---
title: "HvJ EU, 4/73, arrest van 14 mei 1974 · EEG-Verdrag art. 66"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 mei 1974, 4/73: EEG-Verdrag art. 66."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-4-73-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-4-73-arret"
---

# Arrest van het Hof van 14 mei 1974, 4/73 · EEG-Verdrag art. 66

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

4/73

**ECLI**

ECLI:EU:C:1974:51

**Datum**

14 mei 1974

## De zaak

**Procedure**

Beroep tot nietigverklaring ongegrond

**Zaak ingediend op**

31 januari 1973

**Advocaat-generaal**

Trabucchi

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1974, blz. 491

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Pescatore

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Bronnen van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01) [Algemene rechtsbeginselen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02) [Grondrechten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.01)

  - [Eigendomsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.01.01) 8 beslissingen
  - [Vrije uitoefening van economische activiteiten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.01.02) 7 beslissingen
- [Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-C) [Afspraken en concentraties. Aantasting van de concurrentieverhoudingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-C-09) 2 beslissingen

## Tekst

109 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het verloop van de schriftelijke behandeling, de middelen en argumenten van partijen en hunne conclusiën kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten

Krachtens § 12, tweede alinea, van de bij het EGKS-Verdrag gevoegde overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen en artikel 3 van beschikking nr. 37/53 van 11 juli 1953 van de Hoge Autoriteit met betrekking tot de datum van inwerkingtreding van de verbodsbepalingen inzake de afspraken voorzien in artikel 65 van het Verdrag (PB blz. 153), bracht de Hoge Autoriteit in mei 1954 ter kennis van de kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken dat zij geen toestemming kon verlenen tot handhaving van de vóór oprichting der gemeenschappelijke steenkoolmarkt bestaande centrale verkooporganisatie voor de verkoop van steenkool „Gemeinschaftsorganisation Ruhrkohle GmbH” (GEORG).

Op 15 februari 1956 heeft de Hoge Autoriteit bij beschikkingen nrs. 5/56 (PB blz. 29), 6/56 (PB blz. 43) en 7/56 (PB blz. 56) onder bepaalde voorwaarden ontheffing verleend van het verbod inzake de gemeenschappelijke verkoop van brandstoffen door de kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken die in de drie verkoopkantoren „Geitling”, „Präsident” en „Mausegatt” waren verenigd.

De bij die gelegenheid door de Hoge Autoriteit goedgekeurde handelsregeling behelsde met name de voorwaarden waaraan men moest voldoen om als groothandelaar in de eerste hand te worden toegelaten — met het recht zich rechtstreeks bij een verkoopkantoor te bevoorraden —. Om rechtstreeks bij een kantoor te mogen kopen, moest de handelaar niet slechts de gewoonlijk aan grossiers gestelde voorwaarden vervullen (solvabiliteit; gevestigd zijn in het verkoopgebied; opslagruimte; kennis van de markt en de produkten; uitgebreide klantenkring; ruim assortiment — naar verkochte categorieën en soorten —), doch bovendien in het voorafgaande kolenjaar op de gemeenschappelijke markt

a) ten minste 75000 ton brandstoffen uit de produktiebekkens der Gemeenschap,

b) en daarvan binnen het verkoopgebied waarin hij wenste te worden toegelaten, ten minste 40000 ton

c) hebben afgezet, waarvan ten minste 12500 ton van het betrokken verkoopkantoor.

In afwijking van deze voorwaarden mochten gedurende een aanvankelijk tot 31 maart 1957 beperkt en later bij beschikkingen van de Hoge Autoriteit nrs. 10/57 (PB blz. 159), 11/57 (PB blz. 160) en 12/57 (PB blz. 161) van 1 april 1957 tot 1 juli 1957 verlengd tijdvak ook groothandelaren rechtstreeks bij de verkoopkantoren kopen die zich, zonder aan de gestelde kwantitatieve criteria te voldoen, in het voorafgaande kolen jaar als groothandelaren in de eerste hand hadden bevoorraad of konden aantonen dat zij voldeden aan de voorwaarden die gedurende dat jaar bij bevoorrading als groothandelaar in de eerste hand waren gesteld (afzet van 6000 ton Ruhr-steenkolen per jaar).

Een door het verkoopkantoor „Geitling” ingesteld beroep tot nietigverklaring van beschikking nr. 5/56 is door het Hof bij arrest van 20 maart 1957 (zaak 2-56, Jurisprudentie 1957, blz. 11) verworpen.

In haar beschikkingen nrs. 16/57 (PB blz. 319), 17/57 (PB blz. 330) en 18/57 (PB blz. 341) van 26 juli 1957 heeft de Hoge Autoriteit de beschikkingen nrs. 5/56, 6/56 en 7/56 van 15 februari 1956 houdende ontheffing van de verbodsbepaling inzake de gemeenschappelijke verkoop van brandstoffen door de kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken aangevuld en gewijzigd.

Voor de toelating van groothandelaren in kolen met het recht op bevoorrading in de eerste hand zijn de minimumhoeveelheden verlaagd van — onderscheidenlijk — 75000 op 60000, 40000 op 30000 en 12500 op 9000 ton.

De Hoge Autoriteit heeft in haar beschikkingen nrs. 16/57, 17/57 en 18/57 de afwijkende regeling ten gunste van de „oude” grossiers niet gehandhaafd. Medio september 1957 deelden de drie verkoopkantoren voor Ruhrkolen de vennootschap Nold dan ook mede dat zij haar met ingang van 1 oktober 1957 niet langer als groothandelaar in de eerste hand konden bevoorraden.

Op door de firma Nold ingesteld beroep heeft het Hof bij arrest van 20 maart 1959 (zaak 18-57, Jurisprudentie 1959, blz. 89) de in de beschikkingen nrs. 16, 17 en 18/57 voorkomende bepalingen betreffende de voorwaarden voor toelating als groothandelaar in de eerste hand als onvoldoende met redenen omkleed nietigverklaard.

In haar beschikkingen nrs. 17/59 van 18 februari 1959 — houdende verlenging van de ontheffingen van de verbodsbepaling met betrekking tot de verkooporganisaties van het Ruhrbekken (PB blz. 279) — en 36/59 van 17 juni 1959 — houdende gedeeltelijke opheffing en aanvulling van beschikking nr. 17/59 wat betreft de handelsregeling van de verkoopkantoren voor Ruhrkolen (PB blz. 736) — heeft de Hoge Autoriteit voor de toelating als handelaar in de eerste hand het criterium van de afzet van 60000 ton kolen uit de Gemeenschap binnen de gemeenschappelijke markt laten vallen en de binnen een verkoopgebied af te zetten hoeveelheid kolen uit de Gemeenschap respectievelijk die hoeveelheid van een bepaald verkoopkantoor verlaagd van 30000 op 20000 ton onderscheidenlijk van 9000 op 6000 ton per jaar.

De voornaamste bepalingen van beschikking nr. 36/59 zijn bij 's Hofs arrest van 15 juli 1960 (gevoegde zaken 36, 37, 38 en 40-59, Jurisprudentie 1960, blz. 891) nietigverklaard op beroep van de drie verkoopkantoren, de kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken en de firma Nold.

In haar beschikking nr. 16/60 van 22 juni 1960 houdende afwijzing van het verzoek om ontheffing van de verbodsbepaling inzake de gemeenschappelijke verkoop door de kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken (PB nr. 1014) heeft de Hoge Autoriteit van een vervanging van het verkoopsysteem van drie onafhankelijke kantoren door één enkele verkooporganisatie die vrijwel alle kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken zou omvatten, niet willen weten.

Een tegen die beschikking door de verkoopkantoren ingesteld beroep is door het Hof bij arrest van 18 mei 1962 verworpen (zaak 13-60, Jurisprudentie 1962, blz. 165).

Op 8 februari 1961 heeft de Hoge Autoriteit bij beschikking nrs. 3/61 houdende wijziging van beschikking nr. 17/59 (gewijzigd bij beschikking nr. 36/59) wat betreft de handelsregeling van de verkoopkantoren van Ruhrkolen (PB blz. 413) die kantoren toegestaan de rechtstreekse bevoorrading van groothandelaren in kolen in kwantitatief opzicht alleen afhankelijk te stellen van een afzet — binnen de gemeenschappelijke markt en in het voorafgaande kolenjaar — van ten minste 6000 ton brandstoffen van het verkoopkantoor waartoe de betrokken handelaar is toegelaten.

Bij beschikkingen nrs. 5/63 (PB blz. 1173) en 6/73 (PB blz. 1191) van 20 maart 1963 heeft de Hoge Autoriteit ontheffing verleend van de verbodsbepaling met betrekking tot de gemeenschappelijke verkoop van brandstoffen door de kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken, verenigd in de beide verkoopkantoren „Geitling” en „Präsident”, des dat voor zover de handelsregeling betreft de toelatingsvoorwaarden voor de rechtstreekse bevoorrading van de kolengrossiers werden gehandhaafd.

Het tegen deze beschikkingen door de regering van het Koninkrijk der Nederlanden ingestelde beroep werd door het Hof van Justitie bij arrest van 15 juli 1964 (zaak 66-63, Jurisprudentie 1964, blz. 1101) in hoofdzaak verworpen.

Bij een beschikking van 27 november 1969 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 66, lid 2, van het EGKS-Verdrag machtiging verleend tot het onderbrengen van het mijnbouwvermogen van de kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken in één enkele vennootschap, Ruhrkohle AG, die verplicht was alle wijzigingen harer verkoopregeling aan de Commissie ter goedkeuring voor te leggen.

Op dezelfde dag, 27 november 1969, nam de Commissie twee beschikkingen (PB L 304, blz. 11 en 12) waarbij zij haar beschikkingen nrs. 5/63 en 6/63 met ingang van 31 december 1969 introk.

In haar beschikking van 21 december 1972 betreffende de goedkeuring van een nieuwe verkoopregeling van de Ruhrkohle AG (PB 1973, nr. L 120, blz. 14) heeft de Commissie haar zegel gehecht aan een handelsregeling die de bestaande toestand met name op de navolgende punten wijzigde:

a) voor toelating van een groothandelaar tot rechtstreekse afname is in plaats van een minimumafzet van 6000 ton steenkoolprodukten van de Ruhr in het afgelopen kolenhandelsjaar een tweejarige overeenkomst inzake een af te nemen minimumhoeveelheid van 6000 ton per jaar uit de produktie van de Ruhrkohle AG voor de huisbrand- en kleinverbruikerssector vereist;

b) levering aan industriële verbruikers is alleen mogelijk na toelating tot levering aan de huisbrand- en kleinverbruikerssector;

c) als criterium voor de eventuele inschakeling van de tot rechtstreekse afname toegelaten handel bij de levering aan grote industriebedrijven geldt niet langer een minimumjaarverbruik van 30000 ton vaste brandstof van alle herkomst, maar de afname van Ruhr-produkten tot die hoeveelheid; tot leveranties aan verbruikers boven deze grens is de handel nog slechts gerechtigd wanneer hij speciale verkoopprestaties verricht.

Gedurende het eerste jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe verkoopregeling was Ruhrkohle AG evenwel verplicht aan groothandelaren die contracten tot afname van de minimumhoeveelheid van 60000 ton per jaar huisbrand en kleinverbruik afsluiten, het recht te verlenen 15 % beneden deze hoeveelheid te blijven.

Op 10 januari 1973 deed Ruhrkohle-Verkauf GmbH, verkoopkantoor van Ruhrkohle AG, aan de kolengrossiers in de eerste hand, onder meer aan de firma Nold, de tekst van de nieuwe handelsregeling, zoals die bij beschikking van de Commissie van 21 december 1972 was goedgekeurd en per 1 januari 1973 van toepassing was geworden, toekomen met mededeling dat hun handelsrelaties met ingang van die datum op grond van die regeling zouden worden afgewikkeld.

#### II — Procesvoering

Op 31 januari 1973 kwam de firma Nold in beroep met verzoek om nietigverklaring van de beschikking der Commissie van 21 december 1972. Het beroep was zowel gericht tegen de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, als tegen de ondernemingen Ruhrkohle AG en Ruhrkohle-Verkauf GmbH.

Een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking der Commissie van 21 december 1972, door de firma Nold ingediend op 13 februari 1973, is op haar nader verzoek bij beschikking van de President van 14 maart 1973 in het register doorgehaald. De uitspraak over de kosten is daarbij aangehouden.

Bij repliek heeft verzoekster het Hof doen weten dat het ten aanzien van de vennootschappen Ruhrkohle AG en Ruhrkohle-Verkauf GmbH afstand deed van instantie. Het Hof heeft daarop bij beschikking van 21 juni 1973 in zoverre doorhaling van de zaak gelast met veroordeling van verzoekster in de kosten door genoemde vennootschappen zowel ten principale als in référé gemaakt.

De schriftelijkte procedure, gevoerd tussen de firma Nold en de Commissie — als enig overgebleven wederpartij —, heeft een normaal verloop gehad.

Bij op 29 oktober 1973 ingediend verzoekschrift hebben de vennootschappen Ruhrkohle AG en Ruhrkohle-Verkauf GmbH verzocht aan de zijde van de Commissie te mogen interveniëren. Het Hof heeft, de Advocaat-Generaal gehoord, bij beschikking van 21 november 1973 dit verzoek toegewezen en de uitspraak inzake de kosten aangehouden.

De interveniënten hebben op 28 december 1973 hun middelen schriftelijk uiteengezet. Verzoekster heeft op 16 januari en 8 februari 1974, verweerster eveneens op 8 februari 1974 geantwoord.

Het Hof heeft op rapport van de Rechter-Rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord, besloten zonder indstructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### III — Middelen en argumenten van partijen

##### A — De ontvankelijkheid

Interveniënten achten het beroep niet-ontvankelijk, stellende dat verzoekster daarbij rechtens geen belang heeft.

Verzoekster kon zich alleen op een rechtens beschermd belang beroepen wanneer zij daarmede zou kunnen bereiken dat de interveniënten haar rechtstreeks moesten blijven bevoorraden; doch zulks is kennelijk niet het geval.

De verkoopregeling die bij de bestreden beschikking is goedgekeurd, is voor de alstoen geldende regeling in de plaats getreden; nietigverklaring zou dus beteken dat de interveniënten alleen volgens die vroegere regeling kunnen verkopen. Doch daarin is de rechtstreekse bevoorrading der kolengrossiers afhankelijk gesteld van een jaaromzet op de gemeenschappelijke markt van ten minste 6000 ton brandstoffen, waaraan verzoekster naar zij zelf toegeeft lang niet toekomt. Zij had dus in ieder geval geen recht op rechtstreekse bevoorrading.

Verzoekster kan voor 1973 geen enkel recht ontlenen aan het feit dat zij ook in 1972 nog rechtstreeks werd bevoorraad, terwijl zij reeds in het voorafgaande jaar niet aan de kwantitatieve normen voldeed. Die rechtstreekse bevoorrading was te verklaren door het feit dat de interveniënten niet goed wisten of de tot dan toe geldende verkoopregeling het kolenjaar dan wel het kalenderjaar betrof, zodat zij — ten gunste van de betrokken ondernemingen — de ontwikkeling in het volgende jaar hebben afgewacht alvorens de verkoopregeling inzake de rechtstreekse levering toe te passen. Ofschoon nog steeds rechtstreeks bevoorraad, had verzoekster in het jaar 1972 slechts 700 ton afgezet; van verdere rechtstreekse bevoorrading kon dus geen sprake zijn, ook niet wanneer de vanouds geldende verkoopregelen van toepassing waren gebleven.

Verzoekster betwist de stelling dat het beroep bij gebreke van een rechtens beschermd belang niet-ontvankelijk zou zijn.

Tijdens de behandeling in référé heeft verzoekster de verzekering ontvangen dat men haar tot de ten deze te geven beslissing als groothandelaar in de eerste hand zou blijven bevoorraden; aan haar bevoorrading in die hoedanigheid is dus nimmer een einde gekomen. Het doet weinig ter zake of zij, gesteld dat de oude verkoopregels feitelijk nog golden, zich in zoverre ook op een recht mocht beroepen.

Volgens de oude verkoopregeling van Ruhrkohle AG heeft geen enkele handelaar door het enkele feit dat hij de jaarlijkse minimumafzet van 6000 ton niet haalde, automatisch de hoedanigheid van grossier verloren. Het doet er weinig toe of de kolenmijnondernemingen het recht hebben verzoekster niet langer als groothandelaar in de eerste hand te bevoorraden; zij hebben van dat recht in ieder geval geen gebruik gemaakt.

##### B — Ten principale

###### 1. Schending van het non-discriminatiebeginsel

Verzoekster merkt op dat zij ingevolge de nieuwe verkoopregeling van Ruhrkohle AG sedert 1 januari 1973 niet langer als groothandelaar in de eerste hand — in kolen — is te beschouwen. Zij is daarmede het slachtoffer van ernstige discriminatie.

a) De verkoopregeling van Ruhrkohle AG laat de mogelijkheid tot levering tegen de condities van de grossiersmarkt afhangen van een clausule welke de handelaar verplicht tot een jaarlijkse afname van ten minste 6000 ton voor huisbrand en kleinverbruik; verzoekster heeft echter in de beide laatste jaren de nieuwe minima niet gehaald. Daarvan kan haar echter geen verwijt worden gemaakt. Sedert enkele jaren zijn er in de energiesector fundamentele wijzigingen waarneembaar: de verkoop van kolen liep gestadig achteruit, waarvan uiteraard niet alleen de kolenmijnindustrie, maar ook de groot- en kleinhandel de gevolgen ondervonden. Doch uiteindelijk rust de verantwoordelijkheid voor het feit dat verzoekster zelfs aan een afzet van 6000 ton per jaar niet toekomt, op Ruhrkohle AG of Ruhrkohle-Verkauf GmbH of de vroegere distributiekantoren voor Ruhrkohlen. Ruhrkohle AG sluit rechtstreeks contracten betreffende jaarlijkse leveranties van meer dan 30000 ton; door de haar ten deel gevallen discriminerende behandeling is het verzoekster onmogelijk gemaakt de gewenste hoeveelheden te leveren aan een belangrijke oude klant, de firma Adam Opel AG te Rüsselsheim. Ruhrkohle AG beconcurreert verzoekster en de andere groothandelaren voorts rechtstreeks via dochtermaatschappijen. Bovendien bieden Ruhrkohle AG en Ruhrkohle-Verkauf GmbH brandstoffen aan tegen ver beneden het tarief gelegen prijzen en leveren van Ruhrkohle AG afhankelijke vennootschappen in de Bondsrepubliek Duitsland aan aldaar wonende afnemers „Belgische cokes” tegen een prijs van ongeveer 90 DM per ton franco grens; dezelfde waar wordt eveneens tegen prijzen die iedere concurrentie onmogelijk maken rechtstreeks voor huisbrand en kleinverbruik verkocht.

b) Bij verzoekster doet het verlies van de hoedanigheid van groothandelaar en van de mogelijkheid zich rechtstreeds te bevoorraden zich, vooral bij wijziging van de vraag naar kolen, duurzaam gevoelen. Men dient rekening te houden met het feit dat de achteruitgang van de kolenverkoop voor huisbrand in de loop van de laatste jaren goeddeels een gevolg is geweest van vrij uitzonderlijke klimatologische omstandigheden, terwijl de verkoopsituatie voorts fundamentele wijzigingen kon ondergaan in geval van — politieke — moeilijkheden bij de bevoorrading met petroleum of aardgas. Door de nieuwe verkoopregeling te aanvaarden zou verzoekster zich waarschijnlijk voorgoed de mogelijkheid ontnemen grotere hoeveelheden in te slaan: als detailliste zou zij in geen geval dezelfde condities kunnen bieden als grossiers en ondernemingen die zich rechstreeks bevoorraden dan wel als dochtermaatschappijen van Ruhrkohle AG en Ruhrkohle-Verkauf GmbH. Daarom heeft zij in het tweede gedeelte van het petitum verzocht om een uitspraak in die zin dat althans de nieuwe verkoopregeling niet op haar zal worden toegepast.

c) Verzoekster mag niet worden gedwongen zich aan te sluiten bij andere grossiers die zich in een zelfde situatie mochten bevinden — en gezamenlijk in te kopen —. Zij ziet niet in waarom zij haar onafhankelijke positie zou inperken om zich tegen het discriminerend effect van de verkoopregeling van Ruhrkohle AG te beschermen. Uit die regeling blijkt trouwerns niet dat Ruhrkohle AG gehouden is de omzetten van de handelaren die tot samenwerking besloten op te tellen; zelfs iedere indicatie nopens hetgeen onder „samenwerking” zou moeten worden verstaan, ontbreekt.

Verweerster merkt op dat er slechts sprake kan zijn van discriminatie wanneer handelaren die zich bevinden in een situatie welke met die van verzoekster kan worden vergeleken, ten aanzien van de toelating tot rechtstreekse afname verschillend worden behandeld; daarvan is evenwel geen sprake, nu de aangehouden criteria gelijkelijk gelden voor alle handelaren in de Gemeenschap, dochtermaatschappijen van Ruhrkohle AG daaronder begrepen. Dat verzoekster moet concurreren tegen aan Ruhrkohle AG gebonden handelaren, houdt dus te haren inzien geen discriminatie in.

a) Aan de griet dat Ruhrkohle AG en Ruhrkohle-Verkauf GmbH wegens door hen toegepaste discriminerende praktijken aansprakelijk zouden zijn voor het feit dat verzoekster niet langer in staat is jaarlijks 6000 ton steenkool te kopen, liggen geen concrete gegevens ten grondslag; in ieder geval kan op die grond de rechtsgeldigheid van de nieuwe verkoopregeling van Ruhrkohle AG — of de goedkeuring dier regeling door de Commissie — niet in twijfel worden getrokken. Hoe dan ook, het is niet waar dat de dochtermaatschappijen van Ruhrkohle AG of van Ruhrkohle-Verkauf GmbH of handelaren die aan de aandeelhouders van Ruhrkohle AG zijn gebonden, kolen hebben aangeboden tegen beneden het tarief gelegen prijzen. Ongetwijfeld heeft Ruhrkohle AG vóór de inwerkingtreding van de nieuwe verkoopregeling een speciale korting („Vertragsrabatt”) toegestaan aan handelaren die zich contractueel tot afname van een bepaalde hoeveelheid kolen hadden verplicht; die korting was echter op de prijslijst van Ruhrkohle-Verkauf GmbH voorzien en werd voor aankopen van een vergelijkbare omvang aan alle handelaren zonder onderscheid verleend. De door de producenten vastgestelde prijzen van ingevoerde brandstoffen lagen tussen de 95 en 110 DM; maar de invoer van brandstoffen uit andere Lid-Staten onttrok zich aan de invloed van Ruhrkohle AG, zodat haar handelsmaatschappijen met de andere grossiers concurreerden. Deze importen konden ernstig afbreuk doen aan de afzet van Ruhrkolen en het ligt dus voor de hand dat de handelsmaatschappijen van Ruhrkohle AG door deelneming aan deze handel trachtten hun verliezen goed te maken. Met betrekking tot de rechtstreekse transacties van Ruhrkohle-Verkauf GmbH met cliënten uit de industriële sector met een jaarverbruik van meer dan 30000 ton, zij er aan herinnerd dat deze kopers sedert einde 1973 kunnen kiezen tussen bevoorrading via de handel of rechtstreeks door de verkoopkantoren. De uitsluiting van de handel bij transacties met de spoorwegen en bepaalde andere afnemers uit de industriële sector geldt voor alle handelaren zonder onderscheid en vindt bovendien een objectieve rechtvaardiging in de bijzondere, voor deze kring van afnemers typische, situatie. Het nieuwe voorschrift uit de verkoopregeling waarin leveranties van grossiers aan industriële afnemers die jaarlijks meer dan 30000 ton Ruhrkolen afnemen van bepaalde bijzondere prestaties afhankelijk zijn gesteld, geldt op dezelfde wijze eveneens voor alle tot rechtstreekse afname toegelaten groothandelaren. De daling van verzoeksters verkoopcijfers tot slechts 700 ton in 1972 is geen gevolg geweest van een discriminerende behandeling, doch moet worden toegeschreven aan de algemene teruggang van het kolenverbruik, en met name ook aan verzoeksters bedrijfsvoering.

b) Wat dit laatste betreft: het moet ervoor worden gehouden dat verzoekster haar recht op rechtstreekse afname kan behouden door samen met andere handelaren die zich in een overeenkomstige situatie bevinden, in te kopen. Deze mogelijkheid volgt uit de omstandigheid dat er volgens de nieuwe verkoopregeling alleen een tweejarig contract voor 6 000 ton 's jaars voor huisbrand en kleinverbruik behoeft te worden afgesloten zonder dat de handelaar deze hoeveelheid zelf helemaal behoeft af te zetten. Hoe de handelaren wensen samen te werken is hun zaak. De geringe inbreuk op hun onafhankelijkheid waarin zij eventueel zouden moeten berusten is in de huidige situatie op de kolenmarkt als het geringste kwaad te beschouwen.

c) Het tweede gedeelte van het petitum, waarin gedeeltelijke nietigverklaring — alleen ten aanzien van verzoekster — van de bestreden beschikking wordt gevorderd, is met de noodzakelijkerwijze algemene aard van die beschikking niet te verenigen. De criteria welke in de nieuwe verkoopregeling zijn vastgesteld moeten gelijkelijk voor alle handelaren uit de Gemeenschap gelden. In ieder geval laat verzoekster geheel in de mist waarom zij, vergeleken met alle andere grossiers, aanspraak zou mogen maken op een voorkeursbehandeling.

###### 2. Geen duidelijke verbetering bij de verdeling van brandstoffen

Verzoekster meent dat de nieuwe verkoopregeling, wel verre van tot een duidelijke verbetering van de verdeling van brandstoffen bij te dragen, die verdeling juist bemoeilijkt.

a) Zij begunstigt een concentratie bij een klein aantal grossiers. De Commissie geeft zelf toe dat de nieuwe handelsregeling volgens welke de toelating als groothandelaar in de eerste hand niet langer aan een minimumafzet van 6000 ton Ruhrkolen op de gemeenschappelijke markt, doch aan het tekenen van een tweejarig contract betreffende de levering van een vaste hoeveelheid van ten minste 6000 ton per jaar voor huisbrand en kleinverbruik gebonden is, een aantal handelaren de mogelijkheid tot rechtstreekse afname bij Ruhrkohle AG beneemt. Het komt de Commissie gerechtvaardigd voor dat „Ruhrkohle AG bij de opbouw van haar distributie rekening wenst te houden met de sterke afname van haar kolenverkopen en haar verkoopregeling aan de nieuwe omstandigheden wenst aan te passen — met beperking van haar rechtstreekse medewerking tot handelaren die in staat zijn een passende omzet te garanderen”, doch in de gewraakte beschikking wordt dit geenszins gestaafd.

b) In teite is aan Ruhrkohle AG een echte monopoliepositie ingeruimd: men heeft het daarheen geleid dat de verkoop van Ruhrkolen voortaan uitsluitend in het kader van Ruhrkohle-Verkauf GmbH plaats vindt.

c) Een verbetering van de verdeling van brandstoffen kan al evenmin worden gezocht in het feit dat de industriële transacties van een grossier voortaan — ter concentratie van zijn marktactiviteiten — aan zijn toelating in de huisbrand- en kleinverbruiksector zijn gekoppeld.

d) Uit de beschikking der Commissie van 21 december 1972 blijkt dus niet van een steekhoudende reden om aan te nemen dat de wijziging van de voorwaarden voor toelating als groothandelaar in de eerste hand tot een duidelijke verbetering van de brandstoffenverdeling kan bijdragen.

Verweerster merkt op dat dit middel een miskenning inhoudt van het juridisch uitgangspunt ter beoordeling van de litigieuze beschikking. De maatstaf ener duidelijke verbetering van de verdeling geldt slechts voor een krachtens artikel 65, lid 2, van het EGKS-Verdrag verleende ontheffing voor overeenkomsten waarbij verschillende ondernemingen tot gemeenschappelijke verkoop besluiten. De beschikking van 21 december 1972 is voortgevloeid uit de beschikking waarbij de Commissie op 27 november 1969 krachtens artikel 66, lid 2, goedkeuring heeft verleend tot de fusie van de kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken; rechtens berust zij op de in artikel 2 van de beschikking van 27 november 1969 omschreven verplichting iedere nieuwe handelsregeling ter goedkeuring aan de Commissie voor te leggen. Ter beoordeling van de bestreden beschikking dient men dus niet de maatstaven van artikel 65, lid 2, van het EGKS-Verdrag aan te leggen, doch de doelstelling der in artikel 2 van de beschikking van 27 november 1969 omschreven verplichting voor ogen te houden; men heeft willen voorkomen dat de zeer sterke positie van Ruhrkohle AG op handelsniveau tot een al te sterke beperking der mededinging zou leiden of dat het, wat de toegang tot de produktie van Ruhrkohle AG betreft, tot discriminatie tussen groothandelaren en verbruikers zou komen.

a) Volgens de Commissie beantwoordt de nieuwe verkoopregeling van Ruhrkohle AG, zoals zij in de bestreden beschikking is goedgekeurd, ten volle aan die doelstelling, wanneer men met name ook de tegenwoordige situatie op de kolenmarkt in aanmerking neemt. Die situatie is sedert 1959 vooral in het Ruhrgebied gekenmerkt door een vrijwel ononderbroken daling van de kolenverkoop, vooral in de huisbrandsector; die teruggang moet voornamelijk worden toegeschreven aan de gestadige herstructurering van de energiemarkt en vooral aan de vervanging van kolen door andere vormen van energie, vooral huisbrandolie. Ruhrkohle AG is gedwongen althans gedeeltelijk te streven naar beperking van de ernstige verliezen die zij door onvoldoende rentabiliteit heeft geleden, en wel door wijziging van haar verkoopsysteem, want de structuur van de produktiekosten bracht mede dat van een werkelijk stimuleren van de verkoop door prijsverlagingen al evenmin sprake kon zijn. Het belangrijkste bestanddeel van de nieuwe prijsregeling, te weten het afsluiten van een tweejarig contract waarbij men zich als voorwaarde voor toelating tot rechtstreekse afname en verkoop aan industriële verbruikers verplicht jaarlijks 6000 ton steenkool van Ruhrkohle AG voor huisbrand en kleinverbruik af te nemen, moet worden bezien in samenhang met twee factoren die bij de kolenverkoop een belangrijke rol spelen: de structuur van de verkoop via handelaren enerzijds en de efficiency en het belang van tot rechtstreekse bevoorrading toegelaten handelaren anderzijds. De verkoop in de huisbrand- en kleinverbruiksector is in sterke mate gestempeld door optreden der handelaren; de producenten hebben op de verkopen in deze sector maar weinig invloed; daarentegen zijn de mogelijkheden der handelaren bij de verkoop aan de industrie beperkt. Het afhankelijk stellen van de toelating als groothandelaar in de eerste hand van de verkoop van een minimumhoeveelheid voor huisbrand en kleinverbruik kan de handel dus prikkelen zijn inspanningen vooral te richten op die afnemers — waarop zij op marktniveau de grootste invloed uitoefenen —. Het verlangen van een tweejarig contract kan tot een zekere stabilisatie van de kolenverkoop leiden en Ruhrkohle AG haar produktieplanning vergemakkelijken. Een tweejarig contract biedt bovendien aan grossiers wier verkopen het jaar tevoren het voorgeschreven niveau niet geheel hebben gehaald, de mogelijkheid zich door verhoogde inspanning alsnog de toelating tot rechtstreekse afname te verschaffen; de overgangsperiode van een jaar — en de speling van 15 % (beneden het minimum) — maken het hun gemakkelijker dit doel te bereiken. Het nieuwe kwantitatieve criterium werkt er toe mede dat alleen handelaren die zich daadwerkelijk inspannen voor de afzet van de produktie van Ruhrkohle AG tot rechtstreekse afname worden toegelaten. Voor handelaren wier verkopen de limiet benaderen — of in benedenwaartse richting overschrijden — wordt het verleidelijk om, ter verzekering van volledige werkgelegenheid voor hun personeel en een volledig gebruik van het bedrijfspotentieel, over te gaan op andere brandstoffen, vooral olie, of zich op andere handelssectoren te richten. Een voorgeschreven minimumafzet van 6000 ton steenkool per jaar in de sector huisbrand en kleinverbruik — die tevens de voorwaarde is voor het recht tot levering aan industriële verbruikers — moet de handelaren prikkelen om bij de verkoop van Ruhrkolen de nodige activiteit te ontplooien om de daling der verkopen daadwerkelijk te bestrijden.

b) De Commissie was er zich, toen zij de bestreden beschikking nam, van bewust dat een nieuwe verkoopregeling bij Ruhrkohle AG in Duitsland een zestigtal „onafhankelijke” grossiers die — al dan niet rechtstreeks — geen aandeel in Ruhrkohle AG hadden, van rechtstreekse bevoorrading zou uitsluiten. Men dient evenwel te bedenken dat een dertigtal hunner reeds niet aan de normen der vroegere verkoopregeling voldeed; zo bedroeg verzoeksters afzet in 1971 en 1972 slechts 3100 respectievelijk 700 ton steenkool. De vermindering van het aantal groothandelaren in de eerste hand behoefde als zodanig echter niet te worden bestreden. Zij was althans ten dele een natuurlijk gevolg van de gestadige — en steeds snellere — teruggang van de verkopen, die noodzakelijkerwijze in wijzigingen van de structuur van de kolenhandel tot uiting moest komen. De Commissie heeft in het feit dat die wijzigingen zullen bijdragen tot verlaging van het aantal grossiers in de eerste hand geen aanleiding gevonden zich te verzetten tegen de nieuwe verkoopregeling van Ruhrkohle AG die een doeltreffend middel vormt om de daling van de kolenverkoop tegen te gaan. Die regeling doet bovendien geen afbreuk aan een daadwerkelijke mededinging in de kolenhandel; er blijven voldoende grossiers met het recht op rechtstreekse afname om in de huidige omstandigheden te zorgen voor handhaving van een daadwerkelijke mededinging.

c) Er is geen sprake van dat aan Ruhrkohle AG een monopoliepositie zou zijn ingeruimd. Integendeel, zij moet het hoofd bieden aan een zeer krachtige mededinging, met name van de kant van de andere energiebronnen, en dan weer vooral in de sectoren huisbrand en kleinverbruik en industrieel verbruik.

###### 3. Niet-inachtneming van bepaalde bij de goedkeuring gestelde voorwaarden

Verzoekster betoogt ten aanzien van de drie in de bestreden beschikking buiten de Bondsrepubliek Duitsland voorziene verkoopgebieden, dat Ruhrkohle AG voor export tegen een prijs van ongeveer 80 DM per ton cokes leverde die in Duitsland volgens de tarieven omstreeks 140 DM moest kosten.

Verweerster bestrijdt dit. Bovendien moet men haars inziens onderscheiden tussen uitvoer naar derde landen en uitvoer naar de overige Lid-Staten van de Gemeenschap; deze laatste exporten — waarom het hier alleen maar gaan kan — vinden plaats in het kader van eveneens op grond van de prijslijsten afgesloten tweejarige contracten. In ieder geval zou verzoeksters betoog, al ware het juist, de rechtsgeldigheid der bestreden beschikking onverlet laten; praktijken als hierbedoeld kunnen alleen de Commissie aanleiding geven de in artikel 64 van het EGKS-Verdrag bedoelde sancties toe te passen.

###### 4. Schending van fundamentele rechten

Verzoekster draagt de grief voor dat de verkoopregeling van Ruhrkohle AG en de daaraan gegeven toepassing schending van bepaalde in de nationale grondwetten gehuldigde en in het Gemeenschapsrecht „gerecipieerde” fundamentele rechten zou behelzen. Dit zou gelden voor het eigendomsrecht, waarvan de eerbiediging vooral in artikel 14 van het „Grundgesetz” van de Bondsrepubliek Duitsland en de „Verfassung” van het Land Hessen wordt verzekerd: de uitsluiting van verzoekster van de kolenhandel komt neer op onteigening; zij verliest haar „Besitzstand”. Ook zijn hier het recht op vrije ontplooiing van de persoonlijkheid, het recht op vrijheid van economische werkzaamheid en het evenredigheidsbeginsel in het geding.

Verweerster wijst erop dat het niet op de weg van het Hof van Justitie ligt het nationale recht of zelfs het constitutionele recht van een Lid-Staat uit te leggen en toe te passen. Voorts behelst het EGKS-Verdrag geen (al dan niet geschreven) algemeen rechtsbeginsel dat het behoud van eenmaal ingenomen posities waarborgt.

#### IV — Conclusies van partijen

Verzoekster heeft na wijziging van haar aanvankelijke vordering geconcludeerd dat het den Hove behage

a) de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1972 („handelsregeling Ruhr”) inzake de reorganisatie van het distributienet Ruhrkohle AG voor het grondgebied van de gemeenschappelijke markt, ingegaan op 1 januari 1973, nietig te verklaren;

b) subsidiair die beschikking nietig te verklaren voor zover zij verzoekster betreft;

c) verweerster te verwijzen in de kosten van het geding, de aan verzoekster opgekomen of nog op te komen kosten daaronder begrepen, en de uitspraak inzake de kosten bij voorraad uitvoerbaar te verklaren.

De Commissie heeft geconcludeerd dat het den Hove behage:

a) het beroep in zijn geheel ongegrond te verklaren;

b) verzoekster in de kosten van het geding te verwijzen.

De interveniëten hebben geconcludeerd dat het den Hove behage:

a) het beroep met-ontvankelijk te verklaren;

b) en in ieder geval verzoekster in een gedeelte der kosten te verwijzen.

Overwegende dat de zaak is bepleit en dat partijen door het Hof ter terechtzitting van 14 maart 1974 gestelde vragen hebben beantwoord; dat zij op die terechtzitting de hieronder samengevatte nieuwe argumenten naar voren hebben gebracht:

Verzoekster wijst erop dat zij tijdens haar meer dan honderdjarige werkzaamheid nimmer in staat is geweest in één jaar 6000 ton brandstoffen voor huisbrand en kleinverbruik af te zetten. Zij heeft daarentegen veel grotere hoeveelheden aan de industrie geleverd. Dat dit de laatste jaren niet het geval was komt omdat Ruhrkohle AG haar niet wilde leveren; daardoor heeft zij in 1970 aan een grote bestelling van Rheinstahl AG niet kunnen voldoen.

Bovendien maken de sinds kort ingetreden fundamentele wijzigingen in de energiesector — en met name die welke de mededinging tussen kolen en aardolie betreffen — de bestreden handelsregeling aanvechtbaar. Anders dan de Commissie aannam toen zij de fusie van de kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken — door inbreng van hun mijnen in Ruhrkohle AG — goedkeurde, is Ruhrkohle AG thans zeer wel in staat de prijzen te bepalen, de produktie of de verdeling te beheersen of de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op een belangrijk gedeelte van de markt te belemmeren.

Men zou artikel 65 van het LGKS-Verdrag in casu per analogiam toepasselijk kunnen achten. Volgens dit artikel kan de Commissie alleen ontheffing voor overeenkomsten tot gemeenschappelijke verkoop verlenen wanneer zodanige verkopen tot een duidelijke verbetering van de verdeling der desbetreffende produkten bijdragen. Deze voor een overeenkomst tussen een aantal ondernemingen geldende voorwaarde mag a fortiori worden gesteld wanneer de verkoopregeling uitgaat van één enkele onderneming die door fusie van een aantal andere ondernemingen is ontstaan en een zeer sterke marktpositie inneemt.

De bestreden beschikking houdt schending in van een aantal in het „Grundgesetz” van de Bondsrepubliek Duitsland erkende grondrechten, met name dat op vrije ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid, de vrije beroepskeuze en de uitoefening daarvan en de in artikel 14 omschreven waarborg van de eigendom. Zij worden ook in de constituties van andere Lid-Staten van de Gemeenschap, in internationale overeenkomsten en in het EGKS-Verdrag zelf, te weten in de artikelen 4, 65 en 66, erkend. De Commissie grijpt met haar beschikking op ongeoorloofde wijze direct in de uitoefening dier rechten in.

verweerster betoogt dat de weigering en de discriminatie die verzoekster van de zijde van Ruhrkohle AG zouden zijn wedervaren, de ten deze alleen relevante rechtsgeldigheid der bestreden beschikking niet raken; hetzelfde geldt voor de nog niet te voorziene consequenties van de recente energiecrisis; latere feiten kunnen aan de wettigheid van een handeling der Gemeenschap niet afdoen.

Wat de grondrechten betreft: de bescherming van de eigendom is ongetwijfeld één der in het Gemeenschapsrecht vastgestelde waarborgen, die ten deze op de constitutionele tradities der Lid-Staten en op het geschreven internationaal publiekrecht — zoals de Europese conventie inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden — berusten. Omdat de daadwerkelijke bescherming van het eigendomsrecht in de verschillende Lid-Staten verschillend wordt opgevat, moet men zich bij de uitwerking richten naar het land dat te dien aanzien de hoogste eisen stelt; dat wil zeggen dat met name op het Duitse constitutionele recht moet worden gelet. Dan blijkt evenwel enerzijds dat het recht op bevoorrading als groothandelaar in de eerste hand niet een onder de bescherming van de eigendom vallend recht is en dat anderzijds de Gemeenschap in zodanig recht niet ingrijpt.

De bescherming van het vermogen der handels- en industriële ondernemingen strekt zich uit tot haar economische waarde of rechtspositie als geheel, doch niet tot alle voor de onderneming gunstige feitelijke omstandigheden of bestaande regelingen en met name niet tot haar belangen, winstkansen en verwachtingen of prognoses nopens te behalen voordeel.

Anderzijds heeft de Commissie geenszins rechtstreeks in een eventueel eigendomsrecht ingegrepen: de verkoopregeling waarover erzoekster klaagt is ook na de goedkeuring der Commissie een privaatrechtelijke handeling gebleven.

De interveniënten wijzen erop dat zij, wel verre van een monopoliepositie in te nemen, met 50 à 60 % van de markt voor brandstoffen bestemd voor huisbrand en kleinverbruik genoegen moeten nemen; op die markt zijn ondanks de recente energiecrisis in de eerstkomende jaren waarschijnlijk weinig wijzigingen te verwachten.

De nieuwe verkoopregeling die in het bestreden besluit is goedgekeurd vindt haar rechtvaardiging in de omstandigheid dat Ruhrkohle AG er om haar verliezen zoveel mogelijk te beperken groot belang bij heeft voor een geregelde afzet van brandstoffen te zorgen; zij moet daartoe over partners beschikken die voor opslag zorgen en — door verbintenissen op lange termijn betreffende bepaalde hoeveelheden brandstoffen — in feite de distribuerende taak van een groothandelaar op zich nemen.

Overwegende dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 28 maart 1974 zijn conclusie heeft genomen.

### Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat de commanditaire vennootschap J. Nold die te Darmstadt een groothandel in steenkool en bouwmaterialen exploiteert, na op 31 januari 1973 beroep te hebben ingesteld thans concludeert tot vernietiging van de beschikking der Commissie van 21 december 1972 betreffende goedkeuring van een nieuwe verkoopregeling van de Ruhrkohle AG (PB 1973, nr. L 120, blz. 14), althans tot nietigverklaring en niet-toepasselijkverklaring dier beschikking voor zover zij verzoekster betreft;

dat verzoekster tegen die beschikking in hoofdzaak inbrengt dat de Ruhrkohle-Verkauf GmbH daarbij is gemachtigd de rechtstreekse levering van steenkool afhankelijk te stellen van het sluiten van tweejarige overeenkomsten inzake een af te nemen minimumhoeveelheid van 6000 ton per jaar voor de huisbrand- en kleinverbruikerssector, welke hoeveelheid haar jaaromzet in deze sector verre te boven gaat, waardoor zij als groothandelaar in de eerste hand zou worden weggewerkt;

#### De ontvankelijkheid

2.

Overwegende dat de Commissie de ontvankelijkheid van het verzoekschrift niet heeft weersproken;

dat daarentegen Ruhrkohle AG en Ruhrkohle-Verkauf GmbH als interveniënten hebben gesteld het beroep niet-ontvankelijk te achten omdat verzoekster daarbij geen belang zou hebben;

dat zij namelijk menen dat wanneer verzoekster door vernietiging van de beschikking van 21 december 1972 in het gelijk mocht worden gesteld, 's Hofs arrest ertoe zou leiden dat de aan de onderhavige handelsregeling voorafgaande regeling herleeft;

dat verzoekster evenmin aan de voorwaarden van de vroegere regeling zou voldoen, zodat zij in ieder geval haar hoedanigheid van groothandelaar in de eerste hand zou verliezen;

3.

Overwegende dat deze exceptie ten onrechte is opgeworpen;

dat immers de Commissie bijaldien de bestreden beschikking op grond van de opgeworpen grieven mocht worden vernietigd, naar alle waarschijnlijkheid aanleiding zou vinden het daarheen te leiden dat de goedgekeurde handelsregeling zou worden vervangen door nieuwe bepalingen waarin in meerdere mate met verzoeksters positie rekening wordt gehouden;

dat aan verzoekster dan ook een belang bij vernietiging van de hierbedoelde beschikkingen niet kan worden ontzegd;

#### Ten principale

4. Overwegende dat verzoekster, wat betreft de in artikel 33 van het EGKS-Verdrag genoemde gronden tot vernietiging, zich over haar grieven tegen de litigieuze beschikking niet nader heeft uitgelaten;

5. dat haar betoog in ieder geval goeddeels terstond moet worden terzijde gesteld, namelijk voor zover zij grieven te berde brengt welke niet de bepalingen van de bestreden beschikking der Commissie, doch haar betrekking tot de interventiënten betreffen;

6.

dat voor zover de grieven de beschikking der Commissie betreffen, verzoeksters schriftelijk en mondeling betoog in hoofdzaak neerkomt op het inroepen van schending van wezenlijke vormvoorschriften en schending van het Verdrag of zijn uitvoeringsregelingen;

dat deze middelen, wat betreft de nieuwe voorwaarden voor rechtstreekse bevoorrading door de kolenmijnen, met name behelzen dat de bestreden beschikking onvoldoende met redenen zou zijn omkleed en dat er te haren detrimente zou zijn gediscrimineerd, terwijl voorts inbreuk zou zijn gemaakt op haar fundamentele rechten;

##### 1. De grieven dat de beschikking onvoldoende met redenen zou zijn omkleed en dat er zou zijn gediscrimineerd

7.

Overwegende dat de Commissie bij beschikking van 27 november 1969 krachtens artikel 66, leden 1 en 2, van het EEG-Verdrag machtiging verleend heeft tot het onderbrengen van de meeste kolenmijnondernemingen van het Ruhrbekken in één enkele vennootschap, Ruhrkohle AG;

dat in artikel 2, lid 1, dier beschikking aan de nieuwe vennootschap de verplichting is opgelegd alle wijzigingen harer verkoopregeling aan de Commissie ter goedkeuring voor te leggen;

dat een daartoe strekkend verzoek door Ruhrkohle AG op 30 juni 1972 tot de Commissie is gericht;

dat de goedkeuring der Commissie bij de litigieuze beschikking van 21 december 1972 is verleend;

dat bij de aldus goedgekeurde regeling nieuwe voorwaarden zijn vastgesteld nopens de minimumhoeveelheden tot afname waarvan de handelaren zich moeten verbinden om in de gelegenheid te worden gesteld tot rechtstreekse afname bij de producent;

dat met name de rechtstreekse leveringen afhankelijk zijn gesteld van de voorwaarde dat de handelaar tweejarige contracten voor een af te nemen minimumhoeveelheid van 6000 ton per jaar voor de huisbrand- en kleinverbruikerssector zou afsluiten;

8.

Overwegende dat aan de Commissie wordt verweten dat zij Ruhrkohle AG heeft toegestaan willekeurig deze eis te stellen, hetgeen ertoe zou hebben geleid dat verzoekster, gezien het bedrag en de aard van haar jaarlijkse omzetten, van rechtstreekse bevoorrading werd uitgesloten en teruggewezen naar de positie van handelaar in de tweede hand, met alle daaraan verbonden handelsnadelen;

dat verzoekster enerzijds het feit discriminerend acht dat zij, anders dan andere ondernemingen, van rechtstreekse levering door de producent is uitgesloten en daardoor in een ongunstiger positie verkeert dan handelaren die in het genot van bedoeld voordeel zijn gebleven;

dat zij zich anderzijds beroept op artikel 65, lid 2, dat in soortgelijke omstandigheden als in artikel 66 bedoeld, overeenkomsten tot gemeenschappelijke verkoop slechts gedoogt wanneer zulke afspraken bijdragen „tot een duidelijke verbetering van de produktie of de verdeling van bedoelde produkten”;

9.

Overwegende dat de Commissie er in de redengeving harer beschikking blijk van geeft zich ervan bewust te zijn geweest dat het invoeren van een nieuwe verkoopregeling ertoe zou leiden dat een aantal handelaren niet langer rechtstreeks bij de producent zou kunnen kopen indien zij voormelde verplichtingen niet konden aangaan;

dat zij deze maatregel rechtvaardigt met een beroep op het feit dat Ruhrkohle AG in verband met een sterke teruggang van de kolenverkoop haar distributie heeft moeten rationaliseren door haar rechtstreekse medewerking voortaan slechts te verlenen aan handelaren die in staat zijn haar een behoorlijk verkoopvolume te garanderen;

dat het verlangen ener contractuele verbintenis voor een jaarlijkse minimumhoeveelheid de steenkolenmijnen een geregelde afzet — van aan het produktieritme aangepaste hoeveelheden — moet verzekeren;

10.

dat het stellen van voormelde criteria blijkens de toelichtingen die door de Commissie en door de interveniënten zijn verstrekt, niet alleen een rechtvaardiging kan vinden in de technische condities van de exploitatie der kolenmijnen, doch ook in de bijzondere economische moeilijkheden geschapen door de recessie in de kolenproduktie;

dat bedoelde criteria, vastgesteld bij een besluit van algemene strekking, dan ook niet discriminerend zijn te achten en in de beschikking van 21 december 1972 rechtens genoegzaam met redenen zijn omkleed;

dat niet is gesteld dat deze criteria op zodanige wijze zijn gehanteerd dat verzoekster anders is behandeld dan de andere ondernemingen die, evenals zij, niet aan de voorwaarden der nieuwe regeling voldoen, zodat hun het voordeel dat in toelating tot rechtstreekse afname bij de producent is gelegen, kwam te ontvallen;

11. dat deze middelen derhalve moeten worden verworpen;

##### 2. De grief, schending van fundamentele rechten behelzende

12.

Overwegende dat verzoekster zich ten slotte op schending van bepaalde fundamentele rechten beroept aangezien de beperkingen gesteld in de nieuwe door de Commissie goedgekeurde regeling, die rechtstreekse bevoorrading uitschakelt, zozeer afbreuk zouden doen aan de rentabiliteit van haar onderneming en aan de vrijheid van haar economische werkzaamheid, dat zij in haar bestaan wordt bedreigd;

dat daardoor een haar toekomend en met het eigendomsrecht gelijk te stellen recht, alsook het recht op vrije beroepsuitoefening zouden worden geschonden, zoals die worden beschermd in het Grundgesetz van de Bondsrepubliek Duitsland en in de constituties van andere Lid-Staten en verschillende internationale wilsverklaringen, met name in de Europese conventie ter bescherming van de rechten van de mens van 4 november 1950 en het additioneel protocol van 20 maart 1952;

13.

Overwegende dat de fundamentele rechten, naar het Hof reeds eerder heeft overwogen, een integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het verzekert;

dat het Hof zich bij de bescherming dier rechten heeft te laten leiden door de constitutionele tradities welke aan de Lid-Staten gemeen zijn en dus geen maatregelen kan toelaten welke indruisen tegen fundamentele rechten die in de constituties dier staten zijn erkend en gewaarborgd;

dat aan internationale wilsverklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lid-Staten hebben medegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten ook aanwijzigingen kunnen worden ontleend waarmede in het raam van het Gemeenschapsrecht rekening dient te worden gehouden;

dat verzoeksters grieven in het licht dezer beginselen moeten worden beoordeeld ;

14.

Overwegende dat ofschoon de constitutionele orde van alle Lid-Staten het eigendomsrecht bescherming verzekert en de vrijheid van handel, arbeid en andere professionele werkzaamheden met soortgelijke waarborgen omringt, de aldus gewaarborgde rechten wel verre van als absolute prerogatieven te mogen worden beschouwd, in verband met de sociale functie der beschermde goederen en werkzaamheden moeten worden bezien;

dat zulke rechten derhalve normaliter slechts onder voorbehoud van in het openbaar belang voorziene beperkingen worden gewaarborgd;

dat het ook in de rechtsorde van de Gemeenschap gerechtvaardigd voorkomt met betrekking tot deze rechten het voorbehoud te maken dat bepaalde grenzen die hun rechtvaardiging vinden in de doelstellingen van algemeen belang welke de Gemeenschap nastreeft, moeten worden in acht genomen zolang aan het wezen dier rechten geen afbreuk wordt gedaan;

dat inzonderheid de aan de onderneming verstrekte waarborgen in geen geval zonder meer mogen worden uitgebreid tot de bescherming van de belangen of kansen van de handel, welker wisselvalligheid voor de economische werkzaamheid wezenlijk is;

15.

Overwegende dat de door verzoekster bedoelde nadelen in werkelijkheid een gevolg zijn van de economische ontwikkeling en niet van de bestreden beschikking;

dat het, gezien de economische wijziging waartoe de recessie bij de steenkolenproduktie moest leiden, op haar weg lag het hoofd te bieden aan de nieuwe situatie en zelf tot de onvermijdelijke reconversies over te gaan;

16. dat het middel om al deze redenen moet worden terzijde gesteld;

17. Overwegende dat het beroep derhalve moet worden verworpen;

#### Ten aanzien van de kosten

18.

Overwegende dat volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen;

dat verzoekster in het ongelijk is gesteld;

19. dat bij beschikking van de President van 14 maart 1973 en bij beschikking van het Hof van 21 november 1973 de uitspraak omtrent de kosten gevallen op het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging der bestreden beschikking onderscheidenlijk op het verzoek in interventie is aangehouden;

20. dat het Hof bij beschikking van 21 juni 1973 verzoekster heeft veroordeeld in de kosten alstoen door de vennootschappen Ruhrkohle AG en Ruhrkohle Verkaufs GmbH in de hoofdzaak en in référé gemaakt;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1\. verklaart het beroep ongegrond;

2\. verwijst verzoekster in de kosten van het geding, daarin begrepen de kosten waaromtrent de uitspraak bij de beschikkingen van 14 maart en 21 november 1973 is aangehouden en die waaromtrent bij beschikking van 21 juni 1973 uitspraak is gedaan.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

1

EEG-Verdrag art. 66 1 voorkomen

## Rechtspraak

3

### Europese Unie

3

Hof van Justitie C-40/21 04.05.2023

#### [Beschikking 2006/928/EG](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-40-21-arrest)

Hof van Justitie C-72/15 28.03.2017

#### [Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-72-15-arrest)

Conclusie van de advocaat-generaal C-246/16 08.06.2017

#### [Beperking van het recht op verlaging van de maatstaf van heffing in geval van niet-betaling door de medecontractant](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-246-16-conclusie)

## Rechtsleer

13

Meier, Gert: Deutsches Verwaltungsblatt 1974 p.674-675 (DE)

Goose, Peter Ernst: Außenwirtschaftsdienst des Betriebs-Beraters / Recht der Internationalen Wirtschaft 1974 p.489-491 (DE)

Hartley, Trevor: Fundamental Rights in Community Law, European Law Review 1975 p.54-57 (EN)

Riegel, Reinhard: Das Grundrechtsproblem als Kollisionsproblem im europäischen Gemeinschaftsrecht. Die Rechtsstaatlichkeit der europäischen Gemeinschaftsrechtsordnung, Bayerische Verwaltungsblätter 1976 p.353-360 + p.395-399 (DE)

Moura Ramos, Rui Manuel: Boletim do Ministério da Justiça / Documentação e direito comparado 1986 nº 25-26 p.251-252 (PT)

**Bekijk de 8 andere verwijzingen**

Banu, Mihai: Drept comunitar. Principii generale de drept. Drepturi fundamentale ale persoanei. Respectare în ordinea jurică comunitară. Drept de proprietate. Exercitare liberă de activităţi profesionale. Limite. Funcţie socială a anumitor drepturi. Interes general al Comunităţii. Substanţă intangibilă a drepturilor, Revista română de drept al afacerilor 2007 nº 07 p.159-171 (RO)

Cunha Rodrigues, José Narciso: The Incorporation of Fundamental Rights in the Community Legal Order, The past and future of EU law: the classics of EU law revisited on the 50th anniversary of the Rome Treaty (Hart Publishing, Oxford) 2010, p. 89-97 (EN)

Tridimas, Takis: Primacy, Fundamental Rights and the Search for Legitimacy, The past and future of EU law: the classics of EU law revisited on the 50th anniversary of the Rome Treaty (Hart Publishing, Oxford) 2010, p. 98-105 (EN)

Kumm, Mattias: Internationale Handelsgesellschaft, Nold and the New Human Rights Paradigm, The past and future of EU law: the classics of EU law revisited on the 50th anniversary of the Rome Treaty (Hart Publishing, Oxford) 2010, p. 106-118 (EN)

Bryde, Brun-Otto: The ECJ’s Fundamental Rights Jurisprudence— a Milestone in Transnational Constitutionalism, The past and future of EU law: the classics of EU law revisited on the 50th anniversary of the Rome Treaty (Hart Publishing, Oxford) 2010, p. 119-130 (EN)

X: Europees Recht 1963-1979; Jurisprudentie en Annotaties (Ed. Ars Aequi Libri - Utrecht) 2012 p.31-32 (NL)

Ruiz-Miguel, Carlos: Les droits fondamentaux au carrefour de la Cour européenne des droits de l'homme et de la Cour de justice de l'Union européenne, Cahiers de la recherche sur les droits fondamentaux 2015 n° 13 p.121-135 (FR)

Douglas-Scott, Sionaidh: Nold and the Sources of EU Fundamental Rights, Landmark Cases in EU Law. Volume 1: The Constitutional Cases (Hart Publishing, Oxford) 2025, p. 273-288 (EN)
