971/1972 een reeks vragen te beantwoorden.

a) De alleen aan RT gestelde vragen waren de volgende: Welke hoeveelheden ruwe suiker heeft RT geproduceerd? Wat is er nadien met die hoeveelheden gebeurd? U gelieve bij beantwoording van deze vraag te onderscheiden naar gelang de ruwe suiker: door U zelf tot witte suiker is verwerkt; is verkocht aan andere raffinadeurs (U wordt verzocht te specificeren naar de nationaliteit van de kopers en voor Duitsland te onderscheiden tussen de verkopen aan Pfeifer & Langen of WZV en die aan andere raffinadeurs); een andere bestemming heeft gevonden (welke?) of als onverkocht is opgeslagen; Hoeveel ruwe suiker hebt U bij andere Belgische fabrikanten gekocht? Welke was Uw raffinagecapaciteit? U wordt verzocht de door U opgegeven cijfers met de desbetreffende technische gegevens te adstrueren. U gelieve nader te verklaren waarom er volgens U voor stelselmatige verkopen naar Duitsland een verkooporganisatie moest worden opgebouwd, terwijl de handelaren-exporteurs Export en Hottlet toch blijkbaar in staat waren U Duitse klanten te bezorgen en suiker een zeer homogeen produkt is. De antwoorden van RT c.q. de opmerkingen van de Commissie kunnen worden samengevat als volgt:

###### ad 1 — 3

RT geeft de volgende cijfers voor de jaarlijks per 15 september afgesloten boekjaren (de beschikking heeft betrekking op verkoopseizoenen in de zin der landbouwverordeningen, eindigend op 30 juni):

Produktie fabrieken RT

Aankoop

„traditioneel”

„occasioneel” bij andere Belgische fabrikanten

Duitsland (= Pfeifer & Langen)

Andere landen

Verzoekster wijst erop dat de zogenaamde „traditionele” aankopen van ruwe suiker zijn gedaan bij suikerfabrieken die uitsluitend ruwe suiker fabriceren welke zij vanouds ter beschikking van RT stellen.

###### ad 4

Op grond van gedetailleerde berekeningen becijfert RT haar jaarcapaciteit voor witte suiker op ± 200000 ton. Die capaciteit moet niet alleen worden vergeleken met de hoeveelheden ruwe suiker die op vorenstaande tabel zijn vermeld, doch ook met de grote partijen stroop („égouts”) die in de verschillende tot haar groep behorende suikerfabrieken wordt aangemaakt. Zij geeft cijfers over haar beschikbare voorraden van dit bijprodukt en het rendement dat zij uit de produktie van witte suiker behalen. Uit die cijfers in hun geheel blijkt dat de voorraden der vennootschap haar raffinagecapaciteit zozeer overtreffen dat zij zich geplaatst zag voor de „onverbiddelijke noodzaak te exporteren”.

Daarentegen zou volgens de Commissie uit RT's cijfers blijken dat zij haar raffinagecapaciteit — met die van Oreye, waar zij een meerderheidspositie inneemt — nooit ten volle heeft aangesproken.

De Commissie wijst er voorts op dat de afstand over de weg tussen Oreye en RT's fabriek te Liers — waar een deel van de aan Pfeifer & Langen verkochte ruwe suiker vandaan kwam — 18 km bedraagt, die tussen Liers en Pfeifer & Langens fabriek te Elsdorf 147 km.

###### ad 5

RT antwoordt dat voor systematische verkoop van een produkt in een ander land, rechtstreeks aan verbruikers of wederverkopers, in dat land een verkooporganisatie moet worden opgezet. Export en Hottlet hebben RT geen Duitse klanten bezorgd, maar suiker voor wederverkoop in Duitsland bij haar gekocht. Meestal waren de Duitse klanten van Export en Hottlet zelf importeurs-exporteurs, zodat van stelselmatige verkoop door die Belgische handelaren niet kon worden gesproken.

De Commissie verwijst in haar antwoord naar hetgeen zij tijdens de schriftelijke behandeling heeft betoogd en wijst met name op de vele malen dat op aanvragen van Duitse handelaren niet is ingegaan.

b) De alleen aan Pfeifer & Langen gestelde vragen waren de volgende: Welke hoeveelheden witte onderscheidenlijk ruwe suiker hebt U geproduceerd? Hoeveel door U zelf geproduceerde ruwe suiker hebt U geraffineerd? Hoeveel ruwe suiker hebt U bij andere fabrikanten dan RT gekocht? Welke was Uw raffinagecapaciteit? U wordt verzocht de door U op te geven cijfers met de desbetreffende technische gegevens te adstrueren. De antwoorden van Pfeifer & Langen en de opmerkingen van de Commissie kunnen worden samengevat als volgt:

###### ad 1 — 3

Pfeifer & Langen geeft de volgende cijfers:

geproduceerd door Pfeifer & Langen

gekocht bij andere fabrikanten dan RT

Zij wijst erop dat zij alle door haar geproduceerde ruwe suiker zelf heeft geraffineerd.

De Commissie wijst erop dat deze cijfers misleidend zijn, aangezien de opgegeven hoeveelheden witte suiker slechts de rechtstreeks aangemaakte witte suiker zijn en de witte suiker verkregen bij raffinage van voormelde hoeveelheden ruwe suiker (eigen produktie + aankoop) er bij moet worden opgeteld. De totale produktie van witte suiker, bij voorbeeld in het seizoen 1971/1972, zou dan ongeveer 360000 en niet 203347 ton belopen. De Commissie wijst erop dat de bij andere fabrikanten dan RT gekochte hoeveelheden ruwe suiker zich volgens Pfeifer & Langens eigen cijfers in die hierbedoelde jaren nauwelijks hebben gewijzigd.

###### ad 4

Pfeifer & Langen legt berekeningen over op grond waarvan zij concludeert tot een raffinagecapaciteit van ongeveer 260000 ton per jaar.

De Commissie betwist de juistheid van die berekeningen op bepaalde punten; zij komt tot de slotsom dat het realistisch ware Pfeifer & Langens jaarcapaciteit op 180000 à 200000 ton te begroten. De aankopen van ruwe suiker bij RT waren dus niet nodig om, Pfeifer & Langens eigen produktie van ruwe suiker en de aankopen bij andere dan RT in aanmerking genomen, tot een normale exploitatie van haar produktie-installaties te komen.

c) De zowel aan RT als aan Pfeifer & Langen gestelde vragen waren de volgende: Is de stelling dat RT het risico zou hebben gelopen Pfeifer & Langen als klant voor ruwe suiker te verliezen wanneer zij aanzienlijke hoeveelheden witte suiker aan de klantenkring van de Duitse vennootschap zou hebben geleverd, niet in strijd met de talrijke gronden die door Pfeifer & Langen zijn aangevoerd ten betoge dat het in het belang van de koper was ruwe suiker bij RT te betrekken? U gelieve nader te verklaren waarom RT volgens U de speciale kwaliteiten die zij bij verwerking van ruwe suiker had kunnen verkrijgen, niet naar Duitsland had kunnen verkopen, terwijl zij zulke kwaliteiten blijkbaar wel naar Nederland heeft uitgevoerd. U gelieve Uw stelling dat bij ruwe suiker gebruik kan worden gemaakt van goedkopere middelen van vervoer dan bij witte suiker moeten worden benut, aan de hand van cijfers toe te lichten. De antwoorden van verzoeksters en de opmerkingen van de Commissie kunnen worden samengevat als volgt:

###### ad 1

RT betoogt dat er ieder jaar opnieuw met Pfeifer & Langen is onderhandeld, zodat zij telkens kon vrezen dat haar koper het zou laten afweten.

Pfeifer & Langen verklaart dat zij bij aankoop bij RT niet een zodanig zwaarwegend belang had dat iedere andere overweging, zoals de wenselijkheid niet — door massale aankoop — de positie te versterken van een concurrent die haar bij voorbeeld een groot aantal klanten had doen verliezen, ervoor moest wijken.

De Commissie wijst erop dat Pfeifer & Langens antwoord de bevestiging inhoudt dat deze firma bij RT heeft gekocht opdat de Belgische maatschappij geen „vrije” suikerleveringen in het Westen van de Bondsrepubliek zou verrichten.

###### ad 2

RT antwoordt dat de „speciale kwaliteiten” waarvan in de vraag sprake is, vooral suikerklontjes en parelsuiker waren. Dat zij klontjes in Nederland heeft kunnen verkopen, vindt zijn verklaring in het feit dat haar koper aldaar, CSM, op de vervaardiging van die kwaliteiten niet voldoende is ingericht en Pfeifer & Langen wél. Er is ook in technisch opzicht verschil tussen Duitse en Belgische sui kerklontjes; in Duitsland maakt men klontjes van 4 gram die worden verkocht in dozen van 1/2 kilo, in België klontjes van 6 gram die worden verkocht in dozen van 1 kilo.

Pfeifer & Langen betoogt dat RT, om in Duitsland met speciale kwaliteiten aan de markt te komen, in de Bondsrepubliek een eigen verkooporganisatie had moeten opzetten, wat gewicht en verpakking betreft, haar produktie had moeten afstemmen op de behoeften en gewoonten van de Duitse comsument.

De Commissie zegt voor repliek dat RT zich met het oog op een verkooporganisatie had kunnen wenden tot de Duitse grossiers; ook had zij rechtstreeks kunnen leveren aan verkooporganisaties voor levensmiddelen. Voor de opslag van speciale kwaliteiten wordt, naar uit een door Pfeifer & Langen overgelegd stuk blijkt, normaliter gezorgd door de handel. De consument laat volgens de Commissie zijn keus niet beïnvloeden door verschillen in vorm, vastheid en gewicht.

###### ad 3

RT antwoordt dat terwijl ruwe suiker in trucks of vrachtwagens met overkapping van zeildoek wordt vervoerd en zonder bijzondere hygiënische voorzorgen per schop of per grijper gelost, witte stortsuiker slechts in hermetisch gesloten buikwagens kan worden vervoerd en via een speciale installatie moet worden gelost.

Pfeifer & Langen wijst er — in dezelfde zin — op dat het vervoer van witte suiker speciale laad- en loskosten meebrengt alsook extra kosten verband houdende met het te bezigen vervoermiddel.

De Commissie betwist niet dat het vervoer van ruwe suiker goedkoper is. Daarmede is echter geenszins de vraag beantwoord of RT er, door Pfeifer & Langen te beconcurreren, in geslaagd zou zijn op Pfeifer & Langens markt witte suiker af te zetten; de transportkosten spelen bij een duurder produkt een kleinere rol.

##### 4. De vijfde grief (economische druk op de Belgische exporteurs; vgl. supra, III, 5)

In de zaak 47-73 (RT) heeft het Hof:

1\. RT en de Commissie uitgenodigd zich uit te spreken over de vraag of het al dan niet per se als een onbillijke gedraging en mitsdien, met name in aanmerking genomen de implicaties van de ordening der Gemeenschap, als misbruik is te beschouwen dat een suikerfabrikant aan een handelaar de verplichting oplegt een bepaalde hoeveelheid suiker niet dan voor denaturering door te verkopen en RT wordt uitgenodigd aan de hand van cijfers uiteen te zetten of zij, telkens wanneer zij suiker voor denaturering heeft verkocht, een lagere dan haar gewone prijs heeft berekend;

2\. de Commissie uitgenodigd zich uit te spreken over de volgende vraag: Wanneer het er voor moet worden gehouden dat het opnemen van de denatureringsclausule in tussen RT enerzijds en Export en Hottlet anderzijds gesloten overeenkomst geen misbruik behelst, vindt dan volgens U de stelling dat de inbreuk op artikel 86 in de loop van het verkoopseizoen 1968/1969 een aanvang heeft genomen, steun in het dossier?

Het antwoord van partijen kan worden samengevat als volgt:

###### ad 1

RT verwijst voor de principiële vraag naar hetgeen zij tijdens de schriftelijke behandeling heeft betoogd.

Met betrekking tot de omvang en de prijzen van haar exporten naar Nederland en Duitsland geeft zij volgende cijfers:

###### Boekjaar 1968/1969

In dat boekjaar:

heeft verzoekster in beide genoemde landen 19786 ton kristalsuiker voor denaturering verkocht; de prijs be droeg voor Nederland 1061,50 Bfr en voor Duitsland gemiddeld 1082,64 Bfr;

heeft zij naar Nederland alleen maar voor denaturering verkocht;

bedroeg de gemiddelde prijs bij verkoop van Belgische kristalsuiker voor export naar Duitsland, anders dan voor denaturering, Bfr 1090.

###### Boekjaar 1969/1970

In dit boekjaar heeft RT slechts 4000 ton voor denaturering bestemde kristalsuiker naar Duitsland uitgevoerd; de gemiddelde prijs was 1068 Bfr.

De Commissie betoogt dat de fabrikanten volgens het systeem der denatureringspremies:

zelf konden denatureren en dus de denatureringspremie ontvangen en een prijs in rekening brengen gelijk aan de gewone suikerprijs verminderd met deze premie;

dan wel

nog niet gedenatureerde suiker konden verkopen, zodat de grossiers of de verbruiker tot denaturering konden overgaan en de premie innen.

In werkelijkheid hebben de fabrikanten, en ook RT, altijd voor de tweede mogelijkheid gekozen en de normale suikerprijs in rekening gebracht, zij het dat zij zorgden voor een clausule volgens welke de grossiers of verbruikers de suiker ook werkelijk moesten denatureren en haar daarvan bewijs hadden te leveren.

RT zegt voor repliek dat zij kan bewijzen zelf in 1968/1969 en 1969/1970 onderscheidenlijk 31624 en 38944 ton te hebben gedenatureerd. Niet zij, RT, heeft denatureringsclausules afgedwongen; integendeel, de handelshuizen die zich om suiker tot haar wendden, verklaarden dat de suiker voor denaturering bestemd was. RT hield daarmede bij het doen van haar offerte dan ook rekening. Uit de hiervoor weergegeven cijfers blijkt dat RT bij verkoop voor denaturering steeds lagere prijzen heeft berekend dan bij verkoop van suiker voor menselijke consumptie; de Commissie heeft dat in de bestreden beschikking ook erkend (blz. 26 en 27, onder 15).

De Commissie zegt onder meer voor repliek dat de door RT opgegeven maximumprijzen bij verkoop voor denaturering in sommige contracten uit 1968/1969 en 1969/1970 zijn overschreden en dat RT geen cijfers heeft verstrekt over de seizoenen 1970/1971 en 1971/1972.

###### ad 2

De Commissie betoogt dat het antwoord op de tweede vraag zonder meer kan worden afgelezen aan haar opmerkingen inzake de eerste vraag. In het seizoen 1968/1969 was de denatureringsclausule RT's belangrijkste middel om de handelaren aan banden te leggen; dit blijkt uit een aantal door verzoekster met Export of Hottlet afgesloten contracten.

##### 5. De zesde grief (economische druk op de Nederlandse importeurs; vgl. supra, III, 6)

###### Vgl. supra, I, 4

De vragen aan de getuigen betroffen de feiten genoemd in na te melden passages van een nota van 8 juni 1970, door de heer Lemaire, economisch directeur van de vennootschap Export, opgesteld ter attentie van de president-directeur dier vennootschap, baron Kronacker (bijlage I, 133, bij het verweerschrift):

„De Nederlandse suikerindustrie (Suiker Unie + CSM) heeft door tussenkomst van de heer Lindeboom, commercieel directeur van Suiker Unie, de traditionele Nederlandse suikerhandel (Dudok de Wit + Internatio + Jacobson) bedenkingen kenbaar gemaakt over de door deze handelshuizen met Sucre Union Paris (handelsmaatschappij der Franse suikerbietencoöperaties) voor het seizoen 1969/1970 afgesloten transacties betreffende Franse kristalsuiker.

De invoertransacties waren vooral mogelijk door de koersverschillen die zich voor de devaluatie van de Franse frank in augustus 1969 met betrekking tot die munteenheid deden gelden. Ging het aanvankelijk om 30000 ton Franse witte suiker, kwaliteit Nederland, uiteindelijk betroffen deze transacties 70000 ton.

Wegens de omvang van deze transacties werd er tussen de Nederlandse handel en de in dat land gevestigde suikerfabrikanten een bijzondere overeenkomst getroffen, waarbij de handelaren zich verbonden bij afzet in het binnenland een prijs in acht te nemen die voor de distributie der suikerfabrikanten niet al te ongunstig zou zijn.

De Nederlandse handelaren waren sindsdien dan ook niet langer geïnteresseerd bij onze invoerhandel van Belgische suiker naar Nederland — tegen een prijs die zowel beneden de in Nederland geldende prijs lag als beneden de prijs die in de handelsovereenkomst betreffende de Franse suikers tussen de fabrikant en de Nederlandse handel was afgesproken.

In die overeenkomst was ook voorzien dat de laatste Franse partijen die nog naar Nederland moesten worden verzonden, zouden worden verpakt in papieren zakken van 50, respectievelijk 1 kilo onder de eigen merken der Nederlandse fabrikanten — en met name van Suiker Unie —, nadat deze fabrikanten bedoelde partijen van de handelshuizen hadden opgekocht.

Tijdens het onderhoud dat de heer Lindeboom van Suiker Unie met de Nederlandse importhandel heeft gevoerd, heeft hij verzocht dat men zich in de toekomst, in het seizoen 1970/1971, van zulke invoertransacties zou onthouden; zo niet, dan zou hij de traditionele invoertransacties — met tijdelijke toelating door de douane — voor de Nederlandse verwerkende industrie (melk e.d.) onmogelijk maken in dier voege dat zij zelf tegen de voorwaarden van de wereldmarkt in de behoeften van die verwerkende bedrijven zouden voorzien.

De Nederlandse handelaren hebben ten aanzien van het op deze bedreiging te geven antwoord nog geen bepaald standpunt ingenomen.

Zij hebben daarentegen getracht met de Nederlandse suikerindustrie het onderzoek naar de behoeften aan Nederlandse import van 80000 ton, van herkomst uit de andere landen van de EEG, en tegen de EEG-prijs voor het seizoen 1970/1971, op gang te brengen.

De Nederlandse suikerfabrikanten hebben deze oproep van de invoerhandel niet beantwoord, al gaven zij in fine te verstaan dat zij te zijner tijd mogelijkerwijs het advies van de handel over deze kwesties zouden inwinnen.”

a) De verklaring van de getuige Lemaire kan worden samengevat als volgt: In voormelde nota is de inhoud van een of meer destijds door hem met de heer Dudok de Wit gevoerde gesprekken nauwkeurig en volledig weergegeven. Hij had om die gesprekken gevraagd ten einde opheldering te verkrijgen over de moeilijkheden welke zijn onderneming bij de afzet van Belgische suiker langs de gewone weg — via de Nederlandse handelaren — had ondervonden. Gevraagd of de „overeenkomst” die volgens de nota door de Nederlandse fabrikanten en handelaren was gesloten, onder druk dan wel vrijelijk was aangegaan, heeft de getuige verklaard niet in staat te zijn de vraag nauwkeurig te beantwoorden, aangezien hij van de feiten niet rechtstreeks kennis had gekregen.

b) De verklaring van de getuige Dudok de Wit, destijds directeur van de gelijknamige handelsmaatschappij, kan worden samengevat als volgt: Er hebben destijds verschillende — persoonlijke en telefonische — gesprekken plaatsgehad met de heer Lemaire, waarin de in de nota bedoelde situatie ter sprake kwam. De contacten tussen de Nederlandse handelaren en fabrikanten die zijn gevolgd op de invoer van Franse suiker bedoeld in de nota van de heer Lemaire, hebben plaatsgevonden op initiatief van de handelaren die moeilijkheden ondervonden bij hun pogingen die suiker binnen de contractuele termijn af te zetten. Op de vraag naar de inhoud van de „be denkingen” die de fabrikanten in verband met die invoer aan de handelaren zouden hebben kenbaar gemaakt, heeft de heer Dudok de Wit geantwoord dat de Nederlandse industrie zich waarschijnlijk rekenschap had gegeven van de verstoring die de betrekkelijk grote hoeveelheid importsuiker op de Nederlandse markt moest hebben. Door de nota van de heer Lemaire wordt een onjuiste indruk gevestigd wanneer daarin wordt gesproken van een verbintenis der Nederlandse handelaren „binnenslands een afzetprijs te eerbiedigen die voor de wederverkoop der suikerfabrikanten niet te nadelig mocht zijn”; een echte overeenkomst op dit punt heeft niet bestaan. Het initiatief tot de doorverkoop van een deel der in Frankrijk gekochte suiker aan de Nederlandse industrie is uitgegaan van de handelaren, maar de industrie kon tevreden zijn dat die concurrentie daarmede van de markt was verdwenen. Zonder zich nauwkeurig te herinneren tegen welke prijs die doorverkoop heeft plaatsgevonden, is deze getuige van mening dat de industrie een goede transactie had afgesloten, doch zich „niet had verrijkt”. De getuige weerspreekt de in de nota voorkomende bewering dat de heer Lindeboom de Nederlandse handel zou hebben verzocht dat men zich in het seizoen 1970 „van zulke invoertransacties zou onthouden”, omdat hij anders „de traditionele invoertransacties — met tijdelijke toelating door de douane — voor de Nederlandse verwerkende industrie (melk, enz.) onmogelijk zou maken in dier voege dat zij zelf tegen de voorwaarden van de wereldmarkt in de behoeften van die verwerkende bedrijven zouden voorzien”. Het was nu eenmaal zo dat het — niet nieuwe en geleidelijk verwezenlijkte — voornemen van de Nederlandse suikerindustrie ook zelf te importeren, op zichzelf een bedreiging inhield. In de contacten met de heer Lindeboom was inderdaad sprake van een opvoering van de importen der suikerindustrie, maar de heer Lindeboom heeft geen concrete bedreigingen geuit. De handelaren konden, zonder hun eigen bestaansbasis te ondergraven, nimmer beloven zich van „zulke invoertransacties” te onthouden. Met de laatste hoeveelheden Franse suiker zaten de Nederlandse handelaren in hun maag, vooral omdat zij over een belangrijk deel van de gekochte partij een compenserende invoerheffing moesten betalen, waardoor het voordeel van de lage prijs — als gevolg van de feitelijke devaluatie van de Franse frank — ten dele teniet werd gedaan. Als exporteurs waren de handelaren aangewezen op de Nederlandse suikerindustrie; „dus als handelaar moesten we altijd oppassen wat we deden tegenover de suikerindustrie”. Het is volgens de getuige zeer wel mogelijk dat hij zich in zijn gesprekken met de heer Lemaire opzettelijk enigszins vaag heeft uitgedrukt om de heer Lemaire niet voor het hoofd te stoten door openlijk te verklaren niet voornemens te zijn Belgische suiker te kopen. Het is eveneens mogelijk dat hij zich in zijn gesprekken met de heer Lemaire niet zo onpartijdig heeft uitgedrukt als bij het verhoor; destijds was er sprake van „een geïrriteerdheid van hier komt de Nederlandse industrie als grote dreiging op de Nederlandse handel af want zij gaan zelf importeren”.

c) De verklaring van de getuige Sanders, adjunct-directeur van de firma Jacobson, kan worden samengevat als volgt: Hij meent zich te herinneren dat de handelaren, in het bestek van regelmatige contacten met de Nederlandse suikerindustrie, het initiatief hebben genomen om haar een deel van de suiker die zij in Frankrijk hadden gekocht, te verkopen. De zeer lage notering van de Franse frank vóór de officiële devaluatie had de handelaren import van Franse suiker mogelijk gemaakt en in die situatie vonden zij aanleiding een contract voor grote hoeveelheden suiker af te sluiten. Toen de Franse frank officieel devalueerde en er een heffing op de invoer van Franse suiker werd toegepast, geraakten de handelaren bij de afzet van een deel der gekochte suiker in moeilijkheden. De tijd begon te dringen en omdat alleen de Nederlandse industrie in staat was op korte termijn betrekkelijk grote partijen te kopen, hebben de handelaren met succes getracht aan die industrie 150000 ton te verkopen. De fabrikanten waren waarschijnlijk niet zeer enthousiast over deze transactie, maar de handel was er „erg gelukkig mee”. Het had voor de Nederlandse industrie geen zin er bij de handelaren op aan te dringen dat zij zich van bepaalde invoertransacties zouden onthouden; zouden de handelaren niet hebben ingevoerd, dan hadden anderen het gedaan. Het kan zijn dat de fabrikanten de handelaren hebben verklaard die importen met lede ogen aan te zien, maar als een handelaar zaken kan doen, zal hij het niet nalaten. Gevraagd naar de inhoud van de „bedenkingen” die SU en CSM volgens de nota van de heer Lemaire zouden hebben kenbaar gemaakt, heeft de getuige verklaard dat er destijds in Nederland ruimschoots voldoende voorraden waren en dat de Nederlandse industrie niet blij was dat men haar mededinging aandeed. Het is niet waar dat de Belgische handelaren zich — zoals in de nota van de heer Lemaire is gesteld — jegens de Nederlandse fabrikanten zouden hebben verbonden een zeker prijspeil te eerbiedigen bij de afzet van de partijen Franse suiker die niet aan de fabrikanten waren doorverkocht; om door de getuige gedetailleerd uiteengezette redenen lijkt hem die verklaring „wat wonderlijk”. Voor zover de getuige weet, hebben de Nederlandse fabrikanten de handelaren niet gedreigd dat zij hun traditionele invoertransacties — met tijdelijke toelating door de douane — onmogelijk zouden maken door zelf in de behoeften van de verwerkende industrie te voorzien. Dat zou ook vreemd zijn geweest: met name SU had als landbouwcoöperatie moeilijk haar eigen produkt kunnen beconcurreren door tot invoer over te gaan; voorts heeft de heer Lindeboom moeten weten dat de handelaren op de wereldmarkt beter zijn ingevoerd. Het is wel mogelijk dat er in de hitte van het gesprek is gezegd: „wanneer jullie niet ophouden met dat importeren, dan doen wij zus of dan doen wij zo”; of dat veel indruk maakt is een tweede; de handelaren voelen zich niet zo gauw bedreigd. Bovendien hadden de fabrikanten niet de zekerheid dat zulke importen ook in de toekomst mogelijk zouden zijn; de verordeningen van de Gemeenschap betreffende de invoer van suiker uit derde landen kunnen van seizoen op seizoen worden gewijzigd.

d) De verklaring van de getuige Lindeboom, directeur van SU, kan worden samengevat als volgt: Van de handelaren is niet verlangd dat zij zich in het seizoen 1970/1971 van zulke invoertransacties zouden onthouden. De getuige is zijn loopbaan begonnen in de Nederlandse handel, waarvoor hij steeds sympathie heeft bewaard. Met name met de inmiddels overleden heer Kopmels van de firma Jacobson heeft hij vriendschappelijke betrekkingen onderhouden. Tijdens een van zijn regelmatig met de heer Kopmels gevoerde gesprekken heeft hij jegens hem zijn bezorgdheid uitgesproken over de consequenties die voor de Nederlandse binnenlandse prijzen verbonden konden zijn aan — dank zij de wisselkoers — 5 à 12 % lagere offertes van Franse suiker, en hem gezegd dat SU, als coöperatie van bietentelers moest oppassen dat de bietenprijs, zoals die in de verordeningen van de Gemeenschap was vastgesteld, niet in gevaar kwam. En de Belgische handel en een Duits bedrijf zouden de Nederlandse handelaren trouwens aan zware concurrentie hebben blootgesteld door tegen erg lage prijzen aan grote Nederlandse ondernemingen te verkopen. Dat de heer Kopmels zich er toe zou hebben geleend zich door zijn jongere vriend te laten bedreigen, is absurd. De aan SU toegeschreven bedreiging is „farfelue”; had SU de importeurs bij de condensindustrie willen beconcurreren, dan zou zij dat hebben gedaan met haar eigen suiker — in plaats van de verkoop van die suiker te beletten door suiker van de wereldmarkt te importeren. Op de vraag of de handelaren eigener beweging hebben beloofd zich voortaan van zulke importen te onthouden, antwoordt de heer Lindeboom ontkennend. Hij heeft sedert zijn indiensttreding bij SU trouwens alleen met de heer Kopmels commerciële gesprekken gevoerd, nooit met de heer Sanders of met de heer Dudok de Wit. De heer Lindeboom heeft ten slotte betwist dat de handelaren zich — zoals in de nota van de heer Lemaire is gesteld — zouden hebben verbonden een zeker prijsniveau te eerbiedigen. Er is alleen maar over gesproken dat fabrikanten én handelaren een zekere „zelfdiscipline” moesten inachtnemen — en dat hebben beiden ook gedaan —. Met name hebben de handelaren zich gehouden aan de prijzen die door de suikerindustrie werden berekend, zonder dat er echter op dat punt overeenkomsten waren aangegaan. De Nederlandse fabrikanten hebben de handel niet tegengewerkt; de getuige kan dat bewijzen aan de hand van na 1970 afgesloten contracten.

##### 6. De achtste grief (door Pfeifer & Langen met de tussenpersonen gesloten overeenkomsten die de mogelijkheden van in- en uitvoer binnen de Gemeenschap beperken; vgl. supra, III 8)

In de zaak 56-73 (Pfeifer & Langen) heeft het Hof:

###### A — Pfeifer & Langen uitgenodigd:

a) in het geding te brengen hetzij de tekst van alle vertegenwoordigingscontracten die zij heeft gesloten met de twaalf op de bladzijden 48 en 49 van haar conclusie van repliek genoemde handelaren (firma's Anrath … Wolf), voor zover daarin soortgelijke clausules voorkomen als in de bestreden beschikking zijn vermeld (verbod om zonder toestemming suiker van Pfeifer & Langen slechts binnen een bepaalde zone en aan bepaalde groepen kopers te verkopen); hetzij alleen de tekst van een of meer- dier contracten en wel zulks voor het geval dat de andere contracten van de in het geding gebrachte contracten mochten zijn afgeschreven; Pfeifer & Langen gelieve alsdan met opgave van de naam van ieder der betrokken handelaren te specificeren welke niet in het geding gebrachte contracten identiek zijn aan de contracten die wel in het geding zijn gebracht.

b) voor zover betrekkingen tussen Pfeifer & Langen en haar handelaren, met name die met bepaalde „zonecommissionairs” van WZV, niet contractueel geregeld zijn, aan te geven of en in hoeverre zij aan deze handelaren de hiervoor sub a) vermelde beperkingen heeft opgelegd. Pfeifer & Langen gelieve eventueel alle tussen haar en de betrokken handelaar gevoerde correspondentie in het geding te brengen, voor zover de rechtsbetrekkingen tussen de partners kunnen worden geacht daarin te zijn geregeld.

c) de navolgende vragen te beantwoorden: Werken Uw handelaren ook voor rekening van andere suikerfabrikanten? Zo ja, wie zijn deze fabrikanten (WZV, leden van WZV, andere firma's)? (De thans volgende vraag wordt slechts gesteld voor zover het antwoord niet uit de in het geding te brengen stukken voortvloeit.) Voor welke bestemmingen (menselijke consumptie in Duitsland, denaturering, export naar derde landen, export naar andere Lid-Staten) hebben de handelaren, wanneer zij als handelsvertegenwoordigers voor rekening van andere fabrikanten wensten op te tre den, aa) Uw toestemming „eens voor al” verkregen, dan wel bb) van geval tot geval om Uw toestemming moeten vragen en cc) in welke gevallen gold er een absoluut verbod? Bijaldien er in ieder afzonderlijk geval om toestemming moest worden gevraagd: gelieve te specificeren in welke gevallen die toestemming is gevraagd, verleend en of geweigerd. Verkopen Uw handelaren ook als „Eigenhändler” suiker van andere fabrikanten? Zo ja, dan stelt het Hof U, mutatis mutandis, de hiervoor onder 2 tot en met 4 weergegeven vragen.

###### B — De Commissie uitgenodigd:

nauwkeurig mede te delen wat zij enerzijds aan Pfeifer & Langen en anderzijds aan WZV verwijt. Heeft, met name, niet slechts WZV, doch ook Pfeifer & Langen de handelaars verplicht niet dan aan grossiers, de verwerkende industrie en dergelijke ondernemingen te verkopen (vgl. beschikking, blz. 27 tot 28, 40) en hun verboden buiten de onderscheiden hun door WZV aangewezen zones te verkopen?

###### ad A, a

Pfeifer & Langen betoogt dat haar betrekkingen met de vertegenwoordigers bedoeld op de bladzijden 48 en 49 van haar conclusie van repliek tot 30 juni 1970 waren geregeld in een van 1948 daterend standaardcontract. Verzoekster heeft bij haar conclusie van antwoord een doorslag van dat standaardcontract gevoegd; het behelst met name de navolgende clausules:

###### Punt 1:

„De onderneming Pfeifer & Langen verleent aan \[bij voorbeeld: de heren Gebrüder Lück te Keulen\] (hierna te noemen: „vertegenwoordiger”) het recht om als tussenpersoon en voor rekening van Pfeifer & Langen haar suiker te verkopen. Over al of niet aanvaarding van een bepaalde transactie wordt door Pfeifer & Langen beslist.”

###### Punt 2:

„Het vertegenwoordigingsgebied omvat de plaatsen gelegen binnen de grenzen die op bijgaande schets zijn aangegeven.”

###### Punt 3:

„Voor alle transacties die met of zonder zijn medewerking binnen zijn vertegenwoordigingsgebied worden afgesloten, ontvangt de vertegenwoordiger een provisie van 25 Pfennig. Voor levering aan de Rewe-centrale en aan de Edeka-centrale bedraagt de provisie 15 Pfennig per 100 kg + 5 Pfennig voorschot op te maken reclamekosten, of wel 20 Pfennig. Voor leveringen aan leden van Rewe en Edeka in het aan een ander toegewezen gebied moet de vertegenwoordiger zijn gehele provisie, verminderd met het voorschot op de reclamekosten, aan de vertegenwoordiger voor dat gebied afdragen …”

###### Punt 6:

„De vertegenwoordiger is, tenzij Pfeifer & Langen daartoe uitdrukkelijk schriftelijke toestemming heeft verleend, niet gerechtigd andere suikerfabrieken te vertegenwoordigen en evenmin om voor eigen rekening zaken te doen in van de onderneming Pfeifer & Langen of van elders afkomstige suiker.”

Verzoekster wijst erop dat bij beoordeling van genoemd standaardcontract in aanmerking dient te worden genomen dat tot de inwerkingtreding van verordening nr. 1009/67 voor de internationale — en zelfs nationale — suikerhandel ten aanzien van de Bondsrepubliek Duitsland de beperkingen golden die in de aldaar bestaande wetgeving worden gesteld.

Op 1 juli 1970 heeft verzoekster in alle gevallen gelijkluidende contracten afgesloten met de vertegenwoordigers ge noemd in de conclusie van repliek; als voorbeeld brengt verzoekster haar contract met de firma Gebrüder Anraths in het geding. Dit contract behelst onder meer de navolgende clausules:

„Pfeifer & Langen verleent de vertegenwoordiger het recht om als tussenpersoon op naam en voor rekening van Pfeifer & Langen haar assortiment consumptiesuiker te verkopen. De vertegenwoordiger is een onafhankelijk handelaar in de zin van artikel 84 van het Handelsgesetzbuch en bevoegd overeenkomsten aan te gaan. Bij de uitoefening van zijn activiteiten is hij gehouden in ieder opzicht en zo goed mogelijk voor de belangen van Pfeifer & Langen op te komen. …”

„De vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt verleend voor het door Pfeifer & Langen genoemde gebied \[bij voorbeeld: zone 72 Düsseldorf\]. Voor de territoriale begrenzing van dat gebied zij verwezen naar de als bijlage 1 bij dit contract gevoegde kaart.”

„Pfeifer & Langen verleent de vertegenwoordiger in het hem toegewezen gebied het uitsluitend verkooprecht en mitsdien territoriale bescherming voor haar gehele assortiment consumptiesuiker. Van deze regel wordt afgeweken voor bepaalde bijzondere gevallen zoals de transacties afgesloten met de organisaties van Edeka, de GEG, Rewe enzovoort, waarvoor een bijzondere overeenkomst zal worden aangegaan. De vertegenwoordiger verbindt zich, ook voor mogelijkerwijs van hem afhankelijke ondernemingen, \[handels\] reizigers of subagenten, om in Pfeifer & Langens bijzonder belangengebied omschreven in bijlage 2, geen andere consumptiesuiker van binnen- of buitenlandse herkomst te verkopen. Afwijkingen hiervan gelden slechts voor een bepaalde tijd en moeten door Pfeifer & Langen schriftelijk worden bevestigd. Deze alleenvertegenwoordigersovereenkomst geldt tot wederopzeggens toe niet voor activiteiten door de vertegenwoordiger verricht ten behoeve van de „Nordwestdeutsche Markenzucker-Vertriebs GmbH en Co KG” te Bielefeld/Keulen en de „Westdeutsche Zuckervertriebs-Gesellschaft mbH & Co KG” te Keulen.”

„De vertegenwoordiger is gehouden zich, volgens Pfeifer & Langens richtlijnen uitsluitend op de verkoop van suiker toe te leggen…” Verzoekster legt voorts een doorslag over van een standaardcontract dat zij op 2 januari 1973 met voormelde vertegenwoordigers heeft afgesloten en waarin geen clausule meer voorkomt die behoudens toestemming de verkoop van suiker van andere herkomst verbiedt.

###### ad A, b

Pfeifer & Langen heeft zonder schriftelijk vertegenwoordigingscontract en zonder over de inhoud der vertegenwoordigingsrelaties te hebben gecorrespondeerd, samengewerkt met de ondernemingen Gebrüder Lück, Emil Meyer's Sohn en Hunekuhl. Nochtans legt zij twee contracten over, die onderscheidenlijk in januari 1966 met Emil Meyer's Sohn en op 20 juni 1974 met Hunekuhl zijn afgesloten. Aan het eerste contract is de grondslag komen te ontvallen toen de gemeenschappelijke ordening der suikermarkten werd ingevoerd; het tweede is pas in november 1973 getekend.

Hoewel er dus ten tijde van de litigieuze feiten geen schriftelijke vertegenwoordigingscontracten met Lück, Emil Meyer's Sohn en Hunekuhl bestonden, kwam het mondeling overeengekomene nochtans in hoofdzaak met de clausules der schriftelijke vertegenwoordigingscontracten overeen. Op zijn laatst in januari 1973 heeft de vennootschap die firma's ook laten weten dat zij voortaan uitdrukkelijk noch stilzwijgend gehouden waren alleen voor verzoekster te werken.

###### Ad A, c, 1-6

Voor zover Pfeifer & Langen weet heeft alleen de firma Hunekuhl ook voor rekening van andere suikerfabrikanten gewerkt, als vertegenwoordiger dan wel als commissionair voor de firma Nordzukker.

Anderzijds hebben verzoeksters vertegenwoordigers als onafhankelijke handelaren suiker van andere fabrikanten die, voor zover verzoekster weet, voor menselijke consumptie bestemd was, verkocht. Die fabrikanten kunnen niet meer worden achterhaald en ook kunnen geen bepaalde gevallen worden genoemd: er werd telkens mondeling toestemming gevraagd en verkregen en verzoeksters directie had er ook geen interne nota's aan gewijd. Ofschoon Pfeifer & Langen geen eens en voor al geldende algemene toestemmingen heeft verleend, heeft zij desgevraagd ook nimmer toestemming geweigerd wanneer men voor een derde wenste te werken. Zij heeft de litigieuze clausule in de contracten van 1970 niet opgenomen om haar vertegenwoordigers te beletten suiker van andere herkomst te verkopen, maar om hen te verplichten transacties voor derden te melden; zij kreeg daarmede de zekerheid dat de vertegenwoordigers niet in belangrijke of overwegende mate voor een andere suikerfabrikant werkten. De verantwoordelijke functionarissen van verzoekster hadden dan ook geen enkele aanleiding aan verzoeken om bedoelde toestemming bijzondere aandacht te schenken of er schriftelijke nota's aan te wijden.

De Commissie wijst er op dat verzoekster niet heeft opgegeven of de transacties die door haar vertegenwoordigers voor eigen rekening werden aangegaan, verzoeksters markt hebben betroffen. In ieder geval houdt het feit dat de vertegenwoordigers als onafhankelijke handelaren zijn opgetreden een bevestiging in van het standpunt der Commissie dat sommigen hunner in de levensmidde lenhandel een belangrijke plaats innemen.

De Commissie is er niet zo zeker van dat verzoekster nimmer haar toestemming heeft geweigerd. Verzoekster heeft niet gezegd of de voor derden afgesloten transacties zijn aangegaan voor WZV, de andere leden van WZV, andere Duitse fabrikanten of de fabrikanten in andere Lid-Staten. De Commissie is er evenmin van overtuigd dat het alleenvertegenwoordigingsbeding alleen maar diende om na te gaan of verzoeksters vertegenwoordigers overwegend voor haar werkten; dat had men namelijk reeds aan het totaal der voor rekening van verzoeksters afgesloten transacties kunnen aflezen.

###### ad B

De Commissie betoogt dat zowel Pfeifer & Langen als WZV haars inziens wel degelijk enerzijds de tussenpersonen hebben verplicht alleen te verkopen aan grossiers, aan de verwerkende industrie of vergelijkbare bedrijven en hun anderzijds hebben verboden te verkopen buiten de hun toegewezen gebieden.

In de contracten die WZV met haar commissionairs heeft afgesloten zijn territoriale beperkingen voorzien voor de bedrijfsuitoefening der commissionairs, alsook wat betreft de klanten met wie zij transacties mochten aangaan en de wederverkoop van suiker van andere fabrikanten (vgl. bijlagen I, 134 tot 136 bij de verweerschriften). In de contracten tussen Pfeifer & Langen en haar handelsvertegenwoordigers zijn uitdrukkelijk territoriale beperkingen gesteld aan de activiteiten der vertegenwoordigers en aan de wederverkoop van suiker van andere fabrikanten.

Tot goed begrip van hetgeen zij enerzijds aan Pfeifer & Langen en anderzijds aan WZV verwijt, beschrijft de Commissie het distributiesysteem van WZV en haar leden. Zij betoogt voorts aan de hand van cijfers dat Pfeifer & Langen goed was voor meer dan 50 % van de produktie van WZV's gezamenlijke leden, maar, vergeleken met de andere leden, een geringer deel van haar omzet over WZV heeft laten lopen. De Commissie leidt hieruit af dat er sprake was van een „gesloten systeem” waarmee van de betrokken handelsondernemingen gedaan kon worden gekregen dat zij geen suiker van WZV of Pfeifer & Langen exporteerden en op hun verkoopgebied ook geen suiker importeerden van fabrikanten uit andere gebieden van de gemeenschappelijke markt. Voor het overige naar haar memories verwijzend, betoogt de Commissie dat zij zowel aan WZV als aan Pfeifer & Langen verwijt aldus, op handelsniveau en voor WZV's verkoopgebied, de suikerinvoer en -uitvoer ce hebben uitgesloten.

Pfeifer & Langen is niet beboet omdat de agenturencontracten zich, ieder afzonderlijk, niet met artikel 85, lid 1, zouden hebben verdragen, maar wegens de onderling afgestemde gedraging die op afscherming der nationale markten was gericht.

Pfeifer & Langen zegt voor repliek dat de Commissie niet de door het Hof gevraagde inlichtingen heeft verschaft. Vergelijking van haar verkopen met die van WZV zegt niets omdat zij op het marktgedrag van WZV geen enkele invloed had; zij had er slechts 20 % van het maatschappelijk kapitaal in handen en had in WZV's beslissingen geen doorslaggevende stem. Zij heeft zich bovendien uit WZV teruggetrokken, zodat er thans geen enkele relatie meer tussen de beide ondernemingen bestaat.

##### 7. De negende grief (onderling afgestemde gedragingen bij de inschrijvingen voor de restituties bij uitvoer naar derde landen; vgl. supra, III, 9)

In het bestek van de negende grief heeft het Hof in de zaken 41-73 (Générale sucrière), 43-73 (Say), 44-73 (Béghin), 47-73 (RT) en 48-73 (Sucres et Denrées)

1\. Générale sucrière, Say, Béghin, RT en Sucres et Denrées en de Commissie uitgenodigd voor witte en ruwe suiker ieder afzonderlijk aan te geven welke hoeveelheden ieder van genoemde verzoeksters gedurende 1970 (niet: gedurende het verkoopseizoen 1970/1971) via inschrijvingen naar derde landen heeft uitgevoerd;

2\. de Commissie uitgenodigd voor witte en ruwe suiker ieder afzonderlijk de totale hoeveelheid die in 1970 door andere ondernemingen of instellingen van de Gemeenschap naar derde landen is uitgevoerd, op te geven;

3\. de Commissie uitgenodigd nader te verklaren waarom volgens haar de feitelijke gedragingen met betrekking tot de exportrestituties de handel tussen Lid-Staten en de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt merkbaar hebben benadeeld.

De antwoorden van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

###### ad 1 en 2

A — Verzoeksters hebben, ieder voor zover haar zelf betreft, de door hen in 1970 uitgevoerde hoeveelheden becijferd. De Commissie heeft voorts berekend: de aan ieder der verzoeksters toegewezen hoeveelheden; de hoeveelheden die zijn uitgevoerd door c.q. toegewezen aan Sucre-Union en Lebaudy-Suc, ondernemingen tegen welke de eerste grief mede gericht was, maar die niet in beroep zijn gekomen; de hoeveelheden die in totaal zijn toegewezen aan ondernemingen tot welke de beschikking niet gericht was. In tonnen bieden deze cijfers — c.q. de door optelling dier cijfers verkregen totalen — het volgende beeld (het vraagteken betreft een inlichting die werd verzocht maar niet verstrekt): Ruwe suikerWitte suikercijfers van verzoeksterscijfers van de Commissiecijfers van verzoeksterscijfers van de Commissiegeëxporteerdtoegewezengeëxporteerdtoegewezen Générale sucrière893800572223460833000 Say1529200424371625615500 Béghin000398521889918000 RT927500458735943156650 Sucres et Denrées563166062760000634497804574500 Totaal verzoeksters (1-5)898216062760000248833207239197650 Sucre-Union?00?2833227000 Lebaudy-SUC?00?1712516700 Totaal ondernemingen in de beschikking bedoeld (6-8)?6062760000?252696241350 Andere ondernemingen??0??155600 Totale exporten na inschrijving (9-10)??60000??396950 Bij wijze van commentaar op haar cijfers wijst de Commissie erop dat de in de beschikking bedoelde ondernemingen zich (241350 + 60000 =) 301350 van de 456950 ton of wel ongeveer twee derde van de toegewezen hoeveelheden zagen toebedeeld. Zij voegt eraan toe dat het Franse en het Duitse interventiebureau hunnerzijds onderscheidenlijk 103350 en 12900 ton buiten inschrijving om hebben uitgevoerd. De meeste betekenis komt toe aan de cijfers betreffende de toegewezen, niet aan die betreffende de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden, immers de ondernemingen hadden voor hun uitvoer vijf maanden tijd en konden 5 % meer uitvoeren dan hun was toegewezen.

B — Naar aanleiding van het antwoord der Commissie betogen verzoeksters het volgende: RT maakt er bezwaar tegen dat de Commissie haar de uitvoer van 3000 ton witte suiker door Erstein in de schoenen schuift; zij heeft slechts 34 % van het maatschappelijk kapitaal van die onderneming in handen en laat zich niet met haar commercieel beleid in. Générale sucrière en Sucres et Denrées betogen dat de Commissie in haar antwoord over de dag van toewijzing en niet over de werkelijke uitvoer heeft gesproken en daarmede langs de vraag van het Hof heeft heengepraat. Sucres et Denrées voegt er aan toe dat evenals de in de loop van 1970 verstrekte uitvoercertificaten konden dienen om in 1971 te exporteren, er begin 1970 exporten konden plaatsvinden krachtens in 1969 afgegeven certificaten. De vennootschap wijst er ook op dat er volgens de cijfers der Commissie alleen aan haar ruwe suiker zou zijn toegewezen. Générale sucrière betoogt dat in het kader van deze grief aan verzoeksters geen verwijt mag worden gemaakt van de exporten van Sucre-Union, Lebaudy-Suc, Erstein en Export. Zij wijst er voorts op dat de door haar als geëxporteerd opgegeven hoeveelheden suiker niet slechts omvatten wat er na inschrijvingen voor vrije suiker werd uitgevoerd, maar ook de exporten krachtens toewijzingen van interventiesuiker; zij geeft echter voor deze tweeërlei hoeveelheden geen cijfers.

C — De Commissie betoogt dat de divergenties tussen haar cijfers en die der verzoeksters hun verklaring kunnen vinden in het feit dat sommige hoeveelheden die in 1970 zijn toegewezen of waarvoor verzoeksters in de loop van dat jaar exportcertificaten hebben verkregen, pas in 1971 zijn uitgevoerd. De beiderzijds opgegeven cijfers liggen echter in dezelfde orde van grootte.

###### ad 3

De Commissie brengt de vaststellingen der beschikking nopens het economisch gewicht der verzoekende ondernemingen in herinnering. De in 1970 toegewezen hoeveelheden zijn bijna geheel naar Belgische of Franse ondernemingen gegaan. Het totaal der toewijzingen aan de ondernemingen die bij de afstemming betrokken waren (241350 + 60000 = 301350 ton) lag in dezelfde orde van grootte als de produktie van Générale sucrière en beliep ongeveer het dubbele van de gemiddelde Ita liaanse importen in de seizoenen 1968/1969 tot en met 1971/1972. Het moet er dus voor worden gehouden dat verzoeksters zich zonder afstemming in een heel andere concurrentiepositie zouden hebben bevonden; de aan deze ondernemingen toe te wijzen hoeveelheden zouden dan een zo onzekere factor hebben gevormd dat sommigen hunner het zoeken van afzetmogelijkheden binnen de gemeenschappelijke markt onder ogen hadden moeten zien. Uit bijlage I, 77 bij het verweerschrift blijkt dat de afstemming volgens RT's eigen verklaring ten doel had een einde te maken aan de strijd om de plaatsing der partijen suiker op de binnenlandse markt.

RT wijst in haar conclusie van repliek weer eens op de aan de Commissie gelaten mogelijkheid aan een inschrijving geen gevolg te geven.

Generale sucrière betwist de stelling dat de afstemming de ondernemingen de zekerheid zou hebben verschaft dat hun bepaalde hoeveelheden zouden worden toegewezen; uit de eigen cijfers der Commissie blijkt dat een niet onaanzienlijk gedeelte is toegewezen aan ondernemingen tot welke de beschikking niet is gericht.

Sucres et Denrées betoogt dat men ter bepaling van de invloed der beweerdelijk afgestemde gedraging de door verzoeksters uitgevoerde hoeveelheden moet vergelijken met de witte suiker die in totaal in de Gemeenschap wordt geproduceerd en die zij, evenals RT, voor 1970 op ± 7000000 ton begroot. Men mag niet stellen dat de 252696 ton witte suiker die zijn geëxporteerd door de ondernemingen die door de Commissie werden beboet (ongeveer 3,5 % van de communautaire produktie) tot minder aanbod op de interne markt had kunnen leiden, immers andere ondernemingen hebben door aan dezelfde inschrijvingen deel te nemen, een door de Commissie op 155600 ton begrote hoeveelheid geëxporteerd, terwijl de interventiebureaus, nog steeds volgens de opgaven van de Commissie zelf, 116250 ton naar derde landen hebben uitgevoerd.

### Ten aanzien van het recht

#### Algemeen deel

1. Overwegende dat de onderhavige beroepen gericht zijn tegen beschikking nr. COM/72/1600 van de Commissie, gedagtekend 2 januari 1973, zoals die tot verzoeksters alsmede tot een aantal andere ondernemingen is gericht en betekend en vervolgens is geplaatst in het Publikatieblad nr. L 140 van 26 mei 1973, blz. 17 t/m 48, aan welke publikatie in de aanhalingen welke in dit arrest voorkomen wordt gerefereerd;

2. dat in artikel 1 der beschikking negen grieven, betreffende de suikerverkoopseizoenen 1968/1969 tot en met 1971/1972 worden vermeld die telkens een of meer van voormelde ondernemingen betreffen, des dat in de gezamenlijke grieven aan ieder hunner wordt verweten een of meermalen een inbreuk te hebben gepleegd of op artikel 85 of op artikel 86 van het EEG-Verdrag dan wel op beide voorschriften te zamen;

3. dat in genoemd artikel 1, lid 1, sub 1 tot en met 4, gewag wordt gemaakt van vier onderling afgestemde feitelijke gedragingen die in strijd met artikel 85 tot afscherming van onderscheidenlijk de Italiaanse, Nederlandse, Westduitse en Zuidduitse markt zouden hebben gestrekt dan wel zodanige afscherming ten gevolge zouden hebben gehad;

4. dat in lid 2 van ditzelfde artikel wordt vastgesteld dat de Commissie „in samenhang met voornoemde onderling afgestemde feitelijke gedragingen” bepaalde „maatregelen” heeft aangetroffen die „ook op zich zelf genomen inbreuken” op de artikelen 85 en 86 „vormen”;

5. dat in artikel 1, lid 3, wordt vastgesteld dat de aldaar genoemde ondernemingen in strijd met artikel 85 bij de inschrijvingen betreffende de restituties voor uitvoer naar derde landen de aan te bieden hoeveelheden en het bedrag der restituties onderling hebben afgestemd;

6. dat in artikel 2 aan de ondernemingen tot welke de beschikking gericht is, is gelast „aan de vastgestelde inbreuken onmiddellijk een einde te maken”;

7. dat in artikel 3 aan de onderscheiden verzoeksters geldboeten van 100000 tot 1500000 rekeneenheden, doch aan de overige in de beschikking bedoelde ondernemingen geen geldboeten zijn opgelegd;

8. dat ten slotte in artikel 4 de ondernemingen worden genoemd tot welke de beschikking is gericht;

9. Overwegende dat de onderscheiden verzoeksters bij tussen 12 en 23 maart 1973 ter griffie van het Hof ingekomen verzoekschriften ieder primair nietigverklaring van de gehele bestreden beschikking, voor zover haar betreffende, hebben gevorderd;

10. dat sommige verzoeksters voor het geval dat het Hof de artikelen 1 en 2 der beschikking mocht bevestigen, subsidiair hebben geconcludeerd dat de hun in artikel 3 opgelegde geldboeten zullen worden vernietigd, althans verminderd;

11. Overwegende dat de zaken zodanig verknocht zijn dat zij ter gelijktijdige berechting bij het arrest dienen te worden gevoegd;

##### II

12. Overwegende dat aan een afzonderlijke behandeling der negen grieven een bespreking dient vooraf te gaan van een vraag die de gezamenlijke grieven raakt, namelijk of, zoals door sommige verzoeksters is gesteld, de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt zodanig is ingericht dat daadwerkelijke mededinging zou zijn uitgesloten;

13. Overwegende dat in de bepalingen betreffende deze ordening met name de vaststelling is voorzien van een door de suikerfabrikanten bij aankoop van suikerbieten te betalen minimumprijs, een drempelprijs, een richtprijs, interventieprijzen tegen welke de nationale bureaus gehouden zijn de hun aangeboden suiker te kopen, alsook een heffing bij invoer en de toekenning van restituties bij uitvoer, denatureringspremies en — voor de chemische industrie — produktierestituties;

14. dat de suikermarktordening, anders dan de gemeenschappelijke ordeningen van andere landbouwmarkten, medebrengt dat iedere Lid-Staat op grondslag van de hem toegewezen basishoeveelheid voor iedere op zijn grondgebied gevestigde suikerproducerende fabriek of onderneming een basisquotum en een maximumquotum vaststelt; met dien verstande dat eensdeels de Lid-Staten voor de hoeveelheid suiker die het basisquotum doch niet het maximumquotum overschrijdt, ten laste van de betrokken fabrikant een produktieheffing toepassen en overigens de hoeveelheid die het maximumquotum overschrijdt in beginsel niet op de binnenmarkt kan worden afgezet;

15. dat de suikermarkt in economisch opzicht met name wordt gekenmerkt door de verregaand homogene en gestandardiseerde aard van het produkt, de vrij hoge kosten aan het vervoer van suiker verbonden en het feit dat de transportkosten aan het vervoer van suikerbieten over grote afstand in de weg staan;

16. Overwegende dat vaststaat dat voormeld stelsel van nationale quota, dat een geleidelijke verlegging van de produktie naar gebieden die zich in bijzondere mate voor de bietenteelt lenen alsook een belangrijke uitbreiding der produktie heeft belet, ook de hoeveelheden die de producenten op de gemeenschappelijke markt kunnen afzetten heeft beperkt;

17. dat die beperking, in samenhang met de naar verhouding hoge kosten van vervoer, een niet te onderschatten invloed kan hebben op een wezenlijk element der mededinging, te weten het aanbod, en langs die weg ook op de omvang en de structuur van het handelsverkeer tussen Lid-Staten;

18. dat voorts het feit dat er voor alle Lid-Staten behalve Italië een uniforme interventieprijs is vastgesteld, een snelle uitbreiding van de intracommunautaire handel, die de mededinging had kunnen aanwakkeren, kon belemmeren, te meer waar enerzijds alle oude Lid-Staten met uitzondering van Italië en Luxemburg min of meer in staat waren uit eigen produktie in hun behoeften te voorzien, terwijl anderzijds de suikerfabrieken, behoudens in enkele uitzonderingsgevallen, ten opzichte van de verbruiksgebieden in hun onderscheiden landen gunstiger gelegen zijn dan de fabrieken der andere Lid-Staten;

19. Overwegende dat evenwel bepaalde andere elementen der communautaire regeling hetzij de ontwikkeling van het handelsverkeer tussen Lid-Staten en mitsdien van een daadwerkelijke mededinging begunstigen hetzij op zijn minst het in tegengestelde zin werkend effect van de hiervoor bedoelde elementen kunnen afzwakken;

20. dat vooreerst deze regeling — die zowel gebieden met een overschot als gebieden met een tekort heeft laten bestaan — door het verdwijnen der intracommunautaire hinderpalen wordt gekenmerkt;

21. dat voorts de „prijzen” welke in de communautaire regeling zijn vastgesteld of voorzien, niet de bij verkoop aan handelaars, verbruikers of consumenten geldende prijzen zijn, zodat de producenten in zekere mate vrij blijven zelf te beslissen tegen welke prijs zij hun produkten wensen af te zetten;

22. dat ook in het dossier talrijke gegevens, de posita van een aantal verzoeksters daaronder begrepen, te vinden zijn, blijkens welke de verkoopprijs wel verre van door belanghebbenden te worden opgevat als een door de communautaire regeling praktisch reeds vastgestelde grootheid, bij gelegenheid de inzet van harde onderhandelingen is geweest;

23. dat de gemeenschappelijke marktordening ook geen enkele merkbare of zelfs maar onrechtstreekse invloed heeft op bepaalde factoren die eveneens het voorwerp van daadwerkelijke mededinging kunnen vormen of zodanige mededinging kunnen verzekeren, zoals de omvang van de vraag, de verkoopcondities (anders dan de prijs) of de kwaliteit van de service;

24. dat welke bezwaren men ook kan inbrengen tegen een stelsel dat een afscherming van de nationale markten, met name door middel van nationale quota, in de hand werkt — en waarvan de consequenties hierna zullen worden besproken — er anderzijds wel degelijk een beperkt domein is overgebleven waar de mededingingsregelen onverkort tot gelding komen;

##### III

25. Overwegende dat nu in een aantal grieven der Commissie aan betrokkenen „onderling afgestemde feitelijke gedragingen” in de zin van artikel 85 van het Verdrag worden verweten, de draagwijdte van dat begrip — en de wijze waarop het op een bepaalde casuspositie moet worden toegepast — dienen te worden gereleveerd;

26. Overwegende dat onder een „onderling afgestemde feitelijke gedraging” is te begrijpen een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico's der concurrentie welbewust vervangt door een onderlinge samenwerking welke leidt tot mededingingsvoorwaarden die gelet op de aard der produkten, op de grootte en het aantal der ondernemingen *en* op de omvang en *de aard* van de betrokken markt, niet met de normaal te achten marktvoorwaarden overeenkomen;

27. dat zodanige feitelijke samenwerking met name een onderling afgestemde gedraging behelst wanneer belanghebbenden in staat gesteld worden om eenmaal ingenomen posiies te bevriezen ten detrimente van een daadwerkelijk vrij verkeer der produkten binnen de gemeenschappelijke markt en van de vrijheid der verbruikers in de keuze van hun leveranciers;

28. dat een juiste beoordeling van de vraag of er in casu van afstemming sprake is, alleen mogelijk is wanneer de door de Commissie genoemde aanwijzingen niet afzonderlijk, doch gezamenlijk worden bezien, en gelet wordt op de kenmerken van de betrokken markt;

###### Eerste hoof stuk · De grief ener onderling afgestemde, op afscherming van de Italiaanse markt gerichte gedraging

29. Overwegende dat blijkens artikel 1, sub 1, van de bestreden beschikking aan Eridania, Zuccherificio, Cavarzere, Industria degli Zuccheri, Romana, Volano, Emiliana, SADAM, Sermide enerzijds en aan Sucres et Denrées, Béghin, Sucre-Union, Say, Générale Sucrière, Lebaudy-SUC, RT en SZAG anderzijds wordt verweten dat zij „vanaf het einde van het verkoopseizoen 1968/1969 'inbreuk hebben gepleegd op artikel 85, lid 1, door aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging deel te nemen die ertoe strekt en ten gevolge heeft de leveranties op de Italiaanse suikermarkt te controleren en deze markt bijgevolg af te schermen”;

###### I — Samenvatting van de posita der beschikking en van hetgeen door partijen in hoofdzaak is betoogd

30. Overwegende dat het marktgedrag der verzoeksters volgens de Commissie op een volgens artikel 85 van het Verdrag verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging neerkomt, met name omdat „elke mededinging op de Italiaanse markt uitgesloten is tussen voornoemde Franse, Belgische en Duitse leveranciers en de Italiaanse importeursgroep”;

31. dat volgens de Commissie de beperkingen „bijzonder duidelijk” zijn „omdat enerzijds de leveranciers volgens quota de te leveren hoeveelheden onderling hebben verdeeld … en anderzijds de Franse en Belgische leveranciers hun offertes hebben gecombineerd door tussenkomst van Sucres et Denrées, waarbij de Italiaanse fabrikanten door Eridania werden vertegenwoordigd”;

32. dat „zonder deze verkopen tussen fabrikanten … de fabrikanten van de overschotlanden … hun suiker individueel op de Italiaanse markt zouden verkopen en zelf de hoeveelheden, de prijzen en de verdelingskanalen zouden bepalen”, zodat het er voor zou moeten worden gehouden dat „voor de hoeveelheden die zij aan hun concurrenten hebben verkocht de fabrikanten aldus afzien van een individuele handelsactiviteit op de Italiaanse markt”;

33. dat de omstreden gedragingen een beperking van de mededinging zouden vormen die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden en schade kan toebrengen aan de verwezenlijking der doelstellingen van één markt tussen Staten;

34. Overwegende dat verzoeksters, voorzover zij het hun in de beschikking telastgelegde marktgedrag niet betwisten, betogen dat bedoeld gedrag niet onder het verbod van artikel 85 van het Verdrag valt, aangezien enerzijds de verordeningen van de Gemeenschap in samenhang met de maatregelen der nationale overheden ook de Italiaanse suikermarkt geen mogelijkheid zou hebben gelaten tot het bedrijven ener voor verhindering, beperking of vervalsing vatbare mededinging, terwijl anderzijds de gewraakte gedragingen het onvermijdelijk gevolg van die maatregelen zouden zijn geweest;

35. Overwegende dat de Commissie enerzijds heeft geantwoord dat de communautaire en de Italiaanse voorschriften niet aan een daadwerkelijke mededinging in de weg zouden hebben gestaan en anderzijds dat de Italiaanse maatregelen verzoeksters niet zouden hebben gedwongen te handelen zoals zij in feite hebben gedaan;

###### II — Onderzoek van het middel

36. Overwegende dat allereerst dient te worden nagegaan welke invloed bij de beoordeling van het geschil aan de Italiaanse voorschriften en aan de andere maatregelen der Italiaanse gezagsorganen moet worden toegekend;

37. 1.Overwegende dat in de loop van de hierbedoelde jaren door het „Comitato interministeriale dei prezzi” (Interministerieel prijzencomité), een Italiaanse publiekrechtelijke instelling, hierna te noemen „CIP”, een reeks beschikkingen („provvedimenti”) zijn genomen waarbij steunmaatregelen werden ingesteld in hoofdzaak ten behoeve van de Italiaanse ondernemers (bietentelers, suikerfabrikanten, exporteurs van suiker), welke steun moest worden uitgekeerd door de „Cassa conguaglio zucchero” (vereveningskas voor suiker), een Italiaanse publiekrechtelijke instelling, na te noemen „Ccz”, die volgens de desbetreffende voorschriften belast was met „de vereveningen noodzakelijk met het oog op een geleidelijke integratie van de Italiaanse suikereconomie in die van de Gemeenschap voor de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt in de sector suiker”;

38. dat die steun wordt gefinancierd door een toeslag („sovrapprezzo”) van 23 lire per kilogram, zijnde het verschil tussen de in Italië geldende koersen en de aldaar toepasselijke afgeleide interventieprijs van de Gemeenschap, welke toeslag zowel op „nationale” als op ingevoerde suiker is gelegd — met dien verstande dat de toeslag op ingevoerde suiker weer is verlaagd ter compensatie voor de kostprijs van buitenlandse suiker, voorzover die van „nationale” suiker te boven gaande, waarmede tevens de invoer werd vergemakkelijkt van het quantum dat voor de aanvulling van het tekort der Italiaanse produktie noodzakelijk werd geacht;

39. dat in deze verlaging was voorzien omdat de transportkosten de invoer van suiker uit de Gemeenschap in Italië onmogelijk zouden hebben gemaakt indien men betaling van de volledige „sovrapprezzo” zou hebben verlangd, daar buitenlandse leveranciers hun produkten dan slechts hadden kunnen aanbieden tegen een prijs gelegen boven het door de Italiaanse overheid vastgestelde maximum, hetgeen volgens het CIP „tegen de doelstellingen \[der beschikking\] zou indruisen”;

40. Overwegende dat de Ccz volgens genoemde beschikkingen kon overgaan tot openbare inschrijvingen, die waren opengesteld voor alle ondernemers die ten minste 1000 ton suiker uit de Gemeenschap wensten in te voeren, en die betrekking hadden op het verlaagde „sovrapprezzo”-bedrag dat belanghebbenden wél bereid waren te storten, met dien verstande dat de totale hoeveelheden die konden worden toegewezen en waarvoor dus een verlaagde „sovrapprezzo” kon gelden, niet een telken male door het CIP vastgesteld maximum mochten overschrijden;

41. dat aangezien dit stelsel in beginsel berust op de wens van de Italiaanse administratie van de inschrijvers het hoogst mogelijke met de maximumprijzen verenigbare „sovrapprezzo”-percentage te verkrijgen, de Ccz was gemachtigd binnenskamers het door haar als passende prijs („prezzo congruo”) beschouwd evenredig gedeelte van de „sovrapprezzo” vast te stellen en de importen toe te wijzen naar gelang van de hoeveelheid en het „sovrapprezzo”-bedrag dat door de gegadigden werd geboden;

42. dat om zekerheid te hebben dat de importen overeenkomstig de gestelde voorwaarden zullen geschieden, de ten deze toepasselijke bepalingen van belanghebbenden storting van een betrekkelijk hoge waarborgsom hebben verlangd onder bepaling dat bij niet-inachtneming dier voorwaarden de gehele „sovrapprezzo” moet worden betaald;

43. Overwegende dat het CIP op grond van de overweging dat „niet alle ondernemers kunnen beschikken over een organisatie welke het hun mogelijk maakt aan openbare inschijvingen deel te nemen”, de Ccz heeft gemachtigd om tot een totale hoeveelheid van 10000 ton en in hoeveelheden van ten hoogste 1000 ton (later 6000 ton) per gegadigde ook buiten de openbare inschrij ving om importen tegen een verlaagde „sovrapprezzo” toe te staan, met dien verstande dat wanneer de uit dien hoofde aangevraagde totale hoeveelheid 10000 ton te boven mocht gaan, de door iedere belanghebbende aangevraagde hoeveelheden naar evenredigheid zullen worden verminderd;

44. dat in latere beschikkingen is bepaald dat de buiten openbare inschrijving om ingevoerde hoeveelheden moesten worden gereserveerd voor industriële verbruikers en in totaal 20 % — later 25 % — van de per inschrijving vastgestelde maximumhoeveelheid niet mochten te boven gaan;

45. dat het stelsel van openbare inschrijvingen en importen buiten openbare inschrijving om kennelijk ten doel had slechts de invoer van de hoeveelheden die tot dekking van het tekort der nationale produktie strikt noodzakelijk waren mogelijk te maken;

46. Overwegende dat de Italiaanse overheid, na het vóór de communautaire regeling geldende stelsel van maximum-consumentenprijzen te hebben afgeschaft, ten einde de Italiaanse consument prijsverhogingen te besparen die niet uit wijzigingen van de prijzen in de Gemeenschappen voortvloeien", in 1969 beschikking nr. 1236 heeft vastgesteld die praktisch tot hetzelfde resultaat leidt, en wel door middel van de bepaling dat de maximale grenzen der „prijsverschillen” voor de onderscheiden suikerkwaliteiten en -soorten en voor de vergoedingen ter zake van de verpakking van het produkt, alsook voor de handelsmarges bij verkoop van het produkt voor consumptie gelijk blijven aan „die welke volgen uit een vergelijking met de in de beschikking nr. 1119 van 1965 genoemde prijzen” enerzijds voor verkoop door de producent en anderzijds voor verkoop aan de consument;

47. dat in het rondschrijven nr. 1237, waarmede uitvoering werd gegeven aan beschikking nr. 1236, is vastgesteld de suikerprijs af-fabriek, waaruit de uniforme maximum-consumentenprijs rechtstreeks kan worden afgeleid, namelijk door optelling van bedragen die deels zijn te vinden in communautaire voorschriften tot vaststelling van de afgeleide interventieprijs, deels in de beschikkingen van het CIP;

48. dat er blijkbaar niet alleen in het stadium der consumptie, doch ook in dat der produktie, en derhalve met name ook bij suikerverkoop aan de verwerkende industrie, maximumprijzen golden;

49. dat weliswaar de beschikking nr. 1236 en het rondschrijven nr. 1237 door de Consiglio dello Stato zijn nietigverklaard, doch dat opmerking verdient enerzijds dat bedoeld arrest pas op 29 februari 1972 is gewezen, en anderzijds dat daarin de betrokken maatregelen zakelijk geoorloofd zijn bevonden en dat voormelde prijzenregeling in feite van toepassing is gebleven;

50. 2\. A —Overwegende dat de Commissie niet in ernst betwist dat deze regeling en de daaraan gegeven uitvoering op het gewraakte gedrag van verzoeksters van invloed zijn geweest;

51. dat allereerst bij de verdere uitwerking van de onderhavige grief onder meer wordt gerefereerd aan de openbare inschrijvingen van de Ccz, met name door de vaststelling „dat de importeursgroep in de praktijk ongeveer 75 % van het totale bedrag van de bij *inschrijving* toegewezen invoer voor zijn rekening genomen heeft” (beschikking, blz. 24, sub C 13), „dat de hoeveelheden suiker die Eridania of andere leden van de groep *bij inschrijving waren toegewezen*, volledig door de leveranciersgroep zijn geleverd” (loc. cit.) en dat „de afstemming tussen fabrikanten-importeurs zich manifesteert … in het feit dat *bij de inschrijvingen* identieke sovrapprezzo-percentages werden geboden (in werkelijkheid in het feit dat er krachtens tevoren gemaakte overeenkomsten en verdelingen gemeenschappelijk werd ingekocht)” (verweerschrift in de zaak 114-73, blz. 58), door welke handelwijze „de inschrijvingen de hun toekomende rol \[niet hebben\] kunnen spelen” (loc. cit. blz. 42);

52. dat de Commissie verzoeksters voorts meer in het algemeen verwijt dat zij „van de Italiaanse regeling gebruik gemaakt hebben om de mededingingsmogelijkheden te beperken” (conclusie van dupliek in de zaak 118-73, blz. 17) en betoogt dat die regeling niet alles verklaart (loc. cit., blz. 19), hetgeen erop neerkomt dat zij althans voor bepaalde aspecten van het optreden der verzoeksters wel een verklaring oplevert;

53. dat bovendien in een als bijlage 16 bij het verweerschrift in de zaak 41-73 gevoegd „verificatierapport”, opgesteld door functionarissen van de Commissie (Directoraat-generaal concurrentie), wordt gezegd dat „de praktische gang van zaken bij de inschrijvingen ontegenzeggelijk een onderling afgestemd gedrag der Italiaanse fabrikanten, op controle van alle importen gericht, in de hand werkt”;

54. dat de Commissie voorts bepaalde deels als bewijsaanbod geformuleerde stellingen van Eridania niet heeft weersproken, namelijk enerzijds dat de Italiaanse Regering steeds „openlijk de wens heeft uitgesproken en bepleit” dat de Italiaanse fabrikanten zouden „deelnemen aan en overgaan tot … de importen welke tot dekking van het tekort der nationale produktie noodzakelijk zijn”, en wel zulks „op gerationaliseerde” — dat wil zeggen afgestemde — „wijze”, en anderzijds dat die regering „steeds de wezenlijke doelstelling van een enkele suikerprijs heeft nagestreefd …, zowel voor suiker bestemd voor menselijke consumptie als voor suiker die voor de verwerkende industrie bestemd was” (conclusie van repliek in de zaak 114-73, blz. 57, 58, 78-79; vgl. ook verzoekschrift in dezelfde zaak, blz. 25);

55. dat de Commissie evenmin de als bewijsaanbod geformuleerde stellingen van Sucres et Denrées heeft weersproken volgens welke enerzijds een hoge Italiaanse ambtenaar „Sucres et Denrées mededeling heeft gedaan … van de noodzaak te komen tot harmonisatie van de leveringen zowel aan deze als aan gene zijde van de Frans-Italiaanse grens, opdat de eenheid van de prijs op het Italiaanse grondgebied kan worden geëerbiedigd … een gebiedende sociaaleconomische noodzaak voor de Italiaanse autoriteiten”, en anderzijds dat „het stelsel der openbare inschrijvingen … is ingevoerd als een middel om die eenheid van prijs te bereiken, dank zij het feit dat de belangrijkste Italiaanse importeurs zich hebben verplicht die eenheid te eerbiedigen” (verzoekschrift in de zaak 48-73, blz. 18-19);

56. dat deze stellingen bovendien in overeenstemming zijn met de bedoelingen welke blijken uit de omstreden regeling, die er immers met name op is gericht de invoer te beperken tot het ter aanvulling van de deficitaire Italiaanse produktie noodzakelijke minimum, de kostprijs van buitenlandse suiker aan die van suiker uit het eigen land aan te passen en de prijzen in Italië op een en hetzelfde, naar verhouding lage, niveau te handhaven;

57. B —Overwegende dat, nog afgezien van deze overwegingen, genoemde voorschriften — in samenhang met de invloed welke de Italiaanse overheid op het optreden der belanghebbende fabrikanten heeft uitgeoefend — in menig opzicht geëigend was een concentratie van de Italiaanse vraag in handen van de grote fabrikanten alsmede een aaneensluiting van fabrikanten-importeurs alsook van leveranciers-exporteurs te weeg te brengen;

58. Overwegende in de eerste plaats dat een contingentering van voor een verlaagde „sovrapprezzo” in aanmerking komende importen, bezien in samenhang met de risico's aan de inschrijvingen verbonden, belanghebbenden kon aansporen tot verdeling zowel van het aanbod als van de vraag over te gaan en zich over het te bieden „sovrapprezzo”-bedrag te verstaan, ten einde te voorkomen dat deze of gene belanghebbende zich op grond van een te laag bod van de desbetreffende leveringen zou zien uitgesloten;

59. dat zulks vooraal geldt voor de buitenlandse leveranciers die aanzienlijke overschotten hadden af te zetten alsook voor de kleine Italiaanse fabrikanten die geen grote transacties konden afsluiten;

60. Overwegende voorts dat vaststelling van aanzienlijke hoeveelheden (1000 ton) waarvoor bij de openbare inschrijvingen door individuele gegadigden minimaal kon worden geboden — met het ontbreken van een onafhankelijke verkooporganisatie en het feit dat het de industriële verbruikers, die niet over opslagmogelijkheden beschikken en zich in de regel van dag tot dag bevoorraden, vrijwel niet mogelijk was aan de inschrijvingen deel te nemen — er noodzakelijkerwijze toe geleid heeft dat de Italiaanse fabrikanten, in overeenstemming met de wens van de Italiaanse overheid, praktisch gesproken als enigen tot inschrijving in staat waren, hetgeen de buitenlandse leveranciers er wel toe moest brengen de suiker die zij naar Italië wensten te exporteren goeddeels aan die fabrikanten aan te bieden;

61. dat voorts de omstandigheid dat de hoeveelheden die men buiten inschrijving om wenste in te voeren naar evenredigheid werden verlaagd zodra zij te zamen de 10000 ton te boven gingen, het voor belanghebbenden minder aantrekkelijk maakte van dit invoersysteem gebruik te maken en hun een aansporing moest zijn zich rechtstreeks bij de fabrikanten uit het eigen land te bevoorraden;

62. dat bedoelde vaststelling van minimumhoeveelheden bovendien de kleine Italiaanse fabrikanten, bedacht op behoud van de mogelijkheid aan de invoertransacties deel te nemen, tot samenwerking met grotere fabrikanten kon dwingen;

63. Overwegende dat centralisatie van vraag en aanbod als de consequentie van de Italiaanse regeling was te beschouwen en ook werd in de hand gewerkt door het feit dat er de kopers wegens de omvang der hoeveelheden die via inschrijving werden ingevoerd, veel aan gelegen moest zijn zich te richten tot exporteurs met een voldoende produktievolume die waarborgen boden voor regelmatige en geconcentreerde leveranties en in staat waren transacties tegen interessante prijzen aan te gaan, met name doordat bijzonder gunstige vervoercondities konden worden bedongen die de spoorwegmaatschappijen voor geringere hoeveelheden niet hadden kunnen aanvaarden;

64. dat in deze omstandigheden enerzijds de fabrikanten-exporteurs goede redenen konden hebben de uitvoering der exporttransacties toe te vertrouwen aan een en dezelfde tussenpersoon, te weten Sucres et Denrées, een internationaal handelskantoor dat voor het welslagen der transacties de onmisbare waarborgen kon bieden, terwijl anderzijds ook de fabrikanten-importeurs tot centralisatie van hun aankopen werden gebracht en te dier zake volmacht gaven aan Eridania, een grote Italiaanse fabrikant;

65. 3.Overwegende dat al deze overwegingen tot de slotsom voeren dat de Italiaanse voorschriften, en hun wijze van uitvoering, op de wezenlijke elementen van het gewraakte marktgedrag der betrokken ondernemingen van doorslaggevende invloed zijn geweest, zodat blijkbaar de omstreden samenwerking zonder toepassing van die voorschriften niet zou zijn totstandgekomen dan wel een andere vorm zou hebben aangenomen dan de Commissie thans aan betrokkenen te last legt;

66. Overwegende dat uit de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie met die invloed onvoldoende rekening heeft gehouden en aldus een ter beoordeling der gemaakte inbreuken onmisbaar gegeven buiten beschouwing heeft gelaten;

67. 4.Overwegende bovendien dat de Italiaanse voorschriften en de daaraan gegeven toepassing ertoe strekten en tot gevolg hadden de omvang van het aanbod precies aan die van de vraag aan te passen, waarmede een wezenlijk element ener normaal functionerende mededinging werd uitgeschakeld;

68. dat de hiervoor omschreven voorschriften voorts belanghebbenden aanzienlijk hebben beknot in hun mogelijkheden de prijs te bedingen die uit het vrije spel van vraag en aanbod zou zijn voortgevloeid;

69. dat de Italiaanse regeling bovendien indirect maar in wezenlijke mate aan de vrijheid der kopers bij de keuze van hun leveranciers — en omgekeerd — in de weg heeft gestaan;

70. dat trouwens de enige daadwerkelijke „mededinging” welke deze regeling althans schijnbaar in stand heeft gelaten, te weten die met betrekking tot de „sovrapprezzo”-bedragen welke bij de inschrijvingen zouden worden geboden, op een niet te verwaarlozen bestanddeel van de kostprijs van eventuele kopers, en derhalve ook op de bij wederverkoop der toegewezen suiker te berekenen prijzen, een verhogend effect kon uitoefenen, hoewel de mededingingsvoorschriften van het Verdrag er onder meer juist toe strekken ondernemersafspraken welke belanghebbenden in staat stellen ongerechtvaardigde prijzen te berekenen, tegen te gaan;

71. Overwegende dat waar, naar hiervoor werd overwogen, met name het stelsel der nationale quota, door opsplitsing van de nationale markten de mededingingsregelen slechts op een beperkt domein onverkort tot gelding laat komen, dat domein door de speciale ordening van de Italiaanse markt andermaal wezenlijk wordt ingeperkt;

72. Overwegende dat uit vorenstaande overwegingen volgt dat het gewraakte marktgedrag aan de mededinging niet merkbaar afbreuk heeft kunnen doen, zodat het niet onder het verbod van artikel 85 van het Verdrag kan worden gebracht;

73. Overwegende dat derhalve artikel 1, lid 1, sub 1, van de bestreden beschikking moet worden vernietigd;

###### Tweede Hoofdstuk · De grief betreffende een onderling afgestemde, op afscherming van de Nederlandse markt gerichte gedraging

74. Overwegende dat in artikel 1, lid 1, sub 2, van de bestreden beschikking aan SU en CSM enerzijds en aan RT en Pfeifer & Langen anderzijds wordt verweten dat zij „sedert het verkoopseizoen 1968/1969 (Pfeifer & Langen sinds 1970/1971)” — dat wil zeggen in het tijdvak lopende van het verkoopseizoen 1968/1969 tot en met het verkoopseizoen 1971/1972 — „inbreuk hebben gepleegd op artikel 85, lid 1, door aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging deel te nemen die ertoe strekt en ten gevolge heeft de leveranties op de Nederlandse suikermarkt te controleren en deze markt bijgevolg af te schermen”;

###### Eerste afdeling: In limine litis opgeworpen middel: De „Coöperatieve Vereniging Suiker Unie UA” (SU) zou gedurende een gedeelte van het tijdvak waarop de onderhavige grief betrekking heeft, niet hebben bestaan.

75. I —Overwegende dat SU betoogt dat zij haar bedrijf pas op 2 januari 1971 heeft aangevangen, zodat de beschikking feitelijke grondslag zou missen voor zover erin wordt vastgesteld dat verzoekster „sedert het verkoopseizoen 1968/1969” inbreuken heeft gepleegd;

76. dat de Commissie evenzo verordening nr. 17, en wel met name artikel 15, lid 2, dier verordening, zou hebben geschonden door aan verzoekster een geldboete op te leggen wegens een feit dat in het grootste gedeelte van bedoeld tijdvak niet door haar kan zijn begaan;

77. Overwegende dat uit het dossier als geheel blijkt dat in 1966 vier suikerproducerende Nederlandse coöperaties — met suikerbietentelers als leden — hebben opgericht een „Coöperatieve Vereniging Suiker Unie UA”, hierna te noemen de oude vereniging, die bepaaldelijk met de coördinatie van de bedrijfsuitoefening van genoemde coöperaties was belast, des dat deze laatsten zich, met name wat betreft de exploitatie der installaties, de investeringen en de prijzen, naar haar instructies hadden te gedragen;

78. dat de vier coöperaties tot een verdergaande samenwerking en zelfs tot fusie wilden geraken en daartoe op 16 juli 1970 een gelijknamige „Coöperatieve Vereniging Suiker Unie UA” hebben opgericht, waarbij de. leden de coöperaties rechtstreeks als leden waren aangesloten, welke vereniging, verzoekster in de onderhavige zaak, haar bedrijfsuitoefening op 1 januari 1971 heeft aangevangen;

79. dat de oude vereniging, na haar naam te hebben gewijzigd in „Coöperatieve Vereniging Suiker Unie Beheer UA”, haar activiteiten heeft beëindigd op het tijdstip waarop verzoekster haar bedrijfsuitoefening aanving, en per 1 juni 1971 is ontbonden;

80. dat de vier coöperaties, leden van de oude vereniging, per 31 december 1970 in liquidatie zijn getreden en dat verzoekster op 1 januari 1971 al hun rechten en verplichtingen heeft overgenomen;

81. Overwegende dat verzoekster stelt niet aansprakelijk te kunnen worden gesteld voor feiten begaan door de oude vereniging, die niet haar rechtsvoorganger was en die niet beschikte over een bedrijf of bedrijfsmiddelen welke aan verzoekster konden worden overgedragen, nog daargelaten dat overdracht van een bedrijf onder algemene titel naar Nederlands recht onbekend is;

82. dat verzoekster slechts de opvolgster — in juridische en economische zin — zou zijn van de vier coöperaties, in wier naam evenwel het bestanddeel „Suiker Unie” niet voorkwam;

83. dat zo zij al als rechtsopvolgster van de oude vereniging zou moeten worden beschouwd, nochtans zou moeten worden bedacht dat de verplichtingen welke uit de beschikking zijn voortgevloeid, niet in hoofde van deze vereniging, doch rechtstreeks in hoofde van Suiker Unie zijn ontstaan;

84. II —Overwegende dat verzoekster alle rechten en verplichtingen van de vier coöperaties van de oude vereniging heeft overgenomen en mitsdien als opvolgster in economische zin is te beschouwen van de oude vereniging zowel als van haar leden — die haar ook zelf die functie wilden toewijzen —;

85. dat verzoekster ook niet betwist dat onder de benaming „Suiker Unie” steeds dezelfde ondernemingen, grotendeels geleid door dezelfde personen en hun zetel houdend op hetzelfde adres, zijn begrepen;

86. dat zelfs niet is gesteld dat verzoeksters marktgedrag naar aard van dat der oude vereniging zou hebben verschild;

87. dat in die omstandigheden het gedrag van verzoekster en haar voorgangster met betrekking tot de suikermarkt gekenmerkt is geweest door een kennelijke eenheid van optreden welke medebrengt dat bedoeld gedrag aan verzoekster mag worden toegerekend;

88. dat het middel derhalve ongegrond is;

###### Tweede af deling: Middelen van formele en processuele aard

###### I — Middelen betreffende de administratieve procedure

###### 1. Schending van het „fair trial”-beginsel door voortijdige publikaties

89. Overwegende dat SU, CSM en Pfeifer & Langen de Commissie verwijten het „fair trial”-beginsel te hebben geschonden door publiekelijk bepaalde verklaringen af te leggen waarin de gestelde inbreuken als vaststaand worden voorgesteld, en zulks op een tijdstip waarop belanghebbenden zelfs nog geen standpunt ten aanzien van de hen betreffende grieven hadden kunnen innemen;

90. dat de Commissie zich aldus de mogelijkheid zou hebben ontnomen de feiten en de door verzoeksters voorgedragen argumenten geheel onbevangen te beoordelen;

91. Overwegende dat het dossier nergens grond geeft aan het vermoeden dat de bestreden beschikking achterwege zou zijn gebleven dan wel een andere inhoud zou hebben gekregen wanneer de omstreden uitlatingen niet zouden zijn gedaan, waarbij buiten beschouwing kan blijven of zij uit anderen hoofde kritiek verdienen;

92. dat in de beschikking trouwens niet alle grieven die in de mededeling van de punten van bezwaar waren vermeld, zijn gehandhaafd;

93. dat het middel derhalve dient te worden verworpen;

###### 2. Te korte termijnen voor het maken van opmerkingen

94. Overwegende dat SU, CSM en Pfeifer & Langen betogen dat de Commissie door aan belanghebbenden een termijn van slechts twee maanden te stellen binnen welke zij hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de punten van bezwaar hadden in te dienen, artikel 11 van verordening nr. 99/63 zou hebben geschonden volgens hetwelk de Commissie bij de vaststelling der in die verordening genoemde termijnen rekening houdt „met de voor het formuleren van een standpunt benodigde tijd”;

95. dat de aldus gestelde termijn te kort zou zijn, vooral wanneer men bedenkt dat de Commissie zelf voor haar onderzoek meer dan twee jaren nodig heeft gehad;

96. Overwegende dat de hierbedoelde termijn volgens artikel 11 „ten minste twee weken” moet bedragen, zodat de Commissie door haar op twee maanden te stellen aan belanghebbenden veel meer dan de in deze bepaling voorziene minimumtijd heeft gelaten;

97. dat de Commissie bovendien, in aanmerking genomen de in dit voorschrift gestelde eis dat ook rekening worde gehouden met „de mate waarin het geval spoedeisend is”, op grond van het terecht of ten onrechte door haar gehuldigde standpunt ten deze te maken te hebben met een reeks ondernemersafspraken van bijzonder schadelijke aard, termen aanwezig heeft kunnen achten de administratieve procedure te bespoedigen ten einde aan de gewraakte gedragingen ten spoedigste een einde te kunnen maken;

98. dat vergelijking van de tussen aanvang en afsluiting van het onderzoek verstreken tijd met de omstreden termijn van twee maanden niet ter zake dienende is, aangezien de Commissie een veelomvattend feitenmateriaal heeft moeten verzamelen met betrekking tot een groot aantal ondernemingen, die zich ieder voornamelijk over het eigen marktgedrag hadden uit te laten;

99. dat het middel derhalve faalt;

###### 3. De Commissie zou bepaalde door SU gestelde feiten niet in aanmerking hebben genomen

100. Overwegende dat SU betoogt dat de Commissie artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 en artikel 1 van verordening nr. 99/63 heeft geschonden doordien een lid van de Commissie op een op 18 december 1972 gehouden persconferentie zou hebben verklaard dat geen der in de beschikking bedoelde bedrijven zich erop had beroepen de suikerprijs in overleg met de bevoegde gezagsorganen van zijn Lid-Staat te hebben vastgesteld, ofschoon SU tijdens de administratieve procedure nu juist had gesteld dat dit wat haar betreft wel het geval was;

101. Overwegende dat de Commissie blijkens genoemde bepalingen gehouden is om, alvorens een beschikking te nemen en het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtspositie te horen, belanghebbenden in de gelegenheid te stellen „hun standpunt kenbaar te maken ter zake van de punten van bezwaar welke de Commissie in aanmerking heeft genomen”;

102. dat uit SU's eigen betoog blijkt dat zij in de gelegenheid gesteld is te dien aanzien haar standpunt te bepalen;

103. dat wanneer een lid van de Commissie aan de pers al onjuiste inlichtingen mocht hebben verstrekt met betrekking tot hetgeen door een onderneming in de loop van de administratieve procedure is gesteld, daarmede nog niet zou vaststaan dat de Commissie die posita niet in aanmerking heeft genomen;

104. dat het middel derhalve ongegrond is;

###### 4. Schending van artikel 4 van verordening nr. 99/63

105. Overwegende dat de Commissie volgens SU artikel 4 van verordening nr. 99/63 heeft geschonden, naar luid waarvan „de Commissie … slechts de punten van bezwaar in aanmerking \[neemt\], waarover de ondernemingen en ondernemersverenigingen, tegen wie de beslissing gericht is, in de gelegenheid zijn geweest hun standpunt kenbaar te maken”;

106. dat de aankopen van de Nederlandse fabrikanten bij RT en Pfeifer & Langen volgens de beschikking als een zelfstandige inbreuk zouden zijn te beschouwen, terwijl ze in de mededeling alleen maar als aanwijzing voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging in aanmerking waren genomen;

107. Overwegende dat de Commissie blijkens letter en geest van de beschikking niet staande houdt dat leveranties van fabrikant aan fabrikant op zichzelf ongeoorloofd zijn, doch de ongeoorloofde aard der onderhavige transacties gelegen acht in de omstandigheid dat zij deel zouden uitmaken van onderling afgestemde feitelijke gedragingen;

108. dat de beschikking dus in zoverre niet van de mededeling afwijkt, zodat het middel ongegrond is;

###### II — Middelen de redactie en de betekening der beschikking betreffende

###### 1. Schending van de rechten der verdediging doordat er één enkele beschikking is genomen; schending van artikel 191, tweede alinea, van het Verdrag en van artikel 3 van verordening nr. 1

109. A —Overwegende dat SU en CSM de Commissie verwijten dat zij de rechten der verdediging zou hebben geschonden door één enkele beschikking te nemen ten aanzien van een groot aantal ondernemingen — en met betrekking tot een reeks beweerdelijk begane feiten tussen welke geen samenhang bestaat—;

110. dat zulk een handelwijze de adressaten der beschikking in het onzekere zou hebben gelaten over hetgeen aan ieder hunner individueel wordt verweten en er toe zou kunnen leiden dat mogelijkerwijs door een der ondernemingen begane feiten ook een andere onderneming worden aangerekend;

111. Overwegende dat aan de Commissie nergens wordt verboden zich bij één enkele beschikking over verschillende inbreuken uit te spreken, ook al mochten sommige .van die inbreuken buiten sommige adressaten om hebben plaats gevonden, zolang slechts ieder hunner in de beschikking nauwkeurig kan lezen welke grieven er tegen hemzelf bestaan;

112. dat de bestreden beschikking ten aanzien van SU en CSM aan dat vereiste voldoet, zodat het middel niet gegrond is;

113. B —Overwegende dat SU een schending van artikel 191, tweede alinea, van het Verdrag en van artikel 3 van verordening nr. 1 gelegen acht in het feit dat de Commissie de beschikking niet alleen in het Nederlands, doch ook in het Duits, Frans en Italiaans tot haar heeft gericht, zonder er op te wijzen dat ten aanzien van SU alleen de Nederlandse tekst als authentiek is te beschouwen;

114. Overwegende dat de instellingen van de Gemeenschap gehouden zijn aan iedere onderneming waarnaar een besluit uitgaat, de tekst van dat besluit te doen toekomen in de taal van de Lid-Staat waartoe die onderneming behoort;

115. dat in casu aan deze eis is voldaan, zodat het feit dat de beschikking aan verzoekster ook in andere talen werd betekend aan haar rechtsgeldigheid geen afbreuk kan doen;

116. dat het middel derhalve faalt;

###### 2. Schending van artikel 190 van het Verdrag

117. Overwegende dat SU en CSM betogen dat sommige in de redengeving der beschikking voorkomende stellingen dermate vaag zijn, dat aan de in artikel 190 van het Verdrag gestelde eisen niet zou zijn voldaan;

118. Overwegende dat ook al mochten de aangegeven passages niet met de gewenste nauwkeurigheid zijn geredigeerd, zulks noch verzoeksters noch het Hof heeft belet de draagwijdte van de grief der Commissie te begrijpen en die grief op haar juistheid te toetsen, zodat van schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 173 van het Verdrag geen sprake kan zijn;

119. dat het middel, voorzover een betwisting inhoudende van de feiten welke door de Commissie zijn aangevoerd dan wel van haar beoordeling dier feiten, tot het fond der zaak behoort;

120. dat er derhalve aan moet worden voorbijgegaan;

###### 3. Onvoldoende duidelijkheid van het dispositief

121. Overwegende dat SU, CSM en RT schending inroepen van wezenlijke vormvoorschriften c.q. het rechtszekerheidsbeginsel c.q. artikel 3 van verordening nr. 17 doordien in artikel 1, lid 1, sub 2, der beschikking de gedragingen welke de inbreuk zouden opleveren, waaraan verzoeksters krachtens artikel 2 een einde dienen te maken, onvoldoende duidelijk zouden zijn omschreven omdat uit laatstgenoemde bepaling zelfs in het licht van de motivering niet zou kunnen worden opgemaakt of verkopen van fabrikant aan fabrikant ook op zich zelf als ongeoorloofd zijn te beschouwen en dus voortaan achterwege moeten blijven;

122. Overwegende dat ter beoordeling van dit middel niet slechts het noodzakelijkerwijs beknopte dispositief der beschikking, doch ook haar motivering in aanmerking moet worden genomen;

123. dat het gewraakte dispositief, bezien in het licht der motivering, met voldoende duidelijkheid doet blijken welke gedraging aan verzoeksters wordt verweten, zodat er krachtens artikel 2 der beschikking een einde aan moet worden gemaakt;

124. dat inzonderheid met betrekking tot de leveringen van fabrikant aan fabrikant reeds werd overwogen dat zij niet op zich zelf als ongeoorloofd zijn beschouwd, doch dat het ongeoorloofd karakter dier leveringen volgens de Commissie gelegen is in het feit dat zij deel uitmaken van onderling afgestemde feitelijke gedragingen;

125. dat het middel derhalve moet worden verworpen;

###### Derde afdeling: middelen de zaak ten principale betreffende

###### I — Schending van artikel 85 van het Verdrag

126. Overwegende dat SU, CSM, RT en Pfeifer & Langen in hoofdzaak betogen dat er geen afstemming heeft plaats gehad en dat de aan verzoeksters verweten gedragingen bijgevolg niet als onderling afgestemde feitelijke gedragingen zijn te beschouwen, zodat de Commissie door er nochtans artikel 85 van het Verdrag op toe te passen, die bepaling zou hebben geschonden;

###### 1. Samenvatting van het exposé der beschikking

127. Overwegende dat de gezamenlijke aan verzoeksters dan wel aan sommige hunner verweten gedragingen in drie complexen van handelingen of verzuimen kunnen worden gesplitst;

128. dat hun er allereerst een verwijt van wordt gemaakt dat zij de exporten naar Nederland geheel of nagenoeg geheel op bepaalde afnemers of bestemmingen zouden hebben gericht, namelijk op de Nederlandse fabrikanten, op bepaalde industrieën met welker bevoorrading die fabrikanten hadden ingestemd en op denaturering ofwel latere uitvoer naar derde landen;

129. dat hun vervolgens wordt verweten dat zij zouden hebben geweigerd te leveren aan ondernemers die suiker in de aangrenzende Lid-Staat wensten te importeren;

130. dat de Commissie ten slotte aan RT enerzijds en aan SU en CSM anderzijds verwijt dat zij de Belgische onderscheidenlijk Nederlandse handelaren zouden hebben verplicht hun beleid te volgen;

###### 2. Onderzoek van het middel

###### A — De betrekkingen tussen RT enerzijds en SU en CSM anderzijds

###### a) De bewijsmiddelen

###### aa) De bewijsmiddelen betreffende het werkelijk marktgedrag van verzoeksters

###### 1. Het richten van de Belgische exporten op bepaalde afnemers of bestemmingen

131. Overwegende dat uit talrijke zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat RT en andere, door haar gecontroleerde, Belgische fabrikanten (Raffinerie Notre Dame te Oreye; Vlaamse Suikerfabrieken te Moerbeke-Waas), in het algemeen of bij bepaalde voor andere Nederlandse afnemers dan SU of CSM bestemde leveringen, aan Export en Hottlet stelselmatig hebben gelast de betrokken partijen slechts aan zekere groepen afnemers of voor zekere bestemmingen te leveren;

132. dat RT er bij voorbeeld Export in een tot haar gerichte brief van 24 juli 1969 (bijlage I 43 bij het verweerschrift) aan herinnert „qu'elle l'aurait informée antérieurement de notre politique à l'égard de nos collègues étrangers” (reeds eerder van ons beleid jegens onze buitenlandse collega's had op de hoogte gesteld) en haar gelast partijen die aanvankelijk voor denaturering waren verkocht maar wegens het intrekken van de denatureringspremie niet hadden kunnen worden gedenatureerd niet voor de consumentenmarkt naar Nederland te verkopen;

133. dat in een door Export opgesteld verslag dd. 23 juli 1970 van een op 20 april 1970 tussen Export en RT gevoerde bespreking (bijlage I 74 bij de verweerschriften) wordt gezegd dat de heer Roling „aurait été heurté par les opérations d'Export de la campagne 1969/1970 aux Pays-Bas, et lors des achats aux fabricants indépendants peu de temps avant le début de la campagne sucrière” (pijnlijk getroffen zou zijn door Export's transacties met Nederland in het verkoopseizoen 1969/1970 en ter gelegenheid van de aankopen bij onafhankelijke fabrikanten kort voor het begin van het suikerverkoopseizoen), welke passage, bezien in samenhang met andere stukken, slechts in die zin kan worden verstaan dat RT aan Export verweet, eventueel met medewerking van niet aan RT gebonden Belgische fabrikanten, te hebben geleverd aan andere Nederlandse afnemers dan degenen tot wie RT haar exporten wenste te beperken;

134. dat RT in een telex van 19 augustus 1970 (bijlage I 82 bij de verweerschriften) nota neemt van het feit dat Export met de jegens de Nederlandse markt te volgen gedragslijn had ingestemd, om deze firma vervolgens te doen weten dat „nous mettons par conséquent sucre à votre disposition pour industrie hollandaise lait condensé…” (wij … derhalve suiker voor Hollandse condensindustrie te Uwer beschikking \[stellen\] …):

135. dat Export zich er in een aan RT gerichte telex van 20 augustus 1970 (bijlage I 83 bij de verweerschriften) mee accoord verklaart zich te gedragen naar de tussen RT en de Nederlandse fabrikanten gemaakte ondernemersafspraak („entente”), hetgeen zij in die zin toelicht dat die afspraak voor haar, Export, de verplichting behelsde naar Nederland niet voor „la consommation de bouche humaine” (menselijke consumptie) of voor „l'industrie des produits sucrés” (de suikerwerkindustrie) te leveren, doch haar wel vrijliet overeenkomsten met de melkindustrie en de chemische industrie, alsook in het kader van het „denatureringsverkeer”, af te sluiten;

136. dat de melkindustrie, soms naast SU, als enige in aanmerking komende Nederlandse afnemer wordt aangewezen in een aantal andere stukken, te weten een telex van RT aan Export dd. 20 augustus 1970, een verkoopbevestiging van Export aan Jacobson van 1 oktober 1970, een telex van Export aan Jacobson van dezelfde datum, twee brieven van Oreye aan Export van 2 onderscheidenlijk 7 oktober 1970, een verkoopcontract van Hottlet van 16 december 1970, negen koop- of verkoopcontracten van Export of Hottlet met RT, van andere Belgische fabrikanten of Jacobson, gedateerd tussen 16 december 1970 en 7 januari 1972, een telex van Export aan RT van 17 september 1970, een brief van Export aan Oreye van 5 oktober 1970, een telex van Export aan RT van 21 september 1970 (bijlagen I 84, 88, 89, 91-97, 100-104, 112-114 bij de verweerschriften);

137. dat in een op 5 oktober 1970 door Export aan RT gezonden koopbevestiging (bijlage I 128 bij de verweerschriften) te lezen valt: „Destination: Hollande, en principe seulement l'industrie du lait, sucres destinés à des preneurs-acheteurs-utilisateurs finaux pour lesquels l'industrie sucrière néerlandaise marque une approbation d'approvisionnement…” (Bestemming: Nederland, in beginsel alleen melkindustrie, suiker bestemd voor afnemers-kopers-eindverbruikers aan wie volgens de Nederlandse suikerindustrie mag worden geleverd …);

###### 2. De geweigerde leveringen

138. Overwegende dat dit overzicht van RT's restrictief beleid bevestiging vindt in sommige bescheiden blijkens welke de Belgische ondernemers soms hebben geweigerd op leveringsverzoeken van Nederlandse ondernemers, niet zijnde de suikerfabrikanten en de melk- c.q. chemische industrie, in te gaan;

139. dat zo door RT dan wel door Export of door hét Comptoir Sucrier te Antwerpen, handelende in overeenstemming met de instructies van RT of van andere, door RT gecontroleerde, Belgische fabrikanten, bij brieven van 14 augustus, 23 augustus, 2 september en 3 september 1968 (bijlagen I 44-47 bij de verweerschriften) verzoeken om levering van zulke ondernemers zijn afgewezen op grond dat de beschikbare voorraden geen mogelijkheid tot export lieten;

140. dat Export in een interne nota van 23 april 1970 (bijlage I 75 bij de verweerschriften) vaststelt dat „la politique des raffineurs fait échec” (het beleid der raffinadeurs afbreuk doet) aan de verwezenlijking van de mogelijkheden tot uitvoer „dans les régions frontières du Benelux” (naar de grensgebieden van de Benelux), hoewel de behoeften in Nederland aanzienlijk zouden zijn;

###### 3. De door RT aan de Belgische handelaren onderscheidenlijk door SU. en CSM aan de Nederlandse handelaren opgelegde verplichting het hiervoor omschreven beleid te volgen

141. Overwegende ten aanzien van de betrekkingen tussen RT en de Belgische handelaren, dat uit het merendeel der aangehaalde bescheiden reeds blijkt dat RT er bij deze handelaren en vooral bij Export op heeft aangedrongen dat zij binnen Nederland alleen zouden leveren aan de Nederlandse fabrikanten, aan de melkindustrie, aan de chemische industrie dan wel voor denaturering;

142. Overwegende dat Export in een op 19 augustus 1970 aan RT gezonden telex (bijlage I 81 bij de verweerschriften) schrijft: „Hollander sur base des besoins d'importation des Pays-Bas en sucres CEE, sommes d'accord sur principe évoqué déjeuner d'avant-hier, travailler selon votre schéma, à savoir échanges entre fabricants de sucre via commerce traditionnel belgo-hollandais, sur base satisfaisante pour Export. Pour donner suite votre proposition, contactons maisons hollandaises sur ces questions …” (Nederland: op basis van de in Nederland bestaande behoefte aan invoer van EEG-suiker, gaan accoord met beginsel besproken lunch van eergisteren, werken volgens Uw schema, dwz. verkeer tussen suikerfabrikanten via traditionele Belgisch-Nederlandse handel, op voor Export bevredigende basis. Laat ons, om aan Uw voorstel gevolg te geven, over deze kwestie contact opnemen met Hollandse firma's …);

143. dat RT zich in een telex van dezelfde datum (bijlage I 82 bij de verweerschriften) in antwoord op voormelde telex niet de door Export gedane accoordverklaring zeer ingenomen verklaart en voorts het volgende laat weten: „nous mettons par conséquent sucre à votre disposition pour industrie hollandaise lait condensé pour opération via commerce traditionnel… D'autre part, si nous étions sollicités par industrie sucrière hollandaise pour ses besoins propres, une exportation éventuelle de sucre beige se traiterait également avec le concours de nos maisons de commerce. Des dispositions ci-dessus, il découle que vous vous abstiendrez de toute autre démarche sur le marché hollandais, en sorte de ne pas en perturber la structure” (Wij stellen dan ook suiker voor de Nederlandse condensindustrie, te verhandelen via de trationele handel, te Uwer beschikking. Anderzijds zou, mocht de Nederlandse suikerindustrie zich met het oog op haar eigen behoeften tot ons wenden, aan uitvoer van Belgische suiker eveneens door onze handelshuizen worden meegewerkt. Uit voormelde bepalingen volgt dat U zich van alle andere bemoeiingen met de Nederlandse markt zult onthouden, ten einde de marktstructuur aldaar niet te verstoren);

144.

dat Export in een antwoord-telex van 20 augustus 1970 (bijlage I 83 bij de verweerschriften) de voorwaarden der getroffen regeling nader heeft uitgewerkt, met name waar zij schrijft: „Export marque son accord de suivre la RT … dans son élaboration d'une entente avec la SU et la CSM, … pour la campagne sucrière 1970/1971 sur les bases suivantes:

1.Export renonce de traiter des sucres beiges avec les acheteurs-utilisateurs néerlandais pour ce que nous dénommons les besoins propres néerlandais et qui consistent en la consommation de bouche humaine, d'une part en l'état, tel quel, d'autre part pour l'industrie des produits sucrés, pour consommation de ces produits sucrés aux Pays-Bas … Cette industrie des produits sucrés ne comprend pas l'industrie du lait. Est également exclu du renoncement d'Export, le trafic de dénaturation du sucre et l'industrie chimique.

2.Cet abandon d'Export est lié … à ce que, en ce qui concerne les besoins d'importation des Pays-Bas en sucre CEE … les échanges à prendre cours pour approvisionner ce marché néerlandais, entre les fabricants de sucre beiges et les fabricants de sucre néerlandais, seront effectués via les commerces traditionnels beige et hollandais …”

(Export gaat ermede accoord RT te volgen … bij het uitwerken van een ondernemersafspraak met SU en CSM … voor het suikerverkoopseizoen 1970/1971, en wel op de volgende grondslagen:

1.Export ziet af van transacties betreffende Belgische suiker met de Nederlandse kopers-verbruikers voor wat wij noemen de eigen Nederlandse behoeften, bestaande uit het gebruik van suiker voor menselijke consumptie, deels als zodanig, deels voor de suikerwerkindustrie — voor de consumptie' van suikerwerk in Nederland — … Die suikerwerkindustrie omvat niet de melkindustrie. Ook het denatureringsverkeer en de chemische industrie zijn van Export's verklaring van afstand uitgesloten.

2.Het prijsgeven van deze handel door Export is gebonden … aan de voorwaarde dat, wat de Nederlandse behoeften aan invoer van EEG-suiker betreft, het handelsverkeer waartoe het ter bevoorrading van die Nederlandse markt tussen de Belgische en de Nederlandse suikerfabrikanten zal komen, zal lopen via de traditionele Belgische en Nederlandse handel…);

145. Overwegende ten aanzien van de betrekkingen tussen SU en CSM enerzijds en de Nederlandse handelaren anderzijds, dat in een nota van 3 september 1970, waarmede baron Kronacker, van' Export, zich tot de heer Rolin, van RT, heeft gericht (bijlage I 86 bij de verweerschriften) gewag gemaakt wordt van een uitlating van de heer Rolin, volgens welke „les trois importateurs traditionnels hollandais ont pris l'engagement vis-a-vis de SU et Centrale \[CSM\] de ne pas importer pour la consommation néerlandaise si ce n'est pas avec leur accord” (de drie traditionele Nederlandse importeurs zich jegens SU en de Centrale \[CSM\] hebben verplicht niet dan met hun toestemming voor de Nederlandse consumptie te importeren) en „il \[M. Rolin\] a l'engagement de CSM et de SU que, s'il existe des besoins de consommation, ces firmes s'adresseront à la RT pour assurer la couverture de ces besoins et la RT prend l'engagement de traiter par nous” (hem \[de heer Rolin\] door CSM en SU is toegezegd dat deze firma's zich, wanneer er zich een consumptieve behoefte mocht voordoen, tot dekking van die behoefte tot RT zouden wenden en RT zich verplicht haar transacties via ons — dat wil zeggen Export — af te sluiten);

146. dat er in een telex van 24 september 1970 van Jacobson aan Export (bijlage I 87 bij de verweerschriften) op wordt gewezen dat „de door ons af te nemen suiker is bestemd voor die afnemers waarover geen verschil van mening met de Nederlandse industrie zal ontstaan”;

147. dat in een door Export aan Jacobson gezonden telex van 1 oktober 1970, houdende verkoopbevestiging (bijlage I 89 bij de verweerschriften) onder het hoofd „clauses particulières” (bijzondere clausules) wordt gezegd dat „l'exclusivité de la RT” (RT's exclusieve rechten) — te weten die welke zij voor het verkoopseizoen 1970/1971 voor de verkoop van haar kristalsuiker aan Export en Hottlet had verleend — „est fonction d'un engagement pris par les trois maisons de commerce traditionnelles néerlandaises que les sucres du présent contrat ou de contrats ultérieurs en cristallisés belges sur la campagne 1970/1971 seront destinés à être livrés à des preneurs-acheteurs-utilisateurs finaux pour lesquels l'industrie sucrière néerlandaise (CSM — SU) marque une approbation d'approvisionnement” (zijn te bezien in samenhang met een verbintenis aangegaan door de drie traditionele Nederlandse handelshuizen, krachtens welke de suiker bedoeld in het onderhavig contract of latere contracten betreffende Belgische kristalsuiker, af te sluiten voor het seizoen 1970/1971, bestemd zal zijn voor levering aan afnemers-kopers-eindverbruikers aan wie volgens de Nederlandse suikerindustrie (CSM — SU) mag worden geleverd);

###### bb) Het bewijs met betrekking tot de vraag of voormeld marktgedrag op afstemming berustte

148. Overwegende dat sommige hiervoor aangehaalde teksten reeds op afstemming wijzen, te weten Export's telex aan RT van 20 augustus 1970, Export's nota aan RT van 3 september 1970, Jacobson's telex aan Export van 24 september 1970, Export's telex aan Jacobson van 1 oktober 1970 en de koopbevestiging van Export aan RT van 5 oktober 1970;

149. Overwegende dat in een door Export opgesteld verslag, waarin een gedachtenwisseling is weergegeven die op 20 april 1970 tussen vertegenwoordigers van RT en Export heeft plaatsgehad (bijlage I 74 bij de verweerschriften), sprake is van „les obligations RT prises dans le cadre … de la concertation entre raffineurs européens” (de verplichtingen door RT aanvaard in het kader … van de afstemming tussen Europese raffineurs), krachtens welke verplichtingen „sont… éliminées du champ d'application des rapports commerciaux RT/Export, une série d'affaires directes entre raffineurs au producteur” (buiten het toepassingsgebied van de handelsbetrekkingen RT/Export … gebracht zijn een aantal transacties die rechtstreeks worden afgesloten tussen raffinadeurs en fabrikant) — waarschijnlijk moet in plaats van deze beide laatste woorden gelezen worden: „ou producteurs” (of fabrikanten) — en wel zulks „sur … la Hollande (d'une part fabrication de morceaux CSM avec éventuellement échange de la matière, d'autre part placement de cristallisés pour industriels à des clients de CSM/SU, à la demande et par le canal de ces dernières)” (in Nederland (enerzijds vervaardiging van klontjes CSM met eventueel vervanging van de grondstof, anderzijds plaatsing van kristalsuikers voor industriëlen bij afnemers van CSM/SU, op verzoek van — en via — deze laatsten));

150. dat in een door Export opgesteld verslag, gedagtekend 6 mei 1970, waarin gesprekken worden weergegeven welke op 30 april 1970 tussen de vertegenwoordigers van dezelfde firma's hadden plaatsgehad (bijlage I 76 bij de verweerschriften) te lezen valt: „Le principe de base sur lequel M. Maisin \[de RT\] est intraitable est le suivant: Export doit suivre RT dans sa politique vis-à-vis de ses partenaires européens. Cette politique est définie par lui comme suit: pas de mouvement de marchandises de pays à pays, si ce n'est en concertation de producteur à producteur” (Het grondbeginsel waarvan de heer Maisin \[van RT\] niet afwijkt is het volgende: Export moet RT volgen in haar beleid jegens haar Europese partners. Dit beleid wordt als volgt door hem omschreven: geen goederenbeweging van land tot land tenzij bij overeenstemming tussen de fabrikanten);

151. dat in een 20 augustus 1970 gedagtekende telex van RT aan Export (bijlage I 84 bij de verweerschriften) nader wordt gezegd: „Pour les besoins d'importation des Pays-Bas en sucre destiné à la consommation en Hollande, vous renoncez à traiter en dehors des appels qui seraient formulés par l'industrie sucrière hollandaise qui entend garder le contrôle de ce marché. L'industrie sucrière hollandaise, comme vous nous le confirmez du reste, nous a déclaré qu'actuellement la situation en Hollande ne commandait pas la mise sur pied d'opérations d'importation. Étant donné que nous n'entendons faire quoi que ce soit à destination de la consommation en Hollande qui n'ait l'agrément de nos collégues hollandais, des opérations en sucre belge pour ces débouchés ne doivent donc pas être étudiées présentement… Autre chose est l'approvisionnement de la Melk Industrie …” (Voor de Nederlandse behoeften aan invoer van aldaar voor consumptie bestemde suiker, ziet U af van transacties behalve voor zover de Nederlandse suikerindustrie, die de markt aldaar onder controle wenst te houden, een beroep op U mocht doen. De Nederlandse suikerindustrie heeft ons, naar U ons trouwens bevestigt, verklaard dat de situatie in Nederland voor het ogenblik niet om invoertransacties vraagt. Waar wij met het oog op de Nederlandse consumptie niets willen doen wat door onze Nederlandse collega's niet wordt goedgekeurd, dienen transacties in Belgische suiker voor afzet in Nederland thans niet in studie te worden genomen. Iets anders is de levering aan de melkindustrie …);

152. dat RT er Export in een brief van 31 augustus 1970 (bijlage I 85 bij de verweerschriften op wijst dat „en ce qui concerne la Hollande, le principe de base est que nous souhaitons ne rien faire qui puisse heurter SU ou CSM, de même qu'eux ne désirent rien faire qui nous dérangerait” (wat Nederland betreft, … het grondbeginsel \[is\] dat wij niets willen doen dat de SU of CSM schadelijk kan zijn, evenmin deze niets willen doen dat ons zou verstoren);

153. dat Export er in een aan Jacobson gezonden brief van 1 oktober 1970, houdende verkoopbevestiging (bijlage I 88 bij de verweerschriften), op wijst dat RT aan haar en aan Hottlet voor het seizoen 1970/1971 het uitsluitend recht had verleend haar kristalsuiker voor export te verkopen en er de aandacht op vestigt dat RT niet voornemens was op de Nederlandse markt ook maar iets te doen „qui n'ait l'agrément de ses deux collègues néerlandais” (waarmee haar beide Nederlandse collega's het niet eens waren), om dan te betogen dat dat alleenverkooprecht „est fonction d'un engagement pris par les trois maisons de commerce traditionnelles néerlandaises que les sucres du présent contrat ou de contrats ultérieurs en cristallisés belges sur la campagne 1970/1971 seront destinés à être livrés à des preneurs-acheteurs-utilisateurs finaux pour lesquels l'industrie sucrière néerlandaise (CSM — SU) marque une approbation d'approvisionnement” (is te bezien in samenhang met een verbintenis aangegaan door de drie traditionele Nederlandse handelshuizen, krachtens welke de suiker bedoeld in dit contract of in latere contracten betreffende Belgische kristalsuiker, af te sluiten voor het verkoopseizoen 1970/1971, bestemd zal zijn voor levering aan afnemers-kopers-eindverbruikers aan wie volgens de Nederlandse suikerindustrie (CSM — SU) mag worden geleverd);

154. dat in een telex, op 14 september 1970 door Export aan een Duitse handelaar gezonden — die in een telex van 11 september 1970 gewag gemaakt had van „différents clients en Hollande … qui ont un besoin urgent d'offres” (verschillende afnemers in Nederland … die om offertes zitten te springen) (vgl. bijlage I 107, 108 bij de verweerschriften) — onder meer wordt gezegd dat „regarding the Dutch market for which you asked us also offers and wrote to us for rather immediate selling possibilities of around 15000 tons of Belgian crystal sugar on the 1970/1971 erop, we confirm you positively that our main Belgian sugar manufacturers, the RT group working themselves in close contact (through trade intermediaries) with the Dutch sugar industry groups CSM and SU, for the Dutch consumption home market, are not presently sellers for such destination, outside their traditional refiners channel, and anyway waiting for Dutch sugar manufacturers eventual demands” (Wat betreft de Nederlandse markt, waarvoor U ons om offertes vroeg en ons schreef over de mogelijkheid onmiddellijk 15000 ton Belgische kristalsuiker seizoen 1970/1971 te verkopen, laten wij U weten dat de voornaamste Belgische suikerfabrikanten, de RT-groep, die (via de handel) voor de Nederlandse consumptiemarkt nauw samenwerkt met de Nederlandse suikermaatschappijen CSM en SU, thans voor bedoelde bestemming niet in de markt zijn — tenzij via de traditionele raffinadeurs — en in ieder geval eventuele verzoeken van de Nederlandse suikerfabrikanten zullen afwachten);

155. dat een gedragsafstemming tussen RT en de Nederlandse fabrikanten ook, al dan niet rechtstreeks, wordt bevestigd door bepaalde andere documenten (brief van het Comptoir Sucrier te Antwerpen aan een Nederlandse klant van 3 september 1968; interne nota van Export van 23 april 1970; telex van Export aan RT van 20 augustus 1970; nota van Export aan RT van 3 september 1970; telexen van Jacobson aan Export van 24 en 30 september 1970; telexen van Export aan RT van 14 en 17 september 1970; telex van Export aan Jacobson van 1 oktober 1970; koopbevestiging van Export aan RT van 5 oktober 1970; brief van Export aan Naveau van 31 juli 1970; bijlagen I 47, 75, 83, 86, 87, 89, 90, 108, 112, 128, 129 bij de verweerschriften);

###### b) De waardering dezer bewijsmiddelen

###### aa) De bewijskracht der middelen

156. Overwegende dat RT betoogt dat voormelde schrifturen van Export — ofschoon RT's verklaringen aan deze firma er naar waarheid in zijn weergegeven — en de door de Commissie bedoelde documenten, hoe „overstelpend” ook, niet letterlijk dienen te worden genomen;

157. dat immers RT, toen Export tevergeefs had getracht van RT het alleen verkooprecht te verkrijgen en ten onrechte vreesde geleidelijk buiten RT's transacties te worden gehouden, de tussen beide vennootschappen gerezen spanningen zou hebben willen verminderen en daarom „Export niet openlijk heeft willen zeggen dat haar eigen belang medebracht dat zij de handel bij bepaalde transacties diende uit te schakelen” en het dus, „commercieel gesproken, juister geacht \[heeft\] zich achter … haar buitenlandse collega's te verschansen”;

158. dat men, wanneer de hierbedoelde verklaringen met de werkelijkheid zouden hebben overeengestemd, door ze schriftelijk vast te leggen „uiterst naïef zou hebben gehandeld, hetgeen van een onderneming als \[RT\] redelijkerwijs niet mag worden verwacht”;

159. Overwegende dat SU en CSM gezamenlijk betogen dat tussen derden, met name tussen RT en Export, gevoerde correspondentie niet aan hen zou mogen worden tegengeworpen, te minder nu RT's verklaringen betreffende de noodzaak de Nederlandse fabrikanten niet te hinderen, op pure speculatie van RT zouden berusten en Export er, wegens de overbekende spanningen welke er tussen haarzelf en RT hadden bestaan, kennelijk op uit zou zijn geweest een voor RT belastend dossier bijeen te brengen;

160. Overwegende dal al treden er in de betrokken stukken en in andere documenten, die door de Commissie in het geding gebracht zijn, tussen RT en Export gerezen meningsverschillen aan de dag inzake het werkterrein van dit laatste bedrijf en de vrijheid van handelen welke daaraan moest worden gelaten, het er nochtans bezwaarlijk voor kan worden gehouden dat RT hetgeen zij over haar betrekkingen met SU en CSM heeft gezegd of geschreven, eenvoudig zou hebben verzonnen;

161. dat met betrekking tot de „naïviteit” welke volgens RT zou spreken uit iedere schriftelijke erkenning aan een afstemming van gedragingen te hebben deelgenomen en zich voor dienovereenkomstig marktgedrag te hebben ingezet, dient te worden bedacht dat het nog ongebruikelijker ware indien een machtig fabrikant alleen om een van hem afhankelijke handelaar te sussen door schriftelijke verklaringen de schijn op zich zou laden zich te hebben gedragen op een wijze welke hem aan sancties kan blootstellen;

162. dat voorts in de summiere bewering dat de omstreden verklaringen niet „letterlijk” dienen te worden genomen de vraag in hoeverre RT wil ontkennen deze verklaringen naar waarheid te hebben afgelegd generlei beantwoording vindt, zodat tot weerlegging van bedoelde door de Commissie aangedragen bewijsmiddelen zelfs geen serieuze poging is ondernomen;

163. dat aan bedoelde schrifturen dan ook niet bewijskracht kan worden ontzegd op de grond dat Export ze zou hebben opgesteld of bewaard met de uitsluitende bedoeling RT aan vervolging door de Commissie bloot te stellen;

164. dat, anders dan SU en CSM menen, aan de Commissie en aan het Hof nergens wordt verboden voor het marktgedrag van een onderneming bewijs te ontlenen aan een tussen derden gevoerde briefwisseling, mits de inhoud dier corres pondentie, voorzover bedoeld gedrag daarin ter sprake komt, als geloofwaardig is te beschouwen;

165. dat bovendien de beweringen welke in de omstreden stukken worden gedaan, in overeenstemming zijn met het klaarblijkelijk marktgedrag van betrokkenen;

166. Overwegende dat het er, al deze omstandigheden in aanmerking genomen, voor moet worden gehouden dat deze stukken een geheel van onderling overeenstemmende aanwijzingen vormen en dat hun inhoud althans in hoofdzaak met de werkelijkheid overeenkomt;

###### bb) Het bestaan van de onderling afgestemde feitelijke gedragingen

167. 1.Overwegende dat uit de hiervoor genoemde gegevens als geheel blijkt dat verzoeksters zich op de markt werkelijk hebben gedragen zoals door de Commissie is gesteld;

168. dat derhalve als vaststaand mag worden aangenomen dat bijna alle uitvoer naar Nederland van RT en van de door haar gecontroleerde Belgische fabrikanten op de Nederlandse suikerfabrikanten, op de melkindustrie, de chemische industrie of op denatureringsbedrijven was gericht, dat RT nauwelijks aan de traditionele klantenkring der Nederlandse fabrikanten heeft geleverd en dat zij de Belgische handelaren-exporteurs heeft verplicht dit beleid van gerichte levering te volgen;

169. dat de hoeveelheden welke aldus naar een beperkt aantal afnemers of bestemming zijn geleid aanzienlijk zijn geweest, zoals reeds blijkt uit de cijfers welke RT in bijlage 4 bij haar conclusie van repliek heeft overgelegd;

170. dat volgens deze cijfers — welke weliswaar nu eens naar boven, dan weer naar beneden afwijken van die der Commissie doch niettemin in dezelfde orde van grootte blijven — RT over de vier in de beschikking bedoelde verkoopseizoenen te zamen aan SU, CSM en de Nederlandse melkindustrie onderscheidenlijk 40741, 35099 en 48000 ton geraffineerde of kristalsuiker heeft geleverd ofwel in totaal 123840 ton, een aanzienlijke hoeveelheid ook wanneer men er de 10587 ton kristalsuiker aftrekt welke CSM in 1968/1969 en 1969/1970 ter verdere bewerking aan RT had toevertrouwd en die daarna door RT als geraffineerde suiker wederom naar Nederland is uitgevoerd;

171. dat blijkens een door de Commissie overgelegde statistiek (bijlage I bij conclusie van dupliek 47-73, tabel VI) de „gecontroleerde” leveringen — dat wil zeggen die van fabrikant aan fabrikant, aan de melkindustrie, voor denaturering of voor latere uitvoer naar derde landen — gedurende de vier bedoelde verkoopseizoenen onderscheidenlijk 70 %, 28,4 %, 79,3 % en 70 % van de totale Belgische exporten naar Nederland hebben belopen — het verhoudingsgewijs geringe percentage 28,4 % zou volgens de Commissie te verklaren zijn door het feit dat deze exporten in 1969/1970 voor twee derden door van RT onafhankelijke Belgische fabrikanten zijn geschied;

172. 2.Overwegende dat SU en CSM betogen dat de term „onderling afgestemde feitelijke gedragingen” een plan doet veronderstellen, alsmede de bedoeling bij voorbaat onzekerheid over het toekomstig marktgedrag der concurrenten uit te sluiten, zodat met de enkele mogelijkheid dat belanghebbenden zich over en weer van de parallelle of complementaire aard hunner beslissingen bewust zijn geweest niet mag worden volstaan, wil niet iedere poging van een onderneming zo intelligent mogelijk op het optreden van een concurrent in te spelen, zijn verboden;

173. Overwegende dat de begrippen van coördinatie en samenwerking welke in 's Hofs jurisprudentie worden aangenomen, allerminst inhouden dat er een werkelijk „plan” zou moeten zijn opgesteld en dienen te worden verstaan in het licht van de in de Verdragsvoorschriften inzake de mededinging besloten voorstelling, dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren, waartoe mede behoort de keus dergenen aan wie hij zijn produkten wenst aan te bieden en te verkopen;

174. dat deze eis van zelfstandigheid weliswaar niet uitsluit dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag der concurrenten aan te passen, doch anderzijds onverbiddelijk in de weg staat aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag;

175. dat er blijkens de aangehaalde stukken contacten tussen de verzoeksters hebben plaatsgehad en dat die contacten er juist op waren gericht bij voorbaat onzekerheid over het toekomstig marktgedrag van de concurrent uit te sluiten;

176. dat de stelling van verzoeksters derhalve faalt,

177. Overwegende dat SU en CSM voorts stellen dat hun marktgedrag aan het normale gedragspatroon van een zich in hun situatie bevindende fabrikant zou hebben beantwoord en derhalve niet als onderling afgestemde feitelijke gedraging zou zijn te beschouwen;

178. dat RT in dezelfde zin maar meer concreet heeft betoogd dat een belangrijk element van het rechtsbegrip „onderling afgestemde feitelijke gedraging” zou zijn gelegen in „het noodzakelijk verband dat er tussen de gestelde afstemming en de daarop gevolgde gedragingen moet bestaan”, welk oorzakelijk verband evenwel ontbreekt „wanneer die gedragingen uit de marktsituatie zelf voortvloeien en bij gebreke van enig contact tussen de fabrikanten dezelfde zouden zijn geweest”;

179. Overwegende dat met vorengenoemde stukken rechtens genoegzaam is bewezen dat SU en CSM in ieder geval het risico van mededinging van de zijde van RT hebben willen uitsluiten, terwijl zij zonder afstemming geenszins de zekerheid zouden hebben gehad dat die mededinging hun niet zou zijn aangedaan, in aanmerking genomen de aanzienlijke Belgische produktieoverschotten, de deficitaire produktie in Nederland, het feit dat de prijzen in België beneden die in Nederland lagen, de omstandigheid dat de Belgische handelaren in de „vrije” sector grote partijen wensten uit te voeren en de uit al deze factoren voor RT resulterende mogelijkheid ten minste in de Nederlandse grensgebieden te leveren;

180. dat derhalve door de hierbedoelde afstemming en de gedragingen waarmede er uitvoering aan is gegeven, een einde kon worden gemaakt aan de onzekerheid der Nederlandse fabrikanten omtrent de mogelijkheid om, ten detrimente van een daadwerkelijk vrij verkeer der produkten binnen de gemeenschappelijke markt en van de vrijheid der verbruikers in de keuze hunner leveranciers, hun eenmaal ingenomen positie te handhaven;

181. 3.Overwegende dat verzoeksters betogen dat leveringen van fabrikant aan fabrikant in artikel 85 van het Verdrag niet worden verboden;

182. Overwegende dat deze stelling niet ter zake dienende is, nu de Commissie niet heeft gesteld dat zulke leveringen op zichzelf ongeoorloofd zouden zijn en de onrechtmatigheid der onderhavige transacties alleen afleidt uit het feit dat zij een onderdeel van de afstemming hunner gedragingen hebben gevormd;

183. Overwegende dat voorts, anders dan SU meent, niet ter zake doet of zij — zoals zij beweert — in de regel niet rechtstreeks doch via handelaren bij RT heeft gekocht;

184. dat het ten deze de doorslag dient te geven dat RT, verre van de handelaren de keus van hun afnemers over te laten, aan SU heeft willen leveren — en ook geleverd heeft —, zij het dat Export en Hottlet bij die transacties werden ingeschakeld;

185. dat voorts uit de aangehaalde stukken blijkt dat RT de Belgische handelaren heeft gedwongen haar in haar beleid van gerichte levering naar Nederland te volgen, zodat het niet tot een andere beoordeling dier exporten kan leiden wanneer bedoelde handelaren bij alle omstreden leveringen of sommige dier leveringen zijn ingeschakeld;

186. 4.Overwegende dat SU en CSM betogen dat hun nimmer om enigerlei goedkeuring van de bestemming van naar Nederland uit te voeren Belgische suiker is gevraagd;

187. Overwegende dat dit betoog miskent dat, zoals uit de aangehaalde stukken blijkt, RT en de Nederlandse fabrikanten zijn gekomen tot — en uitvoering hebben gegeven aan — een afstemming met betrekking tot de criteria op basis waarvan vanuit België aan de afnemers of bestemmingen in Nederland werd geleverd;

188. 5.Overwegende dat daarnevens niet ook in aanmerking kan worden genomen dat er volgens SU en CSM niet onaanzienlijke hoeveelheden Belgische suiker buiten het gewraakte leveringssysteem om in Nederland zouden zijn ingevoerd, zoals leveringen van door een Duitse firma verhandelde suiker uit de produktie van andere Belgische fabrikanten dan RT;

189. dat immers, bijaldien het tot zulke leveringen gekomen mocht zijn — hetgeen de Commissie ook niet betwist —, daarmede niet wordt afgedaan aan de stelling dat RT de enige Belgische fabrikant tegen welke de beschikking is gericht, samen met SU en CSM tot een onderling afgestemde feitelijke gedraging is gekomen met betrekking tot de bestemming van de produktie der Belgische vennootschap;

190. 6.Overwegende ten slotte dat met betrekking tot CSM's stelling dat de Nederlandse fabrikanten RT geen enkele tegenprestatie zouden hebben geboden of kunnen bieden ter zake van het feit dat RT met haar beleid genoemde fabrikanten heeft ontzien, moet worden opgemerkt dat dit — overigens aanvechtbare — middel slechts bij gebreke van andere afdoende aanwijzingen het verwijt van onderling afgestemde feitelijke gedragingen kan afzwakken doch niet wanneer uit het dossier overduidelijk van zulke gedragingen blijkt;

191. Overwegende dat uit al deze feiten en omstandigheden blijkt dat de hierbedoelde gedragingen stellig niet op zelfstandige besluitvorming der belanghebbende fabrikanten doch op een tussen hen getroffen afstemming berustten, des dat zij feitelijke samenwerking welbewust in de plaats hebben gesteld voor de risico's der concurrentie en dat die samenwerking heeft geleid tot mededingingsvoorwaarden welke niet in overeenstemming waren met de condities welke voor de betrokken markt, zelfs wanneer haar bijzondere aard in aanmerking wordt genomen, normaal waren te achten en de Nederlandse fabrikanten in staat stelde eenmaal ingenomen posities te behouden ten detrimente van een daadwerkelijk vrij verkeer der produkten binnen de gemeenschappelijke markt en van de vrijheid der verbruikers in de keuze van hun leveranciers;

192. dat verzoeksters zich dan ook metterdaad hebben schuldig gemaakt aan op bescherming van de Nederlandse markt gerichte, onderling afgestemde feitelijke gedragingen;

###### cc) De vraag of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen de handel tussen Lid-Staten ongunstig konden beïnvloeden en ertoe konden strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd verhinderd, beperkt of vervalst

193. Overwegende dat de hierbedoelde onderling afgestemde gedragingen de handel tussen Lid-Staten hebben beïnvloed door het enkele feit dat zijn de suikerhandel tussen België en Nederland betroffen;

194. Overwegende dat zij ten doel hadden — en ertoe leidden — zekerheid te verkrijgen dat suiker gefabriceerd door RT of door Belgische fabrikanten waarop zijn controle uitoefende, naar Nederland alleen zou worden uitgevoerd wanneer daardoor de suiker der Nederlandse fabrikanten geen concurrentie werd aangedaan;

195. dat die gedragingen met name bestonden in beperking of controle van de afzet en in verdeling van de markten in de zin van artikel 85, sub b en c, van het Verdrag en er toe strekten en ten gevolge hadden dat de mededinging werd belemmerd;

###### dd) De vraag of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen de han del tussen Lid-Staten merkbaar ongunstig hebben beïnvloed en de mededinging merkbaar hebben belemmerd

196. Overwegende met betrekking tot de vraag of de hierbedoelde afgestemde feitelijke gedragingen de handel tussen Lid-Staten merkbaar ongunstig hebben beïnvloed en de mededinging merkbaar hebben belemmerd, dat allereerst moet worden nagegaan of er aanleiding bestaat tot het vermoeden dat zonder die gedragingen een belangrijk gedeelte der op zichzelf aanzienlijke hoeveelheden die RT zelf dan wel via de Belgische handelaren naar de hiervoor bedoelde afnemers of bestemmingen heeft geleid, anders aan andere in Nederland gevestigde afnemers zou zijn geleverd, zodat de fabrikanten concurrentie zou zijn aangedaan;

197. dat een bevestigende beantwoording volgt uit bepaalde aangehaalde stukken die bewijzen dat de Belgische handelaren, indien RT haar restrictief beleid niet aan hen had opgelegd, in staat en bereid zouden zijn geweest tot zulke leveringen — in niet onaanzienlijke hoeveelheden — over te gaan;

198. Overwegende dat al deze overwegingen tot de slotsom voeren dat RT, SU en CSM zich hebben schuldig gemaakt aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen Lid-Staten merkbaar ongunstig hebben beïnvloed en de mededinging merkbaar hebben belemmerd en daarmede inbreuk hebben gemaakt op artikel 85 van het Verdrag;

###### B — De betrekkingen tussen Pfeifer & Langen enerzijds, SU en CSM anderzijds

199. Overwegende dat waar ook Pfeifer & Langen betwist dat zij met SU en CSM tot een afstemming van haar handelsbeleid zou zijn gekomen, dient te worden nagegaan of uit de feiten en bescheiden waarop de Commissie zich beroept zulk een inbreuk kan worden afgeleid voor de ten deze uitsluitend relevante periode die op 1 juli 1970 is aangevangen;

200. dat die afstemming volgens de Commissie enerzijds zou blijken uit bepaalde in het geding gebrachte stukken en anderzijds uit de zeer omvangrijke leveringen der vennootschap aan de Nederlandse fabrikanten, terwijl haar leveringen aan andere Nederlandse afnemers zeer gering zouden zijn geweest;

201. a) Overwegende dat het wat bedoelde stukken betreft — afgezien van bepaalde stukken waaraan voor de grief zoals die in het dispositief van de bestreden beschikking geformuleerd is, al aanstonds geen enkel belang kan worden gehecht — slechts gaat om twee interne nota's en een „proces-verbaal” door Export opgemaakt op 23 april en 6 mei 1970, betrekking hebbende op besprekingen welke tussen deze firma en RT zijn gevoerd (bijlagen I 74 t/m 76 bij de verweerschriften);

202. dat deze schrifturen, waarop men zich in dit verband beroept ten bewijze dat Pfeifer & Langen meermalen zou hebben geweigerd aan Nederlandse gegadigden, niet zijnde fabrikanten, te leveren, met zoveel woorden alleen betrekking hebben op de verhouding tussen Export en RT en op die tussen de Belgische ondernemers enerzijds en eventuele Franse, Duitse, Nederlandse en Italiaanse afnemers anderzijds, doch geenszins op de gedragslijn welke op de Nederlandse markt door Duitse fabrikanten werd of moest worden gevolgd;

203. dat voorzover in genoemde schrifturen wordt gewaagd van een meer omvattende samenwerking binnen de gehele Gemeenschap, de door Export gebezigde bewoordingen — „la concertation entre raffineurs européens” (de afstemming tussen Europese raffinadeurs) en „Tirlemont a convenu avec les autres raffineurs du marché commun d'un accord d'exclusivité réciproque, d'où il ressort que la commercialisation dans le pays de destination est réservée aux raffineurs de ce pays” (Tirlemont is met de overige raffinadeurs van de gemeenschappelijke markt een wederkerige alleenverkoopovereenkomst aangegaan volgens welke de afzet in het land van bestemming aan de raffinadeurs van dat land is voorbehouden) — onverminderd de betekenis welke er in ander verband aan kan worden gehecht, te vaag en te algemeen voorkomen om ook maar een aanwijziging te kunnen opleveren voor een door Pfeifer & Langen met SU of CSM afgestemde gedraging, hetgeen te meer geldt nu de Commissie, naar zij zelf heeft verklaard, haar aanvankelijke stelling dat het tussen de gezamenlijke grote suiketproducenten in de Gemeenschap tot een alomvattende afstemming zou zijn gekomen, heeft laten varen en alleen nog wil staande houden dat er een aantal tot bepaalde plaatsen beperkt gebleven inbreuken is gepleegd;

204. b) Overwegende met betrekking tot Pfeifer & Langen's leveringen in Nederland, dat de Commissie de door Pfeifer & Langen overgelegde cijfers niet heeft betwist, blijkens welke zij gedurende de verkoopseizoenen 1970/1971 en 1971/1972 alleen aanzienlijke hoeveelheden (tot een totaal van 15000 ton) geleverd heeft aan de onderneming Limako, een dochteronderneming van SU, terwijl de hoeveelheden welke in die periode zijn geleverd aan CSM (1,4 ton) en derden (1,05 ton) zeer gering zijn gebleven;

205. dat niet is weersproken dat Limako zich in hoofdzaak op de uitvoer van suiker toelegt, dat voormelde 15000 ton — naar ook blijkt uit het gekozen verpakkingsmateriaal en uit het feit dat Pfeifer & Langen ze rechtstreeks naar een Rotterdams havenentrepot heeft geleverd — reeds aanstonds bestemd was om wederom — naar derde landen — te worden geëxporteerd en daarheen, met uitzondering van een kleine hoeveelheid die door SU tot vloeibare suiker is verwerkt, ook is uitgevoerd;

206. dat de omstreden levering dan ook geen levering van fabrikant aan fabrikant in de zin van de bestreden beschikking vormt — dat wil zeggen een levering aan een andere ondernemer gedaan in diens hoedanigheid van fabrikant ten einde hem mededinging op zijn „eigen” markt te besparen — en dan ook niet als genoegzame aanwijzing voor een afstemming tussen SU en Pfeifer & Langen is te beschouwen;

207. c) Overwegende ten aanzien van de geringe omvang van Pfeifer & Langen's leveringen aan niet-fabrikanten in Nederland, dat volgens de eigen gegevens der Commissie (vgl. bijlage I bij dupliek in de zaak 56-73, tabel I), in 1970/1971 de produktie in Duitsland een tekort — en in 1971/1972 de produktie zowel in Duitsland als in Nederland een overschot — vertoonde;

208. dat voorts het prijsniveau in Duitsland niet beneden het Nederlandse prijsniveau schijnt te hebben gelegen;

209. dat in die omstandigheden Pfeifer & Langen er mogelijk geen belang bij had om zich op de Nederlandse markt te richten ten einde daar tot verspreide gelegenheidsverkopen te komen — in stede van zich te houden aan haar traditionele klantenkring welke haar normaliter een stabiele afzet verzekerde;

210. Overwegende dat een en ander tot de slotsom voert dat de Commissie de in artikel 1, lid 1, sub 2, der bestreden beschikking aan Pfeifer & Langen verweten inbreuk rechtens ongenoegzaam heeft bewezen, zodat die bepaling dient te worden vernietigd voorzover daarin het bestaan van een tussen Pfeifer & Langen enerzijds, SU en CSM anderzijds afgestemde feitelijke gedraging is aangenomen;

###### II — Schending van 's Raads verordening nr. 26

211. Overwegende dat CSM en RT betogen dat de gewraakte handelwijzen, al aangenomen dat zijn onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 85 vormen, niettemin geoorloofd zouden zijn omdat zij zouden vallen onder de tweede uitzondering voorzien in artikel 2, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 26, volgens welke bepaling artikel 85, lid 1, van het Verdrag onder meer niet van toepassing is op onderling afgestemde feitelijke gedragingen „die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 39 van het Verdrag omschreven doelstellingen”;

212. 1.Overwegende dat CSM betoogt dat haar produktie- en distributieapparaat zonder haar aankopen bij RT slechts ten dele benut zou zijn geweest, zodat de vennootschap niet in staat zou zijn geweest de bietentelers meer te betalen dan de minimumprijs die in de verordeningen der Gemeenschap is voorzien;

213. dat de bestreden beschikking dan ook ten onrechte toepassing van voormelde bepaling van verordening nr. 26 zou hebben afgewezen;

214. Overwegende dat niet behoeft te worden nagegaan of alleen betaling van een boven dat minimum gelegen prijs „de landbouwbevolking” — in casu de bietentelers — een „redelijke levensstandaard” kon „verzekeren” overeenkomstig de in artikel 39, lid 1, sub b, van het Verdrag genoemde doelstelling;

215. dat moet worden volstaan met de vaststelling dat CSM in ieder geval niet heeft getracht ook maar enigszins nader aan te tonen dat slechts haar aankopen bij RT haar in staat zouden hebben gesteld die telers zulk een prijs te bieden;

216. dat het middel derhalve moet worden verworpen;

217. 2.Overwegende dat RT opkomt tegen de in de bestreden beschikking (blz. 43, 1. kol.) verdedigde opvatting dat voormelde uitzondering van verordening nr. 26 niet ten gunste van verzoeksters kan werken omdat „de betrokken onderling afgestemde feitelijke gedragingen geenszins \[zouden\] deelmaken van de daartoe door de gemeenschappelijke ordening voorziene…” middelen „waarmede aan de telers van suikerbieten garanties voor tewerkstelling en levensstandaard moeten worden gegeven”;

218. dat RT's beleid juist noodzakelijk zou zijn geweest, wilde men proberen bij de verkoop van binnen het maximumquotum gefabriceerde suiker een inkomen te behalen gelijk aan de interventieprijs die „aan de fabrikanten gewaarborgd” is en waarop zij ook recht hebben ten einde in staat te zijn de bietentelers de minimumprijs voor suikerbieten te betalen welke in de verordeningen van de Gemeenschap is voorzien;

219. dat het RT praktisch niet mogelijk zou zijn geweest via verkoop van haar suiker aan het Belgisch interventiebureau de interventieprijs te bedingen, aangezien de Belgische gezagsorganen haar te verstaan hadden gegeven dat zulke verkopen ongewenst waren;

220. dat verzoekster zich dan ook genoodzaakt zou hebben gezien om enerzijds te voorkomen dat afnemers aan welke zij tegen een betrekkelijk lage prijs suiker voor denaturering verkocht had, die suiker beneden de interventieprijs op de markt voor menselijke consumptie zouden doorverkopen en anderzijds aan verzoeken van kopers die te lage prijzen boden geen gevolg te geven -— terwijl zij bij rechtstreekse verkoop aan bepaalde grote afnemers een betere prijs kon maken : —;

221. Overwegende dat de interventiebureaus volgens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1009/67 „verplicht” zijn hun aangeboden suiker te kopen, terwijl de betrokken fabrikant de eerbiediging van die verplichting kan afdwingen;

222. dat ofschoon een zelfstandig optredend fabrikant goede redenen kan hebben om te trachten te voorkomen dat suiker die tegen een betrekkelijk lage prijs voor denaturering is verkocht al te goedkoop op de markt voor menselijke consumptie wordt afgezet, het met het oog op de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag geenszins nodig is dat hij zich daartoe van onderling afgestemde feitelijke gedraging bedient;

223. dat het eigen betoog van RT met betrekking tot de voorkeur voor „grote afnemers” er op neerkomt dat rechtstreekse verkoop aan Nederlandse consumenten — waarmede de Nederlandse fabrikanten concurrentie zou worden aangedaan — deze laatsten in staat had kunnen stellen gunstiger prijzen te maken, zodat RT's beleid in ieder geval niet strekte tot — en stellig niet „noodzakelijk” was voor — de verwezenlijking van de in artikel 39, lid 1, sube, van het Verdrag omschreven doelstelling „redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren”, een doelstelling welke even zwaar behoort te wegen als de mede in dat artikel genoemde doelstelling „de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren”;

224. dat RT met betrekking tot deze laatste doelstelling geen enkel nader argument heeft aangevoerd en vooral ook geen enkel cijfer heeft genoemd dat althans een begin van bewijs zou leveren voor de stelling dat het zonder toepassing van artikel 2 van verordening nr. 26 niet langer mogelijk zou zijn geweest de bietentelers de in de verordeningen der Gemeenschap voorziene minimumprijs te betalen;

225. dat het middel derhalve faalt;

226. Overwegende dat op grond van al deze overwegingen de beroepen van SU, CSM en RT, voorzover betrekking hebbende op de tussen deze drie verzoeksters afgestemde feitelijke gedragingen, moeten worden verworpen, terwijl artikel 1, lid 1, sub 2, van de bestreden beschikking moet worden nietigverklaard voorzover daarin het bestaan van een tussen Pfeifer & Langen, SU en CSM afgestemde feitelijke gedraging is vastgesteld;

###### Derde hoofdstuk · De grief betreffende een onderling afgestemde, op afscherming van de markt in het westelijk deel van de Bondsrepubliek Duitsland gerichte gedraging

227. Overwegende dat in artikel 1, lid 1, sub 3, van de bestreden beschikking, zoals in het Publikatieblad weergegeven, aan Pfeifer & Langen enerzijds en aan RT anderzijds wordt verweten dat zij „sedert het verkoopseizoen 1968/1969 een inbreuk hebben gepleegd op artikel 85, lid 1, door aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging deel te nemen die ertoe strekt en ten gevolge heeft de leveranties van Belgische suiker op de suikermarkt van het westelijk deel van Duitsland te controleren en bijgevolg deze markt af te schermen”;

228. Overwegende dat de Commissie in haar schriftelijk antwoord op de door het Hof gestelde vragen heeft erkend „in de aan RT toegezonden Franse versie van de bestreden beschikking” te hebben gesteld dat met de hierbedoelde inbreuk pas in 1969/1970 een aanvang zou zijn gemaakt;

229. dat de Commissie stelt dat hier een vergissing is begaan, terwijl RT betoogt dat zij zich aan de haar betekende tekst der beschikking wenst te houden;

230. Overwegende dat enerzijds in de mededeling van de punten van bezwaar voldoende duidelijk is gesteld dat de Commissie beoogde aan verzoekster een in het verkoopseizoen 1968/1969 aangevangen en op afscherming van de markt in het westelijk deel van Duitsland gerichte onderling afgestemde feitelijke gedraging te last te leggen;

231. dat anderzijds uit de memories welke verzoekster in de loop van de schriftelijke behandeling heeft ingediend, en wel met name uit de bladzijden 4 en 12 van de conclusie van repliek en uit bijlage 5 van die conclusie, blijkt dat zij de bestreden beschikking ook in die zin heeft verstaan;

232. dat het er in die omstandigheden voor dient te worden gehouden dat in de beschikking een op afscherming van de markt in het westelijk deel van Duitsland gerichte, onderling afgestemde feitelijke gedraging is vastgesteld waarmede in het verkoopseizoen 1968/1969 is aangevangen;

###### Eerste afdeling: middelen van formele en processuele aard; middel ten principale behelzende schending van 's Raads verordening nr. 26

###### I — Middelen die in het tweede hoofdstuk reeds zijn behandeld

233. Overwegende dat de door RT opgeworpen en ook in verband met de tweede grief reeds voorgedragen middelen welke onvoldoende duidelijkheid van het dispositief der beschikking en schending van verordening nr. 26 inhouden, op grond van het ten aanzien van die grief overwogene dienen te worden verworpen;

234. Overwegende dat eveneens naar vorenstaande overwegingen mag worden verwezen ten aanzien van de door Pfeifer & Langen opgeworpen middelen volgens welke het „fair trial”-beginsel zou zijn geschonden en er voor het maken van opmerkingen te korte termijnen zouden zijn gesteld;

###### II — Schending van de rechten der verdediging

235. Overwegende dat Pfeifer & Langen betoogt dat sommige in de mededeling van de punten van bezwaar voorkomende stellingen ongegrond of onjuist zijn;

236. Overwegende dat een bespreking van de vraag of de Commissie het bewijs van de gestelde inbreuk heeft geleverd, de zaak ten principale betreft;

###### III — Schending van erkende beginselen inzake de bewijslevering

237. Overwegende dat Pfeifer & Langen zich erover beklaagt dat de Commissie aan de tegen haar ingebrachte grief feiten zou hebben ten grondslag gelegd welke niet de slotsom rechtvaardigen dat er van een onderling afgestemde feitelijke gedraging sprake zou zijn en hun verklaring vinden in omstandigheden welke met enigerlei afstemming geen enkel verband houden;

238. dat het haars inziens voorts niet aangaat dat de Commissie zich ten bewijze van een inbreuk bedient van verklaringen van personen die buiten het geding staan en die ook niet in staat zijn getuigenbewijs bij te brengen van de feiten waarop zij zich beroepen, doch hoogstens een mening kunnen kenbaar maken met betrekking tot hetgeen buiten hun tegenwoordigheid is voorgevallen;

239. Overwegende dat deze argumenten, aangevoerd ten betoge dat de Commissie de aan verzoekster verweten inbreuk niet heeft bewezen, de zaak ten principale betreffen;

###### Tweede afdeling: Middel ten principale, schending van artikel 85 van het Verdrag behelzende

240. Overwegende dat RT en Pfeifer & Langen in hoofdzaak betogen dat de aan verzoekster verweten handelwijzen, voorzover daarvan al sprake kan zijn, niet op afstemming berustten, zodat zij ook geen onderling afgestemde feitelijke gedragingen kunnen vormen en de Commissie, door er artikel 85 van het Verdrag op toe te passen, die bepaling zou hebben geschonden;

###### I — Samenvatting van hetgeen in de beschikking is gesteld

241. Overwegende dat de gezamenlijke aan verzoekster verweten gedragingen vier complexen van handelingen of verzuimen omvatten;

242. dat er hun allereerst een verwijt van wordt gemaakt dat zij het grootste gedeelte der exporten van witte suiker afkomstig van de RT-groep naar het westelijk deel van Duitsland zouden hebben gericht op bepaalde afnemers of bepaalde bestemmingen, te weten Pfeifer & Langen, denaturering of latere uitvoer naar derde landen;

243. dat met betrekking tot de — betrekkelijk geringe — Belgische exporten naar vorenbedoeld gebied waarmede dat niet het geval was, aan de RT-groep wordt verweten dat zij de Belgische handelaren, en met name Export, heeft verplicht tot zulke exporten slechts met toestemming van Pfeifer & Langen over te gaan dan wel tegen een prijs welke aan die der Duitse vennootschap was aangepast;

244. dat RT Export voorts zou hebben gelast op verzoeken van Duitse niet-fabrikanten die tot invoer van Belgische suiker wensten over te gaan, openlijk dan wel bedektelijk, afwijzend te reageren;

245. dat de Belgische vennootschap ten slotte zeer grote partijen ruwe suiker aan Pfeifer & Langen zou hebben geleverd in plaats van dit produkt zelf te raffineren en de aldus verkregen witte suiker naar het verkoopgebied van de Duitse firma uit te voeren;

###### II — Bespreking van het middel

###### 1. Witte suiker

###### A — Het bewijs

###### a) Het bewijs voor het werkelijk gedrag der verzoeksters

###### aa) Het richten van de Belgische exporten op bepaalde afnemers of bestemmingen

246. 1.Overwegende dat genoemde handelaren zich blijkens een aantal door Export en Hottlet hetzij aan RT hetzij aan andere Belgische fabrikanten gedane koopbevestigingen (bijlagen II 28, 35 bij het verweerschrift in de zaak 47-73) hebben verbonden de suiker waarom het bij die transacties ging alleen voor denaturering door te verkopen;

247. dat RT in een aan Export gerichte brief van 24 juli 1969 (bijlage I 43 bij de verweerschriften) vaststelt dat er op het ogenblik Belgische suiker voor mense lijke consumptie naar Duitsland wordt uitgevoerd, ofschoon die suiker oorspronkelijk voor denaturering verkocht was, om dan te betogen dat „ces mises en comsommation … ne sont possibles qu'à la faveur de prix inférieurs à ceux demandés par les producteurs allemands; ceux-ci déplorent en conséquence vivement la pression ainsi exercée sur leur marché par les sucres belges” (die suiker alleen voor consumptie beschikbaar heeft kunnen komen dank zij het feit dat de prijzen lager waren dan die welke door de Duitse fabrikanten worden gevraagd en dat deze laatsten dan ook zeer betreuren dat hun markt aldus door de Belgische suiker onder druk is komen te staan), en voorts: „Vous ayant informé antérieurement de notre politique à l'égard de nos collègues étrangers et ayant reçu de votre part l'assurance d'une sincère collaboration, je me permets d'insister pour que soit mis au plus tôt un terme aux opérations actuellement en cours sur l'Allemagne et que soient en tout cas plus initiées de nouvelles affaires de l'éspèce …” (Waar wij U al eerder van ons beleid jegens onze buitenlandse collega's op de hoogte hebben gesteld en Uwerzijds de verzekering van oprechte medewerking hebben ontvangen, veroorloof ik mij er op aan te dringen dat aan de tegenwoordige transacties op Duitsland ten spoedigste een einde wordt gemaakt en in ieder geval nieuwe dergelijke transacties achterwege worden gelaten);

248. dat toen Hottlet bij RT twee partijen suiker had gekocht en doorverkocht aan een afnemer die Hottlet naderhand verzocht te worden ontslagen van zijn verplichting die suiker alleen voor denaturering te gebruiken, RT daarvan niet heeft willen weten en van Hottlet schadevergoeding heeft verlangd ter zake van het feit dat zij, toen een en ander zich aldus had toegedragen, de resterende partijen niet bij RT heeft afgenomen (vgl. met name brief van RT aan Hottlet van 16 december 1969, bijlage I 42 bij de verweerschriften);

249. dat Export in een verslag van 23 april 1970 waarin een onderhoud tussen RT en Export is weergegeven (bijlage I 74 bij de verweerschriften) gewag maakt van „les obligations de RT prises dans le cadre de la rationalisation de l'industrie sucrière européenne” en van „la concertation entre raffineurs européens”, (de verplichtingen welke RT in het kader van de rationalisatie van de Europese suikerindustrie heeft aanvaard en de afstemming van de Europese raffinadeurs) en vaststelt dat „sont ainsi éliminées du champ d'application des rapports commerciaux RT/Export, une série d'affaires directes entre raffineurs au producteur … sur … l'Allemagne (échanges avec Pfeifer & Langen) (aldus buiten het toepassingsgebied van de handelsbetrekkingen RT/Export … gebracht zijn een aantal transacties die rechtstreeks worden afgesloten tussen raffinadeurs en fabrikant” — waarschijnlijk moet dat zijn „of fabrikanten”— „in … Duitsland” (handel met Pfeifer & Langen);

250. dat in een interne nota van Export, gedagtekend 23 april 1970 (bijlage I 75 bij de verweerschriften), wordt gesteld: „Tirlemont a convenu avec les autres raffineurs du marché commun d'un accord d'exclusivité réciproque, d'où il ressort que la commercialisation dans le pays de destination ces réservée aux raffineurs de ce pays. Par conséquent, aucune place n'est réservée à Export… En Allemagne, les importations sont négligeables depuis la réévaluation du DM. Néanmoins, il existe des possibilités d'échanges dans les régions frontières … de l'Allemagne … La politique des raffineurs fait échec à cette régionalisation … Il est douteux que nous puissions obtenir un contingent, car RT ne voudra pas cautionner une politique allant à l'encontre des conventions qu'elle a prises avec les autres raffineurs” („Tirlemont is met de andere raffinadeurs van de gemeenschappelijke markt een wederkerige alleenverkoopovereenkomst aangegaan, volgens welke de afzet in het land van bestemming aan de aldaar gevestigde raffinadeurs is voorbehouden. Er is dus geen plaats gereserveerd voor Export … In Duitsland is de invoer sedert de revaluatie van de D.M. te verwaarlozen. Toch zijn er mogelijkheden voor de handel in de grensstreken … van Duitsland … Het beleid der raffinadeurs staat aan deze regionalisatie in de weg… Het is twijfelachtig of wij een contingent kunnen krijgen, want RT zal een beleid dat tegen haar afspraken met de andere raffinadeurs ingaat, niet willen dekken”);

251. dat uit een groot aantal schrifturen uit de tijd tussen 19 december 1968 en 15 augustus 1970, onder meer uit een reeks door de Belgische handelaren afgesloten koopcontracten (bijlagen I 28 t/m 32, 34, 35, 41, 43, 129 bij de verweerschriften), gezamenlijk bezien, blijkt dat zij, in overeenstemming met de verlangens die door RT en op haar verzoek of advies door de andere fabrikanten waren kenbaar gemaakt, zich hadden verbonden — of de bereidheid hadden uitgesproken zich te verbinden — de in die stukken bedoelde suiker niet naar andere landen van de gemeenschappelijke markt, Duitsland daaronder begrepen, uit te voeren;

252. dat Export in een dezer schrifturen (brief aan Naveau van 31 juli 1970, bijlage I 129 bij de verweerschriften) stelt dat RT „aurait couramment” vendu en Allemagne, mais „à notre connaissance, par le canal des rapports particuliers entre collègues grands fabricants-raffineurs, soit directement, soit via leurs sociétés affiliées” („geregeld” in Duitsland heeft verkocht, maar „bij ons weten met behulp van de bijzondere betrekkingen tussen collega's — grote fabrikanten-raffinadeurs — en wel rechtstreeks of via de daarbij aangesloten vennootschappen”);

253. dat Export zich er in een 25 september 1970 gedagtekende telex aan een Duitse handelaar (bijlage I 143 bij de verweerschriften) over beklaagt dat een andere Duitse firma na via Hottlet bij RT suiker te hebben gekocht, haar verplichting die suiker niet in Nordrhein-Westfalen door te verkopen, niet zou zijn nagekomen;

254.

2.Overwegende dat de Belgische exporten van witte suiker naar Duitsland gedurende het omstreden tijdvak, uitgedrukt in tonnen, volgens de statistieken welke de Commissie in bijlage I bij de conclusie van dupliek in de zaak 47-73 geeft, het volgende beeld vertonen:

VerkoopseizoenenTotale exportenwaarvan „gecontroleerde” exportenLeveringen aan Pfeifer & Langen of WZVLeveringen met goedvinden van Pfeifer & LangenLeveringen voor denaturering of export naar derde landenLeveringen tegen aangepaste prijsTotaal1968/196923800800—19400—202001969/19702380090070011700—133001970/197116700200—250013300160001971/1972245002600—16001440018600Totaal888004500700352002770068100

255. dat nog steeds volgens deze statistieken, van de 20700 (88800 minus 68100) ton die in het kader van vrije transacties naar Duitsland zijn uitgevoerd, 11300 afkomstig waren van kleine Belgische fabrikanten, zodat RT of de RT-groep in de loop van de hierbedoelde verkoopseizoenen krachtens vrije transacties, hoogstens 19000 minus 11300 = 8600 ton zou hebben kunnen uitvoeren, terwijl dan nog niet eens zou vaststaan dat dit quantum in het verkoopgebied van Pfeifer & Langen is afgezet;

256. dat deze cijfers weliswaar niet steeds precies overeenkomen met die welke elders, hetzij door verzoeksters, hetzij door de Commissie, worden gegeven, doch dat hun orde van grootte niet in ernst wordt bestreden;

257. dat voorts opmerking verdient dat het er in dit verband niet zozeer op aankomt precies te weten hoeveel er door van RT onafhankelijke Belgische fabrikanten is geëxporteerd als wel welke structuur de exporten vertonen die RT — of door RT gecontroleerde fabrikanten — rechtstreeks of via de handelaren Export en Hottlet hebben verricht;

###### bb) De aan de handelaren opgelegde verplichting niet dan met toestemming van Pfeifer & Langen of tegen een aan die van Pfeifer & Langen aangepaste prijs tot vrije exporten over te gaan

258. Overwegende dat Export in een 15 september 1969 gedagtekende brief aan Moerbeke-Waas houdende bevestiging van de aankoop van 5000 ton suiker (bijlage I 54 bij de verweerschriften) onder de rubriek „bestemming” vermeldt: „Les ventes à destination de l'Allemagne fédérale, pour la consommation humaine, devront l'être avec l'accord de la firme Pfeifer & Langen” (Verkopen voor menselijke consumptie met bestemming Bondsrepubliek dienen te geschieden met toestemming van de firma Pfeifer & Langen);

259. dat een vertegenwoordiger van Export in een verslag van 6 mei 1970 betreffende besprekingen tussen de heer Maisin, van RT, en die vertegenwoordiger gevoerd (bijlage I 76 bij de verweerschriften) schrijft: „Le principe de base sur lequel M. Maisin est intraitable est le suivant: Export doit suivre RT dans sa politique vis-a-vis de ses partenaires européens. Cette politique est définie par lui comme suit: Pas de mouvements de marchandises de pays à pays, si ce n'est en concertation de producteur à producteur” (Het grondbeginsel waarvan de heer Maisin niet afwijkt is het volgende: „Export moet RT volgen in haar beleid jegens haar Europese partners. Dit beleid wordt als volgt door hem omschreven: geen goederenbeweging van land tot land tenzij bij overeenstemming tussen de fabrikanten)”;

260. dat toen een Duitse handelaar Export bij telex van 11 september 1970 (bijlage I 106 bij de verweerschriften) voor rekening van een te Aken gevestigde afnemer had verzocht om een offerte van 15000 ton tegen de prijs van 1095,93 Bfr., Export bij telex van 14 september 1970 (bijlage I 107 bij de verweerschriften) heeft geantwoord dat „after having taken close contacts with the German Pfeifer & Langen refiners of Köln, Tirlemont told us that they would not, properly speaking, decline any bid or refuse any offer for the German market. Their target being by no way to disturb the Pfeifer & Langen home market, they asked the Köln refiners to inform them about their internal prices, delivered points of destination in the Ruhr area, as well as close the Belgian border (Aachen for instance)” („Na uitvoerig contact te hebben opgenomen met de Duitse raffinadeurs Pfeifer & Langen te Keulen, heeft Tirlemont ons verklaard dat zij strikt genomen geen biedingen afwijzen of weigeren offertes voor de Duitse markt te doen. Zij stellen zich ten doel Pfeifer & Langen's thuismarkt op geen enkele wijze te verstoren en verzochten de Keulse raffinadeurs om mededeling van hun binnenlandse prijzen, leveringsadressen in het Ruhrgebied en in de nabijheid van de Belgische grens (bij voorbeeld Aken)”) — en vervolgens met de Duitse prijzen als uitgangspunt calculaties heeft gemaakt van de berekende prijzen en daaraan heeft toegevoegd „the Tirlemont group says … that they might be possibly sellers of Belgian … sugar for the German consumption market… if they could get such price, even if it is in line (and specially for that reason) with the German internal price, Pfeifer & Langen German clients will have practically no interest at all to change of suppliers” (De RT-groep zegt… dat zij mogelijkerwijze Belgische suiker voor de Duitse comsumptiemarkt zouden verkopen … als zij zo een prijs konden behalen, \[maar dat\] de Duitse klanten van Pfeifer & Langen ook — en juist — wanneer die prijs met de Duitse binnenlandse prijs zou overeenstemmen, er in de praktijk niet het minste belang bij zouden hebben van leveranciers te veranderen);

261.

dat uit een aantal telexen welke op deze correspondentie zijn gevolgd en tussen 14 en 21 december 1970 zijn gewisseld — vijf telexen van Export aan RT, een van Export aan genoemde Duitse handelaar en een van RT aan Export (bijlagen I 108-112, 114, 115 bij de verweerschriften) — in onderling verband bezien, blijkt dat:

—Export heeft getracht gedaan te krijgen dat RT door haar tussenkomst aan het verzoek van de Duitse handelaar voldeed;

—de heer Rolin (van RT): jegens de heer Lemaire (van Export) de wens heeft uitgesproken „ne rien faire perturber structure marché sucrier allemand dans cadre clientèle Pfeifer & Langen (Rhénanie et région frontière Belgique)” (de Duitse suikermarkt in klantenkring Pfeifer & Langen (Rijnland en Belgisch grensgebied) niet te verstoren); heeft overwogen dat „prix allemand … correspond à 1180 FB/100 kg (selon renseignement lui fourni par Pfeifer & Langen); a ramené”„ce prix en départ sucreries belges de façon suivante” (Duitse prijs … overeenkomt met 1180 Bfr./100 kg (volgens hem door Pfeifer & Langen verstrekte inlichtingen); die prijs af Belgische suikerfabrieken als volgt heeft verlaagd) (volgen berekeningen welke leiden tot een biedprijs van 1120 Bfr. af Belgische suikerfabrieken);

—na langdurige besprekingen een overeenkomst tussen Export en RT kon worden bereikt op basis van 1100 Bfr., evenwel te laat, zodat de transactie geen doorgang kon vinden;

—Export jegens RT gewag gemaakt heeft van „refus successifs” (successieve weigeringen) van RT „basés sur principes de vente RT pour sucres intracommunautaires” (op grondslag van RT's verkoopbeginselen voor intracommunautaire suiker), alsook van „la volonté déjà exprimée par M. Rolin à Baron Kronacker \[d'Export\] (note entretien … 31 aoüt 1970 sur accord fabricants allemands — Pfeifer & Langen Köln — de ne pas prendre betteraves à sucrerie belge de Liers) et à M. Lemaire de rien faire pouvant perturber structure marché sucrier allemand” (de wens die de heer Rolin reeds tot uitdrukking had gebracht jegens Baron Kronacker \[van Export\] (nota onderhoud 31 augustus 1970 inzake overeenkomst Duitse fabrikanten — Pfeifer & Langen Köln — bij de Belgische suikerfabriek te Liers geen suikerbieten af te nemen) en jegens de heer Lemaire, namelijk dat er niets zou worden gedaan wat de structuur van de Duitse suikermarkt zou kunnen verstoren);

—Export zich erover heeft beklaagd dat RT volgens inlichtingen welke haar uit Duitsland hadden bereikt, inmiddels aan Pfeifer & Langen had verkocht tegen een lagere prijs dan door Export was geboden;

262. dat in een reeks koopbevestigingen en biedingen uit het tijdvak tussen 17 september 1969 en 7 oktober 1970, hetzij door Export of Hottlet aan Belgische fabrikanten (RT, Couplet, Oreye) hetzij door Oreye aan Export gedaan (bijlagen I 55, 91, 92, 113, 119 bij de verweerschriften) door deze fabrikanten voor verkopen naar Duitsland een hogere prijs af fabriek is verlangd dan zij wilden toestaan voor suiker die voor afzet elders was bestemd (1100 Bfr. per 100 kg in plaats van 1092,50, volgens Oreye's brief van 7 oktober 1970 aan Export);

###### cc) De geweigerde leveringen

263. Overwegende dat de Sucrerie et Raffinerie de Donstiennes in een 12 augustus 1970 gedagtekende brief aan Export (bijlage I 130 bij de verweerschriften) stelt dat RT haar „a conseillé de ne pas réaliser de contrats d'exportation actuellement” (heeft aangeraden thans geen exportcontracten aan te gaan);

264. dat Export in een telex van 10 september 1970 aan een Duitse handelaar (bijlage I 105 bij de verweerschriften) schrijft: „Regarding the German market, for which you asked us an offer, we would like to ask you to wait a bit before getting offers from us, due to the fact that our principal sugar manufacturer, the RT group, is not on the market at the moment for such desti nation” (Wat de Duitse markt betreft, waarvoor U ons om een offerte vraagt, willen wij U om enig geduld verzoeken, nu onze voornaamste suikerfabrikant, de RT-groep, op het ogenblik voor Duitsland niet in de markt is);

265. dat uit sommige aangehaalde stukken — te weten uit de 14 september 1970 gedagtekende telex van Export aan een Duitse handelaar en uit de reeks in het tijdvak van 14 tot 21 september 1970 tussen RT en Export en tussen deze firma's en de Duitse handelaar gewisselde telexen — blijkt dat RT hetzij aan niet-fabrikanten in Pfeifer & Langen's verkoopgebied, zij het bedektelijk, levering geweigerd heeft hetzij aan zulke ondernemers wanneer zij tot zaken wilden komen een prijs heeft geboden dan wel doen bieden die hen wellicht van koop zou doen afzien, een en ander ondanks het feit dat er in Duitsland veel vraag was — waaraan Export ook had willen voldoen —;

266. dat van die situatie nader blijkt uit een telex die Export op 2 november 1970 aan een Duitse handelaar heeft gezonden (bijlage I 116 bij de verweerschriften) waarin zij, na te hebben herinnerd aan de vele telexen die haar van de zijde van die handelaar hadden bereikt, schrijft: „We would … as we told you many times in the above telexes and on many phone conversations we had together … very much like to conclude business with your company in Belgian crystal sugar for the West German market for the new 1970/1971 crop. We are prepared to try at the maximum to reach the level where business could be concluded. We would like from your side to get orders and bids to enable us to be in a position to materialize such business. We await your comments, orders and bids with the keenest interest” (Zoals wij U in voormelde telexen en in tal van telefoongesprekken meermalen hebben medegedeeld … zouden wij met Uw firma graag tot zaken komen wat betreft Belgisch kristalsuiker voor de Westduitse markt voor de nieuwe campagne 1970/1971. Wij zullen ons uiterste best doen het peil te bereiken dat ons in staat zou stellen de contracten af te sluiten. Gaarne wachten wij Uwerzijds de offertes en biedingen in die ons in staat moeten stellen tot zaken te komen. Met belangstelling zien wij Uw opmerkingen, bestellingen en biedingen tegemoet);

267. dat het in dezelfde richting wijst dat een Duitse firma in een aan Export gezonden brief van 11 november 1970 (bijlage I 118 bij de verweerschriften), stelt dat zij een aantal belangrijke overeenkomsten had afgesloten, hoogstwaarschijnlijk met de Duitse handelshuizen, en daaraan toevoegt dat bij alle besprekingen welke aan die overeenkomsten zijn voorafgegaan „nous vous avons consultés, mais malheureusement — nous devons le répéter — nous n'avons pas reçu de votre part des offres arrivant suffisamment en temps utile, et portant sur un prix suffisamment intéressant, pour nous permettre de concurrencer. Maintenant, il ne peut plus s'agir que de couvrir des besoins supplémentaires éventuels, ce qui arrivera de temps en temps” (wij U hebben geraadpleegd, doch — het moet nogmaals gezegd — helaas van U niet tijdig offertes met prijzen hebben ontvangen die voldoende interessant waren om ons tot concurrentie in staat te stellen. Er kan nu nog slechts sprake zijn van dekking van een mogelijke aanvullende vraag, zoals die zich van tijd tot tijd kan voordoen);

268. dat ten slotte door Gedelfi te Keulen, een bedrijf dat levensmiddelen en gros koopt, in een tot de vennootschap GEMAS te Brussel gerichte brief van 10 maart 1972 (bijlage II 9 bij de verweerschriften in de zaken 54 t/m 56-73) wordt vastgesteld: „In den letzten 4 Jahren ist von der Gedelfi kein Zucker aus EWG-Ländern importiert worden. Unsere vergeblichen Versuche vor einigen Jahren sind Ihnen aus unseren Gesprächen bekannt. Damals haben wir auf unsere Anfragen keine Offerten erhalten. Gegenwärtig werden auf Anfragen Offerten genannt, die sich aber aus Frachtgründen und deshalb Preisgründen nicht realisieren lassen” (In de laatste vier jaar is er door Gedelfi geen suiker uit de EEG-landen geïmporteerd. De vergeefse verzoeken die we enkele jaren geleden deden zijn U uit onze gesprekken bekend. Destijds hebben wij op onze aanvragen geen offertes ontvangen. Thans worden op aanvraag offertes genoemd die om met de vracht — dat wil zeggen met de prijs — samenhangende redenen niet haalbaar zijn);

###### b) De bewijsmiddelen met betrekking tot de vraag of voormeld gedrag op afstemming berustte

269. Overwegende dat volgens de Commissie sommige hiervoor aangehaalde teksten reeds op afstemming wijzen, namelijk RT's brief van 24 juli 1969, Export's verslag van 23 april 1970, Export's nota van 23 april 1970, Export's brief aan Moerbeke-Waas van 15 september 1969, de op 14 september 1970 door Export aan een Duitse handelaar gezonden telex en de reeks telexen die in het tijdvak van 14 tot 21 september 1970 tussen Export en RT of een Duitse handelaar zijn gewisseld;

270. dat de Commissie voorts betoogt dat RT's terughouding jegens andere Duitse gegadigden dan Pfeifer & Langen niet kan zijn voortgekomen uit een door de Belgische vennootschap geheel zelfstandig genomen en op haar objectieve belangen afgestemd besluit, immers de aanzienlijke Belgische produktieoverschotten (174000, 251000, 193000 en 277000 ton gedurende deze vier onderscheiden verkoopseizoenen; vgl. bijlage 1 bij dupliek 47-73, tabel 1) hadden in samenhang met de niet onaanzienlijke vraag in het Westen van de Bondsrepubliek Duitsland, RT normaliter moeten prikkelen Pfeifer & Langen op de markt van dat gebied concurrentie aan te doen;

###### B — De waardering van deze bewijsmiddelen

271. a) Overwegende dat RT en Pfeifer & Langen zich met betrekking tot de bewijskracht van deze stukken van soortgelijke argumenten bedienen als die welke onderscheidenlijk door RT en door SU en CSM zijn aangevoerd ten aanzien van dezelfde of andere door Export opgemaakte dan wel door RT tot Export gerichte stukken die in verband met de tweede grief ter sprake kwamen, al welke argumenten in het tweede hoofdstuk zijn weergegeven en op grond van de aldaar gerelateerde overwegingen moeten worden verworpen;

272. dat met name niet kan worden aanvaard het door Pfeifer & Langen gebezigde argument dat Export's uitlatingen geen geloof zouden verdienen omdat deze firma aan die van RT tegengestelde belangen zou hebben;

273. dat ofschoon RT's verkoopbeleid ertoe heeft geleid dat een groot aantal transacties waarbij Export had willen worden betrokken niet of buiten haar om tot stand zijn gekomen, deze belangenstrijd er niet aan afdoet dat Export, naar door RT zelf is gesteld, de haar door RT gedane verklaringen juist heeft weergegeven en dat die verklaringen op de gronden welke ten aanzien van de tweede grief zijn uiteengezet geacht moeten worden naar waarheid te zijn afgelegd;

274. dat de door Export opgestelde stukken derhalve als rechtsgeldige bewijsmiddelen zijn te beschouwen en ook aan Pfeifer & Langen kunnen worden tegengeworpen;

275. b) Overwegende dat uit voormelde feiten en omstandigheden blijkt dat verzoeksters zich op de markt metterdaad hebben gedragen zoals door de Commissie is gesteld;

276. dat als vaststaand dient te worden aangenomen dat de aflevering van het grootste gedeelte der partijen witte suiker welke door RT en door de Belgische fabrikanten die zij controleert naar het Westen van de Bondsrepubliek Duitsland zijn uitgevoerd, voor Pfeifer & Langen geen daadwerkelijke mede dinging vormde, hetzij doordien men ze aan Pfeifer & Langen of aan WZV heeft gericht of alleen voor denaturering of latere export naar derde landen beschikbaar heeft doen komen, hetzij doordat bedoelde partijen met toestemming van Pfeifer & Langen of tegen een prijs welke aan die van Pfeifer & Langen was aangepast, zijn afgezet;

277. dat de aldus uitgevoerde hoeveelheden over de. vier hierbedoelde verkoopseizoenen te zamen ongeveer 68000 ton hebben belopen en dus aanzienlijk zijn geweest;

278. dat voorts vaststaat dat RT Export heeft gelast aan Duits niet-fabrikanten die gegadigden waren voor de invoer van Belgische suiker, zodanige transacties — openlijk of bedektelijk — te weigeren;

279. c) 1.Overwegende dat Pfeifer & Langen betoogt dat zij, waar in RT's brief van 24 juli gesteld wordt dat „les producteurs allemands … déplorent vivement la pression ainsi exercée sur leur marché par les sucres belges” (de Duitse fabrikanten … ernstig betreuren dat hun markt aldus door Belgische suiker onder druk is komen te staan), niet met name wordt genoemd;

280. Overwegende dat evenwel is komen vast te staan dat deze firma, die in andere aangehaalde stukken wel met zoveel woorden wordt genoemd, een der fabrikanten is die dergelijke klachten heeft geuit, hetgeen te meer aannemelijk is nu Pfeifer & Langen's verkoopgebied, gezien de betrekkelijk geringe afstanden, zich van de verschillende Duitse gebieden het meest voor import van Belgische suiker leende;

281. dat Pfeifer & Langen tracht de betekenis van RT's stelling te bagatelliseren door er enerzijds op te wijzen dat wanneer „de Duitse fabrikanten met invoer uit het buitenland niet gelukkig zijn”, „zodanige reactie geen verbazing wekt” (verzoekschrift 56-73, blz. 30) en anderzijds dat zij „nimmer heeft getracht RT's besluitvorming te beïnvloeden” (loc. cit., blz. 31);

282. dat evenwel uit voormelde brief duidelijk blijkt dat de daarin bedoelde Duitse fabrikanten — waartoe om de zojuist uiteengezette redenen ook Pfeifer & Langen moet worden gerekend —, wel verre van hun ontevredenheid alleen jegens elkander uit te spreken, daarvan ook RT in kennis hebben gesteld;

283. dat wanneer een ondernemer klachten waarmede een andere ondernemer zich tot hem richt en die betrekking hebben op de mededinging welke hij van door eerstgenoemde ondernemer afgezette produkten ondervindt, zonder meer aanvaardt, het gedrag van betrokkenen een onderling afgestemde feitelijke gedraging behelst;

284. 2.Overwegende dat Pfeifer & Langen betoogt dat „wanneer er tussen RT en verzoekster al een onderhoud inzake de prijzen heeft plaats gehad, dat onderhoud … geenszins tot een weigering van RT om de Duitse markt te bevoor raden heeft geleid, doch wel tot het aanbod suiker voor uitvoer met bestemming Duitsland in reserve te houden”, en voorts dat „het feit dat RT bij die gelegenheid heeft getracht dezelfde prijs te maken als verzoekster alleen maar van gezond zakelijk inzicht getuigt” (verzoekschrift 56-73, blz. 36);

285. Overwegende dat ofschoon het feit dat een verkoper zijn prijs op één lijn brengt met de hoogste marktprijs van een concurrent niet noodzakelijkerwijze als een aanwijzing voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging is te beschouwen en zijn verklaring kan vinden in de wens een zo groot mogelijke winst te maken, zulks in casu niet het geval is;

286. dat namelijk uit de gezamenlijke aangehaalde stukken blijkt — en tussen partijen ook in confesso is — dat RT zich bij die prijsaanpassing voornamelijk heeft laten leiden door de wens Pfeifer & Langen, een belangrijke afnemer van RT's ruwe suiker, niet te mishagen met een handelsbeleid dat de Duitse vennootschap een deel van haar klantenkring kon benemen;

287. dat ten slotte Pfeifer & Langen's uitlatingen, bezien in het licht van de aangehaalde stukken, de stelling dat de hierbedoelde prijsaanpassing een onderling afgestemde feitelijke gedraging behelsde, vermogen te schragen;

288. dat immers uit een en ander enerzijds blijkt dat Pfeifer & Langen niet in ernst bestrijdt haar prijzen aan RT te hebben medegedeeld, terwijl deze inlichtingen anderzijds zijn gevraagd met het oog op de verwezenlijking van een gemeenschappelijke anticoncurrentiële doelstelling hetgeen een klassiek voorbeeld oplevert van een door belanghebbenden voor de risico's der concurrentie in de plaats gestelde feitelijke samenwerking;

289. 3.Overwegende dat RT's stelling volgens welke de gewraakte handelwijzen „uit de marktsituatie zelf \[voortvloeien\] en bij gebreke van enig contact tussen de fabrikanten dezelfde zouden zijn geweest” reeds in het tweede hoofdstuk is weerlegd;

290. 4.Overwegende dat RT gewag maakt van bepaaldeleveringen welke zij aan in het Rijnland gevestigde niet-fabrikanten zou hebben gedaan, zulks ten betoge dat zij geenszins een stelselmatig tegen de mededinging gericht beleid zou hebben gevoerd;

291. Overwegende evenwel dat de mededinging, wil er van onderling afgestemde gedragingen in de zin van artikel 85 van het Verdrag sprake zijn, alleen maar behoeft te zijn beperkt en niet ook noodzakelijkerwijze moet zijn verhinderd;

292. dat RT ook niet in ernst heeft bestreden dat die leveringen van bescheiden omvang zijn geweest;

293. Overwegende dat uit al deze feiten en omstandigheden blijkt dat de hierbedoelde gedragingen in plaats van op zelfstandige besluitvorming der belanghebbende fabrikanten op een tussen hen getroffen afstemming berustten, des dat zij feitelijke samenwerking welbewust in de plaats hebben gesteld voor de risico's der concurrentie en dat die samenwerking heeft geleid tot mededingingsvoorwaarden welke niet met de normaal te achten marktvoorwaarden in overeenstemming waren en Pfeifer & Langen in staat stelden eenmaal ingenomen posities te handhaven ten detrimente van een daadwerkelijk vrij verkeer der produkten binnen de gemeenschappelijke markt en van de vrijheid der verbruikers in de keuze van hun leveranciers;

294. dat verzoeksters zich dus wel degelijk hebben laten vinden voor op afscherming van de markt in het Westen van de Bondsrepubliek Duitsland gerichte onderling afgestemde feitelijke gedragingen;

###### 2. De ruwe suiker

295. Overwegende dat de Commissie stelt dat Pfeifer & Langen bij RT hoeveelheden ruwe suiker van onderscheidenlijk 8361, 24853 en 23419 ton — in de drie verkoopseizoenen 1969-1972 — heeft gekocht, welke aankopen even eens een bestanddeel van de onderling afgestemde feitelijke gedraging zouden vormen;

296. dat zij in hoofdzaak betoogt dat RT in staat zou zijn geweest deze hoeveelheden zelf te raffineren en daarbij belang zou hebben gehad, immers de aldus gefabriceerde hoeveelheden witte suiker op de Duitse markt had kunnen leveren;

297. dat voorts uit de door Pfeifer & Langen verstrekte cijfers blijkt dat met haar eigen produktie aan ruwe suiker, vermeerderd met de nadere aankopen die bij fabrikanten in het noordelijk deel van Duitsland zijn gedaan, de raffinagecapaciteit der vennootschap, die naar juiste schatting op 180000 à 200000 ton per jaar kan worden gesteld, volledig zou zijn benut;

298. dat volgens de door Pfeifer & Langen zelf overgelegde tabel de aanzienlijke hoeveelheden welke zij in het noordelijk deel van Duitsland heeft gekocht slechts geringe schommelingen zouden hebben vertoond, zodat niet valt aan te nemen dat de bij RT gedane aankopen dienden om een lacune aan te vullen;

299. dat Pfeifer & Langen in werkelijkheid de ruwe suiker bij RT zou hebben gekocht tegen een zo hoge prijs dat er zelfs geen ruimte voor de normale verwerkingsmarge overbleef;

300. dat de handelwijze dezer verzoeksters volgens de Commissie dan ook niet als in concurrentieverhoudingen normaal ondernemersgedrag is te beschouwen en slechts zou zijn te verklaren vanuit hun gemeenschappelijke wens de omstreden hoeveelheden ruwe suiker door Pfeifer & Langen te doen opnemen ten einde te voorkomen dat zij, tot witte suiker verwerkt, binnen Pfeifer & Langen's verkoopgebied met de door haarzelf geproduceerde witte suiker in concurrentie zou treden;

301. Overwegende dat de hiervoor genoemde stukken alleen op witte suiker betrekking hebben, zodat ten aanzien van transacties in ruwe suiker dient te worden nagegaan of het door de Commissie gestelde gedrag dat zij als bestanddeel van een onderling afgestemde feitelijke gedraging beschouwt, redelijkerwijze alleen haar verklaring in afstemming kan vinden;

302. Overwegende dat ofschoon het in het raam van een onderling afgestemd, op bescherming der wederzijdse marktaandelen gericht beleid, zoals dat in de gedragingen met betrekking tot witte suiker ten duidelijkste aan de dag treedt, mogelijk voorkomt dat leveringen van ruwe suiker tegen een voor RT bijzonder voordelige prijs een nader bestanddeel der gedragsafstemming behelzen, nochtans als onweersproken vaststaat dat RT wegens haar niet toereikende raffinagecapaciteit geregeld aan verschillende fabrikanten ruwe suiker heeft geleverd;

303. dat anderzijds eveneens vaststaat dat Pfeifer & Langen regelmatig aanzienlijke hoeveelheden ruwe suiker bij andere fabrikanten dan RT voor raffinage in haar eigen bedrijf heeft gekocht;

304. dat het dan ook niet uitgesloten moet worden geacht dat dit deel der omstreden transacties ook op andere wijze dan als bestanddeel van een onderling afgestemde feitelijke gedraging kan worden verklaard;

###### 3. De vraag of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot witte suiker de handel tussen Lid-Staten ongunstig hebben beïnvloed en de mededinging hebben belemmerd — en, zo ja, in merkbare mate

305. Overwegende dat de hierbedoelde onderling afgestemde feitelijke gedragingen de handel tussen Lid-Staten hebben beïnvloed door het enkele feit dat zij de suikerhandel tussen België en de Bondsrepubliek Duitsland hebben betroffen;

306. Overwegende dat zij ten doel en tot gevolg hadden dat suiker gefabriceerd door RT of door de Belgische fabrikanten waarop deze controle uitoefent, in den regel alleen naar Duitsland werd uitgevoerd wanneer daardoor aan de door Pfeifer & Langen gefabriceerde suiker geen concurrentie werd aangedaan;

307. dat bedoelde gedragingen met name een bepaling of controle van de afzet en een verdeling van de markten meebrachten in de zin van artikel 85, lid 1, sub b en c, van het Verdrag en er aldus toe strekten en ten gevolge hadden dat de mededinging werd belemmerd;

308. Overwegende dat het er op grond van soortgelijke overwegingen als het Hof ten aanzien van de tweede grief deed gelden voor moet worden gehouden dat de onderling afgestemde feitelijke gedragingen de handel tussen Lid-Staten ongunstig hebben beïnvloed en de mededinging merkbaar hebben belemmerd;

309. Overwegende dat deze overwegingen tot de slotsom voeren dat de Commissie een door RT en Pfeifer & Langen begane inbreuk heeft aangetoond, weshalve het onderhavige middel moet worden verworpen;

310. dat nu in artikel 1, lid 1, sub 3, van de beschikking niet tussen leveringen van witte en ruwe suiker wordt onderscheiden, de omstandigheid dat de inbreuk met betrekking tot leveringen van laatstgenoemd produkt niet is komen vast te staan, medebrengt dat de inbreuk in zoverre niet bewezen is te achten;

###### Vierde hoofdstuk · De grief behelzende een onderling afgestemde, op afscherming van de markt in het zuidelijk deel van de Bondsrepubliek Duitsland gerichte gedraging

311. Overwegende dat in artikel 1, lid 1, sub 4, van de bestreden beschikking aan SZAG en Franken enerzijds en aan Béghin en Sucre-Union anderzijds wordt verweten dat zij „sinds het verkoopseizoen 1970/1971 inbreuk hebben gepleegd op artikel 85, lid 1, door aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging deel te nemen die ertoe strekt en ten gevolge heeft de leveranties van Franse suiker op de suikermarkt van het zuidelijk deel van Duitsland te controleren en bijgevolg deze markt af te schermen”;

312. Overwegende dat de beschikking, kort samengevat, aan verzoeksters verwijt dat zij de exporten naar het zuiden van Duitsland goeddeels op bepaalde afnemers, te weten de Duitse fabrikanten, heeft gericht;

313. Overwegende dat de Commissie heeft bevestigd dat deze grief eveneens betrekking heeft op SZV en daaraan ter terechtzitting heeft toegevoegd dat de vennootschap alleen bij vergissing niet in het hiervoor weergegeven dispositief is vermeld;

314. dat volgens de Commissie haar bedoeling deze grief ook ten aanzien van SZV te doen gelden enerzijds zou blijken uit de redengeving en anderzijds uit de aanhef van het tweede lid van artikel 1 der beschikking;

315. Overwegende dat men zich bij de omschrijving van de personen tot wie een beschikking, houdende vaststelling van een inbreuk, is gericht, aan het dispo sitief dier beschikking dient te houden zolang het geen aanleiding geeft tot twijfel;

316. dat in artikel 1, lid 1, sub 4 der beschikking de ondernemingen aan welke de hierbedoelde inbreuk wordt verweten, bepaaldelijk worden vermeld, te weten Béghin, Sucre-Union, SZAG en Franken;

317. dat derhalve dient te worden vastgesteld dat de bepaling geen betrekking heeft op SZV;

###### I — Het werkelijk marktgedrag van verzoeksters

318.

1.Overwegende dat, naar onbetwist vaststaat, de leveringen van fabrikant aan fabrikant (afgezien van de 4600 ton door Sucre-Union aan de „Grundstück-Verwaltungsgesellschaft” te Oberursel geleverde witte suiker, die niet mogen worden in aanmerking genomen omdat zij in de cijfers der beschikking niet zijn verwerkt) de in onderstaande tabel vermelde hoeveelheden hebben belopen:

Béghin aan SZAGBéghin aan FrankenSucre-Union aan SZAGSucre-Union aan Frankenwitte suikerruwe suikerwitte suikerruwe suikerwitte suikerruwe suikerwitte suikerruwe suiker1970/197128611200——————1971/1972—13900—92004500—4000—

319. 2.Overwegende dat ten aanzien van de leveringen der betrokken Franse fabrikanten aan in het zuiden van de Bondsrepubliek gevestigde andere ondernemers — hierna te noemen „andere leveringen” — tussen het marktgedrag van Béghin en dat van Sucre-Union dient te worden onderscheiden;

320. A —Overwegende ten aanzien van Béghin dat niet is weersproken dat zij tot zulke leveringen is overgegaan;

321. B —Overwegende ten aanzien van Sucre-Union dat partijen het er weliswaar over eens zijn dat de vennootschap tot zulke leveringen is overgegaan, doch dat de omvang dier leveringen aan de hand van de cijfers van het dossier niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, te minder nu de gegevens der Commissie onderling tegenstrijdig zijn;

322. dat namelijk enerzijds door de Commissie wordt gesteld (verweerschrift in de zaak 44-74, nr. 43) dat Sucre-Union „in 1970/1971 grotere hoeveelheden” — sc. dan in de voorafgegane verkoopseizoenen — „aan onafhankelijke handelaren heeft geleverd, maar in 1971/1972 veel minder”, met andere woorden in elk van beide verkoopseizoenen „andere” leveringen heeft verricht;

323. dat anderzijds in de statistieken van de Franse importen in Duitsland, voorkomende in bijlage 4 van de conclusie van dupliek in de zaak 44-73, ten aanzien van Sucre-Union's overige leveringen met zoveel woorden slechts gewag wordt gemaakt van 4000 ton, in 1970/1971 „aan een Duitse handelaar geleverd”, hetgeen erop schijnt te wijzen dat die vennootschap in 1971/1972 geen „andere” leveringen heeft verricht;

324. dat de Commissie voorts in noot 14 bij de in de zaak 54-73 in bijlage 1 bij dupliek opgenomen tabel V stelt dat „in de verkoopseizoenen 1970/1971 en 1971/1972 de andere exporten naar het zuiden van Duitsland” — dat wil zeggen andere leveringen dan die van Béghin of Sucre-Union aan SZAG of aan Franken — „zijn verricht door Franse fabrikanten die buiten de leveringen van fabrikant aan fabrikant stonden”, hetgeen er op neer komt dat Sucre-Union noch in 1970/1971 noch in 1971/1972 „andere” leveringen heeft verricht;

325. dat ten slotte in de bestreden beschikking (blz. 45, voorlaatste overweging onder IV 2) wordt overwogen dat ten aanzien van Sucre-Union van de vaststelling van een geldboete kan worden afgezien, omdat zij „zich steeds zoveel mogelijk afzijdig heeft gehouden” en „naast de rechtstreekse leveringen aan buitenlandse concurrenten in vrij grote mate ook verkopen aan handelaren en verwerkende ondernemingen van het land van bestemming heeft gedaan”;

326. Overwegende dat in deze omstandigheden ten faveure van verzoekster dient te worden aangenomen dat in het bestek van Sucre-Union's totale exporten naar het zuiden van Duitsland gedurende de beide hierbedoelde verkoopseizoenen het aandeel der „andere” leveringen van dezelfde orde van grootte is geweest als dat van de leveringen aan de Duitse fabrikanten;

###### II — De vraag of vorenbedoeld marktgedrag op afstemming berustte

###### 1. De bewijsmiddelen

327. A — a) Overwegende dat de Commissie zich tot staving van de onderhavige grief beroept op een reeks documenten die echter ten dele al aanstonds als niet ter zake dienende terzijde moeten worden gesteld, zodat slechts na te noemen documenten in aanmerking kunnen worden genomen;

328. Overwegende dat een Duitse handelaar op 23 augustus 1971 Sucre-Union een telex (bijlage I 156 bij de verweerschriften) heeft gezonden, waarin hij het navolgende uiteenzet: „Nach heutiger telefonischer Rücksprache mit obiger Firma” — dat wil zeggen: met een Duitse firma die bij SZV had gekocht of had willen kopen — „steilte ich fest, daß die von mir unterbreiteten Preise für Mainz und Kempten/Hegge von anderer Seite billiger offeriert wurden. Die Preise sollen in jedem Falie unter den Basispreisen liegen, die die Südzucker-Verkaufs-GmbH aufgegeben hat. Ich konnte noch nicht in Erfahrung bringen, ob die aufgegebenen Preise tatsächlich von der Südzucker-Verkaufs-GmbH sind oder von einem anderen Anbieter. Vielleicht erfahre ich in den nächsten Tagen weitere Einzelheiten, bevor die obengenannte Firma für ihren Bedarf vom 1. Oktober bis 31. Dezember 1971 Eindeckungen vornimmt. In jedem Falie soll ich unterrichtet werden. Dies zur Kenntnisnahme und erwarte Ihre Stellungnahme hierzu.” (Na ons heden telefonisch met genoemde firma te hebben verstaan, stelde ik vast dat de door mij voor Mainz en Kempten/Hegge voorgelegde prijzen door anderen werden onderboden. De prijzen moeten in ieder geval liggen beneden de door Südzucker Verkaufs GmbH opgegeven basisprijzen. Ik kon nog niet nagaan of de opgegeven prijzen werkelijk van de Südzucker Verkaufs GmbH dan wel van een andere aanbieder afkomstig zijn. Misschien mag ik hierover in de komende dagen nader worden geïnformeerd, voordat genoemde firma de maatregelen tot dekking van haar behoefte over de periode 1 oktober tot 31 december 1971 neemt. In ieder geval wens ik te worden ingelicht. Dit ter kennisneming en wacht Uw standpunt ten deze af).

329. dat er volgens de Commissie in aansluiting hierop op 29 september 1971 door „een Duitse handelaar” — wiens naam door partijen in de loop van het geding is onthuld; betrokkene, hierna te noemen: X, was destijds vertegenwoordiger van Sucre-Union in het zuiden van Duitsland — aan Sucre-Union zou zijn geschreven (vgl. bijlage I 157 bij de verweerschriften: „Comme vous le voyez, la communication à SZV des noms de firmes qui jusqu'a présent ont acheté chez nous présente des inconvénients considérables. SZV obtient ainsi connaissance des opérateurs qui ont déja acheté du sucre en France ou qui ont l'intention de le faire … Je n'estime plus opportun de transmettre à SZV les adresses \[de nos\] clients. Elle les apprendrait de toute façon si les clients lui achètent moins qu'auparavant ou s'ils ne lui achètent plus rien du tout” (Zoals U ziet, stuit mededeling van de namen der firma's die tot nu toe bij ons hebben gekocht aan SZV op aanzienlijke bezwaren. SZV verkrijgt dan wetenschap van de ondernemers die reeds suiker in Frankrijk hebben gekocht of van plan zijn dat te doen … Ik acht het niet juist SZV de adressen \[van onze\] afnemers te verstrekken. Zij zou die namen in ieder geval te weten komen wanneer de klanten minder dan vroeger of in het geheel niet meer bij haar kochten);

330. dat de Commissie uit deze brief afleidt dat Sucre-Union op verzoek van SZAG of van SZV van haar Duitse vertegenwoordiger heeft verlangd dat zij haar klantenlijst aan één van deze beide vennootschappen zou mededelen;

331. dat ten slotte de Duitse firma Gedelfi in een brief van 10 maart 1972 aan de Belgische firma GEMAS medeelt (bijlage II 9 bij verweerschriften in de zaken 54 t/m 56-73): „In den letzten 4 Jahren ist von der Gedelfi kein Zucker aus EWG-Ländern importiert worden. Unsere vergeblichen Versuche vor einigen Jahren sind Ihnen aus unseren Gesprächen bekannt. Damals haben wir auf unsere Anfragen keine Offerten erhalten. Gegenwärtig werden auf Anfragen Offerten genannt, die sich aber aus Frachtgründen und deshalb Preisgründen nicht realisieren lassen” (In de laatste vier jaar is er door Gedelfi geen suiker uit de EEG landen geïmporteerd. De vergeefse verzoeken die wij enkele jaren geleden deden zijn U uit onze gesprekken bekend. Destijds hebben wij op onze aanvragen geen offertes ontvangen. Thans worden op aanvraag offertes genoemd die om met de vracht — dat wil zeggen met de prijs — samenhangende redenen niet haalbaar zijn);

332. b) Overwegende dat verzoeksters geheel in het algemeen van oordeel zijn dat aan geen der aangevoerde documenten ten deze conclusies mogen worden verbonden;

333. dat Béghin met name ten aanzien van de brief van 29 september 1971 betoogt dat de daarin ter sprake gebrachte feiten haar niet betreffen;

334. dat SZAG uitdrukkelijk betwist dat de heer X aan haar dan wel aan SZV ooit een klantenlijst heeft overgelegd dan wel aan een van beide vennootschappen de namen van Sucre-Union's klanten heeft opgegeven;

335.

dat zij als bijlage 1 bij repliek een brief van 20 juni 1973, door Sucre-Union tot haar gericht in antwoord op een verzoek om inlichtingen met betrekking tot de brief van 29 september 1971, heeft overgelegd, waarin de Franse vennootschap als volgt schrijft: „Beiliegend senden wir Ihnen die Kopie eines von \[Herrn X\] in Brüssel vorgelegten Schreiberis, das wir angeblich erhalten haben sollen, wieder zurück. In unseren Akten konnte nicht die geringste Spur eines solchen Schreibens an uns entdeckt werden. Darüber hinaus ist uns dessen Wortlaut absolut unbekannt. Es muß natürlich berücksichtigt werden, daß das Datum des Schreibens weit zurück liegt. Es macht jedoch den Anschein, als sei dieser Brief in einer gewissen Absicht geschrieben worden … Wir mußten unser Vertragsverhaltnis \[mit X\] lösen, da er uns einen sehr bedeutenden Betrag schuldete und seine finanzielle Lage uns noch ein größeres Defizit befürchten ließ. Seine Schuld hat er übrigens nicht beglichen. In puncto Kundenliste glauben wir nicht, daß wir persönlich eine aufgestellt haben. Wir können auch keine Kopie finden. Wir bedauern jedoch, es nicht getan zu haben. Bei uns sind damals sehr unangenehme Beschwerden eingegangen, da \[X\], der keine Exklusivität für Deutschland hatte, Offerten an Kunden abgegeben hatte, die bereits über drei andere Verkaufskanäle Zucker von uns bezogen:

1.Sucre-Union als direkter Verkäufer,

2.Firma Schlüter & Maack, Hamburg (als Händler),

3.Unser Vertreter G. Baus, Homburg/Saar.

Es ware deshalb verständlich gewesen, wenn wir eine gewisse Einteilung des Arbeitsbereiches der einzelnen Verkäufer vorgenommen hatten.” (Hierbij zenden wij U de copie van een beweerdelijk door ons ontvangen brief van \[X\] te Brussel terug. In onze stukken is nergens iets over een dergelijke brief te vinden. De tekst is ons bovendien volledig onbekend. Men dient natuurlijk te bedenken dat de datum ver achter ons ligt. Het heeft er evenwel de schijn van dat de brief met een bepaalde bedoeling is geschreven … Wij moesten onze contractuele relatie met \[X\] beëindigen, omdat hij ons eén zeer aanzienlijk bedrag schuldig was en zijn financiële toestand ons een nog groter deficit deed duchten. Zijn schuld heeft hij overigens niet vereffend. Wat de klantenlijst betreft, wij geloven niet dat wij er zelf een hebben opgesteld. Wij konden ook geen afschrift vinden. Wij betreuren evenwel het niet te hebben gedaan. Er hebben ons destijds zeer onaangename klachten bereikt, aangezien \[X\] die voor Duitsland geen exclusieve rechten bezat, offertes had gedaan aan klanten die reeds over drie andere afzetkanalen suiker van ons betrokken:

1.Sucre-Union als directe verkoper,

2.firma Schlüter & Maack te Hamburg (als handelaar),

3.onze vertegenwoordiger te Homburg-Saar.

Het zou derhalve begrijpelijk zijn geweest indien wij tot een zekere verdeling van het werkterrein der verschillende verkopers waren overgegaan).

336. dat SZAG ter terechtzitting andere feiten heeft gesteld waaruit volgens haar kan blijken dat de heer X geen geloof verdient en die zelfs twijfel doen opkomen of hij aan de Commissie niet een „afschrift” van een niet bestaand oorspronkelijk stuk, te weten de brief welke hij op 29 september 1971 aan Sucre-Union zou hebben geschreven, heeft overgelegd;

337. B —Overwegende dat de Commissie stelt het opmerkelijk te achten dat Béghin en Sucre-Union grote leveringen aan de Duitse fabrikanten hebben gedaan — tegen voor deze laatsten bijzonder voordelige prijzen —, terwijl Béghin geen enkele „andere” levering zou hebben gedaan en de „andere” leveringen van Sucre-Union bescheiden zouden zijn gebleven;

338. dat men, in aanmerking genomen a) dat de marktprijs in het zuidelijk deel van Duitsland ongeveer 5 % boven de Franse interventieprijs lag, b) dat de Duitse fabrikanten in 1970/1971 de behoeften van deze streek niet volledig konden dekken en c) dat talrijke aldaar gevestigde ondernemers belangstelling voor de invoer van Franse suiker aan de dag hadden gelegd, volgens de Commissie had mogen verwachten dat Sucre-Union en Béghin — en wel met name deze laatste onderneming die over aanzienlijke overschotten beschikte — op grote schaal aan zulke ondernemers verkochten;

339. dat Béghin er door levering van ruwe suiker aan een concurrent van zou hebben afgezien zelf de betrokken hoeveelheden te raffineren en de aldus verkregen witte suiker op de markt van het zuidelijk gedeelte van Duitsland af te zetten, welke handelwijze slechts te verklaren zou zijn door de bij belanghebbenden levende wens elkander op die markt geen concurrentie aan te doen;

340. dat de verkopen van ruwe suiker niet zouden kunnen worden verklaard door ontoereikende raffinagecapaciteit, immers Béghin alle in haar fabrieken te Sillery, in de omgeving van Reims, gefabriceerde ruwe suiker had kunnen raffineren in haar fabrieken te Thumeries (Noord-Frankrijk), zoals zij trouwens vóór deze beide verkoopseizoenen ook zou hebben gedaan;

341. dat Béghin's stelling dat de transportkosten dit procédé economisch nauwelijks lonend zouden hebben gemaakt, zou afstuiten op het feit dat enerzijds Sillery op grotere afstand van de raffinaderijen van SZAG is gelegen dan van Thumeries, terwijl de firma anderzijds voor de verkoop van witte suiker in het Zuiden van Duitsland ook een andere oplossing had kunnen vinden dan de ruwe suiker vóór export naar Thumeries te vervoeren;

###### 2. De waardering van deze bewijsmiddelen

###### A — De leveringen van Béghin

342. Overwegende dat aanstonds zij vastgesteld dat de brief van 29 september 1971 betrekking heeft op omstandigheden waaraan Béghin vreemd was;

343. a) Overwegende dat de leveringen van witte suiker aan de Duitse fabrikanten, wat Béghin betreft, beperkt zijn gebleven tot 286 ton aan SZAG geleverde suiker, een transactie van zo weinig betekenis dat zij geen aanwijzing voor een op afscherming van de markt in het zuidelijk deel van Duitsland gerichte afstemming vermag op te leveren;

344. b) Overwegende dat de Commissie geen enkel geval heeft kunnen noemen waarin Béghin verkoop zou hebben geweigerd aan een in het zuiden van Duitsland gevestigde niet-fabrikant, welk verwijt bovendien enerzijds niet in de beschikking te vinden is en anderzijds faalt, nu de Commissie de stelling der vennootschap dat zij van Duitse handelaren of verbruikers nimmer een verzoek om verkoop had ontvangen, niet heeft weersproken;

345. dat de Commissie zelf heeft gesteld (beschikking, blz. 20, eerste overweging, sub 9) „dat in Duitsland de suikerbalans over het algemeen in evenwicht is” en dat in de invoerbehoeften van het zuiden van Duitsland — die als gevolg van deze evenwichtssituatie van beperkte omvang waren — blijkbaar door andere buitenlandse fabrikanten kon worden voorzien, zodat het geen verwondering behoeft te baren dat deze of gene Franse fabrikant in het zuidelijk deel van Duitsland niet op de markt is verschenen;

346. c) Overwegende met betrekking tot Béghin's leveringen van ruwe suiker aan SZAG en aan Franken, dat de Commissie niet in staat is geweest Béghin's stelling te weerleggen dat het niet lonend zou zijn geweest wanneer de ruwe suiker vervaardigd in de fabrieken te Sillery, waar men niet over raffinagemogelijkheden beschikt, te Thumeries zou zijn geraffineerd en de aldus verkregen witte suiker vervolgens naar het zuiden van Duitsland zou zijn vervoerd;

347. Overwegende voorts dat als onweersproken vaststaat dat Béghin gedurende de beide hierbedoelde verkoopseizoenen onderscheidenlijk 75 % en 74 % van de produktie van haar fabriek te Sillery geleverd heeft aan Franse, Italiaanse of in derde landen gevestigde raffinadeurs, doch dat niet is gesteld dat ook die leveringen zouden hebben plaatsgevonden op grond van een op afscherming van de kopersmarkt gerichte afstemming van gedragingen — afgezien van de 4 % van de produktie 1971/1972 die in Italië is afgezet —;

348. Overwegende dat anderzijds, wat SZAG's belangen betreft, niet is weersproken dat de omstreden aankopen in de lijn van een gevestigde traditie lagen en dat er voorheen bij andere fabrikanten zelfs meer was aangekocht dan bij de Franse fabrikanten;

349. dat evenmin is betwist dat SZAG een voor haar voordelige prijs aan Béghin heeft betaald, ofschoon het omgekeerde in de lijn der verwachtingen zou hebben gelegen indien men met de bestreden leveringen afscherming van de markt in het zuiden van Duitsland zou hebben beoogd;

350. dat de stelling volgens welke een fabricant er „in den regel” geen belang bij heeft aan een concurrent te verkopen omdat hij bij rechtstreekse levering aan handelaren of verbruikers een voordeliger prijs zou kunnen bedingen, zich in casu ten dele tegen de Commissie keert, nu daarmede wordt te verstaan gegeven — dan wel niet betwist — dat ook een koper-fabrikant bij aanvullende aankopen zeer wel een natuurlijk belang kan hebben;

351. dat de suikermarkt namelijk gekenmerkt wordt door sterk schommelende oogsten — die een fabrikant soms kunnen noodzaken ter voldoening aan met zijn afnemers gesloten langlopende leveringscontracten een beroep te doen op een andere fabrikant —;

352. d) Overwegende dat de Commissie bovendien heeft betoogd dat SZAG en Franken het marktgedrag van Béghin hebben beantwoord door bij wijze van tegenprestatie zich hunnerzijds van leveringen in Saarland, waar vanouds Franse fabrikanten opereerden, te onthouden;

353. Overwegende dat evenwel dient to worden opgemaakt dat Béghin zonder tegenspraak van de Commissie heeft gesteld in het hierbedoelde tijdvak nooit in dit gebied te hebben geleverd;

354. Overwegende dat het in al deze omstandigheden niet uitgesloten moet worden geacht dat Béghin's leveringen aan SZAG en aan Franken en het uitblijven van andere leveringen van Béghin aan het zuidelijk gedeelte van Duitsland anders dan met behulp van een afstemming van gedragingen zijn te verklaren;

###### B — De leveringen van Sucre-Union

355. a) Overwegende dat Sucre-Union geen ruwe suiker aan SZAG en aan Franken heeft geleverd, zodat het nog slechts de vraag is of structureel gezien, haar leveringen van witte suiker in het zuidelijk gedeelte van Duitsland, wat de drie voornoemde ondernemingen betreft, een voldoende ernstige aanwijzing voor de gestelde onderling afgestemde feitelijke gedraging vormen;

356. Overwegende dat, naar hiervoor reeds werd overwogen, mag worden aangenomen dat de hoeveelheden welke de Franse vennootschap aan Duitse niet-fabrikanten heeft geleverd van dezelfde orde van grootte waren als de hoeveelheden welke aan SZAG en aan Franken zijn geleverd;

357. dat dan ook mag worden betwijfeld of het tussen belanghebbenden tot een afstemming van gedragingen is gekomen, althans tot een afstemming waaraan metterdaad uitvoering is gegeven;

358. dat bovendien hetgeen hiervoor met betrekking tot Béghin's leveringen werd overwogen, ten dele ook in casu geldt, te weten: dat de Commissie geen enkel geval heeft kunnen noemen waarin Sucre-Union aan een Duitse niet-fabrikant verkoop zou hebben geweigerd en dat SZAG en Franken zelfs in geval van zelfstandig marktgedrag bij aanvullende aankopen belang konden hebben, terwijl ook de conclusies verbonden aan de in beginsel evenwichtige marktsituatie in het zuidelijk gedeelte van Duitsland in casu kunnen worden gehandhaafd;

359. b) Overwegende dat nog dient te worden nagegaan of de hierbedoelde inbreuk desondanks niet op grond van de brief van 29 september 1971 welke aan Sucre-Union zou zijn toegezonden door haar Duitse vertegenwoordiger X, bezien in samenhang met de structuur van Sucre-Union's exporten naar het zuiden van Duitsland, bewezen is te achten;

360. Overwegende dat de bewering van X met betrekking tot het bestaan van deze brief c.q. de geloofwaardigheid van haar inhoud staat tegenover de beweringen van Sucre-Union en SZAG;

361. dat zelfs wanneer zou moeten worden aangenomen dat Sucre-Union en SZAG op een met artikel 85 van het Verdrag onverenigbare wijze hebben willen samenwerken, het nauwelijks waarschijnlijk voorkomt dat die samenwerking zou zijn belichaamd in een zo ongebruikelijke handelwijze als waarvan in die brief sprake is en die in casu had kunnen betekenen dat een fabrikant, zijn eigen vroegere inspanningen ten spijt en op gevaar af het vertrouwen van zijn afnemers te verliezen, een mogelijke of werkelijke concurrent de kans geeft hem die klanten te ontnemen ofwel die klanten door intrekking van een getrouwheidskorting te benadelen;

362. Overwegende ten slotte dat ook in deze samenhang niet buiten beschouwing mag worden gelaten dat de Commissie, in afwijking van het standpunt dat zij jegens Béghin en SZAG heeft ingenomen, aan Sucre-Union de rol van „outsider” heeft toegekend en haar geen geldboete heeft opgelegd, welke gedragslijn bezwaarlijk zou kunnen worden verdedigd indien zou moeten worden aangenomen dat Sucre-Union stappen als in genoemde brief bedoeld heeft genomen;

363. Overwegende dat het in al deze omstandigheden niet uitgesloten moet worden geacht dat de leveringen van Sucre-Union aan SZAG en aan Franken en de beperkte omvang van Sucre-Union's overige leveringen naar het zuidelijk gedeelte van Duitsland anders dan uit hoofde van een afstemming van gedragingen zijn te verklaren;

364. Overwegende dat op grond van al deze overwegingen artikel 1, lid 1, sub 4, van de bestreden beschikking moeten worden vernietigd;

###### Vijfde hoofdstuk · De grief dat RT de Belgische exporteurs economisch onder druk zou hebben gezet

365. Overwegende dat in artikel 1, lid 2, sub 1, van de bestreden beschikking aan RT wordt verweten dat zij „sinds het verkoopseizoen 1968/1969 inbreuk \[heeft\] gepleegd op artikel 86 door de Belgische uitvoerhandelaren … door economische druk ertoe te brengen hun uitvoer te beperken”;

###### I — Samenvatting der in de beschikking gegeven uiteenzetting

366. Overwegende dat RT volgens de Commissie economische druk heeft uitgeoefend op de ondernemingen Export en Hottlet, hierna te noemen „de handela ren”, opdat zij de hun door RT geleverde suiker zouden wederverkopen aan bepaalde klanten of voor een bepaalde bestemming en deze beperking tevens aan hun klanten zouden opleggen;

367. dat deze economische druk daarin zou hebben bestaan dat zij zou hebben geweigerd „aan deze handelaren suiker te verkopen, met name voor de uitvoer naar derde landen — activiteit die een aanzienlijk deel van de omzet van deze handelaren uitmaakt —, indien deze suiker zou worden doorverkocht voor bestemmingen die niet door de RT toegelaten zijn”;

368. dat RT een machtspositie zou innemen op de Belgisch-Luxemburgse suikermarkt, die als een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt is te beschouwen;

###### II — Onderzoek van het middel

369. Overwegende dat RT in hoofdzaak betoogt dat de Belgisch-Luxemburgse markt niet een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt is, dat de vennootschap op die markt geen machtspositie inneemt en dat zij geen misbruik van die positie heeft gemaakt, zodat de Commissie door artikel 86 van het Verdrag op het marktgedrag der vennootschap toe te passen die bepaling zou hebben geschonden;

###### 1. De vraag of de Belgisch-Luxemburgse markt een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormt

370. Overwegende dat RT meent dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord, gezien de betrekkelijk bescheiden omvang van de Belgische produktie en het aantal verbruikers in België en Luxemburg;

371. Overwegende dat voor de vaststelling dat een bepaald grondgebied van voldoende belang is om als een „wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt” in de zin van artikel 86 van het Verdrag te worden beschouwd, met name op de structuur en de omvang van produktie en consumptie van genoemd produkt, alsook op de gewoonten en de economische mogelijkheden van kopers en verkopers, dient te worden gelet;

372. dat wat meer in het bijzonder de suiker betreft, niet slechts de doorwerking der transportkosten in de prijs van het produkt en de gewoonten van verbrui kers en consumenten in aanmerking dienen te worden genomen, doch ook het feit dat in de communautaire regeling het eigene van de oude nationale markten goeddeels bewaard is gebleven;

373. Overwegende dat de Belgische produktie en de totale produktie van de Gemeenschap van 1968/1969 tot 1971/1972 van 530000 tot 770000 ton onderscheidenlijk van 6800000 tot 8100000 ton zijn gestegen (vgl. bestreden beschikking, blz. 18, nrs. 3 en 5);

374. dat de consumptie in België gedurende deze verkoopseizoenen gemiddeld ten naaste bij 350000 ton heeft belopen, terwijl die in de Gemeenschap van 5900000 tot 6500000 ton is gestegen (loc.cit.);

375. Overwegende dat het Belgisch-Luxemburgse grondgebied derhalve, mede in aanmerking genomen de andere voormelde maatstaven, naar verhouding voldoende belangrijk is om, wat suiker betreft, als een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt voor dit produkt te worden beschouwd;

###### 2. De vraag of RT een machtspositie op de Belgisch-Luxemburgse suikermarkt inneemt

376. Overwegende dat RT volgens haar eigen verklaringen de Belgische produktie voor 65 % in handen heeft;

377. Overwegende dat de Commissie betoogt dat dit cijfer in werkelijkheid op 85 % moet worden gesteld, omdat ook de produktie van de firma's Suikerfabrieken van Vlaanderen te Moerbeke-Waas en Raffinerie Notre-Dame te Oreye — hierna onderscheidenlijk te noemen „Moerbeke-Waas” en „Oreye” — aan RT zou moeten worden toegerekend op grond van de persoonlijke en financiële banden welke er tussen RT en elk van de beide andere firma's zouden bestaan, alsook van het feit dat zij het door RT vastgestelde verkoopbeleid zouden hebben gevolgd;

378. Overwegende dat RT ten minste 50 % van het kapitaal van Moerbeke-Waas en van Oreye in handen heeft, dat vijf bestuursleden van RT deel uitmaken van de Raad van Beheer van Moerbeke-Waas, dat een lid van die Raad zitting heeft in de Raad van Beheer van RT en dat voorts met name uit een groot aantal stukken van het dossier blijkt dat beide firma's geregeld, althans veelal, RT's restrictief handelsbeleid op de Nederlandse en West-Duitse markt hebben gevolgd;

379. dat dan ook de produktie van Moerbeke-Waas en van Oreye aan RT mag worden toegerekend, zodat het er ten deze voor mag worden gehouden dat RT de Belgische produktie in feite voor 85 % in handen had;

380. dat bij beoordeling van dit op zichzelf reeds veelzeggende percentage ook moet worden rekening gehouden met het feit dat de suikerinvoer in België van geen betekenis was;

381. dat het RT in deze omstandigheden mogelijk was een daadwerkelijke mededinging op de betrokken markt te verhinderen;

382. dat zij dus in het in aanmerking te nemen tijdvak een machtspositie op die markt innam;

###### 3. De vraag of er van misbruik sprake is geweest

###### A — De bewijsmiddelen

383. a) Overwegende dat de Commissie haar standpunt dat RT de haar verweten inbreuk werkelijk heeft begaan, allereerst tracht te doen steunen op een aantal documenten die zij tevens inroept ten betoge dat er sprake zou zijn geweest van onderling afgestemde feitelijke gedragingen ter afscherming van de markten in Nederland of in het westelijk deel van Duitsland — welke documenten hiervoor reeds zijn geciteerd (hoofdstukken twee en drie) —;

384. dat de Commissie voorts gewag maakt van vijftien koopcontracten, die RT en Hottlet tussen 8 oktober 1968 en 7 januari 1972 zouden hebben afgesloten, van een brief van RT aan Hottlet van 19 maart 1969 en van verschillende interne nota's van Export, opgesteld tussen februari en maart 1970 (bijlage I 41, 78, 131 bij de verweerschriften; bijlage II 17, 18 bij het verweerschrift in de zaak 47-73; bijlage 3 bij de conclusie van dupliek in dezelfde zaak);

385. Overwegende dat, naar in het tweede en derde hoofdstuk werd overwogen, is komen vast te staan dat RT erin is geslaagd aan de handelaren de eerbiediging van haar verkoopbeleid af te dwingen, welk beleid daarin bestond dat de uitvoer van witte suiker naar Nederland en naar het westelijk gedeelte van de Bondsrepubliek Duitsland op bepaalde afnemers of bestemmingen werd gericht;

386. dat RT volgens de Commissie de in de beschikking bedoelde economische druk ook zou hebben uitgeoefend om gedaan te krijgen dat de handelaren zich zouden voegen naar de beweerdelijk tussen de Belgische vennootschap en bepaalde Franse fabrikanten afgestemde gedragingen betreffende de inschrijvingen voor de restituties bij uitvoer naar derde landen, waarop de in het negende hoofdstuk besproken grief betrekking heeft;

387.

b) Overwegende dat blijkens een tussen 20 oktober 1968 en 16 december 1969 door RT met Hottlet gevoerde briefwisseling (bijlage 3 bij dupliek in de zaak 47-73):

—Hottlet een bepaalde hoeveelheid suiker had gekocht bij RT en aan een Duitse afnemer doorverkocht, waarbij in de desbetreffende contracten ten verzoeke van RT de bepaling was opgenomen dat de suiker slechts voor denaturering mocht worden gebruikt;

—Hottlet later aan RT heeft gevraagd de afnemer en haarzelf, Hottlet, van de verplichting tot naleving dier clausule te ontslaan, welke naleving onmogelijk zou zijn geworden als gevolg van het feit dat de denatureringspremie in een verordening van de Gemeenschap was afgeschaft;

—RT er nochtans op heeft gestaan dat bedoelde clausule ten volle zou worden nagekomen en ten slotte van Hottlet een schadevergoeding van 1250000 bfr. heeft gevorderd op grond van het feit dat Hottlet ten gevolge van de zojuist geschetste gang van zaken bij RT het restant van de in voormelde contracten overeengekomen hoeveelheid — 2500 ton — niet tijdig had afgenomen;

388. dat een interne nota van Export „over de mogelijkheden tot samenwerking met RT” van 23 april 1970 (bijlage I 75 bij de verweerschriften), waarin Export zich erover beklaagt dat „de politiek der raffinadeurs” haar leveringen aan de grensgebieden van Nederland, Frankrijk en Duitsland onmogelijk maakt, als volgt wordt besloten: „Il est douteux que nous puissions obtenir un contingent, car RT ne voudra pas cautionner une politique allant à l'encontre des conventions qu'elle a prises avec les autres raffineurs” (Het is twijfelachtig of wij een contingent kunnen krijgen, want RT zal wel niet een beleid willen dekken dat tegen haar afspraken met de andere raffinadeurs ingaat);

389.

dat in een andere interne nota van Export betreffende een onderhoud dat haar leidinggevende functionarissen op 17 februari 1970 met de heer Maisin van RT hadden gehad (bijlage I 78 bij de verweerschriften) de navolgende uiteenzetting voorkomt:

> „Raffinerie Tirlemontoise compte exporter environ 9000 tonnes de bruts qui seront livrées à Tate. RT propose à Export d'intervenir dans cette opération en qualité de broker. Dans ce cas, Export devrait respecter la politique commune définie à l'égard des adjudications.
>
> Invité à préciser ce dernier point, M. Maisin reconnaît que cet engagement porte également sur les adjudications à l'exportation de sucre blanc. Nous lui répondons alors que notre position à cet égard n'a pas évolué depuis la semaine dernière, mais qu'elle n'est pas pour autant rigide, ni immuable.
>
> Monsieur Maisin fait alors allusion à l'échange de correspondance entre le baron Kronacker et Monsieur Rolin et nous fait remarquer que si un nouveau „climat” doit être créé, il ne peut l'être que pierre par pierre …”

Conclusion

> „Raffinerie Tirlemontoise nous propose d'intervenir comme courtier dans la vente de 9000 tonnes de bruts qu'il compte faire (ou qu'il a fait) à Tate & Lyle.
>
> En contrepartie, il nous demande de renoncer à notre liberté d'aller tant aux adjudications d'exportation de sucre brut, qu'à celles de sucre blanc.
>
> Il est implicite que Raffinerie Tirlemontoise refuse de nous offrir des bruts que nous serions libres de vendre où bon nous semble”
>
> „(Raffinerie Tirlemontoise denkt ongeveer 9000 ton ruwe suiker, te leveren aan Tate, uit te voeren. RT stelt Export voor als broker aan die transacties deel te nemen. In dat geval zou Export het met betrekking tot de openbare inschrijvingen vastgestelde gemeenschappelijk beleid dienen te eerbiedigen.
>
> Gevraagd zich over dit laatste punt nader uit te laten, heeft de heer Maisin erkend dat die verplichting ook de openbare inschrijvingen voor de uitvoer van witte suiker betreft. Wij hebben hem dus geantwoord dat er in zoverre sinds de vorige week geen wijziging in ons standpunt is gekomen, doch dat dat standpunt niet star of onveranderlijk is.
>
> De heer Maisin heeft toen gezinspeeld op een tussen baron Kronacker en de heer Rolin te voeren briefwisseling en ons erop gewezen dat wanneer er een nieuw „klimaat” moet worden geschapen, dat alleen bij stukjes en beetjes mogelijk zal zijn …”

Conclusie

Raffinerie Tirlemontoise stelt ons voor als makelaar te worden ingeschakeld bij de door hem voorgenomen (o.f inmiddels plaatsgevonden hebbende) verkoop van 9000 ton ruwe suiker aan Tate & Lyle.

Als tegenprestatie verlangt hij dat wij onze vrijheid om aan de inschrijvingen voor de uitvoer van ruwe suiker en ook voor die van witte suiker deel te nemen, zullen prijsgeven.

Impliciet weigert Raffinerie Tirlemontoise ons ruwe suiker aan te bieden wanneer wij vrij zouden zijn die te verkopen waar het ons goeddunkt);

390. dat de directie van Export op dezelfde datum en met betrekking tot hetzelfde onderwerp een besluit heeft genomen (bijlage II 17 bij het verweerschrift in de zaak 47-73) waarin met name het volgende werd gezegd: „Accord de notre part, dans un esprit de conciliation et comme geste de bonne volonté, de ne pas soumissionner pour une restitution de brut aux adjudications permanentes de la CEE qui auront lieu, hebdomadairement à partir du mercredi 18 février, ceci pour que de telles demandes de restitution ne concurrencent pas les demandes de raffineurs franco-beiges, et de Raffinerie Tirlemontoise en particulier. (A remarquer que ce geste était purement formel, car sans être assuré de l'aliment matière première de Tirlemont en brut, seul fournisseur belge possible, Export n'aurait pu raisonnablement soumissionner à l'adjudication des bruts: risques, pour le cas où il aurait été adjudicataire, de ne pouvoir se couvrir en effectif)” („Onzerzijds accoord, in een geest van verzoening en als blijk van goede wil, niet in te schrijven voor een restitutie voor ruwe suiker bij de permanente inschrijvingen van de EEG die vanaf woensdag 18 februari wekelijks zullen plaatshebben, om met zulke restitutieaanvragen die van de Frans-Belgische raffinadeurs, en met name die van Raffinerie Tirlemontoise, geen concurrentie aan te doen. (Wij wijzen erop dat deze geste van strikt formele aard is, want zonder van de toelevering van grondstoffen, ruwe suiker van Tirlemont, de enig mogelijke Belgische leverancier, zeker te zijn, had Export redelijkerwijze niet aan de inschrijving voor ruwe suiker kunnen deelnemen: mocht de inschrijving worden gegund, dan zou Export riskeren zich voor de transactie niet te kunnen indekken)”);

391. dat baron Kronacker, president van Export, in een nota van 26 maart 1970 (bijlage II 18 bij het verweerschrift in de zaak 47-73) het navolgende stelt: „Je souhaite qu'on marche d'accord avec Tirlemont. Dans ce cas nous faisons le sacrifice de nos mandats, nous acceptons de réduire les quantités pour lesquelles nous nous rendions à l'adjudication pour Export, et nous acceptons, bien que nous n'ayons pas voix au chapitre, de nous rallier aux prix du consortium de Paris. Cela implique nécessairement que Tirlemont n'aille pas aux adjudications par un autre canal que nous … En compensation des sacrifices que nous faisons, la commission de 3/4 % doit nous être maintenue sur la totalité des opérations” (Het is mijn wens dat men met Tirlemont tot overeenstemming komt. In dat geval laten wij onze opdrachtgevers vallen, nemen wij genoegen met beperking van de hoeveelheden waarvoor wij ten behoeve van Export inschreven en aanvaarden wij, ondanks het feit dat wij geen stem in het kapittel hebben, ons aan te sluiten bij de prijzen van het consortium van Parijs. Dat impliceert noodzakelijkerwijze dat Tirlemont niet langs andere weg dan via ons aan de inschrijvingen deelneemt… Als compensatie voor de door ons gebrachte offers moet onze provisie van 3/4 % over alle transacties worden gehandhaafd);

392. dat in een nota van Export betreffende het mondelinge antwoord dat de heer Rolin op 21 mei 1970 op een schriftelijk voorstel van baron Kronacker van 20 mei had gedaan met betrekking tot de relaties Export/RT voor het verkoopseizoen 1970/1971 (bijlage I 131 bij de verweerschriften) wordt gezegd: „En outre, M. Rolin restreint encore notre liberté d'action et nos possibilités d'activité en ce qui concerne la demande des restitutions. Ges demandes, en tonnage et en niveau, devraient selon lui s'opérer en coordination avec M. Bernard, PDG de Say, dans le cadre de la concertation de Paris (Say, Béghin, Varsano, Sucre-Union, etc…)” (Bovendien legt de heer Rolin onze vrijheid van handelen en onze mogelijkheden, wat het aanvragen van restituties betreft, verder aan banden. Over tonnage en niveau van die aanvragen zou volgens hem overleg moeten worden gepleegd met de heer Bernard, presidentdirecteur-generaal van Say, in het kader van de afstemming van Parijs (Say, Béghin, Varsano, Sucre-Union, enz…);

393.

dat in twee telexen van 19 augustus 1970, onderscheidenlijk door Export aan RT en door RT aan Export gezonden (bijlagen I 81, 82, bij de verweerschriften) te lezen valt:

Télex d'Export:

> 1.„ Hollande: Sur la base des besoins d'importation des Pays-Bas en sucre CEE, sommes d'accord sur principe évoqué déjeuner d'avant-hier:
>
> travailler selon votre schéma, savoir échanges entre fabricants de sucre via commerce traditionnel belgo-hollandais, sur base satisfaisante pour Export. Pour donner suite votre proposition, contactons maisons hollandaises sur ces questions et problèmes techniques”;

Télex de réponse de RT:

> „Suite votre télex 16.06 h dont j'ai pu donner connaissance par téléphone à Monsieur Rolin, celui-ci me prie vous faire part qu'il prend note avec grand plaisir de votre accord formulé sous point 1.
>
> Nous mettons par conséquent sucre à votre disposition pour industrie hollandaise lait condensé pour opération via commerce traditionnel…
>
> D'autre part si nous étions sollicités par industrie sucrière hollandaise pour ses besoins propres, une exportation éventuelle de sucre belge se traiterait également avec le concours de nos maisons de commerce.
>
> Des dispositions ci-dessus, il découle que vous vous abstiendrez de toute autre démarche sur le marché hollandais, en sorte de ne pas en perturber la structure”

(Telex van Export:

> 1.„ Nederland: op basis van de in Nederland bestaande behoefte aan invoer van EEG-suiker, gaan accoord met beginsel besproken lunch van eergisteren, werken volgens Uw schema, dwz. verkeer tussen suikerfabrikanten via traditionele Belgisch-Nederlandse handel, op voor Export bevredigende basis. Laat ons om aan Uw voorstel gevolg te geven, over deze kwesties contact opnemen met Hollandse firma's …”

Antwoord telex van RT:

> „Ingevolge Uw telex 16.06 uur die ik telefonisch aan de heer Rolin kon doorgeven, verzoekt deze mij U te laten weten dat hij zeer ingenomen is met Uw accoordverklaring sub 1.
>
> Wij stellen dan ook suiker voor de Nederlandse condensindustrie, te verhandelen via de traditionele handel, te Uwer beschikking. Anderzijds zou, mocht de Nederlandse suikerindustrie zich met het oog op haar eigen behoeften tot ons wenden, aan uitvoer van Belgische suiker eveneens door onze handelshuizen worden meegewerkt. Uit voormelde bepalingen volgt dat U zich van alle andere bemoeiingen met de Nederlandse markt zult onthouden, ten einde de marktstructuur aldaar niet te verstoren)”;

394.

dat twee in dezelfde omstandigheden gewisselde telexen van 20 augustus 1970 (bijlagen I 83, 84 bij de verweerschriften) als volgt luiden:

Télex d'Export:

> „Export marque son accord de suivre la Raffinerie Tirlemontoise comme fabricant de sucre beige dans son élaboration d'une entente avec la Suiker Unie et la Centrale Suiker Maatschappij comme fabricants de sucre néerlandais pour la campagne sucrière 1970/1971 sur les bases suivantes:
>
> 1.Export renonce de traiter des sucres belges avec les acheteurs-utilisateurs néerlandais pour ce que nous dénommons les besoins propres néerlandais et qui consistent en la consommation de bouche humaine, d'une part en l'état, tel quel, d'autre part pour l'industrie des produits sucrés, pour con sommation de ces produits sucres aux Pays-Bas, dans les autres pays de la CEE et sur pays tiers. Cette industrie des produits sucrés ne comprend pas l'industrie du lait.
>
> Est également exclu du renoncement d'Export, le trafic de dénaturation du sucre et l'industrie chimique.
>
> 2.Cet abandon d'Export est lié et conditionné à ce que, en ce qui concerne les besoins d'importation des Pays-Bas en sucre CEE …, les échanges à prendre cours pour approvisionner ce marché néerlandais, entre les fabricants de sucres belges et les fabricants de sucre néerlandais, seront effectuées via les commerces traditionnels belge et hollandais, sur une base satisfaisante pour Export. Ces derniers mots signifient que l'intéressément d'Export à ces opérations doit lui donner satisfaction d'une part sur sa rémunération à l'unité de sucre sous forme de commission ou participation commerciale sous forme d'une marge, et d'autre part sur l'importance du tonnage des sucres des fabricants de sucre belges qui seront échangés avec les fabricants de sucre néerlandais, sur base des besoins d'importation des Pay-Bas en sucre CEE”;

Réponse de RT:

> „Il se dégage de votre télex … que nous sommes bien d'accord sur la façon d'opérer en sucre belge sur la Hollande” … „nous n'entendons faire quoi que ce soit à destination de la consommation en Hollande qui n'ait l'agrément de nos collègues hollandais”

(Telex van Export:

Export gaat ermede accoord de Raffinerie Tirlemontoise als Belgische suikerfabrikant te volgen bij het uitwerken van een ondernemersovereenkomst met Suiker U nie en de Centrale Suiker Maatschappij als fabrikanten van Nederlandse suiker, voor het suikerverkoopseizoen 1970/1971, en wel op de volgende grondslagen:

1.Export ziet af van transacties betreffende Belgische suiker met de Nederlandse kopers-verbruikers voor wat wij noemen de eigen Nederlandse behoeften, bestaande uit het gebruik van suiker voor menselijke consumptie, deels als zodanig, deels voor de suikerwerkindustrie — voor de consumptie van suikerwerk in Nederland, de andere EEG-landen en naar derde landen —… Die suikerwerkindustrie omvat niet de suikerindustrie. Ook het denatureringsverkeer en de chemische industrie zijn van Export's verklaring van afstand uitgesloten.

2.Het prijsgeven van deze handel door Export is gebonden aan en afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat, voor wat de Nederlandse behoeften aan invoer van EEG-suiker betreft…, het handelsverkeer ter bevoorrading van deze Nederlandse markt tussen de Belgische en de Nederlandse suikerfabrikanten zal lopen via de traditionele Belgische en Nederlandse suikerhandel, op een voor Export bevredigende grondslag. Deze laatste woorden betekenen dat het betrekken van Export bij deze transacties haar genoegdoening moet schenken, enerzijds wat betreft haar beloning per eenheid, in de vorm van provisie, dan wel bij wege van commerciële deelneming, in de vorm van een marge, en anderzijds ten aanzien van de omvang van het suikertonnage van de Belgische suikerfabrikanten dat op grondslag van de Nederlandse behoeften aan de invoer van EEG-suiker met de Nederlandse suikerfabrikanten zal worden verhandeld;

Antwoord van RT:

Uit Uw telex volgt… dat wij het geheel eens zijn over de wijze waarop transacties in Belgische suiker voor Nederland zullen worden afgesloten … „wij zijn niet voornemens om wat de bestemming voor Nederlandse consumptie betreft, iets te ondernemen wat niet de instemming van onze Nederlandse collega's heeft)”;

395. dat Export in een verkoopbevestiging van 1 oktober 1970, gericht tot de Nederlandse handelaar Jacobson (bijlage I 88 bij de verweerschriften) uiteenzet dat RT „a donné, pour la campagne 1970/1971, l'exclusivité de la vente de ses sucres cristallisés à l'exportation de Belgique aux deux commerçants sucriers beiges traditionnels” — à savoir à Export et à Hottlet — (voor het verkoopseizoen 1970/1971 het uitsluitend recht haar kristalsuiker voor export uit België te verkopen aan de beide traditionele suikerhandelaren — te weten Export en Hottlet — heeft gegeven) en na te hebben gewezen op „les impératifs de politique commerciale générale de la RT qui nous ont été formulés, à savoir qu'elle n'entend faire quoi que ce soit à destination des Pays-Bas qui n'ait l'agrément de… SU et CSM” (de aan ons geformuleerde eisen van RT's algemeen handelsbeleid, te weten dat zij voor bestemming Nederland niet wenst te ondernemen wat niet de instemming van SU en CSM heeft) het volgende schrijft: „Nous considérons … devoir attirer votre attention de façon nette sur cette politique commerciale de nos principaux fournisseurs, le groupe de Tirlemont, toutes opérations en sucre belge en dehors de cette ligne de conduite ne pouvant être agréés par lui, et nous faisant perdre en conséquence l'exclusivité dont il est question … ci-dessus” (wij menen … met nadruk Uw aandacht te moeten vestigen op dit handelsbeleid van onze voornaamste leveranciers, de groep-Tirlemont; transacties in Belgische suiker waarbij deze gedragslijn niet in acht is genomen, kunnen door die groep niet worden goedgekeurd en komen ons te staan op het verlies van het uitsluitend recht waarvan … hiervoor sprake was);

###### B — De waardering der bewijsmiddelen

396. Overwegende dat uit de aangehaalde stukken, bezien in verband met de gegevens genoemd in de hoofdstukken twee en drie, onmiskenbaar blijkt dat RT hetzij uitdrukkelijk of stilzwijgend aan de handelaren heeft verklaard, hetzij bij hen willens en wetens de indruk heeft gevestigd, dat zij hun slechts suiker c.q. slechts de gevraagde hoeveelheden suiker zou leveren op voorwaarde dat zij zich zouden voegen naar haar restrictief uitvoerbeleid en dat bedoeld beleid de Nederlandse markt en de markt in het Westen van Duitsland dan wel de leveringen naar derde landen heeft betroffen;

397. dat sommige van deze verklaringen zelfs zo categorisch zijn gesteld dat zij veeleer doen denken aan instructies aan een handelsvertegenwoordiger dan aan tussen een fabrikant en een onafhankelijke handelaar op voet van gelijkheid gevoerde onderhandelingen;

398. Overwegende dat RT door de handelaren te noodzaken hun exporten op bepaalde afnemers of bestemmingen te richten en deze beperkingen aan haar klanten op te leggen, de afzet der handelaren en indirect die van hun kopers heeft beperkt, welke gedraging in artikel 86, letter b), met zoveel woorden wordt genoemd;

399. dat ofschoon opneming van een denatureringsclausule in een contract houdende de verkoop van suiker niet zonder meer misbruik behelst, de uitzonderlijke gestrengheid waarmede RT geweigerd heeft rekening te houden met de onverwachte moeilijkheden waarvoor Hottlet en Hottlet's Duitse afnemer zich naderhand door handhaving van de door RT voorgeschreven bestemming zagen geplaatst, in de onderhavige omstandigheden niettemin is te beschouwen als een wezenlijk bestanddeel van het met uitoefening van pressie gepaard gaande beleid dat RT jegens Export en Hottlet heeft gevoerd;

400. dat derhalve dient te worden vastgesteld dat RT haar machtspositie op de Belgisch-Luxemburgse markt heeft misbruikt;

401. Overwegende dat dit misbruik de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden voorzover het betrekking had op de structuur van de leveringen in Nederland en het westelijk gedeelte van de Bondsrepubliek Duitsland, welke RT haar handelaren toestond dan wel verbood;

402. Overwegende dat het beroep van RT derhalve moet worden verworpen voorzover het strekt tot vernietiging van artikel 1, lid 2, sub 1, van de bestreden beschikking;

###### Zesde hoofdstuk · De grief dat SU en CSM de Nederlandse importeurs economisch onder druk zouden hebben gezet

403. Overwegende dat in artikel 1, lid 2, sub 2, van de bestreden beschikking aan SU en CSM wordt verweten dat zij „in het verkoopseizoen 1969/1970 inbreuk gepleegd \[hebben\] op artikel 86 door de Nederlandse importeurs door economische druk ertoe te brengen hun invoeren te beperken”;

404.

dat SU en CSM te zamen de Nederlandse handelaren. Jacobson, Dudok de Wit en Internatio zouden hebben bedreigd voortzetting van hun invoer voor de bevoorrading van de Nederlandse melkindustrie onmogelijk te zullen maken tenzij die handelaren de drieledige verplichting zouden aanvaarden:

—bij wederverkoop van Franse suiker voor derden in Nederland niet een te concurrerende prijs berekenen;

—in bepaalde omstandigheden een zeker gedeelte van die suiker aan de beide Nederlandse producenten doorverkopen;

—tot „zulke importen” — dat wil zeggen importen ter bevoorrading van de traditionele Nederlandse afnemers van SU en CSM — zonder hun toestemming niet meer over te gaan;

405. Overwegende dat allereerst dient te worden nagegaan of de Commissie bewijs heeft bijgebracht voor de stelling der beschikking dat SU en CSM de handelaren zouden hebben gedreigd „hun traditionele invoeren van suiker bestemd voor veredeling voor de melkindustrie … onmogelijk \[te\] maken door deze industrie zelf op wereldmarktcondities te leveren”;

406. dat de onderhavige grief bij gebreke van die bewijslevering ieder belang zou verliezen, zodat ook niet meer zou behoeven te worden nagegaan of de Nederlandse fabrikanten met andere dan door artikel 86 verboden middelen hebben weten te bereiken dat de handelaren zich op de door de Commissie gestelde wijze gedragen;

407.

dat de Commissie deze stelling in hoofdzaak baseert op een interne nota van 8 juni 1970, opgesteld door de heer Lemaire, directeur van Export, waarin een onderhoud is vastgelegd dat de heer Lemaire had gehad met de heer Dudok de Wit, destijds directeur van de gelijknamige firma (bijlage I 133 bij de verweerschriften), waarin met name de navolgende passages voorkomen: „L'industrie sucrière néerlandaise (Suiker Unie + CSM) a approché, par l'intermédiaire de M. Lindeboom, directeur commercial de Suiker Unie, le commerce néerlandais traditionnel en sucre (Dudok de Wit + Internatio + Jacobson) pour lui formuler des représentations au sujet des opérations d'importation conclues par ces maisons de commerce en sucre cristallisé français avec Sucre-Union Paris (société commerciale des coopératives betteravières françaises) pour la campagne 1969/1970… Devant l'importance de ces opérations, un accord particulier fut conclu entre le commerce néerlandais et les fabricants de sucre de ce pays, aux termes duquel… Cet accord prévoit également que … Lors de l'entretien que M. Lindeboom de Suiker Unie a eu avec le commerce néerlandais d'importation, il a demandé à l'avenir, pour la campagne 1970/1971, de s'abstenir de pareilles opérations d'importation; faute de quoi il rendrait impossibles les opérations d'importation traditionnelles, en admission temporaire, pour l'industrie de transformation néerlandaise (lait, etc…) en pourvoyant eux-mêmes les besoins de ces transformateurs aux conditions du marché mondial”

(De Nederlandse suikerindustrie (Suiker Unie + CSM) heeft door tussenkomst van de heer Lindeboom, commercieel directeur van Suiker Unie, bij de traditionele Nederlandse suikerhandel (Dudok de Wit + Internatio + Jacobson) bedenkingen kenbaar gemaakt over de door deze handelshuizen met Sucre-Union Paris (handelsmaatschappij der Franse suikerbietencoöperaties) voor het seizoen 1969/1970 afgesloten transacties betreffende Franse kristalsuiker … Wegens de omvang van deze transacties werd er tussen de Nederlandse handel en de in dat land gevestigde suikerfabrikanten een bijzondere overeenkomst getroffen, waarbij … In die overeenkomst was ook voorzien dat… Tijdens het onderhoud dat de heer Lindeboom van Suiker Unie met de Nederlandse importhandel heeft gevoerd, heeft hij verzocht dat men zich in de toekomst, in het seizoen 1970/1971, van zulke invoertransacties zou onthouden; zo niet, dan zou hij de traditionele invoertransacties — met tijdelijke toelating door de douane — voor de Nederlandse verwerkende industrie (melk e.d.) onmogelijk maken in dier voege dat zij zelf tegen de voorwaarden van de wereldmarkt in de behoeften van die verwerkende bedrijven zouden voorzien)

408. dat het Hof ten einde te onderzoeken of dit dreigement inderdaad is geuit als getuigen heeft gehoord de heren Lemaire, Dudok de Wit, Sanders (destijds procuratiehouder, thans adjunct-directeur van Jacobson) en Lindeboom;

409. Overwegende dat de getuige Lemaire heeft verklaard dat de inhoud van zijn gesprekken met de heer Dudok de Wit in de nota juist en volledig is weergegeven;

410. dat de getuige evenwel op de vraag of het „contract” tussen de Nederlandse fabrikanten en de handelaren „a été conclu sous une certaine pression ou … tout à fait librement” (onder een zekere druk dan wel … geheel uit vrije wil is afgesloten), heeft geantwoord dat het ten deze zou zijn gegaan om „rapports qui avaient lieu en dehors des contacts directs que nous avions” (betrekkingen buiten het kader van de rechtstreekse contacten die wij hadden) en dat het hem „serait impossible de donner une réponse précise” (onmogelijk was de vraag nauwkeurig te beantwoorden);

411. Overwegende dat de getuigen Dudok de Wit en Sanders met betrekking tot hetgeen aan de doorverkoop van een partij Franse suiker aan de Nederlandse fabrikanten is voorafgegaan, hebben uiteengezet dat de handelaren zich jegens hun Franse leveranciers hadden verbonden tot afname van een aanzienlijke hoeveelheid suiker, welke transactie zich wegens de waardedaling van de Franse frank voor de handelaren aanvankelijk gunstig liet aanzien;

412. dat de handelaren evenwel sedert de officiële devaluatie van de Franse frank een importheffing hadden te betalen die de kostprijs van een belangrijke partij van bedoelde suiker aanmerkelijk ongunstiger — en afzet in Nederland zonder verlies moeilijk — zou hebben gemaakt;

413. dat de tijd drong, zodat de handelaren zich zouden hebben gewend tot de Nederlandse fabrikanten die als enigen in staat waren betrekkelijk grote partijen op korte termijn af te nemen en in de afzet van die suiker — naar de woorden van de getuige Sanders — ook zijn „geslaagd waarmede” de „handel erg gelukkig” was;

414. dat die doorverkoop noch voor de fabrikanten noch voor de handelaren bijzonder voordelig zou zijn geweest;

415.

Overwegende dat de getuige Dudok de Wit de vraag of SU en CSM jegens de handelaren het dreigement hebben geuit waarvan in de beschikking sprake is, als volgt heeft beantwoord:

—„Zoals de heer Lemaire stelt is niet juist. Dat de Nederlandse Suikerindustrie te kennen heeft gegeven dat ook zij wensen te importeren was niet nieuw en dat is hier nog maar langzamerhand op gang gekomen … Dat was een … bedreiging … uit de aard der zaak, … maar is niet alleen toen gesteld. Het bestond al eerder … De basis van de gedachtengang van de heer Lemaire en van mijzelf is vrijwel dezelfde alleen; de nota van de heer Lemaire stelt het vanuit zijn optiek en zoals hij het geïnterpreteerd heeft. Het is de interpretatie die niet juist is voornamelijk … Er is wel degelijk sprake geweest over meer invoer door de industrie … Ik maak bezwaar tegen het woord „bedreiging”. Het is een bedreiging voor de handel op zich, maar er is niet door de heer Lindeboom gesteld als werkelijke bedreiging: als jullie hiermee doorgaan, dan zal ik jullie daarbij de invoer onmogelijk maken”;

—dat het, wanneer de heer Lemaire de onjuiste indruk mocht hebben gekregen dat er door de fabrikanten dwang werd uitgeoefend, „zeer wel mogelijk” is dat dat misverstand moet worden toegeschreven aan het feit dat hij, getuige de Wit, zich met opzet wat vaag en onduidelijk heeft uitgedrukt om de heer Lemaire niet voor het hoofd te stoten door openlijk te verklaren dat de handelaren bij de aankoop van Belgische suiker geen belang hadden;

416.

dat de heer Sanders met betrekking tot hetzelfde punt heeft verklaard:

> —„we voelen ons niet zo snel bedreigd”;

—de in de nota van de heer Lemaire voorkomende stelling, is „heel wonderlijk”. „Zou de heer Lindeboom een dergelijke opmerking maken, dan zou dat betekenen dat hij kennelijk van plan is om met suiker uit derde landen te gaan concurreren tegen de suiker die hij zelf fabriceert. Dat lijkt mij een beetje moeilijk verkoopbaar in een coöperatie waar de boeren eigenaar zijn van de suikerfabrieken. In de tweede plaats geloof ik dat een dergelijke verklaring weinig steek houdt. Wanneer de suikerindustrie zou gaan importeren uit derde landen, dan begint ze daarmee de concurrentie tegen de Nederlandse handel en wij hebben de pretentie als het gaat om handelen op de wereldmarkt daar beter te zijn ingevoerd dan de Nederlandse industrie en wij geloven dus wanneer wij op die manier beconcurreerd zouden worden, dat wij er dan in zouden slagen het goedkoper te doen. En ik geloof dat de heer Lindeboom dat ook wel weet”;

> —„in de hitte van een gesprek waarbij het er om ging dat wij een zakelijke overeenkomst wilden afsluiten om een gedeelte van deze Franse suiker kwijt te raken … zou er wel eens een keer gezegd kunnen worden van wanneer jullie niet ophouden met dat importeren, dan doen wij zus of dan doen wij zo. Of dat dan veel nadruk maakt is een tweede. Wij kunnen op een gegeven ogenblik zeggen, wanneer U dit niet nalaat, dan gaan wij dat doen, maar daarvoor moeten dan wel de mogelijkheden daar zijn. Het jaar daarop hebben wij Belgische suiker geïmporteerd. Het is allemaal nogal moeilijk om het ene jaar te zeggen wij gaan suiker importeren uit derde landen, terwijl het jaar daarop nieuwe verordeningen komen die de invoer uit derde landen onmogelijk maken”;
>
> —„misschien is een dergelijke uitlating er geweest. Ik ben daar niet zeker van moet ik U zeggen. In ieder geval is het zo dat een dergelijke uitlating weinig indruk maakt omdat wanneer er gezegd wordt tegen de voorwaarden van de wereldmarkt zullen we in de behoeften van de verwerkende industrie voorzien, dan betekent dat… \[dat\] beide op de wereldmarkt zouden kopen en gezien het feit dat de handel gerechtigd is om op de wereldmarkt te kopen heeft de handel misschien ten onrechte, maar in ieder geval de intentie dat ze dat beter kan dan de industrie die meer betrokken is bij de vermarkting van haar suiker in het binnenland”;

417.

dat de getuige Lindeboom, nog steeds met betrekking tot dit punt, heeft verklaard dat

—hij gedurende een periode die voor 1961 is aangevangen en in 1967 is geëindigd, in dienst heeft gestaan van Internatio en in die tijd bevriend is geraakt met de heer Kopmels van de firma Jacobson, die enkele jaren geleden is overleden;

—dat er na de omstreden invoertransactie betreffende Franse suiker één enkel vriendschappelijk gesprek met de heer Kopmels heeft plaatsgevonden over de invloed welke van zulke invoertransacties op de situatie van de markt in Nederland kan uitgaan, en nimmer enig onderhoud met de heren Dudok de Wit en Sanders;

—dat hij daarbij tegen de heer Kopmels, vooral met het oog op de monetaire situatie, die tot vervalsing van de mededinging geleid heeft, heeft gezegd: „deze omstandigheden met deze suiker, die worden zo moeilijk dat dit wel eens een catastrofe zou kunnen worden voor de binnenlandse prijzen”, hetgeen zijns inziens zowel bij de fabrikanten als bij de handelaren in Nederland „zelfdiscipline” nodig maakte;

—dat deze bezorgdheid niet van commerciële aard was, maar verband hield met het feit dat SU zich als coöperatie van bietentelers verantwoordelijk achtte voor de hun krachtens de verordeningen te betalen communautaire minimumprijs, die niet in gevaar mocht geraken;

—dat de Belgische handel en een Duitse onderneming de Nederlandse bedrijven aan zeer scherpe concurrentie blootstelden door aan grote Nederlandse ondernemingen tegen zeer lage prijzen te verkopen;

—dat „wij de \[Nederlandse\] handel \[niet\] … hebben gedwarsboomd”, hetgeen de getuige met na 1970 afgesloten contracten onder bewijs kan stellen;

418. Overwegende dat weliswaar niet uitgesloten is te achten dat het door de Commissie gestelde dreigement werkelijk is geuit, doch dat het door de verklaringen der getuigen rechtens onvoldoende is komen vast te staan;

419. dat de Commissie in haar ter terechtzitting gegeven uiteenzetting geen feiten of omstandigheden heeft naar voren gebracht welke dit oordeel vermogen te wijzigen;

420. Overwegende dat de feitelijke beweringen welke de Commissie aan de onderhavige grief ten grondslag heeft gelegd derhalve onvoldoende zijn gestaafd, zodat artikel 1, lid 2, sub 2, der beschikking moet worden vernietigd;

###### Zevende hoofdstuk · De grief dat SZV de tussenhandelaren zou hebben verhinderd suiker van andere herkomst weder te verkopen en de klanten door toekenning van een getrouwheidskorting zou hebben gebonden

421. Overwegende dat in artikel 1, lid 2, sub 3, van de bestreden beschikking aan SZV wordt verweten dat zij „sinds het verkoopseizoen 1968/1969 inbreuk \[heeft\] gepleegd op artikel 86 door haar tussenhandelaren te verhinderen suiker van andere herkomst te verkopen en door middel van een getrouwheidskorting de klanten aan zich te binden”;

###### Eerste afdeling: Middelen, de vorm en de procedure betreffende

###### I — Middelen die in het tweede hoofdstuk reeds zijn behandeld

422. Overwegende dat SZV's middelen betreffende schending van het beginsel ener eerlijke procesvoering door voortijdige publikaties en door het stellen van te korte termijnen voor het indienen van opmerkingen betreffende de mededeling van de punten van bezwaar, in hoofdzaak gelijkluidend zijn aan de in zoverre door SU, CSM en Pfeifer & Langen in verband met de tweede grief opgeworpen middelen en op grond van het ten aanzien van die grief overwogene moeten worden verworpen;

###### II — Middelen volgens welke er met betrekking tot de mededeling van de punten van bezwaar onregelmatigheden zouden zijn begaan

423. 1.Overwegende dat volgens SZV de mededeling van de punten van bezwaar die in gelijkluidende bewoordingen tot acht en veertig ondernemingen is gericht — ofschoon de telastgelegde feiten hen ieder afzonderlijk slechts ten dele betroffen — onvoldoende duidelijk maakt welke grieven met name tegen verzoekster worden ingebracht en welk bewijsmateriaal tegen haar wordt aangevoerd;

424. dat geen van de stukken die in de mededeling worden genoemd tot staving van de ook tegen verzoekster ingebrachte grief dat zij aan een algemene afstemming van gedragingen op grondslag van het beginsel „chacun chez soi” zou hebben deelgenomen, van SZV zou zijn uitgegaan of tot haar zou zijn gericht;

425. dat SZV dan ook beducht zou zijn geweest dat de antwoorden van andere ondernemingen in haar nadeel zouden worden uitgelegd en de Commissie zou hebben verzocht haar afschriften van die antwoorden te doen toekomen, hetgeen de Commissie zou hebben geweigerd met een beroep op haar verplichting tot het bewaren van het zakengeheim;

426. Overwegende dat de thans besproken grief, zijnde de enige welke in de bestreden beschikking tegen verzoekster wordt ingebracht, niet deelneming aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging, doch misbruik van een machtspositie betreft;

427. dat deze grief op de bladzijden 91 tot en met 93, 107, 108 en 121 tot en met 123 van de mededeling duidelijk en zelfstandig is geformuleerd en voorts berust op stukken die van SZV zijn uitgegaan of waarin SZV met zoveel woorden is genoemd;

428. dat het middel derhalve moet worden verworpen;

429. 2.Overwegende dat SZV heeft betoogd dat de aan haar gerichte mededeling van de punten van bezwaar in strijd met artikel 3 van 's Raads verordening nr. 1 niet volledig in het Duits is opgesteld, aangezien er zonder bijvoeging van een Duitse vertaling een groot aantal in andere talen geredigeerde documenten is in opgenomen;

430. Overwegende dat het middel reeds faalt op de enkele grond dat de enige voor deze grief relevante stukken, te weten die welke op de bladzijden 91 tot en met 93 van de Duitse versie der mededeling zijn bedoeld, aldaar in het Duits zijn weergegeven;

431. 3.Overwegende dat SZV de Commissie voorts verwijt dat zij ten bewijze van de gestelde inbreuk in de mededeling uittreksels heeft opgenomen van brieven waarvan zij noch de afzender noch de adressaat vermeldt;

432. dat ook de oorspronkelijke brieven, die SZV's raadsman heeft kunnen inzien, anoniem zouden zijn gehouden;

433. Overwegende dat dit middel de beoordeling der bewijsmiddelen — en derhalve de zaak ten principale — betreft;

###### III — Middel behelzende schending van artikel 4 van verordening nr. 99/63

434. Overwegende dat SZV betoogt dat in de mededeling van de punten van bezwaar alleen aan SZAG een machtspositie was toegeschreven, zodat de beschikking die zodanige positie ook aan SZV toedicht schending zou inhouden van artikel 4 van verordening nr. 99/63, volgens hetwelk de Commissie in haar beslissingen „slechts die punten van bezwaar in aanmerking \[neemt\], waarover de ondernemingen en ondernemersverenigingen, tegen wie de beslissing gericht is, in de gelegenheid zijn geweest hun standpunt kenbaar te maken”;

435. Overwegende dat de Commissie op de bladzijden 122 en 123 van de mededeling van de punten van bezwaar aan SZV heeft verweten dat zij misbruik zou hebben gemaakt van de door SZAG ingenomen machtspositie, terwijl zij volgens de beschikking haar eigen machtspositie zou hebben misbruikt;

436. dat SZV evenwel niet heeft betwist dat zij zich tijdens de administratieve procedure heeft uitgesproken over de grief welke op grond van artikel 86 tot haar was gericht;

437. dat de Commissie zonder tegenspraak van verzoekster heeft gesteld dat zij haar zienswijze heeft gewijzigd juist omdat zij uit de opmerkingen van belang hebbenden had vernomen dat SZAG binnen SZV maar over een beperkt stemrecht beschikt;

438. dat verzoekster derhalve in de gelegenheid is gesteld haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de vraag of zij een machtspositie inneemt en bovendien mocht verwachten dat haar toelichting en die van SZAG de Commissie aanleiding zouden geven haar opvatting te wijzigen, zodat het middel niet gegrond is;

###### IV — Middel betreffende ten aanzien van de bewijsvoering begane fouten en onvoldoende redengeving van de beschikking

439. Overwegende dat SZV betoogt dat sommige in de beschikking voorkomende stellingen onbewezen zijn gebleven c.q. dat een op haar juistheid te toetsen redengeving ontbreekt;

440. Overwegende dat de bespreking van de vraag of de Commissie het bewijs van de gestelde inbreuk heeft geleverd, de zaak ten principale betreft;

###### Tweede afdeling: Middel ten principale, schending van artikel 86 van het Verdrag betreffend

###### I — De vraag of „Zuid-Duitsland” (c. q. het zuidelijk deel van Duitsland) een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt is

441. 1.Overwegende dat de Commissie blijkens de redengeving der beschikking (blz. 20-21 sub 9, 28 sub 16) de term „Zuid-Duitsland” (c.q. „het zuidelijk deel van Duitsland”) heeft gebezigd voor het territoir dat zij beschouwt als SZV's afzetgebied, in onderscheiding van enerzijds de afzetgebieden van NZV en WZV — welke laatste vennootschappen onderscheidenlijk de suikerfabrikanten in het noorden en het westen van de Bondsrepubliek Duitsland omvatten — en anderzijds de Lander Berlijn en Saarland die, naar zij betoogt, hun suiker voornamelijk uit de Duitse Democratische Republiek en uit Frankrijk betrekken;

442. dat de Commissie een kaart (bijlage II 10 bij de verweerschriften in de zaken 54 tot en met 56-73) in het geding heeft gebracht, die is vervaardigd „op grondslag van” de bij WZV's commissionairs-contracten gevoegde kaarten waarop WZV's afzetgebied is aangegeven en de aanduidingen „NZV” (naar het Noorden) en „SZV” (naar het Zuiden) zijn gebezigd zonder dat er evenwel tussen de afzetgebieden van beide verkoopkantoren een duidelijke grens is getrokken;

443. dat echter op grond van die kaart, bezien in samenhang met de posita van partijen — voorzover onderling overeenstemmende —, kan worden vastgesteld dat het gebied waarbinnen SZV haar bedrijf uitoefent, dat wil zeggen „Zuid-Duitsland” in de zin van de beschikking, heel Bayern en Baden-Württemberg omvat benevens een aan deze beide landen grenzend gedeelte van het Land Hessen, dat meer dan de helft van dat Land beslaat, alsook bepaalde grensgebieden van Rheinland-Pfaltz, Saarland, Nordrhein-Westfalen en Niedersachsen, welker oppervlakte echter bij de overige sectoren van SZV's afzetgebied in het niet valt;

444. 2.Overwegende dat met betrekking tot de maatstaven ter vaststelling of een bepaald grondgebied als „een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt” is te beschouwen, naar het vijfde hoofdstuk wordt verwezen;

445. dat de gemiddelde jaarlijkse produktie van de bij SZV aangesloten vennootschappen destijds ongeveer 800000 ton bedroeg en dat bij de beoordeling van dat cijfer dient te worden bedacht dat SZAG, het in Baden-Württemberg gevestigde belangrijkste lid van SZV, alleen reeds 70 % van die hoeveelheid produceerde en dat na SZAG Franken, gevestigd in Bayern, de grootste bij SZV aangesloten fabrikant is (vgl. beschikking, blz. 20, sub 9);

446. dat volgens de statistieken van de Commissie (vgl. bijlage I bij de conclusie van dupliek in de zaak 55-73, tabel V, 29e kolom) de consumptie „in SZAG's afzetgebied zonder Saarland” in de vier onderhavige verkoopseizoenen onderscheidenlijk 790000, 792000, 872000 en 826000 ton heeft bedragen, welke cijfers zelfs nog hoger kunnen worden gesteld voorzover zou moeten worden aangenomen dat SZV's afzetgebied groter is dan dat van SZAG;

447. dat het gemiddeld aantal consumenten in het hierbedoelde gebied volgens de beschikbare statistieken over de ten deze in aanmerking komende jaren op ten minste 22 miljoen kan worden begroot;

448. dat wanneer men deze gegevens legt naast de desbetreffende cijfers voor de gehele Gemeenschap, zoals die in het vijfde hoofdstuk zijn weergegeven,„Zuid-Duitsland” in de betekenis welke in de beschikking aan die term is gehecht, een gebied blijkt te zijn van zodanige afmetingen dat het, mede gelet op de overige in het vijfde hoofdstuk genoemde maatstaven, als een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke suikermarkt moet worden beschouwd;

449. 3.Overwegende dat SZV betoogt dat ter beoordeling van de vraag of het betrokken gebied een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt is, de statistieken voor dat gebied niet slechts dienen te worden bezien in verband met de gegevens betreffende de gemeenschappelijke markt zoals die er ten tijde van de omstreden feiten uitzag, doch ook met die betreffende de tegenwoordige Gemeenschap der „negen”;

450. Overwegende dat artikel 86 van het EEG-Verdrag ten duidelijkste betrekking heeft op de positie welke van geval tot geval door de betrokken onderneming op de gemeenschappelijke markt wordt ingenomen op het tijdstip waarop de beweerdelijk ongeoorloofde handeling heeft plaatsgehad;

451. dat de stelling van SZV reeds op die grond faalt;

###### II — De vraag of SZV op de suikermarkt in het Zuiden van Duitsland een machtspositie inneemt

452. Overwegende dat SZV niet betwist dat haar marktaandeel in de beide voornaamste delen van het betrokken grondgebied, te weten de Länder Bayern en Baden-Württemberg, in de buurt komt van de 90 à 95 % die in de bestreden beschikking (blz. 39, sub 3) voor haar gehele afzetgebied worden opgegeven;

453. dat zij voorts toegeeft dat haar marktaandeel in het Land Hessen groter is dan 50 %, waarbij voorts te bedenken valt dat een deel van het grondgebied van dit Land niet tot verzoeksters afzetgebied behoort, hetgeen het vermoeden wettigt dat SZV's marktaandeel de 50 % aanmerkelijk te boven gaat voor zover het Land Hessen met haar afzetgebied samenvalt;

454. dat deze gegevens bevestiging vinden in de statistieken der Commissie (bijlage I bij de conclusie van dupliek in de zaak 55-73, tabel V, kolommen 28 tot en met 30), volgens welke de niet van fabrikant tot fabrikant lopende importen die in de vier betrokken verkoopseizoenen binnen het afzetgebied van SZV's belangrijkste lid SZAG hebben plaatsgehad, onderscheidenlijk slechts 0,19 %,0,73 %, 1,62 % en 2,93 % van de totale consumptie in SZAG's afzetgebied hebben bedragen;

455. dat uit het dossier nergens blijkt dat de leveringen van NZV en WZV of hun leden binnen het afzetgebied van SZV of haar leden van noemenswaarde omvang zijn geweest;

456. dat SZV aldus alleen of te zamen met haar leden over de mogelijkheid beschikte een daadwerkelijke mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te belemmeren;

457. dat zij dan ook op het ten deze relevante tijdstip op die markt een machtspositie innam;

###### III — De vraag of er van misbruik sprake is geweest

458. Overwegende dat de grief van de Commissie tegen SZV tweeledig is, namelijk enerzijds verzoeksters verkooporganisatie betreft — en wel met name de aan de wederverkopers opgelegde verplichting zonder haar toestemming geen suiker van andere oorsprong weder te verkopen — en anderzijds de omstandigheid dat verzoekster haar afnemers door getrouwheidskortingen zou hebben gebonden;

###### 1. De aan de tussenhandelaren opgelegde verplichting

###### A — Het standpunt der Commissie

459. a) Overwegende dat de Commissie in haar beschikking stelt dat SZV zich voor de wederverkoop — binnen haar verkoopgebied — van door haar leden geproduceerde suiker in hoofdzaak bediende van zeventien regionale vertegenwoordigers die naast hun in de suikersector gelegen bedrijfsuitoefening voor eigen rekening ook andere produkten zouden verkopen;

460. dat de vertegenwoordigingscontracten welke SZV met deze vertegenwoordigers afsloot voor hen onder meer de verplichting zouden behelzen uitsluitend op naam en voor rekening van SZV te verkopen en zonder haar toestemming geen vertegenwoordiging voor andere suikerfabrikanten of -handelaren — dan wel in concurrerende produkten — te aanvaarden en voor eigen rekening niet in suiker te handelen;

461. dat die toestemming evenwel geacht werd te zijn verleend wanneer SZV's leden rechtstreeks via verzoeksters vertegenwoordigers suiker uit eigen produktie wensten te verhandelen;

462. dat bijaldien de vertegenwoordigers suiker van andere Duitse of buitenlandse herkomst wensten te verkopen, die toestemming hun zou zijn verleend wanneer er sprake was van voor veredeling bestemde suiker of van speciale suikersoorten voor andere ondernemingen;

463. dat SZV het door deze maatregelen aan de buitenlandse fabrikanten vrijwel onmogelijk zou hebben gemaakt suiker te verkopen via handelaren die hun suiker van SZV betrokken;

464. dat ofschoon er in het zuiden van Duitsland ook andere handelaren zouden zijn die vrijelijk suiker kunnen invoeren en ook een aantal veredelingsbedrijven hun suiker uit het buitenland betrekt, de omstreden maatregelen nochtans de buitenlandse fabrikanten aanzienlijk in hun afzetmogelijkheden zouden hebben beperkt, terwijl het hoge niveau van de prijzen in het zuiden van Duitsland invoer in dat gebied juist interessant maakte;

465. dat wanneer een onderneming met een machtspositie een verplichting als de onderhavige aan de tussenhandelaren oplegt, daarmede misbruik van die machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag zou worden gepleegd;

466. b) Overwegende dat de Commissie deze grief ten processe als volgt heeft toegelicht;

467. dat het gewraakte stelsel volgens haar medebrengt dat de 1270 in SZV's afzetgebied gevestigde groothandelaren — die hunnerzijds leveren aan kleine industriële afnemers en aan detaillisten — hun suiker niet rechtstreeks bij verzoeksters kunnen betrekken, doch zich tot een van haar zeventien regionale vertegenwoordigers moeten wenden;

468. dat in een dergelijk stelsel de ontwikkeling van de mededinging op handelsniveau niet zou zijn gewaarborgd, zodat SZV gehouden zou zijn om hetzij haar regionale vertegenwoordigers door onafhankelijke groothandelaren te vervangen, hetzij ten minste de door haar afgezette produktie niet alleen voor genoemde vertegenwoordigers, doch ook voor onafhankelijke handelaren rechtstreeks toegankelijk te maken;

469. Overwegende dat de Commissie SZV voorts verwijt dat zij zelf via haar regionale vertegenwoordigers aan ongeveer 730 grote industriële afnemers verkoopt en daarmede vorenbedoelde 1270 groothandelaren uitsluit van de bevoorrading van een sector die ongeveer 55 % van de suikerverkopen in het betrokken gebied omvat;

470. dat deze handelaren die met de grote veredelingsindustrie in het zuiden van Duitsland geen zakenrelaties onderhielden, daardoor maar over geringe mogelijkheden beschikten om buitenlandse suiker te verkopen aan die industrie — die zich voor Franse suiker rechtstreeks tot de Franse fabrikanten wendde —;

471. dat deze omstandigheden in samenhang met de gevolgen van het aan de regionale vertegenwoordigers opgelegde mededingingsverbod en de uitschakeling van de groothandelaren van rechtstreekse bevoorrading bij SZV de mogelijkheid om suiker uit andere Lid-Staten in het zuiden van Duitsland af te zetten aanmerkelijk zouden hebben verkleind;

472. dat het een onderneming met een machtspositie niet vrij zou staan de verkoop van haar produkten op zodanige wijze te organiseren dat de mededinging wordt uitgeschakeld;

###### B — Beoordeling van het standpunt der Commissie

473. Overwegende dat SZV betoogt dat de tussenhandelaren met welke zij de omstreden overeenkomsten heeft gesloten, te haren opzichte de positie van handelsvertegenwoordigers innemen, zodat artikel 86 op die overeenkomsten niet van toepassing zou zijn;

474. a) 1.Overwegende met betrekking tot het in deze contracten vastgelegde mededingingsverbod dat een onderneming of ondernemersvereniging ter verzekering van de wederverkoop van de door haar of haar leden geproduceerde waren de keus heeft zich te wenden tot handelsemployés, dat wil zeggen tot personen die door een arbeidsovereenkomst aan haar gebonden zijn dan wel tot handelaren met wie zij overeenkomsten van een ander rechtskarakter afsluit;

475. dat zich in de wettelijke regelingen der Lid-Staten en in de economische werkelijkheid wat de rechtspositie dezer handelaren en de inhoud der met hen afgesloten overeenkomsten betreft de meest uiteenlopende vormen hebben ontwikkeld, die onderling met name verschillen vertonen naar gelang de tussenhandelaar op eigen naam en voor eigen rekening dan wel alleen op eigen naam doch voor rekening van de lastgever of ook op naam én voor rekening van deze laatste met de afnemers onderhandelt en transacties met hen afsluit;

476. Overwegende dat de omstreden contracten blijkens de stukken geacht moeten worden rechtens handelsvertegenwoordigingsovereenkomsten te behelzen, vooral op grond van het feit dat aan de tussenhandelaren met zoveel woorden de rechtspositie van handelsvertegenwoordiger naar Duits recht wordt toegekend, hun wordt opgedragen onderhandelingen betreffende de verkoop van suiker te voeren — en de transacties af te sluiten — op naam en voor rekening van de opdrachtgever, diens richtlijnen te volgen en voor diens belangen te waken, terwijl hun ook bepaalde vertegenwoordigingsgebieden worden toegewezen;

477. dat vaststaat dat het Duitse recht hetwelk de omstreden contracten beheerst, van enkele nuances afgezien, uitgaat van het beginsel dat het zulke handelsvertegenwoordigers ook zonder uitdrukkelijk beding verboden is genoemde opdrachtgever zonder diensttoestemming mededinging aan te doen, des dat de vertegenwoordiger bij overtreding van dat verbod zelfs tot vergoeding van schaden en interesten kan worden aangesproken;

478. dat de betrekkingen tussen een ondernemer en zijn tussenhandelaren evenwel voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag alleen aan het Gemeenschapsrecht dienen te worden getoetst, zodat het feit dat een vertegenwoordigingscontract met mededingingsverbod in overeenstemming is met het nationale recht dat zodanig contract beheerst dan wel het feit dat bedoeld recht zelf zodanig verbod behelst, niet de doorslag geeft wanneer de vraag rijst of zodanig contract aan artikel 86 ontkomt;

479. dat echter, ook afgezien van de inhoud van de wettelijke regelingen der Lid-Staten, moet worden toegestemd dat een verbod, door een fabrikant of vereniging van fabrikanten aan tussenhandelaren die op zijn naam en voor zijn rekening verkopen opgelegd, om, anders dan met verkregen toestemming, tegelijkertijd voor concurrerende fabrikanten te werken, zich met aard en opzet van zulk een juridisch-economische relatie verdraagt;

480. dat immers in beginsel zulk een tussenpersoon, indien voor zijn opdrachtgever werkzaam, is te beschouwen als een in diens onderneming opgenomen hulp orgaan dat diens instructies heeft te volgen en derhalve, zo goed als een handelsemployé, met die onderneming een economische eenheid vormt;

481. dat misbruik dan niet reeds gelegen is in het feit dat de opdrachtgever aan zulk een hulporgaan het verbod oplegt om, anders dan na daartoe verkregen toestemming, handel te drijven in produkten welke die van de opdrachtgever concurrentie kunnen aandoen;

482. dat dit anders wordt wanneer in het kader van de afspraken tussen de opdrachtgever en zijn door partijen als „handelsvertegenwoordigers” aangeduide tussenhandelaren aan deze laatsten taken worden opgedragen of overgelaten die in economisch opzicht die van een onafhankelijk handelaar benaderen, bij voorbeeld in dier voege dat zij een aanzienlijke voorraad der in het contract bedoelde produkten hebben aan te houden, op eigen kosten voor een omvangrijke service aan de afnemers dienen te zorgen of zelf over de prijzen of verkoopvoorwaarden moeten beslissen;

483. dat de tussenhandelaren dan immers niet als in de onderneming van de opdrachtgever opgenomen hulporganen zijn te beschouwen, zodat een tussen hen overeengekomen beding behelzende een mededingingsverbod, indien gemaakt door een onderneming die een machtspositie inneemt, misbruik als bedoeld in artikel 86 kan opleveren in die zin dat bedoelde machtspositie door zodanig beding nog kan worden versterkt;

484. Overwegende dat de Commissie echter niet heeft gesteld — en dat ook uit de in het geding gebrachte stukken niet blijkt — dat de verhouding tussen SZV en haar tussenhandelaren mede berust op elementen als zojuist omschreven — in welk geval had mogen worden geconcludeerd dat de tussenhandelaren ten opzichte van verzoekster een positie innemen welke die van een onafhankelijk handelaar benadert —;

485. dat de Commissie met name niet heeft betwist dat de betrokken handelsvertegenwoordigers zich voornamelijk hebben toegelegd op voor rekening van verzoekster verrichte activiteiten, gelegen op het gebied van de wederverkoop, zonder daarnevens in noemenswaarde mate als onafhankelijke handelaren op te treden;

486. 2.Overwegende evenwel dat bedingen behelzende een mededingingsverbod, ook wanneer die door een onderneming met een machtspositie aan handelsvertegenwoordigers worden opgelegd, misbruik kunnen opleveren wanneer de buitenlandse concurrenten bij gebreke van onafhankelijke handelaren die in staat zijn het betrokken produkt in voldoende omvang te verhandelen, voor de afzet van dat produkt in het verkoopgebied van genoemde onderneming nagenoeg op haar handelsvertegenwoordigers zijn aangewezen of wanneer die onderneming aan het mededingingsverbod een ruimere draagwijdte toekent dan met de aard van de betrokken juridisch-economische relatie in overeenstemming is;

487. Overwegende met betrekking tot de eerste dezer beide uitzonderingen dat de Commissie niet heeft weersproken dat er in het zuiden van Duitsland in de suikerhandel twee groepen ondernemers zijn die niet aan SZV zijn gebonden — zodat het door SZV aan haar handelsvertegenwoordigers opgelegde concurrentieverbod voor hen niet geldt — namelijk enerzijds vorenbedoelde 1270 groothandelaren en anderzijds — en vooral — een niet onaanzienlijk aantal handelaren die een wezenlijk of belangrijk deel van hun activiteiten wijden aan de invoer en uitvoer van suiker;

488. dat ook niet is gebleken dat het tweede uitzonderingsgeval zich ten deze heeft voorgedaan;

489. Overwegende dat het voorgaande tot de slotsom voert dat de in de omstreden contracten opgenomen bedingen behelzende een mededingingsverbod op zichzelf geen misbruik in de zin van artikel 86 opleveren;

490. b) Overwegende dat de Commissie voorts aan SZV heeft verweten dat zij enerzijds de in haar verkoopgebied gevestigde groothandelaren heeft verplicht zich tot haar handelsvertegenwoordigers en niet tot haar zelf te wenden en anderzijds rechtstreeks aan ongeveer 730 industriële grootverbruikers in dit gebied heeft geleverd in plaats van bedoelde handelaren bij die leveringen in te schakelen;

491. Overwegende dat deze elementen van SZV's verkooporganisatie geen verband houden met de aan de handelsvertegenwoordigers opgelegde verplichtingen, doch voortvloeien uit door SZV eenzijdig genomen besluiten, namelijk om deze vertegenwoordigers bij de leveringen aan de handel in te schakelen en de handelaren bij de leveranties aan de grootverbruikers uit te schakelen;

492. Overwegende dat wanneer een fabrikant een beroep doet op een tussenpersoon die als een in zijn onderneming opgenomen hulporgaan is te beschouwen, de „bij de vertegenwoordiger” gedane aankopen in werkelijkheid als rechtstreeks aankopen bij de opdrachtgever zelf zijn te beschouwen;

493. dat zodanig gedrag dus noch als een misbruik behelzende gedraging noch als een aanwijzing voor zulk een gedraging ist te beschouwen;

494. Overwegende met betrekking tot het feit dat SZV via haar handelsvertegenwoordigers doch buiten de handelaren om rechtstreeks aan bepaalde industriële grootverbruikers heeft geleverd, dat niets die verbruikers heeft belet bij onafhankelijke handelaren te kopen — in plaats van zich tot verzoeksters' vertegenwoordigers te wenden — en dat ook aan verkopen van deze handelaren aan genoemde industriële verbruikers niets in de weg stond;

495. dat dus kan worden aangenomen dat bijaldien zulke leveringen niet mochten hebben plaatsgehad, het achterwege blijven daarvan niet een gevolg is geweest van door SZV uitgeoefende pressie, doch van besluiten in vrijheid genomen door de betrokken verbruikers die in dit stelsel van-rechtstreekse bevoorrading een voordeel gelegen konden achten;

496. dat de Commissie SZV ook niet heeft verweten dat zij bij het kiezen van de rechtstreeks te bevoorraden industriële grootverbruikers op discriminerende wijze zou zijn te werk gegaan;

497. Overwegende dat al het voorgaande tot de slotsom voert dat misbruik in de zin van artikel 86 van het Verdrag niet is komen vast te staan;

498. dat artikel 1, lid 2, sub 3 van de beschikking dan ook moet worden vernietigd voorzover aan SZV wordt verweten haar tussenhandelaren te hebben belet suiker van andere herkomst te verkopen;

###### 2. De getrouwheidskorting

###### A — Het standpunt van de Commissie

499. a) Overwegende dat SZV naar luid van de beschikking sinds haar „bestaan” een stelsel van jaarlijkse „hoeveelheids”-kortingen heeft toegepast, die in werkelijkheid getrouwheidskortingen zouden zijn geweest en ten belope van 0,30 DM per 100 kg zouden zijn toegekend aan afnemers die hun jaarlijkse behoeften alleen bij SZV's leden dekten;

500. dat de korting voor sommige afnemers rechtstreeks op de factuur in mindering zou zijn gebracht;

501. dat intrekking van de korting althans in bepaalde gevallen zou hebben plaats gehad of zijn aangezegd, wanneer de koper suiker bleef invoeren, hetgeen de betrokken kopers ertoe zouden hebben gebracht de invoer te staken, ofschoon de offertes uit het buitenland 10 à 20 DM per ton beneden die van SZV lagen;

502. dat intrekking van een korting als hierbedoeld een ongerechtvaardigd nadeel zou betekenen voor afnemers die ook suiker van andere herkomst kopen en het aan SZV mogelijk zou maken de omvang van de door buitenlandse fabrikanten aan haar afnemers gedane leveringen te „controleren”;

503. dat aangezien SZV's kopers althans ten dele van haar leveringen afhankelijk zijn omdat zij over onvoldoende opslagmogelijkheden beschikken en een regelmatige bevoorrading behoeven, het ogenschijnlijk geringe nadeel dat uit het verlies van de korting voortvloeit al heel gauw groter zou worden dan het aan de aankoop van suiker bij derden verbonden voordeel, ook al mochten deze laatsten voordeliger prijzen bieden;

504. dat de omstandigheid dat de korting in enkele gevallen ondanks bij buitenlandse fabrikanten gedane aankopen is toegekend er niet aan zou afdoen dat alleen reeds de aankondiging of het risico van intrekking der premies de afnemers heeft belet stelselmatig belangrijke partijen in te voeren;

505. dat wanneer zodanige premie door een onderneming met een machtspositie wordt gehanteerd om de invoermogelijkheden nog verder te beperken en bedoelde machtspositie te versterken, daarin misbruik van die positie in de zin van artikel 86 van het Verdrag zou zijn gelegen;

506. b) Overwegende dat de Commissie ten processe acht door SZV gesloten verkoopcontracten (bijlage I 145 tot en met 148, 150, 151, 153, 154 bij de verweerschriften) heeft overgelegd, waarvan er vier het litigieuze beding bevatten, terwijl in een vijfde contract de toekenning van de premie afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de over het laatste jaar gedane aankopen ongeveer de omvang van de aankopen over het voorafgaande jaar zouden bereiken en in de drie overige contracten de korting reeds op de verkoopprijs in mindering was gebracht zonder met zoveel woorden aan een beding betreffende exclusieve bevoorrading te zijn gebonden;

507. dat partijen het niet eens zijn over de draagwijdte welke aan de vier laatstgenoemde contracten moet worden toegekend, zijnde de Commissie van de mening dat de omstreden korting ook in deze laatste gevallen is toegekend, terwijl verzoekster het tegendeel beweert en daaraan enerzijds toevoegt dat uit die contracten zou blijken dat de clausule waarin de toekenning van de premie van exclusieve bevoorrading bij SZV afhankelijk is gesteld niet stelselmatig in alle door de vennootschap gesloten contracten was opgenomen en anderzijds dat zij zo dikwijls een afnemer zulks wenste de korting onmiddellijk in mindering heeft gebracht;

508. Overwegende voorts dat de Commissie bepaalde stukken in het geding heeft gebracht ten bewijze dat intrekking van de korting althans in bepaalde gevallen zou hebben plaats gehad of zijn aangezegd voor het geval dat de betrokken koper suiker mocht blijven invoeren (bijlage I 155 t/m 158 bij de verweerschriften);

509. dat verzoekster de juistheid van het in die stukken gestelde niet in ernst betwist, doch er zich nochtans tegen verzet dat ten deze van die stukken gebruik zou worden gemaakt — op grond dat zij ten dele anoniem zijn gehouden en voorts betoogt dat er geen algemene gevolgtrekking aan kan worden verbonden, aangezien het aantal afnemers van de vennootschap ten naaste bij 2000 zou belopen;

###### B — De beoordeling der feiten

510. a) Overwegende dat vaststaat dat het omstreden beding, zoals het in de bestreden beschikking is omschreven, in een reeks door SZV afgesloten verkoopcontracten is opgenomen, zij het dat zulks niet systematisch is geschied;

511. dat geen onderzoek behoeft te worden ingesteld naar de numerieke verhouding tussen de contracten met en zonder bedoeld beding;

512. dat immers uit het dossier blijkt dat de praktische draagwijdte der clausule in ieder geval niet te verwaarlozen is geweest en dat zij in contracten betreffende grote hoeveelheden was opgenomen (vgl. het contract van 9 december 1970 dat als bijlage I 146 bij de verweerschriften is gevoegd en de verkoop van 30000 ton betrof);

513. dat de Commissie voorts terecht heeft betoogd dat het onderzoek naar de onderhavige grief zich ook dient uit te strekken tot gevallen waarin de korting terstond van de in rekening gebrachte prijs is afgetrokken, immers ook zulk een handelwijze kon het voor de betrokken afnemers niet geraden doen zijn zich bij andere fabrikanten te bevoorraden, aangezien zij in dat geval hetzij een navordering ten belope van het aanvankelijk afgetrokken bedrag hetzij intrekking van de premie voor de toekomst te duchten hadden;

514. b) Overwegende dat het door SZV toegepaste systeem de handel tussen Lid-Staten nadelig kon beïnvloeden, aangezien vorenbedoeld ontradend effect niet alleen voor de aankopen gold welke de afnemers der vennootschap bij andere Duitse fabrikanten hadden kunnen doen, doch ook voor de importen uit andere Lid-Staten waartoe deze afnemers anders hadden willen overgaan;

515. dat dit effect zich ten aanzien van bedoelde importen zelfs in bijzondere mate heeft doen gevoelen, nu in het zuiden van Duitsland ingevoerde buitenlandse suiker, ook indien aangeboden tegen een prijs franco fabriek die beneden de prijs van Duitse suiker is gelegen, met aanzienlijke transportkosten is belast;

516. dat het verlies der premie er dan ook op berekend was hetzij de invoer duurder te maken dan bevoorrading bij SZV hetzij althans het geldelijk voordeel dat invoer — in vergelijking met bedoelde wijze van bevoorrading — had kunnen opleveren, teniet te doen;

517. c) 1.Overwegende met betrekking tot de vraag of het omstreden stelsel, wat SZV betreft, misbruik van de door haar ingenomen machtspositie behelsde, dat verzoekster heeft betoogd dat een korting als hierbedoeld zou zijn te beschouwen als een normale prijskorting van geoorloofde aard, gezien het belang dat in een op mededinging berustende economie aan rationalisatie van de verkoop moet worden gehecht;

518. Overwegende dat er in deze opvatting aan wordt voorbijgezien dat de omstreden korting niet als een uitsluitend aan de omvang der bij de betrokken fabrikant gedane aankopen gebonden hoeveelheidskorting is te beschouwen, doch dat de Commissie haar terecht heeft gekwalificeerd als een „getrouwheids” korting bedoeld om door toekenning van een geldelijk voordeel te beletten dat de afnemers zich bij concurrerende fabrikanten bevoorraden;

519. 2.Overwegende dat partijen het niet eens zijn over de juistheid van de stelling der Commissie dat het gewraakte stelsel het SZV zou hebben mogelijk gemaakt de omvang der door buitenlandse fabrikanten aan haar afnemers gedane leveringen te „controleren”;

520. dat SZV met name betwist dat zij de totale behoeften van al haar afnemers had kunnen kennen;

521. Overwegende dat deze discussie van belang ontbloot is, aangezien niet ter zake doet in hoeverre de toepassing van bedoeld stelsel zich er toe leende SZV volledige gegevens over de omvang van de importen in haar verkoopgebied te verschaffen en het er slechts op aankomt of bedoeld stelsel het voor de afnemers der vennootschap ongeraden kon doen zijn zich ook bij in andere Lid-Staten gevestigde fabrikanten te bevoorraden, welke vraag reeds in bevestigende zin werd beantwoord;

522. 3.Overwegende dat het gewraakte systeem, naar door de Commissie is gereleveerd, medebracht dat wanneer twee ondernemers dezelfde hoeveelheid suiker bij SZV hadden afgenomen, doch een hunner tevens bij een andere fabrikant had gekocht, de hun berekende prijzen duidelijk verschilden;

523. dat SZV door deze handelwijze „ten opzichte van handelspartners … ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties” heeft toegepast in de zin van artikel 86, letter c, van het Verdrag;

524. Overwegende dat de Commissie evenwel volgens SZV niet zou hebben bewezen dat de onderscheiden kopers der vennootschap door toepassing van het gewraakte stelsel „nadeel … bij de mededinging” zouden hebben ondergaan;

525. Overwegende dat kopers van SZV, en wel met name industriële grootverbruikers, andere kopers van de vennootschap beconcurreren;

526. Overwegende voorts dat het gewraakte systeem de afzet ten nadele van de verbruikers kon beperken in voege als bedoeld in artikel 86, letter b, immers de mogelijkheden der andere fabrikanten, met name van die in de andere Lid-Staten, om met de door SZV afgezette suiker in concurrentie te treden, afsneed of beperkte;

527. dat de betrokken getrouwheidskorting, die de machtspositie van SZV nog kan versterken, met dit voorschrift onverenigbaar is;

528. Overwegende dat het onderhavige middel, gezien al deze omstandigheden, moet worden verworpen voor zover het strekt tot nietigverklaring van de vaststelling dat SZV haar machtspositie heeft misbruikt door haar afnemers door toekenning van getrouwheidskortingen aan zich te binden;

###### Achtste hoofdstuk · De grief dat Pfeifer & Langen met de tussenpersonen overeenkomsten zou hebben gesloten welke de mogelijkheden tot invoer of uitvoer binnen de Gemeenschap beperken

529. Overwegende dat in artikel 1, lid 2, sub 4, van de bestreden beschikking aan Pfeifer & Langen wordt verweten „… sinds het verkoopseizoen 1968/1969 inbreuk \[te hebben\] gepleegd op artikel 85, lid 1, door met de tussenpersonen overeenkomsten te sluiten die de mogelijkheden van in- en uitvoer binnen de Gemeenschap beperken”;

###### I — Samenvatting van het exposé der beschikking en van bepaalde door verzoeker verschafte nadere inlichtingen

530. Overwegende dat volgens de Commissie het afzetgebied van WZV, van welke organisatie Pfeifer & Langen het belangrijkste lid is, zou zijn verdeeld in een aantal verkoopzones, terwijl WZV in sommige van die zones alleen zou verkopen door tussenkomst van zonecommissionairs met welke Pfeifer & Langen harerzijds „handelsvertegenwoordigingvertegenwoordigingsovereenkomsten” had aangegaan, die enerzijds het verbod bevatten zonder toestemming van Pfeifer & Langen suiker van andere herkomst te verkopen — welke toestemming alleen voor de verkoop van bijzondere suikersoorten of voor de verkoop van voor denaturering bestemde suiker zou worden verleend — en anderzijds de verplichting om de door Pfeifer & Langen geleverde suiker uitsluitend binnen een bepaald gebied en aan bepaalde afnemers te verkopen;

531. dat Pfeifer & Langen aan andere handelaren slechts rechtstreeks zou hebben geleverd wanneer zij contracten als voormeld hadden afgesloten of zich met de er aan ten grondslag liggende beginselen akkoord hadden verklaard;

532. dat dit verkoopsysteem de verkoop van suiker afkomstig uit andere Lid-Staten in het westen van de Bondsrepubliek Duitsland ernstig zou hebben bemoeilijkt, aldaar aan uitbreiding van het aantal suikerleveranciers in de weg zou hebben gestaan, Pfeifer & Langen in staat zou hebben gesteld de transacties waarin zij had toegestemd te controleren en te beletten dat de tussenhandelaren der vennootschap de door haar gefabriceerde suiker naar andere Lid-Staten uitvoerden;

533. Overwegende dat Pfeifer & Langen ten verzoeke van het Hof afschriften in het geding gebracht heeft van twee standaardovereenkomsten die achtereenvol gens voor de betrekkingen met haar tussenhandelaren zouden hebben gegolden, te weten van 1948 tot 30 juni 1970 — welke overeenkomst hierna zal worden genoemd de „overeenkomst van 1948” — en van 1 juli 1970 tot en met 31 december 1972 — welke overeenkomst hierna zal worden genoemd de „overeenkomst van 1970” —;

534.

dat zowel in de overeenkomst van 1948 als in die van 1970

—wordt bepaald dat de tussenhandelaar zal optreden op naam en voor rekening van Pfeifer & Langen, terwijl in de overeenkomst van 1970 voorts wordt vastgelegd dat de tussenhandelaar de rechtspositie van handelsvertegenwoordiger naar Duits recht inneemt en gehouden is in ieder opzicht en zo goed mogelijk voor de belangen van Pfeifer & Langen op te komen en zich, volgens Pfeifer & Langen's richtlijnen, uitsluitend op de verkoop van suiker toe te leggen;

—aan iedere tussenhandelaar een bepaalde vertegenwoordigingszone wordt aangewezen met toekenning — aldus met zoveel woorden in de overeenkomst van 1970

—van het uitsluitend verkooprecht in de toegewezen zone en mitsdien territoriale bescherming voor haar gehele assortiment consumptiesuiker, welke clausules onweersproken het verbod behelzen buiten dit gebied te verkopen;

535.

dat in deze overeenkomsten bedingen zijn opgenomen die het verbod bevatten om, behoudens toestemming, suiker van andere herkomst te verhandelen, welke clausules in de overeenkomsten van 1948 en 1970 onderscheidenlijk in de navolgende bewoordingen zijn vervat;

Overeenkomst van 1948

> „Le représentant n'est pas autorisé à représenter d'autres fabriques de sucre, sauf accord écrit explicite de Pfeifer & Langen, ni à réaliser des affaires, avec du sucre provenant de l' 'entreprise Pfeifer & Langen ou d'ailleurs, pour son compte personnel.” (De vertegenwoordiger is, tenzij Pfeifer & Langen daartoe uitdrukkelijk haar schriftelijke toestemming heeft verleend, niet gerechtigd andere suikerfabrieken te vertegenwoordigen en evenmin om voor eigen rekening zaken te doen in van de onderneming Pfeifer & Langen of van elders afkomstige suiker);

Overeenkomst van 1970

> „Le représentant s'engage … a ne pas vendre, dans la zone particuliere d'intérêts de Pfeifer & Langen … un autre sucre de consommation de prove nance indigène ou étrangère. Toute dérogation doit être limitée dans le temps et confirmée par écrit par Pfeifer & Langen. Cet accord d'exclusivité ne vise pas, jusqu'a révocation, les activités exercées par le représentant au profit de la, Nord-Westdeutsche Markenzucker-Vertriebs GmbH et Co. KG', à Bielefeld/Cologne et de la \[WZV\], à Cologne.”

(De vertegenwoordiger verbindt zich … om in Pfeifer & Langen's bijzonder belangengebied … geen andere consumptiesuiker van binnen- of buitenlandse herkomst te verkopen. Afwijkingen hiervan gelden slechts voor een bepaalde tijd en moeten door Pfeifer & Langen schriftelijk worden bevestigd. Deze alleenvertegenwoordigingsoalleenvertegenwoordigingsovereenkomst geldt tot wederopzeggens toe niet voor activiteiten door de vertegenwoordiger verricht ten behoeve van de, Nord-Westdeutsche Markenzucker-Vertriebs GmbH und Co. KG' te Bielefeld/Keulen en de \[WZV\] te Keulen);

536. dat verzoekster in antwoord op een door het Hof gestelde vraag heeft verklaard dat zij op basis van mondelinge afspraken, in hoofdzaak overeenkomende met haar schriftelijke contracten, met andere tussenhandelaren heeft samengewerkt;

###### II — Ten principale

537. Overwegende dat Pfeifer & Langen betoogt dat de tussenhandelaren met welke zij de litigieuze overeenkomsten is aangegaan zich tegenover haar in de positie van handelsvertegenwoordigers bevonden, zodat artikel 85 op die overeenkomsten niet van toepassing zou zijn;

538. Overwegende dat de omstreden contracten blijkens de stukken geacht moeten worden rechtens handelsvertegenwoordigingshandelsvertegenwoordigingsovereenkomsten te behelzen, vooral op grond van het feit dat aan de tussenhandelaren met zoveel woorden de rechtspositie van handelsvertegenwoordiger naar Duits recht wordt toegekend, hun wordt opgedragen onderhandelingen betreffende de verkoop van suiker te voeren op naam en voor rekening van de opdrachtgever, diens richtlijnen te volgen en voor diens belangen te waken, terwijl hun ook bepaalde vertegenwoordigingsgebieden worden toegewezen;

539. dat immers in beginsel zulk een tussenpersoon, indien voor zijn opdrachtgever werkzaam, is te beschouwen als een in diens onderneming opgenomen hulporgaan dat diens instructies heeft te volgen en derhalve, zo goed als een handelsemployé, met die onderneming een economische eenheid vormt;

540. dat in strijd met artikel 85 dan niet reeds gelegen is in het feit dat de opdrachtgever aan zulk een hulporgaan het verbod oplegt om, anders dan na daartoe verkregen toestemming, handel te drijven in produkten welke die van de opdrachtgever concurrentie kunnen aandoen;

541. dat zulks anders wordt wanneer in de overeenkomsten tussen de opdrachtgever en zijn door partijen als „handelsvertegenwoordigers” aangeduide tussenhandelaren aan deze laatsten taken worden opgedragen of overgelaten die in economisch opzicht die van een onafhankelijk handelaar benaderen doordien bedoelde tussenhandelaren de geldelijke risico's verbonden aan de verkoop of de tenuitvoerlegging van met derden afgesloten contracten te dragen krijgen;

542. dat de tussenhandelaren dan immers niet als in de onderneming van de opdrachtgever opgenomen hulporganen zijn te beschouwen, zodat een tussen hen overeengekomen beding behelzende een mededingingsverbod een krachtens artikel 85 verboden overeenkomst tussen ondernemingen kan opleveren;

543. Overwegende dat de Commissie betoogt dat de hypothese als zou er van een in de onderneming opgenomen hulporgaan sprake zijn, in casu niet opgaat;

544. Overwegende dat namelijk niet is weersproken dat de betrokken tussenhandelaren grote handelshuizen zijn die zich, naast hun voor rekening van verzoekster, WZV en anderen verrichte, op het terrein der wederverkoop gelegen activiteiten, toeleggen op het afsluiten van omvangrijke transacties, met name op het terrein van de uitvoer naar derde landen of op dat van de leveringen voor denaturering;

545. dat deze handelaren derhalve, gemachtigd zijn als onafhankelijke tussenhandelaren op te treden in gevallen waarin er op de gemeenschappelijke markt geen mededingingsrisico bestaat, doch aan hun vertegenwoordigingscontracten vastzitten die mededinging op het niveau van de handel zou kunnen worden aangewakkerd;

546. dat het feit dat bedoelde handelsondernemingen deels in verzoeksters onderneming waren opgenomen, deels als onafhankelijke handelaren zijn opgetreden, ook bevestiging vindt in een opmerking van verzoekster zelve (repliek, blz. 44) volgens welke de opneming van de vertegenwoordigers in haar verkooporganisatie „niet uitsluit dat de agenten ook met de onafhankelijke handelaren in concurrentie kunnen treden, met name wanneer zij voor eigen reke ning verkopen” en dat „zij juist dan niet als leden van verzoeksters verkooporganisatie optreden”;

547. dat het scheppen van een zo ambivalente relatie welke, met betrekking tot een en dezelfde waar, een handelaar de mogelijkheid zelfstandig zaken te doen slechts laat binnen de door het belang van zijn leverancier gestelde grenzen, niet aan de verboden van artikel 85 mag ontkomen, ongeacht de kwalificaties welke naar nationaal recht aan zodanige gedragingen worden gegeven;

548. dat waar artikel 85 de daarbedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen niet slechts op grond van hun strekking treft, doch ook wegens de gevolgen welke er voor de mededinging aan verbonden zijn, bedoelde gevolgen moeten worden bezien in het kader waarin zij zich voordoen, dat wil zeggen in samenhang met de economische en juridische omstandigheden waarin zij hun plaats vinden — en in samenspel met andere factoren de mededinging in verhoogde mate kunnen beïnvloeden —;

549. dat men ter beoordeling of een overeenkomst onder artikel 85, lid 1, valt, haar niet los van bedoelde samenhang dient te bezien en dat met name het feit dat er meer soortgelijke overeenkomsten zijn afgesloten in aanmerking kan worden genomen bijaldien al die overeenkomsten te zamen de vrijheid van de handel aan banden kunnen leggen;

550. dat verzoekster door een beleid te voeren dat er op gericht was de door haar geproduceerde en voor menselijke consumptie in een bepaalde sector van de gemeenschappelijke markt bestemde suiker alleen af te zetten via ondernemingen als de onderhavige die gebonden waren door vertegenwoordigingsovereenkomsten waarbij hun als tegenhanger van de verplichting in een bepaald gebied geen andere consumptiesuiker van binnen- of buitenlandse herkomst te verkopen het alleenvertegenwoordigingsrecht voor dat gebied werd toegekend, de mededinging, met name op het gebied der prijzen, metterdaad heeft beperkt;

551. dat zij door het scheppen van zulk een afzetnet, dat trouwens ten dele is verweven met dat van sommige andere fabrikanten tegenover wie het aan de vertegenwoordiger opgelegde verbod suiker van andere herkomst te verkopen niet werd toegepast, metterdaad ten aanzien van de door haar — overeenkomstig het quotum, dat haar volgens de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt was toegewezen — geproduceerde suiker de vrijheid van de handel heeft beperkt;

552. dat zij er aldus aan heeft medegewerkt de wederzijdse doordringing der markten nog meer te bemoeilijken;

553. dat in zoverre haar opmerking dat zulk een uitsluitend door vertegenwoordigers verzorgde wijze van afzet reeds sinds 1948 in zwang was en derhalve niet kan worden geacht op instandhouding van een afscherming van de — pas sinds 1968 geliberaliseerde — markten gericht te zijn geweest, niet ter zake dienende is, aangezien een onder de voor 1968 geldende sterk gereglementeerde nationale regeling aangenomen juridisch instrument zich er alleszins toe leende nadien de bestaande kaders der suikermarkten te handhaven;

554. dat het middel derhalve moet worden verworpen;

555. Overwegende ten aanzien van de geldboete, dat verzoekster voorts heeft gesteld dat de inbreuk op artikel 85 oplegging daarvan niet zou vermogen te rechtvaardigen, aangezien zij op een dwaalspoor zou zijn gebracht door de mededeling die de Commissie haar in 1962 deed toekomen en waarin de suggestie zou zijn gewekt dat handelsvertegenwoordigingsovereenkomsten in ieder geval met de bepalingen van genoemd artikel verenigbaar zouden zijn;

556. Overwegende dat ofschoon verzoekster moet hebben beseft dat het opbouwen van een afzetnet door afsluiting van vertegenwoordigingscontracten met handelsondernemingen die in werkelijkheid allesbehalve hulporganen zijn geweest de mededinging kon beperken, de mogelijkheid nochtans niet uitgesloten moet worden geacht dat de bewoordingen der mededeling de opvatting hebben doen postvatten dat zulk een handelwijze toch als met het Verdrag verenigbaar werd beschouwd;

557. dat de hierbedoelde inbreuk daarom bij de vaststelling van het bedrag der geldboete niet in aanmerking mag worden genomen;

###### Negende hoofdstuk · De grief behelzende een afstemming van gedragingen bij de inschrijvingen voor de uitvoerrestituties

558. Overwegende dat in artikel 1, lid 3, van de bestreden beschikking aan RT, Say, Béghin, Générale Sucrière en Sucres et Denrées — alsook aan Lebaudy-SUC en Sucre-Union, die zich evenwel niet tot het Hof hebben gewend — wordt verweten dat zij „in 1970 inbreuk hebben gepleegd op artikel 85 lid 1, doordat zij bij de inschrijvingen van de Commissie betreffende de restituties voor uitvoer naar derde landen de aan te bieden hoeveelheden en het bedrag der restituties onderling hebben afgestemd”;

559. Overwegende dat de Commissie met name betoogt dat in een stelsel van openbare inschrijvingen de concurrentie juist bij uitstek tot zijn recht zou moeten komen en dat zodra de offertes van de deelnemers aan een openbare inschrijving op de kennis van de offertes van de andere deelnemers en op onderlinge afstemming met hen berustten, de werking van de concurrentie binnen de gemeenschappelijke markt zou worden beperkt;

###### Eerste afdeling: Middel van formele aard, schending van artikel 190 van het Verdrag behelzende

560. Overwegende dat Sucres et Denrées de stelling der Commissie dat „hoewel deze inschrijvingen betrekking hebben op de uitvoer van suiker naar derde landen, zij de uitvoer naar derde landen van in de Gemeenschap geproduceerde suiker mogelijk maken” onvoldoende met redenen omkleed acht;

561. dat Générale Sucrière en Sucres et Denrées voorts de stelling dat „de onderlinge afstemming eveneens een complementaire maatregel was voor de andere maatregelen die betrokkenen hebben genomen om bepaalde nationale markten te beschermen” onvoldoende duidelijk achtten;

562. Overwegende dat in de beschikking (blz. 30, eerste overweging, sub 2) een algemeen overzicht wordt gegeven van de gedragingen welke de Commissie de betrokken ondernemingen verwijt, waarin ook de onder deze grief vallende handelwijzen worden vermeld en gesteld wordt dat bij deze ondernemingen in het algemeen de bedoeling zou hebben voorgezeten „hun respectievelijke markten te beschermen”;

563. dat in de beschikking voorts (blz. 42, derde overweging, sub F) werd uiteengezet dat „volgens de resultaten van de inschrijvingen, bepaalde fabrikanten dan wel andere verplicht zijn bepaalde hoeveelheden overschotsuiker in de andere Lid-Staten van de Gemeenschap te verhandelen” en dat „aldus de onderlinge afstemming een wijziging heeft kunnen brengen in de hoeveelheden die binnen de Gemeenschap werden verhandeld door de voornaamste fabrikanten van Frankrijk en België”;

564. dat volgens de Commissie uit een en ander blijkt dat enerzijds bij alle gewraakte maatregelen de bedoeling heeft voorgezeten de onderscheiden markten van de betrokken fabrikanten te beschermen en anderzijds de afstemming met betrekking tot de hierbedoelde inschrijvingen in het handelsverkeer — en daarmede ook in de mededinging — binnen de gemeenschappelijke markt heeft doorgewerkt;

565. dat de beschikking daarmede voldoende met redenen omkleed en het middel niet gegrond is;

###### Tweede afdeling: Middelen ten principale

###### I — Schending van artikel 85 van het Verdrag

566. Overwegende dat verzoeksters menen dat de Commissie artikel 85 van het Verdrag heeft geschonden, hetzij door aan haar beschikking onjuiste feitelijke stellingen ten grondslag te leggen hetzij — en vooral — door ten onrechte aan te nemen dat het marktgedrag der verzoeksters de handel tussen Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden en tot doel en gevolg had dat de mededinging, niet alleen bij de uitvoer naar derde landen, doch ook binnen de gemeenschappelijke markt, werd belemmerd;

###### 1. De juistheid der gestelde feiten

567.

A —Overwegende dat in een nota betreffende een op 17 februari 1970 met de heer Maisin (van RT) gevoerd telefoongesprek, door leidinggevende functionarisssen van Export ten behoeve van de president-directeur baron Kronakker opgesteld (bijlage I 78 bij de verweerschriften), wordt gezegd:

> „Monsieur Maisin nous a appelés parce que nous lui avions demandé la semaine dernière de nous fournir des bruts en vue de l'adjudication de restitutions à l'exportation de sucre brut du 18 février.
>
> Il nous a confirmé que le 16 février, il était à Paris, à une réunion entre raffineurs, à laquelle était représenté Tate & Lyle.
>
> Au cours de cette réunion, les montants de restitution qui seront soumissionnés ont fait l'objet d'un accord. Tate sera le principal acheteur final de ces cuites.
>
> Raffinerie Tirlemontoise compte exporter environ 9000 tonnes de bruts qui seront livrées à Tate. RT propose à Export d'intervenir dans cette opération en qualité de broker. Dans ce cas Export devrait respecter la politique commune définie à l'égard des adjudications.
>
> Invité à préciser ce dernier point, M. Maisin reconnaît que cet engagement porte également sur les adjudications à l'exportation de sucre blanc …
>
> Au cours de l'échange de vues qui a suivi, nous avons demandé à Monsieur Maisin quel était le fonctionnement pratique de cette concertation.
>
> Nous avons appris:
>
> —participants: Say, Béghin, Lebaudy, Commerciale Sucrière (Bouchon-St-Louis) \[expression visant Générale Sucrière\], Sucre-Union, Raffinerie Tirlemontoise et Sucres et Denrées.
>
> A noter que Sucres et Denrées assiste aux réunions. En raison de l'éloignement, Raffinerie Tirlemontoise y assiste rarement mais se tient en contract téléphonique… Ces réunions ont lieu le mardi soir, vers 17 heures. Il y est discuté:
>
> 1.du niveau général des restitutions;
>
> 2.du tonnage pour lequel chacun des membres soumissionnera, la conciliation éventuelle se faisant au cours de discussions multilatérales.
>
> Conclusion
>
> Raffinerie Tirlemontoise nous propose d'intervenir comme courtier dans la vente de 9000 tonnes de bruts qu'il compte faire (ou qu'il a faite) à Tate & Lyle.
>
> En contre-partie, il nous demande de renoncer à notre liberté d'aller tant aux adjudications d'exportation de sucre brut, qu'à celles de sucre blanc.
>
> Il est implicite que Raffinerie Tirlemontoise refuse de nous offrir des bruts que nous serions libres de vendre où bon nous semble”

(De Keer Mainsin heeft ons geroepen omdat wij hem de vorige week hadden gevraagd ons ruwe suiker te leveren met het oog op de op 18 februari te houden openbare inschrijving voor de exportrestituties voor ruwe suiker.

Hij heeft ons bevestigd op 16 februari te Parijs te hebben deelgenomen aan een vergadering van raffinadeurs, waar Tate & Lyle vertegenwoordigd was.

Op die vergadering is men tot overeenstemming gekomen over de restitutiebedragen waarvoor zou worden ingeschreven. Tate zou uiteindelijk de voornaamste koper zijn.

Raffinerie Tirlemontoise denkt ongeveer 9000 ton ruwe suiker, te leveren aan Tate, uit te voeren. RT stelt Export voor als broker aan die transactie deel te nemen. In dat geval zou Export het met betrekking tot de openbare inschrijvingen vastgestelde gemeenschappelijk beleid dienen te eerbiedigen.

Gevraagd zich over dit laatste punt nader uit te laten, heeft de heer Maisin erkend dat die verplichting ook de openbare inschrijvingen voor de uitvoer van witte suiker betreft …

Tijdens de daarop gevolgde gedachtenwisseling hebben wij de heer Maisin gevraagd hoe deze afstemming in de praktijk zou werken. Wij vernamen:

—deelnemers: Say, Béghin, Lebaudy, Commerciale Sucrière (Bouchon-St-Louis) \[waarmede is bedoeld Générale Sucrière\], Sucre-Union, RT en Sucres et Denrées.

Sucres et Denrées woont de vergaderingen bij. Wegens de afstand zal RT niet vaak verschijnen, maar zij houdt telefonisch contact… Deze vergaderingen hebben plaats dinsdagavond tegen 17 uur. Er wordt gesproken over:

1.het algemeen peil der restituties,

2.de hoeveelheid waarvoor de onderscheiden leden zullen inschrijven — zo nodig zal men het tijdens multilaterale besprekingen daarover eens worden —.

Conclusie

Raffinerie Tirlemontoise stelt ons voor als makelaar te worden ingeschakeld bij de door hem voorgenomen (of inmiddels plaatsgevonden hebbende) verkoop van 9000 ton ruwe suiker aan Tate & Lyle.

Als tegenprestatie verlangt hij dat wij onze vrijheid om aan de inschrijving voor de uitvoer van ruwe suiker en ook voor die van witte suiker deel te nemen, zullen prijsgeven.

Impliciet weigert Raffinerie Tirlemontoise ons ruwe suiker aan te bieden wanneer wij vrij zouden zijn die te verkopen waar het ons goeddunkt);

568.

Overwegende dat de directie van Export blijkens een andere interne nota (bijlage II 17 bij het verweerschrift in de zaak 47-73) op 17 februari 1970 de hierna weergegeven besluiten heeft genomen „après examen de la proposition \[de M. Maisin, de RT\] au sujet de l'intéressement d'Export aux ventes de brut de Tirlemont, \[proposition\] conditionnée à la communication, par Export, de ses soumissions aux adjudications CEE de blanc” (na onderzoek van het voorstel \[van de heer Maisin, van RT\] Export te betrekken bij de verkoop van ruwe suiker van Tirlemont, \[voorstel\] onder de voorwaarde dat Export mede deling zal doen van haar biedingen bij de EEG-inschrijvingen voor witte suiker);

> A —„ Accord de notre part… de ne pas soumissionner pour une restitution de brut aux adjudications permanentes de la CEE qui auront lieu, hebdomadairement à partir du mercredi 18 février, ceci pour que de telles demandes de restitution ne concurrencent pas les demandes des raffineurs franco-belges, et de Raffinerie Tirlemontoise en particulier. (A remarquer que ce geste était purement formel, car sans être assuré de l'aliment matière première de Tirlemont en brut, seul fournisseur belge possible, Export n'aurait pu raisonnablement soumissionner à l'adjudication des bruts: risque, pour le cas où il aurait été adjudicataire, de ne pouvoir se couvrir en effectif).
>
> B —…
>
> C —En ce qui concerne les soumissions pour restitution aux adjudications de blanc, les idées cadres d'une proposition d'ensemble Export à Raffinerie Tirlemontoise sont les suivantes. Elles ont été soumises … par Monsieur Kronacker à Monsieur Rolin, puis à Monsieur Maisin:
>
> 1.…
>
> 2.Export demande d'assister aux caucus de Paris du mardi soir, même de représenter Tirlemont (puisque ce dernier ne peut s'y rendre) lors des prises de décisions au sujet des restitutions à demander pour les adjudications du lendemain, mercredi matin. Ces caucus … comprennent les raffineurs franco-belges, Sucre-Union, \[Sucres et Denrées\] et Bauche.
>
> 3.Export communiquera les quantités pour lesquelles il se rend aux adjudications de blanc pour lui-même et pour le compte de tiers (mandants) et une indication sur le niveau de ses soumissions: non leur montant mais si elles sont supérieures ou inférieurs à celles décidées aux caucus de Paris, ou par RT …
>
> 4.…
>
> 5.Parallèlement aux réunions de concertation de Paris où les Français s'entretiennent de leurs demandes de restitution, M. Kronacker demande la création d'un petit comité mixte RT-Export, pour arrêter
>
> la position belge.”

A —Onzerzijds accoord, in een geest van verzoening en als blijk van goede wil, niet in te schrijven voor een restitutie voor ruwe suiker bij de permanente inschrijvingen van de EEG die vanaf woensdag 18 februari wekelijks zullen plaatshebben, om met zulke restitutieaanvragen die van de Frans-Belgische raffinadeurs, en met name die van Raffinerie Tirlemontoise, geen concurrentie aan te doen. (Wij wijzen erop dat deze geste van strikt formele aard is, want zonder van de toelevering van grondstoffen, ruwe suiker van Tirlemont, de enig mogelijke Belgische leverancier, zeker te zijn, had Export redelijkerwijze niet aan de inschrijving voor ruwe suiker kunnen deelnemen: mocht de inschrijving worden gegund, dan zou Export riskeren zich voor de transactie niet te kunnen indekken);

B —…

C —Wat betreft de restitutie-biedingen bij de inschrijvingen voor witte suiker, worden in een globaal voorstel van Export aan RT vooral de volgende ideeën ontwikkeld. Zij zijn door de heer Kronacker voorgelegd aan de heer Rolin, vervolgens aan de heer Maisin:

1.…

2.Export verzoekt te mogen deelnemen aan de dinsdagavond te Parijs te houden besprekingen en aldaar zelfs RT te mogen vertegenwoordigen — voor het geval dat deze laatste niet naar de vergadering zou kunnen komen — met het oog op de beslissingen betreffende de restituties welke bij de openbare inschrijvingen van de volgende dag, woensdagochtend, zullen worden gevraagd. Aan die besprekingen wordt deelgenomen door de Frans-Belgische raffinadeurs, Sucre-Union, \[Sucres et Denrées\] en Bauche.

3.Export zal de hoeveelheden waarvoor zij voor zichzelf en voor rekening van derden (opdrachtgevers) aan de inschrijvingen van witte suiker zal deelnemen mededelen en opgeven voor hoeveel zij ongeveer zal inschrijven; niet het bedrag, maar of zij voor meer of voor minder zal inschrijven dan op de besprekingen te Parijs c.q. door RT was besloten …

4.…

5.Gelijk op met de afstemmingsvergaderingen te Parijs waar de Fransen hun biedingen met het oog op de restitutie bespreken, verzoekt de heer Kronacker om een klein gemengd comité RT-Export op te richten, ter bepaling van het Belgische standpunt

…);

569.

dat baron Kronacker in een interne nota „betreffende de onderhandelingen RT van 26 maart 1970” (bijlage II 18 bij het verweerschrift 47-73) het volgende stelt:

> „Je souhaite qu'on marche d'accord avec Tirlemont. Dans ce cas nous faisons le sacrifice de nos mandants, nous acceptons de réduire les quantités pour lesquelles nous nous rendions à l'adjudication pour Export, et nous acceptons, bien que nous n'ayons pas voix au chapitre, de nous rallier au prix du consortium de Paris. Cela implique nécessairement que Tirlemont n'aille pas aux adjudications par un autre canal que nous. Cela devrait impliquer également que nous serions présents aux réunions du lundi à Paris …”

(Het is mijn wens dat men met Tirlemont tot overeenstemming komt. In dat geval laten wij onze opdrachtgevers vallen, nemen wij genoegen met beperking van de hoeveelheden waarvoor wij ten behoeve van Export inschreven en aanvaarden wij, ondanks het feit dat wij geen stem in het kapittel hebben, ons aan te sluiten bij de prijzen van het consortium van Parijs. Dat impliceert noodzakelijkerwijze dat Tirlemont niet langs andere weg dan via ons aan de inschrijvingen deelneemt. Het impliceert voorts dat wij de 's maandags te Parijs te houden besprekingen zouden bijwonen);

570. dat Export in een interne nota, getiteld „Overwegingen betreffende het mondeling antwoord dat de heer Rolin op 21 mei 1970 heeft gegeven op het schriftelijk voorstel van Baron Kronacker d.d. 20 mei betreffende de relaties Export/RT tijdens het verkoopseizoen 1970/1971” (bijlage I 131 bij de verweerschriften) verklaart: „En outre, M. Rolin \[de RT\] restreint encore notre liberté d'action et nos possibilités d'activité en ce qui concerne la demande des restitutions. Ces demandes, en tonnage et en niveau, devraient selon lui s'opérer en coordination avec M. Bernard, PDG de Say, dans le cadre de la concertation de Paris (Say, Béghin, Varsano \[de Sucres et Denrées\], Sucre-Union, etc…)” (Bovendien legt de heer Rolin onze vrijheid van handelen en onze mogelijkheden, wat het aanvragen van restituties betreft, verder aan banden. Over tonnage en niveau van die aanvragen zou volgens hem overleg moeten worden gepleegd met de heer Bernard, president-directeur-generaal van Say, in het kader van de afstemming van Parijs (Say, Béghin, Varsano \[van Sucres et Denrées\], Sucre-Union, enz…)

571. dat in het verslag van een op 17 juli 1970 door de Raad van Beheer van RT gehouden vergadering (bijlage II 19 bij het verweerschrift) in de zaak 47-73) te lezen valt: „Pour l'an prochain, nous voudrions essayer d'éviter le bradage des restitutions. Dans ce but, l'administrateur-délégué a présenté un avant-projet de pool des exportations. Celui-ci aurait en outre en France l'avantage de réduire aussi la tendance au bradage des prix intérieurs. Enfin, il permettrait de réaliser d'importantes économies en frais de transport” (het volgend jaar zouden wij willen proberen aan de uitverkoop der restituties te ontkomen. De gedelegeerd bestuurder heeft daartoe een voorontwerp voor een pool der exporttransacties ingediend. In Frankrijk zou dit bovendien het voordeel hebben dat er minder geneigdheid tot het berekenen van spotprijzen op de binnenlandse markt zou bestaan. Ten slotte zou zo aanzienlijk op de transportkosten kunnen worden bezuinigd);

572.

dat RT in een telex aan Export d.d. 23 juli 1970 (bijlage I 77 bij de verweerschriften) stelt:

> 1.„ Je n'ai pas rejeté sur Export un échec éventuel des négotiations pour la création d'un pool franco-belge. J'ai expliqué nos efforts et les raisons de ces efforts que je résumerai en quelques mots:
>
> A) suppression de la concurrence aux restitutions de manière à ce que tout producteur soit assuré au minimum du prix d'intervention;
>
> B) en conséquence, suppression de la lutte pour placer des quantités sur le marché intérieur où l'on est sûr du prix plutôt que de devoir exporter (ceci s'applique essentiellement à la France).
>
> …
>
> 2.Pour en venir au fond du problème, je souhaite vendre par Export, mais je voudrais régler l'harmonisation des demandes de restitutions. Etant donné l'importance de nos intérêts français, il me paraît nécessaire d'éviter que Tirlemont apparaisse comme le soutien d'une union entre les Français lorsqu'il travaille rue Veneau et de miner ce même accord lorsqu'il fournit à Export.
>
> C'est le désir de trouver la formule de concertation pour les demandes de restitutions qui est à la base des remarques que j'ai faites concernant votre note du 20 mai. Dès qu'une solution aura été trouvée, nous pourrons concrétiser l'option dont je vous ai parlé.
>
> …”

(1.Ik heb een eventuele mislukking van de onderhandelingen tot oprichting van een Frans-Belgische pool niet aan Export verweten. Ik heb uitgelegd hoe en waarom wij ons inspanningen getroosten en vat mijn betoog in enkele woorden samen:

A) uitschakeling van de mededinging ten aanzien van de restituties, des dat iedere fabrikant ten minste zeker is van de interventieprijs;

B) liever beëindiging van de strijd om de plaatsing van de desbetreffende hoeveelheden op de binnenmarkt, waar men zeker is van de prijs, dan gedwongen te zijn tot export (dit geldt in hoofdzaak voor Frankrijk).

…

2.Komende tot de kern van het probleem: ik wens aan Export te verkopen, doch ik zou tot een regeling ter harmonisatie van de restitutie-aanvragen willen komen. Gezien onze grote Franse belangen, moet onzes inziens worden voorkomen dat RT als steun van een eenheid tussen de Fransen naar voren komt, terwijl hij werkt rue Veneau en diezelfde overeenkomst te ondergraven terwijl hij aan Export levert. Aan de opmerkingen welke ik met betrekking tot Uw nota van 20 mei heb gemaakt, ligt dit verlangen een formule voor de afstemming met betrekking tot de restitutieaanvragen te vinden, ten grondslag. Zodra er een oplossing zal zijn gevonden, zullen wij de optie waarvan ik U heb gesproken kunnen uitwerken.

…);

573.

dat Export in een telex aan RT d.d. 19 augustus 1970 (bijlage I 81 bij de verweerschriften) haar instemming betuigt met het door RT voor de leveringen aan Nederland voorgestelde „schema” en voor de leveringen naar Italië een „dergelijk schema” voorstelt om dan haar beschouwingen betreffende de restituties als volgt te beginnen:

> „Compte tenu de notre participation aux points ci-dessus, et en principe, quelle que soit la formule retenue à Paris, préconisons travail en collaboration réelle d'Export avec RT sur pays tiers, dont la conséquence doit normalement aboutir à concertation niveau restitutions, tenant compte de la politique des fabricants”

(Gezien onze deelneming op voormelde punten, en in beginsel, ongeacht de te Parijs gekozen formule, bevelen wij werkelijke samenwerking van Export met RT jegens derde landen aan, waarbij, gezien de politiek der fabrikanten, normaliter afstemming op restitutieniveau moet worden bereikt);

574. B —Overwegende dat, naar reeds werd overwogen, de bewijskracht van deze stukken, voorzover zij van Export zijn uitgegaan dan wel door RT tot Export zijn gericht, geen twijfel lijdt en dat die stukken derhalve ook aan andere verzoeksters dan RT kunnen worden tegengehouden;

575. Overwegende dat uit deze stukken gezamenlijk blijkt dat verzoeksters daadwerkelijk uitvoering hebben gegeven aan een afstemming met betrekking tot de hoeveelheden welke bij de openbare inschrijvingen voor de restituties bij uitvoer naar derde landen zouden worden geboden — en met betrekking tot de restitutiebedragen —;

576. dat overigens weliswaar door sommige verzoeksters is betoogd dat de betrokken ondernemingen zich tot het uitwisselen van inlichtingen zouden hebben beperkt, doch dat geen der verzoeksters de gestelde feiten in ernst betwist, terwijl Générale Sucrière en Sucres et Denrées zelfs met zoveel woorden toegeven dat het tot een afstemming is gekomen, zij het onder opmerking dar verzoeksters hun gedragingen niet eens voor al, doch van inschrijving tot inschrijving zouden hebben afgestemd;

577. Overwegende dat uit een en ander blijkt dat verzoeksters, alsook Lebaudy-SUC en Sucre-Union, feitelijke samenwerking welbewust voor de risico's der concurrentie in de plaats hebben gesteld en dat die samenwerking heeft geleid tot mededingingsverhoudingen die niet in overeenstemming waren met de normaal te achten marktvoorwaarden, hetgeen in casu wil zeggen met de resultaten waartoe de hierbedoelde openbare inschrijvingen hadden kunnen leiden wanneer ieder der betrokken ondernemingen zelfstandig 'over de te bieden hoeveelheden en de te vragen bedragen zou hebben beslist;

578. dat dan ook moet worden vastgesteld dat verzoeksters en de overige betrokken ondernemingen zich metterdaad hebben schuldig bemaakt aan de in de beschikking gewraakte onderling afgestemde feitelijke gedragingen;

###### 2. De vraag of deze onderling afgestemde feitelijke gedragingen voldoen aan de in artikel 85 van het Verdrag gestelde voorwaarden

###### A — De vraag of deze gedragingen de handel tussen Lid-Staten nadelig konden beïnvloeden en ertoe strekten of ten gevolge hadden dat de mededinging binnen de gmeenschappelijke markt werd belemmerd

579. a) Overwegende dat met RT's voormelde telex van 23 juli 1970, volgens welke „la suppression de la concurrence aux restitutions” (het uitschakelen van de mededinging bij de restituties), kon en moest leiden tot „la suppression de la lutte pour placer des quantités sur le marché intérieur” (het uitschakelen van de strijd om de plaatsing van de hoeveelheden op de binnenmarkt), wordt aangetoond dat de betrokken ondernemingen zelf verband hebben gelegd tussen de betrokken gedragingen en hun mededingingspositie op de gemeenschappelijke markt;

580. dat de betrokken ondernemingen bovendien gevestigd zijn in Frankrijk en België, landen met aanzienlijke suikeroverschotten, zodat het geen twijfel lijdt dat ten minste sommigen hunner zich zonder de afstemming geringere hoeveelheden hadden toegewezen gezien dan thans het geval is geweest en daardoor zouden zijn geprikkeld om meer suiker in andere Lid-Staten af te zetten, hetgeen niet alleen de structuur van het intracommunautaire handelsverkeer had kunnen wijzigen, doch ook de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt had kunnen verhevigen, aan welke consequentie belanghebbenden echter blijkens voormelde telex juist hebben willen ontkomen;

581. b) Overwegende dat verzoeksters betogen dat in de verordeningen van de Gemeenschap betreffende de openbare inschrijvingen voor de restituties bij uitvoer naar derde landen aan de Commissie zo uitgebreide bevoegdheden waren verleend, dat zij ook hadden kunnen verhinderen dat het gewraakte marktgedrag de in artikel 85 bedoelde gevolgen teweeg bracht;

582. Overwegende dat in deze verordeningen weliswaar aan de Commissie belangrijke bevoegdheden worden toegekend, onder meer de bevoegdheid beslissingen betreffende de frequentie der inschrijvingen te nemen, de in het kader van iedere inschrijving maximaal uit te voeren hoeveelheid vast te stellen, het maximum-restitutiebedrag te bepalen en aan een bepaalde inschrijving geen gevolg te geven;

583. dat die bevoegdheden evenwel beperkt waren als gevolg van het feit dat iedere inschrijver wiens aanbod het maximumbedrag niet te boven ging, in beginsel mocht verlangen dat zijn inschrijving hem werd gegund en dat hem een uitvoercertificaat werd afgegeven;

584. dat met betrekking tot de mogelijkheid aan een inschrijving geen gevolg te geven dient te worden opgemerkt dat een zo radicaal middel, stelselmatig toegepast, de exportstroom zou hebben geblokkeerd;

585. dat verzoeksters voorts miskennen dat de Commissie, om een afstemming als de onderhavige te achterhalen, eerst de uitkomsten van een betrekkelijk groot aantal inschrjvingen moest bestuderen en vergelijken, zodat zij ook in zoverre niet in staat was iedere afstemming te voorkomen;

586. dat het argument van verzoeksters derhalve faalt;

587. c) Overwegende dat RT met een beroep op artikel 184 van het Verdrag stelt de verordeningen van de Gemeenschap waarbij het stelsel van openbare inschrijvingen is ingevoerd ongeldig te achten, omdat zij indruisen tegen een fundamentele doelstelling van verordening nr. 1009/67 — te weten: aan de suikerfabrikanten te garanderen dat zij bij hun verkopen ten minste de interventieprijs behalen —;

588. dat bedoeld stelsel er inderdaad toe geleid heeft dat de fabrikanten gedwongen waren met minder dan die prijs genoegen te nemen;

589. Overwegende dat ofschoon artikel 9 van verordening nr. 1009/67 de interventiebureaus der Lid-Staten verplicht de hun aangeboden suiker tegen de interventieprijs te kopen, in die verordening geenszins te lezen valt dat die prijs de fabrikanten ook voor suikerleveranties aan andere kopers zou zijn „gewaarborgd”;

590. dat wat inzonderheid de exporten naar derde landen betreft in artikel 17, lid 1, der verordening wordt bepaald dat het verschil tussen de noteringen of prijzen op de wereldmarkt en die van de Gemeenschap „in de mate nodig om de uitvoer … mogelijk te maken”, „kan” worden overbrugd door een restitutie;

591. dat de instellingen van de Gemeenschap blijkens deze formulering niet gehouden waren een stelsel van restituties in het leven te roepen en a fortiori niet het bedrag dier restituties zodanig vast te stellen dat de suikerfabrikanten bij uitvoer de interventieprijs konden behalen;

592. dat het door RT opgeworpen middel derhalve faalt;

593. d) Overwegende dat artikel 85 volgens RT op de gewraakte gedragingen niet van toepassing is, omdat zij niet de markt voor een produkt, doch de „markt” voor uitvoervergunningen betroffen;

594. Overwegende dat dit argument niet ter zake dienende is, omdat het er slechts om gaat of bedoelde gedragingen, wat men er rechtstreeks mee moge hebben beoogd, op belemmering van de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt waren gericht en daartoe ook hebben geleid, welke vraag in bevestigende zin moet worden beantwoord;

595. Overwegende dat deze overwegingen tot de slotsom voeren dat de omstreden gedragingen onder meer ertoe strekten en ten gevolge hadden dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd belemmerd en eo ipso de handel tussen Lid-Staten ongunstig konden beïnvloeden;

###### B — De vraag of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot merkbare gevolgen voor de handel binnen de Gemeenschap en voor de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt konden leiden

596. Overwegende dat verzoeksters in antwoord op de door het Hof gestelde vragen de hoeveelheden welke zij na openbare inschrijvingen in 1970 naar derde landen hebben uitgevoerd, hebben berekend op een totaal van 89821 ton ruwe suiker en 248833 ton witte suiker, terwijl de Commissie die hoeveelheden op onderscheidenlijk 60627 en 207239 ton heeft geschat, daarnevens opmerkende dat Sucre-Union en Labaudy-SUC onderscheidenlijk 28332 en 17125 ton witte suiker hebben uitgevoerd.

597.

Overwegende dat de door deze beide Lid-Staten binnen de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden volgens de statistieken der Commissie (tabellen III en IV van bijlage I bij dupliek in de zaak 47-73), voorzover berustende op de door Frankrijk en België verstrekte gegevens, de navolgende zijn geweest:

1969/19701970/1971ruwe suikerwitte suikerruwe suikerwitte suikerFrankrijk180029860074700524300België13900871002110091100Totaal1570038570095800615400

598. Overwegende dat de hoeveelheden welke de betrokken ondernemingen ingevolge de gewraakte afstemming naar derde landen hebben kunnen uitvoeren blijkens deze gegevens aanzienlijk zijn geweest, niet slechts in absolute zin, doch ook vergeleken met de Franse en Belgische uitvoeren binnen de gemeenschappelijke markt;

599. dat dit tot de slotsom leidt dat sommige van de betrokken ondernemingen zonder afstemming gedwongen zouden zijn geweest meer suiker binnen de gemeenschappelijke markt af te zetten en dat daardoor de structuur van het handelsverkeer binnen de Gemeenschap en de intensiteit van de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt zou zijn gewijzigd;

600. Overwegende voorts dat de economische betekenis van de betrokken ondernemingen aanzienlijk was, immers de produktie der in deze grief bedoelde Franse fabrikanten, die destijds 75 % van de Franse produktie in handen hadden, is van 2620000 ton in 1968/1969 gestegen tot 3230000 ton in 1971/1972, terwijl RT die 65 % van de Belgische produktie in handen heeft, die produktie van 530000 ton in 1968/1969 tot 770000 ton in 1971/1972 zag stijgen;

601. dat op grond van een en ander dient te worden vastgesteld dat de hierbedoelde onderling afgestemde feitelijke gedragingen de handel tussen Lid-Staten ongunstig konden beïnvloeden en de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt in niet te verwaarlozen mate konden belemmeren;

602. Overwegende dat op grond, van deze overwegingen het middel, schending van artikel 85 van het Verdrag behelzende, moet worden verworpen;

###### II — Schending van verordening nr. 26

603. Overwegende dat Générale Sucrière en Say betogen dat, zo het Hof mocht oordelen dat de gewraakte gedragingen er „onder meer toe hebben bijgedragen de Italiaanse markt te beschermen”, te hunnen behoeve de in artikel 2 van verordening nr. 26 voorziene uitzonderingen moeten worden toegepast;

604. Overwegende dat dit middel zonder voorwerp is geraakt, nu het Hof niet van oordeel is dat die gedragingen rechtstreeks tot bescherming van de Italiaanse markt hebben geleid;

605. dat het door RT opgeworpen middel dat de Commissie ten onrechte de in artikel 2 van verordening nr. 26 voorziene tweede uitzondering niet ten behoeve van verzoekster toepasselijk zou hebben geacht — welk middel ook met betrekking tot de tweede grief is opgeworpen — pp grond van de aan het onderzoek dier grief ontleende overwegingen moet worden verworpen;

###### Tiende hoofdstuk · De aan verzoeksters opgelegde verplichting onmiddellijk een einde aan de vastgestelde inbreuken te maken (artikel 2 van de beschikking) en de geldboeten (artikel 3)

###### I — Artikel 2 van de beschikking

606. Overwegende dat de ondernemingen in de beschikking bedoeld krachtens haar artikel 2 „verplicht \[zijn\] aan de vastgestelde inbreuken onmiddellijk een einde te maken”;

607. dat artikel 2 moet worden vernietigd, voorzover het betrekking heeft op inbreuken of elementen van inbreuken die volgens het Hof niet zijn komen vast te staan;

###### II — De in artikel 3 der beschikking opgelegde geldboeten

608. Overwegende dat artikel 3 van de beschikking moet worden vernietigd voorzover daarin geldboeten zijn opgelegd aan Volano, Emiliana, SADAM, SZAG, Cavarzere, Industria degli Zuccheri en Eridania (zaken 45-73, 46-73, 50-73, 54-73, 111-73, 113-73 en 114-73), daar volgens het Hof niet is komen vast te staan dat door deze verzoeksters inbreuken zijn begaan;

609. Overwegende dat, met betrekking tot de geldboeten die zijn opgelegd aan SU, Générale Sucrière, CSM, Say, Béghin, RT, Sucre et Denrées, SZV en Pfeifer & Langen (zaken 40 t/m 44-73, 47-73, 48-73, 55-73 en 56-73), ten aanzien van welke verzoeksters volgens het Hof slechts een deel der door de Commissie gestelde inbreuken zijn komen vast te staan, allereerst dient te worden opgemerkt dat de Commissie heeft gesteld niet rechtstreeks ter zake van de in artikel 1, leden 2 en 3, der beschikking genoemde inbreuken geldboeten te hebben opgelegd, doch die inbreuken met het oog op de vaststelling der opgelegde boeten in samenhang met de in lid 1 van genoemd artikel vastgestelde inbreuken te hebben beoordeeld;

610. dat het er, deze gedragslijn in aanmerking genomen, voor moet worden gehouden dat de geldboeten in sommige gevallen ook zijn opgelegd wegens de in artikel 1, lid 2 en lid 3, der beschikking vastgestelde inbreuken;

611. dat blijkens de overwegingen der vorige hoofdstukken alle inbreuken die volgens het Hof zijn komen vast te staan — met uitzondering van de inbreuk in het achtste hoofdstuk bedoeld — opzettelijk, althans door onachtzaamheid, zijn begaan, zodat te dier zake overeenkomstig artikel 15, lid 1, van verordening 17 geldboeten kunnen worden opgelegd;

612. Overwegende dat bij de vaststelling der boetebedragen ingevolge lid 2 van datzelfde artikel met de zwaarte en de duur der inbreuken rekening moet worden gehouden, hetgeen het Hof verplicht onder meer de gezamenlijke regelingen en economische omstandigheden waaronder het gewraakte gedrag heeft plaatsgevonden, alsook de aard der aan de mededinging gestelde beperkingen en het aantal en de omvang der betrokken ondernemingen in aanmerking te nemen;

613. Overwegende met name ten aanzien van de reglementaire en economische omstandigheden waaronder het gewraakte gedrag heeft plaatsgevonden, dat over het bedrag der boeten geen uitspraak kan worden gedaan zonder rekening te houden met het feit dat de suikermarkt is ingericht, niet op grondslag van de territoriale eenheid der Gemeenschap doch volgens een stelsel dat er toe leidt een afscherming der nationale markten te bestendigen, met name door middel van nationale quota, die in grote lijn aan de suikerindustrie evenzeer als aan de suikerbietentelers zekerheid bieden;

614. dat de Commissie onvoldoende in haar overwegingen heeft betrokken hoezeer dit stelsel de omstandigheden op de suikermarkt kon beïnvloeden;

615. dat namelijk de omstandigheid dat enerzijds de communautaire suikerproduktie die op de binnenlandse markt kan worden afgezet tot een vaste hoeveelheid is beperkt en anderzijds de voornaamste fabrikanten weten tot welke hoeveelheden de produktie van hun onderscheiden concurrenten beperkt zal blijven, de markt een abnormaal transparant en stabiel karakter heeft verleend;

616. dat aldus deze producent er vrijwel noodzakelijk toe werd gebracht zijn gewin niet in uitbreiding van zijn produktie — en derhalve van zijn marktaandeel —, te zoeken doch in afzet van die produktie tegen zo hoog mogelijke prijzen;

617. dat evenwel de prijzen welke de fabrikanten mochten verwachten naar boven toe hun grens vonden in de excedentaire aard der Gemeenschapsproduktie en, in sommige Lid-Staten, in maximum-consumentenprijzen welke door de nationale overheid waren vastgesteld of althans sterk waren aanbevolen;

618. dat de fabrikanten er dan ook belang bij hadden geen afbreuk te doen. aan het in de onderscheiden Lid-Staten bestaande prijspeil en moesten beseffen dat ieder ingrijpen op de traditionele markten van hun concurrenten dreigde op die markten een neerwaartse druk op de prijzen te weeg te brengen — en daarmede de op hun eigen produktie te behalen winst te verkleinen —;

619. dat de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt, die overigens haar oorspronkelijke tijdelijke aard lijkt te verliezen om de hiervoor uiteengezette redenen voor mededinging slechts weinig plaats bood, heeft bijgedragen tot handhaving van de niet-concurrentiële gedragslijn der fabrikanten;

620. dat ofschoon zulks geen vrijbrief oplevert voor gedragingen die de nadelen welke, uit de oogpunten van het Verdrag, aan zulk een stelsel kleven nog kunnen verzwaren, bedoelde situatie niettemin medebrengt dat het marktgedrag der belanghebbenden niet met de gebruikelijke gestrengheid kan worden beoordeeld;

621. Overwegende ten overvloede dat het gewraakte gedrag aan de verbruikers of aan de consumenten slechts een beperkt nadeel heeft kunnen berokkenen, terwijl de Commissie zelf aan verzoeksters geen onderling afgestemde of als misbruik te beschouwen verhoging van de toegepaste prijzen heeft verweten en belemmeringen welke met behulp van de verdeling der markten aan de vrije leverancierskeuze in de weg worden gesteld weliswaar afkeuring verdienen, doch bij een overwegend homogeen produkt als suiker minder zwaar wegen;

622. Overwegende ten slotte dat ten aanzien van ieder der betrokken verzoeksters het gewicht van de inbreuk of de inbreuken die volgens het Hof zijn komen vast te staan moet worden vergeleken met het gewicht dat aan de gezamenlijke haar door de Commissie verweten inbreuken zou zijn toegekomen;

623. dat voorts voorzover een inbreuk die volgens het Hof is komen vast te staan door meerdere verzoeksters is begaan, de relatieve ernst van ieders deelneming aan die inbreuk dient te worden in aanmerking genomen;

624. Overwegende dat, als deze omstandigheden in aanmerking genomen, de geldboeten opgelegd aan SU, Générale Sucrière, CSM, Say, Béghin, RT, Sucres & Denrées, SZV en Pfeifer & Langen (zaken 40 t/m 44-73, 47-73, 48-73, 55-73 en 56-73) moeten worden verlaagd in voege als in het dispositief te bepalen;

#### Ten aanzien van de kosten

625. Overwegende dat volgens artikel 69, lid 2, van het reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de kosten wordt veroordeeld;

626. dat het Hof krachtens lid 3 van hetzelfde artikel de proceskosten geheel of gedeeltelijk kan compenseren, indien partijen onderscheidenlijk op één of meer punten in het ongelijk worden gesteld;

##### a) De op de zaak ten principale gevallen kosten

627. Overwegende dat de Commissie in het ongelijk gesteld is in de zaken 45-73, 46-73, 50-73, 54-73, 111-73, 113-73 en 114-73 (Volano, Emiliana, SADAM, SZAG, Cavarzere, Industrie degli Zuccheri en Eridania), zodat zij in bedoelde zaken in alle kosten moet worden verwezen, zijnde door verzoeksters al dan niet met zoveel worden in die zin geconcludeerd;

628. Overwegende dat verzoeksters en de Commissie onderscheidenlijk op één of meer punten in het ongelijk gesteld zijn in de zaken 40 t/m 44-73, 47-73, 48-73, 55-73, en 56-73 (SU, Générale Sucrière, CSM, Say, Béghin, RT, Sucre et Denrées, SZV en Pfeifer & Langen), zodat in die zaken de kosten moeten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten drage;

##### b) De op de interventie gevallen kosten

629. Overwegende dat de interveniërende partij in de zaken 41-73, 43 t/m 48-73, 50-73, 111-73, 113-73 en 114-73 (Générale Sucrière, Say, Béghin, Volano, Emiliana, RT, Sucres et Denrées, SADAM, Cavarzere, Ihdustria degli Zuccheri en Eridania) in het ongelijk gesteld is, hebbende haar interventie alleen gestrekt tot ondersteuning van de conclusiën der Commissie met betrekking tot de grief betreffende de afscherming van de Italiaanse markt (artikel 1, lid 1, sub 1, van de beschikking) die door het Hof niet zijn aanvaard;

630. dat het nochtans billijk voorkomt de op de interventie gevallen kosten in die zin te compenseren dat voormelde verzoeksters, de Commissie en interveniënte de eigen kosten zullen dragen, nu enerzijds de interveniërende partij een vereniging is ter bescherming der consumentenbelangen en anderzijds, de interventie noch verzoeksters noch de Commissie voor aanzienlijke kosten heeft kunnen plaatsen;

##### c) De kosten gevallen op het horen der getuigen

631. Overwegende dat de door het Hof gehoorde getuigen als zodanig zijn opgetreden in de zaken 40-73 (SU) en 42-73 (CSM) — en in verband met de grief betreffende de economische druk welke op de Nederlandse importeurs zou zijn uitgeoefend (artikel 1, lid 2, sub 2, van de beschikking) —;

632. dat de Commissie in zoverre in het ongelijk gesteld is en derhalve in de op het verhoor dier getuigen gevallen kosten moet worden verwezen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende,

1\. Verklaart van artikel 1 van de beschikking der Commissie nr. COM (72) 1600 van 2 januari 1973 nietig: lid 1, sub 1 en 4; lid 1, sub 2, voor zover aldaar een onderling afgestemde feitelijke gedraging van Pfeifer & Langen, SU en CSM is vastgesteld; lid 2, sub 2; lid 2, sub 3, voor zover aldaar is vastgesteld dat SZV een inbreuk heeft begaan door haar tussenhandelaren te beletten suiker van andere herkomst weder te verkopen;

2\. Verklaart artikel 2 van de beschikking nietig voor zover betreffende inbreuken of elementen van inbreuken welke door het Hof niet bewezen zijn geacht;

3\. Verklaart artikel 3 van de beschikking nietig voor zover daarin geldboeten zijn opgelegd aan Volano, Emiliana, SADAM, Süddeutsche Zucker AG, Cavarzere, Industria degli Zuccheri en Eridania (zaken 45-73, 46-73, 50-73, 54-73, 111-73, 113-73 en 114-73; Verlaagt de in artikel 3 aan de andere verzoeksters opgelegde geldboeten als volgt: Suiker Unie (zaak 40-73): 200000 rekeneenheden (724000 gulden); Générale Sucrière (zaak 41-73): 800000 rekeneenheden (444335,20 Franse franken); Centrale Suiker Maatschappij (zaak 42-73): 150000 rekeneenheden (543000 gulden); Say (zaak 43-73): 80000 rekeneenheden (444335,20 Franse franken); Béghin (zaak 44-73): 100000 rekeneenheden (555419 Franse franken); Tiense Suikerraffinaderij (zaak 47-73): 600000 rekeneenheden (30000000 Belgische franken); Sucres & Denrées (zaak 48-73): 100000 rekeneenheden (555419 Franse franken); Südzucker-Verkauf GmbH (zaak 55-73): 40000 rekeneenheden (146400 Deutsche Mark); Pfeifer & Langen (zaak 56-73: 240000 rekeneenheden (878400 Deutsche Mark);

4\. Verwerpt de overige conclusiën van de verzoeksters;

5\. Veroordeelt in de zaken 45-73, 46-73, 50-73, 54-73, 111-73, 113/73 en 114-73 (Volano, Emiliana, SADAM, Süddeutsche Zukker AG, Cavarzere, Industria degli Zuccheri en Eridania) de Commissie in alle op het geding gevallen kosten; Verstaat dat in de zaken 40 t/m 44-73, 47-73, 48-73, 55-73 en 56-73 (Suiker Unie, Générale Sucrière, Centrale Suiker Maatschappij, Béghin, Say, Raffinerie Tirlemontoise, Sucres et Denrées, Südzucker-Verkauf GmbH en Pfeifer & Langen) iedere partij de eigen kosten draagt; Compenseert de op de interventie gevallen kosten in dier voege dat de betrokken verzoeksters, de Commissie en de interveniërende partij de eigen kosten dragen; Verwijst de Commissie in de op het verhoor der getuigen gevallen kosten.

### Voetnoten

- 1 RT maakt, wat de door haar uitgevoerde witte suiker betreft, onderscheid naar gelang de exportcertificaten aan haarzelf zijn verstrekt (25499 ton) dan wel aan de Belgische handelaren-exporteurs Export en Hottlet (20374 ton); het totaal wordt dan 45873 ton. De *Commissie betoogt* dat de door haar op 56650 ton berekende toewijzingen „aan RT” omvatten: 21150 ton die aan Export zijn toegewezen sedert maart 1970, met ingang van welke maand Export „bij de inschrijvingen met RT moest meegaan” (vgl. bijlagen I 74 tot 78 bij de verweerschriften; bijlage II, 17, 18 bij het verweerschrift in de zaak 47-73); 3000 ton, toegewezen aan de Franse vennootschap Erstein, filiaal van RT.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

23

verordening 99/63 art. 4 16 voorkomens

verordening 1009/67 art. 34 8 voorkomens

EEG-Verdrag art. 86 7 voorkomens

verordening 99/63 art. 2 5 voorkomens

EEG-Verdrag art. 190 3 voorkomens

verordening 99/63 art. 1 3 voorkomens

verordening 99/63 art. 11 3 voorkomens

verordening 839/68 art. 5 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 85 2 voorkomens

verordening 1009/67 art. 17 2 voorkomens

verordening 1009/67 art. 9 2 voorkomens

verordening 766/68 art. 3 2 voorkomens

verordening 766/68 art. 4 2 voorkomens

verordening 100/72 art. 19 2 voorkomens

verordening 99/73 art. 2 2 voorkomens

verordening 99/63 art. 9 1 voorkomen

verordening 1009/67 art. 20 1 voorkomen

verordening 1009/67 art. 22 1 voorkomen

verordening 1009/67 art. 3 1 voorkomen

verordening 1009/67 art. 39 1 voorkomen

verordening 1009/67 art. 40 1 voorkomen

verordening 432/68 art. 2 1 voorkomen

verordening 457/68 art. 1 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal La Pergola C-260/95 16.01.1997

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 26](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-260-95-conclusie)

## Rechtsleer

17

Costa, Alessandro: Rivista di diritto europeo 1976 p.161-165 (IT)

Dubois, Jean-Pierre: Droit de la concurrence. Art. 85 et 86 CEE - pratique concertée et abus de position dominante, Droit et pratique du commerce international 1976 p.335-340 (FR)

Daig, Hans-Wolfram: Zum Begriff der "aufeinander abgestimmten Verhaltensweisen" nach Art. 85 EWG-Vertrag, unter besonderer Berücksichtigung des "Zuckerurteils" des EuGH vom 16/12/1975, Europarecht 1976 p.213-236 (DE)

Dashwood, Alan ; Guy, Diana ; Laddie, Hugh ; Leigh, Guy I.F.: The Sugar Industry Marathon, European Law Review 1976 p.479-499 (EN)

Focsaneanu, Lazar: Gigantisme juridique: l'arrêt-fleuve du 16 décembre 1975 de la Cour de justice des Communautés européennes concernant les affaires "Industrie européenne du sucre", La Semaine juridique - édition entreprise 1976 I 12168 (FR)

**Bekijk de 12 andere verwijzingen**

Mok, M.R.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1976 p.667-671 (NL)

Telchini, Italo: Le imprese saccarifere italiane evitano le sanzioni comunitarie in forza della normativa nazionale, contraria alla disciplina sulla concorrenza, Giustizia civile 1976 IV p.102-109 (IT)

X: Het suikerarrest, Economisch statistische berichten 1976 p.347-350 (NL)

Gijlstra, D.J. ; Murphy, D.F.: Some Observations on the Sugar Cases, Common Market Law Review 1977, Volume 14, Issue 1, p. 45-71 (EN)

Gijlstra, D.J.: Ars aequi 1977 p.222-227 (NL)

Krsjak, Peter: Remarques relatives à la décision de la Cour de justice du 16 décembre 1975 ayant pour objet l'application des art. 85 et 86 du traité des Communautés économiques européennes concernant l'industrie du sucre, Gazette du Palais 1977 III Doct. p.4-7 (FR)

Kovar, Robert: Journal du droit international 1977 p.216-230 (FR)

Korah, Valentine: Re. The European Sugar Cartel: Cooperative Vereniging Suiker Unie UA and Others v. EC Commission, The Journal of Business Law 1977 p.187-195 (EN)

Verbit, Gilbert P.: EEC Antitrust: Community Adoption of the Parker Doctrine, Vanderbilt Journal of Transnational Law 1977 p.195-248 (EN)

Costa, Alessandro: Disciplina comunitaria della libertà di concorrenza e normativa statale avente effetti restrittivi: due casi recenti, Rivista di diritto europeo 1979 p.158-169 (IT)

Mok, M.R.: Annotaties Hof van Justitie EG (Ed. W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle) 1995 p.131-135 (NL)

Costato, Luigi: Zucchero e concorrenza, Rivista di diritto agrario 2005 II p.129-134 (IT)
