ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
22 januari 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Fiscaliteit – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Diensten die worden verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een vrijgestelde activiteit verrichten – Diensten die direct nodig zijn voor de uitoefening van de vrijgestelde activiteit – Gevaar voor verstoring van de mededinging – Schoonmaakdiensten in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs – Nationale regeling op grond waarvan de diensten rechtstreeks en uitsluitend moeten samenhangen met de vrijgestelde activiteit en noodzakelijk zijn voor de uitoefening daarvan”
In de gevoegde zaken C‑379/24 en C‑380/24,
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña (hoogste rechterlijke instantie van de autonome regio Catalonië, Spanje) bij beslissingen van 22 en 29 april 2024, ingekomen bij het Hof op 28 mei 2024, in de procedures
Agrupació de Neteja Sanitària, AIE (C‑379/24),
Educat Serveis Auxiliars SCCL (C‑380/24)
tegen
Tribunal Económico-Administrativo Regional de Cataluña (TEARC),
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin (rapporteur), M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door P. Pérez Zapico als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Cabrera Ruiz en P. Carlin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 2025,
het navolgende
Arrest
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee afzonderlijke gedingen betreffende de afwijzing door de Tribunal Económico-Administrativo Regional de Cataluña (regionale rechter in economische en bestuurszaken Catalonië, Spanje) van de klachten van respectievelijk Agrupació de Neteja Sanitària AIE (hierna: „ANS”) en Educat Serveis Auxiliars SCCL (hierna: „Educat”) tegen besluiten tot naheffing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die op hen betrekking hebben.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
In de overwegingen 25 en 35 van de btw-richtlijn staat het volgende te lezen:
„(25) De maatstaf van heffing moet worden geharmoniseerd, opdat de toepassing van de btw op de belastbare handelingen in alle lidstaten tot vergelijkbare resultaten leidt.
[…]
(35) Met het oog op een vergelijkbare inning van de eigen middelen in alle lidstaten dient een gemeenschappelijke lijst van vrijstellingen te worden vastgesteld.”
Titel IX („Vrijstellingen”) van die richtlijn bevat een hoofdstuk 1, met als opschrift „Algemene bepalingen”, waarin artikel 131 is opgenomen, dat het volgende bepaalt:
„De in de hoofdstukken 2 tot en met 9 geregelde vrijstellingen zijn van toepassing onverminderd andere communautaire bepalingen en onder de voorwaarden die de lidstaten stellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.”
In dezelfde titel IX bevat hoofdstuk 2, met als opschrift „Vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang”, artikel 132, waarvan lid 1 luidt als volgt:
„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:
[…]
b) ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of, onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor genoemde lichamen, door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard;
[…]
f) diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, teneinde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit, wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden;
[…]
i) onderwijs aan kinderen of jongeren, […]”.
Spaans recht
Artikel 20, lid 1, van Ley 37/1992 del Impuesto sobre el Valor Añadido (wet 37/1992 betreffende de belasting over de toegevoegde waarde) van 28 december 1992 (BOE nr. 312 van 29 december 1992, blz. 44247), in de op de feiten van de hoofdgedingen toepasselijke versie, bepaalt het volgende:
„De volgende handelingen zijn vrijgesteld van [btw]:
[…]
6.° Diensten die rechtstreeks worden verleend aan hun leden door verenigingen, groeperingen of autonome entiteiten, met inbegrip van economische samenwerkingsverbanden, die uitsluitend bestaan uit personen die een vrijgestelde of niet-belastingplichtige activiteit uitoefenen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) Die diensten worden rechtstreeks en uitsluitend gebruikt voor die activiteit en zijn noodzakelijk voor de uitoefening ervan.
b) De leden dienen enkel hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven te vergoeden.
[…]
De vrijstelling is ook van toepassing indien, wanneer is voldaan aan de voorwaarde onder b), het aftrekbare gedeelte niet meer dan 10 procent bedraagt en de dienst niet rechtstreeks en uitsluitend wordt gebruikt voor handelingen die recht op aftrek geven.
De vrijstelling geldt niet voor diensten van handelsondernemingen.
[…]”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
ANS, verzoekster in het hoofdgeding in zaak C‑379/24 werd op 11 februari 2017 opgericht als een „Agrupación de Interés Económico” (AIE; economisch samenwerkingsverband), die tot doel had een gemeenschappelijke infrastructuur tot stand te brengen voor de verlening van allesomvattende schoonmaakdiensten in de ziekenhuizen, centra en gebouwen in het algemeen, waarin de leden van ANS hun activiteiten op het gebied van gezondheidszorg en sociale zorg verrichten.
Educat, verzoekster in het hoofdgeding in zaak C‑380/24, is op 15 juli 2010 opgericht als „Sociedad Cooperativa Catalana Limitada” (SCCL; Catalaanse coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid), die tot doel had een gemeenschappelijke infrastructuur tot stand te brengen voor de verlening van allesomvattende schoonmaakdiensten in de instellingen en faciliteiten van de leden van Educat, waarin deze onderwijsactiviteiten verrichten zoals kleuterscholen, lagere scholen, scholen voor secundair onderwijs en instellingen voor beroepsopleiding.
Verzoeksters in de hoofdgedingen hebben elk met derden overeenkomsten gesloten voor het beheer van hun personeel. Op basis daarvan plaatsten deze derden het personeel en wezen zij het taken toe, selecteerden zij het personeel, waren zij verantwoordelijk voor de loonadministratie, regelden zij incidenten (met inbegrip van de opvolging en beëindiging van arbeidsverhoudingen), zorgden zij voor een passende opleiding overeenkomstig de wettelijke vereisten en verstrekten zij het nodige materiaal voor de uitvoering van die taken. In de overeenkomsten werd het gebruik van onderaannemingen voor schoonmaakwerkzaamheden gerechtvaardigd door het feit dat deze derden over de ervaring, kennis en middelen beschikten die nodig waren voor het beheer van de schoonmaakdiensten die verzoeksters in het hoofdgeding aan hun leden leverden.
Na btw-controles heeft de Dependencia Regional de Inspección de la Agencia Española de Administración Tributaria (regionale inspectiedienst van de Spaanse belastingdienst) Educat en ANS onderworpen aan de btw voor de handelingen die zij verrichtten door schoonmaakdiensten te verrichten ten behoeve van hun respectieve leden. Volgens die dienst was de in artikel 20, lid 1, punt 6, van wet 37/1992 neergelegde vrijstelling niet van toepassing omdat verzoeksters in het hoofdgeding deze diensten niet rechtstreeks hadden verricht, maar een beroep hadden gedaan op externe ondernemingen die in feite een wezenlijk deel van de diensten hadden verricht. Uit deze controles bleek bovendien dat de betrokken schoonmaakdiensten niet rechtstreeks en uitsluitend samenhingen met de vrijgestelde activiteit van de respectieve leden van ANS en Educat, zodat de toepassing van de vrijstelling tot verstoring van de mededinging kon leiden.
De Tribunal Económico-Administrativo Regional de Cataluña heeft de twee besluiten tot naheffing van de btw ten aanzien van ANS en Educat bevestigd. Zij hebben elk tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña (hoogste rechterlijke instantie van de autonome regio Catalonië, Spanje), de verwijzende rechter. Zij betogen dat de in geding zijnde btw-vrijstelling niet kan worden geweigerd op grond dat het personeelsbeheer is uitbesteed aan een derde onderneming, hetgeen in overeenstemming is met de geest en het doel van deze vrijstelling.
In die omstandigheden heeft de Tribunal Superior de Justicia de Cataluña de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen, die in de zaken C‑379/24 en C‑380/24 in identieke bewoordingen zijn geformuleerd:
„1) Staan de communautaire betekenis en doelstelling van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de [btw-richtlijn] in de weg aan een nationale bepaling – artikel 20, lid 1, punt 6, van [wet 37/1992] – die vereist dat de betrokken diensten rechtstreeks en uitsluitend samenhangen met de vrijgestelde activiteit […], wanneer de uitlegging van dit vereiste in het geval van de betrokken dienst – schoonmaakdiensten in de gezondheidszorgsector [(C‑379/24)] en in de onderwijssector [(C‑380/24)] – tot de conclusie leidt dat deze dienst niet uitsluitend wordt verleend in deze vrijgestelde sector, hoewel hij uniek, technisch en complex is wat de organisatie […] en de opzet ervan betreft, en hij absoluut noodzakelijk is?
2) Staan de communautaire betekenis en doelstelling van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de [btw-richtlijn] in de weg aan een uitlegging van artikel 20, lid 1, punt 6, van [wet 37/1992] waarbij – met het oog op de weigering van de vrijstelling overeenkomstig de communautaire voorwaarden – de niet‑exclusiviteit van de ten behoeve van de activiteit verrichte dienst wordt gelijkgesteld met een activiteit die de mededinging verstoort, waardoor aldus nationale en communautaire voorwaarden worden gecombineerd om die weigering te rechtvaardigen? Houdt de voorwaarde dat ‚de mededinging niet wordt verstoord’ in dat de vrijstelling wordt geweigerd ongeacht de mate waarin de verstoring van de mededinging gevolgen sorteert indien deze niet door de partijen wordt betwist [arrest van 20 november 2003, Taksatorringen, C‑8/01, EU:C:2003:621, punt 48], op grond dat elke vrijstelling een inbreuk vormt op het door het Hof erkende algemene beginsel van de belastingplicht?”
Bij beslissing van de president van het Hof van 10 juli 2024 zijn de zaken C‑379/24 en C‑380/24 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan diensten verricht door een zelfstandige groepering van personen niet kunnen worden aangemerkt als diensten die „direct nodig” zijn in de zin van deze bepaling wanneer deze diensten noodzakelijk zijn voor de van btw vrijgestelde activiteit van deze personen, maar vanwege hun algemene aard niet uitsluitend samenhangen met die activiteit.
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit de overwegingen 25 en 35 van de btw-richtlijn volgt dat zij tot doel heeft de maatstaf van heffing van de btw te harmoniseren en dat de vrijstellingen van die belasting autonome begrippen van het Unierecht zijn die, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, in het algemene kader van het bij deze richtlijn ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel moeten worden geplaatst (zie naar analogie arrest van 20 november 2019, Infohos, C‑400/18, EU:C:2019:992, punt 29).
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 91).
Wat de bewoordingen van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn betreft, zij opgemerkt dat deze bepaling vrijstelling verleent voor diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen die is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, teneinde aan de leden van deze groeperingen de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit, wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden.
In dat verband blijkt uit vaste rechtspraak dat de bewoordingen waarin de in artikel 132 van de btw-richtlijn bedoelde btw-vrijstellingen zijn omschreven, strikt moeten worden uitgelegd, aangezien die vrijstellingen uitzonderingen vormen op het algemene beginsel dat iedere dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, aan de btw is onderworpen. De uitlegging van die bewoordingen moet echter in overeenstemming zijn met de met bedoelde vrijstellingen nagestreefde doeleinden en dient te stroken met de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke btw-stelsel. Dit beginsel van strikte uitlegging betekent dus niet dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen van artikel 132 zijn gebruikt, aldus moeten worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren. De rechtspraak van het Hof heeft niet tot doel een zodanige uitlegging te geven dat de bedoelde vrijstellingen in de praktijk bijna onmogelijk toe te passen zijn (arresten van 11 december 2008, Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing, C‑407/07, EU:C:2008:713, punt 30; 4 mei 2017, Commissie/Luxemburg, C‑274/15, EU:C:2017:333, punt 50, en 18 november 2020, Kaplan International colleges UK, C‑77/19, EU:C:2020:934, punt 37).
Er zij nog opgemerkt dat artikel 132, lid 1, onder a) tot en met q), van de btw-richtlijn weliswaar de door de lidstaten vrijgestelde „handelingen” opsomt, maar dat artikel 132, lid 1, onder f), van deze richtlijn meer in het bijzonder betrekking heeft op diensten die, ten eerste, worden verricht door zelfstandige groeperingen van personen ten behoeve van hun leden die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, en ten tweede, „direct nodig” zijn voor die activiteit.
Derhalve moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn weliswaar vereisen dat er een verband bestaat tussen de door de zelfstandige groepering van personen verrichte dienst en de vrijgestelde activiteit van haar leden, maar dat deze bepaling niet vereist dat het bij deze diensten gaat om specifieke diensten die een onontbeerlijke bijdrage leveren aan die activiteit of aan een specifieke handeling. Het is namelijk voldoende dat de door een dergelijke groepering verrichte dienst direct nodig is voor de uitoefening van de vrijgestelde activiteit van haar leden.
Wat de context van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn betreft, zij opgemerkt dat deze bepaling is opgenomen in hoofdstuk 2 van titel IX van deze richtlijn, waarin ook artikel 134, onder a), is opgenomen, waarin het heet dat „goederenleveringen en diensten […] van de in artikel 132, lid 1, [onder] b), g), h), i), l), m) en n), bedoelde vrijstellingen [zijn] uitgesloten […] wanneer zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen”. Artikel 134, onder a), stelt de diensten waarnaar wordt verwezen in de daarin vermelde bepalingen dus uitdrukkelijk afhankelijk van de voorwaarde dat zij onontbeerlijk zijn voor de vrijgestelde handelingen. In dit verband moet worden vastgesteld dat de in artikel 132, lid 1, onder f), van deze richtlijn bedoelde diensten niet voorkomen onder de in artikel 134, onder a), van die richtlijn vermelde diensten.
Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 27 van haar conclusie opmerkt, de in artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn bedoelde diensten niet zodanig specifiek hoeven te zijn dat zij een onontbeerlijke bijdrage vormen aan de vrijgestelde activiteit of zelfs aan bepaalde van de vrijgestelde handelingen. Aan deze uitlegging wordt bovendien niet afgedaan door het enkele feit dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde vrijgestelde activiteiten onder artikel 132, lid 1, onder b) en i), van deze richtlijn vallen.
De verrichting van diensten die niet rechtstreeks aan de uitoefening van de in artikel 132 van de btw-richtlijn vermelde activiteiten van algemeen belang maar aan de uitoefening van andere activiteiten bijdragen, kan daarentegen niet onder de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van deze richtlijn vallen (zie in die zin arrest van 21 september 2017, Commissie/Duitsland, C‑616/15, EU:C:2017:721, punt 50).
De in de punten 20 en 22 van het onderhavige arrest uiteengezette uitlegging van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn is ook in overeenstemming met het doel van deze bepaling, die ertoe strekt bepaalde activiteiten van algemeen belang vrij te stellen van btw teneinde de toegang tot bepaalde diensten en de levering van bepaalde goederen te vergemakkelijken door de verhoogde kosten te vermijden die zouden ontstaan indien de betrokken diensten en goederenleveringen aan de btw werden onderworpen (zie naar analogie arrest van 20 november 2019, Infohos, C‑400/18, EU:C:2019:992, punt 37). Derhalve vallen de diensten verricht door een zelfstandige groepering van personen onder de vrijstelling van die bepaling, wanneer die diensten rechtstreeks bijdragen aan de uitoefening van de in artikel 132 van deze richtlijn vermelde activiteiten van algemeen belang (arrest van 21 september 2017, Commissie/Duitsland, C‑616/15, EU:C:2017:721, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Dit is inderdaad het geval wanneer de diensten gewoonlijk door een dergelijke groepering ten behoeve van haar leden worden verricht, voor zover zij noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de vrijgestelde activiteit. In dit verband zouden „algemene” diensten zoals schoonmaakdiensten kunnen worden geacht rechtstreeks noodzakelijk te zijn, en dit zowel voor de sector van de medische verzorging als voor de onderwijssector, waarin de marktdeelnemers bovendien onderworpen zijn aan specifieke hygiënevoorschriften. De verwijzende rechter merkt overigens op dat de in geding zijnde schoonmaakdiensten, gelet op de betrokken activiteiten, uniek, technisch en complex zijn.
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan diensten verricht door een zelfstandige groepering van personen niet kunnen worden aangemerkt als diensten die „direct nodig” zijn in de zin van deze bepaling wanneer deze diensten noodzakelijk zijn voor de van btw vrijgestelde activiteit van deze personen, maar vanwege hun algemene aard niet uitsluitend samenhangen met die activiteit.
Tweede vraag
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een uitlegging van een nationale regeling op grond waarvan er principieel sprake is van verstoring van de mededinging of van gevaar voor verstoring van de mededinging wanneer de diensten die een zelfstandige groepering van personen ten behoeve van haar leden verricht, wegens hun algemene aard kunnen worden gebruikt voor om het even welke belastbare activiteit en niet uitsluitend voor de vrijgestelde activiteit die zij uitoefenen.
Volgens de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale bepaling is de btw-vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn afhankelijk van de voorwaarde dat de diensten die rechtstreeks worden verleend aan de leden van zelfstandige groeperingen van personen die bestaan uit personen die een vrijgestelde of niet-belastingplichtige activiteit uitoefenen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, rechtstreeks en uitsluitend voor deze activiteit worden gebruikt en voor de uitoefening ervan noodzakelijk zijn.
In dit verband blijkt uit het antwoord op de eerste vraag dat deze bepaling zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan door een zelfstandige groepering van personen verrichte diensten niet kunnen worden aangemerkt als diensten die „direct nodig” zijn in de zin van die bepaling, wanneer deze diensten noodzakelijk zijn voor de van btw vrijgestelde activiteit van deze personen, maar vanwege hun algemene aard niet uitsluitend samenhangen met die activiteit.
De Spaanse regering betoogt evenwel dat die bepaling zich niet verzet tegen het exclusiviteitsvereiste waarin is voorzien bij de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde regeling, aangezien dit vereiste beoogt te verzekeren dat de in artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn gestelde voorwaarde van niet-verstoring van de mededinging eenvoudig en juist kan worden toegepast.
Bijgevolg moet worden onderzocht of een lidstaat, gelet op het vereiste van niet-verstoring van de mededinging, in zijn nationale wettelijke regeling kan bepalen dat de in die bepaling bedoelde vrijstelling slechts van toepassing is op bepaalde diensten.
Bovendien zou de nationale wetgever, om uit te maken of de toepassing van de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn tot verstoring van de mededinging kan leiden, inderdaad regels mogen invoeren die door de bevoegde autoriteiten gemakkelijk kunnen worden gehandhaafd en gecontroleerd. Krachtens artikel 131 van de btw-richtlijn stellen de lidstaten namelijk de voorwaarden voor de vrijstellingen om een juiste en eenvoudige toepassing ervan te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen. Deze voorwaarden mogen echter geen betrekking hebben op de definitie van de inhoud van de vrijstellingen waarin deze richtlijn voorziet (zie in die zin arresten van 21 maart 2013, Commissie/Frankrijk, C‑197/12,EU:C:2013:202, punt 31; 25 februari 2016, Commissie/Nederland, C‑22/15, EU:C:2016:118, punten 28 en 29, en 21 september 2017, Commissie/Duitsland, C‑616/15, EU:C:2017:721, punt 65).
Dat is echter precies het effect van de betrokken nationale wettelijke regeling, waarmee de nationale wetgever beoogt alle door zelfstandige groeperingen van personen verrichte diensten uit te sluiten wanneer deze ook kunnen worden gebruikt voor activiteiten die niet uitsluitend samenhangen met de vrijgestelde activiteit die de leden van deze groeperingen uitoefenen.
Bovendien zij eraan herinnerd dat de vrijstelling van artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn tot doel heeft te voorkomen dat de persoon die bepaalde diensten verricht, aan de betaling van btw wordt onderworpen wanneer hij genoopt is samen te werken met andere ondernemingen in een gemeenschappelijke structuur die bepaalde met het oog op die dienstverrichtingen noodzakelijke activiteiten voor haar rekening neemt (arresten van 11 december 2008, Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing, C‑407/07, EU:C:2008:713, punt 37, en 21 september 2017, Commissie/Duitsland, C‑616/15, EU:C:2017:721, punt 56). Zoals in punt 24 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, beoogt deze bepaling dus bepaalde activiteiten van algemeen belang vrij te stellen van btw, teneinde de toegang tot bepaalde diensten en de levering van bepaalde goederen te vergemakkelijken door de verhoogde kosten te vermijden die zouden ontstaan indien de betrokken diensten en goederenleveringen aan de btw werden onderworpen.
Zou de vrijstelling waarin artikel 132, lid 1, onder f), van btw-richtlijn voorziet worden geweigerd aan een zelfstandige groepering van personen die aan alle voorwaarden van deze bepaling voldoet, op de enkele grond dat het bij de ten behoeve van de leden van deze groepering verrichte diensten gaat om diensten van algemene aard die ook ten behoeve van andere personen kunnen worden verricht, dan zou dit echter tot gevolg hebben dat de werkingssfeer van deze bepaling wordt beperkt, doordat principieel wordt uitgesloten dat diensten die door die groepering ten behoeve van haar leden worden verricht in aanmerking komen voor de btw-vrijstelling, waarbij een dergelijke beperking van de werkingssfeer geen bevestiging vindt in de doelstelling van die richtlijn zoals die in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht (zie naar analogie arresten van 11 december 2008, Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing, C‑407/07, EU:C:2008:713, punten 36 en 37, en 20 november 2019, Infohos, C‑400/18, EU:C:2019:992, punt 40).
Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie opmerkt, kan er daarentegen sprake zijn van verstoring van de mededinging in geval van misbruik in de zin van artikel 131 van de btw-richtlijn. Een dergelijk misbruik kan echter niet worden gebaseerd op een algemeen en onweerlegbaar vermoeden (zie in die zin arrest van 20 november 2019, Infohos, C‑400/18, EU:C:2019:992, punt 53).
Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 132, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een uitlegging van een nationale regeling op grond waarvan er principieel sprake is van verstoring van de mededinging of van gevaar voor verstoring van de mededinging wanneer de diensten die een zelfstandige groepering van personen ten behoeve van haar leden verricht, wegens hun algemene aard kunnen worden gebruikt voor om het even welke belastbare activiteit en niet uitsluitend voor de vrijgestelde activiteit die zij uitoefenen.
Kosten
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Dictum
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan diensten verricht door een zelfstandige groepering van personen niet kunnen worden aangemerkt als diensten die „direct nodig” zijn in de zin van deze bepaling wanneer deze diensten noodzakelijk zijn voor de van belasting over de toegevoegde waarde vrijgestelde activiteit van deze personen, maar vanwege hun algemene aard niet uitsluitend samenhangen met die activiteit.
2) Artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een uitlegging van een nationale regeling op grond waarvan er principieel sprake is van verstoring van de mededinging of van gevaar voor verstoring van de mededinging wanneer de diensten die een zelfstandige groepering van personen ten behoeve van haar leden verricht, wegens hun algemene aard kunnen worden gebruikt voor om het even welke belastbare activiteit en niet uitsluitend voor de vrijgestelde activiteit die zij uitoefenen.
ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
14Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal KokottC-379/2410.07.2025